Stenogram : Onderwijs en corona (primair en voortgezet onderwijs)
7 Onderwijs en corona (primair en voortgezet onderwijs)
Vergaderjaar 2019-2020
Vergaderingnummer 100
Te raadplegen sinds
2020-09-23Inhoudsopgave
Gerelateerde informatie
Toon alle stukken over dossier35300-VIIIToon alle items in vergaderingHandelingen TK 2019-2020, 100
Aan de orde is het VAO Onderwijs en corona (primair en voortgezet onderwijs) (AO d.d. 03/09).
De voorzitter:
Aan de orde is het verslag algemeen overleg Onderwijs en corona. Ik heet de minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van harte welkom, net als de Kamerleden en de kijkers thuis. We hebben zeven Kamerleden die het woord hebben gevraagd. Ik geef allereerst het woord aan de heer Van Meenen van D66. Alle Kamerleden hebben twee minuten. Een aantal Kamerleden hebben aangegeven dat ze niet het woord willen voeren.
Voor de kijkers thuis: er wordt nog druk onderhandeld over de moties. Het woord is aan de heer Van Meenen.
De heer Van Meenen (D66):
Sorry, voorzitter. Ik heb drie moties en daar begin ik maar mee. De eerste.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er vroegtijdige uitputting is ontstaan op de lerarenbeurs, waardoor de aanvraag van 2.400 leraren niet gehonoreerd kon worden;
overwegende dat deze uitputting is ontstaan ondanks het feit dat de Kamer zowel bij de begrotingsbehandeling vorig jaar, als bij navraag eerder dit jaar geïnformeerd werd dat er voldoende middelen waren om de aanvragen voor de lerarenbeurs te kunnen honoreren;
overwegende dat leraren, scholen en opleiders nu gedupeerd zijn omdat het opleidingstraject niet door kan gaan en de vervanging niet nodig blijkt;
verzoekt de regering voor 1 oktober aanstaande met voorstellen te komen om de aanvragen alsnog toe te kennen en de 2.400 afgewezen leraren daarover te informeren, zoals bijvoorbeeld een kasschuif waarbij een deel van de middelen voor de lerarenbeurs van volgend jaar naar voren wordt gehaald,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Meenen en Rog. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 215 (35300-VIII).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Kamer recent de moties heeft aangenomen over het met voorrang laten testen van personeel in de vitale sectoren zorg en onderwijs;
overwegende dat de kinderopvang ook bij deze vitale sectoren gerekend dient te worden;
verzoekt de regering de kinderopvangmedewerkers bij de uitvoering van de moties op dezelfde wijze te behandelen als hun collega's in zorg en onderwijs,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meenen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 216 (35300-VIII).
Er is een vraag van de heer Kwint.
De heer Kwint (SP):
Ja, over de eerste motie. De voorzitter zei net al dat het wat chaotisch verliep met alle teksten. Ik heb nu de motie gehoord en ik wil de heer Van Meenen vragen — de precieze formulering heb ik niet helemaal gehoord — of wij niet het risico lopen door "schuif die lerarenbeurs, die middelen, maar naar voren" te zeggen, in dezelfde val te trappen als waar de Kamer vorig jaar in is getrapt, namelijk een potje leeghalen dat heel hard nodig zal zijn? Hoe weegt de heer Van Meenen dat risico?
De heer Van Meenen (D66):
Dat begrijp ik, maar we moeten nú een probleem oplossen. Ik kan u zeggen dat het best ingewikkeld is om daar het geld voor te vinden. Dat geld staat volgend jaar met deze bestemming wel klaar. Mijn voorstel, ons voorstel is — het is een suggestie; wij staan ook open voor andere voorstellen, ook van de zijde van het kabinet — om geld naar voren te halen en dat andere probleem ook op te lossen. Dat kunnen we bijvoorbeeld bij de begroting doen. Er zijn allerlei momenten waarop we dat kunnen doen, maar we hebben eigenlijk geen tijd om te wachten met een oplossing, daarom deze suggestie. Maar ik begrijp dat er daardoor een verantwoordelijkheid op ons afkomt om het volgend jaar goed of beter te doen. Eerlijk gezegd verwacht ik daar al bij de begroting voorstellen voor.
De voorzitter:
De heer Kwint, afrondend.
De heer Kwint (SP):
Precies. Voor mijn duidelijkheid: dan delen we dus de volgende analyse. Het is fout gegaan met de lerarenbeurs. Dat is leraren sowieso niet aan te rekenen en moet dus opgelost worden. Dan is dit een suggestie: je zou hiernaar kunnen kijken. Je zou ook naar andere dingen kunnen kijken, maar wat als een paal boven water staat, is: we lossen het nu op en we lossen het op lange termijn ook op.
De heer Van Meenen (D66):
Zo is het precies.
De heer Kwint (SP):
Oké.
De heer Van Meenen (D66):
Wilt u eronder?
De voorzitter:
Dank u wel. Dat laat ik aan u over. De derde motie. Nee, er is een vraag van mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
We hebben volgens mij precies hetzelfde doel, namelijk dat het wordt opgelost. Ik heb een vraag over de inhoud van de motie. Het is goed als we met elkaar kijken wat goede oplossingen zijn. Stel dat we nu gaan kijken naar een kasschuif, betekent dat dan niet dat we de komende jaren met een gat in de begroting zitten omdat er telkens nieuw budget af moet worden gehaald om een probleem dat we nu hebben op te lossen? Hoe ziet de heer Van Meenen dat?
De heer Van Meenen (D66):
Daar is een gat. Dat moet dus opgelost worden, maar daar hebben we meer tijd voor. Het grote probleem dat we nu hebben, is een acuut probleem. Dat moet nu opgelost worden, want anders heeft het geen zin meer. Dat is waar ik voor pleit. Nogmaals, de indieners houden zich aanbevolen voor andere suggesties; we zijn hier niet per se aan gehecht. Maar dit is de oplossing die wij voor ogen hebben. Dan kunnen we het nu oplossen en dan hebben we ook nog de verantwoordelijkheid om met elkaar ook dat andere probleem op te lossen. Dat moet natuurlijk gebeuren, maar daar hebben we meer tijd voor. Die tijd ontbreekt ons voor het probleem van nu.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Zouden we dan niet gewoon een motie kunnen indienen met het verzoek: minister, los het op?
De heer Van Meenen (D66):
Ja, natuurlijk, dat zou ook kunnen. Ik hoop natuurlijk op medewerking van de minister om daaraan bij te dragen, maar ik vind het ook onze verantwoordelijkheid om te kijken of wij een suggestie kunnen doen die dekkend zou kunnen zijn.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs niet worden vertegenwoordigd door het LAKS, aangezien zij juridisch onder de sector primair onderwijs vallen;
overwegende dat het van belang is om leerlingen te betrekken bij en zeggenschap te geven over de invulling van beleid, afspraken en ambities in hun onderwijs;
verzoekt de regering de belangenvertegenwoordiging van de leerlingen van het vso te ondersteunen en deze een plek te geven aan alle relevante tafels,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Meenen en Van den Hul. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 217 (35300-VIII).
Dank u zeer. Er wordt nog één woordje gewijzigd in een motie. Wilt u dat nog even in de microfoon uitspreken?
De heer Van Meenen (D66):
In de motie over de kinderopvang wijzig ik het woord "dienen" in "dient", want "kinderopvang" is enkelvoud.
