Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport : Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport
35 749 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 teneinde te voorzien in herziening van de regels voor niet tijdig beslissen op aanvragen op grond van de Vreemdelingenwet 2000 (Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken)
Nr. 4 ADVIES AFDELING ADVISERING RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT1
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State
d.d. 3 februari 2021 en het nader rapport d.d. 26 februari 2021, aangeboden aan de
Koning door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Het advies van de Afdeling
advisering van de Raad van State is cursief afgedrukt.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 22 december 2020, nr. 2020002652,
machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling)
haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen
toekomen. Dit advies, gedateerd 3 februari 2021, nr. W16.20.0501/II, bied ik U hierbij
aan.
De tekst van het advies treft u hieronder aan, voorzien van mijn reactie.
Bij Kabinetsmissive van 22 december 2020, no. 2020002652, heeft Uwe Majesteit, op
voordracht van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering
van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging
van de Vreemdelingenwet 2000 teneinde te voorzien in herziening van de regels voor
niet tijdig beslissen op aanvragen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, met memorie
van toelichting.
Sinds 2009 kan een bestuursorgaan dat de wettelijke beslistermijn voor het nemen van
een beschikking op aanvraag heeft overschreden een dwangsom verbeuren. Die regeling
geldt voor vrijwel alle beschikkingen op aanvraag. Er zijn al langere tijd structurele
achterstanden bij de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000. Daarom is in 2020 de
dwangsomregeling tijdelijk opgeschort voor de beslissingen op asielaanvragen. De regering
wil deze tijdelijke uitzondering nu permanent maken.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft eerder opgemerkt dat een tijdelijke
opschorting van de dwangsomregeling – waarmee een uitzondering op het algemeen geldende
bestuursrechtelijk kader van de Algemene wet bestuursrecht wordt gemaakt – verdedigbaar
is. Het gaat hier echter om een permanente uitzondering, die niet dragend wordt gemotiveerd.
In verband daarmee dient het voorstel nader te worden overwogen.
1. Afschaffing van de dwangsomregeling voor vreemdelingenzaken
a. Achtergrond
In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is sinds 2009 een regeling opgenomen, die er
in voorziet dat burgers de overheid met behulp van een dwangsom tot meer spoed kunnen
bewegen bij het nemen van beschikkingen. De regeling kent twee varianten:
– Als een bestuursorgaan niet binnen de wettelijke termijn een beschikking neemt, moet
het een dwangsom betalen aan de persoon die de beschikking heeft aangevraagd.2 Tussenkomst van de rechter is niet nodig; een ingebrekestelling is voldoende.
– De aanvrager kan ook direct – zonder eerst een bezwaarschrift te hoeven indienen –
beroep instellen bij de rechter tegen het niet tijdig nemen van het besluit;3 de rechter kan in die procedure eveneens een dwangsom opleggen.4
De dwangsomregeling is bedoeld om de burger een effectief instrument in handen te
geven tegen termijnoverschrijding door de overheid. Uitgangspunt was dan ook dat de
dwangsomregeling op alle bestuurlijke besluitvorming van toepassing zou zijn. Om problemen
bij de uitvoering van de dwangsomregeling te voorkomen is de regering nagegaan bij
welke wettelijke termijnen de nakoming ervan problematisch kon zijn: die termijnen
zijn verlengd. Het betrof de termijnen voor het behandelen van bezwaarschriften, voor
het beslissen op Wob-verzoeken en termijnen in zeventien bijzondere wetten.5 Daarnaast is de invoering van de dwangsomregeling in vreemdelingenzaken met drie
jaar uitgesteld, omdat de Immigratie- en naturalisatiedienst (IND) grote achterstanden
had en omdat de vrees bestond dat de regeling in vreemdelingenzaken misbruik kon uitlokken.6
Bij de parlementaire behandeling van de dwangsomregeling bleek dat een ruime Kamermeerderheid
van oordeel was dat uitzonderingen op de regeling alleen aan de orde kunnen zijn als
er sprake is van misbruik. Om die reden is de Wet openbaarheid van bestuur (de Wob)
in 2016 van de dwangsomregeling uitgezonderd: het kwam veelvuldig voor dat Wob-verzoeken
niet werden ingediend om informatie te verkrijgen maar uitsluitend met het doel dwangsommen
te innen.7 Beschikkingen op grond van de Wob zijn thans de enige beschikkingen waarop de dwangsomregeling
niet van toepassing is.
