Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over de toegankelijkheid van de huisartsenzorg en reacties op de aangenomen moties ingediend tijdens het notaoverleg “Stop de commercie, steun de huisarts. Een plan voor toekomstbestendige huisartsenzorg” (Kamerstuk 33578-167)
2026D02452 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties
behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport over de toegankelijkheid van de huisartsenzorg en reacties op de
aangenomen moties ingediend tijdens het notaoverleg «Stop de commercie, steun de huisarts.
Een plan voor toekomstbestendige huisartsenzorg»1.
De fungerend voorzitter van de commissie,
Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie,
Heller
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
II.
Reactie van de Minister
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van
de Minister over de toegankelijkheid van de huisartsenzorg en de reactie op de aangenomen
moties bij het notaoverleg. Deze leden onderschrijven het belang van een sterke eerstelijnszorg
als fundament onder een toekomstbestendig zorgstelsel. Juist in een tijd van toenemende
zorgvraag, arbeidsmarktkrapte en druk op de toegankelijkheid is een goed functionerende
huisartsenzorg cruciaal. De huisarts vervult daarin een sleutelpositie als eerste
aanspreekpunt, vertrouwenspersoon en poortwachter van de zorg. Genoemde leden constateren
dat met de afspraken uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) belangrijke
stappen worden gezet en blijven deze nauwlettend volgen, om toe te zien op de mate
waarin deze initiatieven daadwerkelijk bijdragen aan betere toegankelijkheid voor
patiënten.
Daartoe vragen de leden van de D66-fractie de Minister of hij concreet kan aangeven
welke resultaten inmiddels zichtbaar zijn, bijvoorbeeld in het aantal mensen zonder
vaste huisarts, het aantal patiëntenstops per regio en de ervaren toegankelijkheid
voor patiënten. Kan de Minister daarnaast aangeven welke instrumenten hij concreet
beschikbaar heeft indien deze resultaten achter blijven?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de stukken over
de toegankelijkheid van huisartsenzorg. Zij onderschrijven het belang van de Minister
dat de huisartsenzorg in elke regio toegankelijk is, maar zij hebben enkele vragen
hiertoe.
De leden van de VVD-fractie lezen dat er veel actie wordt ondernomen om de huisvestingsproblematiek
van huisartsenpraktijken te verhelpen, maar lezen niet wat de stand van zaken is sinds
de eerste handreiking hierover is gepubliceerd in 2023. Kan de Minister aangeven of
en welke vooruitgang hij ziet in de huisvesting van huisartsenpraktijken? Denkt hij
dat de huisartsenhuisvestingproblematiek in de toekomst erger of beter wordt?
Verder lezen de leden van de VVD-fractie dat huisartsen bij huisvestingsproblematiek
de Regionale Huisartsenorganisatie (RHO) als eerste aanspreekpunt hebben. Zijn alle
huisartsen bij een RHO aangesloten? Als dit niet het geval is, kunnen de niet aangesloten
huisartsen dan alsnog gebruik maken van de expertise van de RHO? Hiernaast bestaat
op sommige plekken een Regionale Organisatiestructuur (ROS). Kan de Minister aangeven
wat hiermee bedoeld wordt? Op welke manier verschilt dit van een RHO? Versterken een
ROS en een RHO elkaar?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen van
de voorliggende stukken en de brief van de Minister over de toegankelijkheid van de
huisartsenzorg en de reacties op de aangenomen moties die zijn ingediend tijdens het
notaoverleg «Stop de commercie, steun de huisarts. Een plan voor toekomstbestendige
huisartsenzorg». De problemen in de huisartsenzorg, ook wel de poortwachter van ons
zorgsysteem, baren de betreffende leden veel zorgen en verdienen dan ook prioriteit.
Zij hebben dan ook meerdere vragen over de stukken.