De voorzitter:
Ik had al een vermoeden dat het iets taalkundigs was. Ik dank u zeer. Als de heer Kwint nog even kan wachten, dan wordt er qua hygiëne weer schoongemaakt. Het woord is aan de heer Kwint van de SP.
De heer Kwint (SP):
Dank u wel, voorzitter. Het is goed dat de mensen nu allemaal thuis kunnen zien hoe totaal ontheemd wij zijn wanneer er een beetje geschoven wordt in het schema en dat iedereen eigenlijk nog druk bezig is halverwege het debat.
Het debat over corona en onderwijs had nog een paar losse eindjes. Natuurlijk ging het ook over de lerarenbeurs, maar dat is niet het enige. Het ging ook over de registratie van het testbeleid. Daarom doe ik enkele suggesties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er dagelijks leerlingen geen les krijgen door afwezigheid van hun docent vanwege gezondheidsklachten of het wachten op een test en dit de toch al bestaande uitval door het lerarentekort versterkt;
overwegende dat er geen zicht is op de hoogte van het lerarentekort mede door de coronacrisis en de gevolgen daarvan voor de continuïteit van onderwijs op scholen;
verzoekt de regering ervoor zorg te dragen dat de gevolgen van het lerarentekort — door corona en anderszins — op lesuitval, vervanging en het samenvoegen van klassen in het funderend onderwijs landelijk worden geregistreerd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kwint. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 218 (35300-VIII).
De heer Kwint (SP):
De minister zal deze motie herkennen, want ik heb die voor de coronatijd al eens ingediend in een soortgelijke variant. De reden waarom ik dit nu wil, is dat je wordt overspoeld met verhalen over klassen die naar huis gestuurd worden en over testen die nog niet afgenomen kunnen worden. En we hebben geen idee welke impact dat heeft op de hoeveelheid lessen die gegeven wordt. Ik vind dat wij die informatie moeten hebben.
Dan over de registratie van coronabesmettingen op scholen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er geen specifieke registratie plaatsvindt van coronabesmettingen die herleidbaar zijn naar besmettingen op scholen;
overwegende dat het noodzakelijk is om duidelijkheid te hebben over het aantal besmettingen die herleidbaar zijn naar scholen, en over welke scholen dit gaat;
verzoekt de regering het aantal coronabesmettingen die herleidbaar waren tot een besmetting op een specifieke school, te gaan registreren per school en deze informatie te delen via het dashboard coronavirus,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kwint. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 219 (35300-VIII).
De heer Kwint (SP):
Ik zie al heel veel enthousiasme in de reacties van de collega's, dus ik kijk uit naar de stemmingen.
Dan het testbeleid; dat zal de minister niet verbazen, want we horen daar ontzettend veel over en het houdt het onderwijs helaas ontzettend bezig. Er komt natuurlijk nog een uitwerking van een aangenomen Kamermotie die ertoe oproept om medewerkers in zorg en onderwijs te prioriteren. Wij hebben daar een suggestie voor.
De voorzitter:
Er is een vraag van de heer Beertema.
De heer Beertema (PVV):
Ja, sorry, voorzitter, die gaat over de vorige motie. Ik heb het even laten bezinken en ik vraag me af of u daarmee niet vraagt om een enorme bureaucratische exercitie. Ik vraag me ook af wat het nou uiteindelijk gaat toevoegen. Wat hebben we er in de praktijk aan?
De heer Kwint (SP):
Nou, ik denk dat het niet heel erg bureaucratisch is om één tabblad toe te voegen aan alle tabbladen op het dashboard coronavirus. Kijk, we weten nu toch al wanneer er een besmetting op een school is. Een school weet dat zelf. Het gaat erom dat je die informatie ook openbaar ontsluit voor bijvoorbeeld ouders. Die weten dan: oké, hier is iets aan de hand. Het geeft ons ook de kans om te zien hoeveel besmettingen er zijn geweest sinds wij met z'n allen de verantwoordelijkheid hebben genomen voor het weer openstellen van de scholen. Het zorgt er ook voor dat mensen naar die website toe kunnen voor informatie in plaats van zelf Excelsheets te moeten bijhouden met informatie uit krantenartikelen over hoeveel scholen dicht zijn. Ik vind dat de overheid daar duidelijk over moet zijn en proactief die informatie beschikbaar moet maken.
De heer Beertema (PVV):
Met alle respect, maar die ouders weten dat toch allang? Die staan toch in contact met die scholen en daar communiceren ze toch mee? Dan kan je toch niet in alle redelijkheid verwachten dat al die ouders naar dat dashboard gaan en daar dingen gaan opzoeken om daar conclusies uit te trekken? Ik vind dat een bureaucratisch geheel wat je eigenlijk niet van ouders mag vragen. Laat ze communiceren met die school; dat is ook de overheid.
De heer Kwint (SP):
In hoeverre de school de overheid is, daar kunnen we nog over van mening verschillen. Dat mag af en toe wel iets meer zijn, wat mij betreft. Maar kijk, een ouder hoeft hier geen gebruik van te maken. Natuurlijk stuurt een school ook gewoon een brief, maar het gaat ook over het totaaloverzicht van wat er is gebeurd met coronabesmettingen op scholen, zodat wij dat kunnen zien en zodat ouders die daarin geïnteresseerd zijn dat kunnen zien. Dat doen we ook met bijvoorbeeld onderwijskwaliteit en de uitslag van citotoetsen. Er zijn heel veel zaken die wij online en openbaar voor iedereen zichtbaar en beschikbaar maken.
De voorzitter:
Tot slot, de heer Beertema.
De heer Beertema (PVV):
Ja, tot slot. Als ik deze motie zo hoor, vermoed ik toch veel rompslomp met weinig toegevoegde waarde. Laat ik het zo zeggen.
De voorzitter:
De heer Kwint vervolgt zijn betoog.
De heer Kwint (SP):
Dan vrees ik dat de heer Beertema en ik het daarover niet eens gaan worden vandaag.
Dan over de tests. Scholen moeten nu zelf tests inkopen, wat leidt tot kosten. Wij vinden dat problematisch. Daarom de volgende suggestie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat sectoren zoals zorg en onderwijs ernstig te lijden hebben onder het gebrek aan coronatesten;
overwegende dat de Kamer het kabinet de opdracht heeft gegeven een voorrangsbeleid voor deze sectoren te ontwikkelen;
verzoekt de regering hierin mee te nemen de mogelijkheid om werkgevers met toestemming van een werknemer een test aan te laten vragen, zodat direct duidelijk is dat de persoon die getest moet worden werkzaam is in de zorg of het onderwijs;
verzoekt de regering tevens de mogelijkheid tot het vergoeden van nu ingekochte particuliere coronatests door zorg- en onderwijsinstellingen te onderzoeken, ten minste tot de eigen testcapaciteit eindelijk op orde is,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kwint. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 220 (35300-VIII).
De heer Kwint (SP):
Dan doe ik ook nog even een kleine tekstuele aanpassing, want op mijn papieren motie staat "vergoeden", maar dat moet dus "onderzoeken" zijn.
De voorzitter:
Dank u wel. Als u dat dan in de microfoon nog even wilt voorlezen?
De heer Kwint (SP):
Zeker. Het gaat er dus om dat we gaan onderzóéken of de particuliere coronatests door zorg- en onderwijsinstellingen vergoed kunnen worden.
