Stenogram : Behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Leegstandwet in verband met de verruiming van de mogelijkheden voor tijdelijke verhuur bij leegstand van woningen ( 33 436 )
4 Tijdelijke verhuur bij leegstand
Aan de orde is de behandeling van:
-
het wetsvoorstel Wijziging van de Leegstandwet in verband met de verruiming van de
mogelijkheden voor tijdelijke verhuur bij leegstand van woningen (
33 436
).
De
voorzitter:
Ik heet de minister hartelijk welkom. Van de zijde van de Kamer hebben zich zes sprekers
ingeschreven. De heer Monasch komt wellicht later. De eerste spreker is de heer Paulus
Jansen. Tot mijn grote vreugde heeft hij zijn spreektijd zojuist ingekort tot tien
minuten.
De algemene beraadslaging wordt geopend.
De heer
Paulus Jansen (SP):
Voorzitter. De standaardcontractvorm voor de huur van woonruimte is in Nederland het
contract voor onbepaalde duur. Voor die contractvorm is niet zomaar gekozen. Het geluk
van mensen is in hoge mate verbonden aan de buurt waarin zij wonen en de contacten
die zij daar hebben. Met een contract voor bepaalde duur zou men periodiek het risico
lopen dat de huur beëindigd wordt en men moet verkassen. Ook is in gebieden met een
overspannen woningmarkt – die definitie is nog steeds van toepassing op flinke delen
van Nederland – de positie van de huurder ten opzichte van die van de verhuurder zonder
wettelijke bescherming zwak. Op een sociale huurwoning in een aantrekkelijke buurt
komen in mijn woonplaats Utrecht heel veel belangstellenden af. Dan geldt dus: voor
jou honderd anderen. Voor een uitzondering op het contract voor onbepaalde duur moeten
goede argumenten worden aangedragen. Een woning in een complex dat binnenkort gesloopt
of gerenoveerd wordt, kan een tijdelijk huurcontract rechtvaardigen mits die situatie
niet langer duurt dan noodzakelijk is uit het oogpunt van een goede planvoorbereiding.
Bij dat laatste punt is in dit wetsvoorstel een vraagteken te zetten. Ik kom daar
straks nog op terug.
Een andere naar de mening van de SP-fractie gerechtvaardigde bijzondere contractvorm
is het campuscontract voor studentenwoningen, al zou de overgangsperiode na het beëindigen
van de studie voor ons nog wel wat langer mogen duren. Ten slotte kan mijn fractie
instemmen met het gebruik van tijdelijke huurcontracten door eigen woningbezitters
die op niet-commerciële basis hun oude woning willen verhuren in afwachting van verkoop.
Ook het verlengen van tijdelijke verhuur van panden zonder woonbestemming naar tien
jaar is naar de mening van mijn fractie acceptabel. Om deze panden geschikt te maken
voor tijdelijke bewoning moeten vaak substantiële investeringen gedaan worden die
in vijf jaar niet zijn terug te verdienen. Ook is een positief punt dat hiermee, zij
het tijdelijk, extra woonruimte gecreëerd kan worden voor een doelgroep die toch al
tamelijk mobiel is en waarvoor het tijdelijk huurcontract minder knelt.
Daarmee kom ik op een aantal kritische kanttekeningen bij het wetsvoorstel die de
SP-fractie geïnspireerd hebben tot een aantal amendementen. Allereerst zou er naar
de mening van mijn fractie tegenover een tijdelijk huurcontract een lagere maximumhuur
moeten staan. De motivatie hiervoor is tweeledig. Ten eerste: voor wat, hoort wat.
Bij een tijdelijk contract is de rechtsbescherming slechter en moeten de verhuizings-
en inrichtingskosten van de huurder over een korte periode worden afgeschreven. Ten
tweede: een lager huurplafond voorkomt dat verhuurders het tijdelijk huurcontract
met schijnargumenten, gebaseerd op de wettelijke bepalingen, vaker gaan gebruiken
dan strikt noodzakelijk is. De SP-fractie constateert dat deze trend al een aantal
jaren bezig is, zeker omdat gemeenten soepel – in een aantal gevallen te soepel –
zijn met het afgeven van vergunningen daarvoor. Met het amendement op stuk nr. 7 wordt
dat lagere huurmaximum geregeld. Daarbij wordt een relatie gelegd tussen de contractduur
en de hoogte van de korting. Ik pak nog even het amendement erbij. Daarin staat dat
bij een overeengekomen looptijd van langer dan vijf jaar de huurprijs ten hoogste
90% van het wettelijk maximum wordt, bij een looptijd van tussen de twee en vijf jaar
80% en bij korter dan twee jaar ten hoogste 70%.
In de wetenschap dat voor woningcorporaties de gemiddelde huur als percentage van
het wettelijk maximum nu ongeveer 7 is, lijkt ons dit een heel redelijk plafond.
In het wetsvoorstel wordt de maximumtermijn van tijdelijke verhuur bij sloop of renovatie
verlengd tot zeven jaar. De recente praktijk van sloop- en renovatiepraktijken laat
zien dat, bij een goede planvoorbereiding en procesorganisatie, niet meer dan drie
jaar hoeft te liggen tussen het moment waarop het sloop- of renovatiebesluit wordt
genomen en het moment waarop het sloop- of renovatieproces start. Die periode is nodig
om de oorspronkelijke huurders naar een nieuwe of tijdelijke woning te laten verhuizen.
Het amendement laat verhuurders twee jaar speling om tegenvallers in de planning op
te vangen. Nog meer speling is onwenselijk, omdat dat een beloning zou zijn voor slecht
gedrag. Uit het oogpunt van leefbaarheid moet de tijd tussen een sloop- of renovatiebesluit
en de start van sloop of renovatie zo kort mogelijk zijn. Verhuurders dienen dit proces
efficiënt te organiseren om de aantasting van het woongenot van hun huurders zo beperkt
mogelijk te houden. De woningen worden immers vaak niet voor niets gesloopt. Niet
voor niets krijgen de vaste huurders een verhuisvergoeding en een alternatieve woning
aangeboden. De tijdelijke huurders die voor hen in de plaats zijn gekomen, kun je
niet te lang in een slechte woning, waar renovatie of sloop in aantocht is, laten
wonen. Met mijn amendement op stuk nr. 8 beperk ik de duur van tijdelijke verhuur
wegens aanstaande sloop of renovatie tot maximaal vijf jaar. Wel wordt het mogelijk
om direct een vergunning voor deze periode van vijf jaar te verlenen.
Tijdelijke verhuur in afwachting van sloop of renovatie raakt de belangen van overige
huurders in een wooncomplex en directe omwonenden. Om deze reden is het van belang
dat een aanvraag voor tijdelijke verhuur bij hen bekend is en tevens dat zij in de
gelegenheid worden gesteld om hun zienswijze te geven eer burgemeester en wethouders
een besluit nemen over de aanvraag. Met mijn amendement op stuk nr. 9 worden de bekendmaking
en de zienswijzeprocedure geregeld, waarbij aansluiting is gezocht bij de gebruikelijke
termijnen uit het omgevingsrecht.
In het wetsvoorstel kunnen gemeenten uitsluitend nadere eisen stellen bij een vergunning
voor tijdelijke verhuur van woonruimte in gebouwen, niet zijnde woonruimte, en woonruimte
in huurwoningen in afwachting van sloop of renovatie. Met het amendement op stuk nr.
11 worden de mogelijkheden voor nadere regels verruimd. De praktijk van de stadsvernieuwing
laat zien dat lokaal maatwerk nodig kan zijn om de leefbaarheid tijdens een transformatieproces
op peil te houden. Ter borging van de rechtszekerheid van de verhuurders wordt in
het amendement op stuk nr. 11 ook geregeld dat de nadere regels moeten zijn gedefinieerd
bij verordening, vastgesteld door de gemeenteraad. Op deze wijze wordt willekeur bij
het stellen van nadere regels uitgesloten. Niet alleen groepen die zelf zeer mobiel
zijn, komen terecht in huurwoningen met een tijdelijk contract. Het zijn steeds vaker
noodhuurders, die snel een huis nodig hebben wegens bijvoorbeeld echtscheiding. Onderschrijft
de minister dat het bij vrouwen met kinderen absoluut onacceptabel is dat ze na de
afloopdatum van een tijdelijk contract op straat komen te staan? Waarom wordt in dit
wetsvoorstel dan niet geregeld dat zij in dergelijke gevallen, behoudens wanprestatie,
recht hebben op een vervangende woning? De Woonbond heeft naar onze mening terecht
gewezen op de wenselijkheid om huurders van te koop staande woningen van particulieren
huurprijsbescherming te geven op basis van het woningwaarderingsysteem. Waarom heeft
de minister daar niet voor gekozen?
Tijdelijke verhuur is een constructie die terughoudend moet worden toegepast en uitsluitend
aan de orde is in bijzondere situaties: sloop, renovatie, verkoop en dergelijke. Het
is daarom belangrijk dat de Kamer zicht houdt op de ontwikkeling van dit fenomeen,
zodat zij kan vaststellen of het middel van de tijdelijke verhuur proportioneel wordt
ingezet. Daarbij dienen de volgende aspecten aan de orde te komen: verdeling naar
looptijd; aantal gevallen waarin vergunningen verlengd worden; onderverdeling naar
regio; onderverdeling naar motief, dus sloop, renovatie of verkoop; onderverdeling
naar type verhuurder, dus toegelaten instelling, commerciële verhuurder of eigenaar-bewoner,
en aard van de tijdelijke huurvorm.
De
voorzitter:
Ik had aangekondigd dat de heer Monasch wellicht iets te laat zou zijn, maar hij is
toch op tijd. Ik geef hem het woord voor een interruptie.
De heer
Monasch (PvdA):
Voorzitter, het fileprobleem en het aantal ongelukken is nog steeds groot in Nederland.
Ik heb een vraag aan collega Jansen. Ik vind zijn punt sympathiek, zeker als hij het
uitsplitst naar alleenstaande moeders met kinderen die in een tijdelijke huurwoning/sloopwoning
zitten. Hij wil ze voorrang geven of garanderen dat ze nieuwe huisvesting krijgen.
Hoe sympathiek die gedachte ook is, gaat hij dan niet voorbij aan twee dingen? A)
Men wist dat het om tijdelijke verhuur ging en heeft daar bij vol bewustzijn voor
getekend. B) Krijg je zo niet een soort omzeiling van de wachtlijst? Wachtlijsten
zijn soms lang. Daar proberen wij alles aan te doen, maar ze blijven nog wel even
lang. Je kunt een jaar in zo'n sloopwoning hebben gezeten, die wordt gesloopt en vervolgens
maak je een heel korte inhaalslag en passeer je allerlei mensen die al zes, zeven
jaar zitten te wachten op een woning. Hoe kijkt de heer Jansen daartegen aan?
De heer
Paulus Jansen (SP):
De heer Monasch heeft gelijk dat er altijd strategisch gedrag op de loer ligt. De
U-bochtconstructie om via een tijdelijk huurcontract in de reguliere voorraad in te
stromen is een punt waar wij goed op moeten letten. Ik ben ook niet voor voorkruipen,
ook niet via U-bochten, maar ik heb niet voor niks het voorbeeld van die gescheiden
moeder met kinderen genoemd. Die kom ik tegenwoordig steeds vaker tegen in woningen
met tijdelijke huurcontracten. Sterker nog, ik kom ze tegen in woningen met gebruikscontracten.
Dat is dus in wezen antikraak. Ik ben een tijd geleden op bezoek geweest in Drachten,
in de buurt van waar de heer Monasch woont. Daar zaten vier vrouwen met kinderen in
woningen met een gebruikscontract die de maandag daarop ontruimd zouden worden. Zij
moesten voor de derde keer in twee jaar tijd verhuizen. In dit geval naar een locatie
50 km verderop. Dat is voor die kinderen, die op school zitten, altijd een crime,
voor die moeders trouwens ook. Kortom, gelet op het belang van die gezinnen en het
feit dat dit absoluut de primaire doelgroep is van de woningcorporatie – daar werden
overigens corporatiewoningen voor gebruikt – moet daar echt iets voor geregeld worden.
Ik heb overigens de neiging om te zeggen: het is beter om bij deze groep helemaal
geen tijdelijk contract toe te passen.
De heer
Monasch (PvdA):
Het sociale hart klopt op de goede plek. Dat geldt voor ons ook, maar dan blijft toch
het punt staan dat je eigenlijk een nieuwe vorm van urgenten aanwijst. Als je logisch
doortrekt wat de heer Jansen zegt en je aan die voorwaarden voldoet, dan ben je kennelijk
urgent. Hij bestempelt deze groep dus eigenlijk tot urgent en misschien klopt dat
sociaal gezien ook wel. Nu vindt iedereen zichzelf urgent en dit is zeker een moeilijke
groep. Maar vindt de heer Jansen het niet verstandiger om met een voorstel te komen
– wij zullen daar serieus over nadenken – en het via die weg goed te regelen in plaats
van via deze U-bocht zulke voorrechten te creëren voor bepaalde groepen?
De heer
Paulus Jansen (SP):
Ik was in mijn tekst net toe aan de monitoring. Wie zit er eigenlijk in die tijdelijke
huurwoningen? Hoe vaak komt dat voor? Het is de moeite waard om te bekijken hoe het
fenomeen zich ontwikkelt. Op grond van mijn eigen observatie is mijn indruk dat een
steeds groter deel van de populatie van woningen met een tijdelijk huurcontract niet
de vrijwilligers zijn, zoals studenten die het wel lekker vinden om twee jaar goedkoper
ergens te zitten, maar mensen die geen kant op kunnen. Dat vind ik een zorgelijke
ontwikkeling.
De
voorzitter:
Helder. Zullen wij naar uw tekst teruggaan?
De heer
Paulus Jansen (SP):
Voorzitter. Het is belangrijk dat de Kamer zicht houdt op de ontwikkeling van het
fenomeen, zodat zij kan vaststellen of het middel van de tijdelijke verhuur proportioneel
wordt ingezet. Bij zo'n monitoring zouden de volgende aspecten aan de orde moeten
komen: verdeling naar looptijd, aantal gevallen waarin vergunningen verlengd worden,
onderverdeling naar regio, onderverdeling naar motief, onderverdeling naar type verhuurder
en aard van de tijdelijke huurvorm. Ik bepleit om dat niet alleen te doen voor tijdelijke
huurcontracten maar ook voor gebruikscontracten, de antikraakovereenkomsten. Dat fenomeen
neemt in corporatieland namelijk hand over hand toe, zeker in de grote steden. Ook
op dat punt is waakzaamheid geboden. Ik krijg graag de toezegging van de minister
dat hij een vorm van monitoring wil invoeren voor de ontwikkeling van tijdelijke verhuur
en antikraak. Over de vorm en frequentie kunnen we het nog hebben. Zo nodig overweeg
ik een motie op dit punt in te dienen.
Tot slot vraag ik de minister waarom er geen overleg is geweest met de vertegenwoordigers
van de huurders bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel. De minister schrijft dat
de voorgestelde wijzigingen tegemoetkomen aan de door corporaties, gemeenten en andere
partijen ervaren knelpunten.
Ik heb proberen aan te geven dat er aan de kant van de huurders ook knelpunten zijn
bij tijdelijke huur. Het zou goed zijn als de minister dat onderkent. Ik verwacht
dan ook een positief oordeel over mijn amendementen op dit punt.
Ik vat mijn betoog samen. Het wetsvoorstel bevat enkele elementen die de SP-fractie
kan ondersteunen, maar moet op een aantal onderdelen ook nog duidelijk verbeterd worden.
Wij zullen ons oordeel laten afhangen van het aannemen of verwerpen van de door ons
ingediende amendementen en de eventuele toezeggingen van de minister.
Mevrouw
Voortman (GroenLinks):
Voorzitter. Het is een grote nachtmerrie voor veel huizenbezitters: zij hebben een
nieuw huis gekocht, maar raken hun oude huis aan de straatstenen niet kwijt. Dubbele
woonlasten leiden tot grote geld- en kopzorgen. Veel mensen zitten nu in dit schuitje.
De economische crisis maakt mensen koopschuw. In sommige gevallen kan een huizenbezitter
zijn nieuwe of te renoveren huis nog niet in, omdat de oplevering langer op zich laat
wachten door de crisis in de bouwsector. Een coulanter beleid voor tijdelijke verhuur
kan een oplossing zijn, zolang de woningmarkt op slot zit. Huizenbezitters krijgen
dan niet een duur, maar leegstand pand in hun maag. Dit pand komt vrij voor wie op
zoek is naar een huurwoning.
Toch moeten wij ook niet te veel verwachten van deze maatregel. Het is een doekje
voor het bloeden en geen maatregel waarmee de woningmarkt weer helemaal gezond wordt.
