Verslag van een wetgevingsoverleg : Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 23 maart 2026, over wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026)
36 871 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026)
Nr. 68
VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Vastgesteld 10 juni 2026
De vaste commissie voor Asiel en Migratie heeft op 23 maart 2026 overleg gevoerd met
de heer Van den Brink, Minister van Asiel en Migratie, Vice-Minister-President, over:
− het wetsvoorstel Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in
verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026
(Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026) (Kamerstuk 36 871);
− de brief van de Minister van Asiel en Migratie d.d. 20 maart 2026 inzake rapport Verkenning
nieuwe asielprocedure (Kamerstuk 19 637, nr. 3522).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de commissie, P. de Groot
De griffier van de commissie, Nouse
Voorzitter: Ellian
Griffier: Nouse
Aanwezig zijn twaalf leden der Kamer, te weten: Van Asten, Boomsma, Ceder, Dassen,
Diederik van Dijk, Ellian, Lammers, Van der Plas, Straatman, Teunissen, Vondeling
en Westerveld,
en de heer Van den Brink, Minister van Asiel en Migratie, Vice-Minister-President.
Aanvang 10.01 uur.
De voorzitter:
Dames en heren, goedemorgen. Ik open deze vergadering van de vaste commissie voor
Asiel en Migratie. Op de agenda staat het wetgevingsoverleg met als onderwerp Wijziging
van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering
en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026. Ik heet uiteraard welkom:
alle collega’s, de Minister van Asiel en Migratie en diens ondersteuning, alle anderen
geïnteresseerden in de zaal en alle anderen die op andere wijze dit belangwekkende
wetgevingsoverleg volgen.
Ik ga dit voorzitten en dit zo veel mogelijk in goede banen proberen te leiden. Aan
de voorkant heb ik dus een paar opmerkingen. U heeft allen spreektijd doorgegeven.
Ik hoop dat het lukt om binnen die spreektijd te blijven. Ik kijk even rond. Ik zie
dat dat moet lukken. We hebben tot 17.00 uur. Het is wetgeving en het is omvangrijk,
dus het is van belang dat we dit goed met elkaar doornemen. Ik wil de commissie in
overweging geven om het debat onderling een beetje te beperken, hoe aantrekkelijk
het ook is om dat niet te doen, zodat er meer ruimte is voor de gedachtewisseling
met de bewindspersoon. Dat vindt hij vast ook heel prettig. Ik verwacht natuurlijk
dat de meeste vragen richting de bewindspersoon zullen zijn. Alhoewel het ongebruikelijk
is, wil ik in eerste instantie de interrupties maximeren. Anders is het onmogelijk
om het voor 17.00 uur te doen. Ik zou zeggen: laten we proberen om het met drie interrupties
te doen, zoals regulier.
De heer Dassen (Volt):
Voorzitter, drie interrupties voor deze enorme verandering van het stelsel lijkt me
echt niet oké. We moesten met alle spoed deze wet behandelen. Daar hebben we veel
tijd en ruimte voor genomen. Ik hoop dat iedereen de hele dag de tijd heeft om dit
te behandelen en dat we dus ook de mogelijkheid hebben om elkaar aan te spreken op
de keuzes die we nu maken.
De voorzitter:
Tot uw dienst, meneer Dassen, maar we hebben tot 17.00 uur. Ik voorspel u – ik mag
veel voorzitten – dat als ik de interrupties onbeperkt laat, de eerste termijn rond
een uurtje of drie klaar is. Ik heb het ook maar te doen met het tijdsblok dat ik
gekregen heb. Ik kijk even rond. Zijn er mensen die heel erg ... Collega Dassen zegt:
ik wil andere collega’s erop kunnen aanspreken.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dit is een belangrijk debat, dus ik kan in die zin wel meegaan met de heer Dassen.
De ervaring is dat in interrupties zowel de vraagsteller als de beantwoorder vaak
ellenlange betogen houdt. In sommige commissies hebben we een 30 seconderegel: onder
de 30 seconden is een interruptie gratis. Dat beperkt de vragensteller echt. Boven
de 30 seconden telt de interruptie voor twee. Dan zou je wat meer interrupties kunnen
toelaten, maar dus wel met die 30 seconden. Dan kunnen mensen gewoon kort vragen stellen.
Ga je eroverheen, dan ben je gewoon twee interrupties kwijt. Ik zou zeggen: bijvoorbeeld
tien interrupties met de 30 seconderegel.
De voorzitter:
Dat is een concreet voorstel. Mevrouw Westerveld?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik kan er prima mee leven dat we de interrupties kort houden.
De voorzitter:
Is iedereen het eens met het maximum dat mevrouw Van der Plas voorstelt? Oké. Dan
is een interruptie onder de 30 seconden gratis. Niets is gratis in het leven, zo heb
ik altijd geleerd. Desondanks doe ik een beroep op u, want we kunnen gewoon niet al
te veel uitlopen. Dat heeft overigens ook te maken met de ondersteuning van de Tweede
Kamer, die zich instelt op een bepaald tijdstip.
Ik stel voor dat we snel gaan beginnen. Voor de goede orde: uiteraard ga ik op een
gegeven moment schorsen voor de lunch. Hopelijk hebben we de eerste termijn dan af.
Ik kijk even hoe dat gaat. Ik zie een heel pak amendementen liggen. Ik wil de Minister
vragen om zijn beantwoording in eerste termijn veel toe te spitsen op de appreciatie
van de amendementen, want dat is gewoon cruciaal voor de vele collega’s.
All right, we gaan beginnen. Ik ga als allerlaatste, want dan kan ik mij concentreren
op het in goede banen leiden van de vergadering. Mevrouw Van der Plas, ik geef u het
woord.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Vandaag spreken wij over de implementatie van het EU-Asiel-
en migratiepact. Dat is een pakket Europese regels dat volgens de regering moet zorgen
voor meer grip op migratie, snellere procedures en een beter functionerende asielketen.
Maar als we eerlijk zijn, moeten we vaststellen dat er tussen ambitie en realiteit
nog altijd een groot gat gaapt. BBB kijkt nuchter naar dit pact: niet ideologisch,
maar praktisch. Werkt het? Wordt de instroom daadwerkelijk beperkt? Verbetert de terugkeer?
En vooral: krijgt Nederland daadwerkelijk meer grip, of leveren we opnieuw nationale
ruimte en soevereiniteit in zonder harde garanties?
Voorzitter. De regering stelt dat het pact naar verwachting zal leiden tot een relevante
daling van de instroom. Tegelijkertijd lezen we keer op keer dat de effecten niet
te voorspellen zijn, dat veel afhangt van geopolitiek en van de andere lidstaten.
Dat is eerlijk, maar ook zorgelijk. Waarop wordt dan gebaseerd dat de instroom daalt,
zo vraag ik de Minister.
Wat BBB betreft is het probleem van dit pact dat het succes niet afhangt van wat Nederland
doet, maar van wat andere landen wel of juist niet doen. Ik doel dan vooral op de
landen aan de buitengrens. Als registratie, screening en grensprocedures daar niet
functioneren, komt de instroom alsnog door en draait Nederland opnieuw op voor de
gevolgen. Dat is precies hetzelfde als wat we telkens zagen bij de Dublinverordening.
Dan is een pact geen vangnet, maar een papieren belofte.
BBB heeft daarom kritisch gekeken naar de screening en de grensprocedure. Op papier
ziet het er strak uit: snelle screening, identificatie, registratie in Eurodac en
bij kansarme aanvragen afhandeling en mogelijk detentie aan de buitengrens. In de
beantwoording lezen we echter dat er geen Europese infrastructuur is voor uitwisseling
van screeningsformulieren, dat screening een momentopname blijft en dat Nederland
nauwelijks kan controleren of andere lidstaten hun verplichtingen nakomen. Mijn vraag
aan de Minister is dan ook: wat is dan de harde garantie dat mensen die eigenlijk
aan de buitengrens hadden moeten blijven niet alsnog in Ter Apel of Budel belanden?
Zonder afdwinging, zonder sancties en zonder zicht op uitvoering bij andere lidstaten
blijft dit een systeem dat afhankelijk is van vertrouwen. Dat vertrouwen – laten we
daar eerlijk over zijn – is in het verleden te vaak beschaamd; kijk naar de Dublinverordening.
Voorzitter. Dan het solidariteitsmechanisme, waar ook de Europese spreidingswet in
zit. De regering stelt dat alle vormen van solidariteit gelijkwaardig zijn: het opnemen
van asielzoekers, herplaatsing, het leveren van een financiële bijdrage – afkopen
met € 20.000 – of verantwoordelijkheidscompensatie, dus fysieke hulp bieden. Op papier
klinkt dat mooi. In de praktijk betekent het dat Nederland zolang de opvang hier niet
op orde is, betaalt in plaats van beslist. BBB begrijpt die keuze, maar laten we ook
hier eerlijk zijn: dit is geen structurele oplossing; dit is het afkopen van een probleem
dat we uiteindelijk alsnog op ons bord krijgen als het systeem faalt. Daarom heb ik
nog de volgende vragen. Wat gebeurt er als structureel te weinig landen kiezen voor
herplaatsing? Wat gebeurt er als landen hun fair share niet nakomen? Welke mogelijkheden
heeft Nederland dan nog om bij te sturen? Het antwoord van de regering blijft hierover
te vrijblijvend, wat ons betreft. Er is geen noodrem en geen harde correctie. Dat
maakt Nederland opnieuw kwetsbaar.
Ook wordt er hier verdeeld op basis van het bbp, het bruto binnenlands product, en
het inwonersaantal, en niet op basis van landoppervlakte. Laat Nederland nu net een
hoog bbp en relatief hoog inwonersaantal hebben én een klein landoppervlak. We zijn
dus zwaar de klos. Graag krijg ik een reactie van de Minister. Als solidariteit echt
eerlijk was geweest, kijk je naar ruimte, bevolkingsdruk en fysieke capaciteit. Dat
gebeurt dus niet.
Voorzitter. Als er een punt is waarop het pact zichzelf moet bewijzen, dan is het
terugkeer. Zonder effectieve terugkeer is elk asielsysteem uiteindelijk een uitnodiging
tot blijven. De regering erkent in haar beantwoording dat terugkeer sterk afhankelijk
blijft van factoren waarop Nederland slechts een beperkte invloed heeft. Zo wordt
aangegeven dat terugkeer afhankelijk is van de medewerking van herkomstlanden, dat
doorlooptijden sterk uiteenlopen en dat er geen gemiddelde termijn kan worden gegeven
tussen definitieve afwijzing en daadwerkelijk vertrek. De regering meldt dat in 2025
ongeveer 58% van de vertrokken vreemdelingen aantoonbaar is vertrokken. Tegelijkertijd
wordt erkend dat een aanzienlijk deel van de vertrekplichtigen zelfstandig vertrekt,
zonder toezicht, waardoor niet kan worden vastgesteld waarheen zij zijn vertrokken.
Dat betekent dat terugkeer niet altijd gelijkstaat aan controleerbaar vertrek. Is
de Minister het daarover met ons eens?
Ook bij gedwongen terugkeer blijven de beperkingen groot. De regering stelt dat vreemdelingenbewaring
alleen mogelijk is zolang er zicht is op uitzetting. Zodra dat zicht ontbreekt, moet
de bewaring worden opgeheven en blijft de vertrekplicht bestaan.
Voorzitter. Ook de grensprocedure biedt geen harde garantie. De regering erkent dat
wanneer terugkeer niet binnen de maximale termijnen kan worden gerealiseerd en zicht
op uitzetting ontbreekt, bewaring moet eindigen. Bovendien kiest Nederland ervoor
om de toepassing van de terugkeergrensprocedure grotendeels uit te sluiten. Ook hier
is dus de vraag: wat is dan de harde garantie dat mensen die eigenlijk weg hadden
gemoeten bij de buitengrens niet alsnog in Ter Apel of Budel belanden? De regering
verwijst naar de toekomstige Europese Terugkeerverordening als mogelijke verbetering,
maar die verordening is nog niet vastgesteld en biedt op dit moment geen concrete
oplossing, nog los van het feit dat we elkaars terugkeerbesluiten gaan uitvoeren.
Voorzitter. BBB concludeert dat terugkeer ook onder dit pact een zwakke schakel blijft.
Kan de Minister hierop reageren?
Voorzitter. Het EU-Asiel- en migratiepact is geen doel op zichzelf, het is slechts
een middel. Dat middel is alleen geloofwaardig als het in de praktijk doet wat het
belooft. Uit de beantwoording van de regering blijkt echter dat juist op cruciale
punten, zoals de buitengrenzen, de solidariteit en vooral de terugkeer, harde garanties
ontbreken. Terugkeer blijft afhankelijk van herkomstlanden, grensprocedures zijn niet
afdwingbaar en solidariteit kent geen noodrem als landen hun verantwoordelijkheid
niet nemen. Dat betekent dat dit pact alleen kan werken als Nederland actief blijft
sturen, nationaal waar het kan en Europees waar het moet. Nederland moet niet afwachten,
niet vertrouwen op papieren afspraken, maar continu toetsen of afspraken ook daadwerkelijk
worden nagekomen. Dat gebeurt niet, maar misschien kan de Minister daar wat over zeggen
om mij te overtuigen dat het wel gebeurt.
Voorzitter, tot slot. Minder instroom begint bij echte grenscontrole. Draagvlak begint
bij een eerlijke en afdwingbare verdeling. Geloofwaardigheid begint bij daadwerkelijke
terugkeer. Zolang die drie niet samenkomen, blijft dit pact vooral een belofte op
papier. Daarvan kan Nederland zich geen herhaling permitteren.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dat is een goed begin; dat gaat vlot. Dan mevrouw Westerveld namens GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. U ziet het dikke pak aan stukken voor mij liggen en u hebt
zelf ook zo’n dikke map, voorzitter. En dit zijn alleen nog maar de oorspronkelijke
stukken. Anderhalve week geleden kwam daar nog een pak van 140 pagina’s bij. Dat waren
de antwoorden op onze schriftelijke inbreng. En dan heb ik alle brieven en adviezen
die we kregen van experts en betrokken instanties en organisaties nog niet eens meegeteld.
Al die stukken horen bij het debat van vandaag, waarin we spreken over een enorme
systeemwijziging. Volgens de IND is het zelfs de meest ingrijpende wijziging van het
asielstelsel van de afgelopen 30 jaar. We behandelen negen verordeningen en één richtlijn
in een keer.
Ik begrijp natuurlijk dat er haast is geboden gezien de deadline van 12 juni waarop
het Migratiepact in werking moet treden, maar ik wil wel kwijt dat ik moeite heb met
de gang van zaken. We weten inmiddels welke gevolgen een onzorgvuldige wetsbehandeling
kan hebben. Daar hebben we het al vaak genoeg met elkaar over gehad. Ondanks de politieke
verschillen van mening die we soms, of beter gezegd vaak, met elkaar hebben, lijkt
me toch dat we allemaal moeten vinden dat wetgeving – toch onze primaire taak – op
een goede manier moet gebeuren. Dat doen we niet alleen door stukken te lezen. Dat
doen we ook door afstemming te zoeken met de eigen achterban, door organisaties en
deskundigen te raadplegen en door met elkaar te zoeken naar punten waarop we kunnen
samenwerken. Ik heb in alle andere commissies waarin ik zit nog nooit meegemaakt dat
er nog geen anderhalve week, en dan tel ik het weekend mee, zit tussen het krijgen
van 140 pagina’s aan antwoorden en het debat. Dat ons geen tijd wordt gegund om dit
fatsoenlijk te doen en om experts te raadplegen, om hun de kans te geven ons hun input
te sturen, vind ik kwalijk. Dit is namelijk geen kleine wet, maar verreweg de grootste
wet die ik heb behandeld in al die negen jaar dat ik Kamerlid ben.
Ik zeg dit ook omdat deze implementatiewet grote gevolgen heeft voor de uitvoeringsorganisaties.
Daar moeten we echt alle oog voor hebben. Dat zijn namelijk de mensen die het uiteindelijk
moeten doen. In het rapport dat we afgelopen weekend hebben ontvangen, zien we bijvoorbeeld
hoezeer die zorgvuldigheid van belang is voor uitvoeringsorganisaties als de IND.
Zij moeten zich immers kunnen voorbereiden op het werk. Zij moeten systemen in orde
brengen. Zij moeten mensen aannemen of mensen bijscholen. Ik had eigenlijk gehoopt
dat we het gedoe van de afgelopen jaren achter ons hadden gelaten en nu op een zorgvuldige
manier met wetgeving om zouden gaan, zeker bij wetten die zo gecompliceerd zijn en
zo veel gevolgen hebben voor de uitvoering en voor de mensen om wie het gaat.
Voorzitter. Ik heb als Nijmeegs raadslid van dichtbij meegemaakt ...
De voorzitter:
Momentje, u heeft een interruptie van de heer Dassen.
De heer Dassen (Volt):
Ik vind het een volledig terecht punt van mevrouw Westerveld dat we goed de tijd moeten
nemen om tot zorgvuldige wetgeving te komen. Ik ben even benieuwd naar het volgende.
Zij maakte een terecht punt over de antwoorden die nu gekomen zijn op de kritiek van
de Raad van State. Is zij dan van mening dat we goed bezig zijn met deze wet als het
gaat om de uitvoering?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik heb het afgelopen weekend de 140 pagina’s proberen door te nemen. Dat is me in
grote mate ook gelukt. Maar op een aantal punten was ik wel teleurgesteld. We hebben
heel specifiek gevraagd naar een aantal keuzes die zijn gemaakt. We hebben, net als
andere partijen, gevraagd waarom bepaalde keuzes zijn gemaakt in dit voorstel, keuzes
die niet noodzakelijkerwijs voortvloeien uit het Europese Migratiepact. We hebben
gevraagd naar vergelijkingen met een aantal landen. We hebben wat betreft de detentie
van kinderen specifiek gevraagd welke alternatieven daarvoor zijn bekeken. Op al die
punten is geen afdoende antwoord gekomen, dus ik had graag nog een extra ronde gehad,
bijvoorbeeld een rondetafelgesprek, een ronde met schriftelijke vragen of nog meer
gesprekken met experts, maar dat lukt fysiek gewoon niet in de korte tijd die we hebben.
De heer Dassen (Volt):
Zeker. We zijn natuurlijk een Europees Migratiepact aan het sluiten. Dit moeten we
in Europa gezamenlijk doen. Als overal nationale koppen op komen, gaan we dit Migratiepact
juist ondermijnen. Wellicht kan mevrouw Westerveld daar nog een laatste reflectie
op geven. Hoe ziet zij dat?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik kan me van de technische briefing nog herinneren dat een aantal ambtenaren van
het ministerie zelf vertelden wat nou het doel is van de verordeningen die we bespreken.
In principe is het doel dat die een-op-een en beleidsneutraal worden doorgevoerd.
Dat hoorde ik natuurlijk ook van onze Europese fractie, die ditzelfde aangaf: het
doel van Europese wetgeving is dat je dat in Nederland met zo min mogelijk koppen
doorvoert. Je moet dus niet allemaal eigen zaken erin verwerken. Ik ga straks, verderop
in mijn tekst, ook nog aangeven waarom we vinden dat het pact van belang is, maar
waarom we op een aantal punten wel flink moeite hebben met keuzes die zijn gemaakt.
Dat gaat dus expliciet om keuzes die niet voortvloeien uit het Europese Migratiepact,
maar die gemaakt zijn in de implementatiewet die vandaag voor ons ligt.
Voorzitter. Ik was aan het vertellen dat ik als Nijmeegs raadslid van dichtbij heb
meegemaakt wat het betekent als er in korte tijd een grote groep vluchtelingen naar
je land komt. Tijdens de oorlog in Syrië, omstreeks 2015, verzochten tienduizenden
vluchtelingen namelijk om bescherming in Nederland, terwijl er te weinig opvangplekken
waren. Daarom besloot Nijmegen om een noodopvang te starten in Heumensoord, midden
op een grasvlakte in de bossen, die uiteindelijk veranderde in modder. Er kwamen grote
witte tenten, waarin zo’n 3.000 mensen werden opgevangen: volwassenen, alleenstaanden
en gezinnen met kinderen.
Ik ken de discussies in de gemeenteraad en met de inwoners van Nijmegen goed. Er waren
natuurlijk zorgen over de grote aantallen. Er waren zorgen over het welzijn van deze
vluchtelingen, in de winter, in gehorige tenten, waar het steenkoud kon zijn, waar
weinig privacy was en wat al zeker geen geschikte plek voor kinderen was. Hoe moeilijk
die situatie ook was, het was wel heel mooi om te zien hoe veel mensen in Nijmegen
om hen heen gingen staan. Tijdens oud en nieuw was er bijvoorbeeld een steunactie
om ervoor te zorgen dat getraumatiseerde vluchtelingen geen nieuwe trauma’s zouden
krijgen van al die knallen. Er werd een eigen nieuwjaarsfeest georganiseerd, waar
uiteindelijk muziekcollectief Yalla Yalla is ontstaan. Die saamhorigheid was mooi,
maar de situatie was natuurlijk vreselijk. Dat soort situaties moeten we echt proberen
te voorkomen. Daarom is verandering nodig.
Het huidige Europese asielbeleid is volledig vastgelopen. Asielzoekers worden niet
eerlijk verspreid over EU-landen, zoals ooit was bedacht in het Dublinakkoord. Uit
onvrede lappen de overbelaste buitengrenslanden de regels aan hun laars. Asielzoekers
reizen door binnen Europa. Er is een vrijbrief ontstaan voor landen om zichzelf steeds
onaantrekkelijker te maken. Dat is een race naar de bodem waarbij uiteindelijk iedereen
verliest. GroenLinks-PvdA staat voor Europese samenwerking, de harmonisatie van regels
om deze problemen het hoofd te bieden en regels die gestoeld zijn op solidariteit.
Het Asiel- en migratiepact zet een belangrijke eerste stap in die Europese aanpak.
Ook is mijn partij voorstander van snelle en zorgvuldige procedures aan de buitengrens
van de EU en van effectieve terugkeer van wie veilig terug kan, zodat mensen snel
duidelijkheid krijgen en het draagvlak in Europa en in Nederland wordt behouden. Hierbij
moeten natuurlijk wel de mensenrechten en de internationale verdragen worden gerespecteerd.
Daartegenover staan ook de veilige routes die nodig zijn voor de kwetsbaarste mensen
die moeten vluchten voor oorlog en geweld. Laten we vooral niet vergeten wie er baat
hebben bij grote groepen mensen die op de vlucht slaan. Dat zijn mensensmokkelaars
die hiervan een verdienmodel hebben gemaakt, met alle gevolgen van dien, waaronder
uitbuiting, seksueel geweld en verdrinkingen. Tienduizenden mensen zijn verdronken
op de Middellandse Zee, waaronder, ook hier weer, kinderen. Ik las vorige week nog
het bericht dat 2026 de dodelijkste start van het jaar voor vluchtelingen kent en
dat er alweer honderden mensen verdronken zijn. Ook dat laat zien dat er haast is
geboden bij nieuw beleid, want dit kan zo niet doorgaan.
Het is geen geheim dat mijn partij bedenkingen heeft. Die hebben we ook al in Europa
laten horen bij de onderhandelingen en discussies over het pact. Een voorbeeld is
het systematisch gevangenzetten van gezinnen met kinderen. Toch hebben we altijd gezegd
dat het Migratiepact zelf, als het er is, en wat erin staat, geïmplementeerd en nageleefd
moet worden. Dat moet gebeuren om solidariteit terug te brengen in het Europese asielsysteem,
om dat systeem zo beter te maken voor mensen.
De verordeningen leggen een groot aantal maatregelen dwingend op, maar er is ook veel
nationale ruimte om keuzes te maken die niet dwingend uit het pact voortvloeien. Ik
had het daar net al even over met de heer Dassen. De Raad van State is hier ook helder
over in zijn advies. Ik parafraseer: de Raad van State zegt dat de regering op verschillende
punten keuzes maakt die niet dwingend uit de verordeningen en de richtlijn volgen,
maar waar het asiel- en migratierecht wel ruimte voor laat. Sommige van deze maatregelen
brengen een grote extra werklast voor de IND en de rechtspraak met zich mee. Ook als
het gaat over kinderen in detentie is dit een nationale keuze. Het pact laat er ruimte
voor, maar een land kan er ook voor kiezen om het niet te doen. Gelukkig doen heel
veel andere landen dat.
De Raad van State stelt dat op het moment dat er een nationale keuze gemaakt moet
worden, dit expliciet in de toelichting bij het voorstel moet worden vermeld. Zij
noemen dan ook drie voorbeelden. Het eerste is de invoering van het tweestatusstelsel.
Daarvan zegt de Raad van State dat we op dit moment voldoende onderscheid maken om
te voldoen aan het pact. De andere twee zijn het verkorten van de verblijfsvergunning
en het afschaffen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Kan de Minister
bevestigen dat er op de punten die ik net noemde inderdaad nationale keuzes worden
gemaakt die niet dwingend voortvloeien uit het Asiel- en migratiepact? Wat is de reden
dat hierover geen duidelijkheid wordt gegeven in de memorie van toelichting, zoals
de Raad van State ook benadrukt? Waarom heeft de regering ervoor gekozen om nationale
keuzes, nationale koppen, te maken? Dit is namelijk uitdrukkelijk niet de bedoeling.
Bovendien zijn er een aantal maatregelen die niet dwingend voortvloeien uit het pact
ook al verwerkt in de asielwetten van Minister Faber, die op 14 april besproken worden
in de Eerste Kamer. Waarom is er voor deze dubbeling gekozen door die maatregelen
ook te verwerken in het Migratiepact? Hoe lopen deze twee trajecten straks verder?
Graag een reactie.
Voorzitter. Ik zei al dat mijn fractie voorstander is van harmonisatie, van betere
en versnelde procedures en van solidariteit. Dat zijn allemaal ook uitgangspunten
van het Migratiepact. Maar juist bij die extra nationale wetgeving die niet voortvloeit
uit het Migratiepact hebben we een aantal fundamentele bedenkingen, omdat deze schuurt
met kinder- en mensenrechten en omdat deze de uitvoeringsorganisaties extra belast.
Daarom hebben we op een aantal punten amendementen ingediend, gedeeltelijk ook samen
met Volt en de ChristenUnie, zoals over kinderen in detentie en het systematisch in
grensdetentie plaatsen van gezinnen met kinderen. Ook is er een amendement over de
obstakels die worden opgeworpen voor de gezinshereniging voor oorlogsvluchtelingen,
zoals de twee jaar wachttijd, de inkomenseis en de huisvestingseis. Ons amendement
wil die obstakels tenietdoen. Daarnaast is er een amendement over het afschaffen van
de vergunning onbepaalde tijd. Ik wil nogmaals zeggen dat het bij al die amendementen
die we hebben ingediend gaat over keuzes die het kabinet maakt en die niet dwingend
volgen uit het pact.
Voorzitter. Wat meer over de detentie van kinderen. Voor mijn fractie is duidelijk
dat kinderen niet in de cel thuishoren, want dat is schadelijk en traumatiserend.
Gezinnen die zijn verscheurd door oorlog horen weer bij elkaar te kunnen komen zonder
daar twee jaar op te moeten wachten. Het is een Nederlandse keuze om de implementatiewet
met deze twee maatregelen hardvochtig te maken. Als er wordt gekeken naar een meerderheid
voor deze wet, wil ik benadrukken dat er een menselijker alternatief is.
Voorzitter. Wie wil nalezen wat het met kinderen doet om in detentie te zitten, zou
ik willen aanraden om het rapport «Papa, hebben we iets ergs gedaan?» te lezen. Dit
rapport werd geschreven in 2014, uitdrukkelijk om de stem van kinderen te laten doorklinken
in het debat over kinderen in vreemdelingendetentie. Het gevangenzetten van kinderen
tast bij hen het basisgevoel van veiligheid aan. Het bleek iets wat ook lange tijd
zichtbaar blijft bij kinderen, ook als zij maar kort vastzitten.
We kunnen ook dichter bij huis kijken. Ik ben al jarenlang woordvoerder jeugdzorg
voor onze fractie. Ik zie van dichtbij de diepe littekens en de trauma’s die kinderen
en jongvolwassenen hebben door hun tijd in de gesloten jeugdzorg. Niet voor niets
heeft de Kamer al een aantal jaar geleden besloten om de gesloten jeugdzorg af te
bouwen, ook partijen als CDA en D66, die daar samen met ons altijd voor pleitten.
Dan is het extra wrang om te bedenken dat VVD-staatssecretaris Teeven destijds grensdetentie
voor kinderen afschafte en het kabinet-Jetten grensdetentie voor gezinnen met kinderen
weer wil invoeren.
Voorzitter. Kan de Minister bevestigen dat het inderdaad een nationale keuze is om
van de mogelijkheid tot het vastzetten van kinderen gebruik te maken? Waarom kiest
de regering daarvoor? Waarom is er ook geen Kinderrechtentoets gedaan? Klopt het dat
onder verschillende omstandigheden wel dwingend uit het pact voortvloeit dat gezinnen
met kinderen in de versnelde grensprocedure terechtkomen, maar dat de grensprocedure
niet per definitie in een gesloten centrum dient plaats te vinden en dat dit ook een
keuze van het kabinet is?
Een van de gronden voor de versnelde grensprocedure is het misleiden van autoriteiten,
maar laten we eerlijk zijn: sommige mensen zijn door de oorlogssituatie waar ze uit
zijn gevlucht, hun persoonlijke documenten verloren. Hoe gaat de Minister borgen dat
dit en soortgelijke omstandigheden niet als misleiding gelden? Een van de andere gronden
voor grensdetentie is een EU-breed inwilligingspercentage van onder de 20%. Dat betekent
dus dat gezinnen met kinderen die bijvoorbeeld vluchten uit Turkije omdat ze om politieke
redenen vervolgd worden, in de versnelde grensprocedure terechtkomen, wat in Nederland
met deze wet gelijkstaat aan grensdetentie. Vindt de Minister het terecht dat deze
gezinnen in detentie terechtkomen als ze uiteindelijk wel een grote kans hebben om
de vluchtelingstatus te krijgen? Hoelang zitten zij dan waarschijnlijk in deze grensdetentie?
De maximumtermijn voor het in vreemdelingendetentie vastzetten van gezinnen waarvan
de asielaanvraag wordt afgekeurd, is nu twee weken, maar wat wordt met deze nieuwe
wet de maximumtermijn voor gezinnen met kinderen?
Heeft de Minister het rapport «Papa, hebben we iets ergs gedaan?» gelezen? Wat vindt
hij van het feit dat kinderen langdurige en soms levenslange schade oplopen van detentie?
Hoe verkoopt de Minister het dat we in Nederland inmiddels allang tot de conclusie
zijn gekomen dat het opsluiten van kinderen schadelijk is, maar dat er nu plannen
liggen om dit wel te doen met kinderen die naar ons land zijn gevlucht? Hoe ziet hij
dit in het licht van het Kinderrechtenverdrag?
Op grond van de Opvangrichtlijn kan detentie slechts plaatsvinden in noodzakelijke
gevallen, op grond van individuele beoordeling en wanneer andere, minder dwingende
maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. De Europese Commissie onderstreept
dit en zegt dat er eerst gekeken moet worden naar alle andere initiatieven voordat
vrijheidsbeperking mag worden toegepast. Welke alternatieven heeft het kabinet onderzocht?
Waarom zijn die uiteindelijk niet gekozen? We hebben hier natuurlijk al eerder naar
gevraagd, ook in het schriftelijk overleg, maar ik heb daar geen afdoende antwoord
op gekregen, dus ik hoor graag een uitgebreide reactie van de Minister op dit punt.
Voorzitter. Dan het versoberen van gezinshereniging. Een gezin dat is verscheurd door
oorlog en geweld hoort herenigd te kunnen worden als iemand die vlucht voor oorlog
en geweld hier een status krijgt. Voor iemand die getraumatiseerd is door oorlog en
bezorgd is over de veiligheid van zijn of haar gezin, voelt een wachttijd van twee
jaar natuurlijk als een eeuwigheid. De versobering van de gezinshereniging is weer
een politieke wens, die op geen enkele manier voortkomt uit het Asiel- en migratiepact.
Dat schrijft de Minister ook in de beantwoording van de schriftelijke vragen. Slechts
het onderscheid in status komt voort uit het pact, en de Raad van State schrijft dat
Nederland daar nu al aan voldoet. Het toeschrijven van verschillende rechten komt
niet per se voort uit het pact. Waarom is ook hier weer voor een hardvochtige maatregel
gekozen? Welke andere lidstaten kiezen voor deze maatregel? Hoe staat dit in verhouding
tot mensen- en kinderrechten?
In de implementatiewet zijn de wetsteksten van de Asielnoodmaatregelenwet en de invoering
van het tweestatusstelsel bijna helemaal overgenomen. Deze wetten bevatten ook juridische
kwetsbaarheden, zoals onder andere door de IND in de uitvoeringstoetsen is verwoord.
Onderdeel hiervan was ook de inperking van gezinshereniging. Vorige week kreeg ik
het bericht dat in België het Grondwettelijk Hof in zijn uitspraak van 26 februari
een gelijksoortige inperking van de gezinshereniging per direct buiten werking gesteld
heeft, omdat dit hof het in strijd acht met het recht op gezinsleven en het belang
van het kind, zoals vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese
Unie. Ik wil de Minister vragen of hij van deze zaak heeft gehoord. Ik denk het eigenlijk
wel. Wat is de kans dat het helemaal niet blijkt te mogen, dus dat we hier wetgeving
willen invoeren die wordt teruggedraaid, die gewoon niet mag? Samen met de ChristenUnie
hebben we een amendement ingediend om dit terug te draaien. Ik vraag de Minister om
deze hardvochtige maatregel te heroverwegen.
Verder besluit het kabinet tot inperking van nareis door de definitie van het kerngezin
aan te passen. Er wordt gekozen voor de meest smalle interpretatie van het kerngezin.
Ook hiervoor geldt weer: dit hoeft dus niet per se. Wat betekent dit voor pleegkinderen
die niet officieel geadopteerd konden worden in het land van herkomst? We weten ook
allemaal dat er juist in een land waar oorlog is nogal wat kinderen zijn die geen
ouders meer hebben.
Voorzitter. Ook voor lhbtiq+-personen wordt een extra drempel opgeworpen. In de definitie
staat «getrouwde stellen», maar in sommige landen kán je niet trouwen met iemand van
hetzelfde geslacht. Daar is dat gewoon onmogelijk, ook al ben je langdurig elkaars
partner. Het stelt me ook weer teleur dat het kabinet daar geen oog voor heeft en
dat ook onze schriftelijke opmerkingen over de moeilijke praktijk waar deze mensen
in terechtkomen, worden afgedaan met procesmatige antwoorden. Het kabinet schrijft
in de schriftelijke antwoorden namelijk dat lhbtiq+-personen zich kunnen blijven beroepen
op artikel 8 van het EVRM, maar ook dat alleen in uitzonderlijke gevallen de conclusie
is dat moet worden berust in toelating en verblijf in Nederland. Betekent dit dat
het voor partners van lhbtiq+-personen veel moeilijker zal zijn om in aanmerking te
komen voor gezinshereniging dan voor heterostellen, die wel mogen trouwen in het land
van herkomst? Samen met Volt hebben we hierover ook een amendement ingediend waarin
we deze omissie rechtzetten. Ik hoop hierbij op steun van alle partijen die zeggen
te staan voor gelijke behandeling en voor emancipatie.
Voorzitter. Dan de vergunning onbepaalde tijd. Volgens de regering vloeit het afschaffen
van de vergunning onbepaalde tijd voort uit het pact, maar volgens de Raad van State
is dat niet het geval en heeft een lidstaat zelf ruimte om de vergunning langer of
voor onbepaalde tijd te verlenen als de status is ingetrokken. We hadden daar eerder
in de verschillende rondetafelgesprekken ook al interessante discussies over. Wat
is volgens de Minister de consequentie voor het inburgeren van statushouders wanneer
zij in onzekerheid blijven? Wat doet dit met baankansen en de potentie om een nieuw
leven op te bouwen? We kunnen natuurlijk op onze klompen aanvoelen dat het voor werkgevers
helemaal niet aantrekkelijk is om iemand aan te nemen waarvan niet zeker is of die
langer kan blijven. Ik wil de Minister ook vragen of dit niet ingaat tegen de doelstellingen
van het coalitieakkoord om ervoor te zorgen dat nieuwkomers aan het werk kunnen. Dat
is de doelstelling van het coalitieakkoord, maar hier lijkt wat anders te gebeuren.
Graag een reactie.
Is het straks voor deze mensen ook nog mogelijk om te naturaliseren? Dat vraag ik
omdat Minister van Weel tijdens de behandeling van de Asielnoodmaatregelenwet zei
dat er een beleidswijziging nodig is om dit mogelijk te maken, zodat er een nieuwe
aanleiding is om naturalisering wél mogelijk te maken. Is die beleidswijziging reeds
gemaakt?
Voorzitter. Volgens mijn fractie is het belangrijk om vluchtelingen zo snel mogelijk
te laten meedoen en op een gegeven moment zekerheid te geven. Daarom dienen we ook
samen met Volt een amendement in voor het handhaven van de vergunning onbepaalde tijd.
Voorzitter. Dan over solidariteit, ook een belangrijk uitgangspunt voor mijn fractie.
De hiervoor beschreven extra koppen op de Europese asielwetten zorgen voor minder
harmonisatie; het pact streeft juist naar harmonisatie. Ook blijft solidariteit in
het Nederlandse beleid achter aangezien de Minister ervoor kiest om die af te kopen.
Waarom kiest Nederland hiervoor terwijl de Europese Commissie Nederland geen uitzondering
verleent omdat de migratiedruk op Nederland te klein is? Is de Minister het met ons
eens dat het afkopen ook de solidariteit ondermijnt met landen die aan de buitengrenzen
van Europa liggen? Zij hebben immers te maken met veel grotere uitdagingen. Kijk naar
de hoeveelheid mensen die bij hen de grens met Europa passeren.
Mevrouw Straatman (CDA):
In het verhaal van mevrouw Westerveld is het helder dat nationale koppen niet passen
binnen het kader van harmonisatie, van de verordening. In dat kader vraag ik me het
volgende af. Ik hoor het betoog van mevrouw Westerveld over bijvoorbeeld de definitie
van «kerngezin». Dat is gedefinieerd in de verordening. Als ik mevrouw Westerveld
goed begrijp, wil zij er op dat punt voor kiezen om wel een extra nationale kop toe
te voegen, die dan juist breder en gunstiger zou zijn. Heb ik dat juist begrepen?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Je kan er gewoon voor kiezen om bijvoorbeeld lhbtiq+-stellen naar Nederland te halen.
Dat is niet per se een extra kop. Dat is een andere invulling van de implementatiewet
die voor ons ligt. Dat past prima binnen het pact. Mijn punt is juist dat er op andere
vlakken echt extra wetgeving toegepast is. Je hebt dus eigenlijk op een aantal punten
bandbreedtes waarbinnen je kan kiezen wat je doet. Als we dan ook kijken naar de antwoorden
op onze schriftelijke vragen, zien we de hele tijd dat er is gekozen voor de meest
sobere, de meest strenge invulling. Ik zou het graag anders willen zien, maar dat
kan allemaal. Mijn grootste bezwaren zitten echt bij die extra wetgeving die er nog
bij op is geplakt, die niet uit het pact voortvloeit en waar Nederland bewust voor
heeft gekozen.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik begrijp de opmerking van mevrouw Westerveld zo dat zij nationale koppen liever
niet heeft op het moment dat die het Asiel- en migratiepact strenger maken, terwijl
die nationale koppen natuurlijk juist bedoeld zijn om het pact effectiever te laten
zijn, om de instroom te kunnen beperken. Maar op het moment dat het Asiel- en migratiepact
iets van ruimte geeft om soepeler te zijn, grijpt mevrouw Westerveld die punten aan.
Ik denk dat dit niet past in het verhaal «laten we in alle lidstaten dezelfde regels
laten gelden». Ik zou dus zeggen: volg de juiste lijn en voldoe dan overal aan de
minimale eisen van het pact, óf bied ruimte, hetzij om soepeler te zijn of, aan de
andere kant, juist strenger.
De voorzitter:
Het was overigens één interruptie, maar dat vindt u vast niet erg. Mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Misschien heb ik het dan net niet goed uitgelegd. Het Europees Asiel- en migratiepact
geeft op een heel aantal punten bandbreedtes, zeg maar invulling, voor nationale wetgeving.
Dat is ook logisch. Het staat ook duidelijk in de memorie van toelichting en het bleek
ook uit de technische briefing. Je moet Europese wetgeving natuurlijk wel vertalen
naar de Nederlandse context en je moet die inpassen in een heel aantal andere wetten.
Je zult daar dus nationale wetgeving voor moeten hebben. Maar daarbinnen zijn er op
een heel aantal punten bandbreedtes. Bij termijnen kiezen wij bijvoorbeeld bijna standaard
voor de meest strenge termijn als het gaat over beroep instellen. Dat geldt voor een
heel aantal andere punten. We zien voortdurend terug dat Nederland bij het kiezen
van bandbreedtes overwegend kiest voor het meest sobere of het meest strenge.
Ons voornaamste bezwaar is dat er is gekozen voor een invulling, voor allemaal extra
wet- en regelgeving, die niet voortvloeit uit het pact. Ik noemde net al de Asielnoodmaatregelenwet
en de Wet invoering tweestatusstelsel. Die vloeien niet voort uit het pact. Ik las
in een aantal inbrengen dat die eigenlijk niet zo veel met het pact te maken hebben.
En dat wordt toch hier in deze wet gefietst. Daar heb ik problemen mee, want dat brengt
verschillende partijen in een lastige positie. Er worden allerlei extra zaken toegevoegd
en er wordt bijna gesuggereerd dat dat moet van Europa. Als we even doorvragen, horen
we van de Raad van State en eerder in de briefing en de antwoorden dat het niet hoeft
van het pact en dat we ervoor gekozen hebben om dat te doen. Daar zit mijn grootste
probleem. Ik zou graag willen dat we het Europees Asiel- en migratiepact zo veel mogelijk
een-op-een uitvoeren, zoals ook de bedoeling is.
De voorzitter:
Dan gaat mevrouw Westerveld door met haar betoog. Nee, sorry, er is een interruptie
van mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik ben wel even benieuwd hoe GroenLinks-PvdA aankijkt tegen de zorgen van mensen die
al in Nederland wonen over bijvoorbeeld gezinshereniging. Tienduizenden mensen staan
nog op een wachtlijst om hierheen te komen. We hebben een woningtekort, een lerarentekort
en een zorgtekort. Zou mevrouw Westerveld kunnen aangeven hoe zij aankijkt tegen de
zorgen van Nederlandse mensen of in ieder geval mensen die in Nederland wonen?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik wijs in mijn tekst een aantal keren bewust op draagvlak. Ik ben me ervan bewust
dat je voor een goed asiel- en migratiebeleid draagvlak moet hebben in de samenleving.
Maar laten we niet vergeten dat het de afgelopen jaren een bewuste politieke keuze
was om te bezuinigen op bijvoorbeeld uitvoeringsorganisaties zoals de IND. Het heeft
heel lang geduurd voordat er duidelijkheid was over de Spreidingswet. Gemeenten en
wethouders van verschillende politieke partijen, echt niet alleen van mijn partij,
klopten bij ons aan met de vraag: geef daar op tijd duidelijkheid over, want dan weten
we wat we moeten doen en hoeven we niet telkens gebruik te maken van noodopvangvoorzieningen
die niet geschikt zijn voor kinderen, maar ook niet voor heel veel mensen, en die
een stuk duurder zijn.
We hebben in ons verkiezingsprogramma duidelijk gezegd dat we het rapport van de commissie
over demografische groei volgen en dat we ook willen sturen op migratie, maar de focus
leggen op arbeidsmigratie. Uit verschillende rapporten blijkt dat die beter te sturen
is, dat de verhouding arbeidsmigranten ... Het zijn er naar schatting 1,2 miljoen,
een veel grotere groep. Ook vanuit mijn portefeuille dakloosheid weet ik waar deze
mensen in belanden als er niet goed met hen wordt omgegaan. We snappen die zorgen
helemaal, maar heel veel van die zorgen over het totaal vastgelopen asielstelsel komen
voort uit politieke keuzes die de afgelopen jaren zijn gemaakt. Ik vind het in deze
discussie ingewikkeld dat ik me soms lijk te moeten verantwoorden voor politieke keuzes
die niet de mijne zijn, terwijl we duidelijk aangeven dat wij alle zorgen van mensen
in de samenleving kennen en dat wij ook vinden dat er andere politieke keuzes gemaakt
moeten worden.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Mevrouw Westerveld gooit het op de arbeidsmigratie, maar de arbeidsmigranten houden
wel onze economie draaiende. We kunnen wel zeggen dat we deze uitzendkrachten in sommige
sectoren moeten verbieden of dat we de inzet van deze mensen moeten indammen, maar
een feit is dat we in Nederland niet genoeg mensen hebben om spullen voor ons te maken,
voor onze ouderen te zorgen, kantoren schoon te maken en woningen te bouwen. Dat zijn
wel sectoren, net als de sector van de voedselproductie, waar de meeste arbeidsmigranten
werken. Ik ben benieuwd hoe mevrouw Westerveld en haar partij ervoor gaan zorgen dat
de economie blijft draaien als we de arbeidsmigratie gaan inperken, en als we daar
de focus helemaal op leggen in plaats van op de asielinstroom.
De voorzitter:
U zat overigens bij de eerste interruptie op 34 seconden en bij de tweede op 50 seconden.
Maar ik weet dat u dat kan redden.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik stel voor dat we hier geen debat over arbeidsmigratie van maken. Dit staat duidelijk
beschreven in ons verkiezingsprogramma. Het is ook uitgebreid besproken in andere
debatten. Ik probeer aan te geven dat we altijd kijken naar draagvlak in onze samenleving.
Draagvlak is ook een gevolg van politieke keuzes. Misschien moet ik het daar even
bij laten.
O ja, nog even het volgende. De nieuwe coalitie heeft natuurlijk wel, ook in het coalitieakkoord,
opgeschreven dat ze wil dat mensen meedoen vanaf dag één. Dat is een ambitie waar
ik van harte achter sta. Ik heb in de afgelopen jaren verschillende keren met vluchtelingen
gesproken. Zij willen heel graag iets doen en heel graag bijdragen aan onze samenleving,
en zij mogen dat niet. Dus dit is een ambitie die wij van harte ondersteunen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Even voor de Handelingen: ik ben zelf niet begonnen over arbeidsmigratie; dat was
mevrouw Westerveld zelf. Ik constateer dat arbeidsmigranten wel gewoon deelnemen aan
onze samenleving. Die werken en dragen bij aan onze economie. Mijn vraag was: hoe
gaan we dat dan doen?
De voorzitter:
Ik zie mevrouw Westerveld knikken, dus dan ga ik naar de heer Van Dijk voor een interruptie.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Mevrouw Westerveld had het een aantal keren over politieke keuzes. Daar moeten we
het inderdaad over hebben, juist als het gaat om fundamentele wetgeving zoals die
nu voorligt. Het is duidelijk dat bij GroenLinks-PvdA stevige weerstand bestaat ten
aanzien van een verdere versobering en aanscherping van het asielbeleid. Dat is natuurlijk
een volstrekt legitiem standpunt. Tegelijkertijd is dezelfde partij GroenLinks-PvdA
mordicus tegen elke versobering van onze verzorgingsstaat. Dat vind ik ingewikkeld.
Er zijn inmiddels ontzettend veel studies die laten zien dat relatief open grenzen
en een luxe verzorgingsstaat met elkaar schuren. Op dat punt zul je moeten kiezen.
Waar kiest van GroenLinks-PvdA uiteindelijk voor?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Wij kiezen duidelijk voor sturen op migratie. Wij volgen het rapport van de staatscommissie
over de demografische groei. Daarin wordt volgens mij gesproken over een bandbreedte
van 40.000 tot 60.000. Wij hebben juist altijd uitgedragen dat wij de aanbevelingen
in dat rapport steunen. Ik begrijp best wat de heer Van Dijk zegt, maar het gaat een
beetje de kant op dat hij suggereert dat wij hebben uitgedragen dat iedereen altijd
maar ons land mag binnenkomen. Dat is niet wat ik nu zeg en dat is ook niet wat mijn
voorganger Kati Piri in de afgelopen debatten de hele tijd heeft gezegd. Dat is dus
een beeld dat bij mijn weten niet klopt.
Waar wij enorme bezwaren bij hebben, is dat in de implementatiewet keuzes worden gemaakt
die niet voortvloeien uit het pact. Ik heb daar een aantal bezwaren uitgelicht, waaronder
de detentie van kinderen en de enorm sobere regels die zijn opgelegd aan mensen op
het punt van de gezinshereniging. Dat zijn de zwaartepunten en daarom benoem ik die
uitdrukkelijk in mijn betoog. Daarom ook hebben wij op deze punten amendementen ingediend.
Wij kunnen heel goed het Migratiepact invoeren zonder dat daarboven allerlei extra
strenge en sobere keuzes worden opgelegd.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank voor deze reactie, zeg ik tegen collega Westerveld. Ik denk dat het beeld dat
GroenLinks-PvdA bepaald niet voorop heeft gelopen om ons asielbeleid strikter en realistischer
te maken, niet helemaal uit de lucht gegrepen is. Maar ik ben blij met de realistische
toon die wordt aangeslagen. Als er wordt erkend dat er echt wat moet gebeuren, ook
om onze verzorgingsstaat in de lucht te houden, dan vind ik het heel moeilijk om te
begrijpen dat ik nu vooral heel veel kritiek hoor op wat er nu voorligt. Er zijn eigenlijk
ook alleen maar amendementen en voorstellen om het toch weer te versoepelen.
De voorzitter:
Dat was 35 seconden. Ik ben scheidsrechter vandaag, of de VAR; ik ben gepromoveerd.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik was juist begonnen met aangeven waarom wij het zo belangrijk vinden dat het Migratiepact
er is. We zijn namelijk heel erg voor solidariteit. We zijn voor eenduidige regels.
We zijn voor landen die elkaar helpen en voor snelle duidelijkheid aan de buitengrenzen.
We zijn ook voor een veel snellere, maar wel eerlijke, afhandeling van asielaanvragen,
omdat het onmenselijk is dat zo veel mensen hier moeten wachten. Dat komt natuurlijk
ook door de lange wachttijden bij de IND, waardoor mensen nu gemiddeld vijftien maanden
moeten wachten op hun tweede gehoor. Ik ben dus juist begonnen met aangeven waarom
wij het zo belangrijk vinden dat er verdere stappen worden gezet.
Ik heb wel een aantal vragen over de extra nationale keuzes die worden gemaakt. Daarom
hebben wij ook amendementen ingediend. Er is duidelijk te zien dat deze keuzes nog
voortkomen uit wat het vorige kabinet heeft gedaan. Een deel van de discussie overlapt
natuurlijk met de discussies die destijds zijn gevoerd over het tweestatusstelsel
en de Asielnoodmaatregelenwet. Die zien we hier nu weer terug. Daar hebben wij bezwaren
tegen, omdat die in deze wet worden ingevlochten. Daar gaan onze amendementen over.
Dat betekent absoluut niet dat wij tegen het Migratiepact zijn. Sterker nog, wij zijn
ervoor. Dat heb ik nu een paar keer genoemd. Wij hebben alleen moeite met de nationale
keuzes die worden gemaakt.
De voorzitter:
Oké. U gaat verder, mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik was gebleven bij solidariteit. Dit is misschien wel een mooie overgang. In het
kader van solidariteit vindt mijn fractie het niet gewenst om je als land in te spannen
voor het strengste asielbeleid van Europa in plaats van voor het harmoniseren van
regels. Dat had de vorige regering in de memorie van toelichting geschreven en dat
wordt nu door dit kabinet probleemloos overgenomen. Mijn vraag is of het inderdaad
de keuze is van deze regering om het strengste asielbeleid van Europa in te voeren.
Zo nee, dan zeg ik dat dat de facto wel voortvloeit uit het pact, gezien er bij de
keuzeruimte vaak is gekozen voor de strengste variant. Daarover ging het ook al even
in het interruptiedebatje.
Voorzitter. In de inleiding van mijn bijdrage had ik het over de uitvoering. Ik wil
daarbij nog een paar punten noemen. Afgelopen vrijdag verscheen er een bericht in
Trouw. Op verzoek van de Kamer kregen we zaterdag het interne rapport van de IND te
zien. Daarin worden grote zorgen geuit over de vraag of de dienst klaar is voor de
inwerkingtreding van het pact. Die zorgen zijn logisch aangezien het een grote stelselverandering
betreft, maar onnodig omdat de invulling van de implementatiewet veel beleidsarmer
en minder complex in de uitvoering was geweest als er dichter bij het strikt noodzakelijke
van dit pact was gebleven. Ik begrijp niet goed dat we nu een goed systeem hebben
van juridische counseling, juridisch advies, door VluchtelingenWerk en gespecialiseerde
advocaten, maar dat dat volledig wordt uitgekleed en wordt belegd bij de IND. Mijn
vraag aan de Minister is of het niet veel verstandiger zou zijn om de IND te ontlasten
en de juridische counseling te blijven beleggen bij de mensen die dat nu al doen.
Doet het rapport van afgelopen weekend, waarin we kunnen lezen dat de IND het extra
werk niet aankan, de Minister nog van mening veranderen? Dat lijkt mij zeer wijs,
maar dat kan ook gewoon binnen het pact. Het is een keuze om de IND deze taken te
geven, die leiden tot een enorme extra werklast.
Ik zeg dit ook omdat wij begrepen dat het volgens de laatste schattingen nog vijf
jaar duurt voordat de huidige voorraad is behandeld. Dat vind ik een naar woord, maar
dat is een woord voor mensen in de wachtrij. Wat gebeurt er met deze mensen? Gaan
zij straks niet onnodig lang een plek bezet houden binnen een COA-locatie? Dat is
in de eerste plaats een naar vooruitzicht voor hen, maar dat belast ook onnodig het
draagvlak in onze samenleving.
Graag hoor ik ook de reactie van de Minister op de opmerking die onder meer de Raad
voor de rechtspraak maakte bij het rondetafelgesprek bij ons. Zij gaan uit van 19.000
extra zaken per jaar in 2028. Zij zeiden daarbij dat ongeveer de helft voortkomt uit
de keuze die het kabinet maakt om oorlogsvluchtelingen veel minder rechten toe te
kennen dan mensen die vanwege andere redenen bescherming zoeken. Zij stelden ook dat
het afschaffen van de voornemenprocedure leidt tot meer werk. En dan citeer ik even:
de voornemenprocedure zorgt er nu nog voor dat een behoorlijk aantal beroepen bij
de rechtbank wordt voorkomen, omdat motiveringsgronden en fouten kunnen worden hersteld
voorafgaande aan een beroep bij de rechter.
In datzelfde gesprek vertelden ze ook dat de hoge werkdruk ertoe leidt dat er keuzes
gemaakt moeten worden over het inzetten van rechters en dat dit ook gevolgen kan hebben
voor andere terreinen. Daarbij werden toen specifiek familierecht, bijvoorbeeld uithuisplaatsingen,
en situaties waarbij slachtoffers zijn, genoemd. Als er keuzes gemaakt moeten worden,
kan dit dus ook voor deze domeinen betekenen dat zaken langer moeten wachten, zo gaven
zij aan. Ook dat heeft natuurlijk gevolgen voor het draagvlak in de samenleving. Daarover
heb ik twee vragen. Hoe ziet de Minister de adviezen van de Raad voor de rechtspraak
ten aanzien van zijn keuzes om nationale maatregelen in te voeren in deze implementatiewet?
Wat gaat hij doen om de werkdruk te verlichten?
Voorzitter. Dan rond ik af. Wij, GroenLinks-PvdA, zijn voor een eerlijker systeem
met duidelijke regels en snelle procedures, in het belang van mensen zelf maar ook
voor het draagvlak in de samenleving. Wij willen af van het verdienmodel van mensensmokkelaars.
We zijn voor solidariteit tussen landen onderling en in onze samenleving. We willen
ook dat de uitvoeringsorganisaties worden ondersteund. Dat zijn de mensen die het
werk echt moeten doen. Maar in een democratische rechtsstaat als de onze zijn kinder-
en mensenrechten altijd leidend. Daarom hoop ik dat de coalitiepartijen goed kijken
naar de amendementen die wij samen met Volt en de ChristenUnie hebben ingediend. Want
wij staan vandaag voor een keuze, zeg ik ook tegen mijn collega’s: de keuze voor een
humaan en menswaardig beleid, met draagvlak maar ook zeker met oog voor kinder- en
mensenrechten.
De voorzitter:
Ik kijk even rond. Wij zijn aan het einde gekomen van de eerste termijn van mevrouw
Westerveld. We gaan naar mevrouw Vondeling, voor haar eerste termijn namens de PVV.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Voorzitter. Elke week melden zich nog steeds 800 tot 900 asielzoekers in Nederland.
Het asielbeleid is al jaren dweilen met de kraan wagenwijd open. De kosten rijzen
de pan uit. Een gemiddelde asielmigrant kost de Nederlandse Staat volgens deskundigen
als Jan van de Beek zo’n € 800.000 over zijn hele leven. Inclusief nareizigers gaat
het zelfs richting de 1,3 miljoen euro per asielmigrant. Dat betekent dat asielmigratie
ons land jaarlijks tussen de 20 en 25 miljard euro kost, miljarden die we veel beter
kunnen uitgeven aan onze eigen mensen, aan woningbouw, zorg, veiligheid en lagere
lasten voor Nederlanders.
Van de statushouders die drie jaar geleden begonnen zijn aan een inburgeringstraject
leeft driekwart nog steeds van een uitkering. Grote aantallen mensen komen hiernaartoe
en maken ten volle gebruik van onze verzorgingsstaat, maar dragen er nooit aan bij.
Mensenhandel, fraude, overlast en criminaliteit gaan hand in hand met deze asielchaos.
Azc’s schieten als paddenstoelen uit de grond in wijken waar niemand ze wil, terwijl
Nederlandse gezinnen jaren op een wachtlijst staan. Dit asielbeleid is onhoudbaar.
Het is een aanslag op Nederland.
Het asielbeleid van dit kabinet leunt zwaar op het Europees Asiel- en migratiepact,
waarvan we vandaag de implementatiewet bespreken. Maar dit pact is gebouwd op drijfzand.
Het is een rampzalige papieren tijger, die de massale instroom niet tegenhoudt maar
alleen maar probeert te verdelen over Europa. Het biedt nul komma nul antwoorden op
de problemen die Nederland al jaren teisteren: overlast, criminaliteit, islamisering,
en een enorme druk op onze verzorgingsstaat en cultuur. Het pact gaat prat op de rechten
van asielzoekers, met mooie woorden over bescherming, procedures en menselijkheid.
Maar waarom denken wij hier in deze Kamer eigenlijk nooit aan de rechten van Nederlanders?
Waarom worden keer op keer de rechten van Nederlanders ondergeschikt gemaakt aan die
van gelukszoekers en criminelen?
Van links tot rechts in deze Kamer hebben we het continu over de rechten van minderheden,
over homo’s, over Joden, over vrouwenrechten, maar tegelijkertijd importeren we puur
kwaad, islamitisch kwaad. Christelijke immigranten uit Canada zouden dit niet doen.
Het is de sloop van onze identiteit en cultuur. Het is het buigen voor shariapraktijken.
En wie betaalt de prijs? Niet de mensen die hier veilig in hun ivoren toren zitten.
Nee, de gewone Nederlander. Dat meisje van 17 die in Hardenberg van haar fiets is
gesleurd door een asielzoeker terwijl hij haar probeerde te verkrachten. Die jonge
vrouw van 19 die in Rotterdam seksueel werd belaagd en ernstig werd mishandeld door
een asielzoeker. De moeders en vaders die hun dochters niet meer alleen naar school
durven laten gaan. Heel Nederland betaalt de prijs voor dit naïeve en laffe opengrenzenbeleid.
Dit pact gooit wel met mooie woorden over grensprocedures en terugkeer, maar in de
praktijk kunnen gelukszoekers gewoon doorlopen naar Nederland. Vastzetten is nauwelijks
mogelijk en de buitengrenzen blijven zo lek als een mandje. Zoals de Minister zelf
in antwoord op onze vragen heeft toegegeven: er komt geen hek om Europa. Zodra die
mensen ongescreend ons land binnen zijn gekomen, zou de Minister natuurlijk alles
op alles moeten zetten om hun reisroute en hun identiteit te traceren. Maar wat blijkt
uit het rapport van de IND? Identificatie en registratie zijn een puinhoop. Telefoons
en andere gegevensdragers worden niet uitgelezen. Dat is toch werkelijk van de gekke!
Als er een wetswijziging voor nodig is om die telefoons wél uit te kunnen lezen, waarom
ligt dat wetsvoorstel dan niet allang met spoed bij ons in de Kamer? Waarom is er
dit getreuzel? Ik zal hier een motie over indienen.
In plaats van grip te krijgen op migratie, creëert dit pact alleen maar meer bureaucratie
en meer mogelijkheden om door te procederen. Het verplicht Nederland om asielzoekers
af te kopen of nog meer mensen op te nemen. Dat is geen bescherming van Europa; dat
is capitulatie. Europa heeft op asielgebied nooit iets voor elkaar gekregen. Dit wordt
de zoveelste flop op rij. Polen, Hongarije en Slowakije hebben al keihard aangegeven
dat zij het pact niet gaan uitvoeren. Ze nemen geen extra asielzoekers over en betalen
geen cent extra. Ik roep de Minister op: doe hetzelfde. Betaal desnoods een boete,
net als Hongarije doet. Dat is namelijk een schrijntje vergeleken met de tientallen
miljarden euro’s die de open grenzen de belastingbetaler jaarlijks kosten.
De voorzitter:
U heeft een interruptie van mevrouw Straatman.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik hoor mevrouw Vondeling zojuist zeggen: het pact creëert extra mogelijkheden om
te kunnen doorprocederen. Zou ze dat kunnen toelichten?
Mevrouw Vondeling (PVV):
Ik was het wetsvoorstel en de memorie van toelichting aan het lezen en echt om de
pagina stond er wel een mogelijkheid voor asielzoekers om door te procederen tegen
een deelbesluit, of het nu gaat om grensdetentie of om binnen de procedure. Er worden
heel veel mogelijkheden gecreëerd. Wij vinden dat gewoon gekkenwerk.
Mevrouw Straatman (CDA):
In uitspraken van de Raad van State lezen we vaak: doorprocederen gebeurt met name
omdat we het tweestatusstelsel invoeren. Oftewel, mensen die een subsidiaire bescherming
krijgen, gaan daarna doorprocederen om hun A-status, hun vluchtelingenstatus, te krijgen.
Maar dat zijn de wetten die nota bene mevrouw Faber in het vorige kabinet erdoor heeft
gekregen. Maken de mogelijkheden om door te procederen het juist niet mogelijk om
het tweestatusstelsel in te voeren?
Mevrouw Vondeling (PVV):
Het gaat om elk ander vlak waarop doorgeprocedeerd mag worden. Het gaat dus niet alleen
om het tweestatusstelsel. Ik vind het gewoon te gek voor woorden dat er bijna op elk
deelbesluit doorgeprocedeerd worden. Ik weet niet of mevrouw Straatman zelf de memorie
van toelichting heeft gelezen, maar daar staat het letterlijk in.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik kan mevrouw Vondeling geruststellen: ik heb de memorie van toelichting gelezen.
In vorige wetgeving was er inderdaad minder mogelijkheid om door te procederen als
het gaat om dat tweestatusstelsel. Dat wordt nu juist aangepast, om die strengere
regels te stellen op basis van nareis. Dat is volgens mij precies wat de PVV wil.
Sterker nog, dat zijn de wetten van Faber geweest. Als het hier gaat over meer mogelijkheden
die worden gecreëerd om door te procederen, dan zou ik wel het hele verhaal vertellen,
namelijk dat die het juist mogelijk maken om de wetten strenger te maken. Ja, het
pact biedt die ruimte, maar ik kan me niet anders voorstellen dan dat mevrouw Vondeling
heel graag wil dat de wetten van mevrouw Faber ook worden uitgevoerd.
De voorzitter:
Dat waren 39 seconden.
Mevrouw Vondeling (PVV):
U richt zich op één onderdeel van het pact, namelijk op het tweestatusstelsel, terwijl
ik het heb over het gehele pact en de mogelijkheid om te procederen op elk deelbesluit.
Daarnaast is dat niet de enige kritiek die mijn fractie op dit pact heeft. Wij hebben
eigenlijk op elk punt kritiek, dus niet alleen wat betreft doorprocederen. Maar mijn
kritiek ziet zeker niet alleen op het tweestatusstelsel.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De ChristenUnie is altijd kritisch geweest op het tweestatusstelsel, juist omdat je
daarmee de beroepsmogelijkheden vergroot. Het CDA, de PVV en de meerderheid van de
Kamer hebben er willens en wetens voor gekozen. Dat is geen keus van dit kabinet.
Dat was een keus van mevrouw Faber, die deze wetten zodanig ontworpen heeft. Mijn
vraag aan u is: is het voorstel voor de PVV van mevrouw Faber achteraf gezien een
slim idee, of een onverstandig idee? U heeft wel voorgestemd. Het komt uit de hand
van mevrouw Faber. Dan heb ik het specifiek over het tweestatusstelsel, met als gevolg
dat je moet doorprocederen. Deze discussie hebben we gehad met elkaar.
De voorzitter:
Dat waren 44 seconden, maar meneer Ceder heeft de spelregel misschien niet meegekregen:
onder de 30 seconden is een interruptie gratis en boven de 30 seconden telt die voor
twee. U heeft er maximaal tien.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Meneer Ceder gaat eigenlijk door op hetzelfde punt als mevrouw Straatman. Mijn kritiek
ziet op het doorprocederen in het gehele pact, niet alleen op het tweestatusstelsel.
Onze fractie vindt dat de gezinshereniging heel erg moet worden beperkt. Wij zien
gewoon het liefst een stop. Het tweestatusstelsel is niet genoeg voor nu. Wij willen
gewoon een tijdelijke stop op gezinshereniging. Daar heb ik ook een amendement voor
ingediend. Ik heb het over alle punten waarop doorgeprocedeerd kan worden. Als je
kijkt naar het wetsvoorstel, zie je dat op elk punt, tegen elk deelbesluit, of het
nou gaat om een grensprocedure of om inbewaringstelling, kan worden doorgeprocedeerd.
Daar heeft mijn fractie kritiek op.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Mijn vraag is niet beantwoord. Het tweestatusstelsel met de mogelijkheid om door te
procederen komt van mevrouw Faber. Vindt de PVV, die daarmee heeft ingestemd, het
nu een goed of een slecht besluit om dat zo te doen?
Mevrouw Vondeling (PVV):
Zoals ik net heb aangegeven, is onze fractie natuurlijk voor het beperken van gezinshereniging,
dus voor een tweestatusstelsel. Alleen vinden wij het eigenlijk niet genoeg. Wij willen
dus een tijdelijke stop op alle gezinshereniging. Er staan nu 53.000 nareizigers klaar
in het buitenland om naar Nederland te komen. Nederland kan dat niet aan. Waar moeten
we die mensen laten? Wij willen dus nog een stap verder gaan, en dat is een tijdelijke
stop op alle vormen van nareis.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dan concludeer ik dat de PVV het een goed besluit vond van mevrouw Faber om met dit
voorstel te komen, inclusief de mogelijkheid om door te procederen. Dat wil ik even
markeren, omdat het in de wirwar van verschillende argumenten die aangedragen worden,
klopt dat de PVV hier gewoon voor heeft gestemd en dit waarschijnlijk ook een goed
punt vindt, zoals net uit de interruptie bleek. Dat wou ik even markeren.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Dan wil ik eigenlijk ook nog even markeren dat wat de ChristenUnie en kennelijk ook
het CDA betreft gezinshereniging gewoon voor iedereen ongelimiteerd mogelijk mag zijn,
want als u zo veel kritiek heeft op dat tweestatusstelsel, dan zegt u: iedereen mag
ongelimiteerd een aantal gezinsleden zonder voorwaarden naar Nederland halen. Daar
is de PVV inderdaad niet voor. Het doorprocederen vinden wij in het gehele pact een
probleem. Wat betreft die gezinshereniging zeggen wij: wij willen het eigenlijk nog
strenger.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Daarop wil ik reageren, want ik word aangesproken. Dat is niet waar. De PVV heeft
ingestemd met het tweestatusstelsel, wat een vertraging oplevert, maar geen inperking.
Na twee jaar en met huisvesting kunnen gezinsleden alsnog komen. Het is wel waar dat
er een minimumleeftijd is ingesteld; daar was de ChristenUnie niet op tegen. Maar
de PVV staat er ook voor dat iedere persoon die aan die voorwaarden voldoet uiteindelijk
herenigd mag worden. Dat voorstel heeft mevrouw Faber ingediend. Daar heeft de PVV
mee ingestemd. U moet dus niet doen alsof u dat niet gedaan heeft, zeg ik via de voorzitter.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Ik wil niet de hele tijd reageren, hoor, maar ik wil wel even opmerken dat wij daarna
een tienpuntenplan hebben ingediend om een tijdelijke stop op gezinshereniging in
te voeren.
De voorzitter:
Mevrouw Vondeling gaat verder met haar bijdrage. Ze moet even kijken waar ze was.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Excuus, ik moest even kijken waar ik was gebleven.