De voorzitter:
Helemaal goed. Dank u wel. Dan geef ik het woord aan mevrouw Westerveld van GroenLinks voor haar bijdrage.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Voorzitter. We horen steeds meer verhalen van scholen die zelf testen gaan inkopen, omdat leerkrachten die zich willen laten testen soms een paar dagen moeten wachten en er daardoor hele klassen naar huis worden gestuurd. Ik wil aan de minister meegeven dat het hier dus gaat om onderwijsgeld dat wordt besteed aan testen. Ik vraag de minister hoe hij de motie gaat uitvoeren die de Kamer eerder heeft aangenomen, waarin wordt gevraagd om voorrang te geven aan de vitale beroepen, waaronder het onderwijsveld. Daar wil ik dadelijk dus graag een reactie op.
Voorzitter. Dan een punt over kinderen die nu thuis zitten, bijvoorbeeld omdat ze een zwakke gezondheid hebben, en geen onderwijs krijgen. Dat is een flink probleem. Je kunt dat niet zomaar op het bordje van de leraren schuiven. Leraren hebben een enorme werkdruk en die is alleen maar toegenomen door corona. Het is heel moeilijk om én in de klas les te geven én ook nog goed afstandsonderwijs te geven. Ik vind dat daar betere ondersteuning bij moet komen. Daarover heb ik een motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er een groep leerlingen is die in deze coronacrisis niet naar school kan omdat het risico voor de eigen gezondheid of dat van een huisgenoot met een kwetsbare gezondheid te groot is;
constaterende dat conform de wet het bevoegd gezag de verplichting heeft zorg te dragen voor een ononderbroken ontwikkelingsproces en daardoor een alternatief aan te bieden zoals afstandsonderwijs;
constaterende dat dit niet voor elke leerling die niet naar school kan wordt aangeboden of dit in zeer wisselende kwaliteit gebeurt;
constaterende dat er diverse initiatieven zijn waarbij afstandsonderwijs succesvol wordt aangeboden, maar hier vaak een prijskaartje aan hangt;
constaterende dat onderwijs voor iedere leerling toegankelijk moet zijn;
verzoekt de regering om met onderwijsorganisaties, (oud-)docenten en aanbieders van afstandsonderwijs, een alternatief te ontwikkelen waardoor ieder kind dat tijdelijk niet naar school kan, toch kosteloos onderwijs kan volgen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld en Van den Hul. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 221 (35300-VIII).
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Voorzitter. Dan nog een laatste punt, namelijk de lerarenbeurs. Volgens mij zijn we als hele Kamer heel duidelijk geweest in het algemeen overleg. We zeiden allemaal: minister, los dat op en zorg ervoor dat de leraren die de lerarenbeurs hebben aangevraagd en zich verder willen ontwikkelen, daar aanspraak op kunnen maken, en los dat ook op voor de volgende periode. Ik ben heel benieuwd naar de reactie daarop.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan wil ik graag het woord geven aan de heer Rog van het CDA.
De heer Rog (CDA):
Voorzitter. We zijn nog in afwachting van het met voorrang testen van leraren. Ik denk dat dit heel belangrijk is en ik zie ernaar uit dat dit daadwerkelijk kan gaan gebeuren.
De kiezel in de schoen van het algemeen overleg blijft toch eigenlijk wel die lerarenbeurs: 2.400 leraren hebben een aanvraag gedaan, maar hebben uiteindelijk misgegrepen. Mijn fractie heeft daar vragen over gesteld, samen met de fracties van SP, GroenLinks en D66. Voor ons is dit geen begaanbaar pad. Wij hebben meerdere amendementen ingediend die een uitname uit de lerarenbeurs zijn overeengekomen met advies van OCW. We vinden dat OCW dit moet repareren. Dat is de reden dat ik met de heer Van Meenen een motie heb ingediend. Ik vind het altijd wel zo netjes als een motie ook gedekt is, maar wij hebben die dekking niet gevonden. We hebben wel een aantal suggesties gegeven. Die hebben we ook aan de minister meegegeven in het algemeen overleg. Zoek een oplossing. We hebben dat nodig. Wij komen nu niet verder dan een kasschuif, maar dat kan wel een oplossing zijn voor de toekomst en nu voor deze 2.400 leraren, die gewoon met recht en reden die aanvraag hebben gedaan. Die zouden ze wat ons betreft alsnog gehonoreerd moeten krijgen. Wij willen een oplossing voor deze mensen. We wensen de minister heel veel succes met de uitwerking.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat roept een vraag op van de heer Beertema.
De heer Beertema (PVV):
Ik hoor de heer Rog zeggen dat er een aantal suggesties zijn gedaan aan de minister behalve de kasschuif. Is daar geen antwoord op gekomen verder?
De heer Rog (CDA):
We hebben het daar in het algemeen overleg ook over gehad. Wij hebben bijvoorbeeld een suggestie gedaan rond de prestatiebeurs. Je kunt bekijken of er aan het einde van het jaar nog wat overblijft en of er onderzoekspotjes zijn. Dat zijn allemaal suggesties. We hebben ook suggesties gevraagd aan de minister, maar hij zegt dat hij het geld niet kan vinden. Ik heb verzucht bij het algemeen overleg: 40 miljard euro, maar we krijgen het niet voor elkaar. Als we Zuid-Europa moeten stutten, vinden we wél een miljard per jaar. We willen dit voor deze leraren gewoon geregeld hebben.
De voorzitter:
Meneer Beertema, afrondend.
De heer Beertema (PVV):
De suggesties die u nu noemt, zijn gewisseld tijdens het AO. Er zijn niet alsnog suggesties uitgewisseld achter de schermen?
De heer Rog (CDA):
Die zijn inderdaad zowel in het AO als buiten het AO om genoemd. Absoluut.
De voorzitter:
U doet alles in drieën, valt mij op. Dat is niet helemaal de bedoeling, meneer Beertema.
De heer Rog (CDA):
Dat is niet helemaal de bedoeling, meneer Beertema. Ik moet toch een beetje streng zijn.
De voorzitter:
Ja.
De heer Beertema (PVV):
De spanning vereist een zekere opbouw.
De voorzitter:
Ja, we voelen 'm allemaal. Afrondend.
De heer Beertema (PVV):
Is die 56 miljoen nog voorbijgekomen?
De heer Rog (CDA):
Dat was een suggestie van uzelf! Ja, die is ook gewisseld.
De voorzitter:
Als u elkaar heel even laat uitpraten ... Het is op zich heel boeiend. Meneer Beertema, maakt u uw vraag even af. En dan geef ik het woord aan de heer Rog.
De heer Beertema (PVV):
Het was geen suggestie van mij om die 56 miljoen voor de lerarenbeurs te oormerken. Ik wilde graag dat verklaard werd waar die 56 miljoen gebleven zijn. Ik had daar niet zo een-twee-drie een bestemming voor. Ik weet ook andere bestemmingen.
De voorzitter:
En uw vraag is?
De heer Beertema (PVV):
Dat is geen vraag, dat is eventjes een toelichting op wat de heer Rog zei.
De heer Rog (CDA):
Voorzitter. Ik kan bevestigen dat ook in het AO wel doorgevraagd is op die 56 miljoen, ook door de partijen die er wel belangstelling voor hadden om dat hiervoor aan te wenden. Maar ook daarbij hebben we helaas nee op het rekest gekregen, meneer Beertema.