Deze wetswijziging zie ik dan ook als een goede crisismaatregel. Als de economie weer
aantrekt, zal ook de woningmarkt weer aantrekken. Het is dan juist zaak dat huizenbezitters
alles in het werk stellen om hun leegstaande pand te verkopen of te verhuren via reguliere
verhuur. Ik heb daarom mijn bedenkingen bij de noodzaak van deze maatregel voor de
langere termijn. Mijn eerste vraag aan de minister is of hij deze maatregel als een
noodoplossing ziet. Is de minister het met mij eens dat eigenaren in normale omstandigheden
hun leegstaande woning wel zouden kunnen verkopen of verhuren via het reguliere circuit?
Ik heb twee amendementen ingediend die van deze wetswijziging een crisismaatregel
maken. Het eerste amendement zorgt voor een evaluatiemoment binnen vier jaar. In het
tweede amendement staat een horizonbepaling over uiterlijk vijf jaar. Mocht nu uit
de evaluatie blijken dat het helemaal naar wens uitpakt en de crisis nog steeds aanhoudt,
dan kan de horizonbepaling altijd ongedaan worden gemaakt.
Ik zie wel wat haken en ogen aan de nu voorgestelde wijzigingen. Die zitten vooral
aan de zijde van de huurders. Het goede van de wetswijziging is dat meer leegstaande
panden vrijkomen voor verhuur. Wie op zoek is naar een woning, staat erom te springen.
Omdat er zo veel mensen staan te springen om een woning, is de verleiding echter groot
om het pand in slechte staat voor een veel te hoge prijs aan te bieden. Het geloof
in de werking van de markt is hier erg groot. Enige regulering en controle zijn gewenst
voor een markt die zo verstoord is als de woningmarkt. Dit moet wat mijn fractie op
vier punten plaatsvinden.
Een daarvan is het vergunningensysteem. De minister ziet de gemeente als een vergunningenloket.
Als aan de genoemde voorwaarden wordt voldaan, mag een vergunning niet worden geweigerd.
De discretionaire bevoegdheid vervalt dan dus. Dit gaat voorbij aan het feit dat de
lokale overheid ook verantwoordelijk is voor de veiligheid en leefbaarheid in haar
gemeente. In het verslag zie ik dat de Partij van de Arbeid deze zorgen deelt. Zij
vraagt zich met mij af waarom lokale overheden geen extra voorwaarden aan tijdelijke
verhuur mogen stellen. Dat is een heel terecht punt, aangezien je er als gemeente
voor wilt waken dat huisjesmelkers en champignontelers hun kans ruiken. Is de minister
bereid om met de VNG rond de tafel te gaan zitten om te komen tot extra voorwaarden
die wel mogen worden gesteld aan eigenaren, verhuurders van tijdelijk leegstaande
panden?
Verder is er de huurmaximalisatie.
De heer
Paulus Jansen (SP):
Ik heb gisteravond laat een amendement ingediend op stuk nr. 11. Middels dat amendement
probeer ik dit te regelen. Mag ik ervan uitgaan dat de fractie van GroenLinks dat
amendement sympathiek bejegent?
Mevrouw
Voortman (GroenLinks):
Als het hetzelfde amendement is, natuurlijk, ja.
De heer
Paulus Jansen (SP):
Het idee is dat de gemeenteraad nadere regels kan stellen aan tijdelijke verhuur.
Mevrouw
Voortman (GroenLinks):
Ik moet heel eerlijk zeggen dat ik nog niet alle amendementen heb kunnen bekijken.
Dit klinkt inderdaad heel erg sympathiek.
De
voorzitter:
Dat is helder. Mevrouw Voortman, continueert u uw betoog?
Mevrouw
Voortman (GroenLinks):
Wij denken dat het ten aanzien van de huren een tikje naïef is om te veronderstellen
dat een eigenaar zijn woning nooit voor een onredelijke prijs in de verhuur zet, omdat
hij snel van zijn dubbele lasten af wil. Waar schaarste is, kan binnen no time een
huurder zijn gevonden die een torenhoge prijs wil betalen. Eigenlijk zou je naar een
systeem toe willen waarin de gevraagde prijs zo hoog is als de hypotheek. Zou de minister
iets in deze oplossingsrichting zien, waarbij de huur gemaximaliseerd wordt op basis
van de hypotheeklasten?
De huurbescherming wordt ook losgelaten. Er komt een opzegtermijn van drie maanden.
Daar kan ik mij op zich wel een voorstelling bij maken, want het is niet de bedoeling
dat iemand zijn woning niet kan verkopen omdat er huurders in zitten, maar ik begrijp
niet dat tijdelijke huurders geen beroep bij de huurcommissie mogen doen in geval
van geschillen. Binnen de vrije sector is het wel mogelijk om binnen de eerste zes
maanden een toetsing van de huurovereenkomst aan te vragen bij de huurcommissie. Het
kan zijn dat de huurcommissie dan een maximale verhuurprijs vaststelt die onder de
liberalisatiegrens ligt. In dat geval is de huurwoning dus niet meer geliberaliseerd.
Kan de minister uitleggen waarom deze mogelijkheid niet van toepassing is bij tijdelijke
verhuur, maar wel in de vrije sector?
Tot slot het onderhoud. Huurders zijn straks ook de dupe als het aankomt op onderhoud.
Over het algemeen zijn alleen kleine reparaties voor rekening van de huurder. Bij
groot onderhoud komen ze voor rekening van de verhuurder. Juist in tijdelijk leegstaande
panden kan de staat van een woning penibel zijn. Het gaat immers ook over panden die
wachten om te worden gerenoveerd. Wanneer daaraan iets ontbreekt, is het echt onrechtvaardig
om dat op het conto van de huurder te schrijven. Hoe kijkt de minister aan tegen de
onderhoudsverantwoordelijkheid?
Ik sta al met al sympathiek tegenover het idee dat leegstaande panden met een beroep
op de Leegstandwet makkelijker kunnen worden verhuurd op tijdelijke basis, maar ik
zie dit wel echt als een crisismaatregel. Als de stagnatie uit de woningmarkt is verdwenen,
moeten eigenaren hun leegstaande panden gewoon zien te verkopen of verhuren in het
reguliere circuit. Bovendien moeten leefbaarheid en veiligheid vooropstaan. Gemeenten
moeten ruimte hebben om huisjesmelkers en andere onzalige praktijken te weren. Voorkomen
moet worden dat wanhopige huurders zijn aangewezen op panden die niet voor niks leegstaan.
De heer
Paulus Jansen (SP):
Mevrouw Voortman legt sterk de nadruk op de situatie van tijdelijke verhuur bij de
verkoop van particuliere woningen. Dat is ook een belangrijk element van dit wetsvoorstel,
maar er worden in dit voorstel ook wat andere dingen geregeld, bijvoorbeeld het oprekken
tot zeven jaar van tijdelijke verhuur in afwachting van sloop of renovatie. Ziet de
GroenLinks-fractie ook de keerzijde van een toenemende trend dat woningcorporaties
in de grote steden die periode steeds verder oprekken? Vindt zij dat ook een sluipende
aantasting van de rechtsbescherming van een betrekkelijk grote groep huurders?
Mevrouw
Voortman (GroenLinks):
Omdat dit ertoe zou leiden dat huurders langer in die tijdelijke situatie zitten?
Dat zou op zich wel kunnen, maar aan de andere kant willen huurders ook een dak boven
hun hoofd hebben. Het is dus continu zoeken naar die balans.
De heer
Paulus Jansen (SP):
Zou het niet redelijk zijn als wij zeggen dat verhuurders zich maximaal moeten inspannen
om de periode tussen het sloop- of renovatiebesluit en het moment waarop zij beginnen,
zo kort mogelijk te houden? Daarbij lijkt vijf jaar de SP-fractie meer dan voldoende.
Wij vinden dit beter dan de termijn steeds verder oprekken.
Mevrouw
Voortman (GroenLinks):
Wij willen inderdaad niet dat verhuurders misbruik gaan maken van de mogelijkheden
die deze wet gaat bieden. Dat ben ik met de heer Jansen eens.
De heer
Verhoeven (D66):
Mevrouw Voortman heeft de benadering gekozen dat dit in een crisis heel goed is. Zij
benadert het onderwerp alsof het voor de verhuurders heel goed is en alsof huurders
zijn aangewezen op tijdelijke, eigenlijk niet voor hen bedoelde woningen, maar ziet
zij ook het mogelijke voordeel voor huurders? Het kan voor huurders ook heel voordelig
zijn om van deze woningen of kantoren gebruik te maken.
Mevrouw
Voortman (GroenLinks):
Ik heb in mijn verhaal aangegeven dat dit ook voordelig kan zijn voor huurders en
mensen die op zoek zijn naar woning.
De heer
Verhoeven (D66):
Maar waarom zou het na de crisis dan niet gewoon kunnen doorgaan? Dan zijn er op lokaal
niveau ook nog steeds mensen die zoeken naar een woning. Waarom zou het dan opeens
via het reguliere circuit moeten?
Mevrouw
Voortman (GroenLinks):
Omdat je dan van pandeigenaren mag verwachten dat ze hun pand verkopen. Mensen kunnen
hun pand nu niet verkopen of op de reguliere markt verhuren. Daarvoor is deze maatregel
nodig. Als het wel kan, heb ik liever dat pandeigenaren het op de gewone manier doen.
De heer
Monasch (PvdA):
Voorzitter. Tja, als iedereen voor twintig minuten inschrijft, denk je misschien dat
er grote dingen gaan gebeuren. Dus laat ik voor de zekerheid maar …
Dank aan de minister voor de reactie op de schriftelijke inbreng. Ik kan mij voor
een groot deel aansluiten bij de teneur in de betogen van de collega's voor mij. Aan
de ene kant is het een afweging van rechtsbescherming en het te lang in stand willen
houden van tijdelijke situaties en aan de andere kant is voor iedereen duidelijk zichtbaar
dat er te veel woningen te koop staan en dat leegstand daarvan niet wenselijk is.
Als woningen die op de nominatie staan om gesloopt te worden, bijvoorbeeld galerijflats,
te lang leeg staan, bergt dat vaak het gevaar in zich van verloedering van een buurt.
Het leidt tot onzekerheid bij bewoners. De wisseling van bewoners wordt steeds groter
en dat kan in delen van buurten tot ontwrichting leiden. De voorbeelden daarvan zijn
aan te wijzen. Voor de PvdA-fractie is dit een belangrijk afwegingskader bij de behandeling
van dit wetsvoorstel.
Wij hebben een kritische insteek gekozen bij de voorbereiding. Daarop zijn vragen
gekomen. Ik zeg in alle eerlijkheid dat onze verdere afweging van het wetsvoorstel
en de amendementen sterk zal afhangen van de beantwoording door de minister. Evenals
een collega voor mij, merk ik op dat ik ook vanwege het tijdstip van indiening tot
op heden nog niet alle amendementen heb kunnen bestuderen. Het afwegingskader zal
voor velen hetzelfde zijn: aan de ene kant de vraag over de bescherming op huurgebied
de bescherming naar buurten toe en de onzekerheid dat tijdelijkheid wel erg lang kan
worden en aan de andere kant het besef van de noodzaak om leegstand zo veel mogelijk
tegen te gaan, zeker in tijden dat de wachtlijsten steeds meer groeien. Dit waren
mijn inleidende opmerkingen, voorzitter.
De
voorzitter:
Dan is er nu een inleidende vraag van de heer Verhoeven.
De heer
Verhoeven (D66):
Ik stel toch maar even de vraag, ook met het oog op de politieke consequenties van
wat de heer Monasch nu zegt. Hij acht het dus heel goed mogelijk dat de Partij van
de Arbeid tegen deze wet gaat stemmen?
De heer
Monasch (PvdA):
Goedemorgen mijnheer Verhoeven – zeg ik tegen de heer Verhoeven via u, voorzitter
– dat is wel heel boud en heel stellig op de vroege ochtend. Wij zien de noodzaak
van deze wet. Daarover mag geen twijfel bestaan. Wij zullen alleen de nadere invulling
en de amendementen die van verschillende kanten in deze Kamer worden ingediend, rustig
bekijken gedurende dit debat. Op basis daarvan maken wij onze afweging. In de afweging
of wij de mogelijkheden verder verruimen, heb ik nog een paar vragen, die ook door
de Vereniging van Nederlandse Gemeenten zijn gesteld, waarop ik graag een antwoord
van de minister krijg … Sorry, voorzitter, ik werd even afgeleid door een interessant
boek dat op uw tafel ligt.
De
voorzitter:
Dat is heel goed.
De heer
Monasch (PvdA):
Het betreft een oud-werkgever van me, maar dat zal u waarschijnlijk niet echt aanspreken.
Maar dit terzijde.
De VNG heeft erop gewezen dat zij het toch wel verstandig acht om bijvoorbeeld de
liberalisatiegrens intact te houden, zodat er enige mate van huurprijsbescherming
is. Tegelijkertijd is zij buitengewoon coulant tegenover de wet; zij geeft de wetgever
veel ruimte in dezen. Dit punt snijdt ze, als wij het stuk goed bestuderen, aan. Wij
willen daarop graag een reactie van de minister.
De banken zullen als partij goed in de gaten hebben dat met het bezit, dat voor hen
een onderpand is, als goede huisvaders en huismoeders moet worden omgegaan. In dat
verband accepteren zij ook maar een paar verhuurbureaus als bemiddelaar in dezen.
Dat heeft voor- en nadelen. Ik hoor graag een mening over beide zijden van het verhaal.
Aan de ene kant geeft het de nodige zekerheid, ook voor banken, aan de andere kant
beperkt het wel enorm de speelruimte van huurders en andere partijen die op een fatsoenlijke
manier proberen hun brood te verdienen in deze markt. Ik hoor dus graag hoe de minister
over deze inperking door de banken denkt.
Een punt van zorg is toch dat een verhuurder in de verleiding kan komen om deze extra
inkomsten gratis langs de weg mee te nemen, maar vervolgens in maart bij de belastingaangifte
te vergeten die huurinkomsten te melden. Niemand is zonder zonden, al is het CDA er
niet of een van de andere christelijke partijen, maar die neiging bestaat bij sommige
mensen. Als de banken bijvoorbeeld slechts via drie bureaus willen werken en als wij
dat acceptabel vinden, is het dan niet verstandig dat die verhuurbureaus keurig een
afschrift van die huurinkomsten aan de Belastingdienst afgeven? Wij krijgen tegenwoordig,
zeker deze week, allemaal een netjes van tevoren ingevuld formulier met allerlei gegevens.
Als er met een paar gecertificeerde bureaus wordt gewerkt, is het dan niet verstandig
dat die bureaus een afschriftje geven aan de Belastingdienst van wat er door deze
of gene is bijverdiend aan huurinkomsten? Wij vragen het in andere dossiers ook weleens.
Wij steunen het verzoek zeer om te bekijken of wij deze wet niet moeten monitoren
en tijdig moeten evalueren; de dingen zijn volgtijdelijk. Ik geef vervolgens aan dat
er te lang met sloop wordt gewacht. De heer Jansen wees naar een voorbeeld in Drachten,
maar er zijn ook andere voorbeelden dat sloop heel lang wordt uitgesteld, dat men
begint met het stoppen van verhuur en dat in een galerijflat van twintig verdiepingen
er nog maar drie worden verhuurd. U kunt zich voorstellen dat de leefomgeving rond
dat soort flats steeds onprettiger wordt. Wij denken, en zien er voorbeelden van,
dat monitoring en evaluatie belangrijke onderdelen zijn van deze wet, temeer omdat
er een duidelijk crisiselement in zit. Graag krijgen wij een reactie van de minister
hierop.
Mevrouw
Voortman (GroenLinks):
Ik heb het punt van evaluatie zelf ook aan de orde gesteld in mijn betoog en ik heb
daarover een amendement ingediend. Zou dat amendement kunnen rekenen op de steun van
de PvdA-fractie?
De heer
Monasch (PvdA):
Ik sloot mij juist ook aan bij de inbreng van mevrouw Voortman. Ik zal haar amendement
goed bestuderen. Ik wil altijd graag de reactie van de minister horen, maar wij denken
dat een moment van monitoring en evaluatie van belang is, zeker omdat er sprake is
van een verruiming. Wij zien allerlei voordelen, maar bijvoorbeeld samen met de fractie
van GroenLinks ook potentiële problemen. Ik sta op zichzelf positief tegenover het
amendement, maar ik wil het graag eerst bestuderen en ook de reactie van de minister
erop horen.
Mevrouw
Voortman (GroenLinks):
Dank u wel.