Stop met leunen op Brusselse luchtkastelen, zeg ik tegen de Minister, en neem nationale
maatregelen om de instroom te stoppen. Stop met het opofferen van Nederlandse meisjes
en vrouwen op het altaar van Brusselse mensenrechtenretoriek en stop met het importeren
van dit kwaad. Doe wat andere landen ook doen; dat werkt. Duitsland stuurt asielzoekers
aan de grens terug en voert gedwongen uitzettingen uit. Oostenrijk heeft een stop
op nareis ingevoerd en Polen een asielstop bij illegale grensoverschrijdingen. België
heeft eerder besloten geen alleenstaande mannen meer op te vangen. Waarom doet Nederland
nog steeds niets, vraag ik de Minister. Waarom blijven wij de enige sukkels in Europa
die alles maar slikken?
De PVV zegt: we moeten onze eigen grenzen bewaken en per direct een asielstop invoeren;
grenzen dicht en geen uitzonderingen. Laat geen asielzoeker meer ons land binnen;
stuur ze direct terug aan de grens. Ze komen immers uit veilige landen. We kunnen
ook niet meer wachten met het nemen van maatregelen op nareis. Er staan 53.000 familieleden
van statushouders klaar in het buitenland om naar Nederland te komen. Er moet daarom
nu onmiddellijk een stop op nareis worden ingevoerd, in alle gevallen. Sluit ook azc’s.
Gooi die vreselijke dwangwet vandaag nog de prullenbak in. Trek verblijfsvergunningen
direct in als het land van herkomst weer veilig is. Begin met remigratieprogramma’s,
inclusief gedwongen vertrek, bijvoorbeeld voor Syriërs. Laat ze teruggaan naar hun
eigen land om het te helpen opbouwen in plaats van hier de boel af te breken. Stuur
criminele vreemdelingen ons land uit en stel illegaliteit strafbaar.
Voorzitter, ik zal afronden. Voor de PVV is duidelijk dat deze implementatiewet verre
van voldoende is om de instroom te stoppen. Ik heb daarom ook een aantal amendementen
opgesteld: één om de Spreidingswet in te trekken, een amendement om onmiddellijk een
tijdelijke stop op nareis in te voeren en een amendement, dat straks wordt ingediend,
om illegaliteit strafbaar te stellen. Ook zal ik in de tweede termijn een aantal moties
indienen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dan kijk ik even rond of er nog interrupties zijn. Dat is niet het geval. Dan gaan
we naar meneer Van Asten, die spreekt namens D66, voor zijn eerste termijn.
De heer Van Asten (D66):
Dank, voorzitter. De afgelopen periode hebben we eindeloos veel politieke discussies
gezien over asiel en migratie, maar de échte grote oplossingen bleven uit. Wie zijn
daarvan de dupe? Dat zijn de mensen die resultaten willen zien van politiek, de mensen
die oprecht controle willen hebben over instroom en snelle afhandeling van aanvragen
en terugkeer van mensen die hier niet kunnen blijven, en natuurlijk de mensen die
vluchten voor oorlog en geweld en alles achter zich laten om een vrij en veilig nieuw
thuis te vinden. Voor al deze mensen wordt het tijd dat de politiek niet langer eindeloos
in cirkels blijft praten, maar gaat leveren. Het Migratiepact biedt daarvoor flinke
kansen: kansen om een einde te maken aan een vastgelopen asielketen, kansen om te
voorkomen dat mensen met gevaar voor eigen leven hun lot in handen moeten leggen van
nietsontziende mensensmokkelaars, en kansen om wachtlijsten te verkorten en de doorstroom
op gang te brengen, zodat we niet hoeven terug te vallen op dure noodopvang in boten
en hotels, zoals onder het vorige kabinet. Het biedt kansen om procedures te versnellen,
zodat vluchtelingen sneller kunnen starten met een nieuw leven in Nederland, met mogelijkheden
om te werken, te leren of de Nederlandse taal snel onder de knie te krijgen. Met het
Migratiepact kunnen we een grote stap vooruitzetten voor vluchtelingen die jarenlang
aan de zijlijn staan, voor personen die moeten terugkeren en voor inwoners die gewoon
een goed werkend asielsysteem willen.
Voorzitter. In dit debat over het Migratiepact wil ik namens de fractie van D66 drie
uitgangspunten benadrukken: in Europa samenwerken aan een migratieoplossing, snel
aan de slag met een goede invoering en een wet die mensen zekerheid biedt en hen verder
brengt.
Voorzitter. Ik begin bij de samenwerking in Europa. Jarenlang heerste in Europa het
principe van ieder voor zich en sloot het migratiebeleid van landen amper op elkaar
aan. Voor het eerst in onze geschiedenis wordt een asielsysteem gecreëerd dat op hoofdlijnen
in heel Europa hetzelfde is. Daar is tien jaar over onderhandeld. Als we nog verder
terugkijken, zien we misschien nog wel eerdere discussies. Nu gaan we als Europa eindelijk
samen stappen zetten om hiermee aan de slag te gaan. Dit is een belangrijk resultaat
van Europese samenwerking dat ook echt het verschil kan maken. Zowel de IND als het
COA geeft aan dat het pact de wachttijden en procedures zal inkorten.
Voorzitter. We hoeven er niet omheen te draaien: het Migratiepact is een behoorlijke
kluif aan wetgeving, waar ook nog eens een enorme tijdsdruk op staat omdat het hoe
dan ook op 12 juni in zal gaan. Snelheid is dan belangrijk. Onder het vorige kabinet,
onder Minister Faber, is er onnodig veel tijd verloren gegaan. Ik wil de nieuwe Minister
vragen hoe hij ervoor zorgt dat hij met de hele keten hier op 12 juni klaar voor is.
De IND heeft daarbij een spilfunctie. We lazen in hun brief van afgelopen weekend
dat zij in principe per 12 juni van start kunnen gaan. Ik vraag de Minister wat de
IND nog van ons nodig heeft om de implementatie van dit pact tot een succes te maken.
Kan de Minister aangeven wat nog nodig is om de IT-structuur op tijd te starten? In
het rapport las ik ook over de discussie over Ter Apel en Budel. Eigenlijk wordt alles
op Ter Apel gesitueerd. De vraag is of dat voldoende is. Wat betekent dat voor mensen
die in procedure gaan in Budel zelf? Moeten die voor screening et cetera allemaal
op en neer van Budel naar Ter Apel? Dat is een treinverbinding die niet direct is,
zullen we maar zeggen.
Voorzitter. Ik denk ook aan de rechtspraak. Die geeft aan extra zaken te verwachten
nadat het Migratiepact is ingevoerd. Ik wil voorkomen dat we de verstopping in de
asielketen gaan oplossen, maar dat we vervolgens een verstopping is de rechtspraak
veroorzaken waardoor procedures alsnog uitlopen. In de nota naar aanleiding van het
verslag staat dat de Minister hierover in periodiek overleg is met de rechtspraak.
Wat kan hij nu aan de voorkant al doen om ervoor te zorgen dat de druk op de rechtspraak
onder controle blijft? Houdt hij daarbij rekening met voldoende opleidingscapaciteit
en financiële middelen?
Voorzitter. Als ik kijk naar de investeringen van dit kabinet in de asielketen, dan
zie ik dat na de vorige kabinetsperiode eindelijk weer de juiste randvoorwaarden worden
neergelegd om mensen zekerheid te bieden en verder te helpen. Daarbij mogen personen
met een kansrijke procedure ook direct meedoen door sneller aan het werk en naar school
te gaan. Want hoe frustrerend moet het zijn om zo lang te wachten voordat je iets
kan doen in dit land? Gezien de arbeidstekorten in ons land, kunnen deze mensen juist
een heel waardevolle toevoeging leveren aan onze maatschappij. Denk aan het bouwen
van wegen en woningen, het beter maken van de zorg en vele andere sectoren. Dat is
niet alleen goed voor de mensen in de procedure zelf, maar ook voor Nederland. Wel
ben ik benieuwd hoe het zit met personen die niet uit een kansrijk land komen – daar
hebben we het net al kort over gehad – maar die wel een grote kans hebben op een verblijfsstatus
op basis van hun persoonlijke omstandigheden. Zij vallen nu buitenboord om een bijdrage
te kunnen leveren aan bijvoorbeeld de woningbouw. Ik vraag de Minister: kunnen we
voor deze groep mensen nog een oplossing bedenken? In het coalitieakkoord is ook afgesproken
om te kijken naar een alternatief voor de tewerkstellingsvergunning, juist omdat die
in de praktijk vaak leidt tot veel administratief gedoe. Ik zie dat daar met de inwerkingtreding
van het Migratiepact echter nog geen stappen in worden gezet. We verwachten wel dat
dit ook op 12 juni klaar is. Kan de Minister dat bevestigen?
Voorzitter. Als je het hebt over vluchtelingen zekerheid bieden en verder helpen,
dan moet je ook goed kijken naar de omstandigheden in de asielgrensprocedure en tijdens
de screening. Laat ik helder zijn: het waarborgen van mensenrechten moet het fundament
van het Migratiepact zijn. Dat betekent ook dat wij duidelijkheid willen voor mensen
in deze procedures. We hechten er veel waarde aan dat zij gewoon in goede omstandigheden
hun procedures kunnen doorlopen. Kan de Minister ingaan op de vraag hoe hij dat waarborgt
voor gezinnen met kinderen? Kan hij bevestigen dat hij alles op alles zal zetten om
deze gezinnen in beginsel in een regulier asielzoekerscentrum op te nemen, juist vanwege
het belang van de kinderen?
De voorzitter:
Eerst een interruptie van mevrouw Westerveld en daarna van de heer Dassen.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik hoor D66 zeggen dat mensenrechten centraal zouden moeten staan. Nu gaat mijn vraag
ook over mensenrechten, over kinderrechten. Ik trek namelijk al jaren samen met de
collega’s van D66 op om ervoor te zorgen dat er wordt afgebouwd ten aanzien van kinderen
die in Nederland in de gesloten jeugdzorg zitten. Wat vindt D66 van de detentie van
kinderen? Zou dat onderdeel niet gewoon uit de implementatiewet moeten worden gehaald?
De heer Van Asten (D66):
Ik vind het heel goed dat daar alle aandacht voor is. Er staat namelijk: het gaat
om het welzijn van kinderen; het belang van kinderen moet vooropstaan. Dan moeten
we heel goed bekijken of het nou in het belang van kinderen is om zonder hun ouders
in de procedure te zitten, of juist met hun ouders. Daarom is mijn vraag aan de Minister:
hoe kunnen we ervoor zorgen dat gezinnen indien mogelijk, zeker geredeneerd vanuit
het belang van de kinderen, behandeld worden vanuit een normaal azc? Als er toch sprake
van is dat een gezin in bewaring is, bijvoorbeeld omdat het wordt uitgezet, en er
iets is waardoor dat nodig is, dan moet je kijken naar het belang van het kind: horen
kinderen dan bij hun ouders te blijven of zijn die beter af als ze los van elkaar
zijn? Ik denk dat het dan toch vaak in het belang van de kinderen is om dat in gezinsverband
te doen.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Het is nooit in het belang van kinderen dat ze worden opgesloten; dat staat in ieder
geval bovenaan. Maar laten we dan eens kijken naar de grensdetentie. De grensdetentie
van kinderen is door voormalig Staatssecretaris Teeven afgeschaft omdat die schadelijk
was, maar dreigt nu weer ingevoerd te worden. Dan is mijn vraag aan D66: waarom zouden
we dat moeten toelaten als we weten dat het schadelijk is voor kinderen en dat dit
straks systematisch kan gaan gebeuren?
De heer Van Asten (D66):
Als we kijken naar het hele pact, de doelstelling daarvan en de wijze waarop we snel
aan de mensen die ons land binnenkomen, inclusief gezinnen, de duidelijkheid willen
geven of ze daadwerkelijk wel of niet mogen blijven, dan moeten we ook kijken op welke
manier we dat het snelste kunnen doen. Soms kan dat met zo’n grensprocedure zijn.
Ook dan is de vraag natuurlijk in welke omstandigheden gezinnen met kinderen terechtkomen.
Ik heb begrepen dat dat in de faciliteit in Zeist is. We zullen er uiteraard goed
oog voor moeten houden of dat een locatie is waar kinderen voor de korte termijn goed
kunnen verblijven. Dat is natuurlijk heel iets anders dan het idee dat mensen vaak
hebben van wat «detentie» betekent. Mijn vraag aan de Minister was dan ook: welke
stappen moeten we daarin zetten, beredeneerd vanuit het belang van kinderen, en welke
mogelijkheden hebben wij, als het ook maar enigszins mogelijk is, om die mensen op
te vangen in een regulier azc?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Het punt is dat het precies hetzelfde is. Ook van de gesloten jeugdzorg wordt gezegd
dat het om kindvriendelijke settings gaat, maar we weten dat het enorm diepe trauma’s
bij kinderen achterlaat. Detentie is detentie en opsluiten is opsluiten; dat is precies
het idee erachter. Dat is dus schadelijk.
Dan een vervolgvraag. Het kan niet allebei waar zijn. Het kan niet zo zijn dat én
de mensenrechten vooropstaan én er ook wordt gekeken hoe we snelle procedures kunnen
bewerkstellingen. Dat hoorde ik namelijk als tweede zijsprong. Dan is mijn vraag:
als de mensenrechten vooropstaan, zou D66 dan niet primair moeten kijken naar mensenrechten
en kinderrechten en daar vervolgens de procedures op moeten aanpassen in plaats van
andersom?
De heer Van Asten (D66):
Ik denk dat mevrouw Westerveld enkele zaken tegenover elkaar zet die niet tegenover
elkaar hoeven te staan. Op het moment dat mensen vluchten en in Nederland terechtkomen,
is hun eerste belang dat zij in een veilige omgeving terechtkomen waar zij ook tot
rust kunnen komen. Daar hebben we in Nederland volgens mij prima faciliteiten voor.
Over mensenrechten gesproken: het is vervolgens ook in het belang van mensen die hier
komen dat zij snel duidelijkheid krijgen over wat de volgende stap is. Mogen ze hier
blijven, en zo ja, hoe werkt die procedure? Gaat dat snel, zodat ze ook snel door
kunnen gaan met hun leven, als het gaat over onderwijs of het vinden van een baan?
Maar op het moment dat mensen hier niet mogen blijven, bijvoorbeeld omdat ze eerder
in een ander Europees land zijn geweest of omdat hun aanvraag niet wordt gehonoreerd,
is het ook in hun belang dat er zo snel mogelijk een procedure gestart wordt om hen
weer terug te brengen naar het land, zodat ze daar kunnen blijven. Iemand hier tien
jaar ergens in een wachtstadium laten zitten, is volgens mij het meest schadelijke
dat we mensen kunnen aandoen.
De voorzitter:
Oké. Eerst meneer Dassen, en dan meneer Ceder.
De heer Dassen (Volt):
Ik ben een beetje zoekende naar het antwoord. Wat is nou precies het belang van een
kind op het moment dat het in detentie wordt gezet? Kan de heer Van Asten mij dat
uitleggen?
De heer Van Asten (D66):
Het belang van het kind is dat het, na een vlucht weg van waar het dan ook vandaan
is gekomen, in een veilige en rustige omgeving terechtkomt, en niet meer bedreigd
wordt. Het belang van het kind kan dan te allen tijde zijn dat het bij het gezin blijft.
Daarom is de inzet van D66 om er maximaal op in te zetten om, als het enigszins mogelijk
is, mensen toch in een regulier azc op te vangen. De vraag aan de Minister is dan
ook of dat kan. En als dat niet kan, is de inzet om vanuit het belang van het kind
te kijken of het beter is dat het kind bij de ouders blijft of dat het apart wordt
opgevangen.
De heer Dassen (Volt):
De heer Van Asten begon zijn bijdrage met «mensen die alles achter zich laten voor
oorlog en geweld». Dan is het toch niet in het belang van het kind om vervolgens in
een detentiecentrum terecht te komen? Dat is toch niet een plek waar kinderen zich
vrij en veilig kunnen voelen? Dat zouden we toch moeten voorkomen? We zouden er toch
voor moeten zorgen dat gezinnen dan juist niet in een detentiecentrum, maar gewoon
in een reguliere opvang terechtkomen? Is de heer Van Asten dat met mij eens?
De heer Van Asten (D66):
Dat was precies mijn vraag aan de Minister.
De heer Dassen (Volt):
Maar dit staat in de wet. Dat hebben we allemaal zelf kunnen lezen. Het is natuurlijk
makkelijk om het nu bij de Minister neer te leggen, maar mijn vraag aan de heer Van
Asten is: is D66 het daarmee eens? We weten dat kinderen die in detentie hebben gezeten,
bang zijn voor de deurbel, ’s nachts in hun bed plassen terwijl ze al zindelijk zijn
en hun ouders continu aan de hand vasthouden, omdat ze niet meer alleen durven te
zijn. Dat zijn de consequenties van kinderen in detentie plaatsen. Is D66 het met
mij eens dat we dit uit deze wet moeten halen, en dat die wet anders niet oké is?
De heer Van Asten (D66):
Ik ben het daar niet mee eens, zoals ik al in meerdere interruptiedebatten heb aangegeven.
Ik denk dat het in het belang van een kind is om in een rustige omgeving te zitten,
juist ergens op een plek zoals in Zeist, waar daar een goede opvang voor is. Dan denk
ik dat het eerder in het belang van het kind is dat we ervoor zorgen dat het samen
met de ouders opgevangen wordt dan dat zij van elkaar gescheiden worden.
De voorzitter:
Dan gaan we naar de interruptie van de heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De ChristenUnie is een groot voorstander van het Migratiepact, zoals we eerder ook
hebben aangegeven. Wij zijn inderdaad wel best kritisch op het punt van kinderen.
Dat zal u niet verbazen. Met mijn jeugdzorgpet op weet ik dat kinderen vaak niet gedijen
in een gesloten setting. Verhalen over zelfmutilatie en soms suïcide zijn de meest
erge vormen, maar er kunnen allerlei gedragsproblemen aan de orde zijn. Ik mis bij
D66 een geloofwaardig verhaal over hoe we dat tegengaan. Ik hoop dat na deze interruptie
alsnog te horen, want dat is voor ons wel belangrijk.
De heer Van Asten (D66):
D66 staat natuurlijk helemaal aan dezelfde zijde als het gaat over het belang van
het kind. Daarom moeten we ook goed bekijken welke instellingen erbij betrokken zijn
om te zorgen dat het welzijn van het kind vooropstaat. Ik denk wel dat, in een vergelijking,
een gesloten opname voor de jeugdzorg en opvang voor korte tijd in deze procedure
echt twee verschillende zaken zijn.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De aanname dat het kort is, ligt momenteel ook in de wet besloten, namelijk dat een
asielprocedure acht dagen duurt. Maar inmiddels kan die jaren duren. Ik ben er dus
nog niet van overtuigd dat het daadwerkelijk tot een korte periode zal leiden als
we afspreken dat het kort duurt. Ik vraag me af hoe D66 dat gaat waarborgen door het
in de wet te zetten of er een beleidsregel op te plaatsen. Want we zien dat het tien-
en soms honderdvoudige van die tijd wel degelijk tot de mogelijkheden behoort. Hoe
borgen we dan dat het belang van het kind nog overeind blijft?
De heer Van Asten (D66):
Als het langer duurt dan de voorgeschreven periode, dan is het natuurlijk niet meer
in het belang van het kind om heel lang in zo’n situatie te zitten. Dan zou je graag
door willen gaan naar plaatsing in een azc. Maar dan voldoen we niet meer aan het
startpunt van het pact dat zo’n procedure maar kort duurt.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dus om het even goed te begrijpen: wanneer de periode langer duurt dan voorgeschreven,
is D66 van mening dat dat niet meer in het belang van het kind is en dat overplaatsing
het geval zou moeten zijn. Is dat uw standpunt, of hoopt u dat? Ik probeer even te
achterhalen wat u precies ...
De heer Van Asten (D66):
Ik weet niet precies wat de termijn is waarop het belang van het kind onder druk komt
te staan. Ik heb al aangegeven dat ik denk dat het goed is om een gezin in een regulier
asielzoekerscentrum te plaatsen als er geen zwaarwegende redenen voor verlenging zijn,
maar dat zal vervolgens wel moeten blijken. Hoe langer zo’n procedure duurt, hoe minder
snel je kunt zeggen dat het nog in het belang van het kind is om daar te zijn, denk
ik. Daar plaats ik wel de volgende kanttekening bij: als het leidt tot het uit elkaar
halen van een gezin, lijkt me dat zeer zwaarwegend en totaal niet in het belang van
een kind.
De voorzitter:
Dan mevrouw Westerveld nog een keer en ik zag dat mevrouw Van der Plas ook nog een
vraag wil stellen, maar dat is waarschijnlijk over hetzelfde onderwerp. Ja, zie ik.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik wil even iets markeren. Detentie werd net aangeduid als een rustige setting, maar
detentie is geen rustige setting. Detentie is uiterst traumatiserend, helemaal voor
kinderen. Dat is één.
Twee is het punt dat gezinnen bij elkaar zouden moeten blijven. De grensprocedure
hoeft niet in een gesloten setting, maar kan ook in een open setting. Er is nergens
bewezen dat een gesloten setting bijdraagt aan een sneller proces. Mijn vraag is dus:
waarom zou D66 er dan niet voor kiezen om de grensprocedures voor in ieder geval gezinnen
met kinderen in een open setting te doen?
De voorzitter:
Dat was 33 seconden. Ja, de VAR is erbij.
De heer Van Asten (D66):
Ik denk nog steeds dat we daar even een stap terug van moeten doen. Wanneer mensen
in een gezinssituatie in de grensprocedure komen, moeten we idealiter bekijken of
het, bezien vanuit het belang van het kind, nodig is dat ze in die situatie zitten,
of dat het dan beter is om ze in een regulier asielzoekerscentrum te zetten, al dan
niet met een bepaald regime erop. Vandaar mijn vraag aan de Minister; die stel ik
niet voor niks. Als het allemaal echt niet anders kan, zul je toch blijven zitten
met bijvoorbeeld de ruimte in de faciliteit in Zeist.
De voorzitter:
Dan is mevrouw Van der Plas aan de beurt voor een interruptie.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De heer Van Asten zei net: vluchtelingen die in Nederland terechtkomen, zullen we
toch moeten opvangen. Maar er is maar een handjevol vluchtelingen dat rechtstreeks
vanuit hun herkomstland in Nederland terechtkomt. Dat is dan via Schiphol. Alle anderen
komen per definitie via een ander land. Ik ben benieuwd of de heer Van Asten van D66
kan aanscherpen hoe hij de Dublinverordening ziet. Eigenlijk hoeven we die mensen
namelijk niet op te vangen; ze moeten gewoon terug naar het land waar ze asiel hebben
aangevraagd of naar een van de landen die ze zijn doorlopen voordat ze hier terechtkwamen.
Dat was een te lange interruptie, hè?
De voorzitter:
Ja.
De heer Van Asten (D66):
Als mensen zich hier melden, zal er altijd nog moeten worden gecontroleerd in welke
omstandigheid zij hier komen, dus of zij vanuit een ander Dublinland komen of niet.
Dat betekent dat je altijd te maken hebt met een moment van opvang. Een opvangfaciliteit
zul je dus altijd nodig hebben.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Als ze met een bus ergens aankomen, in Ter Apel bijvoorbeeld, zijn ze per definitie
vaak via andere landen gekomen. Slechts een handjevol komt via Schiphol. Daar is de
heer Van Asten het toch wel mee eens?
De heer Van Asten (D66):
Ja.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik zal het heel kort proberen te houden. Mijn vraag is: hoe ziet de heer Van Asten
dan de Dublinverordening? Die mensen moeten gewoon terug naar het land waar ze vandaan
komen. Dat kan Duitsland, Oostenrijk of Italië zijn, waar ze via hun reis ook maar
vandaan komen.
De heer Van Asten (D66):
Uiteindelijk zal dus moeten worden geconcludeerd waar die bus vandaan komt en waar
de mensen die in die bus zitten, zijn ingestapt. Daar heb je minimaal één nacht voor
nodig, dus je zult altijd een opvanglocatie voor minimaal die ene nacht moeten hebben.
De voorzitter:
Meneer Van Asten gaat door met zijn bijdrage, maar ik denk dat hij richting een einde
gaat. Ik wil u niet opjagen, hoor.
De heer Van Asten (D66):
Dank. Ik was bij de vragen over de opvang van kinderen. VluchtelingenWerk heeft aangegeven
graag een rol te spelen bij het aankaarten van mogelijke verbeteringen daarin. Aangezien
mensen van VluchtelingenWerk op elke locatie aanwezig zijn, lijkt dat de D66-fractie
een goed idee. Nidos zou daarbij ook een mooie toevoeging kunnen zijn. Hoe kijkt de
Minister naar een rol voor deze organisaties binnen het toezichtmechanisme? Is hij
bereid hun een adviesfunctie te geven ten aanzien van jaarlijkse aanbevelingen?
Voorzitter. Tot slot. In dit Migratiepact zit een goed pak beleid: snellere procedures,
strikte grensbewaking en meer nadruk op terugkeer. Daar ligt een doel onder om de
instroom te beperken en dat is nodig om de druk op de keten te verlichten en ook om
het draagvlak in de Nederlandse samenleving hoog te houden. Laat ik daarnaast benadrukken
dat we dit doen om een eerlijk asielsysteem te creëren om mensen te beschermen, om
ervoor te zorgen dat mensen die vluchten voor oorlog en geweld of die doodsangsten
uitstaan omdat zij worden vervolgd, hier gewoon snel een veilige plek kunnen krijgen.
Dat is ook wat veruit de meeste Nederlanders gewoon vinden. Daar kunnen we met dit
pact na jaren van politieke discussie eindelijk mee aan het werk, door samen te werken
in Europa, snel aan de slag te gaan met de invoering en met oplossingen te komen die
zekerheid bieden aan mensen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Even kijken. Wie was er eerder? Dat was mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik heb nog een wat algemenere vraag. Er zijn door mijn partij verschillende amendementen
ingediend, met ChristenUnie, met Volt. Ik heb ook amendementen van JA21 gezien. Misschien
komen er vandaag nog wel een aantal. Dit kabinet heeft natuurlijk steun nodig van
een meerderheid van de Kamer, dus ik vroeg me gewoon af welke kant jullie straks op
kijken. Is dat de kant van een humaner beleid of is dat de kant van nog meer versobering?
De heer Van Asten (D66):
Dit wetsvoorstel zoals het er nu ligt, met de implementatie van deze Europese verordeningen,
leidt er volgens mij toe dat we in Europa één systeem gaan hebben dat mensen snel
duidelijkheid biedt. Ik denk dat mensen die op de vlucht zijn voor oorlog en geweld
snel duidelijk willen hebben hoe zij door kunnen gaan met hun leven. Dat zie ik terug
in dit pact. Dat vind ik het belangrijke dat dit pact met zich meebrengt en dat vind
ik een grote verbetering ten opzichte van al die jaren dat we hier eigenlijk maar
hebben aangemodderd en we de boel bewust in het honderd hebben laten lopen. Dat had
te maken met het feit dat er opvanglocaties werden gesloten, waardoor je – ik heb
dat als wethouder in Den Haag meegemaakt – ’s avonds op het moment dat er bussen door
Nederland reden telefoontjes kreeg met de vraag of er nog érgens een plekje was om
ook die gezinnen onder te brengen. Ik vond het echt beschamend dat we in Nederland
zo’n systeem hadden. Met dit pact zorgen we tenminste weer voor helderheid en duidelijkheid.
We willen, denk ik, samen met gemeentes gaan werken aan voldoende opvangplekken, met
daarbij helderde procedures die door heel Nederland gedragen kunnen worden.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik ben het helemaal eens met dit pleidooi. Het is een hartstikke goed pleidooi, maar
mijn vraag was een andere. Ik heb ook aangegeven waarom wij dit pact heel belangrijk
vinden, maar ook waarom wij op een aantal punten – dan noem ik de detentie van kinderen
en gezinshereniging – moeite hebben met de extra keuzes die zijn gemaakt; die kunnen
we er ook uit halen. Onze steun hangt daar in ieder geval van af. Mijn vraag aan D66
is dus wat D66 gaat doen als ze ziet dat onze steun en misschien ook wel die van een
aantal andere partijen aan de wat progressievere kant daarvan afhangt.
De voorzitter:
Dat was 35 seconden.
De heer Van Asten (D66):
We zitten nu pas halverwege de eerste termijn van de Kamer en we krijgen nog de beantwoording
door de Minister en nog bijdrages van de collega’s. We krijgen van de Minister nog
de appreciatie van de amendementen. En dan gaan we volgende week waarschijnlijk stemmen
over alles wat er voorligt. Ik zal met mijn fractie zeer kritisch naar alles kijken
en ook de beantwoording daarvan volgen.
De heer Dassen (Volt):
Misschien één vraagje hierop doorgaand. We hebben bij de asielnoodmaatregelen natuurlijk
op een gegeven moment gezien dat daar het amendement strafbaarstelling illegaliteit
in werd gefietst. Is D66 van mening nog voor deze wet te kunnen stemmen op het moment
dat er amendementen worden aangenomen die deze wet nog strenger maken?
De heer Van Asten (D66):
Dat is eigenlijk dezelfde vraag, maar dan vanuit een ander perspectief. Ik ga er dus
hetzelfde antwoord op geven, namelijk dat ik echt eerst wil gaan kijken wat de appreciatie
van de Minister is. Wij kijken uiteraard zelf ook naar de amendementen. Ik wil ook
eerst de beantwoording van de Minister zien van alles wat wordt ingebracht, door de
collega’s die het eerste deel van dit debat hebben gevoerd en ook door de collega’s
die dadelijk nog het woord voeren.
De heer Dassen (Volt):
Dat antwoord vind ik jammer, zeker ook gezien wat er gebeurd is. Ik denk dat het goed
is om duidelijkheid te geven over hoeveel je als partij kunt dragen. Blijkbaar moeten
we daar nog op wachten. Een andere vraag is de volgende. De heer Van Asten begon ermee
dat «samenwerken in Europa» een uitgangspunt was. Nu zien we juist dat dit wetsvoorstel
additionele nationale koppen toevoegt. Is dat volgens de heer Van Asten verstandig?
De heer Van Asten (D66):
Ik denk dat er absoluut waarde in zit om een goed Europees systeem te hebben waarin
we veel meer naar elkaar kijken om te zien hoe de procedures zouden moeten lopen,
zodat je elkaar sneller kunt ontlasten doordat er minder aanvragen komen. Dat is,
denk ik, het belang van Europa. Je kunt daar als land nog andere maatregelen bovenop
zetten, of je kunt maatregelen versoepelen; die mogelijkheid zit er natuurlijk ook
in. We zijn nog niet één federaal Europa; we kunnen daar ook nog een debat over voeren,
maar we zijn het nog niet. Er zijn dus mogelijkheden en dan moet je kijken wat nou
in welk land de juiste maatregel is om te nemen.
De heer Dassen (Volt):
Helaas zijn we nog geen federaal Europa. Als we het Europees Migratiepact op deze
manier gaan uitleggen is het probleem natuurlijk dat elk land dadelijk weer afzonderlijke
regels heeft. Dan krijgen we die race to the bottom: nog strenger en nog soberder,
waardoor landen weer tegen elkaar aan het concurreren zijn. Dat ondermijnt het hele
idee van het Europese Asiel- en migratiepact. Ik vraag toch of D66 het verstandig
vindt dat wij als Nederland deze stap zetten, wetende dat andere landen dat waarschijnlijk
ook gaan doen en dat dat het hele systeem ondermijnt.
De heer Van Asten (D66):
Ik ben het er niet mee eens dat dit het systeem ondermijnt. Er liggen namelijk hele
duidelijke verordeningen voor, die voor iedereen precies hetzelfde gelden. Daarmee
ondermijnt een eventuele nationale kop dus niet het hele systeem.
De voorzitter:
U was klaar? Dan gaan we naar de heer Van Dijk namens de SGP.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. De dingen slecht benoemen, wil zeggen dat we de ellende in
de wereld vermeerderen, aldus de vermaarde schrijver Albert Camus. Dat geldt ook voor
de asielproblematiek waarmee de EU, inclusief Nederland, worstelt. Het is een complex
hoofdpijndossier, maar wegkijken is geen optie. Het huidige asielsysteem is uit de
tijd. Het systeem helpt lang niet altijd de meest kwetsbaren. Draagvlak onder de bevolking
verkruimelt en de aantallen lopen ons over de schoenen. Sociale cohesie van onze eigen
samenleving dreigt te eroderen. Dat kan zo niet doorgaan. Daarom is het goed dat we
nu spreken over een pact dat de instroom wil beperken. Niet gemakkelijk, wel noodzakelijk.
Het Asiel- en migratiepact helpt de asielinstroom te beperken door meer opvang aan
de Europese grenzen, strakkere termijnen voor asielaanvragen en een versnelde grensprocedure
voor kansarme asielzoekers. Na jarenlang getouwtrek over het pact is dit in elk geval
een stap in de goede richting. De SGP had graag gezien dat deze procedure ruimer zou
worden toegepast, zodat asielzoekers sneller weten waar ze aan toe zijn en ook versneld
kunnen terugkeren als ze niet toegelaten worden. De hoop is dat asielzoekers nu echt
aan de Europese grens beoordeeld gaan worden, zodat niet iedere migrant zomaar de
EU kan binnenkomen. Uiteraard komt het nu aan op de uitvoering in de praktijk.
Voorzitter. Vandaag spreken we over de uitvoerings- en implementatiewetgeving waarmee
het Asiel- en migratiepact in de Nederlandse wet wordt gemonteerd. Toch is dat niet
het hele verhaal, want het Migratiepact is veel breder. Er zijn ook onderdelen die
niet in deze wet zitten, maar waar Nederland wel degelijk mee te maken krijgt. Een
in het oog springend onderdeel is het solidariteitsmechanisme. Asielzoekers worden
evenredig verspreid over de EU-lidstaten wanneer het asielsysteem van een ander EU-land
onevenredig onder druk staat. Een Europese spreidingswet dus. Nu is de SGP nooit een
fan geweest van de Nederlandse Spreidingswet, dus het laat zich raden hoe mijn partij
kijkt naar dit onderdeel. Dat kan niet los worden gezien van de nationale draagkracht
en juist daar wringt het.
Nederland kan de enorme druk op de asielketen en de woningmarkt niet langer aan. Het
is zaak de alarmsignalen die de kiezer hier keer op keer over afgeeft, ter harte te
nemen. Het wordt tijd dat in Brussel helder wordt gemaakt dat de Nederlandse bevolkingsdichtheid
heel anders is dan die van Finland, waar slechts 18 inwoners op een vierkante kilometer
wonen. Ter vergelijking: in Nederland leven er gemiddeld 431 burgers op diezelfde
vierkante kilometer. Er zijn diverse moties van mijn hand aangenomen om dit mee te
wegen en dit expliciet voortdurend op de EU-tafels te leggen. Blijft het kabinet dit
onder de aandacht brengen in Brussel en is de Minister bereid toe te zeggen bij de
eerstvolgende afspraak over herverdeling van asielzoekers het meewegen van de bevolkingsdichtheid
als voorwaarde vanuit Nederland te stellen?
De SGP is daarnaast voorstander van EU-streefcijfers en een quotum op het gebied van
migratie. Zo stellen we grenzen aan de voortdurende aanwas van asiel en migratie.
Wil de Minister in de EU op zoek gaan naar draagvlak hiervoor?
Voor de SGP staat voorop dat we ons niet in een Europees keurslijf moeten laten persen.
Bij het aanpakken van de migratiedruk kunnen we niet zonder de EU, maar de Europese
samenwerking heeft ons niet alleen positieve resultaten opgeleverd. Ik denk aan de
migranten die op bepaalde momenten massaal vanuit Zuid-Europa zijn doorgelaten naar
landen als Nederland. Ik noem ook het falen van Dublin. Iedereen weet waar we het
dan over hebben. Voldoende nationale beleidsruimte om eigen keuzes te maken, is dus
van groot belang, ook in de toekomst. In hoeverre blijft die ruimte behouden, vraag
ik de Minister. Welke ruimte is er om in crisissituaties een tijdelijke beperking
of stop op een bepaalde asielinstroom, bijvoorbeeld voor nareizigers, te zetten? Hoe
gaat dat in zijn werk? In hoeverre kan onze regering dat zelf besluiten?
De SGP vindt het positief dat er bij de implementatie is gekozen voor de Asielnoodmaatregelenwet
en het tweestatusstelsel. Er ligt een aantal voorstellen om zaken op onderdelen nog
verder aan te scherpen en de ruimte te benutten die het pact daarvoor biedt, waar
de SGP sympathiek tegenover staat. Ik hoor graag de reflectie van de Minister hierop.
Voorzitter. De uitvoerbaarheid weegt voor ons zwaar, net als voor de Minister. We
komen tenslotte geen stap verder als we straks een nieuw pact hebben, maar de uitvoering
nog verder vastloopt. Trouw berichtte vrijdag over een rapport – dat is inmiddels
door de Minister aan de Kamer gestuurd – waaruit blijkt dat de IND nog niet klaar
is voor de inwerkingtreding van het pact op 12 juni. Ik vraag de Minister hier uitgebreid
op in te gaan. De Kamer heeft er recht op om daar alle informatie over te hebben,
zodat we als medewetgever een goede afweging kunnen maken. Ik heb daarover een aantal
specifieke vragen.
In hoeverre klopt het dat de ICT-systemen niet tijdig gereed zouden zijn voor implementatie?
Kan de Minister inzicht geven in de capaciteitsraming voor dit traject? Hoeveel mensen
zijn hiervoor nodig in de komen de jaren en in hoeverre is het realistisch dat we
die mensen ook kunnen aantrekken? Welke consequenties heeft het als dit niet tijdig
lukt? Welke scenario’s liggen hiervoor op tafel?
Voorzitter. De SGP maakt zich al geruime tijd zorgen over de situatie bij de IND.
Bij de invoering van de asielwetten en het Migratiepact komt er een enorme opgave
bij. Er ligt een aangenomen SGP-motie waarin wordt gevraagd aanvullende maatregelen
te treffen om de situatie bij de IND los te trekken. Daarnaast vraagt de motie om
een kwartaalrapportage over de stand van zaken bij de dienst. Wil de Minister toezeggen
daarin ook steeds in te gaan op de status van de implementatie van het pact?
Voorzitter. Over de uitvoerbaarheid gesproken: de IND smeekte ons al jarenlang om
afschaffing van de asieldwangsommen. Dat scheelt heel veel capaciteit en heel veel
geld. Vorig jaar kostte dat de Staat 79 miljoen euro. Ons amendement op de Asielnoodmaatregelenwet
om de rechterlijke dwangsom af te schaffen is aangenomen, maar de wet ligt nog altijd
bij de Eerste Kamer. Het is helaas ook niet helemaal zeker dat die wet het gaat halen.
Wat de SGP betreft gebeurt dat overigens wel. Ik spoor de Minister graag aan om alles
uit de kast te halen om de senatoren te overtuigen.
Nu zit ik met een dilemma. We behandelen hier het Migratiepact nog voor de Eerste
Kamer de behandeling van de asielwet heeft afgerond. Liefst had ik gezien dat dit
al gebeurd was en dat er al definitief een streep door die dwangsommen zou zijn gegaan.
Nu dat niet het geval is, heb ik toch op deze wet hetzelfde amendement ingediend.
Ik wil namelijk niet het risico lopen dat de IND straks met lege handen staat doordat
de Asielnoodmaatregelenwet onverhoopt is verworpen en er in de onderhavige wet geen
amendement is opgenomen dat dit alsnog regelt.
Voorzitter. In Trouw las ik ook dat de IND zou stoppen met het uitlezen van gegevensdragers,
zoals smartphones, terwijl daar vaak belangrijke informatie uit op te halen is voor
de beoordeling van de asielaanvraag. Er ligt nota bene een heel verstandige motie
van de heer Brekelmans en van deze Minister, in zijn vorige leven als Kamerlid, waarin
erop wordt aangedrongen om hierop te blijven inzetten. Het kan toch niet zo zijn dat
deze werkwijze overboord gaat en de Minister zijn eigen motie niet uitvoert? Als ik
het goed begrijp, ontbreekt op dit moment een juridische grondslag, maar dat is al
sinds begin vorig jaar bekend. Dit gat in de wet moet echt snel gedicht worden, zodat
we de IND in staat stellen de benodigde informatie te verzamelen.
Voorzitter. Een nieuw Europees asielbeleid vereist onmiskenbaar een stevige Europese
terugkeerwet. De Kamer heeft in de afgelopen jaren de regering steeds aangespoord
om hierop in te zetten. De recente berichten uit Brussel dat er een volgende stap
is gezet richting een aangescherpte EU-Terugkeerverordening, zijn positief. Nederland
moet daarbij ondubbelzinnig blijven inzetten op het verplicht wederzijds erkennen
en uitvoeren van terugkeerbesluiten, in lijn met de motie-Diederik van Dijk/Yeşilgöz.
En de Dublinafspraken moeten blijven gaan boven nationale keuzes van andere lidstaten,
zodat we asielhoppen tegengaan. Kan ik ervan uitgaan dat dit de inzet van het kabinet
is voor de trialoog?
Er wordt ook een coalitie gesmeed om terugkeerhubs te ontwikkelen. Wat de SGP betreft
is dit een belangrijke bouwsteen voor een terugkeerbeleid dat echt werkt. Welke stappen
gaat het kabinet concreet zetten, vanzelf met respect voor mensenrechten, om deze
hubs mogelijk te maken?
Voorzitter. Ik vertel niks nieuws als ik zeg dat de SGP in wonderen gelooft; wij zijn
realisten. Maar wij verwachten geen mirakels van het Migratiepact. Migratie is niet
maakbaar; verre van dat. Toch dragen we de last om verantwoordelijkheid te nemen voor
de opvang van vluchtelingen en voor onze eigen samenleving. Het pact is geen wondermiddel,
maar we zien het als een noodzakelijke stap in het aanscherpen van het Europese asielbeleid,
dat overduidelijk tekortschiet.
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
U bedankt, meneer Van Dijk. Dan gaan we door naar mevrouw Straatman namens de CDA-fractie
voor haar eerste termijn.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Het is geen geheim dat asiel en migratie de samenleving al
jaren onder grote druk zetten. Het onderwerp leidt tot veel polarisatie, op verjaardagsfeesten,
in gemeenteraden en ook in de Tweede Kamer. Te vaak verwordt het tot een zwart-witdiscussie
zonder nuance. Dan verliezen we de mens uit het oog: de mens achter de migratiecriticus,
met begrijpelijke zorgen, en de mens achter de asielzoeker. Het wordt tijd dat we
de angel uit dit polariserende wespennest halen. Hopelijk kan het pact die angel zijn.
Voordat we vooruitkijken naar het Europees Migratiepact, geef ik een korte terugblik
op de noodzaak ervan. De instroom van asielzoekers in Nederland is te hoog. Het is
geen rechtse hobby om dat te roepen. De Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen
onderstreept de noodzaak van grip op migratie. Instroombeperkende maatregelen zijn
nodig vanwege de druk op de woningmarkt, de zorg, het onderwijs en de zorgen over
sociale cohesie in buurten en steden. Die grip op migratie vraagt om samenwerking
in Europa. Dat kan Nederland niet alleen. Grip op migratie begint aan de Europese
buitengrenzen, maar dat maakt het systeem tegelijkertijd inherent kwetsbaar. Beslissingen
in Griekenland, Italië, Hongarije en Polen raken direct de weerbaarheid van onze eigen
asielketen. Laten we eerlijk zijn: de Europese samenwerking heeft tot nu toe niet
goed genoeg gewerkt. Het Dublinsysteem gold op papier, maar in werkelijkheid bood
het systeem onvoldoende weerstand tegen doorreizen naar West-Europa en onvoldoende
haakjes voor solidariteit.
Voorzitter. Deze terugblik kan cynisch maken, maar het kan hoop geven dat het tegen
deze achtergrond gelukt is om met het pact een doorbraak te creëren. Dat gebeurt met
evident strengere maatregelen, strengere grensbewaking, betere identificatie en screening,
snellere asielprocedures, maar ook met een eerlijkere verdeling van verantwoordelijkheid
en met een afdwingbaar en met waarborgen omkleed solidariteitsmechanisme. Voor het
CDA is dit dan ook een grote stap in de goede richting. We zijn optimistisch dat hiermee
de instroom van asielzoekers in Europa en in Nederland wordt teruggedrongen.
Een optimist zonder realisme kan echter naïviteit worden verweten. Het eerlijke verhaal
is natuurlijk ook dat dit nieuwe pact geen wondermedicijn is. Mijn collega zijn dat
zojuist ook al. Daarvoor is het asielvraagstuk te complex. De uitvoering is ook nog
in ontwikkeling. We staan niet voor niets aan de vooravond van de grootste asielhervorming
in 25 jaar. De uitvoeringsorganisaties zullen tijd nodig hebben om er met deze nieuwe
regels en afspraken voor te zorgen dat de asielketen weer beheersbaar wordt. Die tijd
moeten we hun ook gunnen. Daarom wil ik nadrukkelijk de medewerkers van het COA, Nidos,
de IND, VluchtelingenWerk, de Dienst Terugkeer en Vertrek en andere betrokken organisaties
danken voor hun harde werk nu en in de komende jaren. Ook dank aan de Minister voor
de voortvarendheid waarmee hij dit dossier heeft opgepakt.
Voorzitter. Het pact hangt nauw samen met de Asielnoodmaatregelenwet en het tweestatusstelsel,
die beide al door de Tweede Kamer zijn aangenomen. Het CDA staat achter de keuzes
in die beide wetten. Daarover is ook uitgebreid het politieke debat gevoerd. Daarom
gaat mijn focus vandaag uit naar de andere elementen uit het pact: de Europese samenwerking,
de uitvoerbaarheid, de Opvangrichtlijn en de terugkeer.
Allereerst de Europese samenwerking. Samenwerking is zo sterk als de zwakste schakel.
Dat geldt des te meer voor de succeskansen van het pact. Implementatie door alle lidstaten
op 12 juni 2026 van alle kernafspraken is dan ook randvoorwaardelijk voor succes.
Neem de asielgrensprocedure voor kansarme asielzoekers. Die werkt natuurlijk alleen
als alle lidstaten die asielgrensprocedure minutieus en op hetzelfde moment invoeren.
Het CDA heeft al eerder zorgen uitgesproken over het feit dat niet elke lidstaat even
voortvarend aan de slag gaat met de implementatie van het pact. Daarom is mijn vraag
aan de Minister: hoe verloopt de Europese afstemming over het pact nu de deadline
steeds dichterbij komt? De Europese Commissie monitort de voortgang en de uitvoering.
Maar wanneer komt het verslag van deze monitoring? Kan de Minister al helderheid geven
over welke lidstaten achterlopen op het schema, en op welke onderdelen? Wat betekent
dit bijvoorbeeld voor de asielgrensprocedure, het solidariteitsmechanisme en de uitvoering
en naleving van overdrachtsbesluiten na juni 2026? Welke drukmiddelen heeft de Europese
Commissie om de druk op die lidstaten op te voeren om tijdig te implementeren?
Dan wat betreft het solidariteitsmechanisme. De Minister geeft aan dat Nederland bilaterale
afspraken heeft gemaakt met Griekenland over het inzetten van de zogenaamde Dublincompensaties.
Hierdoor hoeft Nederland minder bij te dragen aan de financiële bijdrage. Maar de
gesprekken over de omvang van de vermindering lopen nog. Wanneer verwacht de Minister
hierover duidelijkheid te verschaffen? Over welke orde van grootte aan financiële
vermindering hebben we het ongeveer? Geldt die vermindering incidenteel of structureel?
Voorzitter. Dan de uitvoerbaarheid. Het CDA deelt de analyse dat een goede uitvoering
van het pact de druk op de asielketen en de rechtspraak op termijn verlicht. Dat is
belangrijk, niet in de laatste plaats voor asielzoekers zelf, die sneller duidelijkheid
krijgen over hun toekomst. Maar zoals bij iedere grote hervorming kan verlichting
op termijn ook samengaan met tijdelijke verzwaring nu. Daarop moeten we bedacht zijn.
De Raad voor de rechtspraak verwacht de komende jaren een aanzienlijke toename van
het aantal zaken. Naar verwachting loopt dit op tot 19.000 extra zaken per jaar. Mijn
vraag aan de Minister: is de rechtspraak hierop voorbereid? De Minister heeft aangegeven
dat de rechtspraak gaat inzetten op de werving van vreemdelingenrechters en gerechtsjuristen,
plus extra werving in het strafrecht en het familie- en jeugdrecht. Wat zijn de prognoses
hiervoor? Hoeveel fte is er extra nodig? Hoe verloopt de werving?
Voorzitter. Een deel van de extra rechtszaken ...
De voorzitter:
Een momentje, mevrouw Straatman. Uw voorzitter probeert ondertussen nog wat administratie
te doen. Meneer Dassen, aan u.
De heer Dassen (Volt):
Het CDA heeft er elke keer een punt van gemaakt dat het belangrijk is dat we zorgvuldigheid
in de keten hebben en dat we het probleem niet gaan verplaatsen. Dat was ook zo bij
de Asielnoodmaatregelenwet. Nu zien we dat de rechtspraak maar ook de IND verwachten
dat dit te snel komt en dat ze niet goed voorbereid zijn, zeker in samenhang met die
Asielnoodmaatregelenwet. Hoe kijkt het CDA daarnaar?
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank aan de heer Dassen voor die vraag. Dat is denk ik de kernvraag die ik zojuist
ook aan de Minister stelde: is de rechtspraak voorbereid op die 19.000 extra zaken?
We moeten de procedures bij de IND versnellen en de opvang verlichten, maar bij de
rechtspraak moeten de doorlooptijden ook doorlopen. Dus vandaar mijn vraag op dit
punt. Ik heb ook nog een specifieke vraag over de schorsende werking, maar daar kom
ik zo op.
De heer Dassen (Volt):
De vraag stellen is in dezen volgens mij de vraag beantwoorden. We wisten een jaar
geleden dat de Asielnoodmaatregelenwet voor veel meer problemen bij de rechtspraak
zou zorgen. Ook nu worden we weer gewaarschuwd. Dus we hebben het antwoord al. Wat
is dan volgens het CDA nodig om te voorkomen dat we dadelijk weer een groot probleem
in de asielketen krijgen, waar deze wet mogelijk weer voor gaat zorgen?
Mevrouw Straatman (CDA):
Voor een deel is het natuurlijk zaak om zo veel mogelijk mensen aan te nemen. Daarom
vraag ik ook aan de Minister wat de prognoses zijn, hoeveel mensen er al zijn aangenomen
en hoeveel er nog worden aangenomen. Een deel zit ’m natuurlijk ook in de herstructurering
van het proces. De IND gaat natuurlijk met de juridische afdeling, JZ, veel meer aan
de voorkant beoordelen of de dossiers op orde zijn. Dat moet natuurlijk ook de doorstroom
naar de rechtspraak ontlasten, waardoor de dossiers van een hogere kwaliteit zijn.
Dat draagt hopelijk ook bij aan de doorlooptijden bij de rechtspraak.
De heer Dassen (Volt):
Volgens mij is het deels zo dat we, door de manier waarop we het nu gaan inrichten,
juist meer beroepszaken gaan krijgen, waardoor we de rechtspraak zwaarder gaan belasten.
Is het dan niet ijdele hoop van het CDA dat we het kunnen oplossen door meer mensen
aan te nemen? Mijn zorg is heel erg dat we er als Kamer geen goede aandacht voor hebben,
ook gezien deze snelle behandeling, en straks weer met een probleem zitten. Dan moeten
we weer heel kritisch naar onszelf kijken. Ik dacht dat het voor het CDA een ontzettend
belangrijk punt was. Het verbaast mij dus ook dat er niet een duidelijk antwoord komt
over wat er dan moet gebeuren.
De voorzitter:
Deze was 37 seconden.
Mevrouw Straatman (CDA):
Volgens mij was het antwoord duidelijk. Ik begrijp de zorgen van de heer Dassen. Die
zorgen heb ik ook. Daarom heb ik die vragen ook aan de Minister gesteld. Daarom is
het zaak dat we zo veel mogelijk extra mensen aannemen en dat in de inrichting van
het systeem de IND de kwaliteit van de dossiers op een hoog niveau of een nog hoger
niveau aanlevert, zodat er ook minder zaken vanuit de rechtspraak weer terug moeten
naar de IND. Het hele idee van dit pact is natuurlijk dat er op korte termijn druk
zou komen op de rechtspraak en de rechtspraak op lange termijn ontlast wordt, omdat
er minder instroom is en de procedures sneller gaan. We zien nu natuurlijk dat heel
veel procedures bij de rechtbank alleen maar gaan om het feit dat de IND de termijnen
niet haalt. Laten we hopen dat die procedures met dit pact in ieder geval van de baan
zijn.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Mevrouw Straatman is een medejurist. Ik heb het debat over de uitvoeringskant vaak
gevoerd. Het is het CDA geweest dat ongeveer twee jaar geleden is gaan pleiten voor
het tweestatusstelsel, ondanks de argumenten dat je daarmee de kans op het vastlopen
van de rechtspraakketen faciliteert. Dat heeft u ook in uw interruptie aangegeven.
Ik vind dat u daar nu te makkelijk over spreekt, ook gelet op uw eigen ervaring en
de ervaring die ik heb. Mijn vraag is: is het niet een terechte zorg dat die keten
vast gaat lopen door wat we hier doen? Hoe beoordeelt u dat?
De voorzitter:
37 seconden.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik denk dat in de discussie over het tweestatusstelsel twee zaken door elkaar lopen:
de korte termijn en de lange termijn. U zegt: op korte termijn kan de invoering van
het tweestatusstelsel leiden tot extra druk op de rechtspraak. Ik denk dat heel veel
mensen hier in de zaal, misschien wel iedereen, het daarmee eens zijn, omdat er gewoon
extra grond bestaat om door te procederen. Daarom moet je ervoor zorgen dat er zo
veel mogelijk extra mensen worden aangenomen om die druk aan te kunnen. Tegelijkertijd
ben ik er ook van overtuigd – dat is de tweede stap van de analyse – dat de invoering
van het tweestatusstelsel er op de lange termijn toe leidt dat er minder mensen naar
Nederland komen en de druk op de keten zal afnemen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik snap niet wat u zegt over de lange termijn. Mensen komen niet naar een land vanwege
hun A- of B-status. Mensen zullen blijven procederen. De B-status zorgt er niet voor
dat mensen niet met hun gezin komen, maar alleen dat je er vertraging in bouwt. Uiteindelijk
zullen ze dan toch komen. Mijn vraag is of mevrouw Straatman het daarmee eens is,
en zo ja, waarop ze baseert dat de instroom, mede gebaseerd op het tweestatusstelsel,
zou gaan dalen.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik deel de redenering van de heer Ceder niet dat ook met de wachttijd per definitie
alle nareizigers zullen komen, want het idee is dat het een tijdelijke verblijfsvergunning
is. Er wordt natuurlijk ook rekening mee gehouden of de situatie in het land van herkomst
wijzigt. Met het invoeren van die wachttijd duurt het dus in ieder geval langer voordat
mensen komen. Dat zal in ieder geval de druk op de keten ontlasten. Daarmee creëer
je ook de mogelijkheid dat de situatie in het land van herkomst tussentijds wijzigt
en mensen helemaal niet meer hoeven af te reizen naar Europa of naar Nederland.
De voorzitter:
Meneer Ceder, tot slot.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Nee, bedankt.
De voorzitter:
Oké. Mevrouw Straatman, gaat u verder.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik was bijna vergeten ...
De voorzitter:
O, eerst mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik heb een andere vraag, over kinderen in detentie. Mijn vraag is wat het CDA ervan
vindt dat er is gekozen voor de mogelijkheid om kinderen en gezinnen in grensdetentie
te plaatsen, terwijl nergens is bewezen dat dat leidt tot snellere procedures.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik kom later in mijn spreektekst terug op kinderen in detentie. Ik kan nu ook de vraag
beantwoorden.
De voorzitter:
Nee, dan wachten we wel. Dat is efficiënter.
Mevrouw Straatman (CDA):
Voorzitter. Ik kom op de rechtspraak en de uitvoerbaarheid. Een deel van de extra
zaken ontstaat niet alleen door het tweestatusstelsel, maar ook door de verwachte
toename van kortgedingen om een schorsende werking van procedures te verzoeken en
door spoedkortgedingen. Meer dan onder het huidige recht zijn uitzonderingen gemaakt
op de automatische schorsende werking van het beroep, wat kortgedingen zal uitlokken
om verblijf in Nederland te behouden. In de tussentijd hebben asielzoekers geen recht
op verblijf in de opvang. Heeft de Minister al met het COA gesproken over hoe met
deze tussenliggende periode moet worden omgegaan?
De verwachting is hierdoor ook dat het aantal spoedverzoeken zal toenemen, om te voorkomen
dat mensen in de tussenliggende periode Nederland moeten verlaten. Hoe gaat de rechtspraak
nu om met die voorlopige voorzieningen bij het ontbreken van schorsende werking? Voorkomen
moet worden dat we schorsende werking op papier streng maken, maar in de praktijk
tandeloos. We moeten voorkomen dat we, zoals de heer Dassen zojuist zei, met dit soort
maatregelen de druk op de rechtspraak onnodig laten toenemen.
Als het gaat over de uitvoerbaarheid, gaat het natuurlijk ook over de uitvoering van
ICT-systemen. Hoe staat het met de noodzakelijke implementatie van die ICT-systemen?
Hoewel systemen in een ideale wereld natuurlijk allemaal op 12 juni helemaal gereed
zijn, begrijpen wij ook dat voor sommige systemen nog tijdelijke alternatieven gevonden
kunnen worden. Maar dat geldt in ieder geval niet voor een ICT-systeem dat nodig is
voor de ambtshalve toetsing van bewaringsbeslissingen. Wanneer een asielzoeker in
bewaring wordt gesteld, moet de rechter binnen een finale termijn van 21 dagen de
bewaring toetsen. Bij verloop van die termijn wordt de bewaring opgeheven. Het is
dus heel belangrijk dat het bewaringsseintje van de IND automatisch doorschakelt naar
de rechtspraak. Hoe staat het met die technische doorschakeling? Is het zeker dat
die per 12 juni 2026 is ingeregeld?
De Minister geeft ook aan dat nieuwe aanvragen prioriteit krijgen om te voorkomen
dat nieuwe achterstanden ontstaan, terwijl er ook nog een bestaande voorraad is. Alleen
de restcapaciteit zal worden ingezet om asielaanvragen voor 12 juni 2026 te beoordelen.
Voorziet de Minister niet dat er in de eerste periode na implementatie helemaal geen
restcapaciteit is bij de IND? Wat betekent dit dan voor de behandeling van oude aanvragen?
Voorzitter. Dan kom ik nu bij de Opvangrichtlijn. In tegenstelling tot de andere onderdelen
van het pact geeft de Opvangrichtlijn meer ruimte voor nationale beslissingen en voor
verschillen met andere lidstaten. Als het gaat om opvang, is het voor het CDA het
allerbelangrijkste dat die in alle gevallen humaan is. Het is een beschaafd land als
Nederland onwaardig dat asielzoekers in het verleden in het gras hebben moeten slapen.
Daarom moeten we haast maken om voldoende opvangplekken te creëren, waarbij alle gemeenten
hun verantwoordelijkheid moeten nemen.
Voorzitter. Wat betreft de implementatie van de herschikte Opvangrichtlijn kom ik
nu bij kinderen in ...
De voorzitter:
Momentje. U krijgt een interruptie van mevrouw Vondeling.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Mevrouw Straatman van het CDA roept gemeenten eigenlijk op om verantwoordelijkheid
te nemen om asielopvang te regelen. Is mevrouw Straatman van het CDA ook van mening
dat gemeenten desnoods gedwongen moeten worden tot asielopvang?
Mevrouw Straatman (CDA):
In de Spreidingswet zoals die nu voorligt, zijn gedwongen maatregelen echt een laatste
redmiddel. Laten we het alsjeblieft in Nederland zo inregelen dat we daar ook alleen
als laatste redmiddel naar moeten grijpen. Als ik de analyse zie van wat er in Ter
Apel, Hardenberg en Budel gebeurt, denk ik dat we de druk op de asielketen alleen
maar bij een aantal gemeenten beleggen, terwijl als we op een fatsoenlijke manier
die solidariteit zouden hanteren, we dan de druk op heel veel gemeenten zouden kunnen
verlichten. Ik heb er alle vertrouwen in – op dit moment zijn de provincies aan de
slag om die ruimtes te zoeken – dat heel veel gemeentes die verantwoordelijkheid willen
nemen.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Als ik het goed begrijp, zegt mevrouw Straatman van het CDA dus: als het de Minister
niet lukt om voldoende opvangplekken te vinden – volgend jaar moet hij er 38.000 vinden
– dan steunen wij de Minister als hij gemeenten dwingt om asielopvang te realiseren.
Klopt dat?
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik denk dat het totaal niet behulpzaam is in het proces dat provincies op dit moment
met gemeenten hebben om al te spreken over een scenario dat zich nu nog helemaal niet
voordoet. Ik heb er alle vertrouwen in dat gemeenten die verantwoordelijkheid voelen.
Ik ken het standpunt van de PVV rondom de Spreidingswet, maar ik vraag me dan ook
heel erg af hoe de PVV dat uitlegt in gemeentes als Ter Apel, Budel en Hardenberg
– ik kan nog wel even doorgaan – die hun verantwoordelijkheid nemen, maar waar ze
er tegelijkertijd ook de last van ervaren dat we niet in heel Nederland die solidariteit
betrachten.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Mevrouw Straatman draait er een beetje omheen, maar als ik het zo begrijp, dan zegt
ze: gemeentes moeten gewoon gedwongen worden. Nou, u heeft de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen
gezien. Er zijn heel veel partijen met veel zetels gekozen die ervoor pleiten om geen
asielopvang te realiseren. Nederlanders zijn het spuugzat. Er worden meisjes van 19
van de fiets getrokken, mishandeld en verkracht door asielzoekers. Nu zegt het CDA
hier: nou, geen probleem, we gaan die opvang gewoon door de strot duwen in heel veel
gemeenten.
Mevrouw Straatman (CDA):
Volgens mij heb ik dat zojuist helemaal niet gezegd. Ik denk dat het heel belangrijk
is dat alle gemeentes hun verantwoordelijkheid nemen, dat er bestuurlijk draagvlak
is en dat de burgers in de gemeentes ook tijdig worden meegenomen als er een asielzoekerscentrum
komt. Ik vrees ook dat een groot deel van de angsten bij mensen over asielzoekers
voortkomt uit de taal die mevrouw Vondeling zojuist bezigt, alsof iedere asielzoeker
een crimineel is. Dat slaat natuurlijk helemaal nergens op. Laten we alsjeblieft nu
gewoon die gemeentes bezig laten zijn om coalities te vormen en de provincies aan
de slag laten gaan om met gemeentes in gesprek te gaan over waar er ruimte is voor
extra opvangplekken.
De voorzitter:
U continueert. Hoever bent u in uw betoog, mevrouw Straatman?
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik heb nog wel een stukje, voorzitter.
De voorzitter:
O jee! Dan gaan we aandachtig luisteren, mevrouw Straatman.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dan kom ik op kinderen in grensdetentie. Wat betreft de implementatie van de herschikte
Opvangrichtlijn valt op dat in die richtlijn staat dat het uitgangspunt is dat kinderen
alleen in uitzonderlijke situaties in bewaring mogen worden gesteld. In de nota naar
aanleiding van het verslag lijkt het kabinet te suggereren dat dit de standaardpraktijk
wordt, in ieder geval bij grensprocedures, onder het mom van het belang van eenheid
van gezin. Mijn vraag aan de Minister is hoe dit zich verhoudt tot die uitzonderlijke
situaties die de Opvangrichtlijn voorschrijft. Waarom wordt de staande praktijk waarbij
gezinnen met kinderen in beginsel in de reguliere asielprocedure worden opgenomen,
niet voortgezet? Past de voortzetting van het staand beleid ook niet gewoon binnen
de implementatie van het pact? Ik kijk even naar mevrouw Westerveld, al wil ik niks
uitlokken.
De voorzitter:
U vraagt om een interruptie. Dat is wat nieuws.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Mijn vraag is natuurlijk: wat vindt het CDA hiervan? Wat vindt het CDA ervan dat ervoor
gekozen lijkt te zijn dat kinderen in detentie geplaatst kunnen worden, terwijl dat
niet noodzakelijk is. Sterker nog, dat is helemaal niet wenselijk. Het is heel erg
traumatisch voor kinderen en het vloeit niet per se voort uit het pact.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik maak duidelijk ...
De voorzitter:
U moet wel even uw microfoon aanzetten als u spreekt en uitzetten als iemand anders
spreekt, anders wordt het moeilijk voor de techniek.
Mevrouw Straatman (CDA):
Excuus. Wat betreft kinderen in detentie spelen er twee dingen. Daarom stelde ik ook
mijn vragen aan de Minister. Zoals we de wet nu zien, is het volgens mij een letterlijke
vertaling van de verordening. Daar heeft het CDA geen problemen mee: de letterlijke
ruimte die de verordening geeft om de mogelijkheid te creëren die verplichting op
te nemen. Een tweede vraag is hoe je daar in de praktijk mee omgaat. Als ik de praktijk
nu zie, is het in uitzonderlijke situaties ook al mogelijk om kinderen in de gesloten
instelling in Zeist te plaatsen. Maar wat mij betreft moeten dat echt absoluut uitzonderingen
zijn en is er alle ruimte om het bestaande beleid op dit punt gewoon voort te zetten,
waarbij kinderen op het moment dat zij zich melden in een grensprocedure niet naar
Zeist gaan met het argument «eenheid van gezin». In beginsel moeten kinderen gewoon
naar de open procedure, de reguliere opvangprocedure in Ter Apel. Alleen in uitzonderlijke
situaties moet daarop een uitzondering kunnen worden gemaakt. Vandaar ook mijn vraag
aan de Minister. Volgens mij past dat ook gewoon helemaal binnen de implementatie
van het pact.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Als ik dit antwoord hoor, denk ik dat we dit wettelijk duidelijker moeten vastleggen.
Ik ben het met het CDA eens dat dit niet de normale gang van zaken zou moeten zijn,
maar ik lees in het voorstel dat het in principe wel de normale gang van zaken wordt
dat kinderen in grensdetentie worden geplaatst. Als we allebei vinden dat dit niet
zo zou moeten zijn, steunt het CDA dan het amendement dat we afgelopen vrijdag hebben
ingediend om dit te voorkomen? Dat amendement zegt dat je kinderen niet in detentie
moet plaatsen omdat dat nooit in het belang van kinderen is.
Mevrouw Straatman (CDA):
Twee dingen. Ten eerste de uitwerking in de wet. Dat is een rechtstreekse uitwerking
van de verordening. Ik verwijs naar considerans 69 van de verordening. Dat is een
letterlijke vertaling van wat er nu in de wet staat en van wat de verordening voorschrijft.
Ik hoorde mevrouw Westerveld in haar eigen bijdrage zeggen dat het belangrijk is om
eenheid te creëren en te harmoniseren. Dat we de ruimte die de verordening biedt ook
opnemen in de wet lijkt me niet vreemd. Dat past helemaal in de gedachte van harmonisatie.
Ten tweede is de vraag hoe je daar in de praktijk mee omgaat. Dat is natuurlijk de
ruimte die je hebt in beleid en in de uitvoering. Dan heeft het bestaande beleid mijn
voorkeur, waarbij in feite eigenlijk alle kinderen die aan de grens komen direct doorgaan
naar Ter Apel, tenzij er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, want dan gaan
ze naar Zeist. Het is dus een kwestie van de manier waarop je wettelijke mogelijkheden
uitvoert. Daarvoor hoeft wat mij betreft de wet niet veranderd te worden. Sterker
nog, dat zou ik zeker niet doen, want dat past helemaal niet in de harmonisatiegedachte
van de verordening.
De voorzitter:
U zat net op 35 seconden, mevrouw Westerveld. Mijn assistent fluisterde mij dat in.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik begrijp het niet zo goed. Het CDA zegt: dit moeten we niet doen; dit moeten we
niet willen. We weten dat het schadelijk is, dat het zeer ernstig traumatisch is en
dat het levenslange gevolgen kan hebben. Dan leggen we toch ook gewoon wettelijk vast
dat we dit niet meer gaan doen? Dat is dan toch de consequentie? Daar kan het CDA
dan toch voor stemmen?
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik denk dat we elkaar heel vergaand kunnen vinden. De enige vraag is: wil je de verordening
niet gewoon implementeren zoals die nu voorligt, zoals het doel van verordeningen
is? Er staat hier ook: er is een mogelijkheid om in uitzonderlijke situaties, als
maatregel van laatste instantie, bij gebrek aan minder dwingende alternatieven et
cetera, et cetera, et cetera. Daar worden veel voorwaarden aan gekoppeld. Het lijkt
me prima dat je de mogelijkheid creëert. Dat is helemaal in lijn met de gedachte van
verordeningen dat je ze in alle lidstaten op dezelfde manier implementeert. Dat doen
we nu ook al. Ook in het huidige beleid is er een haakje om in uitzonderlijke situaties
kinderen in Zeist te plaatsen. Heeft het mijn voorkeur? Nee. Ik vind dat de uitleg
dat het het uitgangspunt is dat kinderen niet in detentie worden geplaatst, zou moeten
betekenen dat we het bestaande beleid voortzetten en dat het gros van de kinderen,
praktisch iedereen, gewoon in Ter Apel terechtkan, in een open setting.
De heer Dassen (Volt):
De Raad van State geeft in het advies duidelijk aan dat Nederland hier wel degelijk
afwijkt van wat er in de Opvangrichtlijn staat en adviseert ook de formulering aan
te passen om in overeenstemming te komen met de Opvangrichtlijn. Ik ben wel benieuwd
waar mevrouw Straatman dat dan vandaan haalt.
Mevrouw Straatman (CDA):
Wat mij betreft staat het nu in de wet zoals het letterlijk ook in de verordening
staat. Ik kan hier de paragraaf voorlezen waarin precies dezelfde voorwaarden worden
gecreëerd waaronder een kind in uitzonderlijke situaties in detentie kan worden geplaatst.