Dat was het. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik het woord aan mevrouw Van den Hul van de PvdA. Gaat uw gang.
Mevrouw Van den Hul (PvdA):
Dank, voorzitter. Ook wij voelen die kiezel in die schoen — om bij dat beeld te blijven — nog zitten. Dus ook ik kijk uit naar de beantwoording door de minister.
Zojuist heeft mevrouw Westerveld mede namens ons een motie ingediend over de thuiszittende kinderen. Ik heb nog een motie die doorpakt op het punt van de grotere onderwijsachterstanden die zijn ontstaan door corona en over het gebrekkige zicht dat wij daar op dit moment op hebben. Het is een punt dat ook in het debat aan de orde kwam en waar wij nog wel zorgen over hebben.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de coronacrisis grote druk legt op het onderwijs en op leraren en dat het versneld testen van leraren niet binnen zeer korte termijn kan worden ingevoerd en daardoor — buiten de schuld van scholen of leraren om — steeds vaker sprake is van lesuitval;
constaterende dat de inspectie terecht heeft aangegeven coulant te zullen zijn inzake de naleving van de urennorm;
overwegende dat het overzicht van lesuitval en de effecten daarvan op de kansenongelijkheid scherp in de gaten gehouden moeten worden;
verzoekt de regering de lesuitval en de geschatte effecten op de kansenongelijkheid te monitoren, en de Kamer hierover te informeren voor het einde van het kalenderjaar,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van den Hul. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.
Zij krijgt nr. 222 (35300-VIII).
De voorzitter:
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn. De minister heeft aangegeven dat hij een enkel moment nodig heeft om zich voor te bereiden. Ik schors de vergadering voor vijf minuten.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Een punt van orde van de heer Van Meenen.
De heer Van Meenen (D66):
Ik heb inmiddels begrepen dat er nog drie collega's zijn die graag onder de motie over de lerarenbeurs willen staan. Ik weet niet of ik dat hier zo kan toevoegen?
De voorzitter:
Dat kan.
De heer Van Meenen (D66):
Wellicht scheelt het nog in het oordeel, als de heer Kwint en zijn moeder er ook onder staan. Het gaat om mevrouw Westerveld, de heer Kwint en mevrouw Van den Hul.
De voorzitter:
De motie-Van Meenen/Rog (35300-VIII, nr. 215) is in die zin gewijzigd dat zij thans is ondertekend door de leden Van Meenen, Rog, Westerveld, Kwint en Van den Hul.
Zij krijgt nr. 223, was nr. 215 (35300-VIII).
Dan geef ik het woord aan de minister voor zijn appreciatie van alle ingediende moties en het beantwoorden van een enkele vraag. Het woord is aan de minister.
Minister Slob:
Dank u wel, voorzitter. Ik begin direct met de eerste motie, de motie op stuk nr. 215, die inmiddels door vijf Kamerleden is ondertekend. Wij hebben vorige week donderdag intensief met elkaar daarover gesproken, ook aan de hand van de Kamervragen die ik samen met mijn collega Van Engelshoven heb beantwoord. U weet dat dit niet alleen het funderend onderwijs raakt, maar ook het mbo en het hoger onderwijs. Ik ben degene die hier namens ons beiden reageert op wat er gebeurd is.
U weet dat wij alles ondersteboven gekeerd hebben om te kijken of we iets konden doen aan het ongemak rond dit onderwerp, dat ook bij ons te voelen was. In de communicatie tussen Kamer en kabinet had het op zijn zachtst gezegd beter gekund. De communicatie naar de docenten is wel correct geweest. Zij wisten van tevoren dat er knelpunten zouden kunnen zijn en dat mogelijkerwijs niet alle initiële aanvragen —- wel de herhaalaanvragen, maar niet alle initiële aanvragen — konden worden gehonoreerd. Daar zijn ze vroegtijdig over geïnformeerd. Het blijft ongemakkelijk dat er uiteindelijk zo veel niet gehonoreerd zijn.
Wij hebben gekeken wat we zouden kunnen doen om dat alsnog te doen, maar wij hebben dat niet gevonden. Anders hadden wij het gewoon op die manier opgelost. Ook de suggestie die in de motie staat, werken met een kasschuif, zou betekenen dat, als er geen aanvullend geld voor volgend jaar komt, we direct al een probleem hebben in 2021. Even doorgerekend wat dat in geld zou betekenen: dan zouden we niet eens meer alle herhaalaanvragen kunnen honoreren. En dat is niet wat wij beogen met elkaar.
Als we uitgaan van mogelijke onderuitputtingen in het najaar — sowieso past ons als kabinet en ministers altijd grote terughoudendheid om daarover in het openbaar te speculeren — is dat een aanname waardoor, als die niet doorgaan, het probleem alleen maar groter gaat worden in het kalenderjaar erna. Dat heeft ons, alles afwegende, ertoe gebracht dat we konden toezeggen dat al diegenen die nu niet gehonoreerd zijn, volgend jaar als eerste wel gehonoreerd kunnen worden. Daar kunnen we voor instaan. We moeten de regeling daar wel iets voor aanpassen, maar daartoe zijn we bereid. Dan blijft er wel wat minder geld over voor de initiële aanvragen, maar daar is dan ook nog een bepaald bedrag voor beschikbaar. Wij konden nu niet vooruitlopen op mogelijke meevallers enzovoort enzovoort. Anders hadden wij het in onze brief geschreven. Dat betekent dat die situatie nog steeds onverkort aan de orde is en dat ik deze motie moet ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 215 wordt ontraden.
Minister Slob:
De motie op stuk nr. 216 overstijgt het beleidsterrein en zelfs ook het ministerie waar ik over ga, want die is voor SZW. Ik zal bevorderen dat deze motie naar de desbetreffende verantwoordelijke bewindspersoon gaat. Dat is de nieuwe staatssecretaris, de heer Van 't Wout. De motie is niet aan de orde bij het debat dat wij hebben gevoerd, al raakt het onderwerp er wel aan. Het is echt een ander beleidsterrein. Ik zal de motie doorgeleiden, zodat de staatssecretaris naar ik aanneem zo snel mogelijk daar een appreciatie op kan geven.
De heer Van Meenen (D66):
Ja, precies, dat was mijn vraag. De stemmingen zijn, als ik het goed begrepen heb, volgende week donderdag. Dat is bij de regeling afgesproken. Als het voor die tijd kan, dan graag.
Minister Slob:
Dat zal ik ook doorgeleiden en ik neem aan dat het verslag van deze vergadering ook doorgeleid wordt.
De voorzitter:
Dat geleiden wij door.
Minister Slob:
Dan komt het van twee kanten en dan zal het hem zeker bereiken.
We zijn een week verder sinds wij over het testen hebben gesproken. Er wordt keihard gewerkt door VWS maar ook door ons om datgene te realiseren wat ook al in eerdere moties is uitgesproken. U weet dat dat ook in praktische zin heel veel met zich meebrengt. We gaan onverminderd door om te zorgen dat gerealiseerd kan worden dat docenten snel getest kunnen worden en ook snel hun uitslagen krijgen, in welke vorm dan ook. Als daar meer over te melden valt, krijgt u daar uiteraard zo snel mogelijk informatie over.