De heer
Monasch (PvdA):
Een van onze eerste reacties op deze wet was dat wij bezwaren zagen, zoals het gevaar
van huisjesmelkers. Woningen in particulier bezit met wat lagere prijzen zijn makkelijk
op te kopen voor huisjesmelkers en heel makkelijk uit te ponden. In Rotterdam-Zuid
heb je binnen twee jaar je aankoopbedrag al terugverdiend en dan heb je de hele woning
vrij op naam staan. Dat was een van onze eerste schrikreacties toen wij met deze voorstellen
aan de slag gingen. Wij zijn het kabinet er buitengewoon erkentelijk voor dat het
inmiddels een goed wetsvoorstel heeft ingediend, dat nu bij de Raad van State ligt,
rondom de aanpak van huisjesmelkers. Met deze wet zal worden geprobeerd om leegstand
te voorkomen. De extra voorwaarde om iets tegen dat mogelijke bezwaar te doen, wordt
nu in de wet geregeld. Dat stemt ons een stuk positiever over deze Leegstandwet.
Mevrouw
Visser (VVD):
Voorzitter. Voor ons ligt het wetsvoorstel om de huidige Leegstandwet te verruimen.
De VVD is blij dat de minister snel invulling heeft weten te geven aan de motie-De
Boer/Ortega uit 2011 waarin het kabinet toentertijd werd opgeroepen om de vergunningplicht
voor koopwoningen af te schaffen dan wel sterk te vereenvoudigen. Ook in het recentelijk
afgesloten woonakkoord staan de Leegstandwet en de vereenvoudiging daarin prominent
op de agenda. Het is heel belangrijk, juist in deze tijd, omdat het een middel is
om onnodige leegstand van woonruimte en kantoren te voorkomen.
Als je in de straten rondloopt, zie je veel bordjes met "te koop". Daarnaast staat
ruim 7 miljoen vierkante meter kantoorruimte leeg. En dat neemt alleen maar toe. Het
is van belang om dit tegen te gaan en op zoek te gaan naar mogelijkheden voor een
andere invulling. Het is een van de maatregelen om ervoor te zorgen dat de doorstroming
op de woningmarkt en de kantorenmarkt weer op gang komt. Dit wijzigingsvoorstel versoepelt
de mogelijkheden. Wij juichen deze versoepeling toe.
Het zal, gelet op de eerdere inbreng van de VVD en de aangenomen motie van haar hand,
geen verbazing wekken dat de VVD kritisch naar het wetsvoorstel heeft gekeken. Zij
heeft bezien of er meerdere mogelijkheden zijn om toch te komen tot afschaffing van
de vergunning. Wij hebben op dit punt een aantal amendementen voorgesteld. Wij zien
de mogelijkheden, met name als het gaat om de koopwoningen. Mensen die een koopwoning
willen verhuren, niet zijnde commerciële verhuurders, moeten een vergunning aanvragen
voor maximaal twee jaar. Bovendien moeten zij jaarlijks om een verlenging vragen.
Dat kost tijd, dat kost geld en het betekent heel veel bureaucratische rompslomp.
Gisteren publiceerde de Nederlandse Vereniging van Makelaars een lijst met tarieven
die de verschillende gemeenten in rekening brengen voor de vergunning. Die bedragen
zijn niet misselijk. Sommige gemeenten zien de tijdelijke verhuur van woningen als
een nieuwe melkkoe. Almere vraagt € 375 voor een vergunning, maar Rotterdam brengt
niets in rekening. Het zijn bijzondere bedragen voor mensen die eigenlijk gedwongen
worden om hun woning te verhuren. Zij bieden daarmee ruimte voor mensen die op zoek
zijn naar een woning. Onnodige leegstand wordt voorkomen.
De heer
Verhoeven (D66):
Gaat het de VVD om de rompslomp of om de per gemeente verschillende bedragen die in
rekening worden gebracht?
Mevrouw
Visser (VVD):
Het gaat om beide. Ik zal er later in mijn bijdrage op ingaan.
De
voorzitter:
Dan horen wij het zo.
De heer
Verhoeven (D66):
Mevrouw Visser noemt verschillende bedragen. Gemeenten hebben het recht om verschillende
bedragen voor vergunningen te vragen. Ik hoor graag wat de VVD vindt van de mogelijkheid
voor gemeenten om tarieven te rekenen. Dat is een van de rechten die gemeenten hebben.
Mevrouw
Visser (VVD):
Dat klopt, maar ik wijs op de publicatie van de NVM. Gemeenten mogen kostendekkende
leges in rekening brengen. Het is dan verbazingwekkend dat in de ene gemeente kostendekkendheid
400 euro impliceert en in de andere nul euro.
De heer
Paulus Jansen (SP):
Mevrouw Visser heeft een punt bij die verlenging van twee naar vijf jaar. Wij zien
er ook de meerwaarde niet van in dat iemand steeds moet terugkomen. Met haar amendement
wordt de periode sowieso verlengd van vijf naar tien jaar. Komt zij daar nog op terug?
Mevrouw
Visser (VVD):
Ja. Met ons amendement willen wij de vergunningplicht vervangen door een meldingsplicht.
Waarom willen wij dat? Als je een woning wilt verhuren onder het tijdelijke regime
van de Leegstandwet, heb je hoe dan ook toestemming nodig van de hypotheekverstrekker.
Die heeft er geen enkel belang bij dat je dat op een manier doet waardoor de waarde
van de woning daalt. De hypotheekverstrekker let er ook op dat een tijdelijke overeenkomst
wordt gesloten. Hij stelt bepaalde voorwaarden aan de tijdelijkheid, voor de opstalverzekering
enzovoort. Wij vinden dat dit een zaak is tussen de eigenaar van de woning en de hypotheekverstrekker.
Wij zien geen meerwaarde in bemoeienis van de gemeenten. Die mogen in de vergunning
ook geen aanvullende voorwaarden stellen.
Wij vinden het verbazingwekkend dat een gemeente wordt geacht, te bepalen of de verkoopprijs
van een woning wel voldoende is. Dat is wat ons betreft geen taak van de gemeente,
maar van de markt. Daarop moet, als het gaat om de hypotheekverstrekker, worden getoetst.
Het heeft geen enkele meerwaarde om dat door de gemeente te laten doen, aangezien
dit een zaak is tussen hypotheekverstrekker en eigenaar van de woning. Wij zullen
hiertoe een amendement indienen.
Hetzelfde geldt voor de kantorenmarkt, waar de gemeente andere toetsingsinstrumenten
heeft. Als men het wil bestemmen voor woonruimte, dient men ontheffing aan te vragen
voor het bestemmingsplan. Als het gaat om de verbouwing van de woning, heeft men daarvoor
een omgevingsvergunning nodig. Er worden dus al twee vergunningen verstrekt waarbij
de gemeente beoordeelt of het tijdelijk is, en of men toestemming wil gaan geven om
daarin woonruimte te creëren. De VVD heeft kritisch naar het wetsvoorstel gekeken
en bezien of er geen andere wet- en regelgeving is waarop de gemeente kan sturen.
Wij vinden van wel. Deze wet biedt wat vergunningverlening betreft geen meerwaarde.
Daartoe dienen wij een amendement in.
Wij hebben een amendement ingediend ter verruiming van de termijnen. Ons hebben signalen
bereikt vanuit de Vereniging Eigen Huis dat er behoefte is aan verruiming van de termijnen
van vijf naar tien jaar, juist omdat de crisis langer duurt dan verwacht. De crisis
is in 2008 gestart, en er is sprake van partijen die helaas hun woning nog niet hebben
kunnen verkopen.
De heer
Paulus Jansen (SP):
Als ik het goed begrijp, is uw voorstel, bedoeld voor eigenaren die hun te koop staande
woning willen verhuren, drieledig. Om te beginnen is dat: geen verlenging meer, waarbij
je iedere keer moet betalen. Daar heb ik wel oren naar; dat lijkt me op zich een redelijk
punt. Verder wilt u de termijn van vijf jaar verlengen naar tien jaar. Ten slotte
wilt u de vergunningplicht vervangen door een meldplicht. Op het laatste punt heb
ik nog geen amendement gezien. Het lijkt mij dat de amendementen niet tegelijkertijd
kunnen worden ingediend: het ene amendement is de overtreffende trap van het andere
amendement. Ik heb een vraag over de termijnverlenging van vijf naar tien jaar. Ziet
u niet het risico dat je dan wel heel erg in de buurt komt van commerciële verhuur?
Een periode van tien jaar is natuurlijk erg lang.
Mevrouw
Visser (VVD):
Een verkoper, niet zijnde commerciële verhuurder, van een woning die in zijn bezit
is en waarop hij een hypotheek heeft staan, heeft er geen enkel belang bij om langer
tijdelijk te verhuren dan noodzakelijk. Hij of zij wil namelijk dubbele woonlasten
voorkomen. Hij is er dus vanuit zijn eigen situatie bij gebaat – hetzelfde geldt voor
de hypotheekverstrekker – dat de tijdelijkheid zo kort mogelijk duurt. Ik zie het
risico dat u inschat niet.
De heer
Paulus Jansen (SP):
Dat is inderdaad een juiste analyse voor een particuliere eigenaar die zijn huis wil
verkopen en tijdelijk uit noodzaak gaat verhuren. Maar voor een commerciële verhuurder
die normaal op een contract voor onbepaalde tijd zou moeten verhuren en via deze U-bochtconstructie
naar tien jaar kan gaan, begint dat een interessante termijn te worden. Dat is het
risico dat de SP-fractie ziet. Daarnaast nog de vraag om hoeveel gevallen het eigenlijk
gaat. Ik ken eerlijk gezegd bijzonder weinig mensen van wie het huis langer dan drie
jaar te koop staat. Ik kan ze op de vingers van een hand tellen.
Mevrouw
Visser (VVD):
Ik heb niet de precieze cijfers, ik heb deze signalen gekregen van de Vereniging Eigen
Huis. Dat gaat niet om cijfers hoe lang huizen te koop staan. Dat antwoord moet ik
u dus schuldig blijven.
De heer
Monasch (PvdA):
U verwijst in uw argumentatie naar de crisis op de woningmarkt en naar het feit dat
die al sinds 2008 aan de gang is. We zijn inmiddels vijf jaar verder. Dit wetsvoorstel
moet nog van kracht worden. Dus in die eerste vijf jaar zijn er hier en daar al mogelijkheden
geweest en wordt er ook gebruik van gemaakt. Ik denk dat wij zeker als coalitiepartijen
voldoende vertrouwen moeten hebben in het herstel van de woningmarkt, in de zin dat
dit de komende vijf jaar wel mogelijk moet zijn. Uiteindelijk moet ook de verkopende
partij eens gaan nadenken of die niet een irreële prijs vraagt en of de markt überhaupt
wel bereid is om zo'n prijs voor dat huis te betalen. Mijn vraag is dan ook of wat
u voorstelt niet een soort overkill betekent en of we niet wat meer vertrouwen moeten
uitstralen dat er de komende vijf jaar voldoende ruimte en voldoende herstel zal zijn
in de woningmarkt om daadwerkelijk tot verkoop over te gaan.
Mevrouw
Visser (VVD):
Dat vertrouwen heeft de VVD. Dat vertrouwen had de VVD in het regeerakkoord en in
het woonakkoord, zowel in de Tweede Kamer als in de Eerste Kamer.
De
voorzitter:
Dan is dat bij dezen vastgesteld.
De heer
Monasch (PvdA):
Dat is heel mooi, maar dan is de vraag waarom we het dan nog eens vijf jaar moeten
verruimen. Als iemand op een gegeven zijn koophuis wil omzetten naar een huurhuis
zijn daarvoor mogelijkheden, maar laten we daarin dan ook die weg bewandelen. Nogmaals,
mijn vraag is of die vijf jaar, gelet op het feit dat het wetsvoorstel nu pas ingaat,
niet een heel keurige termijn is.
Mevrouw
Visser (VVD):
De VVD heeft hierover eerder vragen gesteld. De argumentatie van de minister is dat
er geen signalen zijn geweest vanuit de markt dat er behoefte aan is. De VVD heeft
die signalen wel opgevangen. Vandaar ook ons amendement. Niet voor niets zijn in 2005
al die termijnen opgerekt en gelijkgeschakeld. In het kader van eenduidigheid en het
feit dat ons signalen hebben bereikt dat er wel behoefte aan is, hebben we dit zo
voorbereid.
Mevrouw
Voortman (GroenLinks):
Ziet de VVD dit voorstel vooral als een crisismaatregel voor mensen die hun huis niet
kunnen verkopen of wil de VVD hier een breder doel mee dienen?
Mevrouw
Visser (VVD):
Wat de VVD betreft is dit wetsvoorstel bedoeld is om onnodige leegstand te voorkomen
en om de doorstroming te bevorderen. Dat geldt overigens niet alleen voor dit wetsvoorstel.
Het is een combinatie van allerlei wetten en regels en het is vooral ook de markt
zelf die vertrouwen zal moeten krijgen. Op die manier kan het de mensen ontlasten
die nu helaas in een moeilijke situatie verkeren met dubbele lasten.
Mevrouw
Voortman (GroenLinks):
Dan zou het ook een goed idee zijn om het nu voor vijf jaar te doen, zodat het een
tijdelijke maatregel is zolang die nodig is. Dan is het ook niet nodig om bijvoorbeeld
de positie van huurders, de huurbescherming verder aan te tasten.
Mevrouw
Visser (VVD):
Het is nu al vijf jaar. Ik constateer dat ons signalen bereiken dat juist vanwege
de crisis de markt behoefte heeft aan een langere termijn. Dat is precies de reden
waarom we dit amendement hebben ingediend, juist vanuit het argument dat u zelf uitdraagt,
namelijk dat het een crisismaatregel betreft. Welnu, dit is een van de punten die
ons hebben bereikt en vandaar ons amendement.
Mevrouw
Voortman (GroenLinks):
Ik had in mijn vraag ook het punt van de huurbescherming genoemd. Hoe ziet de VVD
dat dan?
Mevrouw
Visser (VVD):
Ik weet niet precies wat uw vraag is, maar waar het gaat om mensen die voor hun koopwoning
een tijdelijke huurovereenkomst willen sluiten, geldt dat het volwassen mensen zijn
die zelf het contract moeten kunnen lezen en zelf moeten kunnen besluiten of ze er
al dan niet toe willen overgaan. Ze moeten gewoon goed de voorwaarden lezen en goed
kijken welke verplichtingen ze aangaan.
De heer
Verhoeven (D66):
Ik hoor mevrouw Visser in haar inbreng eigenlijk alleen maar praten over marktpartijen
die tegen de VVD hebben gezegd wat ze precies willen, wat dan vervolgens bijna letterlijk
overgenomen wordt in de inbreng van de VVD. GroenLinks benadert het heel erg vanuit
de huurder en de VVD benadert het blijkbaar alleen vanuit de verhuurder. Of heeft
de VVD ook oog voor de positie van de huurders in dit onderdeel van de wet?
Mevrouw
Visser (VVD):
Ik vind het jammer dat de heer Verhoeven niet heeft geluisterd naar wat ik heb gezegd.
In antwoord op onze vraag of de termijnen niet moeten worden verlengd, heeft de minister
gezegd dat hem daarover geen signalen hebben bereikt. Ik heb aangegeven dat de Vereniging
Eigen Huis ons wel die signalen heeft laten horen. Dat is dus geen marktpartij, maar
een vereniging die spreekt namens haar leden, zijnde eigenwoningbezitters.
De heer
Verhoeven (D66):
Bij de Vereniging Eigen Huis gaat het om de mensen die de panden gaan verhuren en
de marktpartijen zijn ook de organisaties die de panden gaan verhuren.
Ik neem aan dat een lid van de Vereniging Eigen Huis geen pand gaat huren. Wij zijn
positief over dit wetsvoorstel, maar het gaat mij om de balans tussen de positie van
de verhuurder en de positie van de huurder. Ik zoek naar de stand van de knop die
betrekking heeft op de positie van de huurder. Heeft de VVD daar oog voor of zegt
de VVD dat ongeveer alles moet kunnen omdat we de verhuurders dan in moeilijke tijden
een beetje verder helpen?
Mevrouw
Visser (VVD):
De heer Verhoeven weet net als ik dat we in Nederland een enorme huurbescherming hebben
en dat de rechten van huurders heel erg beschermd worden. Niet voor niets zijn daarover
vele dikke boeken verschenen. Je moet heel veel uren recht hebben gestudeerd om het
Burgerlijk Wetboek op dit punt überhaupt te kunnen begrijpen. Deze wet zorgt juist
voor doorstroming op de woningmarkt, waar D66 volgens mij – ook gelet op de handtekening
onder het woonakkoord – hartgrondig achter staat. Zowel mensen die op zoek zijn naar
tijdelijke woonruimte als eigenwoningbezitters – dat zijn de partijen waaraan ik steeds
refereer – hebben er behoefte aan dat huizen verhuurd kunnen worden. Als een partij
dit tijdelijk wil doen en weet waar zij aan toe is en waar zij haar handtekening onder
zet – dat kunnen we van elkaar verwachten in Nederland – biedt deze wet daar de ruimte
voor. Door de tijdelijkheid en door die tijdelijkheid vooraf te borgen in de huurovereenkomst,
weet men waar men aan toe is en is die bescherming geborgd. Als men dat niet wil,
gelden de Nederlandse huurbescherming en allerlei wetten en regels die die bescherming
bekrachtigen of borgen.