De vraag is alleen: hoe leg je «uitzonderlijke situaties» uit? Dat is mijn vraag aan
de Minister. In de nota naar aanleiding van het verslag lijkt het alsof het al voldoende
reden is om aan de drempel van uitzonderlijke situaties te voldoen als een kind met
een gezin aan de grens komt. Dat is niet de situatie die ik graag zou hebben. Ik zou
graag zeggen: nee, dat is echt onvoldoende om iemand in Zeist te plaatsen; de gewone
route naar Ter Apel ligt dan meer voor de hand. Daarvoor hoef je de wet echter niet
aan te passen.
De heer Dassen (Volt):
Dit is volgens mij de reden waarom je dit soort zaken er niet doorheen moet jassen,
zoals we nu met elkaar aan het doen zijn, want hier is het dus blijkbaar onduidelijk
wat de Raad van State zegt. Ik lees het echt totaal anders. De Raad van State schrijft:
«In dat artikel ontbreekt echter de toevoeging dat bewaring uitsluitend in het belang
van een minderjarige is als de ouder of hoofdverzorger die hem begeleidt ook in bewaring
is gesteld of als hij als niet-begeleide minderjarige door de bewaring wordt beschermd.»
In het vervolgstuk staat dat deze wet daar onvoldoende waarborg voor biedt, omdat
het ook op een andere manier uitgelegd kan worden. Dat is precies de zorg die wij
hebben. Deze Minister legt het misschien op deze manier uit, maar een andere Minister
kan het op een andere manier uitleggen. Dat is precies de reden dat je zorgvuldige
wetsbehandelingen moet hebben. Ik lees het anders en volgens mij staat het er ook
anders.
De voorzitter:
Deze interruptie was 48 seconden.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik kan het beroep op zorgvuldige wetsbehandeling alleen maar onderschrijven. Zoals
ik het lees, is dit een directe implementatie van wat er in de wet staat. Ten tweede
is de vraag: hoe voer je het uit? De uitvoering zou zijn dat het uitgangspunt is dat
een kind met een gezin aan de grens gewoon naar Ter Apel gaat en in uitzonderingsgevallen
naar Zeist. Dat zou tenminste mijn voorkeur zijn. Mijn vraag aan de Minister is: zou
het niet gewoon mogelijk moeten zijn binnen de implementatie van dit pact dat we de
staande praktijk voortzetten?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Vanwege de onduidelijkheid en de ruimte die de wet biedt, heb ik een verduidelijkend
amendement ingediend, zodat we de wettelijke vertegenwoordiger, zoals je die ook op
andere vlakken in de Procedurerichtlijn ziet, er ook tussen zetten, zodat die beoordeelt
wat er in het belang van het kind is. Mijn vraag aan mevrouw Straatman is: wie toetst
er volgens de huidige wetstekst of iets in het belang van het kind is?
Mevrouw Straatman (CDA):
Zoals ik de wet op dit moment lees, zijn er verschillende instanties betrokken die
controleren of het inderdaad in het belang is. Als u mij vraagt wie dat dan in specifieke
zin is, dan overvraagt u me. Ik weet niet welke instanties dat zijn. Alleen, er moeten
voldoende waarborgen in het systeem zijn die beoordelen of iets wel of niet in het
belang van het kind is. Nogmaals, als het aan mij ligt, zou het alleen in uitzonderlijke
situaties in het belang van het kind zijn om het in Zeist te plaatsen, zoals nu ook
al het geval is.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Mevrouw Straatman geeft aan dat zij niet weet wie de check doet of het in het uitzonderlijke
belang is. Dat klopt ook, want het wordt niet in de wet verduidelijkt, en ook niet
in de memorie van toelichting. Daarom heb ik er een aanvulling op gedaan door te zeggen
dat het in ieder geval iemand moet zijn die verstand heeft van de gedragswetenschappen
rondom kinderen. Het moet iemand zijn die dat zou kunnen toetsen en daarbij de Minister
ook advies zou kunnen geven. De Minister kan daar dan van afwijken. Maar ook hier
vindt een mogelijke procedurele toets plaats, waarbij je ook weer beroep zou kunnen
gaan. Mijn vraag is waarom mevrouw Straatman dat wel of geen goede suggestie zou vinden.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik denk dat het heel belangrijk is om goed te toetsen of het wel of niet in het belang
van het kind is. Ik denk dat mevrouw Westerveld heel duidelijk heeft aangegeven waarom
dat heel belangrijk is. Dat onderschrijf ik. Alleen, ik weet niet of het precies op
de manier moet zoals die u in uw amendement heeft voorgeschreven. Ik wacht ook even
op de appreciatie van de Minister om te horen hoe hij naar dat voorstel kijkt en welke
ideeën hij verder heeft over de manier waarop die toetsing zal plaatsvinden.
De voorzitter:
U wilt nog interrumperen, meneer Ceder? De vorige was 39 seconden, dus u zit nu op
tien interrupties.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dan laat ik het zo.
De voorzitter:
Oké. Mevrouw Straatman, continueert u uw betoog. Hoever bent u?
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik heb nog twee kopjes, maar ik zal proberen snel te zijn.
De voorzitter:
Oké.
Mevrouw Straatman (CDA):
Het is voor het CDA van belang dat de opvang sober is voor kansarme of overlastgevende
asielzoekers en gericht is op meedoen voor kansrijke asielzoekers. Tegen die achtergrond
heb ik de volgende vragen aan de Minister. Dublinvreemdelingen die in een andere Europese
lidstaat asiel moeten aanvragen, kunnen onder de Opvangrichtlijn maar beperkt gebruikmaken
van materiële voorzieningen. De Minister geeft aan dat het vormgeven, inrichten en
realiseren van zo’n sobere nieuwe opvangvorm nog meer tijd kost. Op welke termijn
verwacht de Minister die sobere opvangplekken te kunnen realiseren?
Tegen overlastgevende asielzoekers kunnen vrijheidsbeperkende maatregelen worden ingezet.
De regering geeft aan te kijken naar een uitbreiding van het aantal plekken. Dat is
goed, maar kan de Minister hier al meer over zeggen?
Voor het CDA is het ook belangrijk dat kansrijke asielzoekers snel aan het werk kunnen
en snel kunnen deelnemen aan onze samenleving. Het UWV geeft echter aan een minimale
implementatietermijn van tien maanden nodig te hebben voor aanpassingen in de Wet
arbeid vreemdelingen. Wat betekent dit per 12 juni ’26 voor de kansrijke asielzoeker
die graag aan het werk wil?
Daarnaast is taal essentieel om mee te kunnen doen. De Minister geeft aan dat er op
dit moment nog sprake is van een te versnipperd taalaanbod. Welke stappen gaat de
Minister nemen om dit taalaanbod voor alle opvangplekken te uniformeren? Als het taalaanbod
uniform is, ziet de Minister dan ook ruimte om een eigen bijdrage te vragen voor die
cursussen?
Tot slot op dit punt, voorzitter, over de juridische counseling. Voor een goede doorloop
van de asielketen vinden we het begrijpelijk dat deze taak bij de IND ondergebracht
is. De IND geeft zelf aan op 12 juni ’26 slechts een «minimale inrichting» te kunnen
implementeren. Ik vraag de Minister: wat houdt dit in? De adviesfunctie en de beoordelingsfunctie
worden beide bij de IND belegd, uitgevoerd door verschillende medewerkers. Hoe kan
de Minister niet alleen formeel op papier, maar ook in de zichtbaarheid naar asielzoekers,
duidelijk maken dat het juridisch advies door IND-medewerkers onafhankelijk wordt
verstrekt?
Voorzitter. Ik kom bij mijn laatste punt: terugkeer. Terugkeer is het sluitstuk van
een goedwerkend asielsysteem. Instroom door de voordeur beperken heeft weinig zin
als de achterdeur potdicht zit. Vorige week heeft het Europees Parlement belangrijke
stappen gezet om te komen tot een pakket aan maatregelen voor terugkeer. Verwacht
de Minister dat de Terugkeerverordening tegelijkertijd met de implementatiedeadline
van 12 juni in werking kan treden? Wat betekent deze verordening voor de uitvoeringswet
en de nationale asielwetgeving?
Verder heb ik over terugkeer binnen het pact een aantal vragen. Grensdetentie is aan
een maximum en aan voorwaarden gekoppeld, maar wat betekent dit voor een effectief
terugkeerbeleid? Wat gebeurt er als een asielzoeker die niet mag blijven geen uitzicht
heeft op terugkeer maar grensdetentie eindigt? Voorkomen moet worden dat asielzoekers
die terug moeten alsnog uit het zicht van de instanties raken.
Tot slot. De Minister geeft ook aan dat hij voortdurend in gesprek is met derde landen
om terug- en overnameovereenkomsten te sluiten. Wat is hiervan de stand van zaken?
Voorzitter, ik rond af. De uitvoeringswet van het pact is een belangrijke stap om
het asielsysteem beter te laten functioneren, zowel voor de mensen in de opvang, voor
de gemeenten als voor de samenleving. Dat wil niet zeggen dat we met dit pact alle
problemen gaan oplossen. Het is, nogmaals, geen wondermiddel. Dat eerlijke verhaal
moeten we ook blijven vertellen, want de uitdagingen in de uitvoering zijn groot,
de afhankelijkheid van andere landen is groot en effectieve terugkeerafspraken zijn
essentieel. Maar het gezegde luidt: de wind kun je niet veranderen, de stand van de
zeilen wel. Migratiestromen laten zich nu eenmaal niet sturen of voorspellen. Dat
maakt ieder asiel- en migratiesysteem complex en kwetsbaar. Juist daarom moeten we
doen wat wél binnen onze invloed ligt: zorgen voor strenge grensregels, snellere procedures
en betere samenwerking in Europa. Dit pact zet een belangrijke stap daarin. Het helpt
om meer grip te krijgen op migratie zonder weg te kijken van de verantwoordelijkheid
die we hebben voor mensen die vluchten voor oorlog en geweld. Dat is precies de balans
die nodig is om het vertrouwen in een werkend asielsysteem te herstellen.
Dank u wel.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Nog een andere vraag. Het CDA profileert zich graag als gezinspartij. Ik vraag mij
of hoe zij staat ten opzichte van de keuze om bij oorlogsvluchtelingen een wachttijd
van twee jaar te hanteren.
Mevrouw Straatman (CDA):
Het CDA heeft in het verkiezingsprogramma staan dat wij voor het tweestatusstelsel
en de daaraan gekoppelde nareisvoorwaarden zijn. De reden is dat we zien dat de asielketen
helemaal vastloopt en vol zit. We moeten meer lucht creëren voor instanties om zaken
aan te kunnen. We geloven dat de wachttijd daarbij kan helpen. Bovendien, zoals ik
in een eerder interruptiedebatje met de heer Ceder heb aangegeven, past het binnen
het tijdelijke karakter van een vergunning, omdat je daarmee ruimte creëert om op
een later moment te kunnen beoordelen of de omstandigheden in het land van herkomst
gewijzigd zijn. Als die na twee jaar nog steeds niet gewijzigd zijn, is dat een andere
reden om gezinsleden te laten overkomen dan om dat direct op moment nul al te doen.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dat is een duidelijk antwoord. Geldt dat dan ook voor de voorstellen, de amendementen,
die wij hebben ingediend om lhbtiq+-vluchtelingen die in het land van herkomst niet
kunnen trouwen, uit te sluiten van de sobere voorwaarden waar nu voor is gekozen?
Mevrouw Straatman (CDA):
Zij worden daar niet van uitgesloten, want als je niet aan een van de eisen van het
kerngezin voldoet, staat de route van artikel 8 EVRM open. Zoals de Minister in de
nota naar aanleiding van het verslag heeft aangegeven, wordt in de artikel 8 EVRM-toets
ook gekeken naar de specifieke omstandigheden. Als het dan gaat om een lhbtiq+-persoon
die niet kan trouwen, heeft dat zwaarwegende invloed. In feite hebben die mensen dus
via artikel 8 EVRM in het gros van de gevallen, tenzij er uitzonderlijke situaties
spelen, ook gewoon toegang tot Nederland.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Een opmerking: ik vind het ingewikkeld om deugdelijke wetgeving uit te besteden aan
het EVRM. Daar maakt de Raad van State ook geregeld een opmerking over, maar goed,
dat terzijde. Mijn vraagt gaat over de gezinshereniging en de vertraging daarin. Gezinsleden
die alsnog komen, maar wel vertraagd, lopen een achterstand op. Denk aan het ontstaan
van eventuele gedragsproblemen in het land van herkomst, omdat ze daar langer blijven,
maar ook aan uitgestelde integratie, wat ook weer doorwerkt in andere domeinen. Mijn
vraag is hoe dit zich volgens het CDA tot elkaar verhoudt.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik denk niet dat ik het met die analyse eens ben, want de voorwaarden – niet alleen
de wachttijd, maar ook de eis dat er voldoende inkomen is en dat er huisvesting is
– helpen volgens mij juist bij een betere integratie. Wat je nu ziet, is dat mensen
overkomen en veel te lang vastzitten in een azc, ook wanneer ze al een status hebben
gekregen. Dat helpt zeker niet om te integreren. De extra voorwaarden die nu aan nareis
worden gekoppeld, maken het juist veel makkelijker om op het moment dat je naar Nederland
komt, meteen eigen onderdak te hebben en voldoende eigen middelen te hebben om mee
te kunnen doen. Ik denk dus dat het de integratie juist kan bevorderen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik vind het een wonderlijke vergelijking dat subsidiair beschermden in oorlogsgebieden
die daar langer zijn, er voordeel van hebben dat ze daar langer blijven, omdat er
hier dan inmiddels een inkomen en een thuis is. Ik denk dat die dingen niet tegen
elkaar weggestreept kunnen worden. Mijn vraag richtte zich erop of het CDA heeft nagedacht
over mogelijke stappen om de integratie in het land van herkomst of op andere plekken
zodanig in te richten dat daarmee al gestart kan worden, wetende dat de wachttijden
best wel lang kunnen zijn.
Mevrouw Straatman (CDA):
Voor het CDA is het heel belangrijk – dat staat ook in het coalitieakkoord – dat mensen
die naar Nederland komen en kansrijk zijn, vanaf dag één kunnen meedoen, dus dat ze
vanaf dag één taalonderwijs krijgen en dat ze binnen of na drie maanden aan het werk
kunnen. Dat is denk ik de verantwoordelijkheid van Nederland op het moment dat ze
de Nederlandse grens over zijn. Ik denk niet dat wij de verantwoordelijkheid hebben
om mensen buiten Europa of in de landen van herkomst op die manier voor te bereiden
op hun komst naar Nederland, juist vanwege het tijdelijke karakter. Het kan dan ook
zomaar zo zijn dat de situatie in het land van herkomst anders is wanneer die wachttijd
verstreken is en dat nareis dan helemaal niet meer aan de orde is.
De heer Dassen (Volt):
Er werd net gezegd: meer lucht creëren voor instanties. Het ging net ook nog even
over ondersteuning bij de juridische procedures. Daardoor wordt het namelijk op dit
moment extra druk voor de IND. De Minister zegt dan: dat doen we vanwege sober beleid.
Is dat dan wel verstandig volgens het CDA?
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik heb het rapport van de IND, dat dit weekend naar buiten kwam, ook gelezen. Daarin
geeft de IND juist zelf aan dat ze heel graag die taak bij zich houden, omdat ze dan
het proces veel integraler kunnen doorlopen. Nu loopt het proces veel vertraging op,
omdat men afhankelijk is van andere ketenpartners. In die zin begrijp ik waarom deze
functie bij de IND belegd is. De capaciteitsproblemen bij de IND baren mij natuurlijk
ook zorgen en er moet dus wel voldoende capaciteit voor zijn. Maar daarover zijn volgens
mij al meerdere vragen aan de Minister gesteld.
De heer Dassen (Volt):
Dat begrijp ik, maar daarom ben ik even zoekende. De Minister geeft aan dat hij dit
doet vanwege de sobere uitstraling. «Dat is de reden waarom ik dit doe.» Hij doet
het niet om de keten op orde te krijgen; dat was volgens mij wel altijd het uitgangspunt
van het CDA. Zouden we de Minister dan nu niet moeten oproepen om in ieder geval door
te gaan met het beleid dat het mogelijk maakt dat de ngo’s deze ondersteuning bieden?
Daarmee voorkomen we namelijk dat we nu onevenredig grote druk op de IND zetten. Is
het CDA dat met mij eens?
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik ben het niet eens met de analyse van de heer Dassen dat de juridische counseling
wordt belegd bij de IND om soberder beleid vorm te geven. Ik denk dat de juridische
counseling op zichzelf wel een versobering is, maar of die nu bij de IND belegd wordt
of bij een andere organisatie, is echt een andere discussie. Ik denk dat het juist
efficiënt is om het bij de IND te beleggen, iets wat de IND zelf ook vraagt, om te
voorkomen dat je te afhankelijk bent van verschillende ketenpartners. Dat is op zichzelf
geen versobering en daar heb ik dan ook geen kritiek op.
De heer Dassen (Volt):
Dat was niet helemaal een antwoord op mijn vraag. «Sober beleid» komt van de Minister,
hè, en niet van mij. Mijn vraag was: zouden we de Minister nu niet de opdracht moeten
geven om ervoor te zorgen dat dit niet alleen bij de IND belegd wordt, omdat de IND
aangeeft dat de druk te hoog wordt? Zouden we niet, zoals mevrouw Straatman zelf ook
zegt, instanties meer lucht kunnen geven door deze mogelijkheid juist wel open te
houden?
Mevrouw Straatman (CDA):
Dan is mijn antwoord dat de IND zelf aangeeft dat in het verleden gebleken is dat
het veel vertraging in het systeem oplevert als je die taak bij heel veel verschillende
instanties belegt. Efficiency in het proces maakt het juist noodzakelijk dat die taak
bij de IND belegd wordt. Daarom lijkt het mij zeker een goede zaak dat die taak bij
de IND wordt belegd. Maar we moeten er dan wel voor zorgen dat er voldoende capaciteit
is en dat er ten tweede voor wordt gezorgd dat de onafhankelijke adviesfunctie van
de IND ook duidelijk is voor asielzoekers.
De voorzitter:
Meneer Ceder. Wel graag binnen 30 seconden, want u zit aan uw max.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik heb nog één vraag. Er is een amendement binnengekomen van Vondeling en Wilders
dat opnieuw regelt dat het in de wet strafbaar wordt gesteld. De kritiek op het amendement,
dat mede door het CDA aan een meerderheid is geholpen, is niet verstomd. De katholieke
kerk, de PKN en andere organisaties hebben zich hierover vorige week uitgelaten en
mijn vraag is of dat nog iets doet met het standpunt van uw fractie in de Tweede Kamer.
Of zult u ook nu voor dit amendement stemmen?
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik denk dat het verleden heeft geleerd dat je niet heel snel ja of nee tegen een amendement
moet zeggen. Je moet het eerst gelezen hebben! Ik heb er nog niet naar kunnen kijken
en ik weet dus ook niet hoe mevrouw Vondeling en de heer Wilders dit amendement vorm
hebben gegeven. Voor het CDA is het heel belangrijk dat medemenselijkheid nooit strafbaar
mag zijn. Maar wij staan wel positief tegenover de strafbaarstelling van illegaliteit
in het omkaderde amendement, zoals dat nu via een novelle bij de Eerste Kamer ligt.
Daar hebben wij voor gestemd en in de tussenliggende periode is daar niets aan veranderd.
Maar ik moet dus eerst rustig naar dit amendement kijken om te zien hoe het precies
is geformuleerd.
De voorzitter:
Oké, mevrouw Straatman was aan het einde van haar bijdrage. We zijn inmiddels bijna
tweeëneenhalf uur verder en ik vraag me af of de behoefte bestaat om even een paar
minuutjes te schorsen. Ik zie dat iedereen dat graag wil. Sorry, mevrouw Lammers,
want u bent bijna aan de beurt. Ik schors vijf minuten voor een snelle pitstop.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik verzoek de collega’s die er al zijn om te gaan zitten. Kijk, mevrouw Lammers gaat
nu wel gewoon zitten om te beginnen met haar eerste termijn! En dat kan, want de Minister
is er nu ook weer. Kamer en kabinet zijn er en we gaan nu gewoon aan de slag! Mevrouw
Lammers, gaat uw gang.
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Voorzitter. Jarenlang is in Brusselse achterkamertjes gebakkeleid over een nieuw Migratiepact.
Vandaag ligt de implementatiewet voor. Op papier oogt dit pact strenger dan de huidige
wet- en regelgeving en dat is goed. Denk daarbij aan de verplichte grensprocedure
en de screening. Maar het laat de kern van het asielprobleem intact. Asiel aanvragen
binnen de Europese Unie blijft mogelijk, met alle aanzuigende werking van dien. De
realiteit is namelijk dat de komende jaren nog honderden miljoenen mensen uit Afrika,
Azië en het Midden-Oosten richting Europa willen komen. Die werkelijkheid heeft dit
pact allang ingehaald.
Voorzitter. Ik wil drie punten over dit pact in dit wetgevingsoverleg benoemen. Allereerst
de soevereiniteitsoverdracht als gevolg van dit pact. Onder de streep is dit pact
vooral een verdere overdracht van zeggenschap aan Brussel, terwijl onze asielwetgeving
nu al voor 90% wordt bepaald door Europese of internationale verdragen. Neem de Crisisverordening
van het pact. Waar lidstaten eerder zelf instrumenten hadden om nationale noodmaatregelen
te nemen, worden die nu zwaar ingeperkt.
Alleen onder strenge Europese voorwaarden en toetsing door de Europese Commissie mogen
lidstaten in uitzonderlijke situaties afwijken, en zelfs dan slechts beperkt. Dat
is kwalijk, want wij willen niet méér Europa. Wij willen méér Nederland! Daar komt
bij dat lidstaten verplicht worden om mee te doen aan herverdeling of om dat af te
kopen voor wel € 20.000 per asielzoeker. Maar wij willen geen van beide. Dit pact
dwingt echter tot een keuze: of betalen voor herverdeling of betalen voor opvang.
Dat is kiezen tussen twee kwaden.
Dan het tweede punt. Dit pact gaat op essentiële punten voor ons niet ver genoeg.
De kern van het asielprobleem blijft namelijk onaangetast. Asielaanvragen vinden nog
steeds plaats binnen de Europese Unie. Slechts voor kansarme aanvragen komt er een
grensprocedure. De rest vindt op Europees grondgebied plaats.
Maar Europa zou Europa niet zijn als er geen uitzonderingsgronden waren. Alleenstaande
minderjarige vreemdelingen mogen onder dit pact niet in de grensprocedure worden geplaatst
en zij kunnen dus doorreizen. Een simpele optelsom leert wat de uitkomst daarvan zal
zijn. Deze kinderen worden vooruitgestuurd, reizen door naar rijke landen zoals Nederland
en niemand die ze iets kan maken. Uiteindelijk kan de grensprocedure daarmee feitelijk
«leeg» blijven, als alle kansarme migranten hun kinderen vooruitsturen. Klinkt dit
als een succesvol pact, vraag ik de Minister.
Zolang mensen Europa bereiken en hier een procedure kunnen starten, blijft de instroom
doorgaan en blijft het probleem voortduren. Er is een fundamenteel andere keuze nodig.
Asielaanvragen dienen uitsluitend buiten de Europese Unie plaats te vinden en, ja,
het mag duidelijk zijn dat er wat ons betreft geen enkele status meer wordt toegekend
en er een totale asielstop komt. Maar ten minste moeten alle aanvragen buiten het
EU-grondgebied plaatsvinden, zodat doorreizen wordt voorkomen. Kan de Minister zich
hierin vinden? En is hij bereid om in Europa te onderhandelen over een nieuw wetsvoorstel
waarin alle aanvragen buiten de EU worden behandeld?
Daarnaast blijft in dit pact het meest fundamentele punt liggen, namelijk effectieve
terugkeer. Zonder terugkeer heeft geen enkel migratieplan zin. In dit nieuwe pact
zal de instroom blijven en is de uitstroom niet voldoende geregeld. Wij zeggen het
de Britten na: if millions come, millions have to go. Vindt de Minister dit ook? Waarom
heeft dit kabinet er dan nog niet voor gekozen om bijvoorbeeld Syriërs gedwongen uit
te zetten? Het kan! Het mag namelijk en andere EU-lidstaten doen het al, bijvoorbeeld
Oostenrijk.
Voorzitter. Mijn derde en laatste punt is de uitvoerbaarheid van dit pact. Dit pact
lijkt in de praktijk niet te gaan werken. De Europese buitengrenzen zijn duizenden
kilometers lang en worden nu al onvoldoende bewaakt. Ook Frontex gaat dat probleem
niet oplossen, zelfs niet met extra budget. Zonder fysieke grensbescherming blijft
de uitkomst hetzelfde: meer illegale instroom, meer doorreis en dus meer druk op Nederland.
Ondertussen geven landen zoals Polen en Hongarije al aan helemaal niets met het pact
te gaan doen. Dan rijst onmiddellijk de vraag wat er dan met Dublinclaimanten uit
die landen gebeurt en vooral hoe de verdeelsleutel wordt aangepast. Kan de Minister
mij daar een antwoord op geven? De kans is namelijk groot dat Nederland zoals altijd
het braafste jongetje van de klas wordt en alle klappen moet opvangen. Migratie-expert
Gerald Knaus, de bedenker van de Turkijedeal, waarschuwde in de uitzending van Nieuwsuur
van 17 februari dat het pact op één grote mislukking zal uitlopen. Ik citeer: «Er
wordt heel veel beloofd, maar deze zomer gaan we waarschijnlijk zien dat het faliekant
misgaat, want de beloftes die zijn gedaan – betere grensbewaking, minder illegale
migratie, meer terugzendingen – kunnen niet worden waargemaakt. Zelfs als we heel
optimistisch zijn en het zou werken, dan zou nog vrijwel niemand worden teruggestuurd.
Precies hetzelfde als we de afgelopen twintig jaar hebben gezien, zal opnieuw gebeuren.
Asielzoekers verdwijnen in de zwarte markt of reizen door naar Noord-Europa.»
Voorzitter. Toch is dit kabinet positief over het Europese Migratiepact. Ik vraag
de Minister: waarom toch? Nederland hééft helemaal geen Europees Migratiepact nodig
en al helemaal geen pact dat op een mislukking dreigt uit te lopen. Wat Nederland
nodig heeft, is een Nederlands migratiepact, met grenscontroles, zonder Spreidingswet
en met een asielstop. De mensen thuis willen dit ook. Bij de afgelopen gemeenteraadsverkiezingen
is er opnieuw een ruk naar rechts gemaakt. Nederlanders hebben er genoeg van. Steeds
meer gemeenten willen geen azc en al helemaal geen dwang vanuit Den Haag. Het draagvlak
brokkelt zichtbaar af. Dat is niet houdbaar, ook niet voor een Minister die stoer
«wet is wet» roept. De wet is de wet zolang je hem niet aanpast. Die aanpassing kan
vandaag nog.
Wij komen daarom met enkele voorstellen als onderdeel van dat Nederlandse migratiepact.
Allereerst noem ik ons meest essentiële punt: ons amendement om het dwangelement uit
de Spreidingswet te halen. Gemeenten mogen nooit gedwongen worden om asielzoekers
op te vangen omdat Den Haag de kraan niet dichtdraait. Dat is voor ons een no-go.
Haal alle dwang uit die wet. Dat is ook een duidelijk signaal naar de kiezers. Ik
vertrouw dan ook op brede steun van deze Kamer voor ons voorstel, mede gelet op de
uitspraken van bijvoorbeeld de heer Klaver van GroenLinks-PvdA in de campagne voor
de gemeenteraadsverkiezingen, waarbij hij zelf zei dat gemeentes zelf gaan over hun
eigen opvang en dat we daar als Den Haag naar hebben te luisteren. Ik noem ook de
uitspraak van Dilan Yeşilgöz bij Buitenhof waarin ze zei dat het voor gemeenten te
veel wordt en het draagvlak voor de opvang van asielzoekers wordt weggenomen als er
geen dwang wordt toegepast bij de aanhoudende instroom. Bij dit pact zal de doorreis
blijven. Op het punt van de uitstroom is bijna niets geregeld. Een migratie-expert
waarschuwt voor een ramp komende zomer. Ik zeg dus: haal de dwang weg. Graag ook uw
reactie, Minister, op ons amendement.
Een ander voorstel dat wij zullen doen is het afschaffen van de voorlopige voorziening
in asielzaken. Nu kan de rechter op basis van individuele casuïstiek een asielbesluit
laten schorsen. Dat moeten we niet willen. België heeft die mogelijkheid niet en Duitsland
ook niet. Het zorgt voor chaos. Daarnaast is het ook niet aan de rechter om ons asielbeleid
te bepalen, maar aan de regering en aan ons als Kamer, de gekozen vertegenwoordigers
van het volk.
Voorzitter. Tot slot. Dit pact draagt soevereiniteit over aan Brussel, beperkt de
instroom onvoldoende en lijkt in de praktijk niet te gaan werken. Dit kabinet kiest
voor meer Europa, terwijl Nederland vraagt om minder. Dat is de kern van dit debat.
Laat ik daarbij het volgende zeggen. Onze fractie beoordeelt dit pact uiteindelijk
op wat er concreet verandert. Wij doen serieuze voorstellen. Als het kabinet en de
Kamer bereid zijn om op fundamentele punten bij te sturen, zullen wij daar serieus
naar kijken.
Dank u wel.
De voorzitter:
Oké. Dan gaan we luisteren naar de heer Boomsma, voor zijn eerste termijn. Hij spreekt
namens JA21.
De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Het huidige Europese asielbeleid is failliet, kapot en zelfs
pervers. Wij doen alsof het humaan is, maar het levert ons uit aan mensensmokkelaars.
Duizenden mensen sterven op zee. De armste mensen blijven achter. De kosten zijn onhoudbaar
en de gevolgen voor Nederland onaanvaardbaar. Dit moet dus stoppen, maar het juridische
moeras dat is ontstaan door internationale verdragen, Europees recht en ook door nationaal
asielactivisme, frustreert de legitieme democratische wens om verandering.
Die spanning vreet aan het vertrouwen in onze samenleving en in onze rechtsstaat.
Het nieuwe Asiel- en migratiepact gaat dat helaas niet oplossen, vrezen wij. Het is
inderdaad, zoals gezegd, geen wondermiddel, maar het lijkt ons vooral een poging om
het kapotte systeem met pleisters en draadjes nog overeind te houden om nog maar even
de pretentie vol te houden dat het houdbaar is. JA21 zal daarom blijven pleiten voor
een fundamentele herziening van het hele asielstelsel. We moeten van asiel hier naar
hulp daar, buiten de EU. Opvang en vestiging in Nederland moeten een gunst zijn en
geen recht. Dat is de enige manier waarop wij zelf weer controle kunnen krijgen over
wie zich hier vestigt.
De voorzitter:
Er is een interruptie van de heer Dassen.
De heer Dassen (Volt):
Is de heer Boomsma het met mij eens dat als je dat wil, we er in ieder geval voor
moeten zorgen dat we meer gaan investeren in ontwikkelingssamenwerking?
De heer Boomsma (JA21):
Nee, want het is niet zo dat ontwikkelingssamenwerking – daar kun je voor of tegen
zijn – ertoe zal leiden dat de migratiestromen zullen afnemen of dat de wens om zich
in Europa te vestigen op korte termijn zal afnemen. Sterker nog, uit veel onderzoek
blijkt ook dat als in bepaalde landen mensen meer geld hebben, ze ook makkelijker
hiernaartoe kunnen reizen. Ik zei net al: de armste mensen blijven achter. Dus er
kunnen hele goede redenen zijn om meer aan ontwikkelingssamenwerking te doen, maar
dat staat los van dit streven.
De voorzitter:
U continueert.
De heer Boomsma (JA21):
Voor die fundamentele herziening zullen wij ons de komende tijd blijven inzetten.
Het belangrijkste is dat de regering de komende tijd zo snel mogelijk afspraken gaat
maken met die derde landen voor opvang daar. De mogelijkheden daartoe nemen sterk
toe door de wijziging van het bandencriterium per 12 juni. Eerder is bij de begroting
onze motie aangenomen om een plan van aanpak te maken en daar voor de zomer mee te
komen. Ik weet overigens dat de Minister zelf in 2023 een vergelijkbare motie heeft
ingediend om dat zo te gaan inrichten. Het is voor hem ook een goede zaak dat dat
nu eindelijk kan. Hoe staat het met de uitvoering? Daar zien we naar uit. We willen
graag ook structurele updates over de voortgang op dat plan, ook als het gaat om het
realiseren van terugkeerhubs en andere zaken met derde landen. Opvang elders is waar
we naartoe moeten.
Dat neemt niet weg dat Nederland nu verplicht is om het pact te implementeren. Wat
JA21 betreft moeten we dat op zo’n manier doen dat we de instroom naar Nederland zo
veel mogelijk beperken. Mensen hebben het over nationale koppen, maar ik zie juist
dat heel veel Europese landen steeds maar strenger worden en dat Nederland achterblijft.
In Zweden bijvoorbeeld is de asielinstroom dit jaar opnieuw met 40% gedaald. In het
afgelopen jaar was er een enorme daling in Zweden te zien, terwijl dat juist een van
de meest ruimhartige landen was. Nederland blijft achter, want in week 12 zien we
dat er weer 1.000 per week kwamen. Cruciale vragen zijn: in hoeverre doen we dat nu
met die instroom met de voorliggende wet en in hoeverre zijn Nederland en de uitvoeringsdiensten
klaar om dat goed uit te voeren?
We zijn bij de implementatie natuurlijk ook sterk afhankelijk van wat andere landen
doen. Velen hebben het daar al over gehad. Daar wil ik dan ook mee beginnen, want
daar hebben we nog wel wat zorgen over. Het hele idee is dat het Dublinstelsel, dat
de meeste EU-landen nu al jaren aan hun laars lappen, nu wel weer gaat werken en dat
Italië, Griekenland en Spanje niet meer tegen mensen zeggen: toe maar, ga maar lekker
naar Noord-Europa. Ze moeten nu mensen wél gaan registreren en in de procedure gaan
nemen. Hoe kun je controleren of die landen dat daadwerkelijk gaan doen en hoe gaat
Nederland daarop toezien? Dat is natuurlijk wel cruciaal.
Als het duidelijk is dat iemand niet via een luchthaven is gekomen, wat geldt voor
een grote meerderheid, zoals mevrouw Van der Plas ook al aangaf, ben je dus over land
gekomen en dan ben je eerst in een veilig land geweest. Dan moet je dus terug. Hoe
gaan we daarmee om? In dat kader lijkt het ons ook zinnig om de grenscontroles nog
even voort te zetten. Wat gaan andere landen die zijn begonnen met grenscontroles,
na 12 juni doen?
Als ruil voor de herstart van het Dublinsysteem volgt nu het solidariteitsmechanisme.
JA21 is geen voorstander van die Europese spreidingswet. In ieder geval moet Nederland
conform de motie-Eerdmans zo veel mogelijk afkopen in plaats van opvangen. Het gaat
nu volgens de wet om minimaal 30.000 mensen, maar de Europese Commissie kan volgend
jaar ook besluiten om voor 2027 te gaan voor 200.000 of 400.000 mensen. Wat verwacht
de Minister? Welke invloed probeert Nederland daarop uit te oefenen? JA21 blijft van
mening, net als de SGP, dat niet alleen bbp en bevolking moeten worden meegenomen
in de bijdrage, maar ook de bevolkingsdichtheid, dus het feit dat Nederland het meest
dichtbevolkte land van Europa is.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de inzet van het kabinet voor Dublincompensaties
uit het verleden als solidariteitsbijdrage? Wij zouden zeggen: neem ze allemaal en
doe dat zo volledig mogelijk, ook voor de afgelopen jaren. Hoeveel mensen die eigenlijk
Dublinclaimanten waren maar die niet konden worden teruggestuurd, heeft Nederland
eigenlijk de laatste tijd opgevangen? Is het nu de inzet om dat allemaal te verrekenen?
Dan de implementatie door Nederland, te beginnen bij de nieuwe Procedureverordening.
Ik ga niet opnieuw in op het beperken van de nareis, het overgangsrecht en de zaken
die al geregeld zijn bij de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet tweestatusstelsel. Daarover
hebben we al uitgebreid gedebatteerd. Die wetten zijn aangenomen door de Tweede Kamer.
Er is nu een uitgebreid onderzoek gekomen naar de nieuwe werkwijze. Dat heeft de IND
opgesteld en dat hebben wij zaterdag gekregen, maar dat rapport is van 9 maart. Ik
had het op zich wel prima gevonden om dat op 10 maart te krijgen, gezien de drukte
waarmee we nu te maken hebben en juist gezien het beroep van velen op ons om de wet
zo snel mogelijk te behandelen. Ik hoor graag een reactie van de Minister op de risico’s
die daarin worden aangekaart.
In alle besluiten zit natuurlijk een spanning tussen snelheid en zorgvuldigheid in
de asielprocedure. Je wilt een snel besluit maar ook een zorgvuldig besluit. Nu wordt
de procedure sneller en efficiënter gemaakt, maar wordt die daardoor ook minder zorgvuldig?
Dat is een zorg die wij hebben. Ik wil graag dat de Minister daar even op ingaat.
Specifiek vreest JA21, zeker gezien het terechte streven om al die achterstanden weg
te werken, dat de neiging dan nog groter kan worden om dan maar asiel te verlenen,
omdat je snel een beslissing wilt. Een vergunning geven kost gewoon de minste tijd
en procedures. We willen wel de duidelijke toezegging dat er geen concessies worden
gedaan aan de zorgvuldigheid en aan de belangrijke wens om echt alleen asiel te verlenen
als de noodzakelijkheid daarvan hard is aangetoond. Liever wachtlijsten dan hoge toekenningen.
We willen dan ook dat na de invoering van het pact en de werkwijze de toekenningspercentages
goed worden gemonitord, ook bij het land van herkomst, zodat wij dat kunnen volgen.
Snelheid in die eerste fase mag niet leiden tot meer fouten of onzorgvuldigheden,
met juist meer problemen en kosten naderhand. Ik hoor graag hoe de Minister het laatste
wil voorkomen.
Bij de aanvang van de procedure wordt de juridische bijstand door een advocaat vervangen
door counseling. Dat kunnen wij steunen; dat lijkt ons goed. Het is zaak dat mensen
een eerlijk verhaal gaan vertellen en er goed en feitelijk geïnformeerd wordt. Hoe
ziet de regering het risico dat mensen voor de formele aanvraag al juridisch advies
van advocaten gaan inwinnen? Gaan ze dat niet gewoon van tevoren al doen? Er gaan
nu al handleidingen rond met instructies over wat je precies wel en niet moet zeggen.
Hoe wordt dat bestreden? Daarbij is ook van belang, lijkt ons, dat de meest gevoelige
aspecten van landenberichten niet openbaar zijn. Hoe ziet de Minister dat?
De voorzitter:
Een interruptie van de heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik haak even aan op het laatste punt. Ik denk inderdaad dat er een verschuiving plaatsvindt
als het gaat om juridisch advies. De mensen zijn niet gek en laten zich goed informeren.
Ik vraag me alleen af wat de heer Boomsma bedoelt met zijn vraag hoe we dit kunnen
voorkomen. Het staat eenieder toch vrij om juridisch advies in te winnen? Ik ben benieuwd
wat JA21 op dit punt zou willen. Zou JA21 willen dat mensen geen juridisch advies
mogen inwinnen?
De heer Boomsma (JA21):
Dat is een heel terechte vraag. Mensen hebben zeker het recht om juridisch advies
in te winnen. Alleen horen en zien wij in de praktijk dat het vaak voorkomt dat mensen
worden gedrild en geïnformeerd over hoe je het systeem kunt omzeilen en welk verhaal
je moet houden om de kans op asiel zo hoog mogelijk te maken. Daarmee wordt dus op
een bepaalde manier misbruik gemaakt van het systeem. Dat willen wij voorkomen. Er
gaan instructies rond over hoe je je verhaal het beste kunt houden en wat je moet
zeggen om de kans op asiel te vergroten. Wij willen dat mensen gewoon eerlijk hun
verhaal vertellen. Als ze dan recht hebben op asiel, hebben ze dat. Maar er zouden
niet allerlei trucjes mogen worden gebruikt om die kans zo hoog mogelijk te maken,
als dat erop neerkomt dat het systeem wordt misbruikt.
Voorzitter. Mevrouw Straatman sprak er ook al over: de IND kan enkel minimale inrichting
implementeren. Ook ik begreep dat niet. Wat betekent «minimale inrichting» precies?
Hoeveel fte wordt daarvoor dan vrijgemaakt? Hoeveel is er nodig en wat er gaat er
dan later nog veranderen?
Mensen moeten nu op een tablet hun gegevens invullen. Het COA vreest problemen met
de zelfredzaamheid, maar de IND niet. Graag een toelichting daarop. Is het risico
van het wegvallen van het intakeverhoor niet dat er minder zicht komt op mogelijke
fraude of kwetsbaarheden? Vaak genoeg zegt iemand «Ik kom uit Syrië», terwijl die
later uit Marokko blijkt te komen. Ik spreek mensen die dat honderden keren voorbij
hebben zien komen. Is dus het werken met tablets niet gevoeliger voor fraude, of fouten
per ongeluk? Het laatste is natuurlijk ook mogelijk, want niet iedereen is digitaal
handig. Wat zijn de gevolgen als de informatie onvolledig of onjuist is?
Dan de volgende vraag. Wordt er ook meer gebruik gemaakt van AI, bijvoorbeeld om taal
of accenten te analyseren? Het lijkt mij dat dit kansen biedt.
De Dienst Terugkeer en Vertrek vreest dat het misschien juist moelijker wordt om mensen
later terug te sturen als die mensen de gegevens zelf op een tablet mogen invullen.
Dat moeten we natuurlijk niet willen. Ik hoor dan ook graag een reactie daarop van
de Minister.
Er wordt asielzoekers nog tijdens de screeningsfase gevraagd naar hun reisgegevens
en naar de wijze waarop ze hier zijn gekomen. Is dat een vraag die wordt opgenomen
in die tablets? Hoe wordt dat dan gecontroleerd? Als blijkt dat mensen bijvoorbeeld
via Italië of Duitsland zijn gekomen, maar daar niet zijn geregistreerd, kunnen ze
dan alsnog worden teruggestuurd?
Natuurlijk is het essentieel – de SGP begon daar ook over – om gegevens uit te kunnen
lezen. Dat maakt alles veel effectiever. De rechter heeft geoordeeld dat daarvoor
een wettelijke grondslag moet worden opgenomen. Het wetsvoorstel daartoe zou in het
najaar van 2025 in consultatie gaan. Waar blijft dat wetsvoorstel? Het lijkt me ook
veel beter om die wettelijke grondslag meteen te implementeren, om te voorkomen dat
je later, als die wetgeving er wel is, je werkwijze moet aanpassen. Wij zijn dus bezig
te bekijken of we dat via een amendement nu al naar voren kunnen halen.
Het geheel zal leiden tot meer beroepsprocedures. Daarvoor heeft de IND meer mensen
nodig. Hoeveel meer mensen heeft de IND nodig? Ligt het aannemen van die mensen inderdaad
op schema?
JA21 wil de juridisering van het asielbeleid zo veel mogelijk terugdringen. Daarom
willen we ook dat juridische bijstand zo veel mogelijk wordt beperkt, ook in de beroepsfase.
De mate van kans van slagen van een beroep lijkt slechts een beperkte rol te spelen
bij het in beroep gaan, constateert de regering zelf. Daarom hebben wij daar een amendement
voor opgesteld. De IND komt dus met een aparte screening voordat zaken in beroep gaan.
Hoe ziet die screening eruit? Wordt er alleen gekeken of de IND zelf iets heeft gemist
of ook naar de kans van slagen van zo’n beroep?
Voorzitter. Al die wijzigingen vragen natuurlijk enorm veel van de uitvoeringsorganisaties,
met name van de IND. Groot respect voor wat de IND allemaal doet en waar ze mee bezig
zijn. Laat ik dan ook in algemene zin aan de Minister vragen of de IND klaar is om
de stelselwijziging door te voeren. Een jaar geleden is er nog een motie ingediend
door mijzelf, gesteund door de heer Bontenbal en de heer Van Dijk, om alle stappen
te zetten om de IND klaar te maken, zodat de voorwaarden er zijn voor een succesvolle
implementatie. Wat ziet de Minister nu nog als de grootste risico’s?
JA21 wil dat er voldoende capaciteit overblijft voor alles eronder, ook voor onderzoek
naar mogelijke fraude en de opvolging van zaken, om te kijken of alles wat mensen
hebben gezegd, wel klopt. Dat is ook om op te kunnen treden als mensen terugreizen
naar het land van herkomst of als mensen zaken verkeerd hebben voorgesteld en voor
de herbeoordeling van statussen. De Minister heeft in antwoord op onze vragen aangegeven
dat het achterhouden van relevante feiten voor de IND aanleiding kan zijn om een herbeoordelingsprocedure
op te starten. Hoe vaak is dat gedaan? En hoe vaak verwacht de Minister dit na juni
nog te kunnen doen?
Het antwoord op onze vraag 435 stelt ons niet helemaal gerust en ik begrijp dat ook
niet helemaal. De IND zegt tot een instroom van 25.000 aanvragen de wettelijke termijn
te kunnen naleven. Is er daarbij rekening gehouden met de capaciteit voor herbeoordelen,
bijvoorbeeld van de Syriërs? Wat JA21 betreft is dat heel cruciaal en extreem urgent.
Dat mag niet in gevaar komen omdat we de achterstanden moeten wegwerken. Daar moet
gewoon echt voldoende capaciteit voor blijven. Het antwoord van de Minister is: we
hebben geen rekening gehouden met eventualiteiten met een niet aan zekerheid grenzende
waarschijnlijkheid. Ik begrijp gewoon niet wat dat betekent.
Voorzitter. Ik kom tot de Opvangrichtlijn. Wanneer komt er duidelijkheid over de opvang
van Dublinclaimanten en de invulling daarvan? Dat betreft inderdaad de versoberde
opvang. België heeft besloten om die mensen überhaupt geen opvang meer te bieden,
om zo asielhoppen te voorkomen. Hoe ziet de Minister dat? Wat zijn de gevolgen van
al deze wijzigingen voor de procesbeschikbaarheidsaanpak die is ontwikkeld?
Voorzitter. Het wordt voor asielzoekers mogelijk om eerder te werken. Enerzijds biedt
dat kansen, omdat er arbeidstekorten zijn en het doorgaans veel beter en gezonder
is voor mensen om aan de slag te gaan dan om te zitten niksen en wachten. Bovendien
kunnen ze dan een bijdrage leveren aan de kosten van de opvang. Maar dit mag natuurlijk
niet een extra motief worden om asiel aan te vragen in Nederland omdat je zo al vrij
snel geld kunt gaan verdienen. Dit mag natuurlijk ook nooit een factor worden in het
beoordelen van asielaanvragen. Hoe gaat de Minister dat voorkomen? Wij willen dat
verduidelijkt wordt dat de termijn van drie maanden, als die er komt, alleen gaat
gelden voor de meest kansrijke asielzoekers en niet voor de andere groepen. Daarom
hebben wij een amendement ingediend. Ik hoor graag hoe de Minister dat ziet.
De afgelopen jaren liepen werkgevers aan tegen allerlei bureaucratische beperkingen.
Zijn de gemeenten klaar met de inrichting van de BRP-straten, zodat dit geen bottleneck
wordt? Dan kun je ervoor zorgen dat de IND proactief een signaal geeft als iemand
een bsn kan krijgen om te werken. Dan wordt dat automatisch opgelijnd.
Voorzitter. We hebben ook een ... O, ik zie dat er een vraag is.
De heer Van Asten (D66):
Ik hoor de collega een vraag stellen over het punt dat mensen in een niet-kansrijke
positie niet aan de slag zouden mogen gaan. Ik ben even benieuwd waarom dat eigenlijk
een probleem zou zijn. Het gaat dan om mensen die bijdragen aan een vermindering van
het arbeidstekort dat wij hier hebben.
De heer Boomsma (JA21):
Als het gaat om mensen van wie de asielaanvraag zeer kansarm is, dan betekent dat
dat er mensen komen terwijl ze geen recht hebben op asiel. Dan komen ze dus om een
andere reden. Dat zijn hele groepen. Daar hebben we ook veel last van. Dat zijn bijvoorbeeld
de veiligelanders. Die moet je natuurlijk niet het recht geven om te gaan werken,
want je wil niet dat je mensen stimuleert om hiernaartoe te komen met dat doel. Dan
misbruik je eigenlijk de mogelijkheden voor asielopvang om hier te kunnen gaan werken.
Ik denk dat dat geen denkbeeldig risico is, want voor veel mensen kan het aantrekkelijk
zijn om dan alvast wat geld te gaan verdienen. Je wil dus geen extra motief geven
om hiernaartoe te komen. Dat is het eigenlijk; vandaar dat amendement.
We hebben inmiddels een behoorlijk aantal azc’s bezocht. Ik heb directeuren gesproken
die aangaven dat het wat hen betreft heel wenselijk zou zijn als er een wettelijke
mogelijkheid komt om mensen een sollicitatieplicht te geven of een verplichting om
deel te nemen aan cursussen. Op dit moment kan dat niet. Hoewel veel asielzoekers
natuurlijk willen werken, zijn er ook mensen die dat niet willen en die met een bepaalde
drang daartoe gemaand moeten worden, als steuntje in de rug. Als mensen gaan werken,
wordt natuurlijk ook een behoorlijk deel van hun inkomsten afgeroomd om bij te dragen
aan de kosten van de opvang. Dat is natuurlijk ook goed. Maar dat kan ook een reden
zijn voor mensen om te zeggen: ik wil dat niet; ik doe er niet aan mee. Dan is het
heel handig voor directeuren dat ze iets van een middel hebben om mensen ertoe aan
te zetten, is ons ook verteld vanuit het veld. Dus vandaar dat amendement.
De voorzitter:
Er is een interruptie van mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
«Asielzoekers aan het werk laten gaan» klinkt op zich allemaal mooi, maar dat betekent
ook dat zij zich gaan hechten en vrienden en collega’s krijgen. Als ze dan alsnog
terug moeten, is dat natuurlijk wel vrij pijnlijk. Hoe ziet JA21 dat?
De heer Boomsma (JA21):
Dat is de reden dat wij tot nu toe ook altijd kritisch zijn geweest over het verruimen
van de mogelijkheden om te gaan werken. Er zijn natuurlijk een aantal rechterlijke
uitspraken over geweest. In het Asiel- en migratiepact wordt die termijn van zes maanden
in ieder geval verplicht. In het voorstel van de regering wordt dit aangegrepen om
het nog verder te verruimen. Er zijn natuurlijk ook voordelen, dus dat is een afweging
die je moet maken. Daarom heb ik ook aan de Minister gevraagd om te bevestigen dat
dit nooit een rol mag spelen in het verlenen van asiel en dat dit er ook niet toe
mag leiden dat meer mensen hiernaartoe komen specifiek met dat doel. Dat zullen we
ook goed moeten monitoren, want dat is wel degelijk de kanttekening hierbij.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Onwillige mensen die helemaal geen zin hebben om te werken en die er gewoon niet aan
mee willen doen, ga je dan dwingen of verplichten om aan het werk te gaan. Wat betekent
dat voor werknemers als je mensen compleet ongemotiveerd aan het werk laat gaan?
De heer Boomsma (JA21):
Er zijn heel veel mensen die moeten werken en daar niet per se heel blij mee zijn.
Dat geldt natuurlijk voor heel veel mensen in de hele samenleving. Het is ook niet
zo absoluut. Het is niet zo dat mensen die met een bepaalde mate van drang ertoe worden
aangezet, zich vervolgens alleen maar onwillig opstellen. Kijk, als mensen alleen
maar gaan schreeuwen en dwars gaan liggen, dan kan er misschien een maatregel volgen.
Maar ik denk dat er best veel mensen zijn die er even toe gebracht moeten worden en
die, als ze eenmaal aan de slag zijn, ook zien dat het gewoon beter is.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Als asielzoekers dan aan het werk gaan, maar niet willen of zich op dag één al ziekmelden
om wat voor reden dan ook, is er dan ook nagedacht over hoe dat bij werkgevers terecht
gaat komen?
De heer Boomsma (JA21):
Dat kan overal. Dat kan ook als het gaat om anderen en niet om asielzoekers. Het kan
dat mensen zich op dag één ziek melden. Er zijn ook mensen die in de bijstand zitten.
Die hebben een sollicitatieplicht. Daarbij kunnen er ook mensen zijn die aan het werk
gaan en daar aanvankelijk niet op zaten te wachten. Ik denk dus dat dat veel breder
speelt. Als je in de praktijk merkt dat dat echt niet werkt, kun je mensen moeilijk
fysiek verplichten om te gaan werken. Dan zullen ze dat kunnen verhinderen. Zoals
ik al zei, begrijp ik vanuit het veld dat er best kansen liggen om mensen daartoe
te manen en om enige drang uit te oefenen. Ik begrijp dat dat voor veel mensen uiteindelijk
beter is en dat men zich dat gaat realiseren.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik heb een vraag over dat punt. Natuurlijk is het goed om mensen aan te sporen om
te gaan werken. Alleen, voor mij is dit punt ondoordacht. Dat vind ik vaker als we
het met elkaar over migratie hebben. We zitten inderdaad met elkaar in een situatie
waarin je werkgevers belast. Mevrouw Van der Plas heeft een punt. Als je je ziek meldt,
ontstaan er vervolgens bepaalde verplichtingen voor werkgevers. Ik zie dat niet terug
in het amendement. Ik zie ook geen opt-out voor azc-directeuren. Kunt u dus uitleggen
wat in principe uw plan is, ook op het moment dat er weigeringen plaatsvinden?
De heer Boomsma (JA21):
De vraag verbaast me wel een beetje, want de heer Ceder doet net alsof asielzoekers
hele andere mensen zijn dan andere mensen in Nederland. Er zijn ook allerlei mensen
in Nederland die inderdaad moeten werken om aan geld te komen. Als ze echt willen,
kunnen die zich ook ziek melden. Dat gebeurt inderdaad. Laten we niet meteen uitgaan
van het slechtste in de mens. Dit amendement schept een wettelijke grondslag voor
directeuren van het azc om het te kunnen doen. Het stelt het niet verplicht. In veel
gevallen zal het ook niet nodig zijn. In veel gevallen zullen mensen zelf willen werken
of zijn er andere redenen om ervan af te zien. Het amendement voorziet ook in wettelijke
grondslag om mensen te vragen, maar ook te kunnen verplichten om deel te nemen aan
cursussen. Daar ligt ook nog een keuze in. Als mensen echt niet willen werken, zou
je kunnen zeggen: wil je dan wel deze cursus gaan volgen? Er zijn dus meerdere opties
mogelijk. Het gaat erom dat het managen van een azc lastig is. Het schept allerlei
uitdagingen. Als je mensen hebt die niks te doen hebben en die dwarsliggen, dan kan
het handig zijn om ze op deze manier te manen om aan de slag te gaan, wat vervolgens
voor de andere bewoners van het azc gewoon een goed idee is.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik snap de goede bedoelingen van de heer Boomsma. Ik ben het ook met u eens: werken
helpt. Het helpt ook om mensen aan te sporen. Alleen, u treedt op als medewetgever.
U dient een amendement in zonder consequenties. Als dit artikel namelijk niet wordt
nageleefd door de ander, zie ik daarin geen verplichting. Ik doe een beroep op u,
als medewetgever, om uit te leggen wat de gevolgen zijn als iemand uitvalt, niet alleen
voor de directeurs, maar ook voor degene die de oproep krijgt en voor een potentiële
werkgever. Als je dat niet kunt, snap ik dat. Maar ik zou voorzichtig zijn met het
indienen van het amendement, als dat ondoordacht is.
De heer Boomsma (JA21):
De heer Ceder moet even goed het amendement lezen. Er staat helemaal niet in dat het
voor iedereen verplicht wordt, want dat kun je inderdaad helemaal niet handhaven.
Er staat alleen dat er een wettelijke grondslag wordt opgenomen om het te kunnen doen.
Dat is dus iets anders. Directeuren van azc’s hebben ook altijd de mogelijkheid om
er geen gehoor aan te geven, om die verplichting niet op te leggen. Dat is wezenlijk
anders dan hoe de heer Ceder het nu schetst.
De voorzitter:
Kort, meneer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ga dit toch doen. We doen dit te vaak als het om asiel gaat. Ik doel op het indienen
van slechte wetten, die dan ook nog worden aangenomen. Achteraf heeft de uitvoering
daar de gevolgen van te dragen. Stel dat een directeur zegt: ik leg dit op en ga hiervan
gebruikmaken, als dit wordt aangenomen. Stel dat een asielzoeker zegt, om welke reden
dan ook: dat ga ik niet doen. Wat zijn volgens de heer Boomsma dan het gevolg en de
meerwaarde van deze wet, afgezien van de situatie waarin een directeur het zelf probeert
zonder wetgeving? Wat gebeurt er volgens de heer Boomsma als dit niet wordt nageleefd?
De heer Boomsma (JA21):
Ik zie de zorg van de heer Ceder als het gaat om ondoordachte wetgeving. Alleen, ik
denk dat daar in dit geval helemaal geen sprake van is. Het amendement heb ik overigens
een jaar geleden ook ingediend, bij de Asielnoodmaatregelenwet. Dat heb ik daarna
ingetrokken, omdat ik dacht: laten we niet allerlei nieuwe amendementen indienen die
de wet veranderen; het is al belangrijk genoeg dat die twee wetten er nu komen. Dat
hebben we geweten. Helaas heeft niet iedereen dat gedaan. Maar er is dus wel degelijk
langer over nagedacht. Ik heb dit overlegd met het veld. Ik wacht op de reactie van
de Minister zo meteen. Nogmaals, het schept alleen een wettelijke mogelijkheid om
het te doen. Als het in de uitvoering op problemen stuit, zou men er gewoon vanaf
kunnen zien. Dat risico zie ik dus niet. Maar als de heer Ceder nog andere risico’s
ziet, hoor ik het graag. Dan kunnen we daar alsnog over in gesprek.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De heer Boomsma zei net: alsof asielzoekers andere mensen zijn dan mensen die nu in
Nederland wonen. Het zijn misschien geen andere mensen, maar het zijn wel veel mensen
met een getraumatiseerd verleden. Als een directeur dan aankondigt dit te gaan doen,
dan vraag ik me wel af welke gevolgen dit voor de werkgever heeft, maar ook voor de
asielzoeker in kwestie. Welke rechten en plichten gaan hier dan uit voortvloeien voor
iedereen? Ik zou daar toch wel wat duidelijker antwoord op willen hebben, want dit
lijkt me een beetje vaag op deze manier.
De heer Boomsma (JA21):
Vaag? Mevrouw Van der Plas zegt: asielzoekers hebben vaak een getraumatiseerd verleden.
Dat klopt, maar de hele wetgeving is er nu op gericht dat veel mensen na drie maanden
kunnen werken. Dat verander ik nu dus niet. Als mensen vervolgens asiel krijgen en
in een bijstandsuitkering komen, dan wordt er ook gevraagd om te gaan werken. Mevrouw
Van der Plas doet nu alsof er een enorm verschil bestaat, maar die situatie verandert
helemaal niet door dit amendement. In de praktijk zul je er natuurlijk rekening mee
moeten houden. Als mensen echt getraumatiseerd zijn, dan zullen ze hulp moeten krijgen
om daarmee om te gaan. Er zullen ook mensen zijn die inderdaad misschien niet kunnen
werken. Die ga je natuurlijk niet zo’n verplichting opleggen. Daarom staat in het
amendement ook dat je kunt kiezen en dat je een keer kunt zeggen: ik neem deel aan
een cursus. Dus ja, volgens mij is dit gewoon een goed idee. Dat is ook wat wij terughoren
uit het veld.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, kort.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik zeg ook niet dat het per se een slecht idee is. Ik wil er gewoon voor waken dat
als een directeur bijvoorbeeld zegt dat hij dit wil toepassen, hij dan wel goed genoeg
weet welke rechten en plichten er voor hem, voor de asielzoeker en voor de werkgever
zijn, en dat dit goed genoeg is uitgedacht op die manier. Dat is mijn enige zorg.
Nou ja, het is niet mijn enige, maar een van de zorgen.
De voorzitter:
Meneer Boomsma, kort nog een keer.
De heer Boomsma (JA21):
De wet voorziet er nu in dat mensen kunnen werken. Mensen die in een uitkeringssituatie
zitten, kunnen ook een sollicitatieplicht worden opgelegd. Die kunnen dan dus ook
met enige drang worden gemaand om te werken. Ons hele stelsel is daar dus op ingericht.
Daar zitten risico’s aan verbonden; die zul je moeten managen. Dat er ook rechten
en plichten aan verbonden zitten, is hier inderdaad het geval, maar dat is ook het
geval zonder sollicitatieplicht. Daar zal men inderdaad een weg in moeten vinden.
Als mensen hier gaan werken, mag dat wat ons betreft – dat heb ik herhaaldelijk gezegd
– niet in de weg staan voor of van invloed zijn op de beslissing om al dan niet asiel
te verlenen. Iemand kan dus aan het werk zijn gegaan, maar vervolgens toch geen asiel
verleend worden, omdat hij daar geen recht op heeft. Dan moet hij alsnog terug. Dan
zal daar rekening mee moeten worden gehouden in de relatie met de werkgever. Maar
dit is misschien ook een goede vraag om aan de Minister te stellen: welke risico’s
ziet hij op dat vlak? Daar kunnen namelijk inderdaad wel knelpunten ontstaan. Die
veranderen niet specifiek door dit amendement, maar wel door de wijziging dat mensen
na drie maanden al kunnen werken.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dan wil ik de Minister inderdaad vragen om hier wel echt even heel goed op in te gaan,
want zomaar even een amendement aannemen met straks verstrekkende gevolgen, willen
we natuurlijk niet.
De voorzitter:
Ik wil me nergens mee bemoeien, maar ik kan me indenken dat hier ook wat SZW-aspecten
aan zitten. Dat gaan we zo van de Minister horen. Meneer Boomsma, hoever bent u in
uw betoog?
De heer Boomsma (JA21):
Ik ben redelijk aan het einde.
De voorzitter:
Redelijk aan het einde. Gaat u verder.
De heer Boomsma (JA21):
Ik wil verder nog ingaan op de Crisisverordening. Die maakt het nu dus expliciet mogelijk
dat noodmaatregelen worden genomen, maar wanneer kan die worden ingeroepen? Dat staat
niet echt gespecificeerd. Ik vraag dit ook in het licht van wat het coalitieakkoord
stelt over aanvullende maatregelen om bijvoorbeeld nareis tijdelijk te stoppen. Wat
ons betreft is de nood nu al aan de man. We hebben nu al een groot probleem. We zouden
nu al noodmaatregelen moeten nemen, want Nederland kan het nu ook al niet meer aan.
We waren op werkbezoek in Polen. Daarbij bleek dat de Poolse regering dit nu ook al
doet. In dat land hebben ze gewoon een asielstop aangekondigd bij de grens, sinds
maart vorig jaar. Blijkbaar kan dat. Ze worden niet teruggefloten door de Europese
Commissie of door wie dan ook. Hoe ziet de Minister dat dan? Ik wilde ook het volgende
vragen. Welke andere Europese landen beroepen zich nu al op deze gronden of op andere
gronden om af te wijken van de Europese regels? Welke landen houden zich nu ook niet
aan de Europese regels? Duitsland houdt zich aan de grenzen volgens mij niet aan de
Europese regels. U kent natuurlijk allemaal Hongarije. Maar ook België vangt alleenstaande
mannelijke asielzoekers niet meer op. Allerlei landen nemen dus al verdergaande maatregelen
dan Nederland en wij blijven steeds maar achter. Ik heb het idee dat dat er dus ook
mee te maken heeft dat wij nog steeds met die hoge instroom zitten, terwijl die in
andere landen wel omlaaggaat.
Tot zover.
De heer Dassen (Volt):
Een korte vraag over dat laatste. Is dit niet precies het probleem waarmee we te maken
krijgen als we een Europees Migratiepact met elkaar afsluiten en alle landen vervolgens
toch weer heel strenge eigen nationale maatregelen gaan implementeren? Daardoor krijgen
we die race to the bottom. Daardoor zitten we straks in de situatie dat we weliswaar
een pact hebben, maar iedereen in elk land toch zelf maar wat doet.
De heer Boomsma (JA21):
Inderdaad. We hebben een Europese race to the bottom qua asielbeleid en dat is verschrikkelijk.
Dat vind ik ook het funeste en hypocriete aan het hele huidige asielsysteem. Daarom
vinden wij dat er een fundamentele verandering moet komen. Wij doen nu inderdaad alsof
we een heel humaan stelsel hebben, maar omdat allerlei landen het eigenlijk niet willen,
gaan ze allerlei manieren bedenken om asielzoekers alsnog te ontmoedigen en in sommige
gevallen zelfs weg te pesten. Dat alles om maar onder die regels uit te komen. Dat
vind ik onderdeel van het probleem en daarom denk ik dat een veel fundamentelere herziening
van het hele asielstelsel nodig is. Maar nu we in dit systeem zitten, kan Nederland
ook niet achterblijven. Het kan ook niet zo zijn dat allerlei andere landen verdergaan
en wij als Nederland dat niet doen, met als gevolg dat de instroom in Nederland hoog
blijft. Wij hebben ook nog het meest dichtbevolkte land van Europa. Ons hele asielstelsel
piept en kraakt. Onze opvang kan het ook niet aan. In die tragische situatie bevinden
we ons nu inderdaad.
De heer Dassen (Volt):
Dit is natuurlijk een probleem. We zouden in plaats van meedoen aan die race to the
bottom er als Nederland ook voor kunnen kiezen andere landen erop aan te spreken dat
het onacceptabel is. We hebben een pact afgesloten met elkaar dat ervoor moet zorgen
dat we een gezamenlijk Europees asielbeleid krijgen, maar we zien dat andere landen
eigenstandig zaken aan het doorvoeren zijn. Daardoor krijgen we, precies zoals de
heer Boomsma zei, een race to the bottom. Zouden we de Minister niet mee moeten geven
dat hij hier in Europa kritischer op zou moeten zijn richting collega-landen?
De heer Boomsma (JA21):
Ik denk niet dat we kritischer moeten zijn richting andere landen. Ik denk dat wij
ook dergelijke stappen moeten zetten. Dat klinkt inderdaad als iets onwenselijks,
maar ik denk dat het onvermijdelijk is. Het hele punt is dat het huidige systeem allerlei
perverse prikkels bevat. Wij zeggen tegen mensen over de hele wereld: «Kom naar de
EU, want wij zijn zo humaan dat we u asiel verlenen als u in de problemen zit. U moet
alleen wel eerst illegaal hiernaartoe reizen via een gevaarlijke route.» Dat deugt
niet. Het is ook een soort openeinderegeling. Er zijn heel veel mensen op aarde die
natuurlijk liever naar Europa zouden willen komen en die worden gestimuleerd om dat
te doen of die hiernaartoe worden gelokt. Omdat wij en heel veel andere landen dat
eigenlijk helemaal niet aankunnen, verzinnen we allerlei manieren om daar onderuit
te komen, in plaats van dat we die realiteit onder ogen zien en tot een fundamentele
herziening van het asielstelsel komen. Dat is waar we nu in zitten. Nogmaals, ik denk
dus dat we daarom echt naar een fundamenteel ander stelsel moeten.
De heer Dassen (Volt):
Laatste vraag. Misschien interpreteer ik de heer Boomsma verkeerd, maar pleit hij
in dat andere stelsel dat er zou moeten komen dan ook voor legale migratieroutes?
Dan hoeven mensen die oversteek niet meer te maken en krijgen ze in het land van herkomst
al meer duidelijkheid. Dat is uiteindelijk goed voor de mensen die daadwerkelijk op
de vlucht zijn. Dat is ook goed voor de mensen die hier uiteindelijk geen asielvergunning
zouden krijgen. Dat kunnen ze dan daar al achterhalen. Dat haalt ook meteen het verdienmodel
van mensensmokkelaars onderuit.
De heer Boomsma (JA21):
Wij willen dat we voorlopig stoppen met asielopvang in Europa. Dat stelt je in staat
om op termijn zelf de keuze te maken. Op dit moment kunnen wij niet zelf bepalen wie
hiernaartoe komen. Dat wordt bepaald door mensensmokkelaars. Daardoor krijg je een
selectie van mensen die dat kunnen betalen, terwijl de armsten achterblijven. In het
coalitieakkoord staan plannen om dat te veranderen en om buiten Europa asiel aan te
kunnen vragen. Het nadeel daarvan is dat dat het ook veel makkelijker maakt en dat
dus ook veel meer mensen asiel zullen gaan aanvragen.
Als we echt willen dat we zelf weer de controle krijgen over wie zich in onze landen
vestigen, dan zullen we af moeten van het hele stelsel dat je zicht hebt op opvang
en verblijf in onze welvarende verzorgingsstaat als je illegaal hiernaartoe reist
en hier asiel aanvraagt. Dan zul je daarvan af moeten. Dan moet je dus af van een
recht op asiel, maar moet je mensen in plaats daarvan elders gaan helpen. Vervolgens,
als je het eenmaal echt onder controle hebt, kun je kijken welke mensen onze hulp
echt het hardste nodig hebben, welke mensen we alsnog hiernaartoe kunnen halen, welke
mensen goed passen bij onze economie en culturen en welke mensen we op die gronden
hiernaartoe kunnen halen. Dan heb je echter zelf de controle.
De voorzitter:
Meneer Boomsma, hoeveel had u nog?