In juli 2020 is de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND in werking getreden.
Deze wet bepaalt dat de dwangsomregeling niet van toepassing is op aanvragen voor
een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.8 De wet geldt voor een jaar (tot 11 juli 2021), maar als vóór die tijd een wetsvoorstel
dat hetzelfde onderwerp regelt bij de Tweede Kamer is ingediend, eindigt de werkingsduur
van de Tijdelijke wet op het moment dat dat wetvoorstel is aangenomen, afgestemd of
ingetrokken.9
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Tijdelijke wet blijkt dat de regering zich
op het standpunt stelt dat van misbruik van de dwangsomregeling door vreemdelingen
geen sprake is.10 Er waren echter grote achterstanden ontstaan, waardoor de verschuldigde dwangsommen
hoog waren opgelopen. Volgens de toelichting bij de Tijdelijke wet moest worden geconstateerd
dat de financiële last zwaar drukte op de begroting en dat de behandeling van de procedures
wegens niet tijdig beslissen belemmerend werkte voor IND-medewerkers, van wie er nog
steeds minder inzetbaar waren dan gewenst. De regering vond het daarom onvermijdelijk
om naast de maatregelen om de besluitvorming weer op orde te krijgen, de dwangsomregeling
voor de beslissing op asielaanvragen tijdelijk op te schorten.11
De Afdeling constateerde in haar advies dat de dwangsom als prikkel voor de IND om
tijdig beslissingen te nemen niet werkte, en dat andere structurele oplossingen nodig
waren om te bereiken dat tijdig wordt beslist. Daarom was zij van oordeel dat bij
wijze van uitzondering een tijdelijke opschorting van de dwangsomregeling – die een
inbreuk op het algemeen geldende bestuursrechtelijk kader van de Awb vormt – verdedigbaar
was, mits die niet langer duurt dan nodig.12
De beschrijving van de achtergrond van het voorstel geeft geen aanleiding voor een
reactie.
b. Inhoud en motivering van het voorstel
Het wetsvoorstel voorziet in definitieve afschaffing van de dwangsom in alle vreemdelingenzaken.
In de toelichting bij het voorstel worden de grote belangen die gemoeid zijn met een
beslissing op een asielaanvraag binnen een redelijke termijn, onderstreept: asielzoekers
vragen om bescherming vanwege de situatie in hun land van herkomst en verkeren in
onzekerheid over de beslissing; een vreemdeling die om gezinshereniging vraagt, kan
zich in schrijnende omstandigheden bevinden; de integratie van de vreemdeling zal
bij een snelle beslissing beter verlopen; ook een vreemdeling die geen aanspraak heeft
op bescherming moet dat zo snel mogelijk te horen krijgen; het oplopen van de beslistermijnen
leidt tot hoge kosten voor opvang en gebrek aan opvangplaatsen; daarbij komen veel
beslistermijnen voort uit Europese regels; een termijnoverschrijding is dus een schending
van Europees recht.13
Door de buitenproportionele toename van dwangsommen is de dwangsomregeling evenwel
niet langer effectief en werkt zij zelfs averechts, volgens de regering. De regering
herhaalt dat de financiële last van de dwangsommen zwaar drukt op de begroting, maar
dat minstens zo belemmerend is dat IND-medewerkers worden belast met de behandeling
van de bijbehorende procedures.14 De regering is van oordeel dat het verbeuren van dwangsommen ook als de IND weer
wel in staat is tijdig op aanvragen te beslissen, niet langer een passend middel is
om het nemen van een tijdige beslissing te waarborgen.