In het kader van de mogelijkheden voor verdere vereenvoudiging hebben wij zojuist
de verruiming van de termijnen genoemd. Die geldt zowel voor de eigenwoningbezitter
als voor de woningen die in afwachting zijn van sloop of renovatie, want in heel veel
steden staan projecten stil. Daarom zouden die termijnen verlengd moeten worden.
Dan het punt van het aanvragen van een nieuwe vergunning door een eigenwoningbezitter
die op grond van deze wet zijn woonruimte wil verhuren. In de wet staat dat de woning
voor het eerst door de eigenaar bewoond moet worden of regulier moet worden bewoond.
Anders mag men geen vergunning op grond van de Leegstandwet aanvragen. Dat is om misbruik
van de regeling te voorkomen, maar wij begrijpen niet dat hierbij niet relevant wordt
geacht of de woning tussentijds is overgedragen. Het is immers mogelijk dat iemand
zijn woning op grond van deze wet tijdelijk heeft verhuurd en zijn woning gelukkig
weet te verkopen binnen een jaar, waarna degene die de woning heeft gekocht, daar
twee jaar woont en vervolgens door welke oorzaak dan ook – bijvoorbeeld echtscheiding
of ander werk – zijn huis wil verkopen. Als dat niet lukt en als hij dan gebruik wil
maken van deze wet, mag dat niet. Er is dan immers nog geen periode van vijf jaar
voorbij. Het is dus gekoppeld aan de woning en niet aan het feit dat iemand anders
die woning opnieuw heeft gekocht en daarmee opnieuw eigenaar wordt. Dat lijkt ons
een onwenselijke situatie. Wij vragen de minister of wij de wet op deze manier juist
interpreteren en of hij bereid is om te bekijken of dit veranderd kan worden.
De heer
Paulus Jansen (SP):
Dat mag zo zijn, maar mevrouw Visser introduceert dan een ander potentieel risico.
De transactiekosten bij de overdracht van woningen zijn veel lager geworden. Straks
worden zij misschien nog lager als de overdrachtbelasting helemaal afgeschaft zou
worden. Dan wordt het bijzonder interessant om dat huis op een strategisch moment
op papier door te verkopen aan een andere brievenbusmaatschappij en op die manier
permanent onder het huurcontract voor een onbepaalde termijn uit te komen. Zien mevrouw
Visser en de VVD dat niet als een groot risico?
Mevrouw
Visser (VVD):
Nee, want wij introduceren ook die meldingsplicht. Die kan worden gekoppeld aan de
GBA, waardoor de gemeente weet wie daaronder valt. De heer Monasch gaf in zijn bijdrage
al aan dat andere wetten en andere regelgeving dat soort misbruik zouden moeten aanpakken.
Daar is deze wet niet voor bedoeld. Deze wet is echt bedoeld voor onnodige leegstand.
Op dat punt zijn wij op zoek naar verruiming en vereenvoudiging. Wij zien dus andere
instrumenten voor gemeenten om hiernaar te kijken of om dit aan te pakken. De zojuist
door mij geschetste situatie is zeer reëel; die kan zich voordoen. De minister koppelt
dit heel bewust aan de woning. Onze vraag is of dat bewust is gedaan en of er andere
mogelijkheden zijn om deze situatie in de toekomst te voorkomen en om een modus te
vinden voor de mensen die hierop een beroep moeten doen, niet omdat zij dat zo graag
willen of omdat zij zo graag verhuurder willen spelen maar juist omdat zij dubbele
woonlasten willen voorkomen en omdat wij allemaal geen onnodige leegstand willen.
Vandaar deze vraag van de VVD aan de minister.
De heer
Paulus Jansen (SP):
In dat geval schets ik even het scenario als dit VVD-amendement wordt aangenomen:
een particuliere eigenaar zegt zijn huis te gaan verkopen, kan dit tien jaar verhuren
en het op de laatste dag van die tienjaarstermijn verkopen aan een volgende persoon,
die dit de dag erna opnieuw voor tien jaar gaat verhuren. Dat circus kan zo doorgaan,
in lengte van jaren. Vindt de VVD-fractie dat een wenselijke situatie?
Mevrouw
Visser (VVD):
Ik heb net aangegeven dat de VVD bij deze wet duidelijk de niet-commerciële verhuurder
voor ogen heeft. Ik heb net ook gezegd dat deze daar geen baat bij zou hebben, evenmin
als de hypotheekverstrekker, die zoiets ook echt niet zal toestaan. Wat wij ook doen
met deze wet, als men onder de Leegstandwet aan tijdelijke verhuur wil gaan doen,
heeft men gewoon toestemming nodig van de hypotheekverstrekker. Deze zal niet toestaan
dat men onnodig tien jaar lang extra gaat verhuren, als er andere mogelijkheden zijn.
Ik zie de situatie die de heer Paulus Jansen van de SP schetste, zich dus niet voordoen.
Ik zie voldoende waarborgen in de wetten zoals deze zijn en in de geldende voorwaarden
van de hypotheekverstrekker.
Ik heb er net ook op gewezen dat dit kader niet alleen geldt voor de koopwoningen,
maar ook voor woonruimte in gebouwen. Wij vragen ons af waarom er steeds een verlenging
van de vergunning moet worden aangevraagd, juist omdat er in dit soort gevallen al
een ontheffing van het bestemmingsplan wordt aangevraagd die voor tien jaar geldt,
evenals een omgevingsvergunning als men voor woonruimte gaat verbouwen. Dit beoogt
investeringszekerheid te bieden. Wij willen ervoor zorgen dat een partij – en in de
richting van de heer Verhoeven zeg ik, naar aanleiding van zijn vraag: dat is wél
een commerciële partij – investeert in het ombouwen van kantoren, daarop haar businesscase
baseert, maar niet na twee jaar van de gemeente te horen kan krijgen dat zij geen
verlenging van de termijn voor tijdelijke verhuur krijgt, waardoor die hele businesscase
eigenlijk onderuit wordt gehaald. Wij vinden zoiets vanwege die vele leegstaande vierkante
meters kantoorruimte niet wenselijk. Daarnaar zou gekeken moeten worden.
Ik heb nog een vraag naar aanleiding van de discussie over de huurovereenkomst op
grond van tijdelijke verhuur. In de antwoorden op het verslag staat dat de huurovereenkomst
in ieder geval eindigt op het tijdstip waarop de vergunning haar geldigheid verliest.
In andere stukken in hetzelfde verslag lezen wij een andere interpretatie. Wij vragen
de minister om duidelijkheid te geven over de vraag wanneer de huurovereenkomst eindigt
op grond van de Leegstandwet.
Wij zijn blij dat de huurprijsregeling voor koopwoningen wordt losgelaten. Vanuit
het oogpunt dat een verhuurder er geen enkel belang bij heeft om een te hoge huur
te vragen, zien wij mogelijkheden om ook voor de andere twee categorieën de huurprijsregulering
los te laten. Ik zie de heer Jansen al opstaan.
De heer
Paulus Jansen (SP):
Bij de verhuurder zou er geen natuurlijke neiging zijn om een te hoge huur te vragen;
originaliteit kan mevrouw Visser niet worden ontzegd. Dit wijkt toch enigszins af
van mijn ervaringen als adviseur van huurdersorganisaties in de afgelopen 40 jaar.
Ik vraag haar waarom de verhuurder er in een dergelijke situatie geen belang bij zou
hebben om het onderste uit de kan te halen. Waarom zou dit in gebieden met een overspannen
woningmarkt – Haarlem, Amsterdam, Hilversum, Utrecht – niet leiden tot huurprijzen
die boven het wettelijke maximum liggen?
Mevrouw
Visser (VVD):
We hebben het nu over de categorieën van kantoorruimte, dan wel woningen die gesloopt
moeten worden. Als je een irreële huurprijs vraagt, zullen mensen er geen gebruik
van maken.
De heer
Paulus Jansen (SP):
Dat zou inderdaad heel wenselijk zijn. In een ontspannen woningmarkt zou dat ook zeker
het geval zijn. Ik gaf als voorbeeld het deel van Nederland waarin geen sprake is
van een ontspannen woningmarkt, maar van een overspannen woningmarkt. Daar kun je
gewoon vragen wat de gek ervoor geeft. Dat is toch een reële situatie? Mevrouw Visser
vindt toch ook niet dat je daar de hoofdprijs moet kunnen vragen, die ver boven het
wettelijk plafond kan uitkomen?
Mevrouw
Visser (VVD):
Zoals ik al eerder aangaf gelden er voor normale huurwoningen allerlei huurbeschermingsmaatregelen.
We spreken nu echter over tijdelijke verhuur en dan weten beide partijen waar ze aan
toe zijn. Ze maken beiden bewust gebruik van deze mogelijkheid en zowel de verhuurder
als de huurder weet dan ook waar hij of zij aan begint. Daarom vinden wij dit een
gewone markt, een markt waar vraag en aanbod bij elkaar komen. Beide partijen kunnen
gewoon ja of nee zeggen, want ze worden nergens toe verplicht. Tijdelijke verhuur
is een extra mogelijkheid naast het normale regime van de sociale huursector. Bovendien
kennen wij in Nederland een heel ordelijk proces om het vorm te geven en te borgen.
De heer
Verhoeven (D66):
Ik waardeer het werk dat mevrouw Visser heeft verricht voor haar creatieve amendementen,
maar ik schrok wel van haar opmerking dat de verhuurder er geen belang bij zou hebben
om een te hoge huurprijs te vragen. Kent mevrouw Visser het begrip "huisjesmelker"?
Mevrouw
Visser (VVD):
Ja.
De heer
Verhoeven (D66):
Denkt zij dan niet dat de door haar voorgestelde combinatie van een periode van tien
jaar en de afschaffing van de huurprijsbescherming direct zal leiden tot allerlei
uitwassen in gebieden waar mensen echt omhoog zitten? Als zij van mening is dat verhuurders
niet een te hoge huur zullen vragen, hoe denkt zij dan te voorkomen dat mensen die
geen woning kunnen vinden, worden misbruikt? In haar voorstel ontbreekt immers elke
mogelijkheid voor de huurder om daartegen in het geweer te komen. Kan mevrouw Visser
daar goed en serieus op antwoorden?
Mevrouw
Visser (VVD):
Volgens mij doe ik continu mijn best om vragen goed en serieus te beantwoorden, ook
de vragen van de heer Verhoeven.
Ik gaf al aan dat ik niet denk dat het zo zal gaan. Er zijn namelijk verschillende
wetten en regels in het leven geroepen om het probleem van de huisjesmelkerij aan
te pakken. Overigens is dat een probleem dat de VVD zeker niet bagatelliseert, want
wij hebben altijd gepleit voor een keiharde aanpak van overlast en misbruik als gevolg
van huisjesmelkerij.
Deze wet is bedoeld om onnodige leegstand te voorkomen. Alle partijen – huurders,
verhuurders, eigenaren van een koopwoning en mensen die kantoorruimte willen ontwikkelen
– krijgen daardoor de ruimte en de vrijheid om met elkaar te bezien hoe men vraag
en aanbod bij elkaar kan brengen. Het is geen verplichting, maar een extra mogelijkheid.
In de reguliere sector bestaan allerlei waarborgen en die stel ik ook helemaal niet
ter discussie. Wij vinden ook dat er meer moet worden gedaan tegen misbruik en wij
zijn blij dat daarvoor initiatieven worden ontplooid. Het voorstel van de minister
biedt extra mogelijkheden voor de koopwoningbezitters en mensen die kantoren willen
transformeren. Wij willen daaraan ruimte bieden. Wij realiseren ons daarbij heel goed
dat huurders die hiervan gebruik willen maken, weten dat het om een tijdelijke situatie
gaat en dat zij er gewoon ja of nee tegen kunnen zeggen. Want als zij nee zeggen,
zijn er voor hen nog andere mogelijkheden.
Mevrouw
Voortman (GroenLinks):
Het punt is nu juist dat het voor huurders niet makkelijk is op de woningmarkt. Mevrouw
Visser kan wel zeggen dat huurders andere mogelijkheden hebben, maar die zijn er niet
altijd. Deelt de VVD de mening van GroenLinks en van andere partijen dat de positie
van de huurders moet worden beschermd en dat het te simpel is om te zeggen dat iemand
er altijd voor kan kiezen om niet te tekenen?
Mevrouw
Visser (VVD):
Ik benadruk nog maar een keer dat we nu spreken over tijdelijke verhuur. Dat is een
extra mogelijkheid naast het eigenwoningbezit en de sociale huursector.
In deze regeerperiode worden niet voor niets allerlei maatregelen genomen om de doorstroming
op de woningmarkt weer op gang te brengen en om ervoor te zorgen dat mensen die daarop
recht hebben, een sociale huurwoning kunnen vinden. Dat beleid leidt ertoe dat de
wachtlijsten verdwijnen en dat we het scheefwonen aanpakken. Dat beleid is de geëigende
manier om wat mevrouw Voortman benadrukte, tot stand te brengen. De tijdelijke verhuur
is een aanvullende mogelijkheid waarvan huurders, als ze dat willen, gebruik kunnen
maken. Verder helpt het onnodige leegstand en dubbele lasten voorkomen.
Mevrouw
Voortman (GroenLinks):
Kan mevrouw Visser mij aangeven welke andere mogelijkheden iemand zou hebben die al
heel lang op de wachtlijst voor een sociale huurwoning staat?
Mevrouw
Visser (VVD):
Mevrouw Voortman weet net als ik dat het scheefwonen juist wordt aangepakt omdat wij
willen dat wachtlijsten korter worden en er mensen in sociale huurwoningen terechtkomen
die daar ook echt recht op hebben. Om die reden is een wetsvoorstel over inkomensafhankelijke
huurverhoging behandeld, dat mevrouw Voortman helaas niet heeft gesteund. Dat zal
niet direct soelaas bieden maar is wel bedoeld om juist dit proces op gang te brengen.
Daarnaast geldt dat gemeenten met elkaar afspraken kunnen maken over de manier waarop
zij dat vorm geven aan dat proces in de regionale woningmarkt.
Mevrouw
Voortman (GroenLinks):
Mevrouw Visser erkent dus dat er geen andere mogelijkheden zijn voor huurders. Het
valt dan tegen dat zij eigenlijk weinig oog heeft voor de positie van huurders in
dit voorstel.
Mevrouw
Visser (VVD):
Mevrouw Voortman interpreteert mijn woorden op een manier die ik niet herken. Ik heb
dat niet erkend. Ik heb aangegeven dat het noodzakelijk is om op de reguliere huurmarkt
maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de problematiek die mevrouw Voortman
net schetste, wordt aangepakt. Ik ben van mening dat het kabinet daarvoor al de juiste
maatregelen heeft genomen. De fractie van GroenLinks heeft dat echter niet onderkend
bij de stemmingen over de inkomensafhankelijke huurverhoging.
De
voorzitter:
U hebt nog een kleine minuut spreektijd.
Mevrouw
Visser (VVD):
Ik stel de minister graag nog twee vragen, allereerst over de rol van de banken. De
VVD-fractie heeft daarover ook schriftelijke vragen gesteld. Het gaat om de verplichting
van banken om met een klein aantal bemiddelingsbureaus te gaan werken. De minister
heeft aangegeven dat hij hierover in gesprek is met de banken. Wat is de stand van
zaken op dat punt? Kan certificering door de sector een mogelijkheid zijn om malafide
praktijken te voorkomen?
Mijn volgende punt betreft de tijdelijke verhuur en de andere mogelijkheden die er
zijn om in specifieke situaties meer mogelijkheden te bieden. Ik doel dan op studentenhuisvesting,
met name op promovendistudenten uit het buitenland, in het licht van de profilering
van Nederland kennisland en de mogelijkheid om daar economisch weerwaarde aan te ontlenen.
De minister heeft aangegeven dat hij bekijkt of bestaande campuscontracten voor de
doelgroep van promovendi kunnen worden uitgebreid. De vraag is of dat lukt bij tijdelijke
contracten.