Allereerst onderschrijven de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ten zeerste het
belang van een toegankelijke huisartsenzorg voor iedereen in iedere regio. Zij vinden
het een goede zaak dat hier in het AZWA afspraken over zijn gemaakt. Wel hebben zij
nog enige zorgen over de uitvoering hiervan, bijvoorbeeld met betrekking tot de afspraken
die zijn gemaakt over het gesprek dat moet worden gevoerd met de Nederlandse Zorgautoriteit
(NZa) over de wijze waarop de bekostiging van de huisartsenzorg beter kan bijdragen
aan de gezamenlijke beleidsdoelen. Zo oordeelde het College van Beroep voor het Bedrijfsleven
(CBb) op 18 november 2025 dat de NZa niet aannemelijk heeft gemaakt dat de tarieven
voor huisartsen kostendekkend zijn. Welke stappen zijn er tot nu toe op dit gebied
gezet? Wat is de stand van de zaken met betrekking tot de uitvoering van de motie
van het lid Dijk over de NZa de opdracht geven om bij de nieuwe tariefberekeningen
voor 2026 ook toekomstscenario’s mee te nemen2 en de motie van de leden Bushoff en Van Dijk om in gesprek te gaan met de NZa over
een andere vorm van tariefberekening voor de huisartsenzorg waarbij ook toekomstscenario’s
worden meegenomen3? Kan de Minister nader toelichten waarom hij enerzijds schrijft dat hij de motie
van het lid Dijk in letterlijke zin niet uitvoert, maar wel handelt in de geest van
de motie? En wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de gesprekken met de NZa die
op basis van de motie Bushoff en Van Dijk worden gevoerd? Hebben deze gesprekken al
plaatsgevonden en zo ja, kan de Minister nader ingaan op de inhoud van de gesprekken?
Zo nee, wanneer vinden deze gesprekken plaats?
In aanvulling hierop hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie nog een aantal
vragen over de moties die zijn ingediend tijdens het notaoverleg van de initiatiefnota
Bushoff over het toekomstbestendig maken van onze huisartsenzorg. Deze leden lezen
in de brief van de Minister dat hij de unaniem aangenomen motie-Mohandis c.s. over
het opstellen van een uitvoeringsagenda in de huisartsenzorg4 naar eigen zeggen heeft uitgevoerd binnen afspraken die gemaakt zijn in het AZWA.
Hoewel een van de verzoekpunten uit de motie inderdaad was om de voorstellen in de
nota binnen de beschikbare mogelijkheden in het AZWA te implementeren, riep de motie
specifiek op tot het opstellen van een uitvoeringsagenda huisartsenzorg. Het implementeren
van de voorstellen van het AZWA is een van de drie voorstellen van die uitvoeringsagenda,
naast 1) het plegen van extra inzet op de voorstellen uit de nota die volgens de Minister
al staande praktijk zijn maar nog onvoldoende effect hebben en 2) het jaarlijks delen
van de voortgang en implementatie van deze uitvoeringsagenda met de Kamer. Hoewel
betreffende leden blij zijn met de extra inzet van de Minister in het AZWA naar aanleiding
van de motie en de initiatiefnota, lijken er nu een aantal losstaande toezeggingen
te zijn gedaan in plaats van dat er daadwerkelijk een uitvoeringsagenda is opgesteld
waarvan over de voortgang jaarlijks wordt gerapporteerd aan de Kamer. De motie verzocht
hier nadrukkelijk om, zodat de Kamer ook haar controlerende taak kan uitvoeren en
jaarlijks kan inzien welke stappen er zijn gezet en of er vooruitgang is geboekt.
Kan de Minister hierop reageren? Wordt de uitvoeringsagenda nog met de Kamer gedeeld
en zo ja, op welke termijn? Kan de Minister toezeggen dat deze vanaf dan jaarlijks
wordt geëvalueerd, geactualiseerd en gedeeld? En zo nee, kan hij dan toelichten waarom
hij tegen dit nadrukkelijke verzoekpunt van de motie ingaat waardoor hij de motie,
die met 150 Kamerzetels is aangenomen, in feite niet uitvoert?