De voorzitter:
U krijgt een vraag daarover van mevrouw Van den Hul.
Mevrouw Van den Hul (PvdA):
Sinds wij elkaar hierover spraken, is er natuurlijk wel het nodige gebeurd. Wij hoorden vandaag in het nieuws dat er nauwelijks meer testcapaciteit beschikbaar is. Ik ben toch wel heel erg benieuwd naar een korte reflectie van de minister daarop. Dat is namelijk juist voor het onderwijs een heel cruciaal punt, want de laatste dagen krijgen we al steeds meer berichten over sluitingen. Hoe kijkt de minister daartegen aan en wat is zijn advies?
De voorzitter:
Dat is eigenlijk een vraag aan de minister van VWS, maar we kunnen kijken of de minister er een reflectie op heeft.
Minister Slob:
Het raakt ook het onderwijs en ik ben er dagelijks mee bezig. Dat is niet overdreven, want het is een onderwerp dat ons zeer bezighoudt. Ik heb frequent overleg met mijn collega van VWS, die primair verantwoordelijk is voor het testbeleid. Dat doet hij namens het kabinet; dat is collegialiteit van bestuur. Onze gezamenlijke inzet is om ervoor te zorgen dat er een oplossing gaat komen. U weet dat hij heeft aangegeven, ook in de communicatie met de Kamer, dat het voor hem ook belangrijk is om te weten hoe het geven van prioritering uitwerkt voor de totale aanpak van de infectiebestrijding. Dat is één.
Het tweede is dat als de GGD's dit gaan doen, het logistiek en organisatorisch mogelijk moet zijn. U ziet dat daar nog een grote druk op zit.
Het derde is dat hij bekijkt wat er in het kader van fast lanes, zoals wij dat in slecht Nederlands noemen, mogelijk is. Hij is dus op allerlei manieren bezig. Ik ondersteun hem daarin. Neemt u van mij aan dat we daar echt bovenop zitten met elkaar en u zo snel als dat enigszins kan daarover willen informeren.
Mevrouw Van den Hul (PvdA):
Wij krijgen ondertussen veel vragen van scholen over wat zij moeten doen. Moeten zij daarop wachten met als gevolg dat scholen dichtgaan in geval van klachten? Of zegt de minister: dan is het nu maar niet anders en gaan we toch maar commercieel?
Minister Slob:
U heeft vast in de communicatie gehoord die in de sector zelf wordt gevoerd dat dit niet echt het pad is dat wij met elkaar op willen. We willen gewoon zorgen dat er via de reguliere aanpak snel getest kan worden en dat er snel uitslagen zijn. Daar wordt alles op ingezet. Dat is de route die iedereen bovenaan het lijstje heeft staan en daar werken we heel hard aan. Mocht het nodig zijn om naar alternatieven te kijken, dan zullen wij u dat melden, maar dat is niet onze insteek. Het geldt overigens niet alleen voor docenten. Het geldt ook in de zorg. Er zijn meer beroepen waar het uitvallen van mensen die die beroepen uitoefenen behoorlijk grote gevolgen heeft, omdat daarachter weer mensen getroffen worden. Dat is iets wat we niet graag lang willen laten voortbestaan.
De voorzitter:
Dank u wel. Een vraag van mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Dit onderwerp is natuurlijk niet nieuw. We hebben allemaal de debatten gevolgd met de zorgwoordvoerders en de fractievoorzitters, die elke keer benadrukken dat er voldoende testen moeten zijn. Eigenlijk zien we nu vooral dat het de verkeerde kant op gaat, want het tekort wordt alleen maar nijpender. Dan is wel de concrete vraag van scholen of ze commerciële tests moeten inslaan of dat ze maar moeten hopen dat het kabinet er de komende dagen of week voor zorgt dat er voldoende capaciteit is. Ik begrijp dat deze minister daar niet over gaat, maar hij kan scholen misschien wel adviseren. Adviseert de minister hen om testen te kopen bij commerciële aanbieders, of zegt hij: het lukt ons wel om de komende tijd ervoor te zorgen dat we die testcapaciteit op orde hebben?
Minister Slob:
Mijn collega van VWS is heel helder geweest over die commerciële testen. Hij vindt het niet aantrekkelijk om die route in te slaan, ook vanwege vragen die er zijn over de betrouwbaarheid van die testen. Het raakt ook aan het gebruik van grondstoffen die we nodig hebben voor het bredere verhaal. Kortom, dat is niet het pad dat we willen inslaan. Al is dat wel een discussie, dat weten we. Onze inzet is erop gericht dat er voldoende testen zijn, in het bijzonder voor degenen die cruciale beroepen uitoefenen, dus ook voor onderwijs, zodat zij zo snel mogelijk getest kunnen worden en ook de uitslag snel krijgen. Zo wordt de tijd dat zij niet fysiek op school hun werk kunnen doen zo beperkt mogelijk gehouden. Je kunt natuurlijk nooit uitsluiten dat er toch nog mensen enige tijd thuis komen te zitten. Maar niet langer dan nodig is.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Westerveld, afrondend.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Ik zou de minister dan nog graag concreet willen vragen of hij een beeld heeft van wanneer er meer duidelijkheid komt over de vraag of het lukt om vitale beroepen voorrang te geven. Ik begrijp dat hij er zo snel mogelijk op terugkomt, maar wat kunnen scholen dan nu heel concreet verwachten?
Minister Slob:
Het lijkt me niet verstandig om daar nu hardop over te gaan speculeren, maar alle inzet is erop gericht om zo snel als mogelijk daar meer informatie over te geven. "Zo snel als mogelijk" betekent dat we het direct zullen doen op het moment dat we het kunnen doen. Dan zullen we de Kamer uiteraard ook informeren. Dat spreekt voor zich.
Dan ben ik bij de motie op stuk nr. 217. Ik heb vorige week in het algemeen overleg al toegezegd dat wij bezig zijn om ook voor deze leerlingen de vertegenwoordiging te regelen. Ik heb daar in feite al een toezegging voor gedaan. Ik zou dus eigenlijk moeten zeggen dat de motie overbodig is. Ik kan het ook iets vriendelijker zeggen: oordeel Kamer. Maar de precieze invulling, hoe we dat gaan doen, is echt nog onderwerp van gesprek. Daar ga ik niet op vooruitlopen, maar ook wij vinden het belangrijk dat deze leerlingen een plek aan de tafels krijgen. Dan willen we veiliggesteld hebben dat het echt een vertegenwoordiging van de leerlingen is en dat het geen enkele persoon is of een paar personen zijn die naar voren stappen, maar niet die verbinding hebben. We willen zorgen dat goed ingebed is, dat het structureel waargemaakt kan worden en dat er ondersteuning voor is. Daar zijn we mee bezig. Ik geef de motie oordeel Kamer om het vriendelijk te houden en kom er zo snel als mogelijk, wanneer er meer te melden valt, op terug.
De voorzitter:
Oordeel Kamer voor de motie op stuk nr. 217.
