Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport : Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport
36 885 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Bankwet 1998 en de Wet op de economische delicten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1619 met betrekking tot kapitaalvereisten voor banken en Richtlijn (EU) 2024/2994 met betrekking tot blootstellingen op centrale tegenpartijen (Implementatiewet kapitaalvereisten 2026)
Nr. 4 ADVIES AFDELING ADVISERING RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State
d.d. 10 december 2025 en het nader rapport d.d. 13 januari 2026, aangeboden aan de
Koning door de Minister van Financiën. Het advies van de Afdeling advisering van de
Raad van State is cursief afgedrukt.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 15 oktober 2025, nr. 2025002310,
machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake
het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies,
gedateerd 10 december 2025, nr. W06.25.00300/III, bied ik U hierbij aan.
De tekst van het advies treft u hieronder aan, voorzien van mijn reactie.
Bij kabinetsmissive van 15 oktober 2025, no. 2025002310, heeft Uwe Majesteit, op voordracht
van de Minister van Financiën, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter
overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het
financieel toezicht, de Bankwet 1998 en de Wet op de economische delicten ter implementatie
van Richtlijn (EU) 2024/1619 met betrekking tot kapitaalvereisten voor banken en Richtlijn
(EU) 2024/2994 met betrekking tot blootstellingen op centrale tegenpartijen (Implementatiewet
kapitaalvereisten 2026), met memorie van toelichting.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel
en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.
De vice-president van de Raad van State,
Th.C. de Graaf
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om het wetsvoorstel en de memorie van toelichting
op enkele plekken aan te passen:
• De voorgestelde artikelen 3:9b en 4:10a van de Wet op het financieel toezicht (Wft),
die de implementatie vormen van de bepalingen uit de richtlijn over de geschiktheid
en betrouwbaarheid van medewerkers met een sleutelfunctie, verklaarden voorheen de
artikelen 3:8 en 3:9, respectievelijk, 4:9 en 4:10 Wft van overeenkomstige toepassing.
De voorgestelde artikelen zijn aangepast, door nu de materiële vereisten voor medewerkers
met een sleutelfunctie uit te schrijven, in plaats van eerder genoemde bepalingen
van overeenkomstige toepassing te verklaren. Hiermee wordt duidelijker welke vereisten
precies gelden voor medewerkers met een sleutelfunctie, die door de ondernemingen
intern getoetst moeten worden op geschiktheid en betrouwbaarheid, alsmede de hoofden
van de internecontrolefuncties en financieel directeur, die ook extern door De Nederlandsche
Bank (DNB) getoetst moeten worden op geschiktheid en betrouwbaarheid. Hiertoe zijn
er ook twee definities toegevoegd aan artikel 1:1 Wft met betrekking tot de hoofden
van de internecontrolefuncties en financieel directeur.
• In artikel 3:29, eerste lid, Wft is artikel 2:106.0a Wft toegevoegd. Artikel 3:29
Wft bevat het vereiste dat een onderneming voorziet in een kennisgeving aan DNB indien
er wijzigingen zijn in de gegevens die zij bij vergunningverlening heeft verstrekt.
Artikel 2:106.0a bevat het vereiste dat een afwikkelonderneming in Nederland dat een
bijkantoor wil openen buiten Nederland DNB moet verwittigen onder opgave van gegevens,
en goedkeuring moet verkrijgen. Door opname van artikel 2:106.0a Wft in artikel 3:29,
eerste lid, Wft moet een afwikkelonderneming een wijziging in aangeleverde gegevens
melden aan DNB. Dit is in lijn met hoe dit voor andere ondernemingen met een buitenlands
bijkantoor is geregeld in artikel 3:29 Wft. Er zijn nu geen Nederlandse afwikkelondernemingen
met een bijkantoor buiten Nederland, waardoor er geen nieuwe regeldruk ontstaat voor
bestaande ondernemingen.
• Er is een alinea toegevoegd in de memorie van toelichting met betrekking tot de door
de Nederlandsche Bank op te stellen richtlijnen en de vereiste compatibiliteit daarvan
met enkele verordeningen en gedragscodes die volgen uit het Europees toezichtraamwerk
en het Europees Stelsel van Centrale Banken.
• Met betrekking tot de uitzonderingen voor het vestigen van een derde land bijkantoor,
en specifiek de uitzondering die betrekking heeft op de dienstverlening uit hoofde
van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014, is de memorie van toelichting
aangevuld. Hiermee is beoogd te duiden dat, indien een bewaarder betrokken is bij
een transactie door het leveren van effecten- en bewaardiensten die van belang zijn
voor het voltooien van de transactie, deze bewaarder daarmee onder de uitzondering
valt, ook als zij niet rechtstreeks betrokken is bij de transactie zelf.
• Het overgangsrecht bevat een uitfaseerregime (phasing out regime), waarbij reeds bestaande contracten tussen Nederlandse en derde land ondernemingen
mogen blijven bestaan na 11 juli 2026, zonder dat vestiging van een bijkantoor met
een vergunning op grond van artikel 2:20 Wft nodig is. In de eerdere versie van de
memorie van toelichting was opgenomen dat novatie en nettering niet mogelijk was.
Omdat dit in de praktijk tot problemen kan leiden, is verduidelijkt dat novatie of
verrekening van verplichtingen over en weer alleen is toegestaan indien dit louter
de verplichtingen die tussen partijen bestaat reduceert of beëindigt. Als de novatie
of nettering leidt tot een (andere) aanpassing van het contract waardoor er nieuwe
verplichtingen, schuld of andere verbintenissen ontstaan, is dit niet toegestaan zonder
vestiging van een derde land bijkantoor met bijbehorende vergunning.
• Voorts zijn er enkele kleine technische en redactionele wijzigingen doorgevoerd.
Ik moge U verzoeken het gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting
aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Financiën, E. Heinen
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
Th.C. de Graaf, vicepresident van de Raad van State -
Mede ondertekenaar
E. Heinen, minister van Financiën
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.