Mijn laatste punt is dat van de transformatie van kantoren. Op grond van de huidige
regelgeving is men verplicht om de huurder een tegemoetkoming in de verhuiskosten
te verstrekken. Gelet op mijn eerdere bijdrage over de mogelijkheid tot verruiming
hoor ik graag of die verplichting kan worden aangepast. De minister heeft in een eerdere
beantwoording gezegd dat hij dit oppakt met zijn collega van Veiligheid en Justitie.
Ik hoor graag of dat is gelukt. Mijn fractie ziet dit als een belangrijke voorwaarde
voor het op gang brengen van de kantoortransformatie.
De heer
De Graaf (PVV):
Voorzitter. Een belangrijke oorzaak voor de desastreuze staat van de woningmarkt is
het huidige kabinetsbeleid. Laten wij daar geen doekjes om winden. Dit kabinet heeft
gezorgd voor grote onzekerheid. Ook worden de lasten door dit kabinet enorm verzwaard.
Koop en verkoop worden ernstig afgeremd doordat men is gaan morrelen aan de hypotheekrenteaftrek.
Dat het eenvoudiger wordt voor huiseigenaren om de woning tijdelijk te verhuren, is
natuurlijk prima. Het betreft immers iemands "eigen dom". Een structurele oplossing
voor de problemen op de koopmarkt is het geheel handhaven van de hypotheekrenteaftrek.
Dit kabinet is daartoe echter niet bereid. Gelet op de huidige staat van de woningmarkt
is de PVV-fractie voorstander van de voorliggende wijziging van de Leegstandwet. Ik
hoorde eerder de term "doekje voor het bloeden". Ik vind het iets meer dan een doekje,
maar toch was dit niet nodig geweest. Als iemand tegen de vuist van dit kabinet aanloopt
en daarmee een tand verliest, dan zou het aardig zijn als het kabinet diegene naar
de tandarts zou brengen, al dan niet voor een tijdelijke kroon.
De PVV ziet de tijdelijke verhuur ook als een goed middel om leegstaande panden te
beschermen tegen woningdiefstal. Met woningdiefstal bedoelen wij natuurlijk het door
de linkse partijen geïdealiseerde kraken.
De PVV is krakers spuug- en spuugzat en wil dat deze vorm van criminaliteit snoeihard
wordt aangepakt. Het kraakverbod is inmiddels natuurlijk van kracht, maar toch worden
er nog altijd panden gekraakt. Onder het mom van "jullie wetten zijn de onze niet"
hebben veel extreemlinkse krakers lak aan onze regels. De pandeigenaren kunnen tegen
deze vorm van socialisme worden beschermd door ze ruimere mogelijkheden te bieden
om hun panden tijdelijk te verhuren.
Tot slot maak ik een opmerking over het vervallen van de wettelijke bescherming voor
huurders. De PVV-fractie gaat ervan uit dat wanneer pandeigenaren hun pand tijdelijk
willen laten verhuren, de eigenaren ook zelf de voorwaarden scheppen waardoor het
aantrekkelijk is voor mogelijke huurders om met hen in zee te gaan. De PVV-fractie
heeft het vertrouwen dat huurder en verhuurder samen afspraken kunnen maken over de
huurvoorwaarden. De overheid hoeft tenslotte niet alles te regelen.
De
voorzitter:
Dank u wel. De laatste spreker van de zijde van de Kamer is de heer Verhoeven. Na
zijn bijdrage zal ik tien minuten schorsen, zodat de minister zich kan beraden en
wij sneeuwballen kunnen gooien.
De heer
Verhoeven (D66):
Voorzitter. Nederland is een dichtbevolkt land en dat betekent dat we heel zorgvuldig
en goed met onze schaarse ruimte moeten omgaan, evenals met de gebouwen die we hebben.
Er is echter een flinke mismatch in vraag en aanbod op dat gebied. Iedereen weet dat
er enorm veel panden leegstaan. Er is 8 miljoen m2 aan leegstaande kantoren: troosteloze
hopen steen die het land minder aantrekkelijk en minder mooi maken. Ook zijn er veel
leegstaande koopwoningen. Mensen kunnen hun huis vaak niet kwijt in de huidige crisis
op de woningmarkt, waaraan nu gelukkig wat gedaan is met het woonakkoord. Aanvullende
maatregelen, zoals deze wet, zijn ook goed. Woningen staan leeg en mensen moeten daar
wat mee. Dan is verhuur vaak een goede optie.
Met name in stedelijke gebieden is de woningnood heel hoog. Huurders zijn daarbij
ook vaak op zoek naar huurhuizen. De wachtlijsten zijn er vaak ontzettend lang. De
mogelijkheid om leegstaande gebouwen te benutten voor huur en verhuur, is dan vaak
een heel goede. Overigens is het goed om hier te zeggen dat mijn fractie altijd heel
veel waarde heeft gehecht aan het aanpakken van de kantorenleegstand in dit land.
Daarbij is het goed om versoepeling te zoeken op het gebied van de verhuurmogelijkheden,
hetgeen we vandaag bespreken. Er is echter ook een aantal andere maatregelen nodig
om de transformatie van kantoren en ook de sloop en herstructurering van kantoren
aan te pakken. Mijn fractie heeft daartoe in het verleden verschillende voorstellen
gedaan, onder andere het goed in kaart brengen van de lege voorraad, het rekenen van
de juiste grondprijs, het tijdig en goed afwaarderen door bezitters, het goed taxeren
van de waarde van kantoorpanden, het limiteren van de aftrekbaarheid van leegstandskosten
en misschien zelfs wel een openruimteheffing. Andere maatregelen zijn dus ook nodig
om het probleem van kantoorleegstand goed, integraal en totaal aan te pakken.
Daarom zijn wij teleurgesteld over de brief die we gisteren kregen over het stilvallen
van het kantorentransformatiesloopfonds in Amsterdam. Ik voel me toch wel genoodzaakt
om dat hier even te noemen. Dat fonds is een tijd geleden met veel bombarie en elan
in gang gezet. Nu is gebleken dat de vastgoedpartijen – de marktpartijen, zo zeg ik
tot mevrouw Visser – niet willen meebetalen om het probleem op te lossen. Zij willen
dus niet hun verlies nemen. Zij willen geen bijdrage leveren aan de oplossing van
het probleem. Zo blijft het probleem, vrees ik, in stand; graag een reactie van de
minister. Wat gaat hij doen richting deze partijen om ervoor te zorgen dat de aanpak
van kantoorleegstand ook in bredere zin goed wordt aangepakt?
Ik ga snel terug naar dit wetsvoorstel, waarmee wordt beoogd om vier dingen te regelen.
Ten eerste worden meerdere periodes van tijdelijke verhuur mogelijk gemaakt. Dat lijkt
mij een goede maatregel, omdat het meer flexibiliteit en mogelijkheden biedt voor
panden die van voldoende kwaliteit zijn na de periode van vijf jaar en daarna de wachtperiode
van vijf jaar. Ten tweede worden de maximale vergunningstermijnen verlengd naar vijf
jaar dan wel zeven jaar voor aanstaande sloop en tien jaar voor kantoren. Ik sluit
me aan bij de vraag van de heer Jansen op het gebied van aanstaande herstructureringsgebouwen.
Gaan wij er dan wel voor zorgen dat daar voldoende tempo in blijft, zodat dat blijft
gebeuren en er geen uitstel komt in de handeling door de eigenaar?
Ten derde, de huurprijsbescherming. Dat is het meest cruciale punt, ook in de discussie
hier in de Kamer. Het gekke bij deze wet is dat het heel erg belangrijk is dat je
de juiste balans vindt tussen huurder en verhuurder. Dat is cruciaal. Aan de ene kant
heb je de voorstellen van de VVD-fractie. Die zegt eigenlijk: probeer het voor de
verhuurder wat makkelijker te maken. Aan de andere kant zijn er voorstellen zoals
de horizonbepaling van mevrouw Voortman, waarin wordt gesteld: pas nou even op, ga
niet in betere tijden met dit soort wetten aan de gang. Het is misschien verrassend,
maar als mijn fractie naar deze wet kijkt, komt zij tot de conclusie dat de balans
die de minister zoekt, vrij aardig aansluit bij de belangrijke verhouding tussen huurder
en verhuurder. Daarom hebben wij ook geen amendementen en wetswijzigingen ingediend.
Ik ben geneigd goed te kijken naar de amendementen die de positie van de verhuurder
in de huurprijsbescherming versterken, maar het voorstel van de VVD-fractie om die
periode te verlengen tot tien jaar, zullen wij niet steunen, zeker niet in combinatie
met het loslaten van de huurprijsbescherming.
Mevrouw
Voortman (GroenLinks):
Hoe zit het dan met de huurmaximalisatie? De minister zegt immers: de verhuurder zal
sowieso een redelijke prijs vragen. Hoe staat de D66-fractie daarin?
De heer
Verhoeven (D66):
Ten opzichte van huurmaximalisatie?
Mevrouw
Voortman (GroenLinks):
De minister zegt dat een eigenaar zijn woning niet voor een onredelijke prijs zal
verhuren, maar tegelijkertijd zitten wij in een krappe markt. Een verhuurder kan dus
heel veel vragen voor zijn leegstaande pand. Deelt de D66-fractie het standpunt van
de GroenLinks-fractie dat het goed zou zijn als daar enige maximalisatie op zou zitten?
De heer
Verhoeven (D66):
Maximalisatie vind ik altijd een beetje een eng begrip. Ik ga heel ver mee in de redenering
van mevrouw Visser om samen afspraken te maken. De PVV-fractie zei dat ook: er onderling
uitkomen. Daar heb je dan inderdaad wel een vorm van huurprijsbescherming voor nodig.
Als je gaat maximaliseren, ga je weer een stap verder. Daar ben ik wat terughoudender
in.
Mevrouw
Voortman (GroenLinks):
Hoe wil D66 er dan voor zorgen dat verhuurders geen misbruik maken van de situatie
dat er een heel krappe markt is en dat er mensen zijn die echt op zoek zijn naar een
woning?
De heer
Verhoeven (D66):
Huurders moeten zelf de verantwoordelijkheid nemen om zich niet te laten uitmelken.
Het voorstel van de VVD-fractie om die periode op te rekken en de huurprijsbescherming
los te laten gaat ons te ver. Ik zeg net dat ik de wet en de balans van de minister
goed vind. Hiermee hebben wij de juiste stand bereikt in de positie tussen huurder
en verhuurder. Dan is mijn antwoord op de vraag van mevrouw Voortman toch: men moet
er samen goed uitkomen en we moeten de eigen verantwoordelijkheid van de huurder niet
helemaal uitkleden door allerlei maximalisaties in te voeren. Omdat wij allemaal schrijnende
gevallen kennen waarin een huurder wordt uitgebuit, hebben wij de neiging om te zeggen:
we moeten dat gaan maximaliseren. Maar in heel veel gevallen leidt dat juist weer
tot belemmeringen voor de verhuurder. Dus het is altijd even zoeken.
Wij staan positief tegenover de verruiming van de Leegstandwet. Ik heb nog een aantal
vragen. Het optimaal gebruikmaken van leegstaande panden is wat ons betreft de inzet.
De verhuur van gebouwen via de Leegstandwet is en blijft een tijdelijke maatregel.
Het zorgt niet voor een structurele aanpak. Wanneer kantoorpanden jarenlang leegstaan,
moeten ze eigenlijk een nieuwe bestemming krijgen. Wij zeggen dus: bevorder de transformatie
van gebouwen, ook los van verhuur. Gisteren hebben wij aan de minister gevraagd of
hij kan kijken naar het verlagen van het btw-tarief voor de transformatie van kantoren
naar woningen. Daar komt de minister op terug. Is de minister het met mij eens, ook
in aansluiting op mijn eerste vraag, dat wij ook bezig moeten blijven met de structurele
aanpak van dit probleem, breder dan deze wet? Denkt de minister dat een verruiming
van de maximale huurtermijn voor gebouwen zonder woonbestemming niet zal leiden tot
uitstel van een handeling door een eigenaar om tot ombouw, transformatie, herstructurering
te komen?
Heeft de minister contact met zijn collega van Infrastructuur en Milieu over de bestemmingsdimensie?
Dat is ook een punt; wij moeten in de toekomst naar flexibelere bestemmingsplannen.
Volgens mij gaat de minister van I en M daarover, maar ik heb in het verleden al gezien
dat de minister voor Wonen en de minister van I en M daar samen in optrekken. Gebeurt
dat nu ook?
Ik zei het al tegen mevrouw Voortman: wij willen dat er niet te veel wordt opgeschort
op het gebied van huurprijsbescherming. Kan de minister aangeven hoeveel de huurprijzen
in de schaarstegebieden ongeveer zouden gaan stijgen? Is daarvan een indicatie te
geven? Kan de minister tot slot inschatten hoeveel huiseigenaren naar verwachting
hun huis zullen gaan verhuren onder de vrije huurprijzen, terwijl zij dat nu niet
doen?
De vergadering wordt van 11.32 uur tot 11.45 uur geschorst.
Minister
Blok:
Voorzitter. Het is goed dat wij nu over de verruiming van de Leegstandwet spreken.
Het gaat namelijk om een urgent probleem, iets wat ik in de bijdrage van alle fracties
heb teruggehoord. De heer Verhoeven sprak zeer beeldend over troosteloze steenklompen
die leegstaan in de vorm van kantoorgebouwen. Dat is inderdaad een punt dat wij hiermee
veel beter kunnen aanpakken. Alle leden hebben ook gesproken over de situatie van
huiseigenaren van wie het huis langer te koop staat dan zij wensen. Ook de derde situatie,
huurwoningen die leegstaan in afwachting van sloop of renovatie, is zeer herkenbaar
en het is goed dat die woningen in de tussentijd kunnen voorzien in het verminderen
van wachtlijsten die er nog zijn voor huurwoningen. Ik interpreteer de bijdragen dus
zo dat wij allemaal het doel en de urgentie van de wet delen en dat het nu gaat om
de precieze maatvoering en invulling.
De heer
De Graaf (PVV):
De minister zegt nu dat hij alle bijdragen op dezelfde manier beoordeelt.
Minister
Blok:
Nee, nee! Dit was mijn eerste algemene inleiding. Ik dacht: ik steek een voorzichtig
handje uit, ook naar u.
De heer
De Graaf (PVV):
Volgens mij heb ik zelf mijn hand daarnet al uitgestoken, maar ik heb in eerste termijn
geen uitgestoken hand van de heer Monasch ervaren. Die liet hier duidelijk een Duivesteijntje
zien, zoals zijn partijgenoot deze week ook in de Eerste Kamer deed. Hoe interpreteert
de minister dat?
Minister
Blok:
Ik waardeer altijd een stevige bijdrage aan het debat, zowel van de heer De Graaf
als van de heer Monasch en de heer Duivesteijn. Ik heb de woorden van de heer Monasch
wel degelijk geïnterpreteerd als dat hij het goed vond dat wij nu over deze wet spreken.
Ik zie hem nu ook knikken. Mijn indruk was dat hij de hoofdlijn steunt, maar nog wel
wat vragen heeft over de maatvoering.
De heer
De Graaf (PVV):
Ik mag dus concluderen dat de minister uitgaat van een dubbele Duivesteijn, zoals
deze week ook in de Eerste Kamer gebeurd is?
Minister
Blok:
Een "dubbele Duivesteijn" zou best weleens vermoeiend kunnen zijn, maar ik vind de
term mooi gevonden.
Ik zal allereerst de mij gestelde vragen beantwoorden. Daarna zal ik ingaan op een
aanzienlijk aantal amendementen.
De heer Jansen heeft mij gevraagd waarom in de situatie van tijdelijke verhuur van
te koop staande koopwoningen niet langer een maximale huurprijs wordt gehanteerd.
Naar mijn overtuiging gaat het bij deze categorie om een zeer specifieke groep woningen,
waarop geen grote groepen huurders zijn aangewezen. Dat betekent dat de huurder hier
een goede onderhandelingspositie heeft. De verhuurder is een particulier die over
het algemeen in een situatie verkeert waarin hij zijn hypotheeklasten moet kunnen
blijven betalen uit het verhuren van de woning. In dit geval heeft de verhuurder dus
ook geen prikkel tot huisjesmelkerij, om het maar scherp te zeggen. Dit is een situatie
van nood van de verhuurder. Daarom vind ik dit een andere categorie en zie ik hier
geen reden voor een maximale huurprijs.
De heer
Paulus Jansen (SP):
Over de casus die de minister beschrijft, zijn wij het met elkaar eens. Die betreft
bonafide mensen die hun huis niet kwijt kunnen en tijdelijk gaan verhuren. Ik ben
echter altijd waakzaam. Neem bijvoorbeeld de situatie in Pendrecht, in Rotterdam-Zuid.