Minister Slob:
De heer Kwint zei zelf al dat de motie op stuk nr. 218 een bekende motie is. Daar heb ik vorige week het volgende over gezegd. Rond het primair onderwijs hebben we inmiddels de registratie goed geregeld, in ieder geval wat betreft de gebruikte systemen om de uitval die er is, als leraren niet meer werken, thuis zitten, goed te registreren. Het is wel belangrijk dat de scholen dat dan ook invullen. Dat kunnen we niet met een missive vanuit Den Haag doen, anders dan dat we aan hen vragen, ook via hun vertegenwoordigers, om dat te doen. In het voortgezet onderwijs ligt het iets ingewikkelder, omdat dat op een heel andere manier georganiseerd is en we daar niet zo'n registratie voor hebben. We zijn wel met het voortgezet onderwijs aan het kijken op welke wijze we dan wel iets meer data krijgen om gerichter te weten wat daar gebeurt. Dat heb ik allemaal al toegezegd. Daar zijn we ook al gewoon mee bezig. Ik ontraad deze motie dus, maar we gaan onverkort door met deze registraties. Rond het primair onderwijs spelen er ook nog een paar pilots, onder andere in de grote steden, waar ook de PO-Raad bij betrokken is. Daar zijn we heel gericht bezig om goede informatie te krijgen om echt zicht te hebben op hetgeen er speelt.
De voorzitter:
Dank u wel. De motie op stuk nr. 218 wordt ontraden. De heer Kwint.
De heer Kwint (SP):
Ik zal het kort houden, want we hebben deze discussie inderdaad al vaker gevoerd. Laat ik het specifiek over deze periode met corona hebben. Het blijft toch raar dat wij de hele dag verhalen lezen over docenten die thuis moeten zitten omdat ze niet getest kunnen worden, docenten die met klachten thuis zitten en docenten die thuis zitten omdat ze tot een kwetsbare groep behoren en dat wij op geen enkele manier weten wat voor consequentie dat heeft voor het aantal aangeboden lesuren aan leerlingen. Dat zouden wij toch moeten willen weten met z'n allen?
Minister Slob:
Stel dat er bijvoorbeeld deze week iets gebeurt op scholen. Dat kan. We weten dat dat op sommige plekken gebeurt. Volg de kranten en andere media maar. Dan is de infrastructuur voor het p.o. in die zin op orde dat scholen dat gewoon kunnen registreren. Er is geen wettelijke verplichting voor, maar veel scholen doen het. We hebben gezorgd dat het systeem, dat ooit door een welwillende docent is opgezet — respect daarvoor — nu gewoon AVG-proof is, zou ik haast zeggen. We weten dat er geen misbruik van kan worden gemaakt. Als je BRIN-nummers van scholen had, kon je het, ook al zat je helemaal niet in het onderwijs, iedere dag wel invullen. Dat hebben we allemaal aangepast. Daar hebben we ook ondersteuning bij geboden. Die informatie krijgen we dus gewoon. Dat wordt natuurlijk wel verwerkt. Dat is niet gelijk van de ene dag op de andere dag beschikbaar. De inspectie houdt het ook goed in de gaten en weet dat dit een belangrijke taak is. Rond het vo is het lastiger. U weet ook dat dat een heel andere onderwijssoort is, met heel veel lessen. Daar hebben we niet zo'n registratiesysteem voor. We zijn wel aan het kijken of we dat op een of andere manier ook kunnen vastleggen. We zijn er dus echt mee bezig. Ik heb niet het gevoel dat ik moties nodig heb om in beweging te komen, want ook wij hebben dezelfde drang, zou ik haast zeggen, om die informatie op tafel te krijgen om er zicht op te hebben.
Voorzitter. Vorige week heb ik een toezegging gedaan met betrekking tot de motie op stuk nr. 219. Ik herhaal deze toezegging. Het zou het allermooiste zijn als de GGD het op die manier zou registreren, maar wij zouden hen dan op dit moment overvragen. We hebben het net over de huidige situatie gehad. We laten dit dus even rusten. Maar ook wij willen daar meer informatie over hebben, dus we zijn echt stevig bezig. Ik kan u melden dat er deze week weer overleg is geweest met DUO, de inspectie, de PO-Raad en de VO-raad, om ervoor te zorgen dat we een registratiesysteem krijgen dat niet de scholen op allerlei manieren overvraagt, maar dat wel meer informatie geeft dan wij nu hebben over het aantal besmettingen op scholen, bijvoorbeeld over clusters. Al hebben we er nu ook al wat zicht op via de inspectie en de dashboards. Daar zijn we mee aan het werk. Ik hoop dat het niet te lang duurt voordat we er conclusies uit kunnen trekken en ermee aan de slag kunnen gaan. Ik informeer u dan direct. We hebben het dan echt niet over maanden, maar het moet heel snel duidelijk zijn. Dus ik ontraad deze motie, maar weet dat we volop bezig zijn met dit onderwerp. Als ik u iets kan melden, zal ik dat echt niet morgen doen, als dit vandaag al kan en liever nog gisteren.
De voorzitter:
Dank u wel. De motie op stuk nr. 219 wordt ontraden.
Minister Slob:
Voorzitter. De motie op stuk nr. 220 ontraad ik, ook in het kader van de wijze waarop wij bezig zijn met testen, zoals ik net aangaf.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 220 wordt ontraden.
Minister Slob:
De motie op stuk nr. 221.
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, is er een vraag van de heer Kwint.
De heer Kwint (SP):
Ik wilde er net al op inhaken toen mevrouw Westerveld en mevrouw Van den Hul het erover hadden, maar ik dacht: het komt vanzelf terug bij mijn motie. De motie zegt: "ten minste tot de testcapaciteit op orde is." Ik heb er alle begrip voor dat de energie primair is gericht op het zorgen voor voldoende testcapaciteit en het, naar de wens van de Kamer, regelen van het geven van voorrang aan zorg- en onderwijspersoneel. Sterker nog, ik zou het ook niet anders willen. Het is een feit dat dit nu niet zo is. De GGD zegt: we kunnen het nu eigenlijk niet aan voor de hele bevolking. Dit betekent dat scholen nu haast gedwongen zijn om dit soort stappen te zetten. Het is namelijk dit of een docent onnodig lang thuis laten zitten, waardoor geen onderwijs kan worden gegeven. Het zou dan toch niet meer dan redelijk zijn dat wij scholen daarin tegemoetkomen?
Minister Slob:
Ik lees hier ook "zorginstellingen". Het gaat dus zelfs breder dan alleen scholen. U hebt hier twee sectoren bij elkaar gevoegd. Zoals ik net aangaf, voel ik terughoudendheid als het gaat om dit onderwerp, omdat dit niet mijn terrein is. Het gaat ook om hoe mijn collega van VWS kijkt naar het inkopen van commerciële testen en naar de risico's die daaraan vastzitten. Onze inzet is dus gericht op de reguliere manier waarop wordt getest en uitslagen worden bekendgemaakt. Op het moment dat je ook de bekostiging voor je rekening gaat nemen, ga je bij wijze van spreken bevorderen dat een weg wordt ingeslagen die je als niet begaanbaar ziet. Kortom, ik ontraad deze motie.
De voorzitter:
Dank u wel. Meneer Heerema, hebt u een vraag over de motie op stuk nr. 220?
De heer Rudmer Heerema (VVD):
Ik heb een vraag over de laatste motie. Ik heb een antwoord nodig om een voorstel te kunnen doen aan mijn fractie. Er staan namelijk twee verzoeken in de motie. Het eerste verzoek is een wezenlijk ander verzoek dan het tweede verzoek. Deze twee hebben niets met elkaar te maken. Kan de minister wel oordeel Kamer geven als het tweede verzoek eruit zou gaan?