Daarnaast lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat in de werkagenda huisartsenzorg,
die is opgesteld naar aanleiding van afspraken in het AZWA, afspraken zijn gemaakt
over het versterken van de kernwaarden in de huisartsenzorg en een stevigere aanpak
van huisvestigingsproblematiek van huisartsen met aandacht voor de financiële knelpunten
die zij kunnen ervaren. Kan de Minister nader ingaan op deze afspraken en wat deze
specifiek inhouden? Worden hierin ook de maatregelen meegenomen die zijn uitgewerkt
in de initiatiefnota van het lid Bushoff? En hoe wordt de voortgang van deze afspraken
gemonitord?
Tot slot hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie nog enkele vragen over de
Handreiking huisartsen en gezondheidscentra. Hierin staat dat van gemeenten wordt
verwacht dat zij referentienormen vaststellen voor maatschappelijke-, zorg- en sportvoorzieningen,
met daarin een vierkante meter norm voor eerstelijnszorg inclusief huisartsenzorg.
In hoeverre is dit vrijblijvend of juist een verplichting? In de handreiking staat
dat gemeenten de referentienormen naar eigen inzicht kunnen vaststellen. Is er een
reikwijdte waarbinnen gemeenten moeten opereren of kan een gemeente er ook voor kiezen
om deze referentienormen niet op te stellen of heel laag te houden? Zowel de handreiking
als de Minister benoemen het positieve voorbeeld van Leiden, waar de gemeente al rekening
houdt met ruimte voor eerstelijnszorg bij grotere bouwprojecten. Kan, eventueel in
samenwerking met departementen die betrokken zijn bij de Omgevingswet, worden gestimuleerd
dat andere gemeenten hierin volgen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben de brief inzake de toegankelijkheid van de huisartsenzorg
gelezen. Voor dit schriftelijk overleg hebben zij voor nu geen vragen en geen verdere
inbreng.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief van de
Minister over de toekomst van de huisartsenzorg en hebben hierover nog enkele vragen.
Deze leden zien dat door allerlei betrokken partijen goede stappen worden gezet, maar
missen daarin op punten nog een concrete invulling van de rol van de Rijksoverheid.
Deze leden hebben daarom nog enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de nieuwe handreiking
voor huisvesting van huisartsen. Zij lezen dat een van de afspraken is dat zorgverzekeraars
financieel maatwerk bieden bij (dreigende) toegankelijkheidsproblematiek in de huisartsenzorg
door huisvestingsproblemen die samenhangen met financiële knelpunten. Deze leden missen
hierin nog een reflectie van de Minister op vraag hoe de bekostiging, die nu via segment
3 loopt, hier het beste op kan aansluiten. Dat is immers de verantwoordelijkheid van
de Minister. Deze leden vragen of en zo ja, welke mogelijkheden de Minister ziet om
de bekostiging verder te verbeteren, zodat zorgverzekeraars en huisartsen zo min mogelijk
drempels ervaren om tot financieel maatwerk te komen. In het algemeen vragen deze
leden wat de vervolgstappen van de Minister zijn ten aanzien van huisvesting, boven
op de goede stappen die nu genomen zijn en in de brief beschreven worden.
De leden van de CDA-fractie vinden de reactie op het onderzoek naar de regionale herkomst
van huisartsen (in opleiding) en de aanbevelingen te mager, zeker aangezien uit dit
onderzoek duidelijk blijkt dat er een grote overlap is tussen gebieden met tekorten
en gebieden met weinig geneeskundestudenten. Zij lezen dat de Minister verwijst naar
een brief van de Minister van Oonderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), maar in deze
brief wordt niet specifiek op alle mogelijke vormen van selectiebeleid. Deze leden
vragen hoe de Minister het publieke belang van toegankelijkheid van de huisartsenzorg
weegt ten opzichte van de autonomie van onderwijsinstellingen als het gaat om selectie.