De heer Boomsma (JA21):
Ik ben klaar.
De voorzitter:
U bent klaar. Ik doe even snel een tusseninventarisatie. Hoeveel collega’s hebben
moties? Weet u dat al? Kunt u even duidelijk uw hand opsteken? Dank u wel. U kunt
allemaal net zo goed klokkijken als ik dat kan. Het is niet zo dat wij hier onbeperkt
door kunnen. Dat heeft niets te maken met mijn arbeidsethos, maar heeft ermee te maken
dat er allerlei mensen moeten werken om deze vergadering voor ons mogelijk te maken
en dat zij gewoon een eindtijd hebben. Ik voorzie dat we pas rond drieën met de termijn
van de Minister kunnen gaan beginnen, maar daar had ik u voor gewaarschuwd.
Meneer Dassen, het woord is aan u voor uw eerste termijn. O, meneer Ceder?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Mag ik wel alvast het voorstel doen om in de pauze na te gaan denken over mogelijke
scenario’s? Dit is volgens mij de grootste hervorming op dit onderwerp die we in deze
Kamer ooit behandeld hebben. Er waren al wat kritiekpunten dat een WGO misschien niet
de meest passende setting zou zijn. Die zorgen lijken nu uit te komen. We willen ook
de ruimte geven aan alle Kamerleden om hun vragen te stellen, ook gezien de vragen
die nog op tafel liggen. Ik wil nu geen concreet voorstel doen, want ik denk dat we
dat met z’n allen moeten doen, maar ik zou toch wel willen vragen om dat niet pas
aan het einde te doen. Ik zou het namelijk een van de grootste blamages vinden die
we als medewetgever in de afgelopen jaren hebben meegemaakt als we het Migratiepact
hier door tijdsgebrek onvoldoende zorgvuldig behandeld hebben met elkaar.
De voorzitter:
Ik hoor wat u zegt. Ik ben ook maar een eenvoudige inspringend voorzitter, die dit
inderdaad zag aankomen. We hebben een eindtijd. Ik ga die tijd niet meteen verklappen,
want anders gaat iedereen ... Maar er is echt een eindtijd en die is minder laat dan
u denkt. We hebben echter wat speling, maar niet heel veel. Dat is ook gecheckt bij
de Minister, waarvoor dank. Wat betreft voorstellen ten aanzien van het vervolg: dan
zal er straks een concreet ordevoorstel moeten komen. Mijn advies zou toch zijn om
dit vandaag te proberen af te ronden. Ik heb daar nu geen oordeel over.
Meneer Dassen, aan u het woord.
De heer Dassen (Volt):
Dank, voorzitter. Strenge controles aan de buitengrenzen, screenings, beperkingen
van doorreis: we spreken vandaag over de implementatie van richtlijnen en verordeningen.
We spreken over verdeelsleutels, cijfers en aantallen, maar laten we vooral niet vergeten
dat dit over mensen gaat. Dit gaat over mensen op de vlucht en over kinderen, in een
opvang aan de grens, in onzekerheid over hun gezin dat een gevaarlijke oversteek waagt
omdat er geen veilige andere manier is. Dit gaat over een gezin dat jarenlang gescheiden
is, omdat een wachttermijn dat zo bepaalt. Het Asiel- en migratiepact is bedoeld om
de instroom van mensen te beperken en migratie te beheersen, maar de vraag is natuurlijk
of het ook rechtvaardig en menswaardig is. Ik heb daar op dit moment grote vraagtekens
bij.
Voorzitter. Dit kabinet zegt onnodige nationale koppen op Europese regels te willen
schrappen, maar bij de uitvoering van dit pact doet het precies het tegenovergestelde.
De Raad van State constateert het ook: de nationale invulling volgt niet rechtstreeks
uit het Asiel- en migratiepact. Toch kiest Nederland voor een tweestatusstelsel, strengere
nareisvoorwaarden, kortere verblijfstitels en de afschaffing van de verblijfsvergunning
voor onbepaalde tijd. Juist in de manier waarop we procedures inrichten, maken we
keuzes die verder gaan dan Europa van ons vraagt. Zo komen we weer in een race to
the bottom: landen die elkaar beconcurreren om het strengste asielbeleid in plaats
van echt gezamenlijk Europees beleid. Zo wordt het Migratiepact direct ondermijnd,
zoals we net ook concludeerden in het interruptiedebat dat ik met de heer Boomsma
had. Waarom kiest het kabinet ervoor om de grensprocedure strenger toe te passen in
situaties waarin dat niet verplicht is? Is dit een zuivere implementatie of komt de
strenge insteek het kabinet juist uit in het kader van andere landen die dit ook doen?
Het blijft onverteerbaar dat het kabinet voornemens is om kinderen in detentie te
plaatsen. Ik vraag de Minister: wat hebben zij misdaan dat het rechtvaardigt dat ze
in de gevangenis komen te zitten? Kan de Minister aangeven hoe dit in verhouding staat
tot het VN-Kinderrechtenverdrag? Daarnaast zouden alleenstaande kinderen niet in een
versnelde procedure moeten zitten, omdat ze kind zijn en daarmee kwetsbaar. Kan de
Minister daarop reflecteren? Waarom wordt de wachttijd bij grensprocedures in ieder
geval niet beperkt tot de screeningsfase?
Voorzitter. Voor de screening en de procedure moet een onafhankelijke toezichthouder
komen. Het kabinet legt deze taak bij de Minister neer. Kan de Minister uitleggen
waarom hij de onafhankelijke toezichthouder kan zijn, en of dat in dit geval logisch
is? In mijn ogen klinkt het namelijk alsof de slager zijn eigen vlees gaat keuren.
Voorzitter. Er liggen momenteel wetten voor in de Eerste Kamer. Hoe gaat de samenhang
eruitzien, bijvoorbeeld als beide wetten worden aangenomen door de Eerste Kamer? Zorgt
dit niet juist voor onduidelijkheid en problemen in de uitvoering? Of wordt er straks
op alle mogelijke manieren gezegd dat iets van Europa moest?
Volt gelooft in een gemeenschappelijk Europees asielbeleid met oog voor mensen. Maar
dan moet het ook werkelijk gemeenschappelijk zijn, en dat is het nu niet. Het solidariteitsmechanisme
functioneert alleen als lidstaten hun verantwoordelijkheid nemen. Nederland kiest
ervoor om die verantwoordelijkheid financieel af te kopen: € 20.000 per persoon en
daarmee is het klaar. Dat is geen solidariteit; dat is afkopen van betrokkenheid.
Is het kabinet van plan om het op dezelfde manier te blijven regelen? Als alle lidstaten
die keuze maken, stort het mechanisme in. Tot zover de harmonisatie en solidariteit
in Europa.
Voorzitter. Het plan voor de terugkeerhubs is: ver weg en buiten zicht. Maar we weten
dat een opvang niet zomaar een opvang is; het is een risico op langdurig verblijf
zonder duidelijke status en perspectief. Opvang wordt daarmee detentie. Hoe gaan we
ervoor zorgen dat de externalisatie van asielprocedures naar derde landen niet ten
koste gaat van mensenrechten? We weten dat er in Europa wordt gekeken naar veilige
derde landen, maar wat is veilig? Kan de Minister hierop reflecteren? Aan welke landen
denkt hij dan concreet? Hoe garandeert het kabinet dat we onze verantwoordelijkheid
niet simpelweg buiten onze grenzen parkeren?
Voorzitter. Ondertussen is het de realiteit: crisis of oorlog dwingt mensen om te
vluchten. Wat doen we met de mensen die toch hierheen komen? Is goede opvang dan geborgd?
Voldoen we dan aan de verplichtingen? Is onze keten erop voorbereid, zeker nu de praktijk
laat zien dat systemen onder druk staan en mensen moeite hebben om hun weg te vinden?
Zonder goede begeleiding wordt de procedure niet sneller, maar juist onzorgvuldiger.
Daarom is mijn vraag waarom de toegang tot juridische begeleiding niet steviger in
de wet verankerd wordt. Mijn oproep aan het kabinet is om dit pact juist ook te gebruiken
om te zorgen dat we dat onderdeel van het systeem beter maken.
Voorzitter. Dan kom ik bij de uitvoering. We hebben namelijk gezien dat de rechtspraak
nu al aan de alarmbel trekt, omdat de verwachting is dat er veel meer procedures gestart
zullen worden. Kan de Minister daarop reflecteren en reageren? Dit weekend kwam namelijk
naar buiten dat de IND niet klaar is voor de veranderingen die op stapel staan. Het
rapport leest als een kroniek van een ongeluk dat onherroepelijk gaat plaatsvinden,
lazen we in de krant. De Minister gaf geen antwoord op de vragen, dus ik vraag me
af: waarom niet? Waarom hield de Minister ook dit rapport voor de Kamer verborgen?
Waarom wil de Minister liever dat de IND in de problemen komt dan dat ngo’s die nu
al veel werk doen dit blijven doen? Kan de Minister aangeven wanneer de ICT-problemen
opgelost zijn en wat dit in de tussentijd betekent? Voor het CDA was zorgvuldige wetgeving
en rust in de keten een belangrijk punt. Daarom verbaast het mij dat hier weinig op
gedaan wordt, zoals ik net ook met de collega van het CDA heb uitgewisseld.
Hetzelfde geldt voor gezinshereniging. De Minister kiest voor een nationale kop op
het Europees Migratiepact, terwijl we in andere landen hebben gezien dat de rechter
daar een streep door zet. Waarom kiest het kabinet hier dan toch voor, terwijl de
kans groot is dat de rechter, of mogelijk het Hof, hier een streep door gaat zetten?
Ook hiervan zou je kunnen zeggen: waarom zijn we nu al bezig met wetgeving waarvan
we weten dat die dadelijk gaat stranden? Graag een reflectie van de Minister.
Voorzitter. Dit kabinet heeft de wens om mensen die naar Nederland komen vanaf dag
één te betrekken bij de samenleving. Zorgen dat mensen daadwerkelijk in staat zijn
om een leven op te bouwen en onderdeel te worden van de maatschappij is een mooi voornemen.
Ik kan het alleen maar onderstrepen. Daarom verbaast het me dat er keuzes worden gemaakt
die het tegenovergestelde doen, zoals het afschaffen van de vergunning voor onbepaalde
tijd. Hoe denkt de Minister dat integreren gaat als je elke drie jaar opnieuw een
vergunning moet aanvragen? Ik vraag de Minister ook: waarom krijgt niet iedereen vanaf
dag één toegang tot talencursussen?
Voorzitter. Is de Minister het met mij eens dat de ingangsdatum de datum van de aanvraag
moet zijn en niet de dag van de beschikking, zoals de Raad van State ook aangeeft?
Ik zie de Minister al knikken, maar ik hoor dadelijk toch graag zijn argumentatie
daarbij.
Voorzitter, concluderend. Het is goed dat er een Europees Asiel- en migratiepact is.
We hebben jarenlang in deze Kamer aangegeven dat het wenselijk is dat we migratie
samen met andere Europese landen aanpakken. De grote zorg die we nu hebben, is dat
veel landen bezig zijn met additionele wet- en regelgeving toe te passen op dit pact.
Dat ondermijnt het hele pact. Er zit amper solidariteit in. Je zou zeggen: je wilt
juist ook een Europese spreidingswet. Het ondermijnt het pact als je gaat afkopen.
Mijn vraag aan de Minister is dus: hoe wordt er in Europa gesproken over de vraag
of dit pact een succes gaat worden? Als dit debat namelijk in elk land op deze manier
gevoerd wordt, kan ik u garanderen dat we straks 27 verschillende asiel- en migratiepacten
hebben. Dat zorgt ervoor dat er veel onduidelijkheid is en dat er eigenlijk nog steeds
geen solidariteit en geen rechtvaardige, menswaardige manier om met asiel om te gaan
zijn.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Oké. Dan gaan we naar mevrouw Teunissen voor haar eerste termijn. Zij spreekt namens
de Partij voor de Dieren.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Voorzitter, dank u wel. De intenties van het Migratiepact klinken in eerste instantie
redelijk: een eerlijke verdeling van vluchtelingen over Europa, een snelle afhandeling
van asielaanvragen en harmonisering van de regels. Maar in de praktijk schendt het
pact de mensenrechten en is het onrechtvaardig. € 20.000: dat is het bedrag per vluchteling
waarmee landen, onder andere Nederland, hun plicht kunnen afkopen om asielzoekers
in Europa op een eerlijke manier op te vangen. De waarde van een mensenleven uitgedrukt
in geld. Vluchtelingen worden gezien als last en niet als medemensen in nood. Dat
is een van de vele voorbeelden van wat er fundamenteel mis is met het EU-Migratiepact.
Het pact zet zeer sterk in op grensprocedures en versnelde afhandeling. Dat betekent
dat mensen in kwetsbare situaties aan de buitengrenzen worden opgesloten, met beperkte
toegang tot rechtsbijstand. Kinderen kunnen in detentie worden geplaatst, met alle
traumatische gevolgen van dien. Daarnaast krijgen mensen minder tijd om hun verhaal
te doen, minder mogelijkheden om bewijzen aan te leveren en minder ruimte om hun rechten
uit te oefenen. Daarmee ontstaat een grote kans dat mensen onterecht worden teruggestuurd
naar onveilige situaties. Dat raakt aan de kern van het vluchtelingenrecht en het
Kinderrechtenverdrag. Wij hebben de plicht om mensen te beschermen die vluchten voor
oorlog en geweld, vanwege hun geaardheid of vanwege hun geloof.
Voorzitter. Extra problematisch is het dat Nederland ervoor kiest om nationale koppen
boven op dit pact te zetten. Het kabinet zet in op een race naar de bodem met andere
EU-landen door bij het pact allerlei aanvullende nationale maatregelen in te voeren:
het tweestatusstelsel, strengere voorwaarden voor gezinshereniging, het verkorten
van de verblijfstitel en het afschaffen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde
tijd. Zo blijft er niets over van solidariteit en medemenselijkheid, waar het EU-Migratiepact
oorspronkelijk voor bedoeld was. De Raad van State stelt dat dit in strijd is met
het beginsel van beleidsarme implementatie van het EU-recht, ook met het oog op het
niet extra belasten van de uitvoering en de rechterlijke macht. Mijn vraag is dus:
hoe gaat de Minister voorkomen dat de nationale koppen een zorgvuldige implementatie
van het pact juist in de weg staan? De IND kampt nu namelijk al met overbelasting.
Vrijdag hebben we het rapport gezien: de IND is er niet klaar voor. Kan de Minister
dus toelichten hoe hij omgaat met de inzichten uit dat rapport?
De Nederlandse aanvullende maatregelen zijn geen juridisch noodzakelijke keuzes, maar
politieke keuzes. Ze zijn vooral het gevolg van ophitserij en angst, met grote gevolgen
voor mensen in kwetsbare posities. Gezinnen worden langer gescheiden, procedures worden
complexer en de rechtsbescherming wordt verder uitgekleed. Tegelijkertijd leidt het
niet tot een beter functionerend systeem; integendeel. Uitvoeringsorganisaties waarschuwen
juist voor meer procedures, meer werkdruk en meer onzekerheid. Het is niet alleen
onrechtvaardige wetgeving, maar het is waarschijnlijk ook nog onuitvoerbare wetgeving.
Graag een reactie daarop.
Voorzitter. Dan een paar opmerkingen over de specifieke Nederlandse maatregelen. Kinderen
kunnen in detentie worden geplaatst, met alle traumatische gevolgen van dien. Door
de formulering die het kabinet kiest, ontstaat het risico dat kinderen automatisch
kunnen worden opgesloten onder uitzonderlijke omstandigheden, zonder een individuele
toets. Is de Minister bereid om de wet te wijzigen zodat detentie van kinderen wordt
uitgesloten? Het opsluiten van kinderen gaat regelrecht in tegen het Kinderrechtenverdrag.
Dan nog een vraag over lhbtiq-personen. Erkent het kabinet dat er een extra drempel
wordt opgeworpen door voor nareis de eis te stellen dat partners getrouwd moeten zijn?
Voorzitter, tot slot. Het zijn lapmiddelen van het kabinet, die averechts werken.
Als we serieus willen spreken over migratie, zal het kabinet aan de slag moeten met
de grondoorzaken. Doe eindelijk iets aan de klimaatcrisis. We hebben vandaag nog het
rapport gezien van de Wereld Meteorologische Organisatie, die zegt dat de aarde veel
meer warmte vasthoudt dan ooit. Guterres, de chef van de VN, zegt: het mondiale klimaat
bevindt zich in een noodsituatie. Snapt de Minister wat dit betekent, ook met het
oog op grotere aantallen vluchtelingen die deze kant op zullen komen? Ga pal staan
voor het internationaal recht. Spreek je uit tegen landen die genocide plegen en tegen
de VS, die illegaal landen binnenvallen, waardoor mensen gedwongen worden om te vluchten.
Investeer in ontwikkelingssamenwerking en doe iets aan de sociale ongelijkheid in
plaats van vluchtelingen de schuld van alles te geven. Belast de superrijken en de
grote vervuilers en doe er iets goeds mee. Dan neem je ook onvrede weg, die zich nu
keert tegen een van de meest kwetsbare groepen in de samenleving, namelijk vluchtelingen.
Tot slot: reguleer arbeidsmigratie. In sectoren zoals de vleesindustrie, de logistiek
en de tuinbouw draait onze economie op goedkope arbeid van mensen van buiten Nederland.
Dat zijn industrieën die de natuur vervuilen en waardoor de dierenrechten worden genegeerd.
Daar wordt nauwelijks over gesproken, terwijl juist daar de structurele keuzes in
moeten worden gemaakt.
Voorzitter. Tot slot. Dit pact en deze implementatie zetten de deur open naar een
onrechtvaardig, juridisch kwetsbaar en onuitvoerbaar systeem. Het risico op mensenrechtenschendingen
neemt toe, terwijl de problemen niet worden opgelost.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dan gaan we naar meneer Ceder voor zijn eerste termijn namens de fractie van de ChristenUnie.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Asielmigratie kan niet doorgaan op de wijze waarop die nu
gaat. Dat is al een tijdje duidelijk. De ChristenUnie onderschrijft dan ook het rapport
van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen en heeft al eerder gezegd op het
gebied van de migratie voor een bandbreedte te zijn. De route naar een rechtvaardig,
logisch en menswaardig asielstelsel begint niet in Nederland, maar buiten onze grenzen,
internationaal. De ChristenUnie heeft daarom vorig jaar een motie ingediend, die aangenomen
is, waarin wordt gevraagd om hervorming van het Vluchtelingenverdrag, dat al meer
dan 75 jaar dezelfde tekst heeft. In die motie wordt gevraagd om daar dit jaar nog
over te spreken, het liefst in Den Haag. Mijn vraag is hoe het staat met de uitvoering
van die motie. Ik denk dat die ook past bij een modernisering van dat verdrag, waarbij
ook de huidige en toekomstige ontwikkelingen meegenomen worden.
Tevens moet Europa zijn migratiestelsel wijzigen. Landen wijzen naar elkaar en schuiven
de verantwoordelijkheid op elkaar af; dat moet stoppen. Voor vluchtelingen die hun
heil in Europa zoeken en die hier al zijn, moeten we gezamenlijk onze verantwoordelijkheid
nemen. Voor mensen die geen toekomst in Europa hebben, geldt dit ook. We kunnen ze
niet onder de radar van land naar land laten gaan zonder dat ze ergens een bestaan
kunnen opbouwen. Zij hebben duidelijkheid nodig en moeten ook terug. Het is duidelijk
dat hun toekomst niet in Europa ligt. Daar moeten we ook geloofwaardige stappen in
zetten.
Voorzitter. De ChristenUnie is van mening dat de Kamer te lang heeft gesukkeld met
het migratieonderwerp, onder andere door meerdere nationale voorstellen en beloftes
de voorrang te geven ten opzichte van internationale ontwikkelingen. Vele beloftes
die hier in de Kamer gedaan zijn, zouden het aantal aanvragen en de asielinstroom
wel verlagen, maar laten we eerlijk zijn: deze beloftes hebben weinig uitgehaald maar
hebben in de debatten wel veel tijd gekost. In mijn interruptie met de PVV van daarnet,
bijvoorbeeld, had ik het al over het volgende. Er werd gezegd dat het «strengste asielbeleid
ooit», zoals het geframed werd, en – die zet ik tussen aanhalingstekens – het «Fabereffect»,
zoals het in de communicatie werd gepresenteerd, zouden leiden tot verlaging van de
instroom en ook tot een verlaging hébben geleid. Nu is de PVV plotseling kritisch
op de huidige cijfers en blijkt het – dat zijn mijn eigen woorden – «slappe hap» te
zijn geweest. Dit soort dubbeldenken zien we op meerdere niveaus bij het onderwerp
«migratie». Wensdenken boven oplossingen stellen heeft helaas het debat gedomineerd.
Ik moet wel constateren dat we als Kamerleden, als medewetgever, daar helaas ook vatbaar
voor zijn geworden.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Even ter verduidelijking. U zegt nu iets over de PVV en over mevrouw Faber. Wij stonden
achter de maatregelen van het kabinet-Schoof. We hadden ook afgesproken dat we het
strengste land in de EU zouden zijn wat betreft asielregels. Dat waren we niet, dus
wilden we extra maatregelen. Dat is ook de reden dat het zo is afgelopen. Dit dus
even voor de Handelingen.
De voorzitter:
Meneer Ceder gaat verder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik constateer dat de maatregelen die mevrouw Faber had opgesteld en die vervolgens
ook naar de Kamer zijn gekomen, niet de maatregelen omvatten die de PVV vandaag aanstipt.
Daardoor bestaat er een discrepantie tussen dat beleid en het beleid dat nu op tafel
ligt. Dat constateer ik. Dat laat zien dat of mevrouw Faber gelijk had en de PVV nu
dingen verkondigt die men niet kan waarmaken, of dat de PVV dingen verkondigt die
men wel kan waarmaken en dat het Fabereffect dus een frame was en niet klopte. Het
is een van de twee, en volgens mij sluiten ze elkaar logischerwijs uit.
Voorzitter. Ik ga door. Een ander voorbeeld ligt in het gegeven dat er inmiddels amendementen
worden ingediend die het asielnoodmaatregelenpakket opnieuw lijken te behandelen.
De volgende vraag stelde ik al eerder. Waarom hebben we ambtenaren aan het werk gezet
met het noodmaatregelenpakket terwijl de noodzaak voor «nood» inmiddels weggevallen
leek, en waarom gaan we hier opnieuw ditzelfde debat met elkaar voeren? Waarom gaan
we opnieuw dezelfde amendementen en punten behandelen die we hier pakweg twee, drie
maanden geleden ook hebben behandeld?
Voorzitter. Het gevolg is groot. Allereerst zien we dat het voorstel nog in de Eerste
Kamer ligt. We zien tegelijkertijd ook dat we opnieuw op een aantal punten hetzelfde
debat aan het voeren zijn. We zien ook – zo concludeerde de IND – dat het ook nog
maar de vraag is of we op tijd klaar zijn om het Migratiepact in te voeren. De kritiek
van vorig jaar was dan ook logisch. Die was duidelijk: laten we de voorkeur geven
aan het op een goede manier behandelen en implementeren van het Migratiepact en stoppen
met de Asielnoodmaatregelenwet. Daar heeft de Kamer in meerderheid niet voor gekozen,
met als gevolg dat beide wetten mogelijk niet op tijd ingevoerd kunnen worden, even
los van de vraag of we hier voldoende tijd hebben om het zorgvuldig te behandelen.
We hebben dus een andere aanpak nodig waarbij we serieus gaan nadenken over een manier
waarop we met elkaar de vertaling in nationale wetgeving implementeren.
Ik vroeg eerder aan de voorganger van deze Minister wat de meerwaarde was van het
asielnoodmaatregelenpakket ten opzichte van het Migratiepact, ook omdat er volgens
mij maar een aantal weken tussen de implementatie van die wet en deze zit. Ik heb
destijds, een paar weken geleden, geen antwoord gekregen van zijn voorganger. Ik hoop
dat de Minister de vraag nu wél kan beantwoorden, ook om ons als medewetgever mee
te nemen in de vraag wat daar de meerwaarde van was en misschien momenteel nog is.
Tevens hoop ik dat de Kamer niet opnieuw dezelfde fout maakt. Er lijkt een herhaling
van zetten te ontstaan. Er is namelijk een vrees in deze Kamer dat de Eerste Kamer
tegen de wet stemt. Maar een van de redenen waarom de Eerste Kamer mogelijk kritisch
naar de wet kijkt, is bijvoorbeeld het strafbaar stellen van illegaliteit. Om te voorkomen
dat die wet weggestemd wordt terwijl deze het wel haalt, wordt een amendement ingediend
om het argument waarmee de Eerste Kamer moeite lijkt te hebben, opnieuw te implementeren
in het Migratiepact. Daardoor ontstaat de kans – ik hoop het niet – dat twee wetten
weggestemd worden omdat er een cirkelredenering wordt gevolgd. Ik hoop dat de Minister
er duidelijk over kan zijn dat we dat niet moeten willen en daar klip-en-klaar antwoord
op kan geven. We kijken ook naar de medewetgevers. Ik heb aan het CDA gevraagd en
vraag dat ook aan de andere partijen: als deze amendementen ingediend worden omdat
de vrees is dat in de Eerste Kamer de wet wordt weggestemd, wat bereik je dan door
opnieuw te amenderen en opnieuw de Eerste Kamer hetzelfde dilemma voor te leggen?
Daarmee verklein je de kans dat het Migratiepact wordt aangenomen en volgens mij moeten
we dat allemaal niet willen. Dat geef ik even mee ter overweging.
Voorzitter. Dan het Migratiepact. De ChristenUnie is voor het Migratiepact. Er zijn
wel een aantal onderdelen waar we kritisch op zijn. U heeft ons bijvoorbeeld al gehoord
over de detentie van kinderen. Hoe gaat die er in een land als Griekenland of Italië
uitzien, als de opvang nu al ver onder de maat is? Hoe borgen we dat er ondanks snellere
en efficiëntere procedures voldoende rechtsbescherming is voor asielzoekers, zodat
zij een eerlijke kans krijgen om hun verhaal te doen?
De nationale uitwerking van het pact ligt nu bij ons in de Kamer. Ik wil er een aantal
punten uitlichten. Daar heb ik een aantal amendementen over ingediend. Ik zou er kort
even bij stil willen staan om context en uitleg te geven.
Allereerst zie ik dat het kabinet afwijkt ten aanzien van een aantal maatregelen die
niet dwingend volgen uit het pact. Ik zie dat als een nationale kop. Ik vraag me af
wat de meerwaarde is van het coalitieakkoord en daarmee ook de uitwerking van dit
kabinet ten aanzien van nationale koppen als het per keer anders uitgelegd wordt.
Betekent een nationale kop dat wij niet meer doen dan wat er in Europa is geregeld
of leggen we dat per geval in ons voordeel uit? Zo ja, dan wil ik dat graag weten,
omdat dit vaker speelt. Ik merk dat er nu nationale koppen in zitten, die er niet
in hadden mogen zitten, tenzij de Minister daar een andere uitleg aan geeft. Die hoor
ik dan graag, want ik ben inmiddels een beetje in de war.
Dat er nu op de verantwoordelijkheid van de Kamer wordt gewezen om deze wet snel te
behandelen, snap ik, maar het is wel de omgekeerde wereld. Als het allemaal te krap
was geweest, hadden we de nationale asielwetten moeten uitstellen of op een andere
manier moeten behandelen en de prioriteit bij het pact moeten leggen. Mijn vraag is
of de Minister dat erkent, want de druk wordt nu bij de Kamer neergelegd. Ik denk
dat het ministerie andere keuzes had moeten maken en hier ook door de Kamer op is
gewezen, maar willens en wetens dit proces heeft doorgezet.
De heer Boomsma (JA21):
De heer Ceder heeft het over nationale koppen. Anderen deden dat ook al. Alleen zie
ik helemaal niet zo veel nationale koppen. Ik vraag me dus af wat hij daar precies
mee bedoelt. Ik weet dat allerlei landen om ons heen juist nog veel strenger zijn
geworden en dat dit heeft geleid tot een nog veel grotere daling van de instroom.
Ik noem Zweden, België, Duitsland en ook Polen, waar we ook waren. Dus over welke
nationale koppen heeft de heer Ceder het dan?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Een nationale kop betekent: daar waar afgeweken wordt van onderdelen die niet dwingend
voortvloeien uit Europese regels. Daar staat het pact vol van. De heer Boomsma probeert
te zeggen dat andere landen dat ook doen. Dat snap ik. Dat argument kan ik ook volgen.
Maar dat betekent niet dat mijn conclusie is dat een verbod op nationale koppen daarmee
ook geëffectueerd wordt. Ik snap dat u wilt aansluiten bij andere landen, maar die
wijken af van wat dwingend uit het pact voortvloeit.
Daarmee kom ik terug op het punt dat ik heb aangekaart – want we gaan dit vaker meemaken
in de komende jaren – namelijk: wat is een nationale kop? Wat is een verbod op een
nationale kop? Uw uitleg snap ik, maar dat is geen verbod op een nationale kop. Als
u het ermee eens bent dat er geen verboden op nationale koppen zouden moeten zijn,
zou u het eens moeten zijn met mijn amendementen, die proberen dat terug te draaien.
Maar dat bent u niet, omdat u wel degelijk voor nationale koppen bent zodra het u
uitkomt. Dat is niet erg; dat is uw democratisch recht. Maar laten we dan wel helder
zijn over de definiëring.
De heer Boomsma (JA21):
Ik zet wel vraagtekens bij het gebruik van de term «nationale kop» als het gaat om
de invulling die expliciet mogelijk wordt gemaakt bij de uitwerking van al deze verordeningen.
Verordeningen hebben naar hun aard een bepaalde ruimte die ze aan de lidstaten laten.
In deze verordening is dat tenminste het geval. Natuurlijk geldt dat helemaal bij
richtlijnen. Het is dan aan de verschillende lidstaten om daar invulling aan te geven.
Nederland is helemaal niet het strengste land op dit moment. Ik denk dus dat we het
niet moeten hebben over nationale koppen, maar gewoon over implementatie van deze
Europese wetgeving.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De heer Boomsma hanteert een verkeerde definitie van «nationale kop». Daardoor ontstaat
een discrepantie tussen wat ik probeer te zeggen en wat de heer Boomsma probeert te
zeggen. Ik snap vanuit zijn redenering dat hij dat heel wenselijk vindt. Misschien
valt er ook iets voor te zeggen als je het hebt over uniformering. Een nationale kop
is de extra beleidsruimte die niet uit het pact volgt, maar die je wel neemt. Prima
als dat het geval is, maar dan moeten we dat ook voor handelsverdragen en andere zaken
op die manier uitleggen. De heer Boomsma doet dat niet. Hij wil afwijken omdat hij
vanuit zijn partijkleur andere voordelen ziet, wat niet erg is. Maar ik denk wel dat
dit opnieuw de noodzaak benadrukt dat we moeten definiëren wat een nationale kop is,
wat verondersteld wordt onder het verbod onder een nationale kop, en of zo’n nationale
kop een dode letter is, dan wel dat de coalitiepartijen zich daar inderdaad aan gehouden
voelen. Volgens mij is het belangrijk om dit op te helderen. Ik wil er geen waardeoordeel
aan geven, maar voor mij is het belangrijk om het wat scherper met elkaar te krijgen,
zodat er niet twee definities gehanteerd worden, wat ook leidt tot twee verschillende
uitkomsten. Ik wil gewoon graag weten waar ik de coalitiepartijen aan kan houden.
De voorzitter:
Oké. De heer Ceder gaat verder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter. Ik wil ingaan op een paar punten. Ik heb op die punten ook een aantal
amendementen ingediend. De reden daarvoor is dat wij de wet willen verbeteren. Nogmaals,
de ChristenUnie is voor het Migratiepact, maar er zijn voor ons nog wat losse eindjes
dan wel onduidelijkheden, een black box, waardoor we niet weten wat de uitkomst is.
We denken dat het zowel voor de linker- als de rechterkant van de Kamer goed is om
te weten wat we gaan doen met elkaar en dat we kunnen beoordelen of dat ook leidt
tot het gewenste effect dat we met elkaar beogen.
Allereerst een opmerking over de rechtsbescherming. Juridische counseling wordt de
verantwoordelijkheid van de IND. Maar nu blijkt dat de IND daar nog niet klaar voor
is en dat er hiervoor zelfs nog geen vacature is opengezet. Mijn vraag is wat de Minister
ervan vindt dat we een goed functionerende asieladvocatuur en kundige mensen bij VluchtelingenWerk
hebben, die straks allemaal op het tweede spoor worden gezet, terwijl de IND alles
nog moet optuigen in een paar maanden tijd. Laten we eerlijk zijn, als we die personele
bezetting wel konden invullen, hadden we dat toch al geregeld? Kan de Minister erkennen
dat het waarschijnlijk niet gaat lukken en dat dit dus leidt tot een onzekerheid over
wat er gaat gebeuren na juli 2026?
Voorzitter. Het initiatief voor de juridische counseling komt straks meer bij de vreemdeling
zelf te liggen dan nu het geval is. Na het registratieproces en de meest basic voorlichting
ligt het bij de vreemdeling om contact op te nemen. Hoe zorgt de Minister ervoor dat
de meest kwetsbare groepen een zo laag mogelijke drempel ervaren wat betreft legal
counseling? Hoe wordt er bijvoorbeeld voorzien in tolken?
Voorzitter. Dan het overgangsrecht. De aanspraak op gezinshereniging verandert met
deze wet drastisch voor subsidiair beschermden. Deze wet bevat nauwelijks overgangsrecht,
terwijl dat in het geval van gezinshereniging kan zorgen voor grote rechtsongelijkheid,
hoe je ook kijkt naar het systeem en naar migratie. Als twee mensen in dezelfde situatie
op hetzelfde moment de aanvraag doen, maar de een vóór 12 juni 2026 en de ander erna,
dan kan de uitkomst totaal verschillend zijn. Ik vind die rechtsongelijkheid onrechtvaardig,
ongeacht het politieke spectrum en hoe je naar deze wet kijkt. Daarom heb ik een amendement
ingediend om dat te fiksen.
Voorzitter. Dan de ingangsdatum ten aanzien van het verlenen van een verblijfsvergunning.
Zonder dat het pact hierom vraagt, wijzigt de regering de ingangsdatum voor de verblijfsvergunning.
Dat is niet op het moment van aanvraag, maar op het moment van beschikking. Dat lijkt
een formaliteit, maar zeker in het geval van gezinshereniging en subsidiair beschermden
maakt dit nogal uit. Gaan de twee jaar wachttijd in op het moment van de beschikking
of op het moment van de aanvraag? Ik vind het niet te verkopen dat we de aanvraag
voor gezinshereniging ook nog eens afhankelijk maken van de lange wachttijden bij
de IND, waardoor het langer duurt. Dat druist ook in tegen wat een aantal coalitiepartijen
aangaven: men moet twee jaar wachten en daarmee vinden we het acceptabel om vervolgens
voor deze wet te gaan. Als je dit met elkaar zo regelt, dan weet je volgens mij helemaal
niet of dat twee jaar duurt. Dat kan ook veel langer duren. Dat ondergraaft het argument
van een aantal coalitiepartijen die zeggen dat ze die twee jaar acceptabel vinden.
Dan lees ik dat ze een langere periode dus niet acceptabel vinden. Door hiermee in
te stemmen wordt dit wel degelijk afhankelijk van de wachttijden van de IND en gaat
het om andere tijden dan die twee jaar. Daarom stel ik een amendement voor om dat
terug te draaien, zodat je weet dat die twee jaar ook echt twee jaar is.
Voorzitter. De positie van minderjarigen. Er is geen verschil in hoe we de kwetsbaarheid
van kinderen zien, ongeacht hun nationaliteit. Klopt dat? Zo ja, hoe wordt de kwetsbaarheid
van asielzoekers voldoende in beeld gehouden in de opvang en in de detentie? Zoals
de Minister weet, vinden wij kinderen in detentie moeilijk te rijmen met het IVRK.
De keuze voor detentie hoeft niet gemaakt te worden; dat is een afweging die het kabinet-Jetten
maakt. Waarom kiest de regering er niet voor om dit duidelijker te verwoorden? De
Afdeling adviseert ook dat bewaring uitsluitend in het belang van het kind is als
de ouder of hoofdverzorger die het begeleid ook in bewaring is gesteld of als een
niet-begeleide minderjarige door de bewaring wordt beschermd.
Het meekijken door een expert vind ik belangrijk. In mijn interruptiedebat met het
CDA bleek net – dat onderschrijf ik ook – dat we niet weten wie die toets doet, wie
daarvoor gekwalificeerd is en welke mening we daar überhaupt over hebben als medewetgever.
Die onzekerheid vind ik onwenselijk. Dit lijkt me ook kwetsbaar, ook ten aanzien van
juridische procedures tegen de Staat. Daarom heb ik een amendement ingediend om aan
te haken bij artikel 26 van de Opvangrichtlijn. Daarin staat dat een vertegenwoordiger
– dat is iemand met expertise op dit vlak – meekijkt en de Minister adviseert over
de vraag of er sprake is van het belang van het kind. Als er een beroep tegen de Staat,
tegen de Minister, wordt ingediend, maakt dit dat hij zich kan beroepen op een argumentatie,
een document of een verklaring van een expert. Daardoor is de rechtspositie van de
Staat beter beschermd als die voor de rechter staat om uit te leggen waarom er wel
of geen sprake was van het belang van het kind. Om die reden heb ik een amendement
ingediend. Ik denk dat dit punt verstandig wordt gevonden van links tot rechts, want
hiermee versterk je de rechtspositie van de Staat. Je krijgt hiermee een uniform advies
vanuit een persoon. Ik denk dat we allemaal kunnen volgen dat het zwaarwegend meegerekend
dient te worden als die persoon een advies geeft.
Voorzitter. Er wordt veel doorgeschoven naar lagere regelgeving. Voor de Raad van
State is dat een zonde. Wat je niet in lagere regelgeving hoeft op te schrijven, moet
je gewoon in de wet opschrijven. Dan is het voorzienbaar voor mensen wat er precies
gedaan wordt. Er wordt in het Migratiepact wel heel veel doorgeschoven naar lagere
regelgeving. Aan de ene kant snap ik dat, want veel was nog onduidelijk en er was
tijdsdruk. Daardoor is er de gedachte dat we later nog heel veel gaan uitwerken. Dat
snap ik, maar inmiddels voelt het wel een beetje als een black box. Er is namelijk
wel heel veel waarvan ik niet weet waarmee ik instem. Daarom heb ik een aantal delegatiebepalingen
en een aantal voorhangprocedures geamendeerd. Ter verduidelijking: dit zorgt niet
voor een vertraging van het wetsvoorstel. Dit zorgt er alleen voor dat de Minister
aan de Kamer laat weten dat hij eruit is, voordat er onomkeerbare stappen gezet worden.
Dan weten we dat in ieder geval. Mocht er een ramp gebeuren, dan kunnen we altijd
aan de bel trekken, maar het is niet zo dat hiermee een extra goedkeuring van de Kamer
verwacht wordt. Het is een lichte voorhangprocedure. Het lijkt me ook voor links en
rechts heel belangrijk, omdat je weet wat de Minister uitspookt. Dat lijkt me belangrijk
om te weten, ongeacht het politieke spectrum.
Voorzitter. Dan ten aanzien van gezinshereniging. De keuze van de regering om aan
de twee statussen, die het pact verlichten, ook verschillende rechten te verbinden,
vinden we als ChristenUnie ingewikkeld, niet omdat we principieel tegen zijn, maar
omdat we voorzien dat dit in de uitvoering knelpunten oplevert. Dat is ook al een
aantal keren erkend door een aantal partijen, ook partijen die juist voor het stelsel
waren. Ik heb de PVV gehoord, maar ook het CDA. Zo waren er ook een paar andere. Nu
het pact dichterbij lijkt te komen, lijkt het mij dat we daar iets mee moeten. Daarom
ben ik benieuwd of de Minister kan reageren op de vraag hoe we het gaan regelen als
we extra personele bezetting nodig hebben, in een tijd waarvan we weten dat personeel
zeer schaars is.
Daarnaast vinden wij ook de principiële keuze om gezinnen uit elkaar te houden, niet
voor eeuwig maar voor twee jaar, en om daar extra voorwaarden aan te koppelen, niet
alleen onlogisch maar als ChristenUnie ook onwenselijk. Dit zijn waarschijnlijk ook
mensen die gewoon Nederlandse staatsburgers worden. Waarom zou je hen voor twee jaar
lang in een oorlogsgebied houden, wetende dat de kans op gedragsproblemen groeit en
men traumazorg en aanvullende gezondheidszorg nodig heeft? Die zorg zullen ze in Nederland
moeten krijgen. Daarmee worden er problemen gecreëerd in onze eigen zorg en ontstaan
er integratieproblemen. Het argument dat we hiermee de instroom verlagen, volgt nergens
uit. Sterker nog, die mensen komen gewoon. Ze hebben alleen een vertraging van twee
jaar en extra kans op gezondheidsschade en psychische schade, waarbij wij vervolgens
in Nederland de zorg moeten leveren. Die discussie hebben we gehad met elkaar. Om
die reden hebben we een amendement ingediend om in ieder geval verlichting te bieden
bij een aantal punten, ook omdat we denken dat we hiermee zorgen voor een zachtere
landing voor degenen die, nogmaals, toch komen, en ook voor de omgeving die hen moet
opvangen.
Voorzitter. Ik ga wat sneller erdoorheen. Ik kom op de Dublinopvanglocaties. De sobere
opvang kost het COA alleen maar extra werk. Waarom sluiten we niet aan bij bestaande
opvang? We lezen dat de bestaande voorraad bevroren wordt. Ik maak me zorgen over
de oude voorraad. Ik snap wel dat de regering nieuwe achterstanden wil voorkomen,
maar ik voorzie dat vrijwel alle capaciteit van de IND naar de nieuwe aanvragen zal
gaan. De aanvragen voor 12 juni hebben dan het nakijken. Dat vind ik ingewikkeld en
onrechtvaardig. Het zorgt ook voor opstopping in de opvang. Het zorgt voor onrust,
en daarmee mogelijk ook voor maatschappelijke ontwrichting. Welke stappen zet de Minister
om de oude voorraad weg te werken?
Voorzitter. Dan dit rapport. Mijn allereerste vraag was: wanneer was de Minister van
plan om dit naar de Kamer te sturen als er geen e-mailprocedure was gestart? Het lijkt
me best relevant voor de Kamer om te weten, als we zo’n grote stelselwijziging behandelen.
Er staat best wat fundamentele informatie in. Ik vind het eigenlijk ingewikkeld dat
de Minister dit niet proactief naar de Kamer heeft gestuurd en dat een lek in een
krant ertoe heeft geleid dat we dit nu hebben kunnen lezen. Ik vraag me toch af wanneer
de Minister van plan was om dit te delen. Als hij van plan was om dit niet te delen,
waarom achtte hij de informatie die hierin staat niet voldoende of niet zwaar genoeg
om met de Kamer te delen?
Voorzitter. Hierin staat onder andere dat er een aantal randvoorwaarden nodig zijn.
Ook zijn er een aantal zorgen, met name over een toename van spoedverzoeken om voorlopige
voorzieningen. Dat deel ik. Ik denk nog steeds dat het aantal procedures in het nieuwe
stelsel gaat oplopen. Ik heb geen argumentatie gehoord waaruit blijkt dat dit niet
het geval is, behalve dat het op de langere termijn vast minder zal worden. Die volg
ik niet, zeg ik ook uit eigen ervaring, wetende hoeveel beroepsmogelijkheden er hierdoor
ontstaan. Hoe gaan we specifiek om met de voorlopige voorzieningen?
In het rapport wordt aangegeven dat een goede afstemming tussen de IND-rechtbanken
en het COA nodig is. Ik vraag me af hoe dat eruit gaat zien. Daarnaast worden andere
randvoorwaarden meegegeven, bijvoorbeeld dat er voldoende expertise en capaciteit
bij de IND moet zijn voor de leeftijdsschouw. Dat snap ik, maar wat is er nu geïmplementeerd
om ervoor te zorgen dat we over drie maanden die leeftijdsschouw voldoende kunnen
uitvoeren? Ik lees het namelijk niet terug. Daarnaast wordt er gezegd dat de randvoorwaarde
voor een goede effectuering is dat Nidos voldoende capaciteit en financiering heeft
om de nieuwe voorfase te kunnen uitvoeren. Voor zover ik lees, is die capaciteit qua
financiële middelen niet vrijgegeven. Ik kan me vergissen, maar als dit een randvoorwaarde
is, hoe gaan we daar dan mee om? Kortom, ik heb een aantal voorstellen waarvan ik
echt denk dat we daarmee het Migratiepact beter kunnen laten implementeren. Dat is
goed voor de Nederlandse bevolking, de Kamer, de uitvoering en uiteindelijk de asielzoekers
zelf, omdat we graag willen dat het Migratiepact werkt.
Voorzitter. Mijn laatste vraag gaat over terugkeer. Het pact voorziet namelijk in
heel veel, maar niet in hoe we ervoor gaan zorgen dat de terugkeer soepeler verloopt.
Daar voorziet het Migratiepact te weinig in. Daar maak ik me ook wel zorgen om. Hoe
zorgen we er effectief voor dat, terwijl we dit goed regelen aan de achterkant, de
terugkeercijfers structureel toenemen?
Tot zover, voorzitter. Dank u wel.
De voorzitter:
Oké, dan ga ik de bijdrage doen namens de VVD. Mevrouw Van der Plas, zou u het voorzitterschap
even willen overnemen?
Voorzitter: Van der Plas
De voorzitter:
Dat wil ik zeker. Ik geef het woord aan de heer Ellian namens de VVD.
De heer Ellian (VVD):
Dank, voorzitter. Er is al heel veel gezegd, dus ik ga er zelf wat sneller doorheen.
Ik dacht: laat ik beginnen met een woord van dank richting al diegenen die aan deze
wet geschreven hebben. Dit hele pakket is namelijk nogal wat. Het is een klus van
twee jaar, geloof ik, gecombineerd met de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering
tweestatusstelsel. Het is bepaald geen eenvoudige materie. Ik wil dus toch even mijn
dank uitspreken aan al diegenen die daaraan gewerkt hebben. Ik ben wat minder blij
met het tijdsbestek dat we hebben om dit met elkaar door te nemen, zeker als je nu
woordvoerder bent. Maar oké, we doen ons best.
De eerste vraag die ik heb, heb ik nog niemand horen stellen. Ik hoop dus niet dat
het een rookievraag is. Het nieuwe systeem maakt een onderscheid tussen de verblijfsvergunning
en de verblijfstitel. Uit de vergunning vloeit dan de beschermde status voort. De
titel is dan het document waaruit blijkt dat je in Nederland mag zijn. Maar als je
eenmaal de beschermde status hebt, dan mag je op het Nederlands grondgebied verblijven,
ook al heb je die titel niet, neem ik aan. Ik zoek er dus even naar of het nou nodig
was om dit onderscheid op deze manier te maken. Ik vond dat ook de toelichting niet
helemaal uitblonk qua duidelijkheid.
Een aantal collega’s hebben terecht vragen gesteld over de IND. Dat waren uiteraard
vragen over de uitvoeringscapaciteit en het rapport, dat vrij belangrijk is en dat
we pas laat hebben mogen ontvangen. Een ander punt dat ik zelf wat onderbelicht vind,
is dat het superessentieel is om deze stap vooruit te zetten om dit gehele pact –
om in de woordkeus van de christelijke partijen te blijven: het zal niet zaligmakend
zijn – een succes te maken. Dat is wat de VVD wil, want je wil uiteindelijk de instroom
naar beneden krijgen.
Kijk bijvoorbeeld naar de ICT die nodig is om voortvarend de procedures te kunnen
afhandelen. Ik heb me laten vertellen dat de ICT bij de IND vrij oud is. Die van de
rechtspraak is tegenwoordig beter, maar ook de koppeling daartussen is superbelangrijk.
Je wilt uiteindelijk snelle procedures, zodat je snel duidelijkheid kan geven over
wie hier mag blijven en wie niet. Als je hier niet mag blijven, dan ga je ook snel
terug. Dat «snel terug» is natuurlijk geen onderdeel van hetgeen we hier vandaag bespreken,
maar er zijn meerdere collega’s die hebben aangegeven dat je dat sluitstuk ook zal
moeten regelen. Daar sluit ik me bij aan. Maar goed, ik maak me wel wat zorgen over
de ICT. Ik ben benieuwd hoe de Minister dat ziet. Kijk bijvoorbeeld naar de problemen
in de strafrechtelijke keten. Daar heeft de ICT-problematiek rechtstreeks invloed
op hoe snel strafzaken afgehandeld kunnen worden.
Dan over de rechtspraak. Ik heb lang getwijfeld over of ik dit moest doen. De vraag
is of de rechtspraak in eerste instantie een toename van beroepszaken aankan. Ik sluit
mij aan bij degenen die zeggen: maar uiteindelijk wordt het minder. Dat is de hele
essentie. Dat is wat we met elkaar voor ogen moeten houden, denk ik. Ik zie het meer
als volgt. Er komt misschien wat meer druk, maar dat is op zich alleen maar goed,
als de instroom uiteindelijk minder wordt.
Wat ik nu ga doen, heb ik niet eerder gedaan. Er is een interview geweest met een
rechter. Daar zijn Kamervragen over gesteld, ik geloof door collega Boomsma en anderen.
Daar is op gereageerd door de NVvR. Zij weten dat ik als justitiewoordvoerder altijd
in goed contact met hen sta. Nu zag ik een vrij defensieve reactie, waarin eigenlijk
werd gezegd: dit moet de Tweede Kamer niet doen; het is raar als er vragen worden
gesteld over dit interview. In dit interview staat – ik zeg het echt met alle respect
voor de rechter in kwestie – dat je fysieke en juridische muren kunt bouwen, maar
dat mensen zullen blijven komen. Dat is een mening, dat is een beschouwing. Ik vind
dat eerlijk gezegd wel opmerkelijk. Dit is de rechter die zeven van de vijftien prejudiciële
vragen aan het Hof stelt. Als dat zo is, zou ik zeggen: ga dan op deze stoel zitten.
Kandideer je voor een politieke partij. Als ik mijn mening niet meer wil geven – ik
kan dat niet zo heel goed – word ik misschien wel een magistraat. Maar een publieke
mening zo op die manier uiten ... Ik zie de Minister een beetje ... Ik vind dit interview
zo fundamenteel dat ik het toch aan de Minister wil voorleggen.
De voorzitter:
U heeft een aantal interrupties. Ik zag even niet wie er als eerst was: de heer Ceder
of de heer Dassen. Ik geef de heer Ceder het woord. Meneer Ceder, u heeft, denk ik,
al twintig interrupties gehad, terwijl we er tien hadden afgesproken.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dan is dit een punt van orde! Nee, u heeft gelijk.
De voorzitter:
De voorzitter is heel coulant geweest. Ik wil u vragen om het heel erg kort te houden.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik vind de tijdelijke voorzitter streng doch rechtvaardig; dat wil ik even meegeven.
De heer Ellian snapt natuurlijk dat dit een reactie oproept. Ik zal even achterwege
laten wat ik van dat artikel vind. De opmerking dat migratie iets is wat niet op nul
gezet worden, wat je ook qua regelgeving doet, is een feit van algemene bekendheid.
Dat weet u ook, u bent ook advocaat geworden. Je kunt de grenzen opzoeken. Is de heer
Ellian ook van mening dat als ik dit zo verwoord – hij kent de term – dit daaronder
valt en of het niet onnodig is om dit erbij te pakken? Ik denk namelijk dat we ons
hiermee op glad ijs begeven. U was nog binnen de grenzen, denk ik, maar als u zo doorgaat,
overschrijdt u de grenzen. Dat vind ik persoonlijk. Ik ben benieuwd naar uw reflectie
daarop.
De heer Ellian (VVD):
Nee, ik vind niet dat ik een grens overschrijd. Ik heb goed nagedacht of ik dit nou
moest vragen. Ik heb ook even gekeken ... Ik heb het geluk dat ik wel wat magistraten
in mijn omgeving heb. Ik ben niet de enige die verbaasd is over dit interview. Ik
weet dat sommige collega’s er anders naar kijken. Dat mag. Achter de alinea die ik
net voorlas – ik heb ’m niet helemaal voorgelezen – zit wel degelijk een mening. De
heer Ceder zei dat dit een feit van algemene bekendheid was, maar door het zo te poneren,
in combinatie met het pact, neem je als rechter feitelijk een mening in over iets
wat jij nog beoordelen, over iets waar de Tweede en de Eerste Kamer nog over moeten
beslissen. Ik vind het mooi als rechters een inkijk geven in hun werk, maar ten aanzien
van zo’n maatschappelijk onderwerp, waarbij je als rechter zelf een prominente positie
hebt, was het denk ik beter geweest om dit interview niet te doen. Het geeft mij ook
een wat unheimisch gevoel, in die zin dat ik denk dat wat wij hier ook bedenken, er
dus een rechter is die per definitie niet gelooft in dit pact. Dat vind ik ingewikkeld.
Dat is wel de strekking. Dan moet je geen interviews geven.
De voorzitter:
De heer Dassen ziet van zijn interruptie af, dus u mag verder.
De heer Ellian (VVD):
Dan ga ik verder. Ik ben benieuwd of de Minister mijn zorgen deelt. Nogmaals, alle
respect voor de zittende magistratuur.
Dan de Dublinclaimanten. Dit onderwerp is vaak langskomen. Als ik het goed begrijp,
komen er straks beslissingen over Dublinoverdracht. Dat klinkt al wat steviger. Dat
is mooi; hoe steviger, hoe beter. Maar goed, dan moeten die andere landen natuurlijk
wel die personen daadwerkelijk terugnemen en een vorm van sobere opvang realiseren.
Ik ben benieuwd hoe de Minister daarnaar kijkt. Wat is zijn indruk in Europees verband?
Landen die relatief vrij veel Dublinclaimanten binnenkrijgen zullen wel vaart moeten
maken met die wat ons betreft hele sobere opvang. Anders heeft het geen zin. Dan is
het oude wijn in nieuwe zakken en dat is nou net niet de bedoeling. Je wilt een overdrachtsbesluit.
Je gaat terug naar het land waar je al bent geweest en daar zit je dan, wat ons betreft
buitengewoon sober.
Dan die sobere opvang in het licht van het solidariteitsmechanisme. Ik denk dat we
er niet omheen hoeven te draaien met elkaar: op Italië en Griekenland ligt een hele
zware druk. We zullen met elkaar hiernaar moeten kijken en misschien ook een handje
moeten helpen. Zij zullen hulp nodig hebben bij het realiseren van die sobere opvanglocaties.
Ik noem het «locaties» en geef er geen bepaalde kwalificaties aan, anders wordt het
weer spannend. Daar moeten we wel naartoe. Hoe kijkt de Minister daartegenaan?
Het volgende punt vraagt wel om reflectie. Wij kopen nu af. Wij zeggen dat de asielketen
niet op orde is. Dat is denk ik een feit. Meerdere landen vinden dat. Als iedereen
gaat afkopen, ligt het hele probleem bij Griekenland en Italië, maar dat ontslaat
ons en hen nog steeds niet van de plicht om hiervan een succes te maken en ervoor
te zorgen dat daar grenscentra zijn. Zijn er ook andere manieren om als Nederland
te helpen, vraag ik de Minister. Dat kan met de KMar, dat misschien met IND-medewerkers.
Het hele idee is dat de beoordeling voor een groot deel straks daar moet plaatsvinden.
Als het straks allemaal nog steeds in Nederland gaat gebeuren, dan hebben we natuurlijk
nog steeds niks opgelost. Zijn er dus andere manieren? We kopen nu, geloof ik, voor
€ 20.000 af. Laten we eerlijk zijn ... Nou ja, dat is het bedrag. Maar wat kunnen
we meer doen, juist vanuit de gedachte om ervoor te zorgen dat het systeem gaat werken,
en niet om mensen hier op te nemen?
Ik weet niet welke collega er al had gevraagd naar de bevolkingsdichtheid. Ik geloof
dat het kabinet-Schoof ... Was het dat nog wel? In ieder geval is het geprobeerd,
maar niet gelukt. Maar wij zijn niet van de school opgeven. Laten we het dan nog een
keer proberen. Ik denk namelijk wel dat bevolkingsdichtheid een superrelevant argument
is voor Nederland. Het is tot de dienst van anderen dat ze dat niet willen, maar ik
denk dat wij die poging nog wel kunnen doen. Ik denk dat dat in de verdeelsleutel
wel superessentieel is, want het roept gewoon de vraag op of je tot het onredelijke
eraan gehouden bent.
Dan zag ik dat 16% van de aanvragen, gemiddeld genomen in Europees verband, kansarm
is. Oké. Dat betekent dan dat die per definitie dus in de grensprocedures zitten.
Dat moet dus allemaal rapido. Dat moet dus ook allemaal sober. Ik ben benieuwd naar
het volgende. Wij gaan dat inregelen – dat is logisch – maar een groot deel komt dus
op andere plekken binnen. Hoe kijkt de Minister er nou naar? Het heeft natuurlijk
geen zin als het ene land een ruimhartiger of een warmer soort opvang voor de grensprocedure
kent dan het andere. Ik herhaal mezelf een beetje, maar die 16% viel me wel op. Voor
die 16% zou het moeten betekenen: je zit op een sobere plek, de procedure gaat supersnel,
hops en uiteindelijk terug. Over terug hebben we het vandaag niet, maar dit is wel
wat de essentie zou moeten zijn. Maar dan moeten wel al die landen het op dezelfde
manier inrichten, want de essentie van dit alles is wat de VVD betreft – daarover
kun je met elkaar van mening verschillen – dat dit uiteindelijk het effect moet hebben
dat mensen snappen dat het geen zin heeft om te komen. Die mensensmokkelaars moeten
ook doorhebben: het heeft geen zin meer. Als je het allemaal warmer en vriendelijker
inricht, dan kun je ervan op aan dat het mislukt.
Ik kijk even naar mijn tekst, want er is al zo veel gezegd. Als het gaat om de grensprocedure,
ben ik ook benieuwd naar het volgende. Er zijn natuurlijk ook gewoon veel gevallen
bekend van mensen die hun paspoort weggooien of gewoon al hun documenten expres weggooien;
die zitten vaak in die 16%, maar ik denk dat die categorie nog groter is. Oké, maar
dat zou dan geen reden moeten zijn om langer dan nodig in die versnelde procedure
te zitten. Het is dan je eigen schuld als je dat hebt gedaan, want vaak wordt het
gedaan ... Natuurlijk zijn er hele schrijnende gevallen van mensen die geen andere
keus hadden, maar er zijn ook zat gevallen waarin mensen gewoon die documenten in
het zand of in het water gooien en denken: het duurt allemaal lang; ik zie wel hoe
het loopt. De essentie moet natuurlijk ook zijn dat die groep in de versnelde procedure
zit, maar ook soberder dan sober, want anders schrikt het nog steeds niet af.
De mensensmokkelaars heb ik genoemd.
Over de onafhankelijke counseling wilde ik juist meegeven dat mijn indruk is, ook
naar aanleiding van de nota naar aanleiding van het verslag, dat het juist goed ingericht
is. Het zijn niet de beslismedewerkers; het is een aparte groep. Oké, ze zijn werkzaam
voor hetzelfde logo. Ik denk juist dat het op zo’n manier wordt ingericht dat je voldoende
objectieve informatie geeft aan iemand om te snappen wat de procedure is. Voor de
rest – we moeten ook niet flauw doen – wordt de advocaat heus wel gevonden. Ik wilde
de Minister dus eigenlijk een hart onder de riem steken in die zin dat ik de juridische
counseling juist heel ordentelijk ingericht vind. Dat is, denk ik, een slimme stap
om die procedure uiteindelijk sneller te laten verlopen. Die snelheid zou je uiteindelijk
moeten willen met elkaar.
Er is een hele hoop gezegd. Voor mij is, denk ik, de belangrijkste vraag: heeft de
Minister voldoende vertrouwen, comfort en zekerheid dat we voor die snelheid en die
sobere opvanglocaties uiteindelijk snel stappen kunnen zetten vanaf 12 juni om die
instroom de komende jaren naar beneden te brengen?
Ik dacht: ik doe het een beetje snel. Er werd mij namelijk ingefluisterd dat we tot
14.30 uur nog kunnen lunchen; daarna zult u het moeten doen met andere dingen.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. Dan geef ik het voorzitterschap weer terug aan de heer
Ellian.
Voorzitter: Ellian
De voorzitter:
Uitstekend. Collega’s, het is – mijn telefoon is ondertussen zelfs uitgevallen – 14.10
uur. De Minister verzocht mij om een uur; dat heb ik geweigerd. We doen dus 45 minuten.
We treffen elkaar om 14.45 uur. Kunnen we dat afspreken? Is dat te kort? Dan doen
we 15.00 uur, vooruit maar. We komen om 15.00 uur terug. We gaan dan kijken hoe we
verdergaan.
De vergadering wordt van 14.09 uur tot 15.00 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. We zijn aanbeland bij de eerste termijn van de zijde van
het kabinet. Ik geef het woord graag aan de Minister voor zijn eerste termijn. Ik
doe een beroep op iedereen: laten we proberen om met elkaar vandaag zo ver mogelijk
te komen. Dat zou voor iedereen goed zijn.
Minister Van den Brink:
Dank u wel. Ik zal straks nog kort toelichten hoe de systematiek die ik voor me heb
liggen, eruitziet. Maar allereerst dank voor alle vragen die zijn gesteld. Ik realiseer
mij heel goed dat wij veel vragen van u en van de senaat, waar ik ook nog naartoe
hoop te gaan, maar natuurlijk bovenal van de uitvoeringsorganisaties die hier de afgelopen
maanden en jaren aan hebben gewerkt.
Soms zou je de indruk kunnen krijgen dat ze twee jaar geleden in Europa al klaar waren
met die asielwetgeving en zou je je kunnen afvragen waarom die dan nu pas in de Tweede
Kamer ligt. Ik kan u inmiddels verzekeren dat het niet mals is wat achter zo’n enorm
omvangrijke operatie wegkomt. Er is dus met man en macht gewerkt. Ik denk ook dat
het geen enkele invloed heeft gehad wat we in de Kamer wat dit betreft ook nog aan
andere trajecten hebben gehad, omdat er natuurlijk gewoon wetgeving moest worden ontwikkeld
en uitvoeringstoetsen moesten worden gemaakt, maar dit diende natuurlijk wel een hoger
doel, want meer grip op migratie was al langere tijd een wens van meerdere kabinetten
en ook van deze Tweede Kamer. Verschillende sprekers noemden de Staatscommissie Demografische
Ontwikkelingen, die in 2024 met haar conclusies kwam. Die zijn breed omarmd in de
Tweede Kamer, want nergens ter wereld kan migratie ongeremd zijn. De conclusies van
dit rapport kregen brede steun in de Tweede Kamer, ook van de partijen die hier vandaag
bij elkaar zijn. De conclusie van ons als kabinet is dat ons migratiebeleid en uiteindelijk
ook het internationale vluchtelingenrecht aan modernisering toe zijn en dat we daar
ook nog veel werk te doen hebben. Daar hebben vandaag ook verschillende mensen naar
gevraagd. Ik ga daar straks meer over zeggen.
Het EU-Migratiepact is een belangrijke stap om hier meer grip op te krijgen door te
kijken wie naar Nederland komt. Tegelijkertijd is dat wel iets op termijn. Ik vind
de opmerking van mevrouw Van der Plas dat we hier op een nuchtere en ook een beetje
praktische manier naar moeten kijken, heel terecht, want het pact is geen wondermiddel.
Er is nog enorm veel te doen. De asielketen staat er op zichzelf natuurlijk ook niet
zo voor dat we dit morgen even hebben ingevoerd, want we komen ook ergens vandaan;
ook daar hebben verschillende partijen op gewezen.
We zullen vandaag veel thema’s voorbij zien komen, soms ook complexe en technische
thema’s; dat hebben we ook gezien in de gestelde vragen. Op 12 juni van dit jaar zal
het Europese Asiel- en migratiepact van toepassing worden in ons land. Dat is dus
nog maar enkele maanden verwijderd van nu. Het is van groot belang dat we onze nationale
wetgeving voor die datum hebben aangepast aan het pact. Met het wetsvoorstel dat we
vandaag bespreken, wordt het hele Asiel- en migratiepact eigenlijk in het nieuwe vreemdelingenrecht
geïncorporeerd. Het is de meest ingrijpende herziening van het Nederlandse vreemdelingenrecht
in bijna 30 jaar. Daarbij komt dat de operatie van het pact binnen een zeer korte
termijn werd vastgesteld, namelijk in de twee jaar die ik net al noemde. Ik wil daarom
nu al een groot compliment geven aan alle betrokken organisaties en medewerkers in
de asielketen die hier de afgelopen twee jaar aan hebben gewerkt en die daar ook de
komende jaren nog voor aan de lat staan, zoals de heer Ellian ook al verwoordde in
zijn bijdrage.
Het Asiel- en migratiepact bestaat in totaal uit negen verordeningen en een herziene
richtlijn. Voor de verordeningen die onderdeel zijn van het pact, geldt dat zij vanaf
12 juni rechtstreeks zullen werken. Dat betekent dat een groot deel van het vreemdelingenrecht
vanaf die datum in de verordeningen moet worden teruggevonden. Er wordt op 12 juni
dus eigenlijk een extra laag aan het Nederlandse vreemdelingenrecht toegevoegd. Ik
snap alle zorgen die daar door verschillende partijen over zijn uitgesproken. Ik hoorde
van de BBB, het CDA, de SGP en ook andere partijen dat we dit misschien niet direct
als een wondermiddel moeten zien, maar ik zou ook tegen onszelf willen zeggen: laten
we niet al te cynisch worden. Want na tien jaar discussies in Europa over het Europese
migratiebeleid zijn er natuurlijk wel degelijk stappen gezet. Partijen hebben elkaar
gevonden en spreken elkaar nu aan met verordeningen, waardoor er in alle lidstaten
van Europa niet aan kan worden ontkomen om hiermee aan de slag te gaan. Daardoor kunnen
we meer grip krijgen op migratie, maar dat laat onverlet dat voor een goede werking
van het Asiel- en migratiepact alle uitvoerings- en implementatiekeuzes moeten worden
gemaakt die ook in dit wetsvoorstel zitten.
Bij het maken van die keuzes heeft de regering zich laten leiden door de wens om de
asielketen zo snel mogelijk te ontlasten en op orde te krijgen en om onze asielketen
te harmoniseren naar de standaard uit het Europese recht, zoals die nu moet worden
ingevoerd. Ja, daar komen ook politieke discussies achter weg over de keuzes die we
hebben gemaakt of die in het vorige kabinet zijn gemaakt. Ook die zullen we vandaag
ter hand nemen. Onderdeel van de wet zijn dus ook de Asielnoodmaatregelenwet en de
Wet tweestatusstelsel, waarbij we een onderscheid maken in de nareisvoorwaarden van
erkende vluchtelingen en subsidiair beschermden. Het kabinet zal deze maatregelen
na aanvaarding in de Eerste Kamer onverkort uitvoeren. Daarmee zijn ze ook verankerd
in de wetgeving die vandaag voorligt. Materieel gaat het om dezelfde maatregelen,
maar niettemin was dit nodig om meer technische redenen zodat de maatregelen aansluiten
bij de terminologie van het pact en de regels die daaruit voortvloeien.
Wij gaan dus voor de verdere harmonisatie van regels omtrent asiel en migratie binnen
de Europese Unie. Het pact moet tot gevolg hebben dat de buitengrenzen van de Europese
Unie worden verstevigd. Daartoe introduceert het pact onder andere een Europese asielgrensprocedure
en een intensivering van de screeningsprocedure. Zoals ook de heer Van Asten van D66
al zei, denk ik dat het aan de politiek is om te gaan leveren op asiel. Dat is de
afgelopen jaren te weinig gebeurd. Met dit pact in de hand kunnen we daar een begin
mee maken. Dit is een goede stap in de goede richting.
Ook al hebben we deze afspraken nu gemaakt, we gaan natuurlijk wel door met asielwetgeving
voor de verdere toekomst. JA21 en mevrouw Lammers vroegen daarnaar. Buiten Europa
asiel aanvragen is een volgende stap en daarover hebben we in dit coalitieakkoord
ook afspraken gemaakt. Daarmee zullen we aan de slag gaan.
Ten slotte realiseren wij ons zeker wat dit van u vraagt. Het is nog 81 dagen vanaf
vandaag. De Eerste Kamer is mij net zo lief als de Tweede Kamer. Daarom heb ik geprobeerd
de kerk in het midden te brengen voor de behandeling van dit wetsvoorstel. Daarom
ben ik vandaag bij u en ben ik hopelijk in mei in de Eerste Kamer. Aangezien ik op
mijn eerste dag al in de Eerste Kamer stond om te horen dat zoiets nooit meer mocht
gebeuren, ben ik sindsdien banger voor de Eerste Kamer. Maar misschien ben ik na vandaag
banger voor u. We gaan het ontdekken.
De voorzitter:
U zegt gevaarlijke dingen!
Minister Van den Brink:
Ik zal snel overgaan tot de beantwoording van de vragen. Dat doe ik in zes blokjes,
plus een zevende blokje, want ik moet ook de amendementen nog doen. Ik begin met de
asielprocedure. Daarna kom ik op bewaring, grensprocedure en screening. Solidariteit
en Dublin vormen het derde blokje. De uitvoerbaarheid is het vierde blokje. Daarin
kom ik ook op de IND en het rapport van afgelopen week. Dan kom ik op de wetstechniek,
de onmiddellijke werking en de verhouding tot de eerder behandelde wetten. Dan komt
er nog een klein blokje overige vragen. Ten slotte kom ik op de 25 amendementen. En
dat voor 17.00 uur vanmiddag ...