Minister Slob:
Bedoelt u alleen onderzoeken? Ik heb net aangegeven dat ...
De voorzitter:
Ik denk dat de heer Heerema iets anders bedoelt.
De heer Rudmer Heerema (VVD):
Ik bedoel echt iets anders. Ik stel voor om het tweede verzoek eruit te halen en alleen werkgevers toestemming te geven om een test aan te laten vragen. Wat zou het oordeel van deze minister zijn als dit het enige verzoek in de motie zou zijn?
Minister Slob:
Dit heeft te maken met de vraag hoe je een voorrangsbeleid inricht. Ik heb aangegeven dat we nu stevig bezig zijn om te kijken of we dat kunnen realiseren. Natuurlijk wordt dan naar alles gekeken, dus ook naar de mogelijkheid om het zo betrouwbaar mogelijk te doen. Als er een voorrangsbeleid komt voor docenten of mensen uit de zorg, dan wil je ook zeker weten dat het mensen uit het onderwijs of de zorg zijn die daarnaartoe gaan. Dat hoort dan bij uitvoering. Daar heb ik geen moties voor nodig. Op het moment dat dit er zou komen, vind ik dat het in handen ligt van de minister van VWS om dit op een goede manier te organiseren. Overigens wordt het meedenken wel gewaardeerd. Ik zeg dit om het niet te ontmoedigen. Het is al heel goed dat we dit met elkaar stevig op de agenda zetten. Daar heb ik geen enkele twijfel over.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 221.
Minister Slob:
Bij de motie op stuk nr. 221 hik ik er erg tegen aan dat in het dictum staat dat er een alternatief moet worden ontwikkeld. Zoals u weet, hebben we een heel mooi servicedocument gemaakt, waarin alle afspraken omtrent het onderwijs staan verwoord. Ik was daar vorige week redelijk lovend over en ik zal dat nu niet overdoen. Noem maar een onderwerp en we hebben er concrete afspraken over gemaakt. Het complete onderwijsveld heeft dat ondertekend. Dat is echt heel mooi werk. Daarin staat dat op het moment dat er geen fysiek onderwijs wordt gegeven, de volgende optie inderdaad is dat er onderwijs op afstand gegeven kan worden. Er staat ook nadrukkelijk de zin bij, die ik ooit zelf als eerste heb uitgesproken: niemand wordt aan het onmogelijke gehouden. U zult wel begrijpen dat met name de vertegenwoordigers van de docenten daarvoor aandacht hebben gevraagd.
De inzet is dus: fysiek onderwijs en als dat niet kan, onderwijs op afstand, binnen alle redelijke eisen die we daaraan kunnen stellen. Ik ben niet van plan om nog een alternatief te maken. Ik vind dat dit de afspraak is en dat we hiervoor met elkaar moeten gaan. Ik zie ook, in de korte tijd dat de scholen open zijn, dat dat echt wel wat problemen oplevert. Wij kijken natuurlijk of we de scholen kunnen ondersteunen, zodat ze dit goed kunnen doen, maar ik ga niet nog een alternatief ernaast bedenken. Dan zou ik ook het servicedocument weer moeten openbreken. Dat lijkt me echt de verkeerde weg. Ik denk ook niet dat u dat wil. Onze inzet is dus om waar dat nodig is zo veel mogelijk ondersteunen op te zetten, zodat we niet het onmogelijke vragen. We hebben ook frequent overleg met het complete onderwijsveld. Van de week heb ik ook weer met ze gezeten, niet letterlijk, want dat gaat via een scherm. Ik heb weer overleg met hen gehad. Ik zal opnieuw de vraag bij ze inbrengen op welke wijze ze daarbij ondersteuning nodig hebben, maar dat is gewoon de wijze waarop we deze afspraken hebben gemaakt. Ik ontraad deze motie dus en ik zal doorgaan met het uitvoeren van de gemaakte afspraken, zoals die in het servicedocument zijn verwoord.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 221 wordt ontraden. Mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Ik heb niet de indruk dat de minister en ik hier wezenlijk anders over denken. Ik noemde namelijk net ook al in mijn bijdrage: je kunt niet van docenten verwachten dat ze in deze tijd lesgeven aan een klas en tegelijkertijd ook nog op een goede manier afstandsonderwijs geven. Dat vraagt vaak meer dan alleen maar even een laptopje in de klas neerzetten. Tegelijkertijd zie ik dat er heel veel goede initiatieven zijn ontstaan, waardoor het voor sommige kinderen wel goed mogelijk is om afstandsonderwijs te volgen, en voor sommige kinderen niet. Het hangt er vaak van af of de ouders het kunnen betalen of naar welke school het kind gaat. Ik zoek er nu naar hoe we kunnen zorgen dat deze kinderen, die thuiszitten omdat ze bijvoorbeeld vanwege een zwakke gezondheid niet naar school kunnen ... Hoe kunnen we garanderen dat het niet afhangt van wat hun ouders verdienen of waar ze naar school gaan, maar dat we voor al die kinderen een gelijke basis hebben?
Minister Slob:
Dat betekent dat we de scholen daarin moeten ondersteunen. We hebben daarvoor overigens nog heel veel materiaal van voor de zomer liggen. We hebben natuurlijk direct toen het coronavirus uitbrak en de ellende in maart begon, daarvoor ook heel veel ontwikkeld. Dat is onder andere door het SLO gedaan. Er is veel materiaal beschikbaar. Kijk maar naar www.weeropschool.nl, waar u heel veel kunt terugvinden. Dat kan nu ook weer worden ingezet. We moeten scholen dus ook weer attenderen op het landelijk ontwikkeld materiaal dat er ligt en dat gebruikt kan worden. Wat ik u kan toezeggen, en waarover ik u zal informeren als we daarover meer informatie kunnen geven, is dat ik het volgende nog een keer extra zal navragen. Ik heb het hier over het brede onderwijsveld; de schoolleiders en de bestuurders, maar ook de docenten en de leerlingen. Zijn er concrete hulpvragen met betrekking tot de ondersteuning, doordat hetgeen er nu is misschien tekortschiet? We hebben dat doel met elkaar samen. We willen dat alle kinderen de doorlopende leerlijn kunnen vervolgen. Het zou kunnen dat er eventueel iets uitvalt doordat ze ziek zijn of thuiszitten. Je kunt natuurlijk nooit helemaal garanderen dat alles onverkort doorloopt, maar wel dat we weer de verbindingen maken, ook als de leerlingen thuiszitten en we onderwijs op afstand organiseren.
De voorzitter:
Wanneer zou u de Kamer daarover kunnen informeren?
Minister Slob:
Laten we afspreken dat als ik mijn overleg met het brede onderwijsveld weer heb gehad, ik zorg dat de uitkomsten met de Kamer worden gecommuniceerd. We hebben volgende week alweer overleg met hen. Volgende week is natuurlijk een beetje een aparte week voor de Kamer en het kabinet. Als ik zeg "zo snel als mogelijk", dan is dat geen dooddoener, zoals weleens wordt opgevat als dergelijke woorden in de mond worden genomen.