Zeker als de amendementen van mevrouw Visser doorgaan, kan iemand die zijn huis wil
gaan verkopen, straks tien jaar lang verhuren. Misschien hoeft hij niet eens meer
een vergunning te hebben. Dan kan iemand denken: ik zet er gewoon tien Polen in, heb
na één jaar mijn investering van € 80.000 eruit en daarna is het negen jaar bingo.
Enige vorm van bijvoorbeeld huurprijsbescherming is mijns inziens wel wenselijk om
dergelijke situaties onder controle te houden. Hoe kijkt de minister daartegen aan?
Minister
Blok:
Ik ga nog even niet in op het amendement van mevrouw Visser, maar met dit wetsvoorstel
blijft de gemeente toetsingscriteria bij de vergunningverlening houden. Een structurele
situatie zoals de heer Jansen stelt, zal op dat moment kunnen worden aangegeven. Nog
verder gaan door de huurprijsbescherming voor deze specifieke categorie in te voeren,
vind ik een veel te bot instrument, daar de gemeenten al een instrument hebben.
De heer
Paulus Jansen (SP):
Als we de puntentelling zouden aanhouden voor de huurprijsbescherming, is het plafond
heel ruim. Door dat plafond worden uitsluitend de excessen geraakt. De bonafide verhuurders
– de gevallen die u en ik logisch vinden – zullen daar geen enkel probleem mee hebben.
Wat is erop tegen om met zo'n bepaling alleen de excessen uit te sluiten?
Minister
Blok:
Excessen verwacht ik hierbij niet. Het gaat om mensen die tijdelijk in financiële
nood zitten door het bezit van twee woningen. Voor het overgrote deel zullen zij ook
niet vertrouwd zijn met het puntenstelsel. Wij als woordvoerders woningmarkt voelen
ons daarmee vertrouwd, maar voor veel mensen zal dit echt onbekend terrein zijn en
dus een enorme opgave om zich daarin te verdiepen. Ik vind niet dat wij mensen dat
moeten opleggen.
De heer Monasch vroeg naar het feit dat banken specifiek aangeven welke bemiddelingsbureaus
gebruikt mogen worden bij tijdelijke verhuur. Daar zijn eerder schriftelijke vragen
over gesteld. Ik begreep van de heer Monasch dat hij niet per definitie negatief is
en enig begrip heeft voor de positie van de bank die een hypotheek op het pand heeft,
maar dat hij wel enige twijfel heeft. Eerlijk gezegd bevind ik mij ook in die situatie.
De bank moet toestemming geven voor het verhuren van het pand waar een hypotheek op
rust. Zij zal dan ook wel de zekerheid willen hebben dat dit pand bij verkoop weer
vrijkomt. Omdat het huurrecht zeer complex is – mevrouw Visser wees daar al op – willen
ze erop kunnen vertrouwen dat het contract en het toezicht daarop voldoende juridische
kwaliteit hebben. Dat alles afwegende zie ik geen reden, los van de vraag of ik daar
de wettelijke middelen voor zou hebben, om deze constructie per definitie onwenselijk
te vinden.
Mevrouw
Visser (VVD):
Ik begrijp de lijn die de minister volgt. Hiermee wordt echter wel de situatie in
stand gehouden dat de heel grote beroepsgroep van makelaars wordt uitgesloten van
deze markt van tijdelijke verhuur. Het is een vrije beroepsgroep die in een land als
Nederland met een open economie gewoon op de markt zou moeten kunnen opereren. Als
de brancheorganisaties van makelaars zich deze situatie hebben aangetrokken en bereid
zijn om te laten zien dat zij de complexe huurwetten onderkennen, doordat zij gecertificeerde
en dus gekwalificeerde adviseurs in dienst hebben die ook in staat zijn om een partij
goed te begeleiden, dan moeten zij toch gewoon actief kunnen zijn op deze markt? Het
kan toch niet zo zijn dat banken maar besluiten uit wie de markt bestaat?
Minister
Blok:
Natuurlijk moet een makelaar actief kunnen zijn op de markt, maar ik kan een bank
niet verplichten om met die makelaar in zee te gaan. Dit lijkt mij een typisch geval
van een gewoon commercieel spel waarin die makelaars de bank ervan moeten overtuigen
dat zij het tegen een betere prijs-kwaliteitsverhouding kunnen doen dan andere bureaus.
Juist als er sprake zou zijn van een heel kleine groep bureaus, is er een goede kans
om een betere prijs-kwaliteitsverhouding te bieden.
Mevrouw
Visser (VVD):
Dat zou kloppen, ware het niet dat banken die partijen hebben uitgesloten en zeggen
dat die niet mogen toetreden tot deze markt. De rol van de Kamer is dat ze zegt dat
concurrentieregels niet zomaar mogen worden geschonden op de vrije markt die we op
dit terrein hebben. Dat gebeurt nu wel doordat banken voorschrijven dat met maar twee
partijen, soms met maar één partij, zaken mag worden gedaan, waardoor een persoon
die met bepaalde partijen in zee wil gaan, dat gewoon niet mag. Als verhurende partij
heb je dus geen enkele keuzevrijheid in dezen. Volgens mij bestaat die op de Nederlandse
woningmarkt wel. Dat is niet met elkaar in overeenstemming. Onderkent de minister
dat?
Minister
Blok:
Een bedrijf mag aangeven dat het met een ander bedrijf of met andere bedrijven bij
voorkeur zaken doet of gedurende een periode uitsluitend zaken doet. Dat is allemaal
privaatrecht. Het wordt een publieke zaak als de markt helemaal niet meer functioneert.
Dan is dat een zaak voor de NMa. Het is niet zo dat de makelaar uit het voorbeeld
van mevrouw Visser niet de bank kan bellen en zeggen dat hij het echt beter en voor
een lagere prijs kan. Ik maak het maar even scherp. De makelaar moet dat dan wel aantonen.
Dat is toch niet verboden?
De heer
Monasch (PvdA):
Ik ga hier toch nog even op door. We hebben in dit verband heel vaak gesproken over
kartelvorming en over het uitsluiten van andere aanbieders. Er zijn zelfs hele discussies
over de vraag of je zelf van tevoren een bepaald besturingssysteem in een computer
mag zetten of dat ook anderen er een besturingssysteem in moeten kunnen zetten. Daar
zijn grote zaken over geweest. In die zin is er wel een zekere gelijkenis. Mag dit
überhaupt wel? Mag een partij zeggen: alleen via die drie en verder sluit ik iedereen
uit? We hebben de NVM. Die zegt: we kunnen met gecertificeerde bureaus werken. De
vraag is dus of dit wel mag. In het verlengde daarvan is mijn vraag of deze wet niet
veel beter zou werken als je lokale makelaars juist prikkelt om deze optie aan verkopende
partijen aan te bieden. Als de lokaal actieve makelaars van tevoren worden uitgesloten
van deze optie en er in een verdienmodel niets mee opschieten, is het dan niet juist
aan te bevelen om hen actief bij deze Leegstandwet te betrekken?
Minister
Blok:
Mag een particuliere aanbieder zaken doen met voorkeurspartijen? Ja, dat mag. Mag
een particuliere aanbieder zo optreden op de markt dat er geen sprake meer is van
vrije concurrentie? Nee. Als dat zo zou zijn, is dat een vraag voor de NMa. Het lijkt
me logisch dat die er dan naar kijkt. Volgens mij kijkt de NMa er op dit moment ook
al naar. Ik kan echter niet op voorhand zeggen dat het niet mag. Als de NMa zegt dat
er iets mis is, zal ik haar zeker niet tegenspreken, maar dan is het ook aan haar.
Op hetzelfde gebied, dat van de verhuurbureaus, vroeg de heer Monasch mij of die verhuurbureaus
ook het traject naar de inkomstenbelasting voor hun rekening kunnen nemen. Nu is dat
wettelijk een taak van de eigenaar. Wellicht kan het in het kader van service en vrije
markt worden aangeboden, maar wettelijk is het niet verplicht.
Ik kom op een vraag van mevrouw Voortman. Zij staat helemaal achter in de zaal te
bellen, maar ik geef haar toch antwoord. Ze vroeg mij of de hoogte van de huur kan
worden gekoppeld aan de hypotheeklasten. Ik neem aan dat ze bedoelt dat het dan wettelijk
zou gebeuren. Ik kijk nog maar even naar mevrouw Voortman, want ik ben haar aan het
beantwoorden over de koppeling tussen de huurhoogte en de hypotheeklasten. Ik interpreteer
het zo dat ze mij vraagt of we die zaken niet wettelijk aan elkaar zouden moeten koppelen.
Ik heb eerder betoogd dat de verhuur van koopwoningen die te koop staan, een zeer
bijzonder onderdeel van de markt is, waarbij de verhuurder in financiële nood verkeert
en er dus alle belang bij heeft dat die woning zo snel mogelijk verhuurd is. In lijn
daarmee zal die verhuurder zelf ook geen reden hebben om veel hoger dan de hypotheeklasten
te gaan zitten. Immers, de reden dat hij verhuurt, is dat hij dubbele hypotheeklasten
moet dekken. Ik zie dus geen reden om die zaken wettelijk aan elkaar te koppelen.
Mevrouw
Voortman (GroenLinks):
De verhuurders kunnen in nood zitten, maar er zijn ook huurders die in nood zitten.
Als de verhuurder er misbruik van wil maken, kunnen zij de dupe worden van een veel
te hoge huurprijs.
Minister
Blok:
Dit lijkt op de discussie die wij net hadden. De mogelijkheid voor een particulier
met twee huizen, waarvan er één te koop staat, en twee hypotheken om misbruik van
de situatie te maken is zeer gering. Die mensen verkeren zelf in financiële nood.
Daarom zie ik geen reden voor extra regelgeving.
Mevrouw Voortman vroeg mij ook waarom het niet mogelijk is om de huurprijs bij de
Huurcommissie te toetsen. Wij moeten een onderscheid maken tussen de verschillende
categorieën waarop deze wet betrekking heeft. Voor woonruimte in gebouwen en voor
huurwoningen in afwachting van sloop of renovatie wordt door de gemeente wel degelijk
een maximumhuurprijs opgenomen in de vergunning. Daarvoor kan wel een beroep op de
Huurcommissie worden gedaan. Dat beroep kan niet worden gedaan voor de categorie waarover
wij net spraken, de particuliere woning.De heer Verhoeven vroeg mij naar mijn contacten
met mijn collega van I en M over de voortgang van de tijdelijke bestemmingswijziging.
Die zal worden opgenomen in de Crisis- en herstelwet. Daarbij heeft I en M het voortouw,
maar ik ben er nauw betrokken, en er wordt ook goede voortgang mee gemaakt.
De heer Verhoeven vroeg mij ook of er voldoende druk is op partijen om de herstructurering
voortvarend aan te pakken. Hij koppelde dat aan het feit dat door deze wet een zekere
druk op de partijen weggenomen kan worden. Ik denk eerlijk gezegd niet dat de marktomstandigheden
nu zo zijn dat door deze wet de druk tot herstructurering verdwijnt. Onroerendgoedeigenaren
zitten met niet-strafbare leegstand, met een kantoorpand. Zij zitten toch met die
steenkolos in hun maag. De kosten worden verlaagd via tijdelijke constructies. Wil
er een structurele oplossing komen voor de eigenaar, dan zal hij toch echt moeten
herstructureren.
De heer
Verhoeven (D66):
De reden waarom ik ben ingegaan op de onderdelen die iets buiten deze wet vallen,
sluit aan bij wat de minister nu zegt. Doordat niet wordt afgewaardeerd en geen verlies
wordt genomen, gaan misschien heel veel eigenaren van panden juist wachten. Zij hebben
ook ruimte om te wachten omdat er niet afgewaardeerd wordt en dus het verlies nog
niet helder wordt. Zij doen dan niets. Kan de minister hierop ingaan? Ziet hij dat
dit scenario zich misschien zal voordoen, dat partijen wachten totdat het beter gaat
en dan pas in beweging komen en dat de termijnverlenging van vijf naar zeven jaar
en voor kantoren zelfs van vijf naar tien jaar juist ruimte daartoe biedt?
Minister
Blok:
Uit de vastgoedwereld hoor ik geluiden dat zowel accountants als banken ontzettend
kritisch kijken naar de waardering van vastgoed en dat er juist een enorme druk is
op afwaardering. De accountant krijgt natuurlijk niet graag een claim aan de broek
dat hij de cijfers te zonnig heeft voorgesteld. Daaruit komt voort die enorme druk
tot herstructurering en daardoor weer genereren van het rendement op het pand. Ik
maak mij daar dus niet zo'n zorgen over. Ik vind het juist van belang dat wij ervoor
zorgen dat door deze wet die leegstaande steenklomp vol komt.
De heer
Verhoeven (D66):
Daarin vinden de minister en ik elkaar sowieso. De minister zegt dus dat wij er niet
bang voor moeten zijn, en dat er op dit moment in de accountants- en taxateurssector
flinke druk is om de afwaardering op een veel kritischer niveau te brengen dan de
afgelopen decennia het geval is geweest. Het is voorgekomen dat niet afgewaardeerd
werd en dat panden voor te hoge waarden in de boeken kwamen. Het is een opblazen van
de zeepbel. De minister ontkracht eigenlijk dat dit nu nog steeds speelt?
Minister
Blok:
Ja. De tijd is absoluut veranderd.
Mevrouw Voortman vroeg of ik met de VNG om de tafel wil gaan zitten om te praten over
nadere voorwaarden. Ik heb van de VNG begrepen dat er over het algemeen geen nadere
regels gesteld worden bij vergunningverlening voor tijdelijke verhuur, dat gemeenten
wel regels stellen rond bijvoorbeeld leefbaarheid of veiligheid. Maar die staan over
het algemeen in het bestemmingsplan. Ik hoor van de gemeenten ook geen wens om hierover
nog specifiek om de tafel te gaan zitten.
Voorzitter: Van Miltenburg
Minister
Blok:
Mevrouw Voortman vroeg mij of ik deze wet nu echt zie als een noodoplossing. Ik zal
zo op haar amendementen ingaan op dit gebied. Nee, natuurlijk ben ik ervan overtuigd
dat met het beleid en het woonakkoord de diepe crisis in de huizenmarkt van tijdelijke
aard zal zijn, maar ik vind dat het wetsvoorstel wel degelijk blijvende waarde heeft.
De situatie dat een leegstaand kantoor in de tussentijd goed wordt gebruikt, zal zich
ook in de verdere toekomst blijven voordoen. Woningcorporaties zullen woningen blijven
vernieuwen en verbouwen. Ik vind het verstandig dat zij dan de mogelijkheid hebben
om ze in de tussentijd te verhuren. Ik hoop dat de tijd snel achter ons ligt dat veel
huizenkopers met twee huizen zitten, maar het zal ongetwijfeld nog weleens voorkomen.
Op al die terreinen vind ik het verstandig om de wet een permanent karakter te geven.
Mevrouw Voortman vroeg of het afzien van het normale systeem van onderhoudsverplichtingen
juist bij sloop- en renovatiewoningen voor problemen kan zorgen. Ook bij tijdelijke
verhuur geldt de normale onderhoudsverdeling tussen verhuurder en huurder. Hoewel
hij natuurlijk weet dat het om een sloop- of renovatiewoning gaat, zal een huurder
een afweging maken of hij de kwaliteit toch acceptabel vindt.
Mevrouw Visser vroeg naar de situatie dat er binnen een termijn van vijf jaar een
wisseling van eigenaar is en dat ook de tweede eigenaar een beroep wil doen op de
mogelijkheid om te verhuren.
De
voorzitter:
Op het vorige punt, mevrouw Voortman.
Mevrouw
Voortman (GroenLinks):
Natuurlijk kan de huurder een inschatting maken of een situatie hem wel of niet bevalt.
Dat kan echter een moeilijk punt zijn op het moment dat het moeilijk is om een woning
te vinden. Een leegstaande woning kan ook weleens in een heel slechte staat zijn.
Zou het dan niet erg onrechtvaardig zijn als groot onderhoud ten laste van de huurder
wordt gelegd?
Minister
Blok:
Waarom zou een huurder akkoord gaan met de lasten van groot onderhoud?
Mevrouw
Voortman (GroenLinks):
Omdat hij op zoek is naar een woning. Het zou goed zijn als die lasten in ieder geval
niet bij huurders worden gelegd. Klein onderhoud kan voor rekening van de huurder
blijven, maar groot onderhoud moet voor rekening van de verhuurder zijn.
Minister
Blok:
Ik heb net aangegeven dat de gewone onderhoudsverdeling blijft gelden: groot onderhoud
voor de verhuurder, klein onderhoud voor de huurder, tenzij je dat contractueel anders
afspreekt. Dat is dan contractvrijheid. Ik zou niet zo goed weten waarom een huurder
het groot onderhoud op zich zou willen nemen.
