Amendement : Amendement van het lid Van Eijk over uitbreiding overgangsrecht fgr
36 813 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2026)
Nr. 10
AMENDEMENT VAN HET LID VAN EIJK
Ontvangen 24 november 2025
De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:
In artikel XVII wordt het voorgestelde artikel IXB als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien een lichaam is opgericht
of aangegaan op of na 1 januari 2025, met dien verstande dat voor 1 januari 2025 wordt
gelezen het moment waarop dat lichaam is opgericht of aangegaan en dat de voorwaarde
die is opgenomen in het eerste lid, onderdeel b niet van toepassing is.
Toelichting
Dit amendement beoogt het overgangsrecht voor het fonds voor gemene rekening (fgr)
uit te breiden zodat het niet alleen geldt voor fondsen die reeds op 31 december 2024
bestonden, maar ook voor fondsen die op of na 1 januari 2025 worden opgericht. De
huidige systematiek veroorzaakt onduidelijkheid en kan leiden tot ongewenste fiscale
gevolgen. Het Ministerie van Financiën heeft zelf erkend dat het huidige toetsingskader
knelt en dat een meer omvattende herziening in voorbereiding is richting 2028. Tot
die tijd is stabiliteit en rechtszekerheid noodzakelijk. Zonder verruiming van het
overgangsrecht kunnen nieuwe – met name buitenlandse – fondsen geconfronteerd worden
met kortdurende, ongewenste belastingplicht in Nederland, puur door tijdelijke kwalificatieverschillen
die in 2028 weer worden teruggedraaid. Dat leidt tot administratieve lasten, commerciële
complicaties en onzekerheid voor investeerders. Buitenlandse rechtsvormen kennen bovendien
vaak geen inkoopmechanisme, waardoor toepassing daarvan – zoals door het ministerie
is gesuggereerd – in de praktijk niet uitvoerbaar is. Door het overgangsrecht te laten
gelden voor alle fondsen die tot het moment van de nieuwe regelgeving worden opgericht
worden onnodige complexiteit, administratieve lasten en verstoringen voor investeerders
voorkomen. Het amendement draagt zo bij aan een werkbaar, stabiel en toekomstbestendig
kader voor beleggingsstructuren, in binnen- en buitenland.
Toelichting technisch
Op grond van het in artikel XVII van het wetsvoorstel voorgestelde artikel IXB van
de Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling
(Wet fgr) kan een lichaam ervoor kiezen om met ingang van 1 januari 2025 tijdelijk
– dat wil zeggen tot het moment dat deze overgangsmaatregel vervalt – niet als fonds
voor gemene rekening (fgr) of als vergelijkbaar met een fgr te worden aangemerkt.
De bezittingen en schulden, alsmede de opbrengsten en kosten, van dat lichaam worden
dan toegerekend aan de participanten. Op grond van het wetsvoorstel kan deze keuze
alleen worden gemaakt door lichamen die voor 1 januari 2025 reeds bestonden en op
grond van de toen geldende regelgeving eveneens niet als fgr zelfstandig belastingplichtig
was voor de Vpb.
Het amendement strekt ertoe de keuzemogelijkheid ook te bieden aan alle lichamen die
zijn opgericht of aangegaan op of na 1 januari 2025. Om dit te bewerkstelligen voert
dit amendement allereerst een redactionele wijziging door. De huidige tekst van het
voorgestelde artikel IXB Wet fgr, waarin de keuzemogelijkheid wordt geregeld voor
lichamen die zijn opgericht of aangegaan vóór 1 januari 2025, wordt opgenomen in artikel
IXB, eerste lid, Wet fgr.
Vervolgens wordt aan het voorgestelde artikel IXB Wet fgr een tweede lid toegevoegd.
Op grond van artikel IXB, tweede lid, Wet fgr wordt de keuzemogelijkheid ook opengesteld
voor lichamen die zijn opgericht of aangegaan op of na 1 januari 2025. De keuzemogelijkheid
voor deze lichamen is op hoofdlijnen hetzelfde, al verschillen zij op twee punten
van elkaar. Voor zover beide keuzemogelijkheden overeenkomen, wordt voor een toelichting
verwezen naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Hierna wordt slechts
ingegaan op de twee verschillen.