Ik begin gewoon met mevrouw Van der Plas. Waarop wordt gebaseerd dat de instroom zal
dalen? Ik snap die vraag heel goed. Dat is natuurlijk een vraag die ook in andere
debatten al vaker naar voren is gekomen. Tegelijkertijd weten we ook dat de complexiteit
van het vraagstuk groot is. De instroom van asielzoekers is namelijk afhankelijk van
een groot aantal interne en externe factoren. We nemen nationale maatregelen omdat
we niet geloven dat het voldoende is om alleen vanuit Europa maatregelen te nemen.
Deze complexiteit betekent niet dat sturen op asielmigratie onmogelijk is, maar wel
dat sturing niet alleen moet plaatsvinden met enkel afzonderlijke maatregelen, maar
met een samenhangend pakket. Eerder hebben andere lidstaten ook laten zien dat van
nationale maatregelen een sterk effect kan uitgaan. Verschillende van die landen zijn
hier ook al aangehaald vandaag. Deze voorbeelden maken duidelijk dat het met een krachtige
inzet mogelijk is om een groot verschil te maken als het gaat om de asielinstroom.
Daarom zal het kabinet de wetten die nu voorliggen, dus de hele Asiel- en migratiepactwet,
maar ook de wetten waar BBB eerder aan heeft bijgedragen, onverkort uitvoeren.
Daarnaast vroeg zij of we daarmee soevereiniteit inleveren en vroeg ze naar het gat
tussen de ambitie en de realiteit. Om grip te krijgen op de asielinstroom naar de
Europese Unie en op de irreguliere asielstromen binnen de Europese Unie, dus ook op
secundaire migratie, is een goedwerkend Europees asielstelsel essentieel. Als we willen
dat er goede en snelle procedures komen aan de buitengrens van de Europese Unie, dan
moeten we dat op Europees niveau regelen. Ook voor het harmoniseren van asielprocedures
zijn Europese regels noodzakelijk evenals het efficiënte Dublinstelsel dat we de afgelopen
jaren niet hebben gekend. Dat kunnen we als Nederland niet in ons eentje. Dat moet
via Europese regels. Het is een Europees probleem, dus zal het ook Europees moeten
worden aangepakt. De relevantie is naar mijn mening in zeer overtuigende mate aanwezig.
Natuurlijk is het belangrijk dat al die maatregelen ook echt worden uitgevoerd en
dat daar ook op wordt toegezien.
Mevrouw Vondeling stelde een beetje in het verlengde daarvan ...
De voorzitter:
Een momentje. Mevrouw Van der Plas heeft een interruptie. We hebben dezelfde regels
als net: 30 seconden.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja. Mijn vraag was vooral: krijgt Nederland er daadwerkelijk meer grip bij of leveren
we opnieuw nationale ruimte en soevereiniteit in zonder harde garanties? De Minister
vertelt een wat wollig verhaal, maar dit is een hele concrete vraag. Ik zou daar toch
een wat duidelijker antwoord op willen.
Minister Van den Brink:
We spreken met elkaar af dat een aantal zaken vanaf nu door Europa bepaald worden.
Dat geldt dus ook voor Nederland. Neem de asielgrensprocedure, als ik een voorbeeld
mag noemen. De lidstaten aan de buitengrenzen wordt verplicht gesteld om die procedure
in te richten. Dat is een procedure die we in Nederland al kennen. In die zin is er
op dat vlak geen overdracht van soevereiniteit. Er is wel overdracht van soevereiniteit
op het vlak van verplichtingen in de Procedureverordening en de Kwalificatieverordening.
Dat waren in het verleden richtlijnen, maar worden nu verordeningen. We verplichten
onszelf dus tot een aantal hele specifieke procedures, maar ik denk dat we er ook
een enorm verbeterde procedure aan de grens voor terugkrijgen, die Nederland nu al
kent. Het is dus een beetje een balanceerverhaal, zou ik zeggen, maar het is absoluut
een noodzakelijke verandering, wat dit kabinet betreft.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik vraag dit ook omdat Nederland natuurlijk een heel specifiek land is, met zijn bevolkingsdichtheid
en kleine oppervlakte. Misschien zijn er voor Nederland dus toch wat andere dingen
nodig om de asielinstroom verder te beperken dan bijvoorbeeld voor een heel groot
land, dat ook minder dichtbevolkt is. Zou de Minister daar ook nog wat over kunnen
zeggen? Misschien zit het al in de beantwoording, want ik had het gevraagd, maar dit
haakt hier wel op aan.
Minister Van den Brink:
Ja, zeker. Fijn dat u dit hier al noemt. Misschien mag ik dan straks een vraag overslaan
van de voorzitter. Verschillenden van u hebben vragen gesteld over de bevolkingsdichtheid.
Daar is natuurlijk door het vorige kabinet ook bij herhaling naar gevraagd, maar dan
moet je het binnen Europa met elkaar eens zien te worden. Dat is niet gelukt. Het
is echter wel degelijk een factor die meespeelt. Wij hebben een van de hoogste bevolkingsdichtheden
van Europa. Tegelijkertijd hebben wij weer niet de enorme overlast van asielmigratie,
om het zo maar even te zeggen, die de zuidelijke lidstaten hebben. Wij zullen ons
echter blijven inzetten, ook in Europa, op het mee laten wegen van de bevolkingsdichtheid.
Bij gelegenheden waar evaluaties of aanpassingen aan de orde zijn, zal het kabinet
dat blijven inbrengen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De Minister zegt: daar hebben we over gesproken, maar het is niet gelukt. Waarom is
dat niet gelukt?
Minister Van den Brink:
In mijn vijf weken als Minister ben ik nog niet in dat gesprek geraakt. Dat is in
die zin natuurlijk bij het vorige kabinet aan de orde geweest. Uiteindelijk is het,
denk ik, een weging geweest van allerlei factoren in Europa, maar het is tot op heden
niet gelukt. Ik zal me daarvoor blijven inzetten, ook vanuit mijn nieuwe rol.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dan zou ik het wel op prijs stellen als we daarover wat meer te horen krijgen. We
krijgen dagelijks natuurlijk honderden brieven en toelichtingen, maar ik zou er wel
graag even dieper in duiken. Dat mag ook in de tweede termijn.
Minister Van den Brink:
Ik kan daar nu gelijk antwoord op geven. Wij gaan dat gesprek vervolgen als we hier
in Europa weer over komen te spreken; dat komen we bij evaluaties over de voortgang
van het pact. Dat zullen momenten zijn waarbij ik dit ter sprake kan brengen. Bij
de terugkoppeling daarvan aan de Kamer zal ik verslag doen van hoe dat is verlopen.
De heer Boomsma (JA21):
Ik begrijp dat dat nu niet in de regels is opgenomen en dat er bij de verdeelsleutel
voor het solidariteitsmechanisme nu alleen naar de twee genoemde factoren wordt gekeken
en niet naar de bevolkingsdichtheid, maar dat staat toch niet in de weg aan het feit
dat het wel kán worden meegewogen, ook al staat het niet in de genoemde gronden? Europese
landen kunnen dat wel degelijk doen, zoals ze ook voor dit jaar bepaalde afwegingen
hebben gemaakt. Begrijp ik dat goed? Zo ja, is de Minister dan inderdaad bereid om
dat blijvend onder de aandacht te brengen?
Minister Van den Brink:
Ik kom straks nog op het hele solidariteitsmechanisme. Het klopt dat er op dit moment
ook politieke afspraken zijn die niet zozeer in het pact zitten, bijvoorbeeld over
hoe je omgaat met Dublin, de offsets daarvan, de financiële aftrek en wat je daarvoor
moet betalen. Er zijn dus ook politieke afspraken. Daaronder zou je ook een afspraak
zoals deze kunnen scharen, maar die heeft natuurlijk pas een materieel effect als
andere landen hem ook met ons willen maken. We kunnen daar dus op blijven doorvragen,
maar u heeft zeker gelijk dat dat niet per se hoeft te betekenen dat de wetgeving
hoeft te worden aangepast. Op die manier kunnen we dat gesprek dus blijven voeren.
De voorzitter:
U continueert.
Minister Van den Brink:
Ik kom bij een aantal losse vragen, die hier al bij zitten, over de asielketen. De
heer Van Asten vraagt, over de investeringen in de asielketen, waardoor mensen sneller
aan het werk en naar school mogen, hoe het zit met personen die niet uit landen met
een grote kans komen, en of we voor deze personen een oplossing kunnen bedenken. Wij
zijn voornemens dat kansarme asielzoekers zo snel mogelijk duidelijkheid krijgen over
hun perspectief in Nederland. Het pact schrijft voor dat deze groep een korte procedure
krijgt. We zien geen aanleiding om participatie door middel van werk en scholing te
stimuleren indien verblijf in Nederland niet aan de orde is. Als iemand uit de korte
procedure wegvalt omdat die proceduretijd overschreden wordt, valt diegene wel weer
in de reguliere procedure. Maar we zijn niet voornemens om mensen met kansarme asielaanvragen
ook de ruimte te geven om te gaan werken. We bieden natuurlijk wel ruimte voor de
kinderen, want je krijgt in Nederland gewoon de ruimte om onderwijs te volgen, ongeacht
in welke procedure je zit. Daarvoor volgen er ook verplichtingen uit de verordeningen
die vandaag voorliggen.
De heer Dassen (Volt):
De Minister heeft het een aantal keer over een korte procedure. Hoelang kan deze korte
procedure maximaal zijn?
Minister Van den Brink:
Het duizelt mij soms qua weken en maanden in deze nieuwe wet. De verkorte procedure
is drie maanden. De reguliere procedure is zes maanden. In de reguliere procedure
krijgen mensen dus na drie maanden de ruimte om te gaan werken. Dat voorstel is volgens
mij afgelopen vrijdag door mijn collega van SZW ter consultatie naar buiten gebracht.
De heer Dassen (Volt):
Wat gebeurt er op het moment dat we, net als nu, zien dat procedures vele malen langer
duren? Ik vraag dat juist voor de kansarme asielzoekers. Zij mogen dan niet de taal
leren en niet werken. Wat gebeurt er dan?
Minister Van den Brink:
Dat is natuurlijk een van de volgende discussies over het pact: de voorraden en hoe
dat verder bij de IND gaat. De inzet is er volledig op gericht om de pacttermijnen
te gaan halen. We gaan niet, vooruitlopend op het geval dat dit eventueel niet gaat
gebeuren, nu al uitzonderingen creëren. Dat is niet waar dit kabinet zich op richt.
Het kabinet richt zich er met de IND op om de termijnen van het pact volledig te gaan
halen en om dus niet in die situatie terecht te komen.
De heer Dassen (Volt):
Dat is natuurlijk een buitengewoon mooi streven. De realiteit laat, zeker ook met
de uitvoeringsproblematiek die op ons afkomt, volgens mij zien dat het nog maar de
vraag is of het kabinet dat gaat halen. Zou het juist niet mooi zijn als de mensen
die uiteindelijk teruggaan, de vaardigheden die ze op kunnen doen met werken, en het
inkomen dat ze ermee vergaren, mee terug kunnen nemen?
Minister Van den Brink:
Laat ik zeggen: theoretisch zie ik dat, maar tegelijkertijd zou het natuurlijk wel
degelijk ook een effect hebben als er in Nederland voor iedereen werk zou mogen zijn,
ongeacht in welke procedure je zit. Dit kabinet vindt dat geen goed idee.
De voorzitter:
Gaat u verder. Nee, eerst meneer Van Asten, zie ik vanuit mijn ooghoek.
De heer Van Asten (D66):
Dank. Ik had ook nog een vraag over vluchtelingen die komen uit landen met een inwilligingspercentage
van lager dan 20%. Zij kunnen natuurlijk op individuele gronden best een heel goede
kans maken om hier wel te mogen blijven. Die groep blijft dus ook buiten de mogelijkheid
om versneld aan het werk te gaan of de taal te leren. Klopt dat, of is er nog een
mogelijkheid om die juist wel die kans te gunnen?
Minister Van den Brink:
Laten we het zo zeggen: als iemand eerst is gescreend op een afkomst uit een land
met een laag inwilligingspercentage, dan komt die in die procedure. Als in die procedure
persoonlijke omstandigheden naar voren komen waarvan de IND zegt dat diegene wel degelijk
een inwilliging krijgt, dan gebeurt dat binnen drie maanden; dat is dan binnen drie
maanden ingewilligd. Als het ingewilligd is, is diegene statushouder en kan hij gaan
werken, of hij komt vanuit die procedure in de reguliere procedure terecht, en dan
kan hij ook na drie maanden werken. Er zijn dus meerdere routes om dat te ondervangen.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Minister Van den Brink:
Dan heb ik hier een vraag van mevrouw Straatman over de schorsende werking en het
recht op opvang. Ik denk dat dit later ook nog terugkomt, maar ik ga toch maar even
door, want anders gaat het in mijn beantwoording een beetje een rotzooi worden. De
Procedureverordening bepaalt inderdaad dat beroep in een aantal situaties geen automatisch
schorsende werking zal hebben. In deze situaties volgt alleen dat een asielzoeker
in afwachting van de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorzieningen niet mag
worden uitgezet. Niet mogen uitzetten betekent echter niet dat er geen recht is op
opvang. Momenteel leidt het enkel indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening
al tot voortduring van het recht op opvang. Voor de rechtspraak is er dan ook geen
spoedeisend belang bij het eerder doen van een uitspraak over een verzoek om voorlopige
voorzieningen. Dat zou anders zijn wanneer de asielzoeker het recht op opvang verliest.
Dat zou consequenties hebben voor de rechtspraak, maar ook voor de IND en het COA.
Uit onze nationale regelgeving volgt al, aanvullend op de Asielprocedureverordening,
dat het recht op opvang niet eindigt wanneer een vreemdeling niet mag worden uitgezet.
Over de te maken keuzes hierin en de consequenties daarvan wordt momenteel met relevante
ketenpartijen het gesprek gevoerd. Ik zal hier schriftelijk bij uw Kamer op terugkomen
als we uitsluitsel hebben over hoe dat er in de praktijk komt uit te zien.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dat zou, denk ik, veel van de druk op de rechtspraak al wegnemen. Ik las in het IND-rapport
wel dat voor de Dublinclaimanten het recht op opvang wegvalt en dat de IND daarom
verwacht dat er veel spoedverzoeken zullen komen. Klopt dat?
Minister Van den Brink:
Wat ik daarvan heb begrepen – die vraag heb ik namelijk ook gesteld – is het volgende.
Omdat de termijnen in de Dublinroute al zo kort zijn, wordt op die manier geborgd
dat ze worden nageleefd. Als we dat niet zouden mogen doen, zouden we ook daar weer
in de termijnen ... Als je je niet aan de termijnen houdt, kom je weer in een andere
procedure. Dat zijn dus de redenen die daarachter weg zijn gekomen.
Een van de vragen van de heer Boomsma ging over de gevoelige informatie uit de landenberichten,
die niet openbaar worden. Dat is een bekend onderwerp. Daar ben ik in het verleden
zelf ook weleens mee bezig geweest. Dat betreft de uitvoering van uitspraken die hierover
zijn gedaan. Mijn ambtsvoorganger heeft u hierover in september 2025 geïnformeerd.
De praktische uitwerking van de rechterlijke uitspraken en de diverse Woo-verzoeken
leidden tot de conclusie dat ambtsberichten vanaf dat moment weer openbaar moesten
worden.
U had ook gevraagd naar de procedure. De bijstand wordt vervangen door counseling.
Hoe ziet de Minister het risico dat asielzoekers al voor de aanvraag juridisch advies
gaan aanvragen? Zoals door u al is aangehaald, wordt onder het nieuwe stelsel pas
vanaf het moment dat de correcties en aanvullingen op het gehoor over de asielmotieven
zijn gedaan, voorzien in kosteloze rechtsbijstand door een advocaat. Een asielzoeker
mag altijd op eigen kosten een asieladvocaat inschakelen, maar deze kosten zullen
dan niet door de Nederlandse Staat worden vergoed. Het is een eigen keuze.
De heer Dassen vroeg om een antwoord op de vraag of alleenstaande kinderen niet in
een versnelde procedure kunnen komen. De Asielprocedureverordening bewaakt in meerdere
bepalingen de procedurewaarborgen die voor alleenstaande minderjarigen gelden. De
eisen die worden gesteld aan de behandeling van een versnelde en niet-versnelde procedure
zijn hetzelfde. Alleen de voorgeschreven behandelduur is anders. In allebei de procedures
moet altijd rekening worden gehouden met een eventuele behoefte aan bijzondere procedurewaarborgen.
De verordening schrijft ook voor dat afdoening in de versnelde procedure bij niet-begeleide
minderjarigen slechts in een strikt omschreven aantal gevallen is toegestaan. Dat
zal dan ook op individuele basis worden nagegaan. Het is dus geen vanzelfsprekendheid
dat kinderen in de versnelde procedure komen.
Daarnaast had de heer Dassen de volgende vraag. Mensen willen graag een onderdeel
worden van de maatschappij. Dat ging over de vergunning voor onbepaalde tijd. Die
vraag leg ik even opzij. Daar kom ik straks nog op terug als ik kom te spreken over
de vergunning voor onbepaalde tijd.
Er waren ook nog een aantal vragen over de terugkeerhubs. Die zitten ook niet in dit
stapeltje, dus die hoef ik nu ook nog niet te behandelen.
De voorzitter:
Wel onthouden, hè?
Minister Van den Brink:
Ja, dat komt straks wel terug, en anders herhalen de leden hun vragen wel.
De voorzitter:
Ik probeer dus te voorkomen dat vragen herhaald moeten worden, maar goed. Gaat u verder.
Minister Van den Brink:
Ik ga verder met een vraag van mevrouw Lammers, over een andere keuze die nodig zou
zijn voor asielaanvragen buiten de EU. Zij vroeg in hoeverre dat al in dit pact zit.
Meer grip op migratie was gedurende eerdere kabinetsperiodes al een wens die breed
gedeeld werd, in de Tweede Kamer en in de samenleving. Ook dit kabinet heeft de onontkoombare
conclusie getrokken dat uiteindelijk ook het internationale vluchtelingenrecht aan
modernisering toe is. Het EU-Migratiepact is daarom juist een belangrijke stap om
meer grip te krijgen op wie er naar Nederland komt. De buitengrenzen van de Europese
Unie worden namelijk verstevigd. Daarvoor introduceert het pact onder andere de asielgrensprocedure
en de screening, waardoor de asielzoeker alleen aan de buitengrens een asielverzoek
kan indienen. Tegelijkertijd zullen we blijven werken aan en blijven spreken over
een herziening van het vluchtelingenrecht op de langere termijn. Daar zullen we andere
landen natuurlijk in mee moeten krijgen. Zoals we nu met 27 landen deze afspraak hebben
gemaakt, zullen we dat met nog veel meer landen moeten zien te bereiken als we dat
buiten de EU zouden moeten regelen.
U vraagt waarom wij toch positief zijn over het pact. Het Europese stelsel dat we
nu hebben, werkt ook niet voldoende. Dat hebben meerdere leden ook uiteengezet. Het
hoge aantal ongeregistreerde asielzoekers dat van Europese aankomstlanden naar de
bestemmingslanden komt, waaronder Nederland, en het niet-functioneren van het Dublinstelsel
zijn daar voorbeelden van. Het nieuwe pact zorgt voor een duidelijke verbetering op
deze punten, met een betere registratie aan de buitengrenzen en het toepassen van
de nieuwe regels, inclusief Dublin, waaraan ook landen als Italië en Griekenland zich
hebben gecommitteerd. Maar nieuwe afspraken werken natuurlijk alleen als die in de
praktijk ook goed worden toegepast. Daar ligt in eerste instantie een rol voor de
Europese Commissie.
Meerdere partijen hebben ook gevraagd wie erop toeziet en hoe dat eruitziet. Dat is
dus de Europese Commissie, die nauw toeziet op de implementatie. Er is ook een taak
voor het Europese Asielagentschap, dat een nieuwe monitorende rol heeft gekregen.
Lidstaten kunnen ondersteuning krijgen van dit agentschap, maar moeten ook de aanbevelingen
oppakken die uit de monitoring volgen. Als dat niet gebeurt, kan de Europese Commissie
ingrijpen, waar nodig door delen van de procedure te laten overnemen. Zoals eerder
genoemd, is het geen aanspraak kunnen doen op solidariteit door een lidstaat die de
Dublinafspraken niet nakomt, een van de redenen. Daarom zit er ook een stimulans in
om dat uit te voeren. Zoals ik eerder zei, is het een Europees probleem, dus zullen
we het ook met elkaar in Europa moeten oplossen. We denken kort na de introductie
van het Asiel- en migratiepact in juli, in oktober de eerste rapportages te krijgen
vanuit de Europese Commissie, die uitspraken gaan doen over hoe het functioneert.
Dan kan ik u meer vertellen over wat het in andere landen betekent. Dat was mijn eerste
blok.
Ik ga over naar het tweede blok, over bewaring en de grensprocedure. Daar zijn veel
vragen over gesteld. Ik denk dat het eerlijk is om te zeggen dat ik goed begrijp dat
daar, na antwoorden die daarover gegeven waren, vragen over zijn. Het eerlijke antwoord
daarop is weer dat ik nog maar net vijf weken Minister ben. Vorige week heb ik alle
gesprekken hierover gevoerd. In die zin kwam richting de behandeling de vraag aan
mij als Minister: «Hoe wilt u hiermee omgaan? Er liggen een aantal keuzes voor.» Die
keuzes zijn er omdat Nederland al meerdere jaren een asielgrensprocedure kent. Die
functioneert goed. De asielgrensprocedure ziet op asielverzoeken die aan de buitengrens
worden ingediend. Met andere woorden: het gaat om asielzoekers die nog niet op het
grondgebied van een van de lidstaten zijn geweest. In de Nederlandse situatie gaat
het dus om asielzoekers die hun asielverzoek indienen op Schiphol of in de haven van
Rotterdam. De essentie van de asielgrensprocedure is dus dat niet slechts onderzoek
wordt gedaan naar de inwilligbaarheid van het asielverzoek, maar ook naar het recht
van de verzoeker om het grondgebied van de EU te mogen betreden. De maximale termijn
voor de asielgrensprocedure wordt onder het pact twaalf weken. Dat geldt ook voor
gezinnen met minderjarige kinderen. De termijn waarin zij kunnen worden uitgezet,
is in beginsel twee weken.
In de Nederlandse situatie is de asielgrensprocedure altijd gekoppeld geweest aan
grensbewaring. Dat is ook het geval omdat er geen effectieve alternatieven zijn. Als
er een lichtere maatregel dan grensbewaring zou worden opgelegd, zoals een vrijheidsbeperkende
maatregel of een meldplicht, zou dat immers tot gevolg kunnen hebben dat de asielzoeker
tijdens de behandeling van zijn asielverzoek alsnog het grondgebied betreedt en zichzelf
daardoor toegang tot Nederland en daarmee de hele Europese Unie verschaft. Zoals gezegd
kennen wij dus al sinds vele jaren een goed functionerende asielgrensprocedure. Die
bestaande grensprocedure wordt niet toegepast op gezinnen met minderjarige kinderen,
tenzij er twijfels zijn over een gezinsband, er indicaties zijn van mensenhandel of
er sprake is van gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid. In die uitzonderlijke
situaties wordt grensbewaring opgelegd in de gesloten gezinsvoorziening in Zeist,
een locatie die is ingericht op een kort verblijf en zo is ingericht dat het gevoel
van detentie minimaal is. Asielverzoeken van gezinnen met minderjarige kinderen waarbij
er geen twijfel is aan de gezinsband en er geen indicaties zijn van mensenhandel of
nationale openbareveiligheidsaspecten, zullen we ook in het huidige beleid dus niet
in de grensprocedure in detentie gaan behandelen. Aan hen wordt toegang tot Nederland
verleend, waarna zij kunnen doorgaan naar Ter Apel, waar hun asielverzoek wordt behandeld.
Bij de implementatie van het pact is goed gekeken wat de nieuwe regelgeving betekent
voor de praktijk. Aan de ene kant hebben we de Asielprocedureverordening, die dat
wel oplegt, want die verplicht om de grensprocedure toe te passen. Aan de andere kant
hebben we de herziene Opvangrichtlijn, waarin artikel 13, dat door velen van u is
genoemd, stelt dat minderjarigen in de regel niet een vrijheidsontnemende maatregel
mag worden opgelegd, maar dat dit in uitzonderlijke gevallen wel mogelijk is. De spanning
tussen die bepalingen komt ook doordat er in Europa voor de herziene Opvangrichtlijn
al een voorlopig politiek akkoord lag en de grensprocedureverordening pas veel later
tot stand is gekomen. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State, dat de
heer Dassen in zijn citaat over de Raad van State ook noemde, is het wetsvoorstel
op dit punt aangepast. De huidige wet gaat volledig een-op-een uit van de Opvangrichtlijn
zoals die voor minderjarigen geldt. We kiezen er nu dus ook voor om ons huidige beleid
voort te zetten, ook met het oog op de stabiliteit en de uitvoering. Daarbij zal nauwlettend
in de gaten worden gehouden of er aan de grens ontwikkelingen zijn wat betreft de
instroom van gezinnen met minderjarige kinderen, hoe dat ook in andere Europese landen
verloopt en welke jurisprudentie daarover tot stand komt, om dat ook te kunnen betrekken
bij de toepassing van dit onderdeel van de verordening.
De voorzitter:
Dat wilde ik ook zeggen. Het ging nu over kinderen en bewaring.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij lopen er een paar begrippen door elkaar. Er moeten grensprocedures plaatsvinden,
maar daarbij hoeft het niet per definitie om grensdetentie te gaan. Volgens mij is
er daarbij sprake van een verwarring: in de Nederlandse context wordt het vertaald
als grensdetentie en daarbij wordt gezegd dat die mogelijkheid uitdrukkelijk onderdeel
van deze implementatie is. Mijn vraag aan de Minister is: dat hoeft toch niet grensdetentie
te zijn? Is hij het dan ook met me eens dat we dat gewoon uit de wet zouden moeten
halen?
Minister Van den Brink:
De bedoeling van de grensprocedure was volgens mij, als ik breder kijk dan de betrokkenheid
van kinderen, dat als er mensen aan de grens komen, je de fictie van non-entry wilde
creëren. Dat was de hele discussie in Europa: zodra je als vluchteling, zoals door
anderen ook al is gezegd, voet op Europese bodem zet en het woord «asiel» gebruikt,
kom je in de hele procedure terecht die daarvoor geldt. Daarvoor is deze procedure
ontwikkeld. Je stelt dus eerst vast of iemand überhaupt de toegang tot Europa zou
moeten krijgen. Dat is afhankelijk van een aantal criteria. Als je binnen die criteria
valt, moet je dus in die grensprocedure blijven. Aan die grensprocedure is verbonden
dat die voor die groep mensen in detentie moet plaatsvinden. Daar zijn dan weer uitzonderingen
op, namelijk ten aanzien van minderjarigen. Die uitzonderingen, zoals wij die nu in
onze huidige grensprocedure kennen, zullen wij dus ook toepassen. Wij zullen minderjarige
kinderen die hier met hun ouders aankomen dus gewoon naar Ter Apel laten gaan.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Maar dan kan de Minister dat toch in de wet wijzigen? Hij gaf zelf in zijn inleiding
aan dat het even wat langer duurde voordat hij met antwoorden kwam. Kennelijk hangt
het ervan af welke Minister hier zit en welk beleid de Minister wil hanteren. Als
hij zegt dat het beleid is dat we ervoor willen zorgen dat kinderen gewoon kunnen
doorgaan en niet in detentie worden geplaatst, kan hij dat toch net zo goed gewoon
in de wet vastleggen, zoals trouwens ook in heel veel andere landen gebeurt?
Minister Van den Brink:
Daarom is het zo goed – mevrouw Straatman haalde dat ook al aan – dat de Opvangrichtlijn
een-op-een in de Nederlandse wetgeving is verankerd. Als ik die zou wijzigen, dan
zou ik de verordening niet meer toepassen zoals die bedoeld is. Dan zou ik daarin
de Opvangrichtlijn ook wijzigen. Het kabinet is er niet van overtuigd dat dat noodzakelijk
is, ook omdat het huidige grensbeleid van Nederland goed werkt. Dat is ook in jurisprudentie
en uitspraken van de Raad van State als voldoende beschouwd. Ook de locatie in Zeist
– dat is door anderen al aangehaald – is, gezien de omstandigheden waarin detentie
plaats zou moeten vinden, een geschikte locatie.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik had ook nog een heel aantal andere vragen gesteld, zoals welke alternatieven er
onderzocht zijn. Ik heb ook gevraagd of de Minister het rapport uit 2014 heeft gelezen:
Papa, hebben we iets ergs gedaan? Gaat de Minister daar nog op antwoorden, of niet?
Minister Van den Brink:
Ik kom zeker nog wel op heel veel andere vragen die u heeft gesteld, maar ik kan u
al wel vertellen dat ik tijdens het debat ben gaan googelen op het boek dat u noemde.
Ik heb het in de tussentijd nog niet gelezen, maar ik ben er wel benieuwd naar. Als
boeken je namelijk een goed inzicht verschaffen over hoe iets zit, dan ben ik altijd
benieuwd.
U had ook nog een losse vraag over hoe het zit met de afwijzing van de bewaring van
gezinnen. Dat gaat om twee weken. Voor de grensprocedure is het alternatief dat de
bewaring in Ter Apel plaatsvindt. Voor mensen die dienen te vertrekken – dat is niet
zozeer een onderdeel van dit wetsvoorstel, maar dat is wel de staande praktijk – is
er sprake van dat er af en toe gezinnen met kinderen in Zeist in detentie worden gehouden,
net voordat zij de terugkeerprocedure afronden. Daarvan vindt het kabinet dat dat
een goede maatregel is op het moment dat daarvoor een noodzaak bestaat. Er is altijd
een individuele toetsing en er wordt niet licht toe overgegaan.
Dan vroeg de heer Van Asten over ...
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik stelde ook uitdrukkelijk de vraag hoe zich dit verhoudt tot het Internationaal
Verdrag inzake de rechten van het kind. Daarin staat dat altijd het belang van het
kind voorop moet staan. Ook in het schriftelijk overleg hebben we daarnaar gevraagd.
Toen werd als antwoord gegeven dat de regering ook vindt dat dit alleen maar mag gebeuren
als het belang van het kind vooropstaat. Mijn reactie daarop was nu – mijn vraag ging
daar ook over – dat detentie nooit in het belang is van kinderen en dat onderzoeken
in Nederland naar hoeveel kinderen we in de gesloten jeugdzorg plaatsen, dat laten
zien, evenals het rapport waar ik net al op wees. Wat is dan het belang van het kind
en hoe verhoudt dit zich tot het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het
kind? Sorry, voorzitter, dit was langer dan 30 seconden.
Minister Van den Brink:
Laat ik het zo zeggen: de toetsing van het Europees recht is altijd aan het internationaal
recht, dus daarmee ook aan andere internationale verdragen. In die zin kan dat niet
strijdig zijn. Het Unierecht van Europa is daarmee voor Nederland leidend. Wij passen
dat hier ook toe. Het Kinderrechtenverdrag wordt door Nederland betrokken in de voorbereiding
van wetgeving. Ook daarin wordt dat dus betrokken. De situatie in Zeist is door de
Raad van State beoordeeld als voldoende. In die zin is er geen reden om daarvan af
te wijken. Ik begrijp uw vergelijkingen, maar ik denk dat deze situatie echt anders
is dan die bij de gesloten jeugdzorg, alhoewel u daar veel meer kennis over bezit
dan ik.
De heer Van Asten vroeg mij naar de waarborg van kinderrechten tijdens de screening
en hoe die eruitziet. Bij de implementatie van het pact en de screeningsverordening
is het belang van het kind een essentiële overweging. Artikel 13 van de screeningsverordening
bevat ten aanzien van de waarborg bepalingen die gelden voor minderjarigen tijdens
de screening. De screeningsautoriteiten zullen hier onder meer in de bejegening en
communicatie rekening mee houden en dit op een kindvriendelijke en leeftijdsgeschikte
wijze uitvoeren. Voor zover iemand als minderjarige hier alleen is, zal een vertegenwoordiger
van Nidos aangewezen worden die beschikt over de nodige vaardigheden en deskundigheid
om in het belang en welzijn van de minderjarige op te treden.
Mevrouw Straatman vroeg wat er gebeurt als een asielzoeker die hier niet mag blijven,
geen uitzicht heeft op terugkeer en de grensdetentie eindigt. We hebben al de grensprocedure.
De ervaring leert dat ten aanzien van de meeste personen van wie het asielverzoek
in de grensprocedure is afgewezen, het vertrek kan worden gerealiseerd vanuit die
grensdetentie. Daar zijn op dit moment hele goede ervaringen mee.
Mevrouw Lammers vraagt hoe het zit met doorreis door Europa van alleenstaande minderjarige
asielzoekers. De regels van het pact zijn de uitkomst van een lang en complex onderhandelingsproces,
zoals ik al eerder zei. De alleenstaande minderjarige is inderdaad uitgesloten van
de grensprocedure, tenzij hij een gevaar is voor de nationale veiligheid. Bij een
doorreis naar een andere lidstaat kan hij onder de Dublinregels wel worden teruggeleid
naar de lidstaat van binnenkomst. Het is dus niet zo dat daarmee alle doorreizende
amv’s de verantwoordelijkheid van Nederland zijn. Dan gelden gewoon de Dublinregels.
Mevrouw Van der Plas vraagt: moet de bewaring eindigen als niet binnen de maximale
termijn gedwongen terugkeer kan plaatsvinden? De maximale termijn die geldt voor bewaring
en het kunnen weigeren van mensen aan de buitengrens zijn twee verschillende dingen.
Dat geldt ook voor de bewaring in de asielgrensprocedure, die maximaal twaalf weken
mag duren. Pas als de asielprocedure niet binnen die twaalf weken kan worden afgerond,
moet toegang worden verleend. Een harde garantie dat mensen die daaruit vallen, niet
kunnen doorreizen, kun je dus niet geven, maar alles op alles gezet is twaalf weken
op zich best een termijn voor detentie om mensen in terugkeer te brengen.
De heer Van Dijk vroeg naar de Terugkeerverordening en of we ons daarvoor blijven
inzetten. Ja, daar zetten wij ons voor in. De Terugkeerverordening is cruciaal voor
een simpeler en effectiever terugkeerbeleid. Wij blijven dan ook oproepen tot het
bereiken van een snel en stevig resultaat in de triloog. Daar blijven we ons actief
voor inzetten, met name vanwege de terugkeerhub waar u naar vraagt. We werken samen
met Duitsland, Denemarken, Griekenland en Oostenrijk. Ik heb u onlangs in de JBZ-Raad
geïnformeerd over mijn laatste gesprek. Als ik voor woensdag klaar ben met dit debat,
ben ik van plan om naar Duitsland af te reizen om met mijn collega aldaar hier verder
over te spreken.
De heer Dassen vroeg ook of de terugkeerhub niet ten koste zal gaan van mensenrechten.
Het langetermijndoel van het kabinet is dat de asielprocedures niet meer in Europa
hoeven plaats te vinden. Daarom is de innovatieve oplossing die in de Terugkeerverordening
wordt geboden iets wat wij toejuichen. Maar vanzelfsprekend moeten zulke oplossingen
altijd binnen de grenzen van het nationaal, het Europese en het internationaal recht
vallen. We zullen dan ook toezien op de waarborgen van de rechten van de migranten
bij de uitwerking en de operationalisering. Het mooie is – dat is volgens mij anders
dan in de afgelopen jaren – dat bij de ontwikkeling hiervan ook internationale organisaties
zoals de UNHCR en de IOM betrokken zijn. Ik denk dat dit ook waarborgen geeft.
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Ik had toch nog een vraag over het antwoord op mijn vraag. Maar ik weet niet of het
handiger is om eerst even het blokje af te maken.
De voorzitter:
Stelt u de vraag nu maar. Dan kan de Minister die vraag uit het blokje halen.
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
De Minister zegt dat voor de amv’s, de niet begeleide minderjarigen, gewoon de Dublinregels
gelden. Maar die Dublinregels gelden nu ook voor heel veel mensen en dat werkt gewoon
niet. Waarom zou dat dan straks wel gaan werken? Het gaat mij er vooral om dat die
amv’s vanuit de herkomstlanden vooruit worden gestuurd. Dat is het probleem. Het lijkt
dat dit onder het pact wel gebeurt.
De voorzitter:
38 seconden. De VAR is gewoon even ...
Minister Van den Brink:
Ik begrijp de vraag heel goed. Ik denk dat dit ook de zoektocht van meerdere partijen
is hoe we dit kunnen voorkomen. Die mensonterende situaties op zee, met minderjarige
kinderen die daartoe aangezet worden, wens je echt helemaal niemand toe. We moeten
toe naar een systeem dat dit onmogelijk maakt, dan wel ontmoedigt. Ik denk dat dit
systeem het op zijn best ontmoedigt, maar nog niet onmogelijk maakt. Voor dat onmogelijk
maken zijn volgende stappen nodig.
Die volgende stappen zitten overigens ook in de Terugkeerverordening, omdat daarin
het bandencriterium is aangepast. Daardoor heb je, ook als je door landen heen bent
gereisd die als veilig waren te beschouwen, mogelijk geen recht op asiel in Europa.
Dat geldt natuurlijk ook de voor de groep die mogelijk uit dat soort landen komt.
Richting de toekomst zijn daar dus mogelijkheden voor, maar op dit moment kunnen we
niet alle situaties uitsluiten. Tegelijkertijd zeg ik: laten we wel hopen dat Dublin
gewoon weer gaat functioneren. Ik snap dat u daar op basis van uw ervaringen in het
verleden misschien niet de meeste overtuiging vandaan haalt, maar dit is wel een nieuwe
start.
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Dat is niet alleen op basis van het verleden, maar ook op basis van wat experts zeggen.
Die zeggen: de Dublinverordening gaat nu ook niet werken. Die amv’s kunnen dus gewoon
weer los door Europa reizen. Ik zie niet in hoe de Dublinverordening dat nu opeens
gaat verhelpen.
Minister Van den Brink:
De afspraak is dat we op die manier mensen die al eerder een verzoek hebben gedaan
in een andere lidstaat, gewoon terugsturen naar dat land. Daarvoor hebben we een hele
procedure ingericht, met een versnelde procedure ten opzichte van de huidige procedure.
Ik denk dat die in de toekomst in ieder geval door Nederland wel degelijk actief zal
worden ingezet.
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Ik heb daar een hard hoofd in. Ik heb zelf ook bij de IND gewerkt. Daar heb ik gezien
dat mensen soms acht keer terugkomen en acht keer weer moeten worden uitgezet. Ik
zie dus niet in wat dit gaat oplossen.
Minister Van den Brink:
Laten we dan hopen dat uw ervaringen uit het verleden bij de IND ook tot het verleden
gaan behoren als we dit pact hebben ingevoerd in de komende tijd. Tegelijkertijd doe
ik daarbij de waarschuwing dat we nog wel even bezig zijn om dat allemaal te realiseren.
Maar de afspraken die nu gemaakt zijn, zijn in ieder geval beter dan ze in het verleden
waren.
De voorzitter:
Sorry, meneer Dassen. Ik keek even of mevrouw Lammers nog iets ging zeggen. Gaat uw
gang, meneer Dassen.
De heer Dassen (Volt):
Toch nog even terug naar de kinderdetentie. Ik probeer de woorden van de Minister
een beetje op me te laten inwerken. Hij geeft aan: dat gaat bijna nooit gebeuren.
Maar mijn vraag blijft toch hangen wanneer het wel proportioneel is om dat te doen.
Is daar een voorbeeld van?
De voorzitter:
Laten we dat doen, maar de Minister komt ook nog bij de amendementen die hierover
gaan. We kunnen het altijd daarna nog even doen, want ik vond dat de vaart er goed
in zat.
Minister Van den Brink:
Mooi, dank u wel. De situaties waarin dat van toepassing is, zijn: als er twijfels
zijn over de gezinsband, als er indicaties van mensenhandel zijn of vanwege de openbare
orde of de nationale veiligheid. Dat zijn de drie categorieën.
De heer Dassen (Volt):
Wat is bij die eerste twee categorieën de reden om een kind in detentie te zetten?
Ik begrijp ’m nog steeds niet, om eerlijk te zijn. Ga je dan een kind in detentie
zetten omdat het mogelijk slachtoffer is van mensenhandel?
Minister Van den Brink:
Ik moet u eerlijk zeggen dat ik in de vijf weken dat ik hier zit deze casuïstiek gelukkig
nog niet op mijn bureau heb gehad. Laat ik het zo zeggen: er zijn experts bij betrokken
die dit in het verleden, de afgelopen elf of twaalf jaar, al hebben gedaan. De situatie
die wij kennen in Zeist, bestaat namelijk vanaf 2014. Ik heb dus de overtuiging dat
dat op een zorgvuldige manier gebeurt. Die wijze is getoetst door de Raad van State
en is juridisch akkoord bevonden. Ik heb daarover dus geen twijfels. Ik heb alleen
geen casuïstiek die ik u nu zo kan voorleggen die daar een antwoord op geeft.
De heer Dassen (Volt):
Ik vind het problematisch dat de Minister daar geen goed antwoord op kan geven. Ik
heb namelijk niet de vijf weken gehad die de Minister heeft gehad voor deze wetsbehandeling.
Ik heb niet met al die mensen kunnen spreken. Het is wel lastig als ik geen antwoord
krijg op deze vraag, die volgens mij vrij fundamenteel is in deze wetsbehandeling.
Ik vind dat dus wel problematisch.
Minister Van den Brink:
Laat ik zeggen: ik heb u net de juridische ruimte voor de detentie geschetst. Dat
zijn de drie criteria die daarvoor gelden. Die kennen wij al in de huidige grensprocedure.
Die zijn dus niet nieuw. Daarmee is dat de feitelijke situatie.
De heer Boomsma vroeg hoever de andere landen op dit moment zijn. Hij vroeg ook naar
de registratie. De Europese Commissie monitort dat. In de aankomende week publiceert
de Europese Commissie een nieuwe voortgangsrapportage. Op basis daarvan kan ik u verder
informeren over de stand van zaken en over de vraag hoe dat op dit moment in die landen
wordt toegepast.
Dan de screeningsprocedure. Hoe wordt er gecheckt als ze in het land van aankomst
nog niet goed geregistreerd zijn, vraagt de heer Boomsma. De verplichte screeningsprocedure
omvat onder andere meer identificatie, de afname van biometrische gegevens, de Eurodacregistratie
en consultatie van de veiligheidsdatabases. Dat systeem zal voor lidstaten de primaire
manier zijn om kunnen concluderen of een derdelander die onder de reikwijdte van de
screeningsverordening valt, al is gescreend in een andere lidstaat. In de situatie
dat iemand niet in Eurodac geregistreerd staat maar wel aan een screening moet worden
onderworpen, zal de screeningsautoriteit de screening in Nederland uitvoeren. We zullen
zo mogelijk onderzoeken uit welk land die persoon is gekomen, omdat je in Europa met
elkaar moet willen weten hoe dat is gegaan en hoe vaak dat voorkomt.
De voorzitter:
Mevrouw Vondeling. Ik vond u al zo stil.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Ja, hè? Dit is waarschijnlijk vooruitlopen op de vragen die ik heb gesteld over het
uitlezen van gegevensdragers. U heeft het namelijk over «onderzoek doen». Daarbij
is het natuurlijk heel belangrijk dat er een telefoon kan worden uitgelezen. Mijn
vraag is: hoe staat het daarmee? Is daar een wetswijziging voor nodig? Wanneer komt
die naar de Kamer?
Minister Van den Brink:
Ook dat antwoord heb ik langs zien komen, maar ik ga het nu alvast even uit mijn hoofd
doen. Dat wetsvoorstel is in de maak. De consultatie start in Q2 van dit jaar. Dat
is dus bijna, want het is bijna april. Als het wetsvoorstel in consulatie gaat, zal
ik u daarover informeren. Het vergt een wetswijziging. Dat is de reden dat daar nu
nog niet in wordt voorzien in de screeningsomgeving waar de IND mee gaat werken.
Mevrouw Vondeling (PVV):
U zegt: dat is bijna. Maar ik denk dat het toch nog heel lang duurt totdat zo’n wetsvoorstel
uiteindelijk door de Eerste en Tweede Kamer is gegaan. Dit is natuurlijk wel heel
belangrijk, juist om de reisroutes en de identiteit te achterhalen, ook voor de veiligheid.
Ik ga dus wel een motie indienen om dat te versnellen.
Minister Van den Brink:
Aanmoedigingen kan ik in die zin altijd gebruiken. Tegelijkertijd gaat het hier om
een advies dat we van de Autoriteit Persoonsgegevens moeten ontvangen, want dit vraagt
om de verwerking van gegevens. Dat is een extra zorgvuldigheidscheck in de route;
vandaar dat daar ook tijd voor nodig is.
De voorzitter:
Ik vermoedde al dat dit een vraag zou oproepen. Even kijken. Ik zag eerst meneer Van
Dijk en daarna meneer Boomsma.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Het is een wat flauwe vraag, maar dat die juridische grondslag ervoor ontbreekt, weten
we al sinds begin vorig jaar. Dan is toch wel de heel eenvoudige vraag: waarom heeft
dit in vredesnaam zo lang geduurd? En ik weet dat deze Minister nog maar vijf weken
aan de gang is.
De voorzitter:
Dus dat mag de Minister niet meer herhalen. De Minister.
Minister Van den Brink:
Dat ga ik ook niet doen. Ik weet gewoon dat eraan gewerkt wordt en dat die nu bijna
in consultatie gaat. Dat zal afstemming hebben gevergd in de afgelopen periode, naast
wat er nog aan uitvoering lag.
De heer Boomsma (JA21):
Ik zat al dagenlang een amendement hierop voor te bereiden. Gaat het in de wetsvoorbereiding
dan om een algemene bevoegdheid om gegevensdragers uit te lezen, in alle gevallen?
Ik heb me verdiept in de jurisprudentie en de gevolgen van die uitspraak. Er moet
dus een onderbouwing plaatsvinden. Zou je niet nu al eerder een wettelijke grondslag
kunnen opnemen die in ieder geval voorziet in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld als
er duidelijke aanwijzingen zijn voor fraude of om te kunnen controleren of er sprake
is van smokkelaarsroutes en dergelijke? Dan doe je het dus nog niet in generieke zin.
Ik snap dat dat meer werk zou vergen. Maar dan doe je het wel voor deze specifieke
gevallen, zodat je daar dan per 12 juni, als dat lukt, mee kunt beginnen.
Minister Van den Brink:
Dat laatste, 12 juni, zou ik u niet kunnen toezeggen. Het gaat om het verwerken van
gegevens. De laatste keer dat ik over biometrie sprak, heb ik gemerkt hoe gecompliceerd
dat is en hoeveel partijen daarvoor nodig zijn om dat goed afgestemd te krijgen, waaronder
de Autoriteit Persoonsgegevens. We zijn dat op dit moment aan het doorlopen, maar
de consultatie is in Q2.
De voorzitter:
Vinden de collega’s het goed als ik een vraag stel? Ik vond de vraag van mevrouw Vondeling
wel terecht. Ik beluister bij de Minister dat hij dit belangrijk vindt. Hij zegt dat
die wet er komt. Het is vrij technisch. Maar ik hoorde de Minister ook zeggen dat
de screeningsomgeving hier nu niet op ingericht gaat worden. Het is toch jammer om
dat niet te doen?
Minister Van den Brink:
O, sorry, voordat u dat verkeerd begrijpt: ik bedoel vooral dat de IND het ook kan
uitvoeren als de grondslag er is. Dat zei ik, maar dan moet die grondslag er eerst
zijn.
Even kijken. De heer Boomsma vraagt: wordt er in de beroepsprocedure op screening
ook gekeken naar de kans van slagen? De uitkomst van de screeningschecks worden feitelijk
samengevat in een screeningsformulier. De screeningsautoriteit zal de vreemdeling
de gelegenheid geven om aan te geven of de informatie op het screeningsformulier juist
of onjuist is. Na afronding van de screening wordt de vreemdeling doorverwezen naar
de passende vervolgprocedure. Dat kan dus een asiel- of een terugkeerprocedure zijn.
De kans van slagen van asielverzoeken is dus pas in de vervolgprocedure aan de orde
en wordt niet bekeken bij een eventueel beroep op screening. Bij een beroep op screening
vanwege bijvoorbeeld onjuist vastgestelde personalia kan er tijdens een asielgehoor
aandacht aan worden besteed. Dat verloopt dus via die procedure.
De heer Dassen vroeg mij of ik zelf wel de juiste onafhankelijke toezichthouder kan
zijn in dezen. Tijdens de screening in de asielgrensprocedure is voorzien in de inrichting
van een onafhankelijk toezichtmechanisme, dat toeziet op grondrechten van vreemdelingen
en naleving van het Unierecht en het internationaal recht. De Inspectie Justitie en
Veiligheid en het College voor de Rechten van de Mens zijn elk vanuit hun eigen deskundigheid
en in lijn met bestaande taken en bevoegdheden de geschikte partijen. We zullen dat
toezicht dus gaan vormgeven. De inspectie en het college hebben gelukkig een onafhankelijke
positie ten opzichte van mij als Minister. Dus die zien daarop toe.
Er was nog een vraag van de heer Dassen en volgens mij ook van de heer Boomsma over
hoe het nu verdergaat met de binnengrenscontroles in Europa. Verschillende lidstaten
hebben binnengrenscontroles ingesteld. Zij moeten ook zelf weer het moment kiezen
waarop ze daarover rapporteren aan Europa dan wel wanneer ze aan de maximale termijn
zitten. Dus dat blijf ik volgen. Daar zal ik hopelijk van de week meer over horen
als ik bij mijn collega in Duitsland op bezoek ben. De Nederlandse binnengrenscontroles
zijn tot 8 juni ingesteld. Richting 8 juni zal ik een besluit nemen over hoe we daarmee
verdergaan. Dat is het antwoord op dat onderwerp.
De heer Boomsma (JA21):
Maar kunnen we het daar met elkaar van tevoren ook nog over hebben, voordat de Minister
definitief dat besluit neemt?
De voorzitter:
U onderling of Kamer en Minister?
De heer Boomsma (JA21):
Ik bedoel als Kamer.
Minister Van den Brink:
Ik ben op iedere plek waar de Kamer mij vraagt te zijn en ik geef een antwoord op
iedere vraag die u daarover stelt. Volgens mij heb ik de verantwoordelijkheid om keuzes
te maken en controleert u mij daarop. Volgens mij is dat de volgorde. Maar er liggen
allemaal moties, dus ik weet wat ongeveer het beeld is.
De voorzitter:
Als wij moeten helpen om een afspraak tussen u tot stand te brengen, dan doen we dat
graag.
Minister Van den Brink:
Ik ben eigenlijk door mijn tweede blok heen.
De voorzitter:
Dat is mooi, want in dit tempo ... U doet uw best, Minister. Blokje drie.
Minister Van den Brink:
Dat is het minste compliment dat ik kan krijgen.
De voorzitter:
Nee, u doet het echt ... Dat waardeer ik.
De heer Dassen (Volt):
Ik had nog een vraag over dat toezichtmechanisme. Ik probeer dat toch iets beter te
bekijken. De Raad van State had er ook kritiek op. Die geeft aan: hoe waarborg je
dat onafhankelijke karakter als de Minister hier zelf onderdeel van is? Ik ben zelf
benieuwd hoe de Minister dat ziet.
Minister Van den Brink:
Ik veronderstel dat de Inspectie Justitie en Veiligheid zichzelf altijd in staat stelt
om ieder onderzoek te doen naar zaken waarvan zij het noodzakelijk vinden om toezicht
op te houden dan wel onderzoek naar te doen. Dat geldt ook voor het College voor de
Rechten van de Mens. Beide hebben dus volgens mij alle ruimte om mij te wijzen op
onvolkomenheden, zouden die zich voordoen, en om daar onderzoek naar te doen. Ik moet
dan weer op tijd het rapport naar u sturen en daar op tijd een reactie bij geven.
Toen ik het las, dacht ik: dat is goed geborgd.
De heer Dassen (Volt):
In mijn ogen kun je daar vraagtekens bij zetten, omdat de Minister aan de ene kant
dus verantwoordelijk is voor de uitvoering en aan de andere kant voor het toezicht
daarop. Dat is hoe ik het in ieder geval begrijp uit de kritiek van de Raad van State,
die daar een uitspraak over doet. Die vraagt ook naar de toelichting. Daar ben ik
zelf ook benieuwd naar.
De voorzitter:
Minister, kort.
Minister Van den Brink:
In mijn beleving zijn de Inspectie Justitie en Veiligheid en het College voor de Rechten
van de Mens onafhankelijk van mij. Ik heb daar helemaal geen invloed op. Zij kunnen
toezien op hoe het werk wordt gedaan. Dat werk wordt wel gedaan onder mijn verantwoordelijkheid,
omdat de IND in dezen natuurlijk de screening doet. Dat doet de IND dus onder mijn
verantwoordelijkheid. Daarop kunnen zij toezien en daarover kunnen zij rapporteren.
Dat lijkt mij goed geborgd.
De voorzitter:
U gaat naar blokje drie. Dat was ... O, meneer Dassen.
De heer Dassen (Volt):
Ik had nog één andere vraag, omdat in dit blokje ook de Eurodacverordening besproken
wordt. Of komt die in een ander blokje terug?
Minister Van den Brink:
Die komt nog wel terug, hoor ik naast me.
De heer Dassen (Volt):
Dan wacht ik, voorzitter.
De voorzitter:
Die komt in het blokje overige belangrijke zaken.
Minister Van den Brink:
Screening, het mechanisme, solidariteit en Dublin. Dat zijn allemaal zaken die deels
langs zijn gekomen.
De heer Ellian had een vraag gesteld over het solidariteitsmechanisme en de druk die
op Griekenland ligt. Zij zullen hulp nodig hebben. De verschillende vormen van solidariteit
zijn wettelijk vastgelegd. Het gaat daarbij om een financiële bijdrage, herplaatsing
of alternatieve solidariteit. Alle opties zijn gelijkwaardig aan elkaar. Elke EU-lidstaat
maakt hierin een eigen afweging. Uiteindelijk is de solidariteitspool een combinatie
van al deze vormen van solidariteit. Er wordt natuurlijk wel bekeken welke steun lidstaten
met migratiedruk nodig hebben. Daarnaast ondersteunt Nederland Griekenland door daar
projecten uit te voeren. Denk aan de opvang van alleenstaande minderjarige vreemdelingen
en het verbeteren van het voogdijsysteem. Ook staat het kabinet ervoor open om, als
Italië en Griekenland daarom verzoeken, verdere ondersteuning te bieden via de pools
van Europese agentschappen. Via Frontex wordt er praktische hulp geboden bij de grens.
De voorzitter:
Als de collega’s het goed vinden, stel ik een snelle vraag: kan de Minister hier bijvoorbeeld
op terugkomen, bijvoorbeeld na de volgende JBZ? Ik bedoel dat we periodiek een beetje
op de hoogte worden gehouden van hoe het gaat met Griekenland. Dat hoeft geen heel
epistel te zijn. Dat kan gewoon in een paar zinnen.
Minister Van den Brink:
Ja. Er is ook een moment voor het Migratiepact, dus dat kan op een van beide momenten.
De heer Boomsma heeft een ambitieuze gedachte en vroeg of het aantal van 30.000 mensen
in de procedure naar 200.000 of 400.000 kan. Hij vroeg welke invloed Nederland daarin
kan uitoefenen. In principe zou het kunnen. De solidariteitspool voor 2026 is vastgesteld,
rekening houdend met seizoenspatronen in asielstromen. We kunnen nog niet vooruitlopen
op de omvang van die pool voor 2027, maar deze kan volgend jaar groter zijn, afhankelijk
van de migratiedruk in de lidstaten. De Raad stelt dit uiteindelijk vast via een gekwalificeerde
meerderheid. Dat gaat in dit geval dus via de Raad. Daarom zullen wij ons actief inzetten
voor een redelijke omvang van de solidariteitspool en hier met gelijkgezinde landen
in optrekken. Ik noemde net al even de bevolkingsdichtheid. We zullen ons op dat punt
blijven inzetten wanneer we daar de gelegenheid voor krijgen.
Dan zei mevrouw Vondeling dat Hongarije en Polen al hebben aangegeven bezwaar te hebben
tegen dit pact. Wij hebben zelf die afspraken heel nadrukkelijk wel gemaakt. Wij willen
die ook met elkaar maken omdat wij zien dat het een Europees probleem is dat nationaal
niet valt op te lossen. Dus moet je in Europa samenwerken. Willen wij van dit pact
een succes maken, dan moet je alle afspraken die erin staan gestand doen. Wij willen
ook dat de Commissie hierop toeziet richting andere lidstaten, dat zij lidstaten aanspreekt
en ook oplossingen aanreikt om landen te helpen die hulp nodig hebben.
Dan vraagt mevrouw Westerveld waarom Nederland kiest voor financiële compensatie als
manier om de solidariteit in te vullen. Wij hebben daarvoor gekozen omdat wij vinden
dat onze opvangketen in Nederland niet op orde is en de druk te hoog is. Daarom vullen
wij het solidariteitsmechanisme financieel in. Dat is niet in de tijd bepaald, zeg
ik tegen de heer Dassen. Wij hebben niet onderling afgesproken voor hoelang dat is.
In die zin is het ook een politieke weging wanneer we daarvan af zouden zien. Als
u mij af en toe in het nieuws hoort over de opvangproblematiek, zult u begrijpen dat
ik niet verwacht dat dat al op heel korte termijn is.
Wat gebeurt er met de Dublinclaimanten uit land als Polen en Hongarije, vraagt mevrouw
Lammers.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
We gaan er in een sneltreinvaart doorheen, wat ik ook snap gezien de tijd, maar ik
had over solidariteit nog een paar aanvullende vragen. Ik vroeg ook of de Minister
het met ons eens is dat afkopen ook ondermijnend kan zijn voor de solidariteit met
landen die aan de buitengrenzen liggen en die te maken hebben met een veel grotere
uitdaging als we kijken naar het aantal mensen dat bij hen de grens met Europa passeert.
Begrijpt hij dat die andere landen vinden dat het afkopen de uitgangspunten van het
pact ondermijnt? Dat waren de twee aanvullende vragen die ik ook had gesteld.
Minister Van den Brink:
Alle lidstaten waren natuurlijk betrokken bij het maken van de afspraken. In die zin
is dit ook iets van alle 27 leden. In de zuidelijke lidstaten is de vraag verschillend.
Spanje heeft bijvoorbeeld gezegd: alsjeblieft, doe het financieel. Dat land heeft
dus al aangegeven graag de betaling te ontvangen. Met bijvoorbeeld Griekenland hebben
we nog hele discussies over de voorraden van de Dublin, waarvan wij vinden dat die
door Griekenland in het verleden zijn benut. Daar heb je dus weer een ander gesprek.
De gesprekken met de lidstaten zijn dus best wel verschillend, maar in Spanje wordt
voor het financiële gekozen. Als er uiteindelijk op geen enkele manier meer, door
wie dan ook, geholpen wordt, dan komt het hele systeem onder druk te staan; dat snap
ik ook. Maar daar is op dit moment nog geen sprake van, gelet op hoe er op dit moment
mee om wordt gegaan in Europa. Vooralsnog geloven wij dus dat het systeem zoals het
bedacht is, ook kan gaan functioneren.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat klinkt heel mooi, «vooralsnog hopen we dat», maar het lijkt me dat de regering
eigenlijk al een plan klaar moet hebben liggen voor het geval het niet werkt. Hopen
dat het allemaal wel goedkomt, lijkt mij niet zo verstandig.
Minister Van den Brink:
Een van de afspraken – in die zin zijn er ook fallbackafspraken – is dat als de Commissie
oordeelt dat landen zich niet houden aan de afspraken uit het pact, ook andere delen
van het mechanisme vervallen. In die zin zijn er dus al afspraken gemaakt. Als de
Commissie oordeelt dat een lidstaat – ik ga geen landen noemen, want dat zou misschien
iets zeggen over wat ik van die landen vind – niet voldoet aan de afspraken, dan zijn
wij ook niet gehouden om die lidstaat te betalen of op een andere manier aan de solidariteit
bij te dragen. Daar is dus in voorzien.
De heer Boomsma vroeg nog hoeveel Dublinclaimanten Nederland de afgelopen jaren heeft
opgevangen. Nederland heeft in 2025 voor 8.000 vreemdelingen een Dublinclaim ingediend
bij een andere lidstaat.
De heer Van Dijk vroeg, ook vanuit het Europese toekomstidee, naar een streefcijfer
en een quotum. Hoe willen we daarnaar streven in Europa? We hebben dus andere lidstaten
nodig om meer grip te krijgen op onze migratie, maar we gaan echt eerst met het Europese
Migratiepact aan de slag. We moeten eerst alle zeilen bij zetten, zoals iemand hier
vandaag al zei, om dit tot een succes te maken. Quota hebben we daarbij eigenlijk
nu nog niet op de agenda staan. Ik denk dus ook, als ik het een beetje zo inschat,
dat alle lidstaten voorlopig volop bezig zijn met de invoering van dit pact, maar
mogelijk gaat dit op een later moment wel terugkomen in de discussies als we ook de
innovatieve vormen van asielopvang buiten Europa met elkaar misschien op een andere
manier gaan invullen.
Mevrouw Straatman vroeg hoe het nou is verlopen met de Dublincompensaties. De uiteindelijke
vermindering van het financiële aandeel is afhankelijk van de uiteindelijke verdeling
tussen de bijdragen van de lidstaten en de ontvangende lidstaten. We zijn daar nog
over in gesprek met de Commissie, maar ik verwacht wel dat we daar voor 12 juni duidelijkheid
over krijgen, dus dan zal ik u ook of via de JBZ of via de voortgangsrapportage erover
informeren hoe dat is verlopen.
De voorzitter:
Momentje. Meneer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
De Minister zei dat er 8.000 Dublinaanvragen waren in 2025, maar mijn vraag was er
ook op gericht om te achterhalen welke aantallen Dublinclaimanten uiteindelijk in
Nederland konden blijven omdat ze niet terug konden naar Griekenland, Italië of andere
landen, want dat zijn, denk ik, de relevantere getallen om in gedachten te hebben
voor die offsets.
Minister Van den Brink:
Die ga ik even na voor de tweede termijn. Ik weet wel dat er met Griekenland inmiddels
afspraken zijn gemaakt over die offset. Maar laat ik dat niet vanuit mijn parate kennis
doen, want het gevaar is altijd dat je net naast getallen zit. Dat doe ik dus even
in de tweede termijn, met uw goedvinden.
De voorzitter:
Ja.
Minister Van den Brink:
Dan was er ook nog een vraag van verschillende partijen over de Dublinclaimanten en
het versoberde regime. Meneer Ellian vroeg daarnaar, mevrouw Straatman vroeg daarnaar
en JA21 heeft ernaar gevraagd. Vanaf 12 juni geldt dus voor de Dublinclaimanten na
dat overdrachtsbesluit een versoberd regime. Dat houdt in dat vanaf dat moment voor
deze groep asielzoekers het verstrekkingenregime wijzigt en dat ze op een apart gedeelte
van een bestaand azc onderdak kunnen krijgen. Daar zijn ze nu zeg maar een soort van
pilotlocaties voor aan het draaien, maar dat moet echt nog wel van de grond komen.
Dat is natuurlijk ook afhankelijk van hoeveel Dublinclaimanten straks, na het overdrachtsbesluit,
in de opvang zitten. Maar we zijn daarover in gesprek met het COA. Laat ik ook hierop
toezeggen dat als we meer duidelijkheid hebben over op hoeveel plekken we dan uit
gaan komen, hoe we dat inrichten en wat «versoberd» dan betekent – dat is, denk ik,
ook nog iets waar interesse voor bestaat – ik u daarover zal informeren.
De voorzitter:
Als niemand wat vraagt, dan heb ik een korte vraag. Is de Minister bereid om «versoberd»
hier in te vullen als «zo versoberd als mogelijk»?
Minister Van den Brink:
Ja, ik denk dat de Opvangrichtlijn ons daar ook weer allerlei dingen in voorschrijft.
Het minimum is uiteindelijk bed, bad en brood, niet met de politieke connotatie die
daarmee bedoeld wordt, maar gewoon dat je altijd gehouden bent aan opvang, in welke
situatie dan ook; dat is ook de jurisprudentie uit Europa. Die biedt Nederland ook
altijd. Maar het is wel versoberd bedoeld, omdat je natuurlijk als Dublinclaimant
hier niet hoort te zijn en terug moet naar de plek waar je je aanvraag hebt gedaan,
dus in die zin zullen wij dat ook op die manier inrichten.
De heer Boomsma (JA21):
Ik begrijp dat dat versoberd moet, maar ik heb best wel wat azc’s bezocht, dus ik
denk: op heel veel plekken kan het niet heel veel soberder dan wat je daar ziet, tenzij
je heel erg veel mensen in stapelbedden op één kamer gaat zetten, maar ik weet niet
of dat dan per se de zaak verbetert. Ik heb ook gezien dat sommige mensen juist aangeven
dat versobering juist duurder wordt. Waarom dat zo is, kan ik niet helemaal overzien,
maar zit het ’m niet veel meer in het feit dat er toezicht is en dat er een meldplicht
is dan dat de voorzieningen ook daadwerkelijk worden afgeschaald?
Minister Van den Brink:
De heer Boomsma is in die zin echt goed op de hoogte van de situatie bij het COA en
de opvanglocaties. Het klopt wat u zegt, namelijk dat het toezicht toeneemt, omdat
je het tegelijkertijd sober wil houden en omdat je toezicht wil houden. De toezichtkosten
zorgen voor de hogere opvangkosten die daar dan mee gepaard gaan, dus het klopt dat
dat er eigenlijk ook achter wegkomt.
Mevrouw Straatman vroeg naar terugkeerafspraken met derde landen. Daar zijn we volop
mee bezig. We hebben verschillende instrumenten om de terugkeersamenwerking te verbeteren,
zowel bilateraal als in Europees verband. Onderdeel hiervan is het ontwikkelen van
brede, gelijkwaardige en duurzame partnerschappen met voor Nederland belangrijke landen
van herkomst en transit. Zowel in EU-verband als in Benelux-verband wordt daar overleg
over gevoerd en worden overnameovereenkomsten gesloten met landen buiten Europa. Voor
landen die onvoldoende meewerken, kan het kabinet ook negatieve maatregelen nemen,
zoals EU-visummaatregelen. Dit doen we in EU-verband, omdat dat meer gewicht in de
schaal legt. Daar zetten wij ons ook voor in.
Dan vroeg JA21 tot slot in dit blokje wat de gevolgen van al deze wijzigingen zijn
voor de procesbeschikbaarheidsaanpak. De huidige pilot procesbeschikbaarheidsaanpak,
met een van de mooie afkortingen in dit werkveld, richt zich op aanvragers met een
kansarme aanvraag. Dublinclaimanten kunnen alleen in de procesbeschikbaarheidslocatie
als zij snel door de procedure kunnen gaan. Daarnaast kunnen zij in de verscherpttoezichtlocatie.
Op de huidige praktijk hebben de wijzigingen geen invloed, want onder het huidige
Migratiepact zullen Dublinclaimanten de nieuwe procedure volgen en niet de versnelde
procedure. Je moet het niet meer «een apart spoor» noemen, want zo heette het vroeger;
het is een aparte procedure. De pilot procesbeschikbaarheidsaanpak wordt op dit moment
geëvalueerd en zal daarna een vervolg krijgen als we daarover hebben gerapporteerd.
Dat waren mijn antwoorden op het punt van solidariteit en Dublin.
De heer Dassen (Volt):
Ik vroeg aan het einde van mijn betoog een reflectie van de Minister op grond van
al deze maatregelen, ook wetende dat al die andere landen nationale maatregelen aan
het nemen zijn, waardoor we nog steeds een race to the bottom in Europa krijgen. Wat
gaat dit volgens de Minister doen met de uitvoering van het Europees Migratiepact?
Minister Van den Brink:
Ik denk dat de twee belangrijkste zaken waar we binnen Europa met elkaar naar kijken
om te beoordelen in hoeverre dit pact succesvol is, de asielgrensprocedure aan de
buitengrens en het herleven van de Dublinafspraken zijn. Ik denk dat dat de twee belangrijkste
pijlers van dit pact zijn waar heel Europa naar gaat kijken om te zien of het pact
gaat functioneren, omdat daar ook de afhankelijkheden tussen de verschillende lidstaten
zitten. Waar u op wijst, gaat natuurlijk ook over de vraag hoe we onze eigen nationale
keuzes maken. Daarin zie je volgens mij een heel geschakeerd landschap in Europa.
Er zijn lidstaten die dit al tien jaar geleden hebben ontwikkeld naar een tweestatusstelsel
en er zijn landen die dat nu pas gaan doen, zoals Nederland. Om ons heen zien we dat
Duitsland en België natuurlijk keuzes hebben gemaakt. Je zou kunnen zeggen dat we
daarmee in de pas komen te lopen. Ik denk dus dat Dublin en de asielgrensprocedure
de twee grote ijkpunten gaan worden in de Europese context.
De heer Dassen (Volt):
Deelt de Minister in ieder geval mijn zorg dat op het moment dat je nu als Europa
een kans hebt om te zeggen dat migratie een Europees vraagstuk is en dat we dat gezamenlijk
gaan oplossen, er vervolgens in elk land een debat is met het nationale parlement
en dat in elk land waarschijnlijk Kamerleden zitten die zeggen dat het strenger en
soberder moet omdat ook andere landen strenger en soberder zijn? Zojuist werd nog
gevraagd om «zo streng als mogelijk». Deelt de Minister de zorg dat dit juist een
averechts effect kan hebben op de hele uitvoering van dit pact?