De situatie die mevrouw Visser schetst, is niet in de wet voorzien en lijkt mij nogal
uitzonderlijk. Dat was ook de reden om die niet in de wet op te nemen.
Mevrouw Visser vroeg of ik er duidelijkheid over kon geven wanneer opzegging nodig
is bij tijdelijke huur op grond van deze wet. In de schriftelijke beantwoording heb
ik gemeld dat, als een huurder na afloop van de vergunning in de woning blijft zitten
omdat er niet is opgezegd, de huur wordt verlengd zonder huurbescherming. Het staat
de verhuurder dan vrij om alsnog op te zeggen. In een aantal uitspraken heeft de rechter
evenwel geoordeeld dat, als de huurder na afloop van de vergunning blijft zitten omdat
de verhuurder niet heeft opgezegd, er toch automatisch reguliere huur ontstaat met
huurbescherming. Wegens die jurisprudentie vind ik het wel heel verstandig dat een
verhuurder toch opzegt, want jurisprudentie krijgt snel een bredere werking. Kortom,
ik raad de verhuurders aan om op te zeggen.
Mevrouw Visser vroeg of een tijdelijke huurder recht heeft op verhuiskosten.
Dat is niet zo. Er is eerder sprake van geweest dat die verplichting voor tijdelijke
verhuur van kantoren uit het Burgerlijk Wetboek geschrapt zou worden, maar nu wij
in deze wet de tijdelijke verhuur van kantoren regelen, is die aanpassing van het
BW niet meer nodig. De verplichting tot het vergoeden van verhuiskosten geldt niet
meer.
De heer Verhoeven vroeg wat ik vind van het recente nieuws van het stilvallen van
het kantorenfonds in Amsterdam. Natuurlijk vind ik dat heel spijtig. Het was een commerciële
afweging van de commerciële partijen die daarbij betrokken zijn. Ik kan partijen niet
dwingen om die kosten op zich te nemen. Wat ik wel kan doen, is ervoor zorgen dat
die leegstand zo snel mogelijk verholpen wordt. Daarom staan wij hier nu ook bij elkaar.
Ik deel de teleurstelling van de heer Verhoeven.
Ik kom op de amendementen.
De heer
Paulus Jansen (SP):
Ik heb op drie vragen nog geen antwoord gehad. Ten eerste het punt van de noodhuurders,
bijvoorbeeld alleenstaande ouders met kinderen in woningen met een tijdelijk huurcontract
of zelfs op een gebruikscontract. Ziet de minister daar ook een probleem? Moeten wij
niet proberen om daar iets aan te doen?
Ten tweede heb ik de minister gevraagd waarom hij in het kader van het wetsvoorstel
geen overleg heeft gevoerd met de huurdersorganisaties.
Ten derde herinner ik aan mijn vraag over de monitoring en de suggesties die ik daarbij
heb gedaan.
Minister
Blok:
De heer Jansen heeft gelijk. Ik herken de vragen, dus hij heeft recht op een antwoord.
Alleenstaande ouders zijn bij uitstek een categorie die onder bestaande regelingen
van woningcorporaties bovenaan de urgentielijst staat. Ik zie geen reden, maar ook
geen mogelijkheid om de tijdelijke verhuurder vervolgens die plicht op te leggen.
Ik overleg regelmatig met huurdersorganisaties en heb ook schriftelijk van hun inbreng
laten blijken. Er is alle mogelijkheid geweest om van beide kanten van gedachten te
wisselen.
De heer Jansen vroeg om een monitoring per regio. Dat vind ik echt te gedetailleerd.
Ik zal zo meteen ingaan op het amendement van mevrouw Voortman gericht op evaluatie.
Ik kan meteen wel zeggen dat ik met een evaluatie goed kan leven.
De heer
Paulus Jansen (SP):
Heeft de minister actief contact met de huurdersorganisaties gezocht of heeft hij
gewoon informatie ontvangen, zoals wij allen? Hij heeft aangegeven dat hij actief
overleg heeft gevoerd met bijvoorbeeld de verhuurderorganisaties. Is dat ook met de
huurders gebeurd?
Het gaat mij om de monitoring in relatie tot die noodhuurders. Ik neem aan dat de
minister, als het op substantiële schaal zou voorkomen in het corporatiebezit, ook
vindt dat er iets wringt. Immers, dat is de primaire doelgroep van de corporaties.
Dat zou niet moeten kunnen. Die mensen zouden een urgentievergunning moeten krijgen.
Dat alleen al is toch een zelfstandig argument om de ontwikkeling van die tijdelijke
huurcontracten, maar ook die gebruikscontracten goed te monitoren?
Minister
Blok:
Ik heb geen bezwaar tegen evaluatie, maar een zo gedetailleerde monitoring als de
heer Jansen voorstelt, per regio en per type huurder, gaat mij gewoon te ver. Ik heb
daar ook niet onmiddellijk de instrumenten voor.
Ik heb als minister twee keer gesproken met huurdersorganisaties. Deze wet heb ik
overgenomen van mijn ambtsvoorganger. Ik heb bij die twee gelegenheden niet specifiek
over deze wet gesproken, maar in zijn algemeenheid over de zorgen en wensen aan hun
en mijn kant. In die gesprekken is deze wet niet aan de orde gekomen, dus dat vormde
voor hen kennelijk geen reden om ons daarop specifiek aan te spreken. Ik kan niet
beoordelen of mijn voorganger hierover een specifiek gesprek heeft gehad. Ik kan wel
zeggen dat er een uitgebreide schriftelijke reactie is, wat ik vind horen bij een
goede behandeling van de wet.
Mevrouw
Visser (VVD):
Ik wil nog even terugkomen op de uitleg van de minister van de huurovereenkomst en
de geldigheid van de vergunning. De minister gaf aan dat de verhuurder altijd de huurovereenkomst
dient op te zeggen. In het wetsvoorstel staat echter in artikel 16, lid 8 dat de huurovereenkomst
altijd eindigt op het tijdstip waarop de vergunning haar geldigheid verliest. Je kunt
een overeenkomst voor onbepaalde tijd aangaan in het kader van tijdelijke verhuur.
Volgens mij zijn die twee dingen met elkaar in tegenspraak. Ook het antwoord dat de
verhuurder altijd maar moet opzeggen past daarin. Hoe verhouden deze drie dingen zich
tot elkaar? Dit leidt volgens mij tot verwarring als het gaat om het huurrecht en
de zekerheden die je hebt als verhuurder of als huurder, als het gaat om huurovereenkomsten
op grond van deze Leegstandwet.
Minister
Blok:
Jurisprudentie brengt mij ertoe om verhuurders op het hart te drukken om gewoon op
te zeggen. Ik vind dat overigens geen onredelijke eis. Ik kan namelijk niet garanderen
dat, als ze dat niet doen, een volgende rechter onder verwijzing naar deze jurisprudentie
zal zeggen: er is een huurovereenkomst ontstaan.
Mevrouw
Visser (VVD):
Ook als ze voor onbepaalde tijd wordt gesloten, op grond van deze Leegstandwet?
Minister
Blok:
Wilt u uw vraag toelichten?
Mevrouw
Visser (VVD):
In het wetsvoorstel staat dat de huurovereenkomst in elk geval eindigt op het tijdstip
waarop de vergunning haar geldigheid verliest. Dan wordt ze gekoppeld aan de vergunningduur
die wordt verleend op grond van deze wet. Ook kun je een huurovereenkomst sluiten
voor onbepaalde tijd. Dat wordt dus niet gekoppeld aan een vergunningduur. Er is jurisprudentie,
en er is dit wetsvoorstel. Waar moet een verhuurder zich op baseren, anders dan de
uitspraak: zeg altijd maar je huurovereenkomst op wanneer je denkt dat je hem op moet
zeggen, juist in die gevallen dat je hem op grond van deze wet voor onbepaalde tijd
hebt opgesteld?
Minister
Blok:
Als het gaat om de kleine lettertjes van jurisprudentie moet ik voorzichtig worden,
weet ik uit ervaring. Er zijn mensen die er € 300 per uur voor berekenen om dat aan
elkaar uit te leggen. Ik kom daar liever in tweede termijn op terug.
Ik kom toe aan het amendement van de heer Jansen op stuk nr. 7, waarin wordt gevraagd
om in de huurprijs ook te verwerken dat een huurcontract tijdelijk is. Als vooraf
niet al duidelijk is hoelang de huurovereenkomst zal duren, is het niet goed mogelijk
om op basis daarvan de prijs aan te passen. De verhuurder kan de huur bijvoorbeeld
pas opzeggen op het moment van verkoop. Dan weet je pas hoe lang die periode was,
en hoe hoog de huurprijs had moeten zijn. Daarmee wordt het amendement volgens mij
onuitvoerbaar. Om die reden ontraad ik het.
De heer
Paulus Jansen (SP):
Dat lijkt me heel erg kort door de bocht. Het is namelijk heel simpel: als die termijn
niet bekend is, geldt gewoon het hoogste kortingspercentage: 30. Dan betaal je 70%
van het wettelijk maximum. Als duidelijk is dat het contract over langere tijd gaat,
bijvoorbeeld over vijf jaar, dan loopt de korting af tot 10%; dan betaal je 90% van
het wettelijk maximum. Dat is toch niet ingewikkeld?
Minister
Blok:
Als ik de heer Jansen goed begrijp, krijg je dan een verrekening achteraf. Dat maakt
dat er opeens een extra kostenpost voor die verhuurder komt. Ik verplaats mij nu maar
even in de positie van die particulier die zijn dubbele hypotheeklasten daarmee wilde
dekken. Ik zou echt niet goed weten waarom we die dan achteraf zouden moeten verplichten
tot die verrekening, terwijl beide partijen bij het aangaan van de verhuurovereenkomst
wisten dat het een tijdelijke overeenkomst was en ook op grond daarvan de hoogte van
de huur hadden afgesproken. Dus ik vind het dan niet redelijk om die extra onzekerheid
in te bouwen.
De heer
Paulus Jansen (SP):
De minister focust nu heel sterk op de particuliere woningeigenaar die zijn huis wil
verkopen. Dit amendement is specifiek gericht op verhuurders en met name woningcorporaties
die gewoon gedurende lange tijd, tergend lange tijd, complexen tijdelijk verhuren
tegen relatief hoge huren, soms zelf hoger dan de huren voor mensen die voor onbepaalde
tijd in die complexen wonen. Daar probeert het amendement iets aan te doen. Ik vind
het prima dat de minister technische kritiek uit, want daar is hij ook voor en dan
wil ik dat amendement best nog wel aanpassen, maar ik zou graag ten principale een
inhoudelijke reactie van hem krijgen op dit punt. Vindt hij ook niet dat wanneer je
een tijdelijk contract hebt, je dan ook recht hebt op een lager huurmaximum dan wanneer
je voor onbepaalde termijn huurt? Dat is toch logisch?
Minister
Blok:
Ik heb het amendement zo begrepen dat het toeziet op de situatie die ik net noemde.
De heer Janssen schetst nu een andere situatie, maar ook in die situatie zie ik eerlijk
gezegd geen noodzaak voor het amendement. Ook dan is er sprake van dat de huurder
weet dat hij een tijdelijk huurcontract aangaat; het zal dan om een sloop- of renovatiepand
of een kantoorpand gaan. Dus het is aan alle kanten duidelijk dat het iets heel anders
is dan reguliere verhuur. Ook de huurder zal dat in zijn afwegingen betrekken. Ik
zie dus geen reden voor deze complexe toevoeging. Als partijen het vrijwillig overeenkomen,
heb ik daar natuurlijk geen bezwaar tegen, maar de vraag van de heer Jansen is om
het wettelijk af te dwingen en dat vind ik te ver gaan.
De
voorzitter:
Tot slot dan. U kijkt zo smekend, mijnheer Jansen.
De heer
Paulus Jansen (SP):
Dank u wel, voorzitter.
Ik denk dat de minister in dezen wellicht een informatieachterstand heeft, in de zin
dat hem niet bekend is dat het fenomeen tijdelijke huur snel in omvang begint te groeien
met name in grote steden zoals Amsterdam, en dat veel huurders aan de onderkant van
de huurmarkt, mensen die dringend een huis nodig hebben, die vrijwillige afweging,
waarvan de minister veronderstelt dat die er is, helemaal niet kunnen maken. Wil hij
daarop reageren?
Minister
Blok:
Ik kan niet uitsluiten dat de situatie zoals de heer Jansen die schetst, zich ook
voordoet, namelijk dat in een krappe huurmarkt mensen hiervoor kiezen. Overigens is
ook daarbij de afweging altijd breder dan alleen Amsterdam. Begrijpelijkerwijs wordt
Amsterdam vaak als voorbeeld gebruikt, maar iedereen die in Amsterdam werkt of studeert,
maakt de afweging of de prijs-kwaliteitverhouding aantrekkelijk genoeg is om in de
stad zelf te wonen. Ik heb zelf ook in het centrum van Amsterdam gewerkt en toen vond
ik vanuit mijn eigen afweging dat wonen in het centrum van Amsterdam mij onvoldoende
kwaliteit leverde voor de prijs. Dus ook in de situatie die de heer Jansen schetst,
is er nog steeds sprake van de keuze of men per se op die plaats wil wonen, met in
dit geval de bijbehorende prijs en onzekerheid.
Het amendement van de heer Jansen op stuk nr. 8 strekt ertoe de verhuur bij aanstaande
sloop of renovatie te beperken tot een duur van maximaal vijf jaar in plaats van zeven
jaar. Die verlenging tot zeven jaar was nu juist een expliciet verzoek vanuit de markt,
omdat het precies plannen van de termijn van zo'n renovatie vaak niet mogelijk is
en de oprekking van de termijn met twee jaar wat dat betreft enige ruimte biedt. Dus
ik zou het jammer vinden om daar dan niet aan mee te werken.
Het amendement op stuk nr. 9 van de heer Jansen gaat over de belangen van de overige
huurders en de omwonenden bij verhuur in afwachting van sloop of renovatie. Het amendement
regelt dat er een zienswijzeprocedure moet komen. De gemeente verleent in zo'n geval
een vergunning voor die tijdelijke verhuur en toetst of er wordt voldaan aan de voorwaarden
van de Leegstandwet. Daarbij zal de gemeente ook in overweging nemen dat het alternatief
is dat de panden of de te renoveren huizen leeg blijven staan en dat juist die leegstand
ook grote invloed heeft op de leefkwaliteit. Om die reden zie ik geen noodzaak om
daar nu een verplichte extra zienswijzeprocedure aan toe te voegen.
De
voorzitter:
Mijnheer Jansen, ik ga u niet elke keer vier keer de gelegenheid geven, hoor!
De heer
Paulus Jansen (SP):
Dat lijkt me ook niet nodig, voorzitter. Ook in dit geval zou het goed zijn als de
minister zich nog wat beter op de hoogte stelt van de situatie in een aantal grote
steden, met name in de noordflank van de Randstad. De Randstad is immers echt wel
wat meer dan Amsterdam. Ik denk daarbij aan Utrecht, Haarlem, Hilversum et cetera.
Daar komt die leegstand op grote schaal voor en daar worden, buiten de huurders en
de omwonenden om, vergunningen geritseld. Het oneigenlijke gebruik van leegstandvergunningen,
die door het college van B en W heel gemakkelijk worden afgegeven, neemt daar hand
over hand toe. Wat is er onredelijk aan als het college van B en W, voordat het die
vergunningen afgeeft, in ieder geval wil weten wat de omwonenden en de overige huurders
die nog in het complex wonen, te melden hebben over dat verzoek?
Minister
Blok:
Het is niet onredelijk. De vraag is of dit verplichtend moet worden opgelegd. Dat
is echt een stap verder. Het is altijd verstandig als een gemeente in goed overleg
met de omwonenden is, maar ik vind het wezenlijk dat juist het blijven leegstaan van
een pand heel slecht is voor de leefbaarheid. De situatie is dus niet per definitie
slecht voor de leefbaarheid; integendeel, zou ik eerder zeggen.
De heer
Paulus Jansen (SP):
Dat ben ik helemaal met de minister eens. Daarom is die monitoring ook zo hard nodig.
Als de minister wel instemt met een zienswijzeprocedure op vrijwillige basis maar
niet als verplichting, kan hij dan onderschrijven dat gemeenten dit niet zullen doen
als er geen verplichting is? Als er geen publicatieplicht is en als er geen zienswijzen
gevraagd hoeven te worden, gaat dat niet gebeuren. Dan is deze constatering van de
minister toch heel gratuit?