Deze leden vragen of de Minister per genoemde vorm van selectie wil ingaan op de mogelijkheden
en onmogelijkheden. Zij lezen ook dat de Minister aangeeft dat selectie op basis van
geboorte- of woonplaats wettelijk niet toegestaan is. Zij vragen waarom dat niet mogelijk
is en welke aanpassing van de wet hiervoor dan benodigd zou zijn. Verder vragen deze
leden of de gesprekken met het veld al andere kansrijke interventies hebben opgeleverd
en zo ja, welke dat dan zijn.
Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie naar de stand van zaken als het gaat om
de afwikkeling van het faillissement van Co-Med en de zorg voor (oud-)patiënten. Ook
vragen deze leden hoe de lessen uit deze casus zijn meegenomen in de stappen die nu
worden gezet in de huisartsenzorg.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de Kamerbrief over de Toegankelijkheid
van de huisartsenzorg en reacties op de aangenomen moties ingediend tijdens het notaoverleg
«Stop de commercie». Deze leden hebben hierover de volgende vragen aan de Minister.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de toegankelijkheid van de huisartsenzorg
in veel regio’s onder druk staat en dat er sprake is van aanhoudende tekorten. Het
blijft onduidelijk hoe wordt voorkomen dat krimpregio’s en plattelandsgebieden opnieuw
structureel achterblijven. Welke regio’s worden door de Minister op dit moment aangemerkt
als regio’s met (dreigende) discontinuïteit van huisartsenzorg, en op basis van welke
indicatoren gebeurt dit? Hoe borgt de Minister dat ook krimpregio’s, dorpen en snelgroeiende
plattelandskernen toegang houden tot tijdige en nabij beschikbare huisartsenzorg,
inclusief ruimte voor praktijkuitbreiding? Waarom kiest de Minister er opnieuw voor
om geen landelijke norm vast te stellen voor maximale reistijd naar een huisarts,
terwijl dit in andere domeinen wel gebruikelijk is?
Verder lezen genoemde leden dat zorgverzekeraars een sterkere rol krijgen in het leveren
van regionaal maatwerk. Zij vragen de Minister of dit niet leidt tot verschillen in
aanpak en prioriteiten tussen regio’s. Hoe wordt voorkomen dat cruciale beslissingen
over regionale huisartsencapaciteit afhankelijk worden van individuele keuzes van
zorgverzekeraars, in plaats van landelijk geborgde regie? Welke mogelijkheden heeft
de NZa om in te grijpen wanneer een zorgverzekeraar onvoldoende invulling geeft aan
de zorgplicht of te weinig regionaal maatwerk levert? Op welke wijze wordt geborgd
dat regionale samenwerking niet resulteert in het «verdelen van patiënten», maar daadwerkelijk
in het realiseren van extra huisartsencapaciteit?
Daarnaast constateren de leden van de BBB-fractie dat de vernieuwde handreiking huisvesting
dezelfde knelpunten beschrijft als eerdere versies en opnieuw gebaseerd is op vrijwillige
afspraken. Waarom kiest de Minister opnieuw voor het principe «pas toe of leg uit»
in plaats van bindende afspraken, terwijl eerdere vrijwillige trajecten onvoldoende
effect hebben gehad? Hoeveel regio’s beschikken nog niet over een operationeel H-team,
en wanneer wordt landelijke dekking gerealiseerd? Is de Minister bereid gemeenten
te verplichten om bij ruimtelijke ontwikkeling structureel ruimte voor eerstelijnszorg,
inclusief huisartsenpraktijken, te reserveren?
Ook lezen genoemde leden dat veel huisartsen te maken hebben met forse financiële
risico’s bij praktijkstart, uitbreiding en huisvesting. Hoeveel praktijkovernames
en uitbreidingen zijn in 2024 en 2025 niet doorgegaan vanwege financieringsproblemen,
en op basis van welke gegevens wordt dit gemonitord? Waarom wordt niet gekozen voor
een landelijk garantiefonds om huisartsen te ondersteunen bij financieringsrisico’s,
zodat niet alles afhankelijk is van commerciële kredietverlening of incidenteel maatwerk?