In de eerste plaats wordt bij de keuzemogelijkheid voor lichamen die zijn opgericht
of aangegaan op of na 1 januari 2025 in plaats van «1 januari 2025» gelezen «het moment
waarop dat lichaam is opgericht of aangegaan». Hierdoor wordt bij toepassing van het
voorgestelde artikel IXB, tweede lid, Wet fgr het lichaam op verzoek niet als fgr
aangemerkt met ingang vanaf het moment waarop dat lichaam is opgericht of aangegaan.
De reden hiervan is dat deze lichamen na 1 januari 2025 zijn of worden opgericht of
aangegaan. Daarnaast geldt hierdoor dat bij toepassing van het voorgestelde artikel
IXB, tweede lid, Wet fgr de voorwaarde in het voorgestelde artikel IXB, eerste lid,
onderdeel a, Wet fgr inhoudt dat het lichaam vanaf het moment van oprichting of aangaan
– zonder toepassing van artikel IXB Wet fgr – belastingplichtig zou zijn op grond
van artikel 2, eerste lid, onderdeel f, of artikel 3, eerste lid, onderdeel a, Wet
Vpb 1969.
Vanwege de oprichtingsdatum van lichamen die zijn opgericht of aangegaan op of na
1 januari 2025 is de voorwaarde bedoeld in het voorgestelde artikel IXB, eerste lid,
onderdeel b, Wet fgr niet relevant voor de keuzemogelijkheid die wordt geboden in
het voorgestelde tweede lid. Om die reden is in het voorgestelde tweede lid opgenomen
dat deze voorwaarde niet van toepassing is.
De voorwaarde die is opgenomen in het voorgestelde IXB, eerste lid, onderdeel c, Wet
fgr houdt kortgezegd in dat de participanten in een lichaam moeten instemmen met de
keuze van het lichaam om niet als fgr te worden aangemerkt (de zogenoemde instemmingsvoorwaarde).
Deze instemmingsvoorwaarde geldt niet als het fonds reeds heeft voldaan aan de in
artikel IXa, onderdeel d, Wet fgr opgenomen voorwaarde dat reeds voor 1 januari 2025
een bepaald voornemen bestond. Aan de voorwaarde in artikel IXa, onderdeel d, Wet
fgr kan een lichaam dat op of na 1 januari 2025 is opgericht of aangegaan onmogelijk
voldoen. Om die reden is de instemmingsvoorwaarde voor die lichamen altijd van toepassing
als zij voor 1 januari 2026 zijn opgericht. Voor lichamen die op of na 1 januari 2026
zijn opgericht of aangegaan is de voorwaarde niet relevant. De instemming op grond
van het voorgestelde IXB, eerste lid, onderdeel c, Wet fgr is namelijk alleen nodig
van kortgezegd de participanten aan wie de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten
en kosten van dat lichaam als gevolg van de keuze om niet te worden aangemerkt als
fgr gedurende het jaar 2025 worden toegerekend. De instemmingsvoorwaarde zoals neergelegd
in het voorgestelde IXB, eerste lid, onderdeel c, Wet fgr heeft bij toepassing van
het voorgestelde artikel IXB, tweede lid, Wet fgr om die reden alleen gevolgen voor
lichamen die zijn opgericht of aangegaan op of na 1 januari 2025 en voor 1 januari
2026. In feite betekent dit dat bij toepassing van het voorgestelde artikel IXB, tweede
lid, Wet fgr ten aanzien van lichamen die zijn opgericht of aangegaan na 31 december
2025 alleen de voorwaarde zoals neergelegd in het voorgestelde artikel IXB, eerste
lid, onderdeel a, Wet fgr geldt. Bij die lichamen is immers geen sprake van toerekening
aan participanten gedurende het jaar 2025.
Het amendement heeft geen budgettaire gevolgen.
Van Eijk
Indieners
Wendy van Eijk, Kamerlid
Stemmingsuitslagen
Aangenomen met handopsteken
| Fracties | Zetels | Voor/Tegen |
|---|---|---|
| D66 | 26 | Tegen |
| PVV | 26 | Voor |
| VVD | 22 | Voor |
| GroenLinks-PvdA | 20 | Tegen |
| CDA | 18 | Voor |
| JA21 | 9 | Voor |
| FVD | 7 | Voor |
| BBB | 4 | Tegen |
| ChristenUnie | 3 | Voor |
| DENK | 3 | Tegen |
| PvdD | 3 | Tegen |
| SGP | 3 | Voor |
| SP | 3 | Tegen |
| 50PLUS | 2 | Tegen |
| Volt | 1 | Voor |