Minister
Blok:
We hebben het vaak over de rol van de lokale democratie. Ik kan het niet laten om
dan iedere keer weer mijn eigen ervaringen te schetsen. Als in een gemeente sprake
is van een leegstaand kantoorpand en als de omwonenden daar een mening over hebben,
weten zij de gemeente gelukkig heel goed te vinden. Het is juist de kracht van de
lokale democratie dat gemeenteraadsleden letterlijk in de rij bij de supermarkt worden
aangesproken. Juist vanuit dat vertrouwen zie ik geen reden om dit nu weer met een
verplichte zienswijze op te lossen.
Het amendement op stuk nr. 11 van de heer Jansen gaat over het feit dat gemeenten
alleen nadere eisen kunnen stellen bij de vergunning voor tijdelijke verhuur van woonruimte
in gebouwen of huurwoningen. Dit amendement verruimt die mogelijkheid voor het stellen
van nadere regels om daarmee willekeur uit te sluiten. Ik heb op dit punt weer een
soortgelijke afweging. Gemeenten zullen niet altijd nadere voorwaarden willen stellen
bovenop de criteria die zij binnen de Leegstandwet al kunnen stellen.
Het gaat mij hierbij ook weer om het verplichtende karakter. Ik zie niet waarom wij
dit verplichtend moeten opleggen. Uiteindelijk zijn dat toch weer extra regels, ook
voor gemeenten.
De heer
Paulus Jansen (SP):
Nu komt de minister toch in de knoop met zijn antwoord op mijn vorige interruptie.
Hij zei enorm te hechten aan de lokale democratie. Ik wil via een kan-bepaling – dus
geen verplichting – de lokale democratie een instrument geven waarvan zij gebruik
kan maken om nadere regels te stellen. De minister zegt nu dat hij dat niet wil. Dat
is niet echt consistent.
Minister
Blok:
Het verruimt de mogelijkheid om nadere regels te stellen. Dat leidt per saldo toch
weer tot extra bureaucratie en administratieve eisen?
De heer
Paulus Jansen (SP):
De minister had het zojuist over de lokale democratie, die hij zo hoog heeft zitten.
Nou, ik ook. De SP-fractie heeft dit amendement ingediend omdat zij weet dat lokaal
maatwerk in situaties van tijdelijke verhuur of leegstand heel belangrijk is. Dit
is een kan-bepaling. Met andere woorden, een gemeenteraad die dit niet nodig vindt
– misschien 99%, misschien 90% – hoeft dit niet te doen, maar als een gemeenteraad
dat wél wil, mag hij het wél doen. Wat is daarop tegen, minister?
Minister
Blok:
Wat erop tegen is, is dat de landelijke overheid de ruimte afbakent waarbinnen lokaal
of provinciaal nadere regels zijn op te leggen. Het gaat inderdaad om een balans tussen
ruimte voor de lokale democratie en de wens om de regeldruk beperkt te houden. In
dit geval vind ik de wens om de regeldruk beperkt te houden echt zwaarder wegen. Dat
is de reden waarom ik geen behoefte heb aan dit amendement.
Nu het amendement van mevrouw Visser op stuk nr. 12, dat de maximale termijn voor
de verhuur van te koop staande woningen verlengt van vijf naar tien jaar. De termijn
is recentelijk verlengd: van drie naar vijf jaar. Er zijn mij geen massale signalen
bekend over een behoefte aan tien jaar. Ik kan daar twee conclusies aan verbinden:
dat dit amendement niet nodig is of dat ik het oordeel aan de Kamer kan overlaten.
In dit geval kies ik ervoor om het oordeel aan de Kamer over te laten. De praktijk
zal moeten uitwijzen of hier veel behoefte aan is.
Het amendement van mevrouw Visser op stuk nr. 13 regelt dat de maximale termijn voor
de tijdelijke verhuur van woonruimte, in afwachting van sloop of renovatie, wordt
verlengd van zeven naar tien jaar. Dit is eigenlijk het tegengestelde van het amendement
van de heer Jansen.
Ik kom op de balans in de wet, die de heer Verhoeven zo aansprak. Wij zoeken de balans
tussen enerzijds het belang van de eigenaar, vaak een woningcorporatie die in een
situatie van leegstand inkomsten wil hebben en mensen onderdak wil bieden, en anderzijds
van de samenleving, die er belang bij heeft dat een renovatie niet eindeloos wordt
uitgesteld. Volgens mij vinden wij die balans in die zeven jaar, die het midden vormen
tussen de wens van mevrouw Visser en de wens van de heer Jansen, en om die reden misschien
ook wel het gouden midden zouden kunnen zijn.
Het amendement van mevrouw Visser op stuk nr. 14 vraagt om de huurprijsbescherming
voor alle verhuur op basis van de Leegstandwet los te laten. In de wet wordt deze
alleen losgelaten voor een specifieke groep koopwoningen, voor mensen die tegelijkertijd
twee huizen hebben. Ik vind het te ver gaan om de huurbescherming ook vrij te geven
voor de andere categorieën. Het gaat mij ook hierbij weer om de balans. Bij de andere
categorieën gaat het echt om grotere aantallen woningen; bij de renovatie van woningen
door woningcorporaties zal het toch echt vaak over een heel blok gaan. In dat soort
situaties zou ik de huurbescherming niet helemaal willen vrijlaten. Om die reden ontraad
ik dit amendement.
De
voorzitter:
Minister, ik wil nog even teruggaan naar het amendement op stuk nr. 13. U heeft daarover
wel een mening gegeven, maar geen oordeel uitgesproken.
Minister
Blok:
Dat is het amendement waarin de periode voor tijdelijke verhuur wordt verlengd van
zeven naar tien jaar. Dat amendement ontraad ik, omdat daardoor de prikkel om tijdig
te renoveren te klein wordt.
De
voorzitter:
Dank u wel.
Minister
Blok:
Voorzitter. Het amendement van mevrouw Visser op stuk nr. 15 regelt een koppeling
tussen de periode waarin verhuurd wordt en de periode van de tijdelijke bestemming.
Bij verhuur op grond van deze wet wordt de vergunning voor maximaal twee jaar verleend.
Daarna kan die vergunning telkens met een jaar worden verlengd. Mevrouw Visser stelt
dat dit voor investeerders een extra onzekerheid creëert en dat zij daardoor terughoudender
zullen zijn met hun investeringen. In dit geval deel ik de afweging achter het amendement.
Als mevrouw Visser niet met dit amendement was gekomen, was ik mogelijk met een nota
van wijziging gekomen. Ik ondersteun dit amendement dan ook.
De motie op stuk nr. 16 van mevrouw Voortman regelt een evaluatie na vier jaar. Ik
heb al aangegeven dat ik het evalueren van wetgeving verstandig vind. Ik laat het
oordeel over dit amendement dan ook aan de Kamer.
De heer
De Graaf (PVV):
Er zijn zes amendementen voorbijgekomen van de voormalige liberalen van de VVD. De
heer Monasch deed bovendien al een Duivesteijntje. Hoe duidt de minister de onzekerheid
die daaruit voortvloeit? De een is heel kritisch en de ander komt met zes wijzigingsvoorstellen!
Hoe is het voortraject eigenlijk gegaan? Ik vraag dat, omdat ik hierdoor bepaald onzeker
wordt over de stabiliteit van dit akkoord.
Minister
Blok:
De Kamer werkt hard en dat juich ik toe!
Daarmee kom ik toe aan het amendement van mevrouw Voortman, op stuk nr. 17.
De
voorzitter:
Mijnheer De Graaf is nog een beetje beduusd door de lacherige reacties in de zaal,
maar …
De heer
De Graaf (PVV):
Er is inderdaad hilariteit alom.
Minister
Blok:
Ik maak de Kamer een compliment, maar als dat verkeerd valt, zal ik het niet meer
doen.
De
voorzitter:
Ik kan u namens de Kamer zeggen dat het goed viel.
Minister
Blok:
Gelukkig.
De heer
De Graaf (PVV):
Ik begrijp wel dat er gelachen wordt, maar de PVV wil wel een stabiel landsbestuur.
Vandaar mijn opmerking over de onzekerheid die hieruit spreekt. De minister antwoordt
heel kort, maar desondanks is het natuurlijk wel opvallend dat er zes amendementen
van de VVD te bewonderen zijn. Hoe is nu toch dat vooroverleg gegaan?
Minister
Blok:
Het overleg was goed. Ook de fractie van de PVV heeft overigens de kans op parlementaire
roem door het indienen van amendementen.
Die kans heeft GroenLinks wel gegrepen. Haar eerste amendement heeft mijn steun, maar
dat geldt niet voor het tweede amendement van mevrouw Voortman op stuk nr. 17, een
amendement waarin een horizonbepaling wordt geïntroduceerd. Ik gaf namelijk al eerder
aan dat ik de mogelijkheden die de wet biedt, het dringendst vind. Verder voorzie
ik ook voor de langere termijn situaties waarin de verbouw van huurwoningen of kantoren
noodzakelijk kan zijn, bijvoorbeeld wanneer een huiseigenaar twee huizen heeft. Ik
ontraad daarom de aanneming van het amendement op stuk nr. 17.
Mevrouw Visser heeft een amendement ingediend op stuk nr. 18. Ik heb dat amendement
nog maar net ontvangen en ik moet daardoor ter plekke nagaan wat dit amendement precies
regelt. Ik lees nu dat het amendement een melding regelt in plaats van een vergunning
voor te koop staande woningen.
Voor de financiers van te koop staande woningen, dus de banken, is het van groot belang
om van te voren te weten dat het huurcontract goed geregeld is en dat het huurcontract
kan worden opgezegd. Als een bank die zekerheid niet heeft, dan zal die over het algemeen
ook geen toestemming geven voor verhuur. Als van een vergunningstelsel wordt overgegaan
naar een meldingstelsel, dan is die zekerheid er niet vooraf. Achteraf kan dan blijken
dat het pand verhuurd is en er gewone huurregels gelden omdat er geen sprake is van
toestemming voor tijdelijke verhuur. Die onzekerheid kan ook ertoe leiden dat mensen
ernstig in de problemen gaan komen. Om die reden ontraad ik het aannemen van het amendement
op stuk nr. 18.
Mevrouw
Visser (VVD):
In de kern gaat het erom dat de gemeente geen enkele rol speelt in de beoordeling
van waar het eigenlijk in dit wetsvoorstel om gaat, namelijk of onnodige leegstand
kan worden voorkomen. De minister stelt dat een bank, en daarmee de eigenaar van het
pand, zekerheid moet hebben over de opzegbaarheid van de overeenkomst. Daarom stelde
ik net de vraag wat de huurovereenkomst op grond van dit wetsvoorstel is; de minister
beloofde daar straks op in te gaan. Er kan worden gekozen, in combinatie met een meldingsplicht,
voor een tijdelijke huurovereenkomst. Bij een melding is er dan altijd een tijdelijke
huurovereenkomst. Welke meerwaarde ziet de minister in een vergunning vooraf, op grond
van dit wetsvoorstel, boven een meldingsplicht waarmee de zekerheid voor een bank
ook geregeld kan worden?
Minister
Blok:
Het lijkt mij heel belangrijk dat de financier die zekerheid krijgt. Als die zekerheid
er niet is, dan zal verhuur van de te koop staande woning feitelijk onmogelijk worden,
terwijl dat juist een situatie is die wij op dit moment veel tegenkomen.
Mevrouw
Visser (VVD):
Als de stelling is dat op grond van deze meldingsplicht en op grond van deze wet een
huurovereenkomst te sluiten is die tijdelijk van aard is, dan heeft de bank toch zekerheid?
Die meldingsplicht is dan gedaan op grond van deze wetgeving. Op grond van deze wetgeving
is dan een tijdelijke huurovereenkomst aangegaan die beide partijen in overeenstemming
kunnen opzeggen. Daarmee heeft de hypotheekverstrekker toch vooraf al zekerheid?
Minister
Blok:
Dit zijn twee "wat als"-redeneringen achter elkaar. Ik vind dat heel kwetsbaar gelet
op het belang waar het om gaat. De eerste vraag is of een huurcontract inderdaad zonder
opzegging kan vervallen. Ik heb aangegeven dat ik die redenering heel kwetsbaar vind.
Ik kom daar nog een keer op terug maar op dit moment is mijn inschatting dat die heel
kwetsbaar is. Om dan door te redeneren dat als opzegging niet nodig is ook het bezwaar
van de bank vervalt, gaat mij echt veel te snel. Ik maak mij grote zorgen over de
belangen die wij daarmee kunnen schaden.
De heer
Paulus Jansen (SP):
Bij mijn weten sluiten banken in hypotheekcontracten standaard verhuur van panden
waar een hypotheek op rust zonder schriftelijke toestemming vooraf uit. Ik zou mij
dus goed kunnen voorstellen dat de concrete invulling is dat banken zeggen: als men
dat wil doen in deze situatie, dan moet er een standaardcontract komen dat wij opstellen
om dit probleem op te lossen.
In het amendement wordt tevens de maximale vergunningstermijn voor woningruimte in
afwachting van sloop of renovatie op tien jaar gebracht. De vraag is of de minister
dat wenselijk vindt.
Minister
Blok:
Voorzitter. Ik wil eigenlijk een voorstel van orde doen, als dat mag. Ik heb, hier
staande, een zeer ingrijpend amendement gekregen dat op dit moment meer vragen oproept
dan ik kan en eigenlijk ook wil beantwoorden, omdat het grote consequenties heeft.
Ik heb dus echt even de gelegenheid nodig om dit amendement goed te doorgronden alvorens
ik erop kan reageren. Dat geldt overigens eveneens voor het amendement op stuk nr.
19, dat ik ook net krijg.
De
voorzitter:
Ik snap uw verzoek. Het klinkt een beetje alsof u de tweede termijn om die reden later
wilt doen of dat u later schriftelijk wilt reageren op de genoemde amendementen.
Minister
Blok:
Dat mag, wat mij betreft. Dat laat ik van uw agenda afhangen, voorzitter, maar ik
vind echt dat dit een zorgvuldige beoordeling behoeft.
De
voorzitter:
Ik snap wat u bedoelt. Ik kijk daarvoor naar de Kamerleden, vooral naar de twee mensen
die er net vragen over hebben gesteld. Is het zo belangrijk dat u er een goede reactie
op wilt en nog de mogelijkheid voor een debat wilt openlaten? Dan zouden we aan het
einde van de eerste termijn moeten schorsen. Ik zie u knikken, mevrouw Visser?
Mevrouw
Visser (VVD):
Ik denk dat u in uw voorstel van net een goede conclusie trok, voorzitter. Ik snap
dat de minister de implicaties goed wil kunnen doorgronden. Ik zou ervoor zijn dat
hij daar de tijd voor krijgt en eventueel eerst schriftelijk reageert, zodat we dat
kunnen meenemen voor volgende week, voor de tweede ronde van het debat.
De
voorzitter:
Dat laatste kan ik niet garanderen. Ik probeer altijd wel om een debat dat is geknipt,
snel in te plannen, want dat kost veel minder tijd. Wat is uw voorkeur, mijnheer Verhoeven?
De heer
Verhoeven (D66):
Ik snap wel dat mevrouw Visser de mogelijkheid wil om te debatteren over de beantwoording
van de minister. Ik snap ook de voorkeur van de minister. Ik snap het allemaal. Het
is alleen wel vervelend dat het zo gelopen is. Misschien kan de Voorzitter een keer
kijken naar de manier waarop we omgaan met het indienen van amendementen, want dit
gebeurt wel vaker. We knippen dan vaak. Het is nu niet aan de orde, dus ik ga akkoord
met het voorstel van mevrouw Visser.
De
voorzitter:
Dit punt moet in de Commissie voor de Werkwijze der Kamer worden besproken, want deze
gang van zaken is geregeld in ons Reglement van Orde. Mijnheer Jansen?
De heer
Paulus Jansen (SP):
De SP-fractie hecht ook aan de zorgvuldigheid van de behandeling van wetgeving. Het
lijkt mij dus reëel om de schriftelijke beantwoording af te wachten.
Mevrouw
Voortman (GroenLinks):
Dat steunen wij ook.
De
voorzitter:
De minister maakt zijn beantwoording af en laat deze amendementen liggen. Ik geef
de Kamerleden mee dat ik echt een inspanningsverplichting voel om de tweede termijn
heel snel in te plannen, maar zorgvuldige wetgeving vind ik ook van belang. De minister
vervolgt zijn betoog.
Minister
Blok:
Ik was aan het einde van de beantwoording gekomen. Terwijl ik antwoordde, kwamen de
amendementen op stuk nrs. 18 en 19 binnen. Daarop zal ik schriftelijk reageren.
De
voorzitter:
Hiermee is een einde gekomen aan de eerste termijn van de zijde van de regering. We
komen er later op terug.
De algemene beraadslaging wordt geschorst.
De vergadering wordt van 12.44 uur tot 14.00 uur geschorst.