Om te waarborgen dat zoveel mogelijk binnen een redelijke termijn wordt beslist wijst
de regering er op dat bij de voorjaarsnota van 2019 is voorzien in een hogere structurele
stabiele financiering. Daarnaast ligt, aldus de regering, de «belangrijkste oplossing»
voor de verkorting van de doorlooptijden in de uitbreiding van de besliscapaciteit
bij de IND: «De IND neemt gefaseerd nieuwe medewerkers aan en leidt ze op.»15
Als alternatieve maatregel om tijdig beslissen te bevorderen wordt een periodieke
rapportageplicht aan de Staten-Generaal geïntroduceerd: de regering rapporteert per
kwartaal aan de Eerste en Tweede Kamer in hoeverre de beslistermijnen worden gehaald;
die rapportages zijn gebaseerd op maandelijkse informatie van de IND.16 Daarnaast blijft de mogelijkheid bestaan om beroep tegen niet tijdig beslissen in
te stellen.
De beschrijving van de inhoud en de motivering van het voorstel geeft geen aanleiding
voor een reactie.
c. Beoordeling
Met het voorstel wordt een permanente uitzondering gemaakt op de dwangsomregeling
in de Awb. Dit is, zoals eerder aangegeven, een algemene regeling, die in beginsel
voor de hele overheid geldt. Om hierop een uitzondering te maken, zoals het voorstel
wil, is een dragende motivering noodzakelijk.
De centrale reden voor deze uitzondering is volgens de regering dat de dwangsomregeling
niet effectief is voor de IND en zelfs averechts werkt. De regering is van oordeel
dat ook als de IND wel weer in staat is om tijdig op aanvragen te beslissen het verbeuren
van dwangsommen niet langer een passend middel is om het nemen van een tijdige beslissing
te waarborgen.
De Afdeling begrijpt dat, bij grote achterstanden, de dwangsomregeling veel geld en
tijd kost, en dat dat het inhalen van de achterstanden kan hinderen. Een tijdelijke
opschorting van de dwangsomregeling kan dan ook, bij wijze van uitzondering, gerechtvaardigd
zijn, zoals de Afdeling eerder heeft opgemerkt in haar advies over de Tijdelijke wet.
Definitieve afschaffing ligt evenwel slechts in de rede, wanneer zou moeten worden
aangenomen dat de aard van de besluitvorming in vreemdelingenzaken met zich brengt
dat structurele termijnoverschrijdingen in deze zaken onvermijdelijk zijn.
Dat dat het geval zou zijn, blijkt echter niet uit de toelichting bij het voorstel,
eerder het tegendeel. Uit het enkele feit dat de verschuldigde dwangsommen in het
recente verleden hoog zijn opgelopen kan dat niet worden afgeleid. De regering wijst
er zelf ook op dat de belangrijkste oorzaak voor de opgelopen doorlooptijden is geweest
een vroegtijdige afschaling van personeel in 2017 in combinatie met een licht verhoogde
asielinstroom en een financieringssystematiek die niet verder reikte dan de korte
termijn, waarbij onvoldoende rekening is gehouden met de bestaande werkvoorraad.17
Daarnaast merkt de Afdeling op dat de regering in de toelichting het vertrouwen uitspreekt
dat de doorlooptijden van de IND met ingang van 2021 weer op orde zijn. Hieruit volgt
dat de regering kennelijk van oordeel is dat ook in vreemdelingenzaken tijdige besluitvorming
mogelijk is. Als dat zo is, valt zonder nadere motivering niet in te zien waarom niet
ook in vreemdelingenzaken de voor het overige bestuursrecht geldende dwangsomregeling van toepassing zou kunnen zijn en daarom behoren te zijn.
De toelichting biedt derhalve geen aanknopingspunten voor het oordeel dat zorgvuldige
besluitvorming in vreemdelingenzaken structureel niet kan plaatsvinden binnen de daarvoor
geldende termijnen, inclusief de in de Vreemdelingenwet voorziene mogelijkheden om
de beslistermijn van zes maanden, tot uiteindelijk 21 maanden te verlengen, alsmede
de mogelijkheid om in extreme omstandigheden een beroep te doen op de algemene overmachtsbepaling
in de Awb.18
Een dragende motivering van het voorstel is temeer van belang omdat het voorstel vrijwel
alleen personen betreft die niet de Nederlandse nationaliteit hebben. Het voorstel
leidt daarmee – ook al is dat niet beoogd – tot een indirect onderscheid op grond
van nationaliteit, dat objectief gerechtvaardigd moet worden. In dat kader verdient
voorts opmerking dat de termijnen in de Vreemdelingenwet 2000 (mede) uitvoering geven
aan het Unierecht.19 De procedureregels (in dit geval: regels voor het handhaven van wettelijke termijnen) die een lidstaat instelt ter bescherming van de rechten
die individuen ontlenen aan het Unierecht mogen niet minder gunstig zijn dan de regels
die gelden voor soortgelijke nationale vorderingen.20 De toelichting gaat hier niet op in.
