Motie : Motie van het lid Grinwis c.s. over de inbrengwaarde van grond baseren op de residuelewaardemethodiek
36 800 XXII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (XXII) voor het jaar 2026
Nr. 35
MOTIE VAN HET LID GRINWIS C.S.
Voorgesteld 15 januari 2026
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de prijs van verworven grond van grote invloed is op de financiële
haalbaarheid en het tempo van woningbouw en er brede politieke en maatschappelijke
consensus bestaat over het tegengaan van speculatieve grondhandel en daarmee samenhangend
te hoge grondverwervingsprijzen;
overwegende dat de invoering van een planbatenheffing complex is, tot onzekerheid
bij project- en gebiedsontwikkelaars en woningcorporaties leidt en het risico op vertraging
van woningbouwprojecten vergroot, met name doordat de kans toeneemt dat agrarische
eigenaren hun grond niet meer vrijwillig willen verkopen;
overwegende dat bepaling van de waarde van de verworven gronden op basis van de residuele
methode, waarbij de waarde wordt afgeleid van de opbrengst van de ontwikkeling minus
de kosten daarvan, speculatief hoge verwervingsprijzen uitbant, maar de verwerving
van gronden niet zal doen stagneren, waarmee verruiming van het kostenverhaal door
invoering van de residuele waarde de snelst en best uitvoerbare methode is met de
minste nadelen;
constaterende dat de residuele methode ook in het rapport van de adviesgroep STOER
wordt aanbevolen;
verzoekt de regering om het waardebepalingsvoorschrift, artikel 8.17 van het Omgevingsbesluit,
aan te passen en de inbrengwaarde van grond vanaf 1 januari 2027 te bepalen op basis
van de residuelewaardemethodiek,
en gaat over tot de orde van de dag.
Grinwis
Den Hollander
Vijlbrief
Indieners
-
Indiener
Pieter Grinwis, Kamerlid -
Medeindiener
Renate den Hollander, Kamerlid -
Medeindiener
Hans Vijlbrief, Kamerlid