De voorzitter:
Misschien wil mevrouw Westerveld haar motie dan wel aanhouden.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Nog niet, voorzitter. Ik ben blij met wat de minister nu zegt, maar ik ben wel op zoek naar nog een stapje verder. Het is inderdaad zo dat je scholen niet aan het onmogelijke kunt houden, maar ik vind het wel een taak van ons allemaal, en dus ook van de overheid. Er ligt namelijk een extra verantwoordelijk bij ons allemaal voor een kind dat niet naar school kan en ook geen onderwijs kan volgen, omdat de school daar om de een of andere reden niet toe in staat is. Daar zoek ik naar. Kunnen we op de een of andere manier wel garanderen dat deze leerlingen een alternatief geboden wordt als de eigen school dat niet kan? Ik kreeg laatst de suggestie of er niet tijdelijk een landelijke onlineschool kan komen voor deze kinderen. Daar zoek ik dus naar.
Minister Slob:
Dat is helder. Als scholen het niet aankunnen dan zijn er de helpdesks, zowel voor scholen in het primair als in het voortgezet onderwijs. Dat zijn bij wijze van spreken de hulplijnen. Als men doorheeft dat men niet kan voldoen aan datgene wat men graag zou doen en eigenlijk ook zou moeten doen, dan moet men wel een hulpvraag stellen. Dan is er veel mogelijk, ook in de vorm van ondersteuning. De inspectie houdt het ook in de gaten, want de inspectie beseft ook heel goed dat deze tijd sowieso heel kwetsbaar is voor het halen van de onderwijstijd. Maar ook de kinderen die in een kansenongelijke situatie zitten, zijn kwetsbaar. Hun problemen kunnen namelijk best nog wel eens groter worden. De antennes staan echt allemaal volledig uit. Mocht ik u meer kunnen melden, ook naar aanleiding van mijn navraag, dan zal ik dat ook doen.
De motie van mevrouw Van den Hul op stuk nr. 222 heb ik eigenlijk gelijk met de motie van de heer Kwint over registratie van een oordeel voorzien. Ik ontraad deze motie, maar ik heb u aangeven dat dit zowel in het p.o. als in het vo voor ons een belangrijk onderwerp is. Met name rond het vo is het lastiger, maar we proberen maximaal om die informatie binnen te krijgen. In de periode voor de zomer hebben we ook een paar externe onderzoeken ingesteld om heel gericht te kijken naar de situatie en dan met name naar kinderen in kansarme situaties. Uiteraard zijn we nu voor deze periode aan het kijken op welke wijze we op die manier informatie tot ons kunnen krijgen, want het onderwerp dat u hier aanstipt, de kansenongelijkheid niet vergroten, dat ... U weet dat mijn hart dan op dezelfde plek klopt als dat van u, waarschijnlijk zelfs ook letterlijk als het gaat om waar dat in ons lichaam gesitueerd is. Maar het geldt ook voor de warmte voor dit onderwerp.
De voorzitter:
Ik vond dit eigenlijk wel een mooie afsluiting, maar er is in ieder geval nog een vraag van mevrouw Van den Hul.
Mevrouw Van den Hul (PvdA):
Laten we hopen, voorzitter, dat onze harten op dezelfde plek kloppen. Ik weet dat de minister dit onderwerp ook belangrijk vindt.
We hebben hierover al eerder van gedachten gewisseld, juist om te kunnen beoordelen of de huidige inzet en de financiële middelen die daartoe beschikbaar zijn gesteld, voldoende zijn. Daarom is het voor ons heel belangrijk om in het verlengde van de motie-Van den Hul/Westerveld, waarin gevraagd wordt om dat in kaart te brengen, een beetje een tijdpad te hebben. Wanneer denkt de minister ons juist op het punt van die kansenongelijkheid te kunnen informeren? Dat is belangrijk om te weten of we daar bijvoorbeeld in de richting van de begroting actie op moeten ondernemen. Vandaar mijn vraag.
Minister Slob:
Voorzitter. Dat is een mooi bruggetje naar een vraag van de heer Beertema. Hij stelde vorige week een vraag over de 56 miljoen. Dat is, denk ik, toch een eigen berekening van hem geweest. Kijk, wij hebben geld beschikbaar gesteld voor het wegwerken van achterstanden. Dat was overigens breed, want het ging zelfs om zo'n 500 miljoen. Maar voor het funderend onderwijs was er ook een x-bedrag. Dat wordt in twee tranches uitgekeerd. Wij weten pas precies of er onderuitputting is wanneer de tweede tranche afgelopen is. Dat is 18 september, want op die datum hebben we die informatie. Dan weten we ook of het misschien zo'n bedrag is als u noemde. Misschien is het ook wel meer of minder, maar dat weten we dan. Dan weten we ook — ik kijk vooruit, want corona blijft nog wel even onder ons — welke nieuwe opgaven er mogelijkerwijs op ons afkomen. Daar zullen we dan ook gericht naar gaan kijken, want wij vinden het inderdaad heel erg belangrijk dat kinderen zo veel mogelijk ondersteund worden, ook in deze moeilijke tijd, en dat achterstanden niet groter worden. Liever zien we natuurlijk dat ze verder verkleind worden. Van de besteding van deze middelen houd ik u op de hoogte, maar dat spreekt voor zich.
Ik weet dat sommigen van u, ook in het kader van de eerste motie, bijzondere belangstelling voor dergelijke bedragen hebben. Ik hoop zelf dat het ook echt op de plek terechtkomt waar het terecht hoort te komen: het wegwerken van achterstanden en de ondersteuning van scholen. Er zijn de afgelopen maanden prachtige dingen gebeurd, maar het zou mooi zijn als dat verder doorgezet kan worden, dit kalenderjaar uit en het volgende kalenderjaar door.
De voorzitter:
Mevrouw Van den Hul, afrondend.
Mevrouw Van den Hul (PvdA):
Afrondend, voorzitter. Goed om te horen dat we binnenkort inzicht krijgen in de beschikbaarheid van de middelen, maar mijn vraag ging juist om de noden. De minister gaf net in zijn beantwoording aan dat hij nu aan het monitoren is en met de sector in gesprek is over de achterstanden, en dat hij daar de vinger in de pols ... Aan de pols houdt. Niet in de pols; laten we dat niet doen. Sorry.
Minister Slob:
Ik probeer me er iets bij voor te stellen.
Mevrouw Van den Hul (PvdA):
Laten we dat niet doen. Mijn vraag is: kan de minister een indicatie geven wanneer er een eerste tussenstand te meten is van de toenemende kansenongelijkheid? De minister zei: daar kijken we naar. Wanneer denkt u?
De voorzitter:
Een vraag naar de planning.
Minister Slob:
De motie bestond uit twee onderdelen. Ik heb aangegeven hoe we omgaan met lesuitval, ook in de richting van de heer Kwint naar aanleiding van zijn motie. Wat betreft het monitoren van het achterstanden: ik ga me niet vastpinnen op een moment. Dat is echt iets wat we continu met elkaar in de gaten houden. Ik zal kijken of ik u kan informeren of er vaste momenten zijn waarop we met tussenstanden kunnen komen. Dat zal ik u dan ook laten weten.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 222 wordt ontraden.
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van deze beraadslaging.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Stemmen over de ingediende moties vindt plaats op 17 september, op de donderdag deze keer. Ik dank de minister. Ik dank de Kamerleden en de kijkers thuis.
De vergadering wordt van 16.56 uur tot 19.00 uur geschorst.
Voorzitter: Van der Lee