Minister Van den Brink:
Nee, toch niet, omdat dat uiteindelijk niet uit het pact volgt. Het pact harmoniseert
ontzettend veel. Ik denk dat dat goed is. Nederland sluit zich aan bij die harmonisatie.
De toepassing daarvan is ook nodig, omdat we in onze nationale procedures al tegen
de grenzen aan waren gelopen, ook in de doorlooptijden. Los van de nationale keuzes
juicht de IND allerlei keuzes die hieruit volgen, maar ook door de IND voorgestelde
keuzes in de vorige wetgeving, waaronder het schrappen van de voornemenprocedure,
ontzettend toe omdat de procedure daarmee wordt versneld. Bij de grote aantallen die
we in de asielketen dan wel in de voorraden hebben, is de doorlooptijd dus ontzettend
belangrijk. Deze nieuwe Procedureverordening biedt wel veel mogelijkheden om daarin
dingen te verbeteren. Ik denk dus dat dat het belangrijkste onderdeel is.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Maar dan vind ik het wel opvallend waarom het vorige kabinet in de memorie van toelichting
heeft opgeschreven dat een van de doelen is om het strengste asielbeleid ooit in te
voeren en waarom deze Minister namens dit kabinet dat probleemloos overneemt. Dat
was ook mijn vraag in de eerste termijn: waarom is daarvoor gekozen als we nu tegelijkertijd
horen dat het doel is dat landen zo veel mogelijk dezelfde regels gaan hanteren en
dat solidariteit een van de uitgangspunten is? Dat kan volgens mij niet samengaan.
Minister Van den Brink:
Ik denk het wel. Wat u vraagt is een terechte vraag. Laat ik eerlijk zijn: volgens
mij heb ik nog geen enkele kwalificatie gebruikt voor het asielbeleid. Ik ga dat ook
niet doen. Ik ben wel echt overtuigd van de harmonisatie op het niveau waarop we het
nu inregelen omdat we in het verleden ook dingen in ons nationale stelsel hadden die
niet verplichtend waren, die ruimer waren of die vertragend waren. Er zijn allerlei
onderdelen waarvan we als kabinet overtuigd zijn en waarvan alle partijen in de gesprekken
rondom de coalitievorming overtuigd zijn geraakt. Wij denken dat dit echt een verbetering
is ten opzichte van wat we hadden.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
De Minister zegt: ik heb geen kwalificaties gebruikt. Maar dit staat gewoon in de
memorie van toelichting. Dat is erin gefietst door het vorige kabinet en dat wordt
nu overgenomen. Als deze Minister consequent zou zijn met wat hij nu zegt, dan had
dit er als doel uit gehaald moeten worden, lijkt mij. We gaan voor solidariteit, gelijkwaardigheid
en gelijke regels. Dan begrijp ik niet waarom dit er als doel in blijft staan en dus
ook onderdeel is van de wetsgeschiedenis.
Minister Van den Brink:
Het belangrijkste zijn de maatregelen die daaronder vandaan komen. Die maatregelen
steun ik van harte omdat die de harmonisering brengen in Europa die noodzakelijk is.
Uiteindelijk is de wet veel meer dan de exacte artikelen, maar zijn het wel de exacte
artikelen en de toepassing van de artikelen waarop we de uitvoering gaan toetsen.
Ik ben er echt vol van overtuigd dat de maatregelen die we hierin treffen noodzakelijk
zijn.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ook daar valt wel het een en ander op af te dingen. Dat zat in mijn kritiek, maar
ik heb het van een heel aantal collega’s gehoord. Het gaat om nationale koppen. Er
is niet gekozen voor een enkel zuivere implementatie van het Europese Migratiepact.
Er is voor gekozen om daar een aantal zaken aan toe te voegen. Dat beweren trouwens
niet alleen wij, dat zegt ook de Raad van State. Wil de Minister in ieder geval erkennen
dat er ook nationale keuzes zijn gemaakt die niet voortvloeien uit het Migratiepact?
Minister Van den Brink:
Er zijn een heel aantal maatregelen die rechtstreeks werken vanuit de verordening.
Er zijn maatregelen die wij hadden, die niet in de verordening zitten en die wij er
nu uit halen. De discussie over de titel die je daaraan moet geven, vind ik intellectueel
heel interessant. Is dat een nationale kop of is dat geen nationale kop? Ik heb daar
zostraks naar zitten luisteren en toen dacht ik: ik zou beide kanten op kunnen redeneren.
Ik weet dat we als coalitie hebben afgesproken «geen onnodige nationale koppen» te
plaatsen. Dat is in ieder geval een manier om daarin een keuze te maken, laat ik het
zo zeggen. Maar u heeft zeker gelijk als u zegt dat daar verschillen zitten. Maar
voordat ik me laat verleiden ... Dit wordt het meest politieke deel van het debat,
voel ik zomaar aan. Ik heb dit punt later in mijn inbreng zitten, dus ik kom daar
nog op terug. Ja?
De voorzitter:
Ja. Dan wil ik zelf nog een vraag stellen over die Dublinclaimanten en de soberheid.
Ik denk dat collega Boomsma gelijk heeft als hij zegt dat het al vrij sober is. In
mijn andere rol, namelijk als justitiewoordvoerder, zeg ik altijd dat het er niet
om gaat hoe sober je iets ín de gevangenis doet, maar om wat je mag. Het punt is hier
natuurlijk dat ze eigenlijk nog steeds continu Nederlands grondgebied in mogen, althans,
dat doen ze. Ik wil dus wel tegen de Minister zeggen dat als blijkt dat Italië en
Griekenland Dublinclaimanten niet overnemen, wij wel meer richting detentie moeten
durven gaan.
Minister Van den Brink:
Ik zit even te denken. U zag mij bevestigend knikken. Ik zit nu na te denken over
de vraag welke ruimte er is bij de overdrachtsbesluiten en detentie. Zit daar bewaring
aan gekoppeld?
De voorzitter:
Ik help u: u bent bereid dit uit te zoeken.
Minister Van den Brink:
Ja, ik ben zeker bereid dit uit te zoeken.
Dan de IND en het rapport en eerdere uitvoeringstoetsen die daarover verschenen zijn.
De voorzitter:
Dan zijn we bij het blokje uitvoerbaarheid en de IND. Top. Hartstikke goed, gaat u
verder.
Minister Van den Brink:
Ja. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik dat rapport ook met heel veel belangstelling
heb gelezen. Het gaf namelijk een enorm inkijkje in wat er allemaal aan variabelen
en afhankelijkheden speelt in de asielketen. Dus is het ook hartstikke goed dat dat
er nu ligt. De eerlijkheid gebiedt ook te zeggen dat de ontwikkeling van dat rapport
uit een periode stamt met interviews uit september en oktober, in ieder geval bij
de IND. Daarna wordt zo’n rapport natuurlijk gewoon heel netjes afgerond. Vorige week
is het bij ons op het ministerie binnengekomen. Laat ik het zo zeggen. Soms word je
een beetje verrast door de media, maar dat is op zich een dynamiek die er in dit werk
soms bij hoort. Maar ik was blij dat het rapport in die zin nu ook gelijk in de Kamer
ligt, want ik had het vele malen erger gevonden als het pas ná het debat aan uw Kamer
was aangeboden. De regel bij dit soort rapporten is eigenlijk dat wij daar een reactie
op schrijven als we ze ontvangen en daarbij gelijk antwoord geven op alle dingen die
daarin staan. Dat hebben we nu dus niet kunnen doen. De antwoorden over de manier
waarop hiermee wordt omgegaan, ga ik deels in het debat geven. Deels zullen die bij
de voortgang van het Migratiepact komen.
De hoofdvraag blijft natuurlijk: is de IND klaar om de stelselwijziging door te voeren?
Het antwoord daarop is: ja, de IND is daar klaar voor, maar er zullen na 12 juni natuurlijk
nog wel doorontwikkelingen plaatsvinden. Dat stond ook in het rapport. Er komen ongetwijfeld
nog onvoorziene zaken aan het licht die de IND zal moeten aanpassen. Dat is onvermijdelijk
bij zo’n grote stelselwijziging.
Er waren ook vragen over de IND en de ICT. De vraag van de heer Van Asten was wat
de IND nodig heeft om dit tot een succes te maken. De IND heeft vooral nodig dat de
wetten tijdig door de beide Kamers worden aangenomen. Wijzigingen in de wet die nog
zouden leiden tot enorme aanpassingen in het werkproces van de IND zouden dan mogelijk
niet door de IND uitgevoerd kunnen worden. Ze vragen natuurlijk ook rust en ruimte
om het Migratiepact na 12 juni uit te kunnen voeren. Ze zullen mij dus vaker vragen:
wilt u niet nog allerlei extra beleidswijzigingen doorvoeren in het komende halfjaar?
Het ICT-systeem is op 12 juni nog niet volledig gerealiseerd, want het huidige systeem
wordt momenteel aangepast, zodat het Migratiepact op 12 juni kan worden uitgevoerd.
Het ICT-systeem zal daarna verder worden ontwikkeld. Dat was ook al voorzien. U gaf
het ook al aan. De IND was al bezig om zijn IV-systemen aan te passen en combineert
dat nu met de invoering van het pact, maar heeft daar meer tijd voor nodig dan tot
12 juni. Op dit moment vindt dat proces alleen in Ter Apel plaats om asielzoekers
te kunnen screenen, maar we zijn wel bezig om dat op een later moment ook op andere
locaties te kunnen gaan uitvoeren. Daar zijn we nu nog over in gesprek. Zoals iemand
al noemde, is Budel niet de meest logische locatie, niet alleen vanwege de locatie,
qua treinen en ov, maar ook omdat er in Budel misschien op termijn een andere invulling
komt. We zijn bezig en zijn in gesprek om te kijken waar dat buiten Ter Apel verder
nog mogelijk is.
Dan over de juridische counseling. Het is duidelijk dat het nieuwe screeningsproces
en de juridische counseling extra capaciteit bij de IND vragen. Dat gaat echter niet
ten koste van de besliscapaciteit. De extra capaciteit die nodig is om op 12 juni
2026 te kunnen starten met de screening en de juridische counseling in Ter Apel zal
tijdig geworven zijn. Het is echter ook duidelijk dat er extra capaciteit nodig is
bij andere processen, zoals bij de juridische zaken, want er zijn in de voorraden
natuurlijk ook nog flinke klussen te doen. De IND is natuurlijk bezig om zijn personeel
efficiënter in te plannen. De dienst is klaar om vanaf 12 juni het Migratiepact uit
te voeren.
Mevrouw Straatman vroeg of de automatische omzetting van de bewaringsmaatregel op
tijd klaar is. Deze is volgens de planning in juni 2026 gereed. De IND werkt op dit
moment aan het realiseren van de kennisgeving. Dit wordt in het huidige ICT-systeem
ingebouwd. Dat is dus wel voorzien. Tot zover even de antwoorden op wat er over het
rapport is gevraagd.
Dan kom ik nu bij de vragen over de voorraden. Daar zijn natuurlijk ook vragen over
gesteld met betrekking tot de IND. Met het pact zullen meerdere kortere behandeltermijnen
gaan gelden in de asielprocedure. Het bijhouden van deze termijnen vind ik ontzettend
belangrijk. Dit komt de werking van het pact ten goede en daarmee dus ook de beheersbaarheid
van asielmigratie. Om een beroep te kunnen doen op de goede werking van het pact in
andere lidstaten moeten we zelf in Nederland het goede voorbeeld geven en het pact
op een goede manier invoeren en op orde hebben. De IND kan de nieuwe beslistermijnen
en de instroom alleen bijhouden als daarvoor voldoende capaciteit wordt vrijgemaakt
die zich daar specifiek op richt. Dat heeft consequenties voor de capaciteit die de
IND daarnaast kan inzetten voor de behandeling van de aanvragen die zijn ingediend
voor 12 juni. Deze voorraad bedraagt naar verwachting in juni 2026 nog steeds 50.000
aanvragen. Zonder extra maatregelen zou de wachttermijn voor deze aanvragen met meerdere
jaren verder oplopen. Zeker voor de mensen die dat betreft is dat natuurlijk niet
acceptabel. Ook voor alle andere ketenpartners zou dit vergaande consequenties hebben.
Daarom zal ik voor de inwerkingtreding op 12 juni met een plan van aanpak komen. Daarmee
kom ik ook tegemoet aan de motie-Westerveld/Ceder, waarin u als Kamer het kabinet
heeft opgeroepen om tot een realistisch plan van aanpak te komen voor het wegwerken
van de achterstanden en het verkorten van de doorlooptijden bij de IND. In die zin
wordt er dus ook nog gewoon gelijk doorgewerkt aan die voorraden. Het is niet zo dat
alle capaciteit opgemaakt wordt aan het Migratiepact. Er zal, naast de invoering van
het Migratiepact, ook capaciteit zijn voor het wegwerken van de voorraden. De IND
is daar volop mee bezig, maar het vraagt wel om het maken van keuzes. Die keuzes zal
ik ook aan uw Kamer toesturen.
Mevrouw Straatman (CDA):
Goed om te horen dat er ook capaciteit wordt vrijgemaakt. In het kader van efficiency
ook het volgende. Als ik de nota van wijziging goed lees, treedt het grootste deel
van het pact onmiddellijk in werking, maar blijft een deel van de oude regels nog
gelden, voor zover die al in de procedure zitten. Om te voorkomen dat de IND een te
lange periode met twee verschillende wettenstelsels moet zitten, zou het dus, los
van alle menselijke argumenten, ook vanuit dat oogpunt prioriteit moeten hebben om
de oude voorraad zo snel mogelijk weg te werken. Is de Minister dat met mij eens?
Minister Van den Brink:
Zeker. Dat kan ik alleen maar bevestigen. Het lastige is natuurlijk wel dat als je
naar een nieuw stelsel overgaat, je ook nog te maken hebt met het oude stelsel dan
wel met de oude aanvragen. Tegelijkertijd kiezen we op een aantal onderdelen wel voor
die onmiddellijke werking, om het gelijk in één keer te harmoniseren. Dat wordt dus
op meerdere manieren ingevuld.
Dan waren er nog een aantal vragen over de uitvoerbaarheid, waaronder van de heer
Boomsma. Hij vroeg wat de gevolgen zijn als iemand onjuiste informatie vertelt of
zelf verschaft. Als een onjuiste nationaliteit wordt opgegeven, is dat altijd een
reden om de asielaanvraag af te wijzen. Bij de vraag of de opgegeven nationaliteit
geloofwaardig is, is het allereerst van belang of de vreemdeling deze bewering heeft
ondersteund met een identiteitsdocument of een paspoort. Documenten die worden ingebracht,
worden altijd onderzocht op echtheid. Bij de IND geldt het uitgangspunt dat er bij
ongedocumenteerde asielzoekers altijd nader onderzoek wordt gedaan naar de opgegeven
nationaliteit. In het nieuwe screeningsproces worden er bij ongedocumenteerde asielzoekers
al voorbereidende vragen over de nationaliteit gesteld.
Dan de vraag hoeveel meer personeel daarvoor nodig is en hoe die screeningsprocedure
eruitziet. De IND heeft voor het uitvoeren van de screeningsprocedure ongeveer 100
fte nodig. De verwachting is dat dat op 12 juni gerealiseerd is. In de screeningsprocedure
wordt, indien mogelijk, de identiteit en nationaliteit vastgesteld. In die procedure
wordt ook gekeken naar veiligheidsaspecten en of de vreemdeling kwetsbaar is. Indien
de identiteit niet in de screening vastgesteld kan worden, gebeurt dit later in de
asielprocedure. In de nieuwe screeningsprocedure wordt informatie opgehaald die nodig
is voor die asielprocedure. Dat is onderdeel van het asieldossier en zal intern onderdeel
zijn van kwaliteitsmetingen.
Mevrouw Teunissen vroeg naar de waarschuwing van uitvoeringsorganisaties over de onuitvoerbaarheid.
De IND heeft meermaals aangegeven dat de invoering van het Migratiepact een enorme
uitdaging voor de IND is. Er is al vaak gezegd dat het de grootste asielhervorming
is, maar ze zien het ook als een enorme kans om het vastgelopen asielsysteem te vernieuwen
met nieuwe doorlooptijden en procedures, wat ze vanaf 12 juni kunnen doen.
Even kijken. De heer Boomsma vroeg of er rekening is gehouden met de capaciteitsinzet
voor de herbeoordelingen. De IND kan met een deel van zijn capaciteit de nieuwe instroom
onder het Migratiepact tot 25.000 zaken bijhouden. Daarboven zal dus aan de huidige
voorraad worden gewerkt. Aan het begin zal het natuurlijk niet gelijk op die aantallen
rusten. De herbeoordeling is een integraal onderdeel van de werkzaamheden van de IND,
waarvoor ook capaciteit beschikbaar is, maar als het gaat om een herbeoordeling van
grote groepen mensen die hier al zijn, kost het de IND natuurlijk veel capaciteit.
Dan zullen er keuzes moeten worden gemaakt in waar de IND zijn capaciteit inzet, want
die kan immers niet alles. Dan is de vraag hoe die wordt ingezet en welke voorstellen
de IND zelf doet voor hoe die dat gaat doen.
Even kijken welke vraag ik ... De sturing op instroom moet plaatsvinden met een samenhangend
pakket aan maatregelen, zoals we nu zowel nationaal als in Europa doen. Dat gaan we
natuurlijk verbeteren door de asielwetten, is onze veronderstelling. Ten behoeve van
een goede implementatie en uitvoering zijn diverse uitvoeringstoetsen al gemaakt door
de IND. De laatste heeft u de afgelopen weken ontvangen. De voorbereidingen vinden
plaats en de diensten worden daarbij onder meer met financiën ondersteund. De uitvoering
is er klaar voor om het pact en de wetten vanaf de start ten uitvoer te brengen.
Dan ga ik naar de juridische counseling. Daar zijn door verschillende partijen vragen
over gesteld. We hebben nu een goed systeem, zo wordt door meerdere partijen gezegd,
dus waarom zou je het nu bij de IND gaan neerleggen? Moet je die juist niet ontlasten?
De uitvoering van deze taken zal zeker impact hebben op de IND, maar niet op de medewerkers
die nu horen en beslissen. De belegging van deze taken bij de IND ligt immers in het
verlengde van de huidige taak met betrekking tot voorlichting en dienstverlening.
Die taak staat los van de medewerkers die beslissingen nemen – mevrouw Straatman vroeg
daarnaar – en bovendien maakt dit dat de IND niet van een andere partij afhankelijk
is voor de voortgang van de asielprocedure. Dit is een van de belangrijkste redenen
waarom de IND heeft aangegeven dit zelf te willen en kunnen doen.
Ook de IND heeft belang bij een zo efficiënt mogelijke en juiste procedure. In de
praktijk betekent dit dat de juridische counseling al vanaf de screeningsprocedure
wordt aangeboden. Dat begint in Ter Apel. Dat betekent dat iedereen die van counseling
gebruik wil maken, een individueel gesprek met de IND krijgt, waarin wordt voorzien
in uitleg over de procedures. Wat gaat u in de procedure tegenkomen? Welke vragen
krijgt u? Hoe verloopt zo’n procedure? Over dat soort vragen gaat het dan. Ook kunnen
asielzoekers vragen stellen over de asielprocedure. De onafhankelijkheid van de counselors
wordt geborgd doordat deze IND-medewerkers geen toegang hebben tot het asieldossier.
Ook zal duidelijk worden gemaakt dat het geen onderdeel is van het hoor- en beslisproces
en zal dit waar mogelijk worden aangeboden in aparte ruimtes.
Wij hechten natuurlijk aan een goed functionerende asieladvocatuur. Daarom heeft die
ook nog steeds een rol in de asielprocedure. De advocatuur kan in de nieuwe asielprocedure
nog steeds een reactie geven op het gehoor van de IND. Een verschil met de huidige
asielprocedure is dat de advocatuur niet meer eerst een asielzoeker gaat voorbereiden
op het asielgehoor. Dat vindt plaats in de juridische counseling. Hiervoor is gekozen
om meer snelheid in het proces te brengen, zodat de IND na het aanbieden van counseling
meteen kan starten met de asielprocedure. Daar is de IND klaar voor vanaf het moment
dat dat nodig is.
De heer Ceder vroeg hoe wordt voorzien in tolken. Hoe wordt voorkomen dat de meest
kwetsbare mensen het slachtoffer worden van de wijzigingen? Tolken zullen telefonisch
of in uitzonderlijke gevallen fysiek beschikbaar zijn tijdens de counseling, maar
alleen als de communicatie in het Engels of in het Nederlands niet zou lukken. Dat
wijkt overigens niet af van hoe het aanmeldproces nu is ingericht. Het bewaken van
de positie van de kwetsbare aanvragers en de waarborgen die daaromtrent gelden, ligt
momenteel niet zozeer bij de asieladvocatuur, maar is nu ook al een taak waar zowel
het COA als de IND alert op is. Ook de IND-counselors zullen signalen van kwetsbaarheid
kunnen opmerken. Dit is ook in lijn met de verplichting dat alle medewerkers in de
voorfase alert moeten zijn op signalen van kwetsbaarheid. Aanvullend beoordeelt de
IND of dan ook procedurele waarborgen geboden moeten worden, zoals extra tijd of een
individueel gesprek. Dat zijn oordelen die de IND zich in die procedure kan vormen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank voor het antwoord. Even praktisch: als de legal counseling vanuit IND of COA
belast is met het faciliteren van tolken, hoe wordt dan aan de voorkant gewaarborgd
dat er een tolk aanwezig is bij zo’n fysiek moment? Hoe wordt voorkomen dat pas ter
plekke duidelijk wordt dat die tolk nodig is? Bij wie ligt het initiatief? Hoe wordt
dat gewaarborgd? Dat vraag ik even ter verduidelijking.
Minister Van den Brink:
Dat initiatief ligt bij de IND. Op basis van de data die zij hebben van hoeveel mensen
instromen en wat hun nationaliteit is, kunnen ze een inschatting maken van de tolken
die daarbij noodzakelijk zijn. Dat richten zij in hun werkproces gewoon in. Dat is
flexibel en telefonisch oproepbaar. Op die manier wordt er veel gewerkt in deze keten.
Ook bij de Dienst Terugkeer en Vertrek is dat een manier die gebruikelijk is.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik heb nog een korte vraag over de onafhankelijkheid van de juridische counseling.
Goed dat de Minister zegt dat het op papier onafhankelijk is ingericht en dat het
echt Chinese walls zijn, dus dat men niet in elkaars dossiers kan kijken. Kan de Minister
toezeggen dat hij met de IND in gesprek gaat om die onafhankelijkheid duidelijk en
zichtbaar te maken voor de asielzoeker? Want uiteindelijk zal die toch twee medewerkers
van de IND zien. Het moet expliciet benoemd worden dat dit een onafhankelijke rol
is, zodat iedereen zich vrij voelt om alles te vragen en te zeggen.
Minister Van den Brink:
Dat is een goeie vraag. Die neem ik even mee. Ik weet wel uit de praktijk dat het
grote verschil met vroeger is dat het de AVIM en de politie waren die de screening
deden. Dat had best wel een impact op de asielzoeker die in een screening kwam. Daar
is nu al geen sprake meer van. In dat opzicht zijn de signalen al wel veel beter dan
in het verleden.
De heer Ellian had een vraag. Hij zei: 16% is kansarm en een groot deel komt op andere
opvangplekken. Er wordt op basis van data verwacht dat de totale omvang van de instroom
die straks in Nederland volgens versnelde procedure zou moeten worden afgedaan, tussen
de 15% en 20% is. De introductie van die versnelde procedure zorgt er in zijn aard
al voor dat er in alle lidstaten een vergelijkbare snelle procedure zal komen te gelden
voor asielzoekers die geen grote kans maken op bescherming. Het staat lidstaten vrij
om zelf te bepalen hoe die opvang voor deze doelgroepen eruitziet, maar het punt dat
over deze kansarme aanvragen binnen drie maanden moet zijn besloten, bewaakt al dat
deze groepen in de hele Unie snel en doelmatig worden afgedaan.
Dan kom ik bij de druk op de rechtspraak, waar mevrouw Westerveld en het CDA vragen
over hebben gesteld. De keuze voor de inzet van vreemdelingenrechters heeft volgens
de Raad voor de rechtspraak invloed op andere rechtsgebieden; er werd mij gevraagd
om een reactie op de vraag hoe we de werkdruk gaan verlichten. De rechtspraak werkt
met meerjarige capaciteitsplanningen, waarbij personeel over verschillende rechtsgebieden
herverdeeld kan worden. Daarmee kan het invloed hebben op alle rechtsgebieden. De
daadwerkelijke werklast hangt af van de instroom, de inwilligings- en afwijzingspercentages
en de prioritering die de IND vanaf juni 2026 zal hanteren; daar sprak ik net over.
Maar de opschaling is wel nodig, want jaarlijks kunnen maximaal 140 nieuwe rechters
en raadsheren worden geworven en opgeleid, maar dat is grotendeels ook ter vervanging
van de uitstroom, die wordt voorzien op een aantal tussen de 100 en 125 per jaar in
de periode tot 2030. De opleiding duurt één tot vier jaar. De netto extra capaciteit
wordt dus flexibel ingezet waar de behoefte het grootst is. Ik heb vorige week ook
kennisgemaakt met de betreffende mensen; dat is voor mij best wel een nieuw terrein.
Ik begreep van hen dat het ook een beetje een schuifpaneel is tussen vreemdelingen-,
straf-, familie- en jeugdrecht. Zij proberen de informatie vanuit het Ministerie van
Justitie zo goed mogelijk tot zich te nemen en op basis daarvan een planning te maken,
maar die opgave is natuurlijk groot.
Wat betreft de vragen van mevrouw Straatman, en trouwens ook van u, mevrouw Westerveld:
er is natuurlijk gewoon een toename door het invoeren van het tweestatusstelsel. Dat
is door ons ook voorzien en onderkend, in afstemming met de Raad voor de rechtspraak.
Ik snap dat daar veel vragen over zijn. Tegelijkertijd is het een weging met meerdere
factoren. Er is namelijk voor gekozen om het tweestatusstelsel in te voeren omdat
we meer grip op migratie willen krijgen. Ja, dat leidt mogelijk tot meer zaken in
de procedure bij de rechtbanken. Daartegenover staat weer een verlichting bij de IND
door het afschaffen van de voornemenprocedure. Zo is afgewogen wat daar de beste balans
in is, maar het is absoluut waar dat het een grote impact gaat hebben op de Raad voor
de rechtspraak. Maar dat heeft sowieso dit hele pact, omdat het ook gewoon een hele
nieuwe manier van werken is, met nieuwe beroepstermijnen. In die zin verandert er
dus veel. Daarom bereidt de rechtspraak zich voor op die veranderingen. Daarbij is
alles afhankelijk van de daadwerkelijke instroom van beroepszaken bij de rechtspraak
en van de werving van nieuwe rechters. Er worden echter wel meerdere sporen tegelijkertijd
bewandeld. Aan de kant van besluitvorming: sneller en eerder beslissen door het afschaffen
van de voornemenprocedure en vroegtijdige dossierscreening door de IND om herstel
of intrekking van gebrekkige besluiten voor de zitting te realiseren. Dat werd ook
door anderen gevraagd.
Een aanzienlijk deel van de voorraad vreemdelingenzaken betreft beroepen wegens niet
tijdig beslissen. Deze zaken veroorzaken hoge werkdruk en bemoeilijken prioritering.
Dan is de afschaffing van de rechterlijke dwangsom natuurlijk een belangrijk instrument
omdat daarmee de rechtspraak in de praktijk meer ruimte kan worden geboden om zich
te concentreren op de inhoudelijke beoordeling van zaken in plaats van zaken enkel
te beslissen op beroepen wegens niet tijdig beslissen.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Het is goed dat de Minister aangeeft dat dit het gevolg is van bijvoorbeeld het afschaffen
van de voornemenprocedure en het invoeren van het tweestatusstelsel. Wat ik dan niet
goed begrijp, is het volgende. Als in de loop van de tijd duidelijk wordt dat dit
zo’n extra druk geeft op de rechtspraak ... Het gaat om 19.000 zaken waarvan ze schatten
dat de helft komt door het voorstel tweestatusstelsel. Als dit blijkt, waarom wordt
dan op geen enkel moment toch overwogen – dit zijn namelijk twee keuzes die niet noodzakelijk
uit het pact voortvloeien – om dit niet in te voeren en om wat anders te doen zodat
er niet zoveel druk is op de rechtspraak?
Minister Van den Brink:
Omdat, zoals ik net al aangaf, dit de weging is tussen de verschillende belangen die
we hier proberen te dienen. Het ene belang is dus dat we willen proberen de instroom
te beperken. De andere kant is dat deze keuzes deels te maken hebben met een overvolle
opvang. De andere kant is ook harmonisatie binnen Europa: het bij elkaar brengen van
dingen, zoals andere lidstaten om ons heen, Duitsland en België, ook al hadden gedaan.
De consequentie daarvan is wel – daar heeft u gelijk in – dat dat flink drukt op de
uitvoerbaarheid bij de rechtspraak. De verlichting ligt dus op andere terreinen, is
de veronderstelling, namelijk aan de opvangkant, de instroomkant en aan de kant van
de IND. De verzwaring ligt bij de Raad voor de rechtspraak. Dat is geen keuze die
we maken omdat we dat heel fijn vinden, maar het is wel een bewuste keuze omdat het
de consequentie is van de afweging op die andere domeinen: instroom, opvang en het
ontlasten van de IND.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Daar valt best iets tegen in te brengen. Mensen komen hier niet vanwege de statussen
die we hebben en de verschillende rechten die daaraan worden toegekend, maar veel
eerder omdat ze bekenden hier hebben wonen. Maar die discussies zijn allemaal geweest
en die gaan we niet opnieuw voeren. De vraag die daaronder ligt ... In de loop van
de tijd wordt duidelijk – dat zegt de Raad voor de rechtspraak ook – dat dit zo’n
enorme extra werklast is dat het ook gevolgen heeft voor andere gebieden. Ik noem
de uithuisplaatsingen, familierecht en de gevolgen voor slachtoffers. Wordt er dan
op geen enkel moment overwogen om dit anders te gaan regelen, ook omdat dit niet noodzakelijkerwijs
voortvloeit uit het pact en we wél zien welke gevolgen het heeft in al die andere
domeinen?
Minister Van den Brink:
Daarvoor geldt uiteindelijk de afweging dat we onderaan de streep de overtuiging hebben
dat het wel degelijk een bijdrage levert die op de langere termijn verstandig is.
We zullen dat continu monitoren met de Raad voor de rechtspraak en het evalueren.
Door het vorige kabinet zijn daarvoor middelen ter beschikking gesteld. Tegelijkertijd
erkennen we dat er druk zal blijven bestaan vanwege de opleidingscapaciteiten en hoe
snel dat opleiden gaat.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Nog even over dit punt. Dit antwoord overtuigt mij niet helemaal. Ik wil voorkomen
dat we volgend jaar in een spoeddebat in de plenaire zaal zitten omdat de rechterlijke
capaciteit volledig is overgelopen, met als gevolg opstoppingen in de procedures en
een opvang die niet leegloopt. Die kans lijkt me zeer aannemelijk. Volgens mij wil
niemand hier dat. De gevolgtrekking dat het aantal procedures dat stijgt op langere
termijn tot minder zaken zal leiden, volg ik nog niet helemaal. Ik vraag me af of
de Minister het reëel acht dat het aannemelijk is dat er tussen nu en een jaar een
blik opengetrokken gaat worden via de RIO-opleiding, de rechtersopleiding. Die aanwijzingen
heb ik niet. Ik wil voorkomen dat we hier wensdenken. Dat is mijn eerste vraag. De
Minister verwijst naar die opleiding. Is er zicht op dat het aantal juniorrechters
of rechters in opleiding de komende maanden of het komend jaar fors zal stijgen?
Minister Van den Brink:
Ik weet dat er jaarlijks maximaal 140 nieuwe rechters en raadsheren kunnen worden
geworven en opgeleid. Tegelijkertijd is dat maar net boven de uitstroomcijfers. In
die zin is het geen blik, om maar even dat woord te gebruiken. De huidige situatie
verdient echter de erkenning dat het nu ook is vastgelopen. Ook nu is het vastgelopen
en zitten veel van de rechters te besluiten over uit de tijd gelopen procedures. We
zitten met een enorme voorraad, die ook een geschiedenis kent. Ik ga er niet voor
weglopen dat die geschiedenis allerlei factoren kent waarop wel of geen invloed is
uitgeoefend. Vanuit die positie werk ik nu. Ik ga geen beloftes doen dat er in de
invoering van het pact nergens uitvoeringsproblemen in de keten zullen ontstaan, want
die zullen er wel degelijk zijn. Die worden ook al onderkend in de rapporten die er
nu liggen. Tegelijkertijd zullen we met elkaar moeten zorgen voor een maximale inzet
om daar weer uit te komen. Een van de aspecten die daarbij van belang is – dat is
ook de inzet van dit kabinet – is rust, reinheid en regelmaat. Dus op een normale
manier het overleg voeren en voldoende structurele financiën beschikbaar stellen aan
die delen van de keten die dat nodig hebben. Op die manier hoop ik daaraan bij te
dragen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik deel de doelstelling van de Minister, maar met mantra’s als «rust, reinheid en
regelmaat» trekken we dat blik niet open, want dat is er niet, zoals de Minister erkent.
Ik kan niet anders dan concluderen dat we geen enkele houvast hebben, behalve de hoop
dat we over een jaar niet een spoeddebat met elkaar hebben. Door de oploop van voorlopige
voorzieningen, die zijn toegenomen omdat we het aantal vergunningen of het aantal
jaren waarin die vernieuwd zouden moeten worden, verkorten, kan er vaker een beslissing
worden genomen en is er vaker een kans dat ertegen in beroep zal worden gegaan en
dat mensen die een B-status krijgen vervolgens niet gaan procederen. Boven op de nu
vastgelopen keten wordt dat steeds erger. Ik hoor niet van de Minister dat hij het
vertrouwen heeft, behalve de wens en de mantra, dat we het instrumentarium hebben
om er iets aan te doen. Ik zou graag van de Minister willen horen dat het echt zo
is, omdat wij wel voor het pact moeten gaan stemmen. Volgens mij is dit gewoon een
trein die, in ieder geval op dit punt en voor zover ik het kan overzien, over een
jaartje tegen een muur aan rijdt. Mijn vraag is of de Minister dat deelt.
De voorzitter:
Deze interruptie duurde 1,5 minuut.
Minister Van den Brink:
De realiteit is gewoon dat het pact vanaf 12 juni geldt. In die zin is het een trein
die rijdt. Met elkaar, met alle ketenpartners, moeten wij nu proberen alles zo goed
mogelijk in te richten, zodat het vanaf 12 juni ook gaat functioneren. Daar zitten
heel veel afhankelijkheden in die deels beïnvloedbaar zijn en deels niet. We zijn
dus met al die ketenpartijen continu in overleg om de randvoorwaarden maximaal te
creëren, zodat ze daarmee aan de slag kunnen gaan. Tegelijkertijd zijn er nooit garanties
in het leven, en in de asielketen al helemaal niet. Maar wel zijn er de wil, en de
noodzaak dan wel de verplichting, om het pact op 12 juni in te voeren. Dat is de realiteit
waarmee ik zal moeten werken en waarmee ik ook zal werken.
De voorzitter:
Voordat ik naar de heer Dassen ga, wil ik eerst constateren dat dit, ondanks het feit
dat de Minister echt zijn best doet – wat ik echt waardeer – niet te doen is in de
tijd. Dit wordt vrij ingewikkeld, vrees ik. We moeten dus zo meteen even kijken hoe
we dit verder gaan doen om de fatale termijn te halen. Maar daar kom ik zo op. Meneer
Dassen.
De heer Dassen (Volt):
Het antwoord «nooit garantie in het leven» klinkt in mijn oren een beetje als: «Ik
weet het ook niet. We gaan het zien. Ik kan er in ieder geval nu niks aan doen». Is
de Minister het niet met me eens dat we, nu we dit zien aankomen en zien dat dit helemaal
fout gaat, daar dan ook een bepaalde actie op moeten ondernemen, om te kijken hoe
we dit te allen tijde kunnen voorkomen? Dit is gewoon het verplaatsen van de problemen
in de keten en vervolgens zeggen: ik kan er ook niks aan doen.
Minister Van den Brink:
Zoals ik net aangaf, is dat precies de reden waarom we volop in gesprek zijn met de
Raad voor de rechtspraak en andere ketenpartijen om de doorlooptijden te verkorten
en de procedures te versnellen. Dat gesprek blijven we ook voeren. Vanaf 12 juni hebben
we een pact dat met directe werking wordt ingevoerd. Dat leidt tot nieuwe doorlooptijden
en nieuwe procedures. Die zullen we gewoon met elkaar invoeren. Daar zal ik met al
die partijen over in gesprek blijven, ook na 12 juni.
De voorzitter:
De heer Ceder? Eerst de heer Dassen nog.
De heer Dassen (Volt):
«In gesprek blijven met» is uiteindelijk geen oplossing. De Minister, dit kabinet,
kiest er zelf voor om bepaalde maatregelen nationaal in te voeren. Deze maatregelen
zullen de druk op de rechtspraak extra vergroten. Dat is een weloverwogen keuze die
hier gemaakt wordt en die met instemming van meerdere partijen in dit parlement aangenomen
wordt. De mensen die voorstemmen, accepteren dus dat die druk daar komt te liggen.
Dan vind ik het iets te makkelijk als de Minister zegt dat hij erover in gesprek blijft
en dat hij ziet wat de mogelijkheden zijn, terwijl hij daarvoor heeft aangegeven dat
het eigenlijk geen oplossing is. Ik ben dus zoekende naar wat de Minister nog wél
kan doen. Anders staan we voor het voldongen feit dat we hier een ongeluk gaan krijgen.
Minister Van den Brink:
Ik geef net aan dat het niet alleen gaat om de weging van de procedures die hieruit
voortvloeien. We hebben ook te maken met een opvangstelsel en een asielketen die al
vastzit. We proberen op al die terreinen maatregelen te nemen die de boel ontlasten.
Tegelijkertijd zorgt het op sommige plekken voor meer druk. Dat is de realiteit van
de keuze die wij maken. We zijn ons daar ten volle van bewust, want we geven zelf
de cijfers die daarmee samenhangen. Tegelijkertijd is dat een keuze waar we vol achter
staan. We werken er met elkaar aan om die keuze zo goed mogelijk te implementeren.
Dat is waar ik voor sta.
De heer Dassen (Volt):
Het is dan in ieder geval duidelijk dat de Minister daarvoor gaat staan. Dan markeren
we dat luid en duidelijk voor het debat dat in de toekomst zal plaatsvinden.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ga dit debat natuurlijk aan, maar alle Kamerleden wisten door alle rondetafelgesprekken
vorig jaar al dat het op dit deelaspect zou vastlopen. Het valt me daarom een beetje
tegen dat er geen maatregelen voorhanden zijn om dit te voorkomen.
Ik ben nog wel even benieuwd naar de gevolgtrekking voor de opvang. Op het moment
dat een beroep nog plaatsvindt, zitten mensen ook nog langer in de opvang. Als blijkt
dat boven op de huidige voorraad het aantal beroepszaken toeneemt, dan gaat ook de
verstopping in de opvang toenemen. Mijn vraag is even of die conclusie klopt. Is dat
de gevolgtrekking? Zo ja, wat betekent dit dan voor de opvang, ook gezien de uitdagingen
die we daarbij hebben?
Minister Van den Brink:
Dat hangt natuurlijk heel erg af van de besluitvorming die op dat punt plaatsvindt.
Als er een status wordt verleend, dan is iemand daarna statushouder en zal hij op
een gegeven moment uit de opvang gaan. In die zin verschilt dat in de groep heel erg
per categorie. Tegelijkertijd hopen we natuurlijk dat we met het plan van aanpak vanuit
de IND, waarop ik later zal terugkomen, de voorraden kunnen wegwerken. Wat is de termijn
waarop dat kan? Ook dat ligt er nu natuurlijk al. Het is dus een complex geheel van
voorraden en verschuivingen in de keten dat maakt dat we hier voor een flinke uitdaging
staan, maar we weten wel waar we voor staan.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De Minister heeft het over het wegwerken van de voorraad bij de IND. Dat snap ik.
Ik ga er ook van uit dat dat gaat lukken, maar ik heb het over de beroepszaken die
bij de rechter liggen. Als iemand bijvoorbeeld procedeert omdat hij een B-status heeft
gekregen, dan is hij toch in ieder geval zo lang als dat voortduurt, verzekerd van
opvang? Als dat boven op de huidige voorraad aan zaken bij de rechterlijke macht komt,
dan betekent dat toch een extra opstopping in de opvangketen? Mijn vraag is: klopt
dat? Als dat klopt, hoe voorkomen we dan dat dit neveneffect van onze opdracht om
de asielketen vlot te trekken, ook tot verstopping leidt?
Minister Van den Brink:
Zoals gezegd hangt dat heel erg af van de situatie waarin de asielzoeker zit. Als
hij een B-status heeft gekregen en daarna naar een A-status wil, dan heeft hij al
geen recht meer op opvang. Daarnaast willen we met het inperken van de nareis de opvang
zien te ontlasten. Verschillende maatregelen hebben dus verschillende effecten. Dat
is de realiteit, denk ik. De optelsom is een flinke opgave.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de collega’s. We hebben wat uitloop. Het is niet heel veel, maar
we hebben wel wat uitloop. Is dit nog een mapje met allemaal vragen, Minister?
Minister Van den Brink:
Ik denk dat de vragen redelijk snel gaan, maar dit zijn de amendementen. Dat is gewoon ...
De voorzitter:
De amendementen, check. Dat is een flink pak.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
...
De voorzitter:
Daar ga ik allemaal niet over, mevrouw Westerveld. We kunnen nu snel overgaan tot
de amendementen. Als iedereen zich in de tweede termijn beperkt tot de moties, dan
kunnen we het volgens mij nog redden met de uitloop die we hebben. Anders hoor ik
graag ordevoorstellen, waarbij de meerderheid in deze ruimte zal moeten beslissen.
Dat hoort ook bij ons werk. Ik kijk eerst even naar mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik hecht eraan dat we dit gewoon afmaken zoals het nu gaat, omdat er heel veel te
bediscussiëren is en er hier best wat fundamentele vraagstukken voorliggen. Zouden
we de tweede termijn later deze week of volgende week kunnen doen, gewoon in de plenaire
zaal? Dat betekent dus dat we de tweede termijn op een ander moment doen. Ik weet
niet hoeveel tijd «wat extra tijd» is, maar het zou fijn zijn als we deze discussie
gewoon verder kunnen afmaken, omdat het wel ergens over gaat, zeg ik met enig gevoel
voor understatement.
De voorzitter:
Oké. Ik kijk even rond; ik ga even een rondje doen.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik wil ook wel graag reageren. Ik vind dat het debat gewoon ordentelijk moet worden
afgemaakt. Wat geeft de doorslag om niet door te gaan? Als het gaat over de medewerkers,
dan zeg ik in alle voorzichtigheid: overwerken hoort een beetje bij het bedrijf. Als
de Minister iets anders in zijn agenda heeft ... Ik kan me niet voorstellen dat er
nu iets belangrijker is dan dit pact. Ik zou dus gewoon zeggen: doorgaan tot het netjes
af is.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Daar wil ik me eigenlijk wel bij aansluiten. Laten we gewoon proberen om dit vanavond
nog af te ronden. Volgens mij moet dat lukken, ook gezien de vragen. Ik zag dat dat
nog wel redelijk te doen is. Dus volgens mij kan het makkelijk afgemaakt worden.
De heer Boomsma (JA21):
Ik zou ook het liefst nu doorgaan, maar hoelang hebben we dan?
De voorzitter:
Ons is indicatief aangegeven: 18.30 uur. Maar ik hoor wat de collega’s zeggen. Ik
kan me voorstellen dat je ten aanzien van de amendementen even kort vraag en antwoord
met de Minister wilt hebben. Ik denk ook dat het moet kunnen, maar we kunnen denk
ik niet tot 22.00 of 23.00 uur doorgaan. Ik wil dat best toelichten, maar ik vind
het ook niet helemaal netjes om dat in het openbaar ... Het heeft met medewerkers
te maken die hier ook al vanaf vroeg zijn en die niet continu, non-stop, kunnen werken.
Het heeft onder andere te maken met de verslaglegging. Dus daar heeft het mee te maken,
maar ik denk dat we best ... Hoe sneller, hoe beter, als we ons best doen. Dan gaan
we gewoon door.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik stel voor dat we de Minister zijn beantwoording laten doen, ook over de amendementen,
en dat we dan kort, vijf minuten, schorsen om even te overleggen. Dan kunt u misschien
privé wat toelichten wat niet in het openbaar kan. Dan kunnen we tot een conclusie
komen. Want wie weet duurt dit ook weer een uur. Dan weten we in ieder geval waar
we aan toe zijn.
De voorzitter:
Ik hoor de intentie van iedereen. Laten we gewoon zo snel mogelijk doorgaan. De Minister
was goed op dreef, dus dan gaan we dat zo doen.
Minister Van den Brink:
Dank u wel. Ik kom bij de vraag van de heer Van Asten over of het alternatief voor
de tewerkstellingsvergunning op 12 juni klaar is. De toegang tot de arbeidsmarkt valt
onder verantwoordelijkheid van de Minister van SZW. Met de implementatie van de herschikte
Opvangrichtlijn is er op dit moment voor gekozen om de tewerkstellingsvergunningplicht
in stand te houden. Als wij deze vergunningplicht afschaffen, moet de werkgever kunnen
beoordelen of de asielzoeker mag werken. Het is op dit moment niet mogelijk om deze
informatie direct beschikbaar te stellen aan de werkgever. Maar het kabinet heeft
in het coalitieakkoord aangekondigd dat het gaat verkennen hoe het dit kan oplossen,
zodat er geen vergunning meer nodig is. We moeten daarbij letten op de privacy van
de asielzoeker en bekijken wat technisch mogelijk is. Dan komen we bij de systemen
van het UWV en de IND aan. Die oplossing zal niet gevonden worden voor de Opvangrichtlijn
in werking is. Daarom is er nu voor gekozen om de vergunningplicht in stand te laten,
maar we zijn er wel volop mee bezig.
Dan had mevrouw Straatman, en volgens mij ook de heer Boomsma, een vraag over ...
De voorzitter:
Momentje. De heer Van Asten.
De heer Van Asten (D66):
Ik was er al een beetje bang voor dat het niet voor 12 juni zou lukken. Nou is er
natuurlijk ook nog een taskforcebrief gekomen, om voor de zomer daar een heel verhaal
neer te zetten. Volgens mij werd die daar ook in genoemd. Dus daar komt dan wel echt
het verhaal over de onmogelijkheden en de mogelijkheden, en vooral over wanneer die
verandering gaat plaatsvinden, want het is natuurlijk niet voor niets opgeschreven.
Minister Van den Brink:
Nee. Dat is een terechte vraag en toevoeging. Dat huiswerk zal ik ook meenemen in
de uitwerking van de taskforce met mijn collega’s. Dan zal ik voor de zomer inzichtelijk
maken wat ... Ja.
Mevrouw Straatman vroeg wat dit betekent ... Even nog in aanvulling op wat afgelopen
week bekend is gemaakt over de inwerkingtreding van de lagere regelgeving: asielzoekers
voor wie de toegang tot de arbeidsmarkt niet is uitgesloten mogen na zes maanden werken.
De komende tijd verkennen we met het UWV en IND gezamenlijk op welke wijze de uitvoering
van dit proces in de tussenliggende periode op een zorgvuldige manier kan worden voortgezet
om naar die drie maanden te komen. Dus daar zijn we nu mee bezig. Ik zal er ook verder
over spreken met mijn collega.
Dan is er nog de vraag van mevrouw Straatman, mevrouw Van der Plas en de heer Van
Dijk over de monitoring ten aanzien van de Europese afstemming over het pact. Ik heb
er volgens mij net ook al wat over gezegd. Die voortgang vindt dus plaats met allerlei
rapportages. De plek waar ik dat bespreek, is de Europese JBZ-Raad. Daar spreken we
er met elkaar over. De Europese Commissie monitort de voortgang. Dat heb ik eerder
ook al gezegd.
Ik heb al iets gezegd over de versoberde opvang.
Dan had de heer Ellian een vraag over het onderscheid dat we maken tussen de titel
en de vergunning. Dat was zeker geen rookievraag, want ik heb hier ook op zitten studeren
nadat ik het Raad van Stateadvies had gelezen. Dit is eigenlijk het huidige stelsel
dat wij kennen in het vreemdelingenrecht. We hebben dus de titel en de vergunning.
Daarbij is eigenlijk aangesloten bij de toepassing uit de Kwalificatieverordening.
De verblijfstitel is dus het document waaruit het rechtmatige verblijf blijkt. Aan
de verblijfstitel is een geldigheidsduur gekoppeld. De verblijfsvergunning is de status
waarmee de vreemdeling is erkend als vluchteling of subsidiair beschermde. Aan de
verblijfsvergunning is dus eigenlijk geen geldigheidsduur gekoppeld. Het verlopen
van de verblijfstitel leidt niet automatisch tot het verlies van het verblijfsrecht,
zoals u zelf ook al aangaf. Je kan dat pasje kwijtraken, net als dat je je paspoort
kan kwijtraken, maar dan ben je nog steeds toegelaten als vluchteling of subsidiair
beschermde. De toepassing die hierin is gekozen, is eigenlijk in lijn met hoe we het
hadden. Er is voor de uitvoering gekozen om dat zo te laten.
De voorzitter:
Ik heb een rookievervolgvraag, als het mag van de collega’s. Het verliezen van de
verblijfstitel sorteert dus niet echt voor op een rechtsgevolg, toch?
Minister Van den Brink:
U ziet dat ik naar rechts kijk. De titel kun je alleen verliezen op het moment dat
de gronden voor de asielstatus niet meer geldig zijn. Dat kan het meest voorkomen
bij een subsidiair beschermde. Die heeft namelijk te horen gekregen: «U mag hier blijven,
want u bent op de vlucht voor een conflict in uw land. Daarom heeft u de titel van
subsidiair beschermde gekregen.» Die kan pas vervallen als uit het landenbeleid blijkt
dat er in de regio waar die vandaan kwam, geen oorlog meer is. De Syrische situatie
is daarbij het meest praktische voorbeeld van nu. Daarmee vervalt zijn titel. Daardoor
vervalt dan de vergunning na de periode dat die verlopen is. Excuus, ik bedoel: daarmee
wordt de vergunning ingetrokken.
De voorzitter:
Ik geloof dat ik het begrijp. Gelet op de tijd zoeken we een ander moment.
Minister Van den Brink:
We gaan er allebei verder op studeren.
Ik kom aan bij de wetstechniek. Daarin zitten ook allerlei zaken die de politieke
discussie raken over wat een nationale kop is. Mevrouw Westerveld vraagt: «De regering
maakt op verschillende punten keuzes die niet dwingend voortvloeien uit het pact.
Klopt dit? Wat is de reden waarom de regering hiervoor gekozen heeft?» Ondanks de
vele verplichtingen die worden voorgeschreven in het pact, is het nodig dat lidstaten
een aantal nationale operationele uitvoeringskeuzes maken, om in de praktijk tot een
werkend asiel- en migratiestelsel te komen. Daar waar ruimte zit voor nationale uitvoeringskeuzes
heeft het kabinet ervoor gekozen deze zo doelmatig en efficiënt mogelijk in te voegen
in het Nederlandse systeem. Daarnaast hebben we ook keuzes gemaakt over het beperken
van de instroom, het ontlasten van de asielketen en het niet onnodig aantrekkelijker
maken van ons als bestemmingsland dan andere landen. Voorbeelden van ruimte binnen
het pact zijn de versobering van de asielprocedure, de inrichting van de counseling,
de aanscherping van de voorwaarden voor nareis, het verkorten van de geldige duur
van de verblijfstitel en de verkorting van de beroepstermijnen. Daar zitten dus zeker
al die keuzes in.
Een van de keuzes waar al langere tijd discussie over is geweest, ook in de vorige
asielwetgeving, betreft de vergunning voor onbepaalde tijd. Het onderscheid tussen
de asielvergunning voor bepaalde tijd en de asielvergunning voor onbepaalde tijd kent
het Unierecht zelf niet. In het Unierecht wordt daar dus niet over gesproken. Internationale
bescherming blijft bestaan totdat deze wet wordt ingetrokken. Ik probeerde net uit
te leggen hoe dat zit met de titel, als je een verblijfstitel hebt. Dit volgt ook
uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, met arresten
met prachtige namen, zeg ik tegen degenen die daarom hebben verzocht. Het verstrekken
van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, die niet meer kan worden ingetrokken,
doet afbreuk aan de verplichting om een verblijfsvergunning in te trekken indien daar
noodzaak toe is. Ik moet het goed zeggen: de Kwalificatieverordening verplicht ons
om ’m in te trekken op het moment dat de reden voor bescherming is vervallen. Je kan
iets waar je een vergunning voor onbepaalde tijd hebt afgegeven, niet intrekken. Dat
is de reden waarom het vorige kabinet vooruitlopend op dit pact heeft besloten om
de vergunning voor onbepaalde tijd af te schaffen en die om te zetten naar een tijdelijke
vergunning van drie jaar.
De vervolgvraag is wat dit betekent voor de naturalisatie. Daarom is in dit coalitieakkoord
afgesproken wat bij de bespreking van de vorige wetgeving nog niet duidelijk was,
namelijk dat naturalisatie mogelijk is na twee tijdelijke vergunningen van drie jaar,
indien de persoon een taalniveau van B1 heeft weten te bereiken in de inburgering.
Dat zijn allemaal dingen die nog moeten worden gewijzigd, maar dat is het voornemen
van dit kabinet.
De heer Dassen vroeg of het uitvoeringsproblemen oplevert met de andere asielwetten.
Er ontstaan geen problemen met de wetgeving of de uitvoering ervan als de Asielnoodmaatregelenwet
en de Wet invoering tweestatusstelsel worden aangenomen. Er is namelijk voorzien in
samenloopbepalingen in deze wetgeving, zodat onderwerpen die in deze asielwetten zijn
geregeld, ook na inwerkingtreding van de uitvoeringswet bij het pact hun werking behouden.
Daar is dus in voorzien. Daar zitten natuurlijk wel dubbelingen in. Daarvan heb ik
net aangegeven dat het noodzakelijk was om het pact op een goede manier neer te zetten,
ook met de twee asielwetten die we al kenden.
Dan kom ik bij de vragen over de nareis.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik had nog een hele praktische vraag gesteld, namelijk over het kunnen meedoen, waar
het coalitieakkoord het over het heeft. Voor een werkgever is het niet heel aantrekkelijk
om iemand in dienst te nemen als niet zeker is hoelang deze persoon kan blijven.
Minister Van den Brink:
We hebben op dit moment een vorm van vertraagd meedoen, pas na zes maanden. Pas sinds
kort zien we daarvan af. Ik denk dat het feit dat we naar drie maanden gaan, sowieso
al een enorme verbetering is voor de positie van mensen die hier zijn, ook voor hun
integratie, het meedoen en het kunnen leveren van een bijdrage – alleen als je kansrijk
bent. Ik zie dus vooral voordelen aan de kant van de asielzoeker. Ik kan nog niet
helemaal overzien hoe dat aan werkgeverskant moet worden gelezen, omdat we nog niet
zover zijn. Soms denk ik zelf nog: hoe gaan we dat op een goede manier begeleiden?
Op zich denk ik dat het de integratie van de mensen die hier mogen blijven alleen
maar versterkt. Als mensen uiteindelijk weer terug zouden moeten gaan omdat de subsidiaire
bescherming vervalt, hebben ze hier toch mogelijk skills opgedaan die ze weer kunnen
gebruiken in het land van herkomst.
Net heb ik al aangegeven hoe we naturalisatie voor ons zien.
Dan de versobering van de gezinshereniging. Dit Asiel- en migratiepact gaat uit van
het tweestatusstelsel. Zo bepaalt de Procedureverordening dat vreemdelingen die een
subsidiaire beschermingsstatus krijgen, de mogelijkheid moeten hebben om naar de rechter
te stappen om het niet-verkrijgen van de vluchtelingenstatus aan te vechten. Dat is
echt nieuw ten opzichte van het verleden. Wij hebben daar zelf met het tweestatusstelsel
nareisbeperkingen aan gekoppeld. Dat heeft ermee te maken dat we hiermee harmoniseren
met de ons omliggende landen en anderzijds een bijdrage hopen te leveren aan het verminderen
van de instroom en tegelijkertijd de opvang willen ontlasten. Dat zijn de redenen
waarom daarvoor is gekozen, waarom het kabinet daarvoor kiest.
Dat geldt ook voor het inperken van het kerngezin. Dat is teruggebracht tot de verplichtingen
zoals ze volgen uit de Gezinsherenigingsrichtlijn. Er is enkel een plicht ten aanzien
van nareis van gehuwde partners en minderjarige kinderen. Ook hierover is in de vorige
wetgevingsronde al veel en uitvoerig gedebatteerd. Hierover is toen gezegd, en dat
geldt nog steeds, dat wij de 8 EVRM-toets onverkort handhaven. Dus: de aanvraag komt
en daarna zal de IND moeten toetsten aan 8 EVRM. Op die manier zal tot een belangenafweging
en een oordeel worden gekomen.
Hier kom ik nog een keer de wetswijziging ten aanzien van de telefoons tegen. Die
vraag heb ik al beantwoord.
De heer Van Asten (D66):
Ik heb een vraag over de toetsing aan 8 EVRM. Kan dat automatisch worden gedaan, of
moet er apart een beroep op worden gedaan?
Minister Van den Brink:
Dat is automatisch, ja.
De voorzitter:
Ambtshalve; mijn juridische hart gaat ...
Minister Van den Brink:
Ambtshalve.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Over dat laatste punt hebben we inderdaad een debat gehad, maar uitbesteden aan het
EVRM wordt eigenlijk wel als zwaktebod gezien. Elk land wordt geacht deugdelijke wetgeving
op te stellen. Daarin niet voorzien in de verwachting dat een andere rechter dat wel
rechttrekt, getuigt niet van goede wetskwaliteit. Is de Minister het daarmee eens?
Geeft dat reden om bepaalde zaken waarvan we weten dat een beroep op 8 EVRM wel degelijk
succesvol kan zijn, nu al in de wet of in het beleid te implementeren?
Minister Van den Brink:
Deels ziet dat op uw amendement, waar ik straks ook op terugkom. Uiteindelijk doet
de IND die toets. In de regel is het niet gelijk de rechter, maar is het gewoon de
IND die de ambtshalve toets zal toepassen. In die zin ligt dat als een belangenafweging
bij de IND, ook op basis van alle jurisprudentie die daarover bekend is. Dat is gek
genoeg al best een kader, want de IND weet natuurlijk in welk kader die belangenafweging
moet worden gemaakt.
De voorzitter:
Meneer Ceder, heel kort.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Klopt het dat voor de IND ... IND is gehouden aan wetgeving en uiteraard ook aan beleidskaders.
Dan is alsnog de vraag – die loopt misschien vooruit op het amendement, maar er zit
wel een principiële vraag onder, namelijk de kwestie van wetskwaliteit – of we daar
waar we weten dat een mogelijk EVRM-beroep succesvol kan zijn, al niet eraan gehouden
zijn om dat in wetgeving op te nemen zodra het kan. Ik denk dat de wetskwaliteit in
ons land überhaupt een belangrijke afweging is.
Minister Van den Brink:
De keuze is geweest – die hebben verschillende partijen eerder gemaakt en wordt nu
ook in dit coalitieakkoord herbevestigd – om de Gezinsherenigingsrichtlijn daarop
van toepassing te laten zijn. Dat gaat dus om de gehuwde partners en de minderjarige
kinderen. Uiteindelijk is het natuurlijk een individuele toetsing. In die zin wordt
die altijd individueel getoetst aan de omstandigheden en de belangen van de aanvrager,
in de situatie waarin hij of zij leeft en met wie hij wel of niet samenwoont of duurzaam ...
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dan even praktisch; dat zat ook in mijn vraag. Wordt het dan de facto moeilijker voor
iemand die samen is met iemand van hetzelfde geslacht en bijvoorbeeld niet in het
land van herkomst kan trouwen dan voor partners die wel getrouwd zijn?
Minister Van den Brink:
De Opvangrichtlijn zegt over de eerste categorie, van mensen die gehuwd zijn, al gelijk:
dat is een kwalificatie. Dan moet je dat natuurlijk nog steeds bewijzen, dus het is
niet zo dat het onmiddellijk wordt aangenomen; daar hoort een hele procedure bij.
Voor de tweede groep moet het dan doorgetoetst worden op 8 EVRM, zoals dat heet. Dan
komt in die situatie eigenlijk dezelfde vraag op tafel. Alleen moet daar dan wel ook
een toets op plaatsvinden. Die is niet automatisch vanwege de wettelijke vrijheid
van de Gezinsherenigingsrichtlijn, maar dan op basis van 8 EVRM. Het gebeurt dus eigenlijk
via een ander kader.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Maar ook hiervoor geldt: dat zouden we dan toch, als Nederland als voorlopersland
dat we ooit waren, gelijk moeten willen? We zouden toch helemaal geen onderscheid
moeten maken tussen mensen die met iemand van hetzelfde geslacht samen zijn, of ze
nou getrouwd zijn of niet, en iemand die wel getrouwd is? Daar zou toch geen onderscheid
in moeten zitten? Dat kunnen we dan toch ook gewoon regelen in Nederland?
Minister Van den Brink:
Daarvoor hebben we dus de Gezinsherenigingsrichtlijn gevolgd, waarin het kerngezin
is geformuleerd zoals het nu in de wetgeving is vastgesteld. Tegelijkertijd maakt
die het niet onmogelijk en zal het dus via die 8 EVRM-route nog steeds mogelijk blijven. In die zin is het een andere route, maar is het
nog steeds mogelijk.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ja, maar dan komen we weer terug op het punt dat de heer Ceder maakte. Het is nog
steeds mogelijk, maar het is wel een andere route, die de facto meer barrières oplevert
en waarbij we mensen dus ook niet gelijk behandelen. Dat is hier volgens mij het hele
punt.
Minister Van den Brink:
Volgens mij zit de behandeling verankerd in de Gezinsherenigingsrichtlijn, die wij
hebben overgenomen. Tegelijkertijd voeren we het 8 EVRM-kader onverkort uit. In die
zin komt dat dus in de belangenafweging uiteindelijk bij elkaar.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Als ik de argumentatie van de Minister volg, dan is er dus geen gevaar als de amendementen
die ik met mevrouw Westerveld heb ingediend, worden aangenomen, omdat er daarmee de
facto niets verandert, behalve dat je in plaats van je te werpen op een 8 EVRM-toets,
het gewoon deugdelijk in de wet inbouwt. Klopt dat, of zit er toch een verschil in?
Zo ja, kan de Minister dat dan aangeven? Dat bleek namelijk niet uit de beantwoording.
De voorzitter:
In het licht van de efficiëntie gaan we deze discussie niet bij het amendement nog
een keer voeren, toch? Dan kijk ik de collega’s wel aan.
Minister Van den Brink:
Ik wil er ook wel bij de amendementen op ingaan.
De voorzitter:
Daarom vraag ik even of we het nu doen.
Minister Van den Brink:
Laten we ’m dan bij de amendementen doen.
De voorzitter:
Gaan we het bij de amendementen doen dan? Oké.
Minister Van den Brink:
Dan heb ik nog de vraag of ook de Terugkeerverordening op 12 juni 2026 in werking
kan treden als zij binnenkort via de triloog al zou zijn afgedaan. Die verordening
is nog niet vastgesteld. De triloog loopt. Er is een implementatietermijn van twee
jaar opgenomen, maar we maken ons natuurlijk hard voor de Terugkeerverordening in
aanvulling op het pact en we sturen op een zo spoedig mogelijke invoering. We zijn
natuurlijk ook al bezig met zaken waarmee we gewoon aan de slag kunnen, waaronder
de terugkeerhubs, maar hiervoor geldt dat een goede en zorgvuldige implementatie zowel
voor de uitvoering als voor het wetgevingstraject van groot belang is, want een te
korte implementatietermijn leidt tot het risico dat de Nederlandse wetgeving niet
tijdig is aangepast. Ook in deze procedure moeten we ons al behoorlijk haasten om
die rond te maken. We zullen ons dus inzetten voor een passende invoeringstermijn.
Hoe zorgen we dat de rechtsbescherming van asielzoekers is geborgd? Dat was een vraag
van de heer Ceder. Een aantal maatregelen in het wetsvoorstel hebben als doel om de
asielprocedure efficiënter te maken en de vreemdeling sneller duidelijkheid te bieden
over zijn aanvraag, bijvoorbeeld door de snellere toets op nieuwe feiten en omstandigheden
bij opeenvolgende aanvragen en het schrappen van onverplichte nationale procedurestappen,
zoals de voornemenprocedure. Dat laat onverlet dat een zorgvuldige asielprocedure
gewaarborgd blijft, ook via het Unierecht. De mogelijkheid blijft bestaan om via gemachtigden
correcties en aanvullingen in te dienen op het verhoor. Daardoor is er in deze procedure
nog steeds sprake van hoor en wederhoor.
Dan nog de vraag van de heer Ceder wat de verhouding is tussen die twee wetten en
deze wet. Daar hebben we al een beetje over gesproken. Er is door het vorige kabinet
voor gekozen om die twee wetten al in procedure te brengen. Ik denk dat je ook verschillende
momenten kan aanwijzen die ervoor hebben gezorgd dat die wetten niet al verder zijn.
Een novelle zorgt ook niet echt voor een versnelling van de procedure. In die zin
zouden onderdelen van deze wetten volgens mij anders al in werking getreden kunnen
zijn en zouden zij dan ook al het effect hebben gehad waar de IND op hoopte, met name
op het punt van de voornemenprocedure. Ik ben nu bezig om deze route netjes af te
lopen en in de Eerste Kamer de route gewoon af te maken. Dat komt ergens in de komende
periode bij elkaar, maar ze zijn in ieder geval op 12 juni allebei van kracht.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ben blij dat het geblunder in de Tweede Kamer er eigenlijk voor gezorgd heeft dat
strengere asielmaatregelen langer op zich hebben laten wachten dan nodig; de Minister
zegt dit wat diplomatieker, maar ik vertaal dat tussen de regels door. Maar mijn vraag
is niet beantwoord: wat is tussen 12 juni en het aannemen van die andere wet materieel
het verschil als de Noodmaatregelenwet wordt weggestemd? Kunt u aangeven wat het belang
daarvan is?
Minister Van den Brink:
Een aantal procedurele stappen waar de IND al lange tijd om vraagt, zullen direct
toegepast worden; dan hebben we het alleen over de Asielnoodmaatregelenwet. Het verschil
betreft natuurlijk de drie elementen die geamendeerd zijn: een deel van de ongewenstverklaring,
de dwangsommen en de strafbaarstelling van illegaliteit ofwel het niet meewerken aan
terugkeer. Die drie zaken zitten niet in dit traject van het Migratiepact. Voor het
tweestatusstelsel geldt natuurlijk de onmiddellijke werking, waardoor de nareisbeperkingen
kunnen worden toegepast, wat natuurlijk wel weer effect heeft op de opvang. U merkte
terecht op dat dat effect natuurlijk tijdelijk is, want het is een beperking van nareizen
in de tijd, dus niet het uitschakelen van nareizen. Dat zijn dus de verschillen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voor de verslaggeving: heb ik het goed begrepen dat zonder die drie amendementen,
dus met het originele voorstel van het kabinet, het materiële effect een tijdswinst
van pakweg 28 dagen is en dat alle capaciteit en mankracht daarvoor zijn opgetuigd
ten behoeve van drie verschillende wetstrajecten, namelijk allereerst het Migratiepact,
dan het tweestatusstelsel en dan het andere noodmaatregelenpakket? Klopt mijn constatering?
Terugkijkend wil ik weten of dit aan het eind van de streep wel degelijk het materieel
effect is.
Minister Van den Brink:
Dat is moeilijk te veronderstellen, omdat de rekensom in de toekomst zit. Ik weet
niet precies wanneer deze wetten wel of niet worden aangenomen. Met terugwerkende
kracht denk ik dat op dat moment iets anders is verondersteld, namelijk dat die wetgeving
wel degelijk al voor de zomer rond zou zijn. Ik heb dat altijd zo begrepen en in de
rol die ik toen aan uw kant had, heb ik dat ook zo gelezen. Dat is de verandering
die zich in de tijd heeft voorgedaan en waarom we nog steeds met man en macht werken
om die asielwetgeving nu toch zo snel mogelijk aangenomen te krijgen. Ook hier geldt
immers dat elke dag eerder winst in de uitvoering is.
De voorzitter:
Meneer Ceder, u kent mij als iemand die graag veel ruimte geeft voor debat, maar u
heeft by far de meeste en de langste interrupties gedaan. Ik weet dat dit onderwerp
u enorm aan het hart gaat, dus daarom sta ik deze interruptie toe, maar ik zie u al
knikken. Ja? Dank u.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik zal het inderdaad kort houden, voorzitter. Klopt mijn veronderstelling dat met
de kennis van nu het Migratiepact veel eerder af had kunnen zijn als wij dat traject
van het tweestatusstelsel en die andere niet gevolgd hadden, en dat zodoende de knelpunten
die nu verwoord worden door onder andere de IND waarschijnlijk niet of minder van
toepassing zouden zijn geweest?
