Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Piri en Ceder over de detentie en uitzetting van de familie Babayants
Vragen van de leden Piri (GroenLinks-PvdA) en Ceder (ChristenUnie) aan de Minister van Asiel en Migratie over de detentie en uitzetting van de familie Babayants (ingezonden 12 juli 2024).
Antwoord van Minister Faber – Van de Klashorst (Asiel en Migratie) (ontvangen 21 augustus
2024). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2023–2024, nr. 2256.
Vraag 1, 2 en 3
Bent u bekend met de situatie van de familie Babayants, die samen met hun vier kinderen,
waarvan drie minderjarig, in detentie zijn geplaatst om te worden uitgezet naar Oezbekistan?1
Bent u zich bewust van het feit dat de familie al ruim tien jaar in Nederland is?
Bent u zich bewust van het feit dat twee kinderen in Nederland geboren zijn en één
kind drie jaar was toen de familie in Nederland aankwam?
Antwoord 1, 2 en 3
Ja, ik ben bekend met het bericht over en de casus van de familie Babayants. Ik kan
niet ingaan op individuele zaken. Voor zover mogelijk worden de overige vragen beantwoord
in verwijzing naar het algemeen beleid.
Vraag 4, 5 en 6
Bent u van mening dat het uitzetten van de familie Babayants naar Oezbekistan, een
land dat de kinderen niet of nauwelijks kennen omdat zij al ruim tien jaar in Nederland
wonen, in overeenstemming is met de menselijke waardigheid en kinderrechten? Zo ja,
waarom?
Op welke manier hebben de Immigratie- en Naturalisatiedienst en de Dienst Terugkeer
en Vertrek de hechting en integratie van de kinderen in de Nederlandse samenleving
meegenomen in de beslissing om hen uit te zetten naar een land waar ze geen enkele
binding mee hebben?
Welke maatregelen heeft u genomen om ervoor te zorgen dat het belang van de kinderen
van de familie Babayants centraal staat in de besluitvorming omtrent hun uitzetting?
Kunt u specifiek toelichten hoe u hun welzijn heeft meegewogen?
Antwoord 4, 5 en 6
Er wordt altijd rekening gehouden met het belang van het kind tijdens de asielprocedure.
Dit betekent echter niet dat het belang van het kind doorslaggevend is in de beslissing
op de asielaanvraag. Omstandigheden die gaan over de persoonlijke ontwikkeling zijn
niet of beperkt relevant voor de inhoudelijke asielbeoordeling. Bij die beoordeling
staat immers de vraag centraal of internationale bescherming in Nederland nodig is
of niet.
Als de conclusie is dat er geen internationale bescherming nodig is, wordt bij een
eerste asielaanvraag vervolgens getoetst of het weigeren van verblijf in Nederland
zou leiden tot een schending van artikel 8 EVRM, in welk geval een verblijfsvergunning
regulier kan worden verleend. Bij deze toetsing wordt ook een individuele belangenafweging
gemaakt, waarbij alle aangevoerde omstandigheden worden betrokken. In het kader daarvan
wordt ook gekeken naar de hechting en integratie van de kinderen in de Nederlandse
samenleving. Die afweging leidt niet tot het verlenen van een regulier verblijfsrecht
indien de belangen van de staat zwaarder wegen dan de belangen van het kind of de
andere aangevoerde belangen van de vreemdeling(en).
Voor zowel terugkeer als uitzetting geldt eveneens dat het belang van het kind altijd
wordt betrokken. Het feit dat de belangen van de kinderen altijd dienen te worden
betrokken, betekent echter niet per definitie dat het vertrek van kinderen en gezinsleden
niet zou mogen plaatsvinden of dat zij een verblijfsvergunning zouden moeten krijgen.
Vraag 7
Hoe verhoudt het besluit om de kinderen van de familie Babayants uit te zetten zich
tot artikel 2 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, dat discriminatie
op basis van de status van de ouders verbiedt? Kunt u toelichten hoe u ervoor zorgt
dat deze kinderen niet worden gediscrimineerd als gevolg van de verblijfsstatus van
hun ouders?
Antwoord 7
Artikel 2 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind heeft ten
doel discriminatie tegen te gaan. Dit artikel heeft niet tot doel het verblijfsrecht
van kinderen, al dan niet met hun ouders, te reguleren. Het is niet in strijd met
artikel 2 van het IVRK dat wordt getracht uitgeprocedeerde asielzoekers en hun kinderen,
na een of meerdere asielprocedures die ingericht zijn in overeenstemming met het EU
acquis, terug te laten keren naar hun land van herkomst.
Vraag 8
Bent u zich bewust van de negatieve impact die detentie heeft op de ontwikkeling en
het welzijn van kinderen? Hoe rechtvaardigt u de detentie van de kinderen van de familie
Babayants in het licht van deze negatieve effecten?
Antwoord 8
Detentie, ook wel vreemdelingenbewaring is een ingrijpende maatregel. Zeker voor minderjarigen.
Om die reden is de maatregel een ultimum remedium. Wanneer er sprake is van gezinnen
met minderjarige kinderen wordt de maatregel nog meer dan gebruikelijk met sterke
terughoudendheid toegepast conform artikel A5/2.4. Vreemdelingencirculaire 2000. De
maatregel van bewaring wordt door de rechter getoetst. Toch kan het nodig zijn om
vreemdelingenbewaring toe te passen om zo het gezin beschikbaar te houden voor het
vertrek. Naast de reguliere voorwaarden moet in het geval van een gezin met minderjarigen
ook worden voldaan aan aanvullende voorwaarden. Zo moet bijvoorbeeld de vertrekprocedure
eerder zijn vermeden of belemmerd waardoor geen medewerking is verleend aan de vertrekprocedure.
Daarnaast duurt de bewaring zo kort mogelijk; de uitzetting moet in beginsel binnen
twee weken kunnen worden gerealiseerd. De tenuitvoerlegging van de maatregel vindt
plaats in Justitieel Complex Zeist (JCZ), waar de Gesloten Gezinsvoorziening (GGV)
is gevestigd. Deze locatie is speciaal voor gezinnen met minderjarigen ontwikkeld
met een minimale detentiebeleving en toegang tot zorg. Zo verblijven de gezinnen in
een eigen woning op het terrein, is er volledige bewegingsvrijheid binnen het complex
en toegang tot speel- en sportvoorzieningen.
Vraag 9
Bent u bereid om, in het licht van deze specifieke situatie en de bredere problematiek
rondom detentie van kinderen, uw beleid ten aanzien van het detineren van gezinnen
met kinderen te herzien? Welke stappen bent u van plan te ondernemen om de rechten
en het welzijn van kinderen beter te waarborgen in toekomstige gevallen?
Antwoord 9
Zoals in het antwoord op vraag 8 aangegeven wordt uiterst terughoudend omgegaan met
de inbewaringstelling van gezinnen met minderjarigen. De bewaringsomstandigheden voldoen
aan de geldende wet- en regelgeving. Bovendien wordt de GGV breder in Europa gezien
als een best practice ten aanzien van de bewaring van gezinnen met minderjarigen. Ik zie daarom geen reden
om het bewaringsbeleid te herzien.
Vraag 10
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk en met spoed beantwoorden?
Antwoord 10
Bij de beantwoording van uw vragen is gestreefd naar de meest spoedige en zorgvuldige
beantwoording. Enkel waar dat de beantwoording ten goede kwam, zijn enkele antwoorden
samengevoegd.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M.H.M. Faber-van de Klashorst, minister van Asiel en Migratie
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.