De Afdeling is dan ook van oordeel dat het voorstel om de dwangsom in vreemdelingenzaken
definitief uit te zonderen niet dragend is gemotiveerd en daarom nader moet worden
overwogen.
Terecht signaleert de Afdeling dat de regering van oordeel is dat ook in vreemdelingenzaken
tijdige besluitvorming in beginsel mogelijk is. In veel gevallen – bijvoorbeeld bij
het nemen van een beslissing op een asielaanvraag – vloeit uit het Europees recht
voort dat een beslissing binnen een bepaalde termijn moet worden gekomen. De bestaande
regels in het nationale recht laten in alle vreemdelingenrechtelijke procedures het
tijdig nemen van een beslissing toe. In paragraaf 3 van de memorie van toelichting
is bovendien gewezen op het grote maatschappelijke belang dat juist in vreemdelingenzaken
zoveel mogelijk binnen de termijnen wordt besloten. In paragraaf 3.1 en paragraaf
10.1 van de toelichting is benadrukt dat alles op alles wordt gezet om ervoor te zorgen
dat de doorlooptijden van de IND in 2021 weer op orde zullen zijn.21 Van een situatie waarin structurele termijnoverschrijdingen optreden mag dan ook
geen sprake zijn en hiervan hoeft ook geen sprake te zijn.
Het is dan ook niet zo dat de aard van de besluitvorming met zich brengt dat structurele
termijnoverschrijdingen onvermijdelijk zijn. De regering ziet echter, anders dan –
kennelijk – de Afdeling, niet goed in waarom definitieve afschaffing van de dwangsommen
alleen in die situatie verdedigbaar zou kunnen zijn. Hoewel tijdig beslissen dus in
de meeste gevallen mogelijk is, en om voornoemde redenen steeds het uitdrukkelijke
doel blijft, brengt de aard van de besluitvorming in vreemdelingenzaken wel met zich
mee dat termijnoverschrijdingen niet uit te sluiten zijn. Hoewel met de zeer frequente
periodieke en openbare rapportages waarin dit wetsvoorstel voorziet wordt getracht
termijnoverschrijdingen zoveel mogelijk te voorkomen, moet naar het oordeel van de
regering rekening worden gehouden met een situatie waarin ze toch kunnen optreden.
Om een beroep op overmacht te kunnen rechtvaardigen moeten, zoals bekend, abnormale
en onvoorziene omstandigheden buiten toedoen en risicosfeer van het bestuursorgaan
aan de orde zijn.22 Wat de – eveneens door de Afdeling genoemde – mogelijkheid om de beslistermijn tot
uiteindelijk 21 maanden te verlengen betreft, geldt dat dit uitsluitend in asielzaken
mogelijk is en dat om tot een verlenging van de beslistermijn van die duur te kunnen
komen aan specifieke voorwaarden moet worden voldaan.23
Vanzelfsprekend moeten alle obstakels die in de weg staan aan tijdige beslissen die
binnen de macht van de overheid liggen, zoveel mogelijk worden aangepakt. Ook als
daar, zoals het afgelopen jaar, maximaal op wordt ingezet blijven in vreemdelingenrechtelijke
procedures echter situaties mogelijk waarin niet, of niet langer kan worden volgehouden
dat sprake is van overmacht of geen (volledig) gebruik is of kan worden gemaakt van
de mogelijkheden om de beslistermijn te verlengen, en toch termijnoverschrijdingen optreden die geheel of gedeeltelijk buiten de macht van de
overheid liggen.
