Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport : Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport
36 153 Wijziging van de Uitvoeringswet EG-bewijsverordening ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 2020/1783 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (bewijsverkrijging) (herschikking) (PbEU 2020, L 405/1) (Uitvoeringswet Bewijsverkrijgingsverordening)
Nr. 4
ADVIES AFDELING ADVISERING RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT1
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State
d.d. 20 april 2022 en het nader rapport d.d. 21 juni 2022, aangeboden aan de Koning
door de Minister voor Rechtsbescherming. Het advies van de Afdeling advisering van
de Raad van State is cursief afgedrukt.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 25 februari 2022, no. 2022000474,
machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake
het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies,
gedateerd 20 april 2022, nr. W16.22.0027/II, bied ik U hierbij aan.
De tekst van het advies treft u hieronder aan, met tussengevoegd de reactie daarop.
Ik bied U dit nader rapport aan in samenhang met het nader rapport inzake het voorstel
van wet tot uitvoering van de Verordening (EU) nr. 2020/1784 van het Europees Parlement
en de Raad van 25 november 2020 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten
van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken
(de betekening en de kennisgeving van stukken) (PbEU 2020, L 405/40) (Uitvoeringswet
Betekeningsverordening), naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering
van de Raad van State, gedateerd 20 april 2022, nr. W16.22.0028/II.
Bij Kabinetsmissive van 25 februari 2022, no.2022000474, heeft Uwe Majesteit, op voordracht
van de Minister voor Rechtsbescherming, bij de Afdeling advisering van de Raad van
State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot uitvoering van de
Verordening (EU) van het Europees Parlement en de Raad nr. 2020/1783 betreffende de
samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging
in burgerlijke en handelszaken (bewijsverkrijging) (PbEU 2020, L 405/1) (Uitvoeringswet
Bewijsverkrijgingsverordening), met memorie van toelichting.
Het wetsvoorstel geeft uitvoering aan verordening (EU) 2020/1783 betreffende de samenwerking
tussen gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke
en handelszaken (hierna: de bewijsverkrijgingsverordening).2 Daartoe bevat het voorstel onder andere de door de bewijsverkrijgingsverordening
vereiste juridische grondslagen.
De Afdeling wijst erop dat het wetsvoorstel bij een deel van de bepalingen geen toelichting
bevat en adviseert de toelichting aan te vullen zodat deze zelfstandig leesbaar is.
Toelichting aanvullen
De toelichting bij het wetsvoorstel bevat voor zeven van de negentien voorgestelde
bepalingen een artikelsgewijze toelichting. Uit de transponeringstabel blijkt dat
voor een aanzienlijk deel van de voorgestelde artikelen de toelichting bij de huidige
Uitvoeringswet EG-bewijsverordening dient te worden geraadpleegd.
Voor de parlementaire behandeling maar in het bijzonder ook voor de rechtspraktijk,
is het van belang dat de toelichting zelfstandig leesbaar is.3 De toelichting dient inzicht te bieden in hetgeen met een bepaling wordt beoogd en
welke overwegingen ten grondslag liggen aan een bepaalde keuze door de wetgever.
De Afdeling merkt in dit verband op dat de toelichting bij de Uitvoeringswet EG-bewijsverordening
een aantal passages bevat die (ook na inwerkingtreding van het voorstel) van toegevoegde
waarde kunnen zijn. Bij wijze van voorbeeld wordt gewezen op:
i) de regeling wie zorg dient te dragen voor een oproeping,
ii) de mogelijkheid van beroep en
iii) de regeling inzake de vergoeding van kosten door het aangezochte gerecht.4
In de toelichting bij het wetsvoorstel ontbreekt deze toelichting, of er wordt in
enkele zinnen slechts aandacht geschonken aan onderdelen die veranderd zijn.5
In het licht van het voorgaande adviseert de Afdeling de toelichting aan te vullen
zodat zij zelfstandig leesbaar is.
Ik ben de Afdeling erkentelijk voor de opmerking over de toelichting bij het wetsvoorstel.
Het is juist dat in de versie van de toelichting die naar de Afdeling is gezonden
voor advies, niet voor alle artikelen van het wetsvoorstel een artikelsgewijze toelichting
was geschreven. Dat heeft ermee te maken dat het wetsvoorstel, ter uitvoering van
de herschikte bewijsverkrijgingsverordening, om praktische redenen een nieuwe uitvoeringswet
vaststelde in plaats van de bestaande Uitvoeringswet EG-bewijsverordening te wijzigen.
Daardoor werden ook artikelen die inhoudelijk niet wijzigden, opnieuw vastgesteld.
Om onnodige herhaling te voorkomen werd ervoor gekozen deze ongewijzigde artikelen
niet opnieuw van een (gelijkluidende) toelichting te voorzien. Met de Afdeling ben
ik echter van mening dat in beginsel ieder voorgesteld artikel van een artikelsgewijze
toelichting moet worden voorzien. Daarom is naar aanleiding van het advies van de
Afdeling in het aangepaste wetsvoorstel gekozen voor de aanpassing van alleen die
bepalingen van de Uitvoeringswet EG-bewijsverordening waartoe de implementatie van
de verordening noopt, in plaats van het vaststellen van een heel nieuwe uitvoeringswet.
Iedere inhoudelijke wijziging zal worden voorzien van een artikelsgewijze toelichting.
Het wetsvoorstel en de toelichting zijn op dit punt aangepast. De Afdeling heeft dezelfde
opmerking gemaakt in het advies bij het wetsvoorstel tot uitvoering van de herschikte
betekeningsverordening, gedateerd 20 april 2022, nr. W16.22.0028/II. Ook dat wetsvoorstel
en de bijbehorende toelichting zijn op dit punt aangepast.
De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.
Ik dank de Afdeling voor de redactionele suggesties. Deze zijn overgenomen in de toelichting.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het
voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede
Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.
De vice-president van de Raad van State,
Th.C. de Graaf
Ik moge U hierbij verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de
gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister voor Rechtsbescherming,
F.M. Weerwind
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
Th.C. de Graaf, vicepresident van de Raad van State -
Mede ondertekenaar
F.M. Weerwind, minister voor Rechtsbescherming
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.