Hoe wordt voorkomen dat hogere huisvestingskosten uiteindelijk bij patiënten terechtkomen
via huren, bijdragen of verzekeringspremies?
Verder wordt in het rapport selecteren voor de Toekomst duidelijk dat regio’s met
grote huisartsentekorten dezelfde regio’s zijn waar in 25 jaar nauwelijks geneeskundestudenten
vandaan komen. Erkent de Minister dat zonder een aanpassing in de selectie- en opleidingssystematiek
regionale huisartsentekorten structureel zullen blijven bestaan? Welke concrete maatregelen
worden voorbereid om instroom van studenten uit tekortregio’s te vergroten, en waarom
wordt het concept van «Bonded Medical Places» niet actief uitgewerkt? Waarom is er
nog geen openbaar landelijk dashboard waarin per regio inzichtelijk is hoeveel huisartsencapaciteit
beschikbaar is, welke praktijkruimten ontbreken, welke uitstroom wordt verwacht en
waar wachtlijsten ontstaan?
Ook hebben de leden van de BBB-fractie naar aanleiding van de door hen ingediende
motie-Van der Plas5 de volgende vraag. Kan de Minister toezeggen om alsnog te onderzoeken of, naar het
model van Beieren, ook in Nederland een regeling kan worden ingericht waarbij gemotiveerde
en aantoonbaar geïnteresseerde (huis)artsstudenten die buiten de loting vallen, toch
een opleidingsplek kunnen krijgen, mits zij zich verbinden om na afstuderen gedurende
tien jaar als (huis)arts werkzaam te blijven in vooraf aangewezen tekortregio’s?
Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie de Minister om een tijdlijn waaruit blijkt
wanneer de knelpunten rondom huisvesting, capaciteit en regionale spreiding aantoonbaar
zijn verminderd, en welke indicatoren hij daarvoor hanteert.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de Toegankelijkheid
van de huisartsenzorg en reacties op de aangenomen moties ingediend tijdens het notaoverleg
«Stop de commercie, steun de huisarts. Een plan voor toekomstbestendige huisartsenzorg».
Zij hebben hier nog enkele vragen en opmerkingen over.
De leden van de SP-fractie merken op dat de Minister veel aangenomen moties zegt te
uitvoeren als onderdeel van bestaand beleid, zoals de afspraken uit het AZWA. Daarmee
bestaat wel het risico dat de effecten die huisartsen in de praktijk ervaren van het
beleid minder groot zijn dan wat de Kamer had gewild. Hoe is de Minister van plan
dit te voorkomen? Wordt er voldoende gemonitord of de toegankelijkheid van de huisartsenzorg
en de beschikbaarheid van huisvesting voor huisartsenpraktijken verbetert?
De leden van de SP-fractie merken daarnaast op dat de Minister de motie-Dijk6 waarin de regering wordt verzocht «een regeling op te zetten vanuit provincies waarbij
huisartsen subsidie kunnen krijgen voor het (ver)bouwen van huisartsenpraktijken om
beginnende huisartsen te stimuleren een eigen praktijk te beginnen», helemaal niet
uitvoert. De Minister stelt dat er al veel andere partijen betrokken zijn bij dit
vraagstuk en dat het regelen van voldoende financiering een taak van de zorgverzekeraars
is. De leden van de SP-fractie wijzen er echter op dat deze verantwoordelijkheid van
de zorgverzekeraars en de betrokkenheid van andere partijen er in praktijk niet toe
heeft geleid dat dit probleem is opgelost. Desalniettemin voert de Minister de motie
helemaal niet uit. Waarom heeft hij niet gekeken naar manieren om een subsidieregeling
op een andere manier in te richten, als het probleem ligt bij de rol van de provincie?
Is hij bereid dit alsnog te doen?
II. Reactie van de Minister
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
M. Heller, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.