Minister Van den Brink:
Die overtuiging heb ik niet, bijvoorbeeld doordat ik zie hoe hard er vanaf het moment
dat het Migratiepact in Europa is aangenomen – dat was, uit mijn hoofd, in mei 2024
– aan gewerkt is. Toen is er gelijk gestart met de uitvoering, uitvoeringstoetsen
en gesprekken. In december van dat jaar lag er een consultatieversie van de wet. Die
is in consultatie gegaan. Dat is verwerkt. Daarop is een Raad van Stateadvies gevraagd.
Er is een nader rapport gekomen. Dat lag toen in december hier in de Kamer. Vanuit
het oogpunt van wetgevingstermijnen voor een Europese verordening is dit een snelwegroute
geweest, met dank aan de enorme inzet van heel veel mensen. Die liep bovendien parallel
aan alle andere inzet die er is geweest. Dat is ook waar, maar er had in die zin geen
versnelling in kunnen zitten, verwacht ik.
De voorzitter:
Bon. Waar was u, Minister?
Minister Van den Brink:
Bij overig.
De voorzitter:
«Overige belangrijke zaken» heet dat tegenwoordig. Dat is een dun mapje, toch?
Minister Van den Brink:
Ja.
De voorzitter:
Mooi. Daar gaan we dan vliegensvlug doorheen.
Minister Van den Brink:
Ik begin bij het onderwerpje taal, een vraag van mevrouw Straatman. Taal is essentieel
om mee te kunnen doen. Wat is de ruimte om daar een eigen bijdrage voor te vragen,
vraagt mevrouw Straatman. Een van de oorzaken van een versnipperd taalaanbod, want
dat hebben we natuurlijk wel, is dat op dit moment veel gebruik wordt gemaakt van
noodopvang, waardoor het moeilijker is om dat aan te bieden. Daarnaast verblijven
er veel statushouders in de opvang die vanuit de voorinburgering ook al bezig zijn
met taallessen op een opvanglocatie. Ook dat maakt het aanbod versnipperd. Daarom
wil het kabinet de plek voor noodopvang in de komende periode vervangen door gewone
opvangplekken. We zijn volop in gesprek met gemeenten over de vraag hoe we dat op
een goede manier kunnen spreiden over het land. Daarnaast wil het kabinet meer inzetten
op taalles vanaf de start van de asielprocedure. Ook dat punt komt in de uitwerking
van de Taskforce Migratie, waarnaar de heer Van Asten net vroeg. Daarmee kunnen we
het taalaanbod echt verbeteren. Als op een zeker moment het taalaanbod uniform en
stabieler is, zal er worden bekeken of het opportuun is daar een bijdrage voor te
vragen. Die ruimte is er namelijk wel in de Opvangrichtlijn.
Mevrouw Lammers vroeg naar de gedwongen uitzetting van mensen die hier niet meer mogen
blijven. Ik denk dat mevrouw Vondeling die vraag ook heeft gesteld; dat heeft zij
in ieder geval eerder ook gevraagd. Een klein aantal – echt een heel klein aantal
– Europese landen is heel in het klein begonnen met een beperkt aantal Syriërs gedwongen
te laten terugkeren. Syrië is op dit moment nog in een fase van reconstructie en wederopbouw.
Van grootschalige gedwongen terugkeer is op dit moment nog geen sprake. Nederland
zet in op terugkeer van vertrekplichtige Syrische vreemdelingen naar Syrië. Vorig
jaar zijn er meer dan 1.000 Syriërs vrijwillig teruggegaan. Er vinden wel doorlopend
gesprekken plaats met de Syrische autoriteiten om gedwongen terugkeer mogelijk te
maken, maar aan hun kant wordt dat nog helemaal opgebouwd. De overheid daar is nog
in ontwikkeling. We hebben wel geïnvesteerd in een brede samenwerking met Syrië die
bijdraagt aan het verbeteren van de omstandigheden om duurzame terugkeer mogelijk
te maken, zowel vrijwillig als gedwongen. Zodra de mogelijkheid zich aandient, zullen
wij daar gebruik van maken, maar de Dient Terugkeer en Vertrek is echt afhankelijk
van de capaciteit bij de Syrische autoriteiten, ook voor het afgeven van de nodige
documenten.
Mevrouw Lammers vroeg nog naar het voorstel tot afschaffing van de voorlopige voorziening.
Zou dat kunnen, want België en Duitsland hebben die ook niet, was haar vraag. De hoofdregel
is dat een door de asielzoeker ingesteld beroep opschortende werking heeft. Dit betekent
dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten. Maar onder de nieuwe
regels van het pact zijn daar wel een aantal uitzonderingen op. In die situaties mag
de asielzoeker de behandeling van zijn beroep niet automatisch afwachten. De Asielprocedureverordening
schrijft in dat geval voor dat de asielzoeker in die situatie de rechter middels een
voorlopige voorziening dient te vragen zijn beroep toch te mogen afwachten. Dan mag
hij dus niet worden uitgezet. Afschaffing van de voorlopige voorziening is onder het
pact dan ook niet mogelijk. Ook andere lidstaten zijn aan de Asielprocedureverordening
gehouden, dus ook in die landen zou dat niet meer moeten kunnen onder de werking van
dit pact.
De binnengrenscontroles heb ik al gedaan.
De heer Boomsma (JA21):
Nog even over Syrië. Er is een motie aangenomen om daar een actieplan voor op te stellen
om daaraan te gaan werken. De Minister zegt nu: 1.000 mensen zijn vrijwillig teruggekeerd.
Dat zegt natuurlijk al heel veel. Dat betekent dat het voor bepaalde groepen veilig
is. Ik denk dat er ook groepen zijn voor wie dat niet geldt, bijvoorbeeld bepaalde
minderheden. De Minister zegt: we zijn in overleg met de autoriteiten om daar afspraken
over te maken. Kan hij iets nader duiden wat nou de tijdlijn daarvan is? Waar stuurt
men op aan? Wij vinden het echt belangrijk dat hier zo snel mogelijk mee wordt begonnen.
Minister Van den Brink:
Daar zal ik u, denk ik, bij de volgende JBZ-Raad over kunnen informeren. Het is ook
iets praktisch, in die zin dat Syrië helemaal niet veel ambassadelocaties heeft. De
enige plek die zij hebben, is in Brussel. Alle lidstaten proberen dus via die route
in contact te komen en dit soort aanvragen af te stemmen. Er zit ook echt een logistiek
en praktisch onderdeel aan de situatie. Ik zal daar bij de volgende JBZ-Raad opnieuw
verslag van doen.
De heer Boomsma vroeg naar eerder werken. Hij zei: het mag niet een extra motief worden
om extra asiel aan te vragen. Dat zijn wij ook niet voornemens. Maar ik moet dit verplaatsen,
want dit zit ook in uw amendement verpakt. Dat doe ik dus zo meteen even.
De heer Boomsma vroeg ook of gemeenten klaar zijn met de inrichting van de BRP-straten.
Er heeft een uitbreiding plaatsgevonden van de BRP-straten. De achterstanden die er
waren, zijn ingehaald. Er zijn negen gemeenten met een BRP-inschrijfvoorziening. Op
dit moment wordt een asielzoeker uitgenodigd voor een afspraak bij zo’n BRP-straat
na een verblijf van zes maanden in Nederland. De identiteit van de asielzoeker moet
zijn aangetoond voordat diegene daar kan worden ingeschreven. Na 12 juni wordt de
termijn voor de inschrijving verkort van zes naar drie maanden. Dat is natuurlijk
ook weer heel handig, omdat ook de termijn om te gaan werken drie maanden is. Daarvoor
heb je die inschrijving met je bsn-nummer nodig.
Meerdere mensen hebben gevraagd: wat is er nou nog mogelijk als we toch nog Crisisverordeningen
en noodmaatregelen zouden moeten inroepen dan wel treffen, ook in Europees verband?
In de Crisisverordening is een kwalitatieve definitie opgenomen van een crisissituatie.
Dat gaat dus niet om een getal, maar om een uitzonderlijke situatie van massale aankomst
van onderdanen van derde landen in een lidstaat, van een zodanige omvang en aard,
rekening houdend met onder meer de bevolking, het bbp en specifieke geografische kenmerken
van de lidstaat, waaronder de omvang van het grondgebied, dat ze daar zelfs het goed
voorbereide asielstelsel en opvangstelsel niet meer in stand kunnen houden en vastlopen.
Dat is de titel waaronder dit kan worden ingeroepen, maar daarna is nog steeds een
gesprek met de Commissie noodzakelijk om te bepalen wat het vervolg daarop gaat zijn.
Op dit moment is dus eigenlijk nog helemaal niet uitgewerkt hoe dat eruit komt te
zien, dus dat zal, denk ik, echt nog een politieke weging krijgen zodra we daar een
keer bij komen.
Mevrouw Teunissen merkte nog op dat er heel veel aan de hand is in de wereld, niet
alleen wat betreft vluchtelingen, maar ook wat betreft klimaat, oorlogen en al het
andere wat er speelt. Dat is natuurlijk terecht. Tegelijkertijd voel ik mij wat betreft
klimaat niet gelijk degene die daar beschouwingen over zou moeten geven in dit debat,
dus dat laat ik even voor een andere plek.
De heer Ceder heeft nog gevraagd hoe het zit met de uitvoering van de motie over de
modernisering van het Vluchtelingenverdrag. De verkenning naar de noodzaak van de
modernisering of herziening van de verdragen is momenteel in een afrondende fase,
dus ik zal u op korte termijn informeren over hoe wij daartegen aankijken. We hebben
met dit kabinet natuurlijk opnieuw afgesproken dat we daarover in gesprek gaan. Dat
gesprek voer ik ook met mijn internationale collega’s.
Dan voor mij onbekend terrein: het interview met de rechter. Dat heb ik zeker gelezen,
maar daar zijn ook vragen over gesteld door de heren Ceulemans en Boomsma. Daar zal
ik op korte termijn op reageren. Ik zal daar ook overleg over hebben met de collega’s
van Justitie. Ik wilde mij vandaag dus redden met: daarom ga ik daar niet op vooruitlopen.
Dat is eigenlijk mijn reactie voor vandaag. Voor de rest denk ik dat ik niet in de
positie ben dat ik ga over hoe er binnen de rechterlijke macht onderling met elkaar
gediscussieerd of van gedachten gewisseld wordt over hoe men daartegen aankijkt. Ik
denk dat het goed is om mij ook niet in die positie te gaan begeven.
De voorzitter:
Ik zal het kort doen, als de collega’s het goedvinden. In het interview wordt ook
gerefereerd aan een brief van oud-premier Schoof, die aangeeft dat als nationale rechters
steeds via Luxemburg aanpassingen aan migratiebeleid afdwingen, hetgeen wij hier doen,
even vrij vertaald, vrij weinig zin heeft. Is de Minister in ieder geval bereid om
deze hele belangrijke notie mee te nemen? Ik wacht de antwoorden wel af, want dan
kunnen we het er daarna nog een keer met elkaar over hebben.
Minister Van den Brink:
In algemene zin – dan zoom ik even uit – geldt dat wij, ook met dit kabinet, natuurlijk
wel het gesprek in Europa voeren over de toepassing van het EVRM en het Unierecht.
Er wordt op dit moment dus ook overleg gevoerd over het EVRM-interpretatieprotocol.
Ik verwacht daar overigens in mei duidelijkheid over. Het zijn natuurlijk wel elementen
die raken aan de vraag wat ooit de bedoeling van het internationaal recht is geweest
en hoe het op dit moment wordt toegepast in de situatie waarin we zitten. Er is absoluut
reden om daar af en toe opnieuw met elkaar bij stil te staan en daar, als het kan,
ook nieuwe afspraken over te maken.
De voorzitter:
Heel kort. Waar het mij in de kern om gaat – ik vind dat ik het moet opnemen voor
de collega’s van JA21 – is dat een rechter een interview geeft en dat vervolgens,
als de Kamer reageert, wordt teruggezegd tegen de Kamer ... In dat interview wordt
de Kamer geadresseerd over iets wat – ik heb iedereen gehoord – superfundamenteel
is. U ziet dat dit voor mij een vrij principiële kwestie is. Ik weet heel goed hoe
de spreiding der machten werkt. Ik geef de Minister tijd en dan komen we hier later
wel op terug. Meneer Boomsma zegt dat het «scheiding» en niet «spreiding» is. Montesquieu
heeft «spreiding» geschreven.
Minister Van den Brink:
Dit is een interessant debat. Ik heb weer wat geleerd.
In dat kader misschien nog een aanvulling. Wij zijn bekend met de prejudiciële vragen
die vanuit België zijn gesteld. Wij zullen daar mogelijk ook bij betrokken zijn, want
het wordt vaak in samenwerking met verschillende lidstaten gedaan. We gaan dus afwachten
welke uitspraak daarop komt.
Ten slotte de vraag van de heer Ceder over de nationale koppen, de maatregelen die
niet volgen uit het pact. Ik heb die tot nu toe in de hele discussie vermeden, maar
ik zei eerder al dat het kabinet over «onnodige nationale koppen» spreekt. Wij zijn
ervan overtuigd dat de nationale maatregelen die wij toepassen, een bijdrage leveren
aan de werking van ons nationale asielstelsel: het verbeteren van de opvang en het
beperken van de instroom. Wij zijn er dus van overtuigd dat die maatregelen echt goed
zijn om te nemen op nationaal terrein.
Ik denk dat ik dan een heel eind ben.
De voorzitter:
Dat zou top zijn, want dan kunnen we door naar de amendementen. Laten we niet een
heel debat gaan voeren over de nationale koppen. Meneer Ceder was eerst voor een interruptie
en daarna is mevrouw Westerveld.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ga dat debat overslaan, mits de Minister kan toezeggen namens het kabinet hier
nog met een nadere toelichting op te komen. De reden is dat op het gebied van landbouw,
op het gebied van handel, op het gebied van imvo en op het gebied van asiel wij continu
hiermee te maken gaan krijgen. Ik constateer dat elke Minister hier vervolgens een
andere interpretatie aan geeft, terwijl Ministers toch met één mond dienen te praten.
Ik vind dat ingewikkeld en het doet volgens mij ook geen recht aan de eenheid van
het kabinet. Mijn vraag is dus of het kabinet de Kamer een dienst zou kunnen doen
door met een toelichting op dit punt te komen, zodat we in ieder geval weten waar
we aan toe zijn en de debatten die te maken hebben met Europese wetgeving ook zuiver
kunnen voeren met elkaar.
Minister Van den Brink:
Voor mij is de definitie heel helder. Het is namelijk in het coalitieakkoord afgesproken
onder de noemer «onnodige nationale koppen.» Dat is dus de eenheid van kabinetsbeleid
op dat vlak. In de inkleuring zal misschien de ene keer door u worden verondersteld
dat het wél een nationale kop is en een andere keer misschien weer niet. Ik denk dat
er ruimte is in het politieke debat om met elkaar stil te staan bij het politieke
oordeel dat we daarover vellen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Maar het ingewikkelde is wel dat een onnodige kop op een klimaatrichtlijn voor de
Partij voor de Dieren iets anders dan voor bijvoorbeeld BBB als het om landbouw gaat.
Ik vind dit een belangrijk punt omdat ik denk dat we de komende jaren bij de implementatie
van al de richtlijnen vaak hierover het debat zullen voeren met elkaar. Het is ook
belangrijk om coalitiepartijen ergens aan te kunnen houden ten opzichte van een minderheidskabinet.
Ik wil dus toch nogmaals het verzoek doen om hier nader op terug te komen. Dan kan
er ook goed over nagedacht worden. Ik denk dat dit in de verhouding tussen kabinet
en Kamer wat ruis van de lijn af zou halen.
De voorzitter:
Volgens mij is dat een vraag, Minister.
Minister Van den Brink:
Ik ben nog niet echt overtuigd van de noodzaak, maar omdat u dit een belangrijk punt
vindt, zal ik het op z’n minst overbrengen aan mijn collega die ook over de slagvaardige
overheid gaat en die hier ongetwijfeld ook tegen aan gaat lopen in discussies in de
Kamer. Ik zal dus in ieder geval de wens overbrengen, maar ik ga niet toezeggen dat
er een studie op wordt verricht.
De voorzitter:
Oké. Mevrouw Westerveld was eerst.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik zou het ook op prijs stellen, ook al omdat de Minister aanvoelt dat de kritiek
van een aantal collega’s echt ligt op de extra punten die erop zijn gezet, dus de
punten die niet noodzakelijkerwijze voortvloeien uit het Migratiepact. Ik heb ook
nog een onbeantwoorde vraag.
De voorzitter:
Oké. Ik ga zo een rondje ...
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij ziet de Minister al waar ...
De voorzitter:
Dat ga ik zo doen. Eerst mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De nationale koppen zijn inderdaad voor heel veel interpretaties vatbaar. Dat hebben
we de afgelopen maanden, toen BBB in het kabinet zat, ook gezien. De ene keer vond
iemand het wel een nationale kop en de andere keer weer niet. Het was eigenlijk maar
net zoals het uitkwam. Dat staat inderdaad iedereen vrij, maar ik heb er toch behoefte
aan dat de Kamer vanuit het kabinet een soort richtlijn krijgt voor wat er precies
onder «nationale koppen» wordt verstaan, ook omdat in het coalitieakkoord staat: «waar
mogelijk geen nationale koppen». Kijk, uiteindelijk beslist de Kamer zelf; middels
moties en bij wetsvoorstellen kan de Kamer zelf beslissen ergens toch voor of juist
toch tegen te zijn ondanks dat het een nationale kop betreft. Dat is altijd aan de
Kamer. Maar nu wordt het echt op honderdvijftig verschillende manieren uitgelegd.
Ik zou dus de toezegging willen hebben van de Minister dat er een goede richtlijn
komt met daarin wat het kabinet precies wel of niet verstaat onder «nationale koppen».
De voorzitter:
Nogmaals deze vraag, Minister.
Minister Van den Brink:
Ik ga het meenemen naar mijn collega die over de slagvaardige overheid gaat en die
hier denk ik vaak over in debat zal gaan. Maar ik ga nog niet toezeggen op welke manier
we er invulling aan gaan geven.
De voorzitter:
Dat antwoord is duidelijk. Heeft iemand nog een interruptie op dit punt? Op dit punt
niet.
Minister Van den Brink:
Ik ben wel iets vergeten bij mevrouw Westerveld.
De voorzitter:
Ik ga een heel snel rondje doen. Dat betekent niet dat nu alles van stal mag worden
gehaald. Wie heeft er nog een onbeantwoorde vraag? Wat wilt u inbrengen, meneer Dassen?
De heer Dassen (Volt):
Ik had eerder gevraagd naar de Eurodacverordening en hoe biometrische gegevens worden
afgenomen bij kinderen. Op dat punt wordt de verordening helemaal overgenomen, zoals
ik het begrijp. In de verordening staat dat dat met professionele dwang kan gebeuren.
Ik ben van mening dat het onverstandig is om dat te doen. Ik wil de Minister vragen
of hij daarvan kan afzien en kan toezeggen, en in wet- en regelgeving kan opnemen,
dat het zonder dwang gebeurt en dat ambtenaren daartoe worden opgeleid.
Minister Van den Brink:
Ik herinner me – ik heb hier namelijk over gesproken – dat we niet af kunnen van de
verordening. Die bepaalt hoe je de screening moet verrichten. Dat is verplichtend.
Die screening moet worden toegepast zodat de biometrische gegevens worden vastgelegd.
Er is dus geen mogelijkheid van een asielprocedure zonder biometrische gegevens. Maar
mensen die weigeren of kinderen ... Ik was in Ter Apel en toen hebben ze me helemaal
uit de doeken gedaan hoe ze dit gaan inrichten. Bij kinderen wordt daar heel zorgvuldig
mee omgegaan, zodat dat niet leidt tot schrik of allerlei onvoorspelbare situaties.
Daar zijn dus ook mensen bij betrokken die daarin getraind zijn. Dat is een verplichting
die voortvloeit uit de Opvangrichtlijn: bij de omgang met kinderen moet je daarvoor
gekwalificeerd zijn en moet je daarvoor opleidingen hebben gevolgd. Dat is ook al
een beetje een antwoord op de vraag van de heer Ceder. Er zijn dus voldoende waarborgen
aanwezig in de wijze waarop wij daar uitvoering aan gaan geven. Wij geloven dat we
niet te maken krijgen met een uitvoeringsmanier waar u misschien zorgen over hebt.
De voorzitter:
Mevrouw Westerveld, u had ... Ja, meneer Dassen?
De heer Dassen (Volt):
Het wordt verlaagd naar 6 jaar. Dat is echt heel jong. Naar ik begrijp, onder andere
uit de kritiek van de Raad van State, is dat niet in de lagere wet- en regelgeving
opgeschreven, waardoor we wel ruimte overlaten om eventueel dwang te gebruiken. Ik
ben van mening dat dat bij 6-jarigen niet zou moeten kunnen. Daarover gaat mijn vraag
dus. Kan de Minister dit toezeggen?
Minister Van den Brink:
Het is terecht dat u nog even noemt dat het ook om 6-jarige kinderen kan gaan. Je
mag natuurlijk hopen dat die altijd met hun ouders in zo’n situatie zitten, maar sowieso
geldt ook hierbij weer het belang van het kind. Ik ga ervan uit, vanwege de wijze
waarop daarover wordt gesproken en daaraan invulling wordt gegeven, dat dit echt met
alle waarborgen wordt omkleed. Voor uw vraag hoe de lagere regelgeving zich hiertoe
verhoudt, wil ik nog heel even iets checken, dus dan kan ik in tweede termijn misschien
nog even specifiek terugkomen op die vraag.
De voorzitter:
Oké. Mevrouw Westerveld, u had een belangrijke onbeantwoorde vraag. Kunt u die kort
herhalen?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ja, die gaat over de versobering van gezinshereniging. Ik verwees naar het Grondwettelijk
Hof van België. Dat heeft op 26 februari uitspraak gedaan over ...
De voorzitter:
Ik zie de Minister knikken.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Wat betekent dit? Waarom doen wij hetzelfde als de kans bestaat dat deze wetgeving
helemaal niet mag?
Minister Van den Brink:
Wij hebben de keuze voor de nareisbeperkingen gemaakt, omdat we daarmee harmoniseren
met een aantal lidstaten in onze directe omgeving, waaronder België, Duitsland, Zweden,
Denemarken en Oostenrijk, zeg ik even uit mijn hoofd; die landen sowieso. Het is dus
een vorm van harmonisatie en een instroombeperkende maatregel, enkel ziend op de subsidiair
beschermden. Er is eigenlijk nog geen duidelijkheid over wat die situatie in België
gaat betekenen, omdat het op dit moment in meerdere lidstaten wordt toegepast. Om
die reden zijn er ook prejudiciële vragen gesteld. Dat zijn eigenlijk niets anders
dan voorlichtingsvragen, maar dan wel bij het Europees Hof. Dat is belangrijk, want
dat hof geeft interpretatie aan het Europees recht. Wij zijn erbij betrokken om daar
duidelijkheid over te krijgen, want dat is ook voor Nederland van belang en relevant.
Dat is de situatie voor nu. Wij zijn nu dus nog niet in de veronderstelling dat het
de consequentie zal krijgen die nu in België is bepaald. We zullen het nauwgezet volgen
en uw Kamer informeren zodra daar meer over bekend is.
De voorzitter:
Mevrouw Westerveld en dan meneer Boomsma.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Maar dan nog, als we iets gaan doen wat lijkt op wat men in België doet ... Er worden
voorlichtingsvragen over gesteld. Dan kunnen we, denk ik, op z’n minst met elkaar
constateren dat het nogal schuurt met het EVRM, met het recht op gezinsleven. Dan
is de vraag toch: waarom kiest Nederland ervoor om dit te doen? Er zou ook een andere
keuze gemaakt kunnen worden die, vind ik, politiek wenselijker is maar die ook veiliger
is, omdat die gewoon wel mag. Toch?
Minister Van den Brink:
U heeft gelijk in die zin dat die ruimte bestaat. U heeft er ook gelijk in dat dit
een politieke keuze is. Maar goed, we zitten in een politiek-bestuurlijke omgeving,
dus eigenlijk is alles politiek. Maar er zit ook een noodzaak achter, namelijk een
vastgelopen asielsysteem met een hoge instroom en een opvang die helemaal vol zit
en die ook nog steeds voller komt te zitten vanwege de nareizigers. Dat is een van
de redenen die al vaker is bepleit. Dit is een van de beperkingen die wij willen instellen,
omdat we verwachten daarmee meer grip op migratie te krijgen. Dat is de keuze die
dit kabinet maakt.
De voorzitter:
Meneer Boomsma op dit punt.
De heer Boomsma (JA21):
Mij verbaast dit een beetje, omdat het toch al jarenlang staande praktijk is in allerlei
Europese landen om extra voorwaarden te verbinden aan de gezinshereniging van subsidiair
beschermden. Dat doen die landen al jaren. Denk aan Denemarken en Zweden; zelfs Duitsland
heeft het onder Merkel een tijd gedaan. Ik begrijp dus niet zo goed waar deze prejudiciële
vragen over gaan. Zien die op het feit dat je onderscheid maakt tussen vluchtelingen
en subsidiair beschermden of zien die op specifieke voorwaarden?
De voorzitter:
Die prejudiciële vragen, hè.
Minister Van den Brink:
Houd u mij ten goede wat precies ... Het gaat om de voorwaarden voor de nareisbeperking,
maar meer dan dat is mij op dit moment nog niet geworden. U bent iemand die zich daar
goed in verdiept en het is dus mogelijk dat we daar nog met u ...
De voorzitter:
Die kan de heer Boomsma in zijn zak steken. De Minister zit klaar voor de amendementen
en dat zijn er inmiddels 28.
Minister Van den Brink:
Ik krijg de extra amendementen nu aangereikt. Mag ik daar twee minuten een blik op
werpen, voordat ik iets begin op te lezen?
De voorzitter:
Ik wilde eigenlijk voorstellen dat als er staande de vergadering amendementen worden
ingediend ... Ik vind het niet erg dat er dan schriftelijk op wordt teruggekomen,
want ik kan me voorstellen dat daar even rustig naar gekeken moeten worden.
Minister Van den Brink:
Ik kan het wel gelijk doen, hoor. Dat is het probleem niet.
De voorzitter:
Oké. Nou ja, dan gaan we dat regelen. We gaan deze vergadering afmaken, maar ik doe
wel écht een beroep op iedereen om het dan een beetje ... Hoe noem je dat? Om het
beetje vlot te doen met elkaar. Maar we gaan het afmaken. De Minister zit er klaar
voor.
Minister, zou u alstublieft voor onze administratie duidelijk het nummer willen noemen
van het amendement dat u beoordeelt?
Minister Van den Brink:
Zeker.
Ik begin met een algemene opmerking die ziet op het feit dat er door een aantal partijen
voor is gekozen om amendementen in te dienen die rechtstreeks raken aan wetgeving
die hier eerder is behandeld en op dit moment in een ander deel van het parlement
ligt. Ik ga zo meteen een paar van de amendementen langs waar dit op ziet, maar ik
ga nu al heel eerlijk zeggen: in het verleden is er op dezelfde amendementen een oordeel
gegeven door het vorige kabinet. Inhoudelijk en technisch waren die op orde, maar
het heeft ook geleid tot heel veel discussie. Om te voorkomen dat het pact, de urgentie
van het pact, wat ik van u vraag en wat ik van de Eerste Kamer in het vervolg ga vragen ...
Daarom ga ik u alvast aankondigen dat ik amendementen die een herhaling zijn van eerdere
amendementen op een ander wetsvoorstel, een wetsvoorstel dat nu in de Eerste Kamer
ligt, allemaal ga ontraden, omdat ik dat voor de zuiverheid van de behandeling juist
vind. Ik doe dat verder ook om te voorkomen dat ik in dezelfde situatie kom als een
van mijn voorgangers. Deze algemene opmerking wilde ik nu alvast maken, want ik hoop
dat u daardoor iets minder schrikt als ik zo meteen «ontraden» zeg bij een amendement
waarvan u allemaal denkt «de vorige keer waren we het daar allemaal nog mee eens».
Ik begin met het amendement op stuk nr. 8 van mevrouw Vondeling en de heer Wilders. Daarin wordt gevraagd om intrekking van
de Spreidingswet. Dit kabinet zet juist in op het behoud van de Spreidingswet, omdat
wij het noodzakelijk achten voor de spreiding van voldoende asielopvang over Nederland
om deze te behouden. Om die reden ontraad ik het amendement op stuk nr. 8.
Het amendement van mevrouw Vondeling op stuk nr. 9 voert een tijdelijke stop in voor gezinshereniging. De stop die hier wordt voorgesteld,
is niet binnen het Europees recht mogelijk. Het is daarmee in strijd en dus ontraad
ik dit amendement.
De voorzitter:
Natuurlijk mag u interrumperen, mevrouw Vondeling; u bent zo bescheiden geweest! Gaat
uw gang.
Mevrouw Vondeling (PVV):
De Minister zegt dat het in strijd is met het EU-recht, maar als ik het goed heb –
als ik het mis heb, moet u dat vooral ook zeggen – heeft Oostenrijk ook een stop op
nareis ingevoerd, ook voor personen met een vluchtelingenstatus. Waarom zou dat dan
in Nederland niet kunnen?
De voorzitter:
Een duidelijke vraag.
Minister Van den Brink:
Voor u ook niet onbekend, want uw partijleider heeft dat in zijn tienpuntenplan opgenomen.
Het vorige kabinet brak op dat plan, doordat daarin artikel 72 van het Werkingsverdrag
van de Unie werd aangeroepen. Nederland ziet dat niet als een passende invulling van
het Europees recht. Maar u heeft er gelijk in dat Oostenrijk stelt dat het kan. Maar
daar is heel veel discussie over en wij zijn daar niet van overtuigd.
Mevrouw Vondeling (PVV):
U zegt: Oostenrijk stelt dat het kan. Maar zij voeren het op dit moment toch ook al
uit? En ze zijn tot nu toe ook nog niet teruggeroepen. Verder spreekt het coalitieakkoord
ook over een tijdelijke stop op nareis, maar alleen voor subsidiair beschermden. Wat
houdt dat dan in?
Minister Van den Brink:
Het eerste wat u zei, klopt. Oostenrijk heeft dat ingeroepen, maar volgens mij heeft
toch best wel een aantal van mijn voorgangers in Kamerbrieven uitgelegd dat wat Oostenrijk
doet, artikel 72 Werkingsverdrag inroepen, niet kan. Wij hebben verder in dit coalitieakkoord
met elkaar opgeschreven dat als we door geopolitieke redenen weer met een enorme asielinstroom
zouden zitten en we de situatie weer niet aankunnen, we wel het gesprek gaan voeren
in Europa. Dat zien we ook in de Crisisverordening, zoals die hier ligt. Dat betreft
dan ook de nareis die we dan hebben. Maar verder dan dat is die invulling nog niet
gebracht. Dat zal ook nog een gesprek in Europa worden.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Sorry, nog één keer. Ik vraag me dan wel af: hoe ver moet die crisis nog gaan? Er
wachten nu in het buitenland 53.000 mensen om naar Nederland te komen. Er zijn geen
huizen, er is geen plek en de azc’s zitten overvol. Wat moet er dan nog gebeuren voordat
het kabinet zegt extra maatregelen te zullen nemen?
Minister Van den Brink:
De maatregel die het snelst effect kan hebben, is de nareisbeperking die volgt uit
het tweestatusstelsel, met een wachttijd van twee jaar. Dat is dus vooralsnog de maatregel
die, denk ik, het meest effect gaat hebben op de opvang.
Ik kom bij het amendement op stuk nr. 10. Er zijn een aantal amendementen die een beetje met dezelfde logica zijn vormgegeven.
Ik denk dat ik iets uitvoeriger stilsta bij het eerste en iets minder bij de volgende
amendementen.
De voorzitter:
Laten we dat afspreken. U bent bij het amendement op stuk nr. 10, en dan noemt u daarna de nummers ...
Minister Van den Brink:
Ja, die een beetje op hetzelfde zien.
De voorzitter:
Ja, gaat u verder.
Minister Van den Brink:
Het zijn amendementen van de heer Ceder en mevrouw Westerveld. Die vragen om voorhangprocedures.
In dit geval gaat het over de aanwijzing van autoriteiten of instanties die een of
meerdere taken van de screeningsautoriteit mogen uitvoeren. Even in het algemeen over
de voorhangprocedures: er is in dit wetsvoorstel bewust voor gekozen om geen voorhang-
of nahangbepaling op te nemen. Dat sluit ook aan bij het algemene wetgevingsbeleid
om zeer terughoudend te zijn met dergelijke procedures. Tegelijkertijd was het natuurlijk
wel een zoektocht: hoe ga je dit inrichten met zo’n pact dat zo omvangrijk is en dat
zo snel tot stand gebracht moest worden?
In dit wetsvoorstel is de bestaande ruime delegatiesystematiek die nu al in de Vreemdelingenwet
is neergelegd, behouden. Ik vind het belangrijk om die flexibiliteit te behouden om
snel aan onze Europese verplichtingen te kunnen voldoen. Als jurisprudentie daar bijvoorbeeld
om vraagt – het kan namelijk ook gaan om zaken die gewoon direct van ons worden gevraagd
– dan is het wijzigen van een besluit natuurlijk makkelijker en sneller uitvoerbaar.
Dat is belangrijk voor de uitvoering. Daarnaast kan ik u het volgende zeggen. Als
wij overgaan tot nieuw beleid dat meer is dan een verandering van techniek – u weet
ook wel hoe dat in wetgeving werkt – dan komen wij natuurlijk gewoon met een brief
naar deze Kamer toe. Dan is er een consultatieprocedure van een besluit en wordt er
ook door het veld op gereageerd. Dat wil ik u ook toezeggen. Over meerdere amendementen
ga ik zeggen dat ik ze ga ontraden, ook vanwege het feit dat de Raad van State de
besluiten die we klaar hebben liggen pas wil behandelen na aanvaarding van dit wetsvoorstel
door de Tweede Kamer. Laten we hopen dat dat op z’n minst ergens in de komende tijd
is. Daarna moet er dan een voorhangprocedure plaatsvinden, wat voor 12 juni niet haalbaar
is. Aan die kant zit ik dus ook klem qua tijd. Er is straks ook sprake van een voorhang
op iets wat we eigenlijk nog niet hebben uitontwikkeld. Ik wil u toezeggen dat ik
eerst naar de Kamer kom met een brief voordat ik iets in een besluit ga vastleggen.
Ik zoek een beetje naar een manier om dit bij elkaar te brengen. Om die reden ontraad
ik het amendement op stuk nr. 10.
De voorzitter:
Voor de administratie: dat geldt voor ...
Minister Van den Brink:
Het amendement op stuk nr. 10 en het amendement op stuk nr. 11. Het geldt ook voor het amendement op stuk nr. 12, het geldt voor het amendement op stuk nr. 13 en het geldt voor het amendement op stuk nr. 14. Over het amendement op stuk nr. 14 zeg ik dat dit rechtstreeks uit de Kwalificatieverordening aan ons is opgelegd. Daar
kunnen we dus eigenlijk niet eens iets op doen. Het geldt verder voor het amendement
op stuk nr. 15 en het geldt voor het amendement op stuk nr. 16, wat overigens gewoon invulling van het coalitieakkoord is. Dus ook om politieke
redenen zou ik die niet ...
De voorzitter:
Oké. Dan ga ik nu naar de heer Ceder voor een interruptie. Dank, Minister.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Die toezegging neem ik graag aan, maar er zitten in de beantwoording door de Minister
een aantal veronderstellingen die ik niet helemaal volg. Ik stel een lichte voorhangprocedure
voor. Dat betekent dat er geen onderbreking van de voortgang is. We hoeven als Kamer
ook niet eerst een debat te hebben. Het gaat erom dat, voordat er invulling wordt
gegeven aan een wet waarvan de Minister volgens mij erkent dat heel veel nog in een
black box zit en nog uitontwikkeld moet worden, de Kamer op de hoogte wordt gehouden.
Dit lijkt me van links tot rechts van belang. Dit is immers een heel explosief dossier.
Dan is het belangrijk dat de Kamer van tevoren, voordat er verstrekkende stappen worden
gezet, weet wat de Minister überhaupt van plan is. Mocht het zo zijn dat de Kamer
in meerderheid over een punt zegt «daar moeten we toch even met elkaar over praten»,
dan kan dat. Deze voorhangprocedure zit de implementatie van de wet niet in de weg.
Dat klopt toch? Dat zou ook helemaal niet de bedoeling zijn. Bij een zware voorhangprocedure
zou dat wel het geval zijn geweest, maar die heb ik niet geëffectueerd. Het nadeel
van niet-voorleggen is dat de Minister wel gaat uitleggen wat hij gaat doen, maar
dat er geen gelegenheid is om erop terug te komen. Het gaat om best verstrekkende
bevoegdheden die bij de Minister liggen, terwijl de Kamer niet weet welke stappen
de Minister van plan is te gaan zetten. Kan de Minister daarop reageren?
De voorzitter:
Wel weer anderhalve minuut.
Minister Van den Brink:
Ik snap in zijn algemeenheid uw redenering. Daar stel ik tegenover dat er wel sprake
is van een voorhang, in die zin dat het hier vier weken hangt. Als een van uw leden
– dat hoeft er maar 1 van de 150 te zijn – vindt dat er toch nog iets moet worden
besproken, dan wordt het hele besluit opgehouden. Dat risico wil ik niet nemen bij
de invoering van het pact voor 12 juni. Onder de redenering zitten een aantal aannames
die ik bestrijd omdat een aantal zaken gewoon rechtstreeks werken uit de verordening
en ook al in de wet zijn opgenomen. Daarmee heb ik helemaal geen ruimte om daarvan
af te wijken, bijvoorbeeld in het geval van beperkingen of nareis. Die zaken zijn
immers al in de wet verankerd. Dat stel ik daartegenover. Ik handhaaf dus mijn ...
Ja, appreciatie. Dat is het goede woord. Als je zo lang aan het woord bent, raak je
op een gegeven moment woorden kwijt. «Appreciatie», dank u wel.
De voorzitter:
Heel kort, meneer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Heel kort, voorzitter. Volgens mij moet niet één Kamerlid maar minimaal een vijfde
van de Kamer daar iets van vinden. Klopt het dat een aantal nadere regels die moeten
worden uitgewerkt, vanwege de lichtere variant waarmee de IND gaat werken, helemaal
niet voor 12 juni uitgewerkt hoeven te worden, maar pas bij de implementatie van het
daadwerkelijke plan? Volgens mij gaan we nu met de lightversie werken, omdat de tijd
kort is. Dat snap ik en dat steun ik ook; laat ik dat vooropstellen. Maar voor de
verdere ontwikkeling betekent dit dat er gigantisch veel regelgeving op ons afkomt.
De Minister heeft nu heel veel macht naar zich toegetrokken. De Raad van State heeft
daar ook kritiek op geuit. Het enige wat ik vraag, is om voordat het stelsel verder
wordt ingevoerd, de Kamer op de hoogte te stellen. Mocht een vijfde zeggen «wacht
even, wat gebeurt er nou?», dan kunnen we daar het gesprek over voeren. Klopt het
dat dit de inwerkingtreding op 12 juni 2026 niet in de weg hoeft te staan? Zo ja,
kan de Minister dan aangeven op welk amendement het wel van toepassing is? Dan kan
ik kijken of ik het kan intrekken, want dit is geenszins mijn bedoeling.
Minister Van den Brink:
Nee, dat snap ik.
De voorzitter:
Met het risico dat ik een mopperkont word gevonden: weer ruim een minuut.
Minister Van den Brink:
De ervaring leert dat het goed is om even stil te staan bij amendementen. Het verschilt
wel per amendement en dan kom ik toch in de situatie dat ik per ... Neem het amendement
over de screeningsautoriteit. Ik moet die autoriteit echt hebben aangewezen. Dat moet
echt voor 12 juni duidelijk zijn; daar mag geen licht tussen zitten. De geldigheidsduur
van de verblijfstitel en de gevallen waarin de verblijfstitel een kortere geldigheidsduur
van drie jaar heeft, hebben wij bij wet geregeld. Dat gaat alleen over detailaspecten
op het punt van de uitvoering. Drie jaar is dus gewoon drie jaar. Dit betreft het
amendement op stuk nr. 11; sorry dat ik nu te snel ga.
Het amendement op stuk nr. 12 gaat over de toekenning van taken en bevoegdheden uit de procedure voor de asielbeslisautoriteit.
Die toekenning moet 12 juni klaar zijn.
Wat het amendement op stuk nr. 13 betreft: ik heb de nareis zojuist genoemd. Dit zijn zaken die natuurlijk echt al
bij wet bepaald zijn.
Het amendement op stuk nr. 14 ziet echt op materiële criteria die rechtstreeks uit de Kwalificatieverordening voortvloeien.
Daar zit dus geen enkele ruimte op.
Het amendement op stuk nr. 15 gaat over het toewijzen van vreemdelingen van een geografisch gebied. Ik zeg toe
dat ik, indien wij daartoe overgaan, eerst naar de Kamer kom met een brief voordat
ik hier invulling aan geef, want hier heeft u een punt. Op dit punt is eigenlijk nog
onvoldoende nagedacht over hoe dat eruitziet. Ik ga dat dus niet op een achternamiddag
doen, zonder dat ik mezelf op die manier wil kwalificeren.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 15 blijft ontraden, maar u zegt een brief toe.
Minister Van den Brink:
Ja, en het amendement op stuk nr. 16 idem.
De voorzitter:
Wat bedoelt u met «idem»?
Minister Van den Brink:
Sorry, wat het amendement op stuk nr. 16 betreft: coalitieakkoord; er zijn al verplichtingen. Ik ga naar het amendement op
stuk nr. 17.
De voorzitter:
Graag.
Minister Van den Brink:
Het amendement op stuk nr. 17 van de heer Ceder stelt dat de beoordeling van de vraag of een kind in bewaring kan
worden gesteld, plaatsvindt na advies van een vertegenwoordiger van het kind of een
persoon met expertise. Ik hoop dat u mij goed verstaan heeft over de wijze waarop
wij omgaan met kinderen en dat daar dus op geen enkele reguliere basis sprake van
zal zijn, omdat we de huidige grensprocedure handhaven en op die manier hier dus niet
mee te maken krijgen. Af en toe komen kinderen wel in de situatie van Zeist, maar
dat gebeurt door mensen die daar met expertise bij betrokken zijn. Dat vloeit ook
voort uit artikel 26 van de Opvangrichtlijn, die opdraagt om kennis van omgang met
kinderen en minderjarigen te hebben en om je daar ook in te laten scholen en opleiden.
Om die reden ontraad ik het amendement op stuk nr. 17.
Het amendement op stuk nr. 18 vraagt een hardheidsclausule voor ...
De voorzitter:
Een momentje. Meneer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ben het eens met de Minister. Daarom verwees ik in mijn toelichting naar die procedurelijn,
maar kan de Minister uitleggen wat er verandert als mijn amendement wel degelijk wordt
aangenomen? Volgens mij is het een bestendiging van wat daarin staat en voorkomt dit
ook dat daar later van afgeweken kan worden. Ik ben benieuwd waarom dit amendement
dan in materiële zin toch ontraden wordt.
Minister Van den Brink:
Laat ik het zo zeggen: dan creëer je een situatie waarin de beoordeling en het belang
van het kind helemaal apart staan van de rest, maar zij zitten in de procedure. In
de procedure werken mensen die het belang van het kind integraal op het oog hebben,
daarvoor opgeleid zijn en ook worden geschoold. Ik heb er dus geen twijfels over dat
daar voldoende mensen met voldoende kennis zitten. Het moet dus een integraal onderdeel
van de procedure zijn. Het kan nooit iets zijn wat daarnaast komt te staan, omdat
dat de integraliteit van die beoordeling zou compliceren.
Ik ga naar het amendement op stuk nr. 18. Daarin wordt een hardheidsclausule voorgesteld die niet in lijn is met wat wij als
invulling kiezen voor het kerngezin. Het is ook niet nodig, omdat er op een andere
route ook al acht EVRM-aanvragen zijn. Ik denk ook dat de uitvoering hier eerder mee
belast wordt dan dat zij hiermee geholpen zal zijn. Ook dit amendement ontraad ik
dus.
Het amendement op stuk nr. 19 betreft een debat dat we nog niet hebben gevoerd. De heer Dassen vroeg ook naar een
andere ingangsdatum van de verblijfsvergunning, namelijk niet de dag na het besluit
maar op de datum van aanvraag. Dat klopt. Wij brengen ook dit in lijn met het Europese
minimum, namelijk het beslismoment en niet het aanvraagmoment. Dat volgt uit die Europeesrechtelijke
verplichting. Het is voor de toekomst ook wenselijk om vanaf dat moment de twee jaar
te laten tellen als die procedure gewoon netjes op orde is. Ook dit amendement ontraad
ik dus.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik begrijp de redenering van de Minister op het moment dat je een werkend systeem
hebt. Maar de Minister is het toch met mij eens dat, als we dit zouden invoeren, die
twee jaar – waarvan sommige partijen zeggen dat die noodzakelijk zijn, maar voor ons
is dat wel het uiterste – de komende jaren bij lange na niet gehaald gaan worden?
Mensen zullen de facto dus soms drie, vier, vijf jaar op gezinshereniging moeten wachten
voordat het, hopelijk, vlot getrokken is, nog even afgezien van de situatie rondom
de rechtspraak. Is de Minister het ermee eens dat dat de facto is waar we straks in
die eerste periode mee instemmen?
Minister Van den Brink:
De facto niet, maar daarvan kan in uitzonderlijke situaties misschien sprake zijn.
Maar dan nog is dit een invulling die wij wel voornemens zijn te handhaven, ja.
De voorzitter:
U gaat verder. Nee, mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ja, voortbouwend op wat de heer Ceder zegt. We hebben net met elkaar een debat gehad
over hoe ontzettend ingewikkeld het is voor de uitvoering. We weten allemaal dat er
enorme wachtlijsten zijn. Daar gaat het amendement natuurlijk over, over de uitvoering
van de wet in de praktijk: wat betekent dit voor mensen in de praktijk? Dan is het
toch zo dat er een hele grote groep is die nog veel langer moet wachten? Dan begrijp
ik dus niet dat, wanneer een voorstel wordt ingediend om het leed enigszins te verzachten,
daar op deze manier op wordt gereageerd.
Minister Van den Brink:
In aanvulling daarop: we zijn ervan overtuigd dat deze maatregel voor nu verstandig
is, omdat de huidige situatie dan daadwerkelijk zou zijn dat de nareisbeperking geen
effect zou sorteren omdat er natuurlijk al sprake is van een groep die bijna twee
jaar in die asielprocedure zit. Dan hebben we dus nog steeds met de opvangproblematiek
te maken waar we nu mee zitten, ook door de nareizigers die er zijn. We doen er alles
aan om de voorraad weg te werken, zo snel als dat kan. Ook hierbij is uiteindelijk
de artikel 8 EVRM-toets natuurlijk mogelijk, maar we handhaven wel ons voorstel om
het te doen op de datum van het besluit. Om die reden ontraad ik het amendement op
stuk nr. 19.
Ik kom bij het amendement op stuk nr. 20 over het overgangsrecht. Eigenlijk is dat dezelfde discussie als die we net hadden
over onmiddellijke werking. We zijn wel degelijk van mening dat we die onmiddellijke
werking van toepassing moeten verklaren om het effect ervan te kunnen hanteren. Dus
ook dit ontraad ik.
Bij het amendement op stuk nr. 21 ...
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 21 is het amendement op stuk nr. 35 geworden.
Minister Van den Brink:
Dan mag ik dit laten gaan; daar kom ik dan straks op terug bij het amendement op stuk
nr. 35.
Zo kom ik bij het amendement op stuk nr. 22. Dat was nog best een puzzel, dat aanscherpen van de regels voor rechtsbijstand,
in het amendement van de heren Boomsma en Ceulemans. Het onthouden van rechtsbijstand
in niet-kansrijke procedures moet dan worden getoetst door een rechter. Dat is wat
is voorgeschreven. De procedure voor rechtsbijstand moet mogelijk blijven. Die procedures
zullen veel plaatsvinden. Dat maakt de asielprocedure dus langer. Dat is dus contraproductief.
Wat betreft de vergoedingen van een rechtsbijstandsverlener: die worden nu al bepaald
aan de hand van een puntenstelsel; meer claimen dan daarin is geregeld, is nu ook
al niet mogelijk. Een dergelijke regeling is dus overbodig. Wat betreft het terugvorderen
van rechtsbijstand als later blijkt dat er meer vermogen was: het is nu reeds mogelijk
om terug te vorderen als er onjuiste gegevens zijn verstrekt. Het is dit samenstel
van argumenten, maar met name het eerste: als we dit zouden doen, het onthouden van
rechtsbijstand in niet-kansrijke procedures, dan moet dat ook weer worden getoetst
door een rechter. Zo raken de rechters dus nog meer belast met zaken. Om die reden
ontraden wij dit amendement.
De heer Boomsma (JA21):
Wat ik beoogde, was om de ruimte die de verordening nu biedt, meer te gebruiken. Maar
is het zeker dat daarvoor een extra toets door de rechter nodig is? De IND doet al
een screening bij een hoger beroep. Kan het daar dan niet in worden meegenomen? Is
het absoluut noodzakelijk dat dat langs de rechter gaat?
Minister Van den Brink:
Mijn introductie was dat hier lang op is gestudeerd en dat was precies om deze reden.
Het oordeel was dat die extra beoordeling een rechterlijke toets vergt. Ik moet u
op een bepaalde manier ook complimenteren voor het goed doorzoeken hiervan, want de
ruimte is er wel in die zin, theoretisch.
Ik kom bij het amendement op stuk nr. 23 van de heer Boomsma en de heer Ceulemans: toegang tot de arbeidsmarkt alleen voor
kansrijke asielzoekers. Er is onderzocht of het mogelijk is om een nader onderscheid
in die wachttermijn op te nemen, maar zowel UWV als IND heeft ernstige bezwaren geuit
tegen het maken van een nader onderscheid. Dit zou de regelgeving nog complexer en
moeilijker uitvoerbaar maken. Het is ook de vraag of dit onderscheid juridisch houdbaar
is, omdat het mogelijk zou leiden tot een onderscheid op basis van nationaliteit.
De Minister van SZW zal binnenkort een AMvB met enkele aanpassingen omtrent de wachttermijn
aan uw Kamer voorleggen. Ik zou willen voorstellen om dit debat daar te hernemen,
omdat ik de uitvoeringsorganisaties op dit onderdeel niet zwaarder wil belasten met
dit onderwerp. Om die reden moet ik ook dit amendement ontraden; ik ben wel erg saai
vandaag.
Ik kom bij het amendement op stuk nr. 24.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 24 is vervangen door het amendement op stuk nr. 33.
Minister Van den Brink:
Dan ben ik bij het amendement op stuk nr. 25 over het schrappen van de mogelijkheid om kinderen in detentie te plaatsen. Ook daarbij
hoop ik dat u mij verstaan heeft. Wij zetten de huidige grensprocedure voort, waarbij
gezinnen met minderjarigen niet vanzelfsprekend ... Er kan alleen sprake zijn van
de drie uitzonderingscategorieën die ik eerder genoemd heb. Dat komt amper voor. Daarnaast
is de richtlijn letterlijk in onze wetgeving vertaald zoals die moet worden vertaald.
Daar is wat ons betreft geen aanpassing voor nodig en dus ontraad ik het amendement
op stuk nr. 25.
De voorzitter:
Mevrouw Westerveld, maar we gaan niet het hele debat opnieuw doen.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik begrijp op geen enkele manier waarom dit amendement ontraden wordt. Als de Minister
zegt dat het niet de bedoeling is, kan ons amendement gewoon worden aangenomen. Laten
we het dan wettelijk verankeren als het niet de bedoeling is dat kinderen in detentie
geplaatst worden. Want nu staat die mogelijkheid wél open.
Minister Van den Brink:
De ruimte die er nu al is, willen we laten bestaan in de wetgeving. Die wordt op deze
manier helemaal dichtgezet. Daarmee wordt de grensprocedure die wij nu kennen, ook
met de drie uitzonderingen rondom mensenhandel, de gezinsband en nationale veiligheid
en openbare orde, onmogelijk gemaakt. Die toepassing willen we behouden.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik hoorde de Minister dat ook antwoorden. Een van de voorbeelden is mensenhandel.
Mensenhandel is bijvoorbeeld seksuele uitbuiting of arbeidsuitbuiting. Maar als een
kind daar het slachtoffer van is, is het laatste wat je moet doen dat kind in een
gesloten setting in een cel plaatsen. Nog steeds begrijp ik niet waarom deze mogelijkheid
wordt opengelaten. De cel of welke setting dan ook, iets met hekken eromheen is geen
geschikte plek voor kinderen.
Minister Van den Brink:
Ik zit even uit te zoomen op wat u zegt. De situatie waarover wij spreken, gaat uiteindelijk
over ouders met kinderen. Als die band er gewoon is, wil je op een zorgvuldige manier
tot vervolgingsbeleid over kunnen gaan en dat onderzoeken. Dan zoek je naar een plek
waar dat op een zorgvuldige manier kan worden toegepast. Daar is in het verleden de
gezinslocatie van Zeist als zeer adequaat voor beschouwd en ik heb geen reden om daar
nu een aanpassing in aan te brengen.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Er zijn genoeg redenen om daar wel aan te twijfelen. Als nu ineens de band met ouders
het argument wordt, begrijp ik niet waarom er een wachttijd is van twee jaar voor
gezinshereniging. Dan is dit op dit moment een gelegenheidsargument. Er worden verschillende
argumenten gehanteerd en die kloppen niet met elkaar.
Minister Van den Brink:
Nou, ik had iets meer ... Nee, laat ik het bij mezelf houden. Toen ik hier vorige
week voor het eerst over werd bevraagd, was de centrale vraag: hoe werkt het nu en
werkt het nu goed? Hoe het nu werkt, heb ik net uitgelegd. En ja, het werkt goed.
Ik heb er dus voor gekozen om de huidige grensprocedure te handhaven zoals die is.
Ik doe geen afbreuk aan hoe die nu werkt en ik hoef die niet op een andere manier
wettelijk te verankeren, omdat die via de huidige verordening en richtlijn netjes
in deze implementatiewet zit. Volgens mij doe ik helemaal wat iedereen die hier zorgen
over heeft, hoopte dat ik zou gaan doen, namelijk op een zorgvuldige manier omgaan
met kwetsbare minderjarigen.
De voorzitter:
Ik sta een heel debat toe. Ja, ik snap het. Mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik begrijp de intentie van deze Minister wel, maar het zou natuurlijk kunnen dat er
over een aantal jaren een andere Minister zit, die andere intenties heeft. Ook dan
zou ik niet willen dat de wet deze mogelijkheid heeft. Dat is de reden waarom ik er
zo op aandring om dit wettelijk vast te leggen.
Minister Van den Brink:
Dat is dan weer een ander argument, dat ik tot nu toe niet in dit debat heb gehoord.
Laat ik daarvan zeggen dat de huidige Opvangrichtlijn zo duidelijk is als die is:
het is niet de vanzelfsprekendheid, maar de uitzondering op de uitzondering als er
geen andere mogelijkheden zijn – ik zeg het even in mijn eigen woorden. Dat is dus
ook de jurisprudentie waarbinnen de richtlijn is ingekaderd. Dus ik heb ook om die
reden niet de zorg die u daarover hebt. Die zorg deel ik in die zin niet. Ook naar
de toekomst toe is daar die ruimte niet.
De voorzitter:
De Minister gaat verder.
Minister Van den Brink:
Dan het amendement op stuk nr. 26. Wij hebben het debat gevoerd over de keuzes die eerder zijn gemaakt ten aanzien
van de beperking tot het kerngezin en de ruimte die daar nog steeds voor blijft via
artikel 8 van het EVRM. Om die reden ontraad ik dit amendement.
Dezelfde discussie hebben wij gevoerd over het amendement op stuk nr. 27, om de asielvergunning voor onbepaalde tijd te handhaven. Onze stelling is dat dit
niet kan binnen het nieuwe pact. Om die reden ontraad ik dit amendement.
Het amendement op stuk nr. 28 gaat over de afschaffing van de rechterlijke dwangsommen in vreemdelingenzaken, het
amendement van de heer Van Dijk c.s. De bijzonderheid is dat ik het oordeel van mijn
voorganger over dit amendement ga wijzigen in ontraden, onder verwijzing naar wat
ik in mijn inleiding heb gezegd, namelijk dat ik niet de amendering van de Asielnoodmaatregelenwet
opnieuw in dit pact wil opnemen. Ik wil niet de risico’s lopen die daarmee kunnen
samenhangen.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank voor de appreciatie, maar ik begrijp nu dat de wens van de Minister om één lijn
te trekken ertoe leidt dat mijn uitgebalanceerde amendement over één kam wordt geschoren
met allerlei wilde politieke amendementen. In alle ernst: mijn amendement over de
dwangsommen ziet natuurlijk op de uitvoerbaarheid, waarover we het hier de hele dag
hebben gehad. Mocht de Asielnoodmaatregelenwet onverhoopt niet doorgaan, dan zal dat
een enorme domper zijn voor de IND, die erom smeekt dat wij ervoor zorgen dat dit
nu geregeld wordt. Het is ook het enige amendement dat ik heb ingediend. Ik begrijp
het idee van de Minister wel, maar het gaat ook om een amendement dat destijds op
een politiek zeer breed draagvlak kon rekenen. Daar stonden meer dan 100 zetels achter.
Wil de Minister zijn oordeel over het amendement toch heroverwegen?
Minister Van den Brink:
Het ongemak is er zeker. Dat wil ik wel erkennen. Tegelijkertijd – ik heb er echt
wel even over nagedacht – handhaaf ik mijn oordeel. Ik denk dat ik de druk op de beide
Kamers minder groot maak door dit oordeel te geven. Uiteindelijk is het aan uw Kamer
om in de stemming te oordelen hoe u daarmee omgaat. Maar dit oordeel handhaaf ik.
Ik kom dan bij het amendement op stuk nr. 29, ingediend door mevrouw Lammers en de heer Markuszower, over de Spreidingswet. In
het amendement wordt het enkele onderdeel van de dwang eruit gehaald. Wij zijn van
mening dat deze dwang gewoon aan deze taak gekoppeld is. Aan gemeenten worden taken
toebedeeld. Dan gaat het niet alleen om de taak in het kader van de Spreidingswet;
er worden heel veel taken aan gemeenten toebedeeld. Inherent daaraan is het interbestuurlijk
toezicht. Ik heb volgens mij de afgelopen weken geprobeerd op heel veel manieren uit
te drukken dat ik met gemeenten in gesprek ga, in gesprek ga en in gesprek ga. Hier
zit geen Minister die op die manier met gemeenten wil werken. Tegelijkertijd is die
verplichting wel verplicht. Om die reden ontraad ik het amendement.
In het amendement op stuk nr. 30, van mevrouw Vondeling en de heer Wilders, gaat het om dezelfde situatie als in het
amendement inzake de strafbaarstelling van illegaal verblijf. Ik moet er wel bij zeggen
dat het knap in deze wet is gebracht. Dat was nog niet makkelijk, als ik de wetgevingsjuristen
daarover hoorde. Ook dit amendement ontraad ik, onder verwijzingen naar de Asielnoodmaatregelenwetdiscussie.
Dan kom ik nu op de inhaalamendementen, zoals ik ze even noem.
In het amendement op stuk nr. 31 wordt de toepassing van de grensprocedure beperkt tot de drie situaties. Dat is niet
mogelijk via de Procedureverordening zoals we die hebben ontvangen. Die verordening
is uitonderhandeld. Om die reden onraad ik dit amendement.
Voor het amendement op stuk nr. 32 geldt hetzelfde. Op grond van de Asiel- en migratieverordening hebben asielzoekers
met een dubbele claim geen recht meer op een opvangvoorziening. De regering acht het
in dat kader niet doelmatig en wenselijk om wel toegang te blijven bieden tot taalonderwijs.
Deze asielzoekers mogen immers niet duurzaam in Nederland blijven. Om die reden ontraad
ik het amendement op stuk nr. 32.
Ik zit hier nu even met verbazing. Omdat ik deze amendementen nog niet ken, zit ik
gewoon hardop te lezen. Dit is het amendement van de heren Boomsma, Ceulemans, Ellian
en Diederik van Dijk, dat de wettelijke grondslag regelt voor het uitlezen van gegevensdragers.
Zoals u weet, werk ik zelf ook aan een regeling voor deze grondslag. Dat is nodig,
nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat de
huidige wettelijke grondslag niet volstaat. Zoals u weet, is het ontwerpen van die
regeling geen eenvoudige opgave, omdat er een groot aantal privacyvragen moet worden
beantwoord. Ook moet worden bezien welke elementen van de regeling op het niveau van
de wet een plek moeten krijgen en welke elementen in een algemene maatregel van bestuur
moeten worden geregeld. Ik ben van plan dat zorgvuldig te doen. Dat betekent bijvoorbeeld
ook dat de AP om advies zal worden gevraagd. Dat is ook echt verplicht op grond van
de AVG. Hoezeer ik ook meeleef en meevoel en dit ook liever gisteren dan vandaag had
geregeld, ik kan dus niets anders doen dan dit amendement ontraden.
Mij valt ook nog op dat een groot deel van de juridische vragen in dit amendement
naar het niveau van de algemene maatregel van bestuur wordt gedelegeerd zonder dat
duidelijk is of de grondslagen volstaan. Ik kan u het volgende verzekeren. Als je
in de Eerste Kamer staat met een wet omtrent biometrie – dat heb ik pas gedaan – waarbij
er een grondslag ontbreekt voor iets wat wij over een tijdje gaan regelen, dan is
dat geen heel fijn debat; laat ik het zo zeggen. Met alle serieusheid zeg ik dat ik
snap wat er hier gebeurt, maar dit gaat echt te snel.
De heer Boomsma (JA21):
Ik denk dat dit wel kan. Wij hebben ons er natuurlijk ook in verdiept. We hebben gewoon
de uitspraak van de Raad van State bestudeerd. Er moet een wettelijke grondslag voor
worden opgenomen. Er staat in het amendement juist heel zorgvuldig uitgelegd dat dat
aan allerlei beperkingen is gebonden en dat een goeie afweging van belangen moet worden
gemaakt door de ambtenaren. Het is dus onze inschatting dat dit nu kan. Laat ik het
dan als volgt vragen. Als wij wachten op de Minister, wat zou dan de kortst mogelijke
termijn zijn waarop dit wetsvoorstel zou kunnen worden aangenomen? Het zou namelijk
heel fijn zijn als je hier meteen mee aan de slag kan als je toch alle procedures
verandert.
Minister Van den Brink:
Laat ik u het volgende toezeggen. Dit is voor mij in die zin ook deels nieuw. Wij
zijn klaar om in consultatie te gaan, maar die consultatie betekent de Autoriteit
Persoonsgegevens. Je hebt er van tevoren niet gelijk zicht op hoe snel dat gaat. Dat
is dus niet toe te zeggen, maar ik kan u natuurlijk wel toezeggen dat ik daarover
zelf met de Autoriteit Persoonsgegevens in contact ga treden om te proberen daarvoor
een fatsoenlijke termijn af te spreken. Dan kan ik daarna gelijk naar de Raad van
State, zodat het wetsvoorstel mogelijk kort na de zomer hier ligt. Als ik daar niet
toe in staat ben, zal ik u daar ook eerlijk over informeren.
De voorzitter:
Meneer Boomsma knikt.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ter dubbelcheck: betekent dit dat het amendement ingetrokken wordt? Ik vraag dit omdat
we al een paar keer hebben meegemaakt dat we stemmen over van alles wat los en vast
zit en daarmee de asielketen verder verstoppen. Ik wil dus even dubbelchecken wat
hier nu gebeurt. De Minister heeft iets toegezegd. Is die toezegging voldoende voor
de heer Boomsma? Of gaan we hierover alsnog volgende week stemmen?
De voorzitter:
De Minister heeft inderdaad toegezegd met de AP, de Autoriteit Persoonsgegevens, te
gaan praten. Als het niet lukt om het wetsvoorstel na de zomer in te dienen bij de
Tweede Kamer, dan horen wij dat van hem. Meneer Boomsma knikte dat hij daar kennis
van nam en hij wil daar even over nadenken.
Minister Van den Brink:
Mag ik u dan nog eenmaal meegeven dat dit soort kwesties in de Eerste Kamer echt heel
zwaar liggen? Mag ik dat pleidooi nog een keer houden? Ik voorzie namelijk ... Dit
meen ik in alle ernst. Voor de Eerste Kamer zijn dit redenen om heel zwaar over een
wetsvoorstel te gaan doen. Dit heb ik alleen gezegd.
Het amendement op stuk nr. 34 is een vervangend amendement van de heren Boomsma en Ceulemans over de bevoegdheid
voor locaties van het COA om een sollicitatieplicht en een taalcursus op te leggen.
Er werd net ook al een heel debat gevoerd over de sollicitatieplicht. Dat is voor
de uitvoering niet goed te doen, omdat daar geen sanctie aan te koppelen is. Je kunt
niet iemand iets verplichten wat daarna niet te sanctioneren is. In de uitvoerbaarheid
is dat dus echt heel ingewikkeld. Er is wel ruimte wat betreft de uitvoerbaarheid
van de taalcursussen. Op grond van de Opvangrichtlijn hebben wij geen mogelijkheden
om een sanctie op te leggen bij de sollicitatieplicht. Om die reden moet ik het amendement
ontraden, hoewel ik wel heel veel sympathie heb voor het taaldeel. U heeft beide delen
in één amendement zitten, wat maakt dat ik dit toch moet ontraden.
De heer Boomsma (JA21):
Ik heb het aangepast om juist een grondslag op te kunnen nemen voor een maatregel.
Het is natuurlijk niet de bedoeling dat je ’m verplicht door mensen uit de opvang
te zetten of zo. Maar zoals bij allerlei andere zaken kun je toch wel een maatregel
opleggen? Dat gebeurt ook op andere fronten. Zegt de Minister nu dat dat wettelijk
niet mogelijk is?
Minister Van den Brink:
Nee. De Opvangrichtlijn bevat allerlei criteria waarop je maatregelen mag opleggen.
Die zien ook op taal. Als iemand dus niet aan taal meedoet, mag je een maatregel opleggen,
maar dat mag niet op sollicitatieplicht. Ik heb dus geen wettelijke grondslag in het
Europees recht om een maatregel op te leggen op sollicitatieplicht. Dus om die reden ...
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik sta ook sympathiek tegenover het amendement van de heer Boomsma, maar uit mijn
interruptiedebatje met hem heeft u ook kunnen opmaken dat ik het juridisch een beetje
wankel vind, ook omdat er geen handhavingsmechanisme in het amendement is opgenomen.
Daardoor wordt wetgeving namelijk de facto zwak. Kunt u mij aangeven wat er vervolgens
gebeurt als het van de richtlijn wel mag? De Kamer heeft weleens de neiging om over
amendementen te stemmen waar ik mijn bedenkingen bij heb. Daarom vraag ik toch maar
wat het gevolg is voor de azc’s op het moment dat iemand dit wil inroepen. Wat is
dan het handhavingsmechanisme? Als dat er niet is, kan de Minister dan klip-en-klaar
aangeven dat we dit gewoon niet moeten doen?
Minister Van den Brink:
Dat laatste is uw conclusie. Ik kan alleen maar zeggen dat er geen handhavingsinstrumentarium
is op de sollicitatieplicht. En die kan ik dus ook niet verstrekken aan locatiemanagers
ter plaatse. De Opvangrichtlijn biedt er geen ruimte voor en om die reden moet ik
het amendement ontraden.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Een aanvullende vraag. Als mensen gaan werken, wat betekent dat dan voor hun rechten
en plichten en voor de werkgevers? Daar heb ik nog niet genoeg duidelijkheid over.
Ik zou er graag wat meer over willen weten om dit amendement goed af te kunnen wegen.
De voorzitter:
Het wordt zo een beetje een gekke figuur, maar ...
De heer Boomsma (JA21):
Voordat we een hele discussie gaan voeren over een amendement dat ik niet meer ga
indienen: als dit echt niet kan, heeft het natuurlijk geen enkele zin. Dan ga ik het
op die manier dus ook niet doen. Ik ga het dan opknippen en ervoor zorgen dat er wel
een wettelijke grondslag komt voor die taalcursus. Het lijkt me belangrijk dat in
ieder geval die mogelijkheid er komt.
De voorzitter:
Voor de administratie: u knipt ’m op? Ik zie iedereen knikken. Oké.
Minister Van den Brink:
Ik zeg alvast toe dat als dat amendement deugdelijk is ... Nou, dat zijn ze altijd.
Maar als het deugdelijk is in die zin dat het passend is binnen de Opvangrichtlijn,
dan geef ik ’m oordeel Kamer op de taal.
De voorzitter:
Een faire manier om met elkaar om te gaan.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik denk dat ik ’m dan kan onderschrijven. Maar ik blijf wel vragen om dan ook de azc-medewerkers
te beschermen, want volgens het handhavingsmechanisme is op het moment dat ...
Minister Van den Brink:
Terecht. U heeft een terecht punt. Ik moet even ... Laat ik het zo zeggen: dan is
de bevoegdheid gecreëerd. Maar de eerlijkheid gebiedt dan ook om te zeggen: taalonderwijs
op COA-locaties is nu niet «van dien mate» dat we kunnen zeggen dat we dat dan ook
gelijk even op hele korte termijn al toepassen. Er zitten dus wel een paar stappen
voor. We moeten het taalonderwijs op COA-locaties op orde krijgen en daarna kan je
natuurlijk ook zeggen: u bent verplicht om daarbij aanwezig te zijn. Maar wel in die
volgorde. Dus daar heeft u helemaal gelijk in.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voor de zuiverheid: wat betekent dit voor dit amendement als we ’m aannemen? De heer
Boomsma knipt ’m op. Nogmaals, ik sta er sympathiek tegenover. Als het wordt aangenomen,
hebben azc-directeuren de mogelijkheid om dit op te leggen. Eén: ik begrijp van de
Minister dat er onvoldoende beschikbaarheid is. Twee: als die er wel is en het wordt
opgelegd, dan ontstaat de situatie, als iemand nee zegt, dat diezelfde persoon, die
wel een grondslag heeft, vervolgens vanuit de wet geen handhavingsmechanisme kent.