Dergelijke overschrijdingen kunnen bijvoorbeeld hun oorsprong vinden in onvoorziene
pieken in de instroom ten gevolge van crisissituaties elders in de wereld of fluctuaties
in de aard van die instroom. Andere voorbeelden zijn de duur van onderzoek in het buitenland of het gegeven dat in vreemdelingenrechtelijke
procedures, anders dan in andere bestuursrechtelijke zaken, bewijsmiddelen vaak ontbreken
of hieraan niet de waarde kan worden toegekend die wij in het Nederlands rechtsverkeer
gewend zijn. Het bijzonder ingrijpende karakter van de te nemen beslissingen weegt
uiteraard zwaar mee. Een beslissing over – bijvoorbeeld – de vraag of een vreemdeling
vanwege de situatie in zijn land van herkomst voor bescherming in aanmerking komt,
moet steeds met de grootst mogelijke zorg worden genomen; een herkansing is in beginsel
niet mogelijk. De beoordeling van veel aanvragen is, gelet op de aard ervan, vaak
een zeer intensief en tijdrovend proces. Daarbij kan worden gedacht aan de afdoening
van asielaanvragen van LHBTI, van bekeerlingen, of van vreemdelingen jegens wie de
verdenking is gerezen dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan misdrijven als bedoeld
in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.
De afgelopen jaren is gebleken dat áls termijnoverschrijdingen optreden de consequenties
die voortvloeien uit de procedures tegen niet tijdig beslissen en het tot grote hoogte
oplopen van de dwangsomverplichtingen een verlammende uitwerking hebben op de IND.
Gebleken is dat tijdige besluitvorming door dwangsommen niet wordt bevorderd. Het
effect is eerder dat een dan toch al moeizame situatie, nodeloos complexer wordt.
Zoals al toegelicht in paragraaf 7 van de memorie van toelichting worden bovendien
in veel andere lidstaten in de praktijk niet of nauwelijks consequenties verbonden
aan het uitblijven van een tijdige beslissing. Door de afschaffing van de dwangsommen
gaat Nederland dus meer in de pas lopen met de rest van de Europese Unie. Hoewel de
regering van oordeel is dat de hiervoor geschetste lijnen al kunnen worden afgeleid
uit de toelichting bij het wetsvoorstel, is paragraaf 2 naar aanleiding van de opmerkingen
van de Afdeling aangevuld.
In paragraaf 10.3 van de memorie van toelichting is al uiteengezet dat en waarom de
regering niet van oordeel is dat door het afschaffen van de dwangsommen een indirect
onderscheid op grond van nationaliteit wordt gemaakt. Er is geen sprake van discriminatie
omdat de gemaakte uitzondering zijn grondslag vindt in de aard van de besluitvorming
en niet in het feit dat het om vreemdelingen gaat. Op die bijzondere aard van die
besluitvorming is hiervoor nog eens uitgebreid ingegaan. Deze besluitvorming ziet
op de beoordeling van aanspraken van vreemdelingen die in Nederland wensen te verblijven.
Van «soortgelijke nationale vorderingen» waarvoor andere regels zouden gelden, is
naar het oordeel van de regering dan ook geen sprake. De Afdeling geeft hiervan ook
geen voorbeelden.
d. Uitbreiding tot alle vreemdelingenzaken
Onverminderd het voorgaande constateert de Afdeling dat de Tijdelijke wet alleen geldt
voor aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Het wetsvoorstel
geldt voor alle aanvragen op grond van de Vreemdelingenwet 2000.24 Deze verruiming wordt alleen toegelicht met de stelling dat «ervan uit wordt gegaan
dat de hiervoor beschreven nadelige consequenties van het kunnen verbeuren van dwangsommen
optreden bij alle procedures op grond van de Vreemdelingenwet. Daarom is dit voorstel
niet beperkt tot asielzaken».25
Uitzonderingen op een hoofdregel dienen zo beperkt mogelijk te zijn. De motivering
voor uitbreiding van de uitzondering op de dwangsomregeling naar alle vreemdelingen
zaken is, gelet hierop, ontoereikend: de enkele veronderstelling dat in andere vreemdelingenzaken
dan asielzaken de situatie hetzelfde is, is onvoldoende voor het maken van een uitzondering.
De Afdeling adviseert deze uitbreiding ten opzichte van de Tijdelijke wet dragend
te motiveren of achterwege te laten.
Zoals aangegeven in paragraaf 10.7 van de memorie van toelichting gaat de regering
ervan uit dat de nadelige consequenties van het verbeuren van dwangsommen gelet op
de aard van de vreemdelingenrechtelijke procedures kunnen optreden bij alle aanvragen
op grond van de Vw 2000. De situatie met betrekking tot asielzaken was zo ernstig,
dat de regering zich, in afwachting van onderhavig wetvoorstel, genoodzaakt zag om
voor deze specifieke procedures op korte termijn een tijdelijke wet in het leven te
roepen. Eerder in dit nader rapport is verder toegelicht waarom, ook als gebruik wordt
gemaakt van de bestaande mogelijkheden om beslistermijnen op te schorten of te verlengen,
juist in vreemdelingenrechtelijke procedures termijnoverschrijdingen kunnen optreden.
Een aantal van die omstandigheden kan zich ook voordoen in zaken waarin geen asielprocedure
wordt doorlopen. Door een toename van nieuwe aanvragen en de beperkingen bij het kunnen
verrichten van nader onderzoek, is bijvoorbeeld de voorraad van zogeheten nareiszaken
bij de IND toegenomen en worden wettelijke beslistermijnen overschreden.26 Ook met het oog op een evenwichtige afdoening van zaken door de IND is niet gewenst
dat in te behandelen zaken onderscheid wordt gemaakt tussen zaken waarin wel dwangsommen
kunnen worden opgelegd en zaken waarin dat niet kan.
2. Redactionele bijlage
De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.
Op dit moment wordt geen noodzaak gezien expliciet in de wet te bepalen dat de kwartaalreportages
steeds betrekking hebben op een tijdvak dat begint op de eerste dag van een kwartaal.
Indien nodig kunnen op grond van artikel 71b, eerste lid, nadere regels over het uitbrengen
van de rapportages worden gesteld.
Uit artikel 4, tweede lid, onderdeel b van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen
IND blijkt dat de Tijdelijke wet – onder meer – vervalt indien de onderhavige wet
tot wet wordt verheven. Het vervallen van de Tijdelijke wet op het tijdstip dat de
onderhavige wet in werking treedt, vloeit van rechtswege voort uit de genoemde bepaling
in de Tijdelijke wet. Niet valt in te zien waarom op deze wijze niet uit een officiële
publicatiebron zou blijken dat en wanneer de wet vervalt. De overige opmerkingen in de redactionele
bijlage hebben geleid tot de voorgestelde wijzigingen in het wetsvoorstel.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal bezwaren bij het voorstel
en adviseert het voorstel niet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen,
tenzij het is aangepast.
De vice-president van de Raad van State,
Th.C. de Graaf
Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde
memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
A. Broekers-Knol
Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State
betreffende no. W16.20.0501/II
– De artikelen III en IV op elkaar afstemmen om te verzekeren dat de kwartaalreportages
steeds betrekking hebben op een tijdvak dat begint op de eerste dag van een kwartaal.
– Bepalen dat de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND vervalt: als artikel 4,
tweede lid, onderdeel b, van de Tijdelijke wet wordt toegepast, blijkt niet uit een
officiële publicatiebron dat en wanneer die wet vervalt (vergelijk aanwijzing 4.15
van de Aanwijzingen voor de regelgeving).
– Het voorstel voorzien van een citeertitel (aanwijzing 4.24, eerste lid, van de Aanwijzingen
voor de regelgeving).
– In paragraaf 10.4, slotalinea, de aanduiding dat de IND een bestuursorgaan is corrigeren (de IND handelt in mandaat namens de Minister of Staatssecretaris
van Justitie en Veiligheid).
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
Th.C. de Graaf, vicepresident van de Raad van State -
Mede ondertekenaar
A. Broekers-Knol, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Stemmingsuitslagen
Aangenomen met handopsteken
Fracties | Zetels | Voor/Tegen |
---|---|---|
PVV | 37 | Voor |
GroenLinks-PvdA | 25 | Tegen |
VVD | 24 | Voor |
NSC | 20 | Voor |
D66 | 9 | Tegen |
BBB | 7 | Voor |
CDA | 5 | Voor |
SP | 5 | Tegen |
ChristenUnie | 3 | Tegen |
DENK | 3 | Tegen |
FVD | 3 | Voor |
PvdD | 3 | Tegen |
SGP | 3 | Voor |
Volt | 2 | Tegen |
JA21 | 1 | Voor |
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.