Klopt dat of zie ik iets over het hoofd?
Minister Van den Brink:
Op de taal is er dus wel ruimte vanuit de Opvangrichtlijn om maatregelen op te leggen.
Maar laat ik in ieder geval toezeggen ... Dit is weer zo’n typisch voorbeeld van een
besluit waar ik dan invulling aan ga geven, maar dat wel weer nieuw beleid is. Dus
zodra we de taalcursussen op COA’s, een van de sporen in het beleid van het kabinet,
verder op orde hebben gebracht, kom ik bij uw Kamer terug met een uitwerking van die
plicht op taalcursussen en de maatregelen waarmee dat gepaard gaat.
De voorzitter:
Meneer Boomsma zei dat hij het amendement gaat opknippen. We zien dus een gewijzigde
versie tegemoet. We kunnen nu niet aan de voorkant een oordeel opschrijven, maar dat
gaan we in de administratie allemaal regelen.
Minister Van den Brink:
Sorry, ik ben soms iets te praktisch.
De voorzitter:
Ik denk dat we nog even schriftelijk appreciëren, maar dat gaan we regelen.
Minister Van den Brink:
Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. 35 van de heer Ceder, dat vraagt om een evaluatie na vijf jaar van maatregelen uit de
wetsvoorstellen, in ieder geval van de nareismaatregel van subsidiair beschermden
en bewaring van minderjarigen. Ik vind dat een goed idee. Ik denk dat die evaluatie
breder zou moeten zijn en dat het goed is als we op enig moment richting die vijf
jaar terugkomen bij de Kamer. Op onderwerpen waarvan we nu denken dat daarop geëvalueerd
moet worden, zullen we over drie jaar concluderen «nou, dat ging eigenlijk wel aardig»,
maar er zijn ook zaken die we nog even tegen het licht willen houden. Ik zeg toe dat
ik, voordat die evaluatie start, eerst de Kamer informeer op welke onderdelen die
evaluatie zal zien. Oordeel Kamer.
De voorzitter:
Oordeel Kamer. Kijk, de eerste van de avond.
Minister Van den Brink:
Het amendement op stuk nr. 36 beoogt, zo lees ik in de toelichting, op wetsniveau te regelen dat kosteloze juridische
counseling uitsluitend wordt verstrekt door geaccrediteerde onafhankelijke maatschappelijke
organisaties en expliciet niet door de IND. Dit amendement is ingediend door mevrouw
Westerveld en de heer Dassen. Ik moet het ontraden. De medewerkers van de IND zijn
onafhankelijk en er bestaat een strikte scheiding tussen medewerkers die op aanvragen
beslissen en medewerkers die voorzien in juridische counseling. Daarnaast wil ik de
IND niet afhankelijk maken van externe partijen om de proceduretijd die zo wordt ingekort
verder onder druk te zetten. Om die reden ontraad ik dit amendement.
De voorzitter:
Helder. Dan zijn we door de amendementen heen. Wat mij betreft gaan we direct door.
Ik weet niet of iedereen zijn moties gereed heeft? Een plaspauze. Vijf minuten? Ik
schors voor vijf minuten.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Dat doe ik niet zonder namens iedereen, denk ik, dank te
zeggen aan de ondersteuning van de Tweede Kamer, die langer voor ons blijft. Dat waarderen
we. Mijn beveiliging staat voor de deur. Zij horen mij niet, maar ook dank aan hen.
Mevrouw Van der Plas, u laat zich zo meteen excuseren, want u moet weg. Aan u het
woord voor de tweede termijn. Ik hoop dat de collega’s elkaar nu niet willen ... Ja,
het mag, maar alsjeblieft!
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel. Voorzitter. Dit hele debat gevolgd hebbend over een fundamentele wijziging
ben ik er nog niet helemaal gerust op. Wat we gaan doen, moeten we zien. De ene kant
vindt het allemaal te streng en de andere kant vindt het allemaal te slap. Ik denk
dat er in de Kamer nog best veel vraagtekens zijn, zeker ook bij ons. Dat zegt nog
niks over ons stemgedrag, maar ik wil wel alvast meegeven dat ik er nog niet helemaal
gerust op ben. Dat heeft er ook mee te maken dat we niet zeker weten dat andere landen
zich zullen houden aan de afspraken. De Minister heeft gezegd «we hopen dat de afspraken
worden nagekomen», maar ik heb nog geen duidelijke noodrem gezien voor het geval dat
landen zich daar niet aan houden.
Daarom probeer ik nog wat te doen met moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het EU-Asiel- en migratiepact alleen kan functioneren als alle lidstaten
hun verplichtingen daadwerkelijk nakomen;
constaterende dat eerdere Europese afspraken, zoals de Dublinverordening, structureel
zijn ondermijnd doordat lidstaten hun verplichtingen niet naleefden, terwijl Nederland
zich wel aan de regels hield en daardoor onevenredig werd belast;
overwegende dat ook onder het huidige pact afdwinging en sancties ontbreken wanneer
lidstaten hun verantwoordelijkheden niet nakomen;
overwegende dat het onaanvaardbaar is dat Nederland opnieuw de gevolgen draagt van
het falen van andere lidstaten;
verzoekt de regering te komen met een plan van aanpak voor het geval andere lidstaten
het pact niet of niet volledig naleven, en indien structurele niet-naleving aanhoudt
en Nederland daardoor onevenredig wordt belast, niet langer onvoorwaardelijk uitvoering
te geven aan het pact,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 37 (36 871).
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het solidariteitsmechanisme binnen het Migratiepact is gebaseerd
op het bruto binnenlands product en het inwonersaantal van een lidstaat;
overwegende dat Nederland een relatief hoog bruto binnenlands product heeft en een
groot aantal inwoners op een relatief klein oppervlak;
overwegende dat dit ertoe leidt dat Nederland naar verhouding een onevenredig aandeel
levert in de opvang binnen de solidariteitspool;
overwegende dat relevante factoren voor een eerlijke spreiding, zoals landoppervlak
en bevolkingsdichtheid, momenteel geen onderdeel uitmaken van dit mechanisme;
verzoekt de regering zich er in Europees verband voor in te spannen dat naast het
bbp en het inwonersaantal ook landoppervlak en bevolkingsdichtheid in belangrijke
mate worden meegewogen in het solidariteitsmechanisme,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Plas en Ceder.
Zij krijgt nr. 38 (36 871).
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dan laat ik mij inderdaad nu verexcuseren vanwege een andere afspraak, maar ik dank
de Minister en zijn staf voor de beantwoording van de vragen en natuurlijk ook de
medewerkers die vandaag allemaal langer hebben moeten blijven.
Dank u wel.
De voorzitter:
U bedankt, mevrouw Van der Plas. We gaan naar mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Bij die dankwoorden sluit ik me aan. Ik heb in mijn inleiding al aangegeven, heel
duidelijk zelfs, dat GroenLinks-PvdA voor de doelstellingen van het Europese Migratiepact,
voor meer harmonisatie tussen de landen en voor solidariteit is, maar dat we moeite
hebben met een aantal extra maatregelen die zijn toegevoegd. Daarbij heb ik het in
het bijzonder over twee zaken, namelijk de onnodige versobering voor de gezinshereniging,
met bijvoorbeeld een wachttijd van twee jaar, en het in detentie kunnen plaatsen van
kinderen. Dat vinden we echt twee hele zwaarwegende zaken. Daar zal straks onze steun
ook van afhangen.
Ik heb nog twee moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering ervoor kiest om gezinnen met kinderen in grensdetentie
in een aantal gevallen systematisch in grensdetentie te stellen;
constaterende dat de detentie van kinderen schadelijk en traumatiserend is en bovendien
in strijd is met het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind;
overwegende dat onvoldoende is gekeken naar mogelijke alternatieve maatregelen voor
detentie van kinderen;
verzoekt de regering voorafgaand aan de inwerkingtreding een kinderrechtentoets uit
te voeren over deze wet,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld, Ceder en Dassen.
Zij krijgt nr. 39 (36 871).
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dan de tweede motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het Europese Asiel- en migratiepact alleen kan werken wanneer solidariteit
het fundament vormt van beleid;
constaterende dat Nederland kiest om het solidariteitsmechanisme af te kopen in 2026;
verzoekt de regering alles in het werk te stellen om de uitvoering op orde te brengen
zodat het solidariteitsmechanisme dit jaar niet afgekocht wordt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld en Dassen.
Zij krijgt nr. 40 (36 871).
Oké. Mevrouw Vondeling.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Ik zal gelijk starten met de moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Europese Asiel- en migratiepact een grote flop is en de massale
instroom van gelukszoekers niet stopt, maar alleen probeert te verdelen over Europa
of af te kopen met ons belastinggeld;
van mening dat herverdelen en afkopen capitulatie is aan Brussel en de asielindustrie,
terwijl een asielstop gratis is en instroom stopt;
verzoekt de regering per direct onze eigen grenzen te sluiten, een volledige asielstop
af te kondigen en alle vormen van herverdeling en afkoop in het Europese Asiel- en
migratiepact af te wijzen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Vondeling en Wilders.
Zij krijgt nr. 41 (36 871).
Mevrouw Vondeling (PVV):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering onmiddellijk over te gaan tot het intrekken van alle tijdelijke
verblijfsvergunningen van Syriërs en ervoor te zorgen dat Syriërs direct terugkeren
naar Syrië,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vondeling.
Zij krijgt nr. 42 (36 871).
Mevrouw Vondeling (PVV):
Dan nog één motie, ondanks dat de Minister net is ingegaan op het wetsvoorstel over
die gegevens uitlezen. Toch nog één motie om hem te stimuleren om dat snel te doen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de identificatie en registratie van asielzoekers niet op orde zijn
en dat gegevensdragers van asielzoekers, zoals mobiele telefoons, nog niet worden
uitgelezen;
overwegende dat het uitlezen van telefoons en andere gegevensdragers essentieel is
om reisroutes en identiteiten van asielzoekers te verifiëren;
overwegende dat het niet uitlezen van telefoons en andere gegevensdragers van asielzoekers
Nederland blootstelt aan enorme veiligheidsrisico’s, fraude, misbruik en dat dit de
terugkeer van asielzoekers ernstig belemmert;
verzoekt de regering om met spoed een wetsvoorstel naar de Kamer te sturen dat het
uitlezen van gegevensdragers bij asielzoekers wettelijk verplicht stelt en dit beleid
per direct uit te voeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vondeling.
Zij krijgt nr. 43 (36 871).
Mevrouw Vondeling (PVV):
Dank u wel.
De voorzitter:
U bedankt. De heer Van Asten.
De heer Van Asten (D66):
Dank. Geen moties van D66. Ik wil de Minister bedanken voor de beantwoording. Wat
D66 betreft gaan we aan de slag met het Migratiepact, dat ervoor zorgt dat we eindelijk
een Europese aanpak hebben van migratie, we snel aan de slag kunnen met de invoering
daarvan en we eindelijk een wet gaan krijgen die mensen zekerheid gaat bieden over
de procedures.
Dank u wel.
De voorzitter:
U bedankt. De heer Van Dijk.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u, voorzitter. Het Asiel- en migratiepact reflecteert de nieuwe wind die binnen
Europa waait om te komen tot een beperking van de asiel- en migratiestromen. Het is
niet ideaal; het is niet volkomen, het is geen wondermiddel, maar wel een stap in
de goede richting wat betreft de SGP. Zo kijken wij naar dit pact en naar de wetgeving
waarmee het wordt geïmplementeerd. Er moet nog meer gebeuren. Ik herhaal nog even
het punt van de bevolkingsdichtheid. We zullen goed volgen of de Minister dat ook
op het juiste moment inbrengt.
Ik heb één motie. Die luidt als volgt.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat implementatie van het Asiel- en migratiepact moet bijdragen aan
het krijgen van grip op migratie;
overwegende dat het migratiesaldo van Nederland en de Europese Unie op dit moment
structureel te hoog is en dat de draagkracht van de samenleving hiermee onder grote
druk staat;
verzoekt de regering voortdurend te monitoren in hoeverre het pact ook daadwerkelijk
bijdraagt aan de beperking van de asielinstroom;
verzoekt de regering indien dit tot onvoldoende grip op migratie leidt op EU-niveau
zich in te zetten voor het treffen van aanvullende, instroombeperkende maatregelen
en de mogelijkheid van een quotum of richtgetal met een duidelijke bovengrens daarbij
te betrekken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk en Boomsma.
Zij krijgt nr. 44 (36 871).
Bedankt. De Minister gaat zo meteen vrolijk de moties appreciëren. Het komt allemaal
goed. Mevrouw Straatman.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Namens mij geen moties. Rest mij alleen de Minister te bedanken
voor de uitvoerige beantwoording en de collega’s voor het goede debat. Voor het CDA
is het essentieel dat dit pact wordt ingevoerd en ook op een wijze door het kabinet
wordt geïmplementeerd die nodig is voor een werkend asielsysteem. Dat het niet volmaakt
is, erkennen wij ook, maar wij zien ook dat het een hele belangrijke stap is in de
juiste richting. Bij iedere fundamentele asielwijziging of wijzigingen in het algemeen,
zeker ook hier, is de uitvoering spannend. Dat is hier dus niet anders, maar dat maakt
dat ik extra mijn dank uitspreek aan alle medewerkers van de IND en alle ketenpartners,
die zich voor de volle honderd procent inzetten om dit pact ten uitvoer te brengen.
De voorzitter:
Mevrouw Lammers.
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Ook ik dank de Minister voor de beantwoording. Ik heb drie moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Europese Migratiepact alleen voorziet in een grensprocedure
voor kansarme aanvragen en dat minderjarigen daarvan zijn uitgezonderd;
overwegende dat mensensmokkel hiermee in stand blijft en asielaanvragen en illegale
doorreis in Europa blijven plaatsvinden;
overwegende dat de kans groot is dat kinderen vooruit worden gestuurd en hiermee de
hele functie van de grensprocedure wordt ondermijnd;
verzoekt de regering om met gelijkgezinde landen binnen een jaar te komen tot een
voorstel waarbij asielaanvragen uitsluitend buiten de EU worden behandeld,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Lammers.
Zij krijgt nr. 45 (36 871).
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het nieuwe Migratiepact de illegale instroom van asielzoekers niet
effectief zal terugdringen;
overwegende dat Duitsland de grenzen bewaakt en asielzoekers terugstuurt;
verzoekt de regering onze grenscontroles maximaal te intensiveren en net als Duitsland
asielzoekers niet binnen te laten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Lammers.
Zij krijgt nr. 46 (36 871).
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er wekelijks gemiddeld 800 asielaanvragen worden ingediend;
constaterende dat er naar schatting tussen de 20.000 en 60.000 mensen illegaal in
Nederland verblijven;
overwegende dat het Migratiepact het probleem van illegaliteit niet aanpakt noch oplost;
verzoekt de regering een uitzetprogramma te starten en wekelijks 800 illegalen uit
te zetten, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Lammers.
Zij krijgt nr. 47 (36 871).
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Dank u wel.
De voorzitter:
Oké, u ook bedankt. De heer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Dank, voorzitter. Dank aan de Minister voor de beantwoording. Over ons amendement
over de termijn van drie maanden voor werk: Nederland kiest ervoor om een termijn
te hanteren van drie maanden voor bepaalde groepen, terwijl de richtlijn na zes maanden
verplicht toegang geeft tot de arbeidsmarkt. Ik weet niet of de heer Ceder dit als
een nationale kop zou zien. Ik begrijp niet waarom dit amendement het ingewikkelder
zou maken. In het huidige voorstel is het ook al zo dat er onderscheid wordt gemaakt
en dat de mensen met een kansarme aanvraag niet al in aanmerking komen voor werk na
die drie maanden. Dat onderscheid wordt toch al gemaakt? Voor welke groepen zou die
termijn van drie maanden in de huidige situatie zoals de Minister beoogt dan niet
gelden?
Hoe dan ook vindt JA21 dat dit niet mag leiden tot een extra asielmotief. Ik vind
de term «aanzuigende werking» altijd heel lelijk, dus die gebruik ik niet, maar de
betekenis is natuurlijk helder. Ons amendement was juist bedoeld om het om te draaien
en niet om het complexer te maken. Ik vraag me af of, als je werkt, dat kan worden
gebruikt in de belangenafweging bij artikel 8 EVRM-procedures. Ik ben benieuwd of
het dan wel wordt gehanteerd als extra reden om mee te wegen.
Dan over het amendement over het uitlezen van de mobiele telefoons. Het blijft natuurlijk
heel erg wrang. Volgens mij vindt ongeveer iedereen het een goed idee om dit te doen.
Als mensen een beroep doen op ons voor opvang en hulp, dan is het volstrekt logisch
dat je ook kunt kijken of dat asielrelaas klopt en dat je dat dan ook gewoon toelaat.
Als iedereen het wil, waarom is het dan zo ontzettend moeilijk en zitten we er al
jaren over te steggelen? Wat is nou het ergste dat er kan gebeuren als je dit aanneemt?
Je kunt gewoon gaan proberen om die telefoons uit te lezen. Als er dan toch een rechter
is die iets heeft bedacht waardoor het niet zou kunnen, heb je altijd nog het andere
traject waar de Minister over sprak. Ik twijfel nog of ik het amendement moet intrekken.
Dan heb ik tot slot nog drie moties. Eentje over aanvullende maatregelen bij achterblijvende
instroomdaling.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het urgent en noodzakelijk is om de instroom van asielzoekers naar
Nederland drastisch te beperken;
overwegende dat de regering zelf ook aangeeft dat het Nederlandse asielsysteem in
de huidige vorm onhoudbaar is;
overwegende dat onze Europese buurlanden strengere maatregelen treffen;
verzoekt de regering, indien de instroom van asielzoekers zes maanden na de invoering
van het Asiel- en migratiepact op 12 juni niet drastisch is gedaald ten opzichte van
het gemiddelde van afgelopen twee jaar, aanvullende maatregelen voor te leggen aan
de Tweede Kamer om de instroom te beperken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boomsma en Diederik van Dijk.
Zij krijgt nr. 48 (36 871).
De heer Boomsma (JA21):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het overgrote deel van de asielzoekers via een fysieke buitengrens
naar de EU komt en niet via een luchthaven;
overwegende dat deze landen in het verleden ervoor hebben gekozen om asielzoekers
niet te registreren maar door te laten reizen naar Noord-Europa;
overwegende dat het solidariteitsmechanisme kan motiveren om Dublin beter na te leven
maar nog altijd van belang kan zijn om mensen niet tijdelijk op te vangen;
overwegende dat de werking van het Migratiepact afhankelijk is van de bereidheid van
andere EU-landen met buitengrenzen om de grensprocedure, eerste screening en registratie
succesvol te implementeren;
verzoekt de regering:
− in overleg te treden met de Europese Commissie en landen met een buitengrens waaronder
in ieder geval Italië, Spanje en Griekenland over afspraken over naleving van het
pact en specifiek de Dublinprincipes en het toezicht daarop;
− indien noodzakelijk daartoe zelf aanvullende maatregelen te nemen en ondersteuning
te bieden ter naleving van de regels van het pact;
− daarover afspraken te maken en die terug te koppelen aan de Tweede Kamer,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boomsma en Diederik van Dijk.
Zij krijgt nr. 49 (36 871).
De heer Boomsma (JA21):
Tot slot.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de IND kampt met grote achterstanden in het verwerken van asielaanvragen,
nareisaanvragen en andere zaken terwijl de instroom nog altijd hoog is;
overwegende dat het wegwerken van die achterstanden en bijhouden van nieuwe aanvragen
kan leiden tot druk op de organisatie om sneller te besluiten, ook als dit leidt tot
het makkelijker verlenen van asielvergunningen;
overwegende dat het cruciaal is dat de IND voldoende capaciteit houdt voor het herbeoordelen
van asielvergunningen indien de omstandigheden in het land van herkomst zijn veranderd;
verzoekt de regering:
− voldoende aparte capaciteit bij de IND vrij te maken en te houden voor het starten
van herbeoordelingsprocedures wanneer relevante feiten zijn achtergehouden of omdat
de omstandigheden in landen van herkomst terugkeer mogelijk maken, en de Kamer te
informeren over de uitvoering hiervan;
− er aanhoudend zorg voor te dragen dat het streven naar het wegwerken van achterstanden
en verwerken van nieuwe aanvragen nooit ten koste mag gaan van de zorgvuldigheid van
beoordelingen en in geen geval ertoe mag leiden dat eerder en sneller asielvergunningen
worden verleend,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boomsma en Diederik van Dijk.
Zij krijgt nr. 50 (36 871).
De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel.
De voorzitter:
Meneer Dassen.
De heer Dassen (Volt):
Dank, voorzitter. Dank ook aan de bewindspersoon voor de beantwoording.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de herziene Eurodacverordening de leeftijdsgrens voor biometrische
gegevens verlaagt naar zes jaar en dat minderjarigen als uiterste middel aan dwang
mogen worden onderworpen;
overwegende dat het belang van het kind vooropstaat en dat dwang bij jonge kinderen
zo veel mogelijk voorkomen dient te worden;
verzoekt de regering in de uitvoeringsregelgeving vast te leggen dat biometrie bij
minderjarigen uitsluitend plaatsvindt indien dit noodzakelijk en proportioneel is,
zonder dwang en op kindvriendelijke wijze wordt uitgevoerd, en dat betrokken ambtenaren
hiervoor een verplichte kindgerichte opleiding hebben gevolgd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dassen.
Zij krijgt nr. 51 (36 871).
De heer Dassen (Volt):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het gerechtshof Den Haag in 2022 heeft vastgesteld dat de asielopvang
niet voldoet aan de minimumnormen van de Opvangrichtlijn, met name voor kwetsbare
personen en kinderen, en dat dit zich dreigt te herhalen;
constaterende dat een concreet plan en tijdpad voor de afbouw van noodopvang en de
realisatie van voldoende reguliere opvang ontbreekt;
verzoekt de regering een gedetailleerd plan met tijdpad te presenteren voor de afbouw
van (crisis)noodopvang en het realiseren van reguliere opvangplekken die voldoen aan
de Opvangrichtlijn,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dassen.
Zij krijgt nr. 52 (36 871).
De heer Dassen (Volt):
Voorzitter. Ik heb nog één vraag over de appreciatie van het amendement op stuk nr. 31. De Minister zei dat dit niet kon vanwege het pact. Dit gaat echter over de additionele
categorieën die Nederland hierbovenop doet. Dus volgens mij kan het amendement wel
degelijk uitgevoerd worden.
Dan wil ik nog een keer mijn zorg herhalen over de uitvoering van dit pact, waarbij
elk land zijn eigen maatregelen gaat toevoegen. Daardoor wordt het uiteindelijk toch
nog steeds een race to the bottom en zal de echte Europese aanpak, waar wij volgens
mij allemaal naar snakken, heel moeilijk behaald worden op deze manier. Ik vind het
zonde dat Nederland daar wederom in meegaat.
Dan nog één laatste punt: het belang van taal. Ik denk dat we als politici allemaal
weten wat taal doet. Het valt mij ook vandaag weer op dat wij bepaalde woorden gebruiken
– ik heb er zelf ook niet direct andere woorden voor – waar we volgens mij op moeten
reflecteren. Ik doel dan op woorden als «voorraden wegwerken» en «quota». Ik ben mijn
bijdrage begonnen met de opmerking dat het hier over mensen gaat. Ik denk dat we nog
eens kritisch op onszelf moeten reflecteren als we dit soort woorden kiezen, want
dat zorgt er juist voor dat we het menselijke en menswaardige aspect weghalen met
elkaar. Ik daag de collega’s, maar zeker ook de Minister, uit om daar nog eens kritisch
naar te kijken.
Dank u wel.
De voorzitter:
De heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter. Dank u wel voor de uitwisseling die u mogelijk hebt gemaakt. Ik denk dat
wij wel een debat hebben kunnen voeren. Het debat had naar mijn gevoel toch nog wat
verder uitgediept kunnen worden. Ik betreur het dat dit niet is gebeurd. In ieder
geval dank ik u voor het leiden van dit debat. Ik dank ook de Minister voor zijn beantwoording.
Ik heb een aantal amendementen ingediend. Waar die direct voortvloeien uit richtlijnen
die niet aangepast zullen worden, zal ik ze waarschijnlijk intrekken. Er zijn een
of twee amendementen waarop wel degelijk na 12 juni 2026 een verdere invulling volgt.
Ik denk dat het zeer wenselijk is dat wij van links tot rechts tijdig weten waar de
Minister mee komt, zodat we daar ook iets van kunnen vinden. Ik denk dat ik die amendementen
handhaaf. Het gaat om een of twee amendementen, maar de administratie daarvan zal
nog volgen.
Ik heb daarnaast een aantal moties en ik verzoek om een toezegging. Ik begin met een
motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Europees Migratiepact gericht is op een gezamenlijke en duurzame
aanpak van migratie binnen de Europese Unie;
overwegende dat effectieve migratiebeheersing niet alleen ziet op instroom, maar ook
op terugkeer en perspectief voor personen zonder verblijfsrecht;
overwegende dat vrijwillige remigratie kan bijdragen aan een humane en duurzame oplossing
voor migratievraagstukken;
overwegende dat vrijwillige remigratie kan toenemen met doelmatige en rechtmatige
maatregelen, onder andere financiële prikkels;
verzoekt de regering om, in het kader van de uitwerking en implementatie van het Europees
Migratiepact, te onderzoeken op welke wijze remigratie ten aanzien van alle vormen
van verschillende verblijfstitels verder gestimuleerd kan worden en daarbij expliciet
in te gaan op de voorwaarden waaronder financiële prikkels een effectieve en verantwoorde
bijdrage kunnen leveren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Diederik van Dijk.
Zij krijgt nr. 53 (36 871).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat gezinsleden van een al erkende statushouder in het kader van gezinshereniging
twee jaar moeten wachten buiten Nederland voordat zij kunnen nareizen;
constaterende dat deze wachttijd kan leiden tot vertraging in de integratie van gezinsleden
in de Nederlandse samenleving en daar vervolgens negatieve neveneffecten uit kunnen
voortvloeien;
overwegende dat het benutten van de wachttijd in het land van herkomst kan bijdragen
aan het verkleinen van de afstand tot de Nederlandse samenleving;
verzoekt de regering om te onderzoeken hoe gezinsleden die wachten op gezinshereniging
al in het land van herkomst kunnen starten met integratie, waaronder taalonderwijs
en voorbereiding op de Nederlandse samenleving;
verzoekt de regering tevens om daarbij te bezien hoe deze voorbereiding toegankelijk
en effectief kan worden ingericht,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.
Zij krijgt nr. 54 (36 871).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter. We hebben een discussie gevoerd over nationale koppen. De Minister kon
geen toezegging doen. In het kader van niet alleen dit pact, maar ook andere Europese
regelgeving, vind ik het belangrijk om dat toch wat verder uit te werken. Daarom de
volgende motie over de nationale koppen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat bij de implementatie van Europese regelgeving soms sprake is van
aanvullende nationale regels, boven op al bestaande Europese regels, ook wel aangeduid
als «nationale koppen»;
overwegende dat het voor de voorspelbaarheid en controle op wet- en regelgeving door
de Kamer belangrijk is dat duidelijk wordt wanneer en waarom er wordt gekozen voor
een nationale kop en wanneer deze «onnodig» is;
overwegende dat het uiteindelijk aan de Kamer zelf is om voor of tegen nationale koppen
te stemmen;
verzoekt de regering om een heldere en voor eenieder begrijpelijke definitie en een
afwegingskader te formuleren voor hoe zij Europese regelgeving implementeren, en die
binnen twee weken naar de Kamer toe te sturen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Van der Plas.
Zij krijgt nr. 55 (36 871).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter. De laatste motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat uit het debat blijkt dat de druk op de rechtspraak mogelijk toeneemt
en er signalen zijn dat de rechtspraak dreigt vast te lopen;
overwegende dat vertragingen in de rechtspraak grote gevolgen kunnen hebben voor betrokkenen
en de uitvoering van beleid, waaronder het migratiebeleid;
verzoekt de regering om alles op alles te zetten om te voorkomen dat de rechtspraak
vastloopt;
verzoekt de regering tevens om de Kamer tijdig te informeren over (dreigende) knelpunten
en, indien nodig, direct met concrete noodmaatregelen te komen om de continuïteit
van de rechtspraak te waarborgen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Westerveld.
Zij krijgt nr. 56 (36 871).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Tot slot, voorzitter. De IND begint met een dunnere schil ten aanzien van de implementatie.
Later zal dat verder opgebouwd worden. Ik zou graag willen vragen of de Minister kan
toezeggen om ons tijdig te informeren over de implementatie en over mogelijke uitvoeringstoetsen
ten aanzien van ICT en andere zaken. Dan kunnen wij onze controlerende taak uitvoeren
wat betreft hetgeen waar we nu al mee instemmen, maar waarvan we pas later de uitwerking
kunnen meemaken. Op dat punt dien ik geen motie in, maar ik vertrouw erop dat de Minister
daarop een toezegging kan doen.
Voorzitter, ik sluit af. We hebben veel interrupties gehad en veel debatten. In principe
steunt de ChristenUnie de gedachte van het Migratiepact. Ik hoop dus ook dat we voortvarend
aan de slag kunnen gaan. We hebben voorstellen gedaan om deze wet beter en toegankelijker
te maken en hopelijk ook voor het faciliteren van een betere doorstroming en een betere
regelgeving ten aanzien van de kwetsbaarheid van kinderen. Dat wou ik nog gezegd hebben.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dat gaat goed. Dank iedereen.
Voorzitter: Westerveld
De heer Ellian (VVD):
Als jullie het goedvinden, zal ik snel en kort mijn eigen tweede termijn doen namens
de VVD-fractie. Ook nu is er weer een hoop gezegd. Uiteraard dank ik de Minister voor
zijn beantwoording, maar ook zijn ondersteuning. Zij hebben toch geprobeerd ons op
een hele korte termijn te bedienen van vrij moeilijke wetstechnische vraagstukken.
Dank daarvoor.
Een paar opmerkingen van mijn kant. Ik voorspel iedereen het volgende. Dat is iets
waar de VVD zich de komende tijd echt op zal richten. Je kunt het «detentieachtig»
noemen, of «sober». De heer Boomsma zei mooi: soberder kan niet. Toen besefte ik dat
dat klopt, maar dat «sober» misschien niet eens meer het goede woord is voor mij om
te gebruiken. Het gaat om de vraag: hoe vrij vinden we dat bijvoorbeeld Dublinclaimanten
zich nog mogen bewegen? En: wat staan we nog toe bij de grenslocaties, niet alleen
in Nederland maar ook aan de grens van de EU? Ik verwacht dat dat een hele belangrijke
discussie gaat worden, want anders blijft het bij een hoop techniek. Ik denk dat je
uiteindelijk iets zult moeten doen om een bepaald effect te bereiken. Dat is helaas
ook met een afschrikwekkende werking, denk ik zelf.
Over de bevolkingsdichtheid is gesproken. Ik ben daar heel benieuwd naar. De Minister
heeft toegezegd dat we daarover vaker iets terug gaan horen. Dat is fijn. Ik begreep
ook van de Minister dat hij de aansporing vanuit onze zijde richting Griekenland en
Italië ziet. Dat is niet alleen om met de vinger te wijzen, maar ook vanwege de vraag
hoe wij hen gaan helpen als zij uiteindelijk zo’n belangrijke rol spelen in het vervolmaken
van dit pact. Ook over het solidariteitsmechanisme hebben we veel gesproken. Uiteindelijk
wil je dat dit een succes wordt. Zo beluister ik de Minister ook. Daar zal de VVD
het kabinet op controleren. Dat is ons werk, dus dat zullen we ook gaan doen.
Tot slot zeg ik uiteraard dat wij elkaar nog gaan spreken over de kwestie rondom de
rechter. Dat spijt me enorm. Ondertussen krijg ik allemaal berichten van mensen die
zeggen: Ellian, het is top dat je dat inbrengt. Het kan niet dat één persoon op deze
manier een bom onder een pact legt terwijl dat niet bij haar functie zou moeten horen.
Voorzitter: Ellian
De voorzitter:
Minister, ik zag u dringend pennen. Hoeveel tijd heeft u nodig?
Minister Van den Brink:
Tien minuutjes.
De voorzitter:
Dan schors ik tien minuten en dan doen we snel de appreciaties. Dan gaan we het daarna
afronden. Ik dank de collega’s voor hun discipline in de tweede termijn. Komen jullie
er met het printen uit ook, bodes, met tien minuten? Ik hoor dat dat het geval is.
Toppie, dank jullie wel. Dan schors ik voor tien minuten.
De vergadering wordt van 18.57 uur tot 19.11 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. We zijn nog steeds bezig met het wetgevingsoverleg over
de uitvoering van het Migratiepact. Ik geef het woord aan de Minister voor zijn tweede
termijn, waarin we de appreciaties van de ingediende moties doen. Aan u het woord.
Minister Van den Brink:
Dank u wel, voorzitter, en dank voor de reactie in de tweede termijn. Ook mijn dank
voor jullie dankzegging aan de organisatie en de mensen hierachter. Dat is meer dan
terecht. Nogmaals dank voor de ruimte die er vandaag was om dit grote wetsvoorstel
met elkaar te kunnen bespreken. Ik ben van plan om eerst de moties te doen en daarna
nog even door de losse vragen heen te lopen, als dat deze keer in de goede volgorde
mag.
Ik begin met de motie van mevrouw Van der Plas op stuk nr. 37. Zij drukt een zorg uit die, denk ik, veel partijen vandaag hebben geuit. Die zorg
is dat er op papier veel verbetert, maar dat het zich in de praktijk nog wel moet
bewijzen. Indien daar zorgen over zijn, zijn wij daar als kabinet op aanspreekbaar.
Wij spreken daar anderen ook op aan en dat is, denk ik, wat deze motie op een mooie
manier onder woorden brengt. Als er onvolkomenheden in zitten, dan gaan we het gesprek
aan met alle andere lidstaten om die uitvoering dan weer onvoorwaardelijk met elkaar
op de goede manier ten uitvoer te brengen. Ik ga deze motie daarom oordeel Kamer geven.
De tweede motie van mevrouw Van der Plas op stuk nr. 38 benoemt, denk ik, iets wat veel partijen vandaag hebben genoemd, namelijk dat we
ons moeten blijven inspannen om ons bijzondere aantal inwoners op het kleine stukje
land dat we hebben gekregen, wat «bevolkingsdichtheid» heet, mee te laten wegen. Ook
die motie geef ik daarom oordeel Kamer.
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 39 waarin mevrouw Westerveld, Ceder en Dassen nogmaals de zorgen over kinderen en grensdetentie
onder woorden brengen. Ik vond dat niet meer helemaal in lijn met hoe ik volgens mij
heb uitgelegd hoe dat eruit komt te zien. Ik kan ’m dus alleen al vanwege de overwegingen
niet steunen. De kinderrechtentoets is onderdeel ... Laat ik het zo zeggen: het belang
van het kind wordt al meegewogen in de staande wetgeving. Het is al afgewogen bij
de totstandkoming van deze wet. Om die reden moet ik deze motie ontraden. Voor de
rest houd ik staande dat wij op een hele zorgvuldige wijze omgaan met minderjarigen.
Gezinnen die in de grensprocedure komen, gaan dus door naar Ter Apel. Alleen als er
om zwaarwegende redenen anders zou moeten worden besloten ... Maar dat is zeer gelimiteerd.
De motie op stuk nr. 40 verzoekt de regering alles in het werk te stellen om de uitvoering op orde te brengen,
zodat het solidariteitsmechanisme dit jaar niet afgekocht wordt. Ik zou willen dat
wij de opvang zo snel op orde zouden kunnen hebben dat dat kon. Ook die motie moet
ik om die reden ontraden.
De motie op stuk nr. 41 van mevrouw Vondeling en de heer Wilders. Deze motie ontraad ik onder verwijzing
naar het debat. Wij geloven wel dat we met dit pact een aantal goede stappen zetten.
De motie op stuk nr. 42 verzoekt alle tijdelijke verblijfsvergunningen van Syriërs in te trekken en te zorgen
dat Syriërs direct terugkeren naar Syrië. Dat is niet aan de orde. Die motie moet
ik dan ook ontraden. Wij wachten de adviezen daarover gewoon af. En hoe dat er in
de toekomst uit gaat zien ... Er gaat op dit moment geen onmiddellijke werking van
uit.
De motie op stuk nr. 43 verwoordt, denk ik, iets wat wij allen willen. Die aanmoediging neem ik dus graag
ter harte. Ik zal mij inspannen om het wetsvoorstel snel in gang te zetten en naar
de Kamer te sturen. Ik geef de motie dus oordeel Kamer.
De motie op stuknr. 44. De mensen die mijn non-verbale reactie zagen, zeiden dat ik echt zat te genieten
van deze motie. De motie werd mooier en mooier, maar op het einde dacht ik opeens:
«Quotum? Richtgetal? Mmm.» Maar, maar! Ik denk dat u hierin ook tot uitdrukking brengt
wat mevrouw Van der Plas ook al zei, namelijk dat we dit alles doen om grip te krijgen.
Daarnaast hebben we een demografierapport waar we ons nog steeds toe gesteld zien
en waar ook quota, richtgetallen en bandbreedtes in zitten. De hele, om het zo maar
te zeggen, umwelt die daarbij hoort, is daarin ondergebracht. Ik denk daarom toch
dat ik mijzelf een dienst bewijs door deze opgave op mij te nemen. Maar ik doe dat
wel in de beperkingen die daarin zitten binnen het Europese, en zoals we weten hoe
dat werkt. We gaan ons dus op Europees niveau inzetten voor het treffen van aanvullende
instroombeperkende maatregelen, indien daar onvoldoende grip is. Maar dat blijft natuurlijk
een politiek oordeel. Maar dat heb ik dan hierbij gezegd. Ik geef de motie dus oordeel
Kamer.
De motie op stuk nr. 45.
De voorzitter:
Momentje. Meneer Van Asten.
De heer Van Asten (D66):
Dit gaat wel heel snel. Er wordt gevraagd om een quotum als we onvoldoende grip hebben.
Wanneer is er dan sprake van onvoldoende grip en wat lost een quotum dan op? Als het
ergens misgaat in de wereld en er een grote vluchtelingenstroom op gang komt, hebben
we dan geen grip meer en zeggen we dan «quotum»? Ik ben nogal verrast door dit «oordeel
Kamer».
Minister Van den Brink:
Ik heb de motie gelezen in het licht van de opdracht die het rapport demografie ons
heeft gegeven. Daar hebben we ons achter geschaard. Daarbij zoeken we naar een manier
om die grip onder woorden te brengen. In dit coalitieakkoord zijn afspraken gemaakt
over een asielstelsel buiten Europa. Dan kom je sowieso in de situatie terecht dat
je gaat werken met hervestiging en dan heb je weer te maken met quota en aantallen.
Ik zie dit niet op de korte termijn. U merkt terecht op dat indien er internationale
geopolitieke spanningen zijn waardoor vluchtelingenstromen ontstaan, Europa altijd
een taak heeft. Die zal Europa in de toekomst ook blijven houden. Ik zie dit meer
als een soort agenda voor de langere termijn, zoals ook verwoord in ons coalitieakkoord.
De heer Dassen (Volt):
Dit is een heel rekbare uitleg van de Minister, maar dat is volgens mij niet precies
wat er in de motie staat. Ik snap dat de Minister de Kamerleden graag enigszins tegemoet
wil komen, maar ik vind wel dat wat er in de motie concreet staat heel ver wordt opgerekt.
Wij moeten dadelijk stemmen over wat er in de motie staat. Enige uitleg daarbij kan
ik begrijpen, maar dit gaat mij echt te ver. Kan de Minister aangeven waarom hij wat
hier staat oordeel Kamer wil geven, of zijn oordeel wellicht heroverwegen?
Minister Van den Brink:
Ik heb het volgens mij ingekaderd en gezegd dat wij onszelf tot doel hebben gesteld
uitvoering te geven aan het demografierapport. Als je dat in Nederland doet, doe je
dat ook in een groter geheel. Ik voel mezelf hierdoor niet geremd in de zin dat ik
mijn rol niet zou kunnen uitvoeren zoals door ons beoogd. In Europa zal dit gesprek
toch blijven bestaan, ook omdat we met elkaar hebben afgesproken dat wij boven op
de invoering van het Migratiepact zullen blijven werken aan asiel buiten Europa. In
dat kader kom je in de situatie dat je nog steeds de verantwoordelijkheid wilt nemen
met elkaar. De verantwoordelijkheid die Nederland heeft genomen en zal blijven nemen
voor asiel, zal in de toekomst altijd blijven bestaan. In het verleden hebben we gesproken
over Canadese modellen en er zijn allerlei andere vergelijkingen gemaakt. Als je het
asielrecht buiten Europa gaat invullen, wat de langetermijndoelstelling is, komen
dit soort zaken op je pad.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik wil heel graag voor deze motie stemmen, maar dan krijg ik wel alle juristen op
mijn dak.
Minister Van den Brink:
O!
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ja, en waarschijnlijk ook binnen uw ministerie zelfs. Binnen het huidige stelsel en
met de huidige verdragen kan een quotum gewoon niet. Een quotum is een harde grens:
tot hier en niet verder. Dat weet de Minister ook. Ik wil graag voorstemmen, maar
dan kom ik terecht in de spagaat dat ik stem voor iets waarvan ik weet dat de Minister
het niet kan toezeggen of uitvoeren en dat als ik daarom niet voorstem, dat vervolgens
weer wordt uitgelegd als zouden sommige partijen niet willen. Ik snap de uitleg van
de Minister. Hij filosofeert ook over het Canadese model en toekomstige omstandigheden
en zelf heb ik niet voor niets een hervorming van het VN-Vluchtelingenverdrag voorgesteld.
Kan ik de motie zo lezen dat het altijd binnen de bestaande juridische kaders is en,
zo ja, dat ze ook zo geïnterpreteerd zou moeten worden? Anders wordt het mij en anderen
waarschijnlijk ook heel moeilijk gemaakt ...
Minister Van den Brink:
Dat snap ik wel. Ik denk dat u het beter formuleert dan ik in mijn eigen ronde deed.
Dit is precies wat ik hiermee beoog. Een quotum binnen het bestaande Europese en internationale
asielrecht is niet mogelijk, maar we werken toe naar een hervorming van het Europese
en het internationale asielrecht en dan krijg je ook met deze opgave te maken. Ik
realiseer me dat woorden soms ... Dat heeft de heer Dassen daarstraks al gezegd. Dat
woorden ertoe doen, neem ik nu nog meer ter harte. Maar ik houd het bij oordeel Kamer.
De voorzitter:
Oké. De motie op stuk nr. 44: oordeel Kamer.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 45 van mevrouw Lammers vraagt om iets wat niet binnen een jaar mogelijk is. We stelden
zojuist al vast dat dit binnen het huidige asielrecht niet kan. Om die reden moet
ik deze motie ontraden.
De motie op stuk nr. 46 verzoekt de regering onze grenscontroles maximaal te intensiveren en net als Duitsland
asielzoekers niet binnen te laten. Ook die moet ik ontraden, trouwens met de opmerking
dat Duitsland misschien wel grenscontroles heeft, maar dat dit niet betekent dat Duitsland
op dit moment geen asielverzoeken meer heeft.
De motie op stuk nr. 47 verzoekt de regering een uitzetprogramma te starten en wekelijks 800 illegalen uit
te zetten. Ook die motie moet ik ontraden.
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 48, waarin wordt verzocht om aanvullende maatregelen als de instroom van asielzoekers
zes maanden na de invoering van het Asiel- en migratiepact niet drastisch is gedaald
ten opzichte van het gemiddelde. Deze motie wil ik ontraden, omdat ik dit geen reële
termijn vind om het Asiel- en migratiepact te beoordelen. We mogen daar veel van verwachten,
maar ik wil niet aan zo’n termijn gekoppeld zijn. Deze motie ga ik dus ontraden.
De heer Boomsma (JA21):
Dit verbaast me een beetje, want de hele inzet van het Asiel- en migratiepact is natuurlijk
dat Dublin weer gaat werken. Als dat gaat werken, zal dat toch leiden tot een drastische
daling van de migratie naar Nederland, omdat op dit moment 90% vanaf de buitengrenzen
komt? Als het daadwerkelijk werkt zoals beoogd, worden die mensen toch opgenomen in
Italië en Griekenland en worden zij toch in een procedure gebracht? Als het werkelijk
gaat werken, moet dat dus toch direct of al vrij snel leiden tot een drastische daling?
Als de Minister zegt dat zes maanden te weinig is, snap ik dat dus niet, maar wat
is volgens hem dan wél een realistische termijn?
Minister Van den Brink:
Op zich klopt het dat Dublin effect gaat hebben. Gelet op de tijd ga ik misschien
soms net te snel. Het is een combinatie van factoren, heet dat dan. De motie stelt
dat er aanvullende maatregelen moeten komen als de instroom na zes maanden niet drastisch
is gedaald, maar we hebben vandaag juist in het hele debat besproken dat we ongeveer
alles doen wat in Europa mogelijk is. Ik zie dus ook niet welke aanvullende maatregelen
dat dan zouden moeten zijn. Om die reden handhaaf ik mijn ontraden.
De voorzitter:
Heel kort, meneer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Ik had ook gevraagd wat de Minister als realistische termijn ziet voordat we wat hem
betreft daadwerkelijk effecten mogen verwachten.
De voorzitter:
Minister, wat is een realistische termijn?
Minister Van den Brink:
Nee, daar ga ik zo voor de vuist weg geen data voor noemen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 48 blijft ontraden, maar ik wil nog even terug naar de motie op stuk nr. 47 van mevrouw Lammers. Mevrouw Lammers zei niks, maar u ontraadde de motie en zei daar
niet bij waarom.
Minister Van den Brink:
O, sorry. De motie op stuk nr. 47 gaat over het uitzetten van 800 illegalen en het informeren van de Kamer daarover.
Wij hebben gewoon een functionerende Dienst Terugkeer en Vertrek, die werkt op basis
van uitgeprocedeerde asielzoekers die een vertrekplicht hebben en die ook kúnnen vertrekken.
Daarvoor heb je andere landen nodig waarmee je afspraken maakt. Dat is wat wij nu
al doen. Wat hier wordt gevraagd, is volgens mij iets anders dan waar wij op dit moment
uitvoering aan geven.
De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 49.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 49 vraagt het kabinet om in overleg te treden met de Europese Commissie en landen met
een buitengrens, waaronder de in de motie genoemde landen, over naleving van het pact
en specifiek de Dublinprincipes en het toezicht daarop. De motie vraagt ook om ondersteuning
te bieden en aanvullende maatregelen te nemen om die landen daartoe in staat te stellen.
Dat wil ik zeker doen en ik wil u daar ook over terugkoppelen als ik daarover heb
gesproken in het verband van de JBZ-Raad of op andere plekken, want ik denk dat dit
een regulier gesprek zal worden.
De voorzitter:
Dus oordeel Kamer.
Minister Van den Brink:
Ja, sorry.
De motie op stuk nr. 50 vraagt iets wat ik nu nog niet kan toezeggen. Er wordt gevraagd om capaciteit van
de IND vrij te maken en te gebruiken voor het starten van herbeoordelingsprocedures.
Daarnaast wordt er iets gezegd over het wegwerken van de achterstanden; dat deel ik
overigens wel. Dat zal zorgvuldig blijven gaan, maar ik heb de tijd nu eerst nodig
om de gesprekken met de IND af te ronden rondom de voorraad. Ik gebruik nog even het
woord «voorraad», maar ik zal straks in zijn algemeenheid iets zeggen over taal. Ik
moet dat gesprek eerst afronden om hier iets over te kunnen zeggen. Ik weet dat er
bij de IND al een enorme opgave ligt op basis van wat er uit het verleden is gekomen
en wat er nu met het pact komt. En als u ziet op een herbeoordelingsprocedure, dan
gaat het ook over een hele grote groep Syriërs die hier in het land is. Ik kan daar
niet zomaar even iets over zeggen. Daarvoor moet ik echt een dieper gesprek met de
IND hebben gehad over waar zij staan, waar zij naar onderweg zijn en wat we daarbovenop
nog van ze kunnen vragen. Om die reden ga ik deze dus ontraden, maar ik kom wel met
het plan van aanpak dat ik u heb toegezegd. Mogelijk heb ik dan in ieder geval beter
in beeld gebracht wat de consequenties van wat u hier vraagt zouden kunnen zijn, maar
dat zeg ik u zeker niet met een impliciete toezegging.
In de motie op stuk nr. 51 vraagt de heer Dassen om biometrie bij minderjarigen alleen maar noodzakelijk, proportioneel
en zonder dwang en op kindvriendelijke wijze toe te passen, en dat daarvoor verplicht
een kindgerichte opleiding is gevolgd. Ik denk dat ik daarstraks heb uitgedrukt hoe
zorgvuldig wij daarmee proberen om te gaan. Tegelijkertijd heeft de Eurodacverordening
een rechtstreekse werking. Daarin staat die proportionele dwang; die is gewoon onderdeel
van die verordening en die hebben wij toegepast in onze wet. Het is een uiterst redmiddel.
We gaan dat gewoon op een hele normale wijze proberen vorm te geven. Maar de verordening
veronderstelt dat wij die biometrie afnemen. We willen dus alles in het werk stellen
zodat dat gebeurt, maar het is op geen enkele manier de bedoeling dat we dat op manieren
doen die die kinderen onder dwang zetten; laat ik het zo zeggen. Maar die woorden
worden wel in die verordening gebruikt, dus ik kan er niets anders van maken dan wat
er in die verordening ligt. Om die reden ontraad ik deze motie.
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 52. Die gaat over de zorgen die er zijn over de noodopvang en de realisatie. Laat ik
het zo zeggen: ik ga deze motie nu ontraden, omdat ik dat gedetailleerde plan nu nog
niet zou kunnen presenteren. Natuurlijk heeft het kabinet wel de opgave op zich genomen
om die noodopvang, die crisisopvang, af te gaan bouwen. Dus waar we kunnen, zullen
wij natuurlijk in de hele uitvoering van ook de Spreidingswet die we met elkaar gaan
aanpakken, regelen dat we minder crisis- en noodopvangplekken hebben. Dat is voor
iedereen het beste. Ik wil daar zelf ook graag zo snel mogelijk vanaf. Maar ik kan
niet nu al een gedetailleerd tijdplan geven van hoe dat eruit gaat zien; dat kan ik
niet waarmaken.
De heer Dassen (Volt):
Ik snap wel dat dat nu niet kan, want het moet nog gemaakt worden. Ik verzoek u om
tot een gedetailleerd plan te komen, zodat we daar zo snel mogelijk mee aan de slag
kunnen. Ik vraag niet dat de Minister nu wonderen verricht die niet haalbaar zijn,
maar het lijkt me wel verstandig dat er een plan komt.
De voorzitter:
Het hangt ervan af of je in wonderen gelooft, natuurlijk. Nou ja. De Minister.
Minister Van den Brink:
Ik ben hierin misschien ... Nou ja, ik snap het wel. U hoort mijn ambitie. Dan denkt
u «pak deze handschoen dan ook op», maar ik ben hierin zo afhankelijk van allerlei
factoren waarvan ik de afgelopen jaren heb gezien dat die heel moeilijk zijn te beïnvloeden
vanuit Den Haag, dat ik hier gewoon niet iets wil beloven wat ik niet kan waarmaken.
U kunt me dus aanspreken op de ambitie dat ik de noodopvang ga verminderen, maar ik
zou niet weten hoe ik dat nu al in een gedetailleerd plan zou moeten gieten als ik
niet weet waar ik aan toe ben met de gemeentes.
«Verzoekt de regering om, in het kader van de uitwerking en implementatie van het
Europees Migratiepact, te onderzoeken op welke wijze remigratie ten aanzien van alle
vormen van verschillende verblijfstitels verder gestimuleerd kan worden ...» en daarbij
in te gaan op voorwaarden. Die is interessant om ermee aan de slag te gaan, dus die
wil ik oordeel Kamer geven. We hebben natuurlijk in het verleden ook voorbeelden daarvan
gezien, dus we gaan daarmee verder aan de slag. Dat was de motie op stuk nr. 53.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Minister Van den Brink:
De motie op stuk nr. 54 gaat over de beperking van de nareisstatus. Die moet ik ontraden.
De motie op stuk nr. 55 vraagt de regering om een heldere en begrijpelijke definitie en afwegingskader te
formuleren voor hoe zij Europese regelgeving implementeert en om die binnen twee weken
naar de Kamer te sturen. Die discussie hebben wij uitvoerig gehad. Ik heb gezegd dat
ik dat aan mijn collega ga meegeven, maar dat ik daar geen toezegging op ga doen.
Dus ook die ga ik ontraden.
De voorzitter:
Minister, wat zei u nou bij de achttiende motie, die op stuk nr. 54? Waarom was die ontraden?
Minister Van den Brink:
O, sorry.
De voorzitter:
Nee, maakt niet uit.
Minister Van den Brink:
Het gaat over de taal en het land van herkomst. Laat ik het zo zeggen: of je bent
in het land van herkomst met een ingewilligd nareisverzoek en kunt deze kant op komen
nadat je die periode hebt afgewacht, of je hebt nog niet die status. Er is niet een
soort tussenfase. Wij zien niet op mensen die nog niet die status hebben in het land.
Wij nemen de verplichting op ons op het moment waarop zij die status hebben gekregen.
Om die reden is het oordeel: ontraden.
De voorzitter:
Meneer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dat kan ik enigszins begrijpen vanuit het perspectief van de Asielminister, maar als
kabinet is dat totaal onbegrijpelijk. Het gaat om erkende statushouders. Iemand die
in Nederland een paspoort krijgt en hier de samenleving gaat opbouwen, heeft kinderen.
Die kinderen, zolang ze niet sterven, zullen over twee jaar alsnog een kind zijn van
die persoon. Daarmee is het al overduidelijk dat ook zij zullen nareizen. Wat we nu
doen ten opzichte van de huidige praktijk, is dat we een integratievertraging inbouwen
van twee jaar. Mijn vraag is of het kabinet bij gevallen waarin het evident is dat
zij naar Nederland zullen komen als aan de voorwaarden is voldaan, de gap die we nu
creëren, die integratiegap, kan dichten door de mensen alvast voor te bereiden op
de Nederlandse samenleving, overwegende dat verschillende culturen mogelijk soms om
aanpassingen vragen die niet van de ene op de andere dag te overbruggen zijn. In dat
licht denk ik dat het in het kader van het bredere integratieverhaal best onbegrijpelijk
is dat het kabinet-Jetten zegt: wij gaan dit niet doen voor mensen die evident uiteindelijk,
met of zonder vertraging, Nederlanders zullen worden en zich in deze samenleving zullen
vestigen.
De voorzitter:
De Minister. Kort alstublieft.
Minister Van den Brink:
Dan is de vraag wanneer die «evidentie» zich voordoet. De evidentie is in principe
na de nareisbeperkende maatregelen na twee jaar wonen en een inkomen. Ik bedoelde
in mijn reactie dat er op dat moment nog geen status is. Maar u bedoelt: waarom doe
je, als die zekerheid er wel bijna honderd procent is, niet iets meer als je weet
dat die mensen later moeten integreren? Ik kan niet toezeggen dat ik zou weten hoe
ik dit zou moeten inrichten, terwijl we in Nederland nog kijken hoe we ons taalonderwijs
op afstand gaan krijgen. We kennen natuurlijk wel inburgering in het buitenland. Misschien
is er iets wat daarmee te vergelijken is. Ik zou moeten onderzoeken hoe dat verder
in te vullen is.
De heer Ceder (ChristenUnie):
...
Minister Van den Brink:
Ik lees soms dingen alsof ik ze morgen moet regelen, want ik weet wat er achter de
onderzoeken wegkomt. Met deze uitleg zou ik de motie oordeel Kamer kunnen geven.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Deze uitleg was de bedoeling van de motie.
Minister Van den Brink:
Oké, dank u wel.
De voorzitter:
Voor de administratie: de motie op stuk nr. 54 krijgt oordeel Kamer.
Minister Van den Brink:
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 55. O, dat heb ik net verteld. Die krijgt het oordeel ontraden.
Ik kom dan bij de motie op stuk nr. 56. Die vraagt de regering om tijdig te informeren over dreigende knelpunten in de rechtspraak.
Dat is een terechte vraag en ook iets waar ik zelf zicht op wil hebben, overigens
met de rechtspraak. Die wil ik oordeel Kamer geven.
Dan had ik nog een vraag van de heer Dassen. Hij vroeg waarom de ruimte in het amendement
op stuk nr. 31 niet zou kunnen. U haalt de 20% uit de grensprocedure. Het kabinet wil de beperking
niet op deze manier inregelen, want we willen natuurlijk ... Of zeg ik nu dingen die
niet ... Ja, het is toch goed. De grensprocedure en beperking van de immigratie zijn
noodzakelijk om de ruimte te behouden die we in deze wet hebben. Die perkt u in op
een manier die voor ons onwenselijk is. Om die reden ontraad ik de motie.
Dan ten slotte, als ik helemaal aan het einde ben ... Toch niet.
De voorzitter:
Sorry, ik ben met meerdere dingen tegelijk bezig. De heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik had nog een toezegging gevraagd. Wanneer komt de volgende implementatie? O, daar
komt u nu op? Excuus.
Minister Van den Brink:
Ik loop nog even langs enkele vragen die volgens mij niet in moties zaten.
De heer Ceder heeft gevraagd om ook op het vlak van implementatie en ICT op tijd bij
de Kamer terug te komen. Dat zullen wij doen bij de voortgangsmomenten van het pact.
Als ik mijn plan van aanpak presenteer over hoe de IND gaat werken, kan ik daar ook
bij stilstaan. Ik zal die momenten aangrijpen om u daarover te informeren.
De heer Ellian heeft nog gevraagd: Italië en Griekenland helpen zeker? Een van de
moties zag daar ook een beetje op.
Over de bevolkingsdichtheid hebben we gesproken.
De heer Boomsma heeft nog een vraag gesteld over de Dublinclaimanten. In 2025 zijn
er 8.000 Dublinaanvragen gedaan. In 2025 heeft de IND 880 Griekse Dublinzaken geregistreerd.
Deze aanvragen zijn in een nationale procedure behandeld. De IND beschikt niet over
cijfers over het aantal Dublinclaimanten dat niet terug kon naar Italië. We beschikken
alleen over de cijfers over aanvragen waarbij daadwerkelijk een claimverzoek is ingediend.
Dat waren 160 zaken. De IND heeft de capaciteit ingezet op het indienen van claimverzoeken
waar een overdracht wel mogelijk was. Dit zijn de getallen die ik op dit moment tevoorschijn
kan toveren. Maar het zullen hogere cijfers zijn dan die hier over Italië worden genoemd.
De voorzitter:
De heer Dassen heeft een vraag.
De heer Dassen (Volt):
Toch nog even door over dat amendement. De Minister zegt dat ik het heb over die 20%
van de EU, maar daar gaat mijn amendement niet over. Dat percentage laat ik intact.
Het gaat mij over de additionele categorieën, de optionele categorieën. Die haal ik
eruit. Dus de drie die volgens de Procedureverordening verplicht zijn, laat ik intact
en de andere niet. Als de Minister dat als kwalijk punt zag, zijn we het daarover
eens en is de motie volgens mij oordeel Kamer.
Minister Van den Brink:
Sorry, excuus. Ik wil de Procedureverordening laten zoals die is. Ik wil die in zijn
volledigheid in onze nationale wetgeving hebben opgenomen. Dat laat ik dus overeind.
De voorzitter:
Nog één keer, de heer Dassen.
De heer Dassen (Volt):
Dan nog één keer. Misschien leg ik het niet goed uit. Ik laat in dit amendement de
Procedureverordening overeind. Daarin zitten additionele categorieën, aanvullende
categorieën, die in het pact niet verplicht zijn. Die haal ik eruit.
Minister Van den Brink:
Ja, er zijn meerdere categorieën. Ik ga nu toch aan de grenzen van mijn eigen brein
komen, en ook die van het brein naast mij, hoor ik. Ik heb geprobeerd dit debat af
te maken zonder een toezegging dat ik nog met een brief zal komen, maar ik ga dan
toch nog een briefje sturen om u hierover bij te praten.
De voorzitter:
Om welk amendement gaat het?
Minister Van den Brink:
Het amendement op stuk nr. 31. Anders ga ik freestylen en dat is nooit goed.
De voorzitter:
Oké. Maar op zich was het oordeel: ontraden.
Minister Van den Brink:
Maar de toelichting verdient iets meer reflectie dan ik nu heb gezegd.
De voorzitter:
All right. Dan komt daar een brief over.
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Ik heb nog een vraag van mijn collega Boomsma. Er werd net een antwoord gegeven, maar
volgens mij was dat nog steeds niet het antwoord op de vraag. De vraag was hoeveel
Dublinclaimanten uiteindelijk door het niet op tijd overdragen aan andere EU-landen
in de nationale procedure zijn opgenomen.
Minister Van den Brink:
Dit zijn de cijfers die ik op dit moment daarover kan vermelden. Ik heb geen andere
cijfers tot mijn beschikking. Ik zal bij de voortgangsmomenten de cijfers toesturen
die dan beschikbaar zijn. Ik weet niet of er andere cijfers over beschikbaar zijn
dan de cijfers die ik hier nu heb.
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Maar wat is dan nu het aantal Dublinclaimanten dat in de nationale procedure is opgenomen?
Wat is dan het aantal waarvan u zegt dat u dat nu heeft?
De voorzitter:
Hoeveel ...
Minister Van den Brink:
Dat zijn er 8.000.
De voorzitter:
8.000.
Minister Van den Brink:
In 2025.
De voorzitter:
Dus 8.000 Dublinclaimanten zijn nu opgenomen in de nationale procedure, is het antwoord
van de Minister. Dan ...
Minister Van den Brink:
Mag ik afsluiten ...
De voorzitter:
De Minister, kort.
Minister Van den Brink:
Mag ik afsluiten met zeggen dat ik bij meerdere partijen heb geproefd dat zij hechten
aan het pact en tegelijkertijd soms ook nog twijfelen aan een aantal nationale invullingen?
Ik hoop dat u heeft gezien dat wij met dit pact de stappen zetten die Europa van ons
vraagt en het pact op een hele zorgvuldige manier proberen in te voeren, terwijl er
tegelijkertijd nog steeds een hele korte termijn is. Dank dus voor de ruimte die daarvoor
bestaat. Ik hoop dat we dit pact op een goede manier weten in te voeren, en ook met
een brede parlementaire meerderheid.
Daarbij wil ik nog benoemd hebben dat ik zeker begrijp wat de heer Dassen zei over
taal. Qua taal heeft dit debat juist al genoeg polarisatie veroorzaakt. Dat is dus
geenszins mijn bedoeling. Soms zijn er begrippen qua taal die er hier insluipen die
soms iets praktisch uitdrukken, zoals het woord «voorraad». Dat heeft dus geenszins
een andere bedoeling dan gewoon uitleggen hoe iets werkt.
Dank u wel.
De voorzitter:
Meneer Dassen, ik denk op dit punt.
De heer Dassen (Volt):
Dat snap ik, alleen is «voorraad» niks anders dan mensen die wachten op een besluit
over hun toekomst. We kunnen dus ook met elkaar zeggen: er is een lijst met mensen
die we zo snel mogelijk moeten helpen met het nemen van een besluit, zodat ze verder
kunnen met hun toekomst. Dat is een hele andere manier van praten over dit onderwerp.
Ik denk dat we daar allemaal flink wat verbetering in kunnen laten zien.
De voorzitter:
Daar ben ik het niet mee eens, maar dan laat ik de Minister antwoorden. Dan ga ik
toch een interruptie plegen, als de rest dat ... Wat er nu gezegd wordt, vind ik echt
onzin. In de strafrechtelijke keten wordt er ook gesproken over «voorraden», «detentiecapaciteit»
en «geprioriteerde zaken». Dat is helemaal niet persoonlijk bedoeld; dat is hoe wij
praten. Ik snap dat de tribune, die meneer Dassen continu souffleert, het hier niet
mee eens is, maar ik vind dit een vreemd punt. Dat wij in de Kamer op onze taal moeten
letten, is een gegeven. Ik hoop dat de Minister nu niet opeens het woord «voorraad»
wil schrappen, want dat is gewoon een volstrekt normaal woord in de politieke gang
van zaken.
Minister Van den Brink:
Ik bedoelde ook alleen maar een soort brug te slaan richting de mensen die taal belangrijk
vinden en die als ernaar wordt gevraagd denken te horen dat ik met dat woord iets
politieks bedoel. Ik wil uitleggen dat dat niet zo is. Ik ga dus geen woorden aanpassen
die gewoon common sense zijn in het beleid.
De voorzitter:
Fijn. Dan meneer Dassen, tot slot.
De heer Dassen (Volt):
Even een persoonlijk feit. Ik vind het allereerst bijzonder lelijk dat u zegt dat
de mensen die op de tribune zitten, mij zouden souffleren. Ik zit hier net als alle
andere Kamerleden met veel werk ...
De voorzitter:
Maak uw punt, want ik ga er nu ook gewoon iets over zeggen. De tribune reageert continu
op wat de Minister zegt en op wat andere collega’s zeggen. Ik heb niets gezegd uit
respect voor de organisatie waar zij voor werken, maar ik heb het als voorzitter erg
storend gevonden dat er gelachen werd en continu nee werd geschud. Dat is eigenlijk
niet gebruikelijk. Ik zie een aantal collega’s nu ook knikken. Ik heb dat toegestaan.
Meneer Dassen, ik adviseer u dus: maak uw punt kort. Ik kan me hier namelijk aardig
kwaad om maken, want ik heb juist uit respect voor u dit punt niet eerder gemaakt.
De heer Dassen (Volt):
Met alle respect, voorzitter. U heeft zich gestoord aan wat er op de publieke tribune
heeft plaatsgevonden. Het is aan u om daar wat aan te doen. Dan gaat u dat niet op
deze manier op mij afschuiven.
De voorzitter:
Dat was ...
De heer Dassen (Volt):
U gaat zeker niet nog een keer het woord op die manier terugnemen, want dat vind ik
echt bijzonder lelijk. Ik verwacht eigenlijk ook dat u die woorden terugneemt.
De voorzitter:
Dat ga ik niet ...
De heer Dassen (Volt):
Daar wilde ik niet op doorgaan, maar als u het op deze manier nog groter gaat maken,
dan vind ik dat kwalijk.
De voorzitter:
Nee, dat ga ik niet doen.
De heer Dassen (Volt):
Dan zou u bij ...
De voorzitter:
Ik heb oogcontact gezien tussen u en ...
De heer Dassen (Volt):
Dat u mij nu voor de derde keer onderbreekt ...
De voorzitter:
Volgens mij ben ik ...
De heer Dassen (Volt):
Dat vind ik getuigen van weinig respect, wat u wel zegt te hebben ...
De voorzitter:
Nou, laten wij dit op een ander moment uitpraten. Ik zou dit nu niet doen, want er
zijn meerdere collega’s die het gezien hebben. Wij kunnen dit rustig uitpraten. Ik
maakte een interruptie op iets wat u net zei. Laten wij het rustig uitpraten buiten
deze vergadering om. Dan niet, ook goed.
De heer Dassen (Volt):
Voorzitter, ik zal er verder geen punt van maken. Ik blijf er wel bij dat het bijzonder
lelijk is als je het op deze manier, zo, in deze vergadering brengt. Dat had geenszins
gehoeven.
De voorzitter:
Daarover verschillen we van mening, denk ik. Op het moment dat ik reageerde, zag ik
interactie tussen jullie. Dat komt bijzonder storend over. Dat hebben meerdere collega’s
ook zo ervaren, maar ik laat het nu. Laten wij het uitspreken.
Ik ga de Minister en diens ondersteuning hartelijk danken voor de toch enigszins voortvarende
behandeling van dit uitgebreide, uitgebreide wetgevingsproces en -overleg. Ik dank
uiteraard de collega’s voor hun aanwezigheid, de ondersteuning die langer is gebleven
en uiteraard alle geïnteresseerden in de zaal. Ik zal hen zo ook nog even een hand
geven.
Ik sluit de vergadering. O, ik moet nog iets heel belangrijks zeggen. Dinsdag 31 maart
stemmen wij – let alstublieft goed op – over alle ingediende moties, alle ingediende
amendementen en het wetsvoorstel. Mocht iemand dat anders willen, dan moet dat uiteraard
plenair worden aangegeven. Ik sluit de vergadering.
Sluiting 19.45 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
P.C. (Peter) de Groot, voorzitter van de vaste commissie voor Asiel en Migratie -
Mede ondertekenaar
L.L. Nouse, griffier
Stemmingsuitslagen
Aangenomen met handopsteken
| Fracties | Zetels | Voor/Tegen | Niet deelgenomen |
|---|---|---|---|
| D66 | 26 | Voor | |
| VVD | 22 | Voor | |
| GroenLinks-PvdA | 20 | Tegen | |
| PVV | 19 | Voor | |
| CDA | 18 | Voor | |
| JA21 | 9 | Voor | |
| FVD | 7 | Tegen | |
| Groep Markuszower | 7 | Tegen | |
| BBB | 3 | Voor | |
| ChristenUnie | 3 | Voor | |
| DENK | 3 | Tegen | |
| PvdD | 3 | Tegen | |
| SGP | 3 | Voor | |
| SP | 3 | Tegen | |
| 50PLUS | 2 | Voor | |
| Keijzer | 1 | Niet deelgenomen | |
| Volt | 1 | Tegen |
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.