Verslag van een commissiedebat : Verslag van een commissiedebat, gehouden op 3 juni 2026, over Mijnbouw
32 849 Mijnbouw
Nr. 316
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Vastgesteld 24 juli 2026
De vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei heeft op 3 juni 2026 overleg gevoerd
met de heer De Bat, Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei, en mevrouw Van Veldhoven-van
der Meer, Minister van Klimaat en Groene Groei, over:
− de brief van de Minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 26 januari 2026 inzake voortgang
Kennisprogramma Effecten Mijnbouw (KEM) (Kamerstuk 32 849, nr. 297);
− de brief van de Minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 2 februari 2026 inzake nadere
duiding SodM aardbeving Zeerijp (Kamerstuk 33 529, nr. 1371);
− de brief van de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei d.d. 20 maart 2026 inzake
aardbeving Geelbroek (Kamerstuk 32 849, nr. 310);
− de brief van de Minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 2 april 2026 inzake gasopslagen
Norg en Grijpskerk (Kamerstuk 29 023, nr. 641);
− de brief van de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei d.d. 28 april 2026 inzake
afschrift brief aan de provincie Drenthe en de gemeenten Aa en Hunze, Assen en Midden-Drenthe
inzake de afhandeling van de aardbeving in Geelbroek (Kamerstuk 32 849, nr. 311);
− de brief van de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei d.d. 30 april 2026 inzake
advies SodM over de publieke seismische dreiging- en risicoanalyse (SDRA) Groningenveld
(Kamerstuk 33 529, nr. 1375);
− de brief van de Minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 28 mei 2026 inzake actuele
ontwikkelingen diepe ondergrond (Kamerstuk 32 849, nr. 312);
− de brief van de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei d.d. 28 mei 2026 inzake
beslissing over het toepassen van de projectprocedure voor gaswinning Papekopveld
(Kamerstuk 33 529, nr. 1377).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de commissie, Zwinkels
De griffier van de commissie, Nava
Voorzitter: Zwinkels
Griffier: Nava
Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Van den Berg, Jumelet, Kops, Köse,
Müller, Van Oosterhout en Zwinkels,
en de heer De Bat, Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei, en mevrouw Van Veldhoven-van
der Meer, Minister van Klimaat en Groene Groei.
Aanvang 13.02 uur.
De voorzitter:
Goedemiddag allemaal. Welkom bij dit commissiedebat Mijnbouw. Ik heet de twee bewindspersonen
welkom, de Minister en de Staatssecretaris. Welkom ook aan de mensen op de publieke
tribune, de pers en uiteraard alle mensen die kijken, alsmede onze woordvoerders vanuit
de Kamer. We hebben dit debat gepland tot 17.00 uur vanmiddag. Ik zal zelf waarschijnlijk
rond 16.30 uur, dus iets eerder, weg moeten gaan. Ik kijk dus even links van mij:
is er iemand die mogelijkerwijs dat laatste halfuur zou kunnen voorzitten? Als we
het tempo erin houden, is het ook niet nodig, geef ik u mee. Zou de heer Jumelet dat
een keer willen doen? Ja? Heel fijn.
Dit debat gaat plaatsvinden in twee termijnen. Ik wil er natuurlijk voor zorgen dat
u allen genoeg ruimte heeft om het kabinet te kunnen bevragen. Daarom is mijn voorstel
om te werken met in totaal zeven interrupties voor de eerste termijn. Die kunt u inzetten
richting uw collega’s, maar dus ook richting de twee bewindspersonen. U hebt zelf
de keuze de interrupties te verdelen. Zeven stuks, dus, en ze worden bijgehouden.
Dat wat betreft de orde van deze vergadering. U heeft allen vijf minuten spreektijd.
Ik stel voor dat wij gaan beginnen met mevrouw Van Oosterhout. Aan u het woord.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Dit debat kon niet op een beter tijdstip worden ingepland.
Vorige week kondigde de Minister aan dat het kabinet doorgaat met het boren naar gas
in Papekop, Utrecht. Afgelopen weekend kwam het nieuws naar buiten dat er fors meer
zout mag worden gewonnen onder de Waddenzee. Ondertussen worden er in het noorden
van het land nog steeds in rap tempo vergunningen verleend om nog meer te boren. Omwonenden
vrezen voor scheuren in hun huizen en onze prachtige natuur in het veenweidegebied
en de Waddenzee gaat eraan. Dit rechtse minderheidskabinet heeft hetzelfde mantra
als president Trump: drill, baby, drill. Wie profiteren daarvan? Canadese multinationals
en andere grote vervuilers, terwijl gewone mensen en onze natuur de prijs betalen.
Dat is oneerlijk.
Wat mij teleurstelt, is dat de partij van deze Minister, D66, alle beloftes over het
stoppen met boren onder veenweidegebied en de Waddenzee heeft gebroken. Nota bene
de voorganger van meneer Köse, Tjeerd de Groot, kwam met een prachtig voorstel om
niet meer te gaan boren onder ons UNESCO Werelderfgoed de Waddenzee. Juist nu gaat
het eerste rechtse minderheidskabinet met een D66-minister dit toch doen. Hoe kijkt
de Minister aan tegen het voorstel van Tjeerd de Groot om niet meer te boren onder
de Waddenzee en waarom gaat het kabinet nu toch deze boringen toestaan?
De voorzitter:
Dank u wel. Er is een mededeling of een punt van orde van de Minister.
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Ik heb een klein punt van orde. In de taakverdeling zijn dit dossiers die onder de
Staatssecretaris vallen. Waar mevrouw Van Oosterhout net zei «de Minister», zijn de
vragen denk ik gericht aan de Staatssecretaris. Dan kunnen wij ook de verdeling van
de antwoorden goed voorbereiden. Dank u wel.
De voorzitter:
Ik kan me voorstellen dat dit vaker gebeurt, waarbij het gewoon vragen zijn aan het
kabinet. Voor deze keer sta ik het toe, maar laten we dit niet te vaak doen in dit
commissiedebat. Dan geef ik het woord weer aan mevrouw Van Oosterhout. Gaat u verder.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Hoe verhoudt de mogelijke bodemdaling van 1,61 meter zich tot de oorspronkelijke vergunningsbasis
en acht de Minister dit verantwoord, onder kwetsbaar Werelderfgoed? Het kabinet schermt
met het hand-aan-de-kraanprincipe, maar hoe voorkomt de Minister dat de kraan pas
dichtgaat als de schade al is aangericht, zeker gezien de na-ijleffecten die jaren
later optreden? Wie draait op voor de kosten als Frisia de winning vroegtijdig moet
staken en onvoldoende middelen heeft voor sanering, nu de financiële zekerheid slechts
een aanbeveling is en geen harde voorwaarde? Waarom liet het kabinet de Stichting
Bescherming Historisch Harlingen en de stad Harlingen buiten beschouwing bij het toekennen
van deze vergunning? Tien jaar lang is er in Harlingen constructief samengewerkt aan
lokale afspraken. Burgers willen gehoord en gezien worden door het Rijk. In een democratie
is dat niet te veel gevraagd.
Hetzelfde geldt voor de zoutwinning in Borgercompagnie, het Oost-Groningse dorp waar
ikzelf ben opgegroeid. Van mijn vroegere dorpsgenoten hoorde ik weer hetzelfde verhaal.
Risico’s van bodemdaling werden geminimaliseerd. Mensen moesten zelf opdraaien voor
de kosten van scheuren in hun huizen. Het mijnbouwbedrijf Nedmag respecteerde de vergunningsvoorwaarden
niet. Schademeldingen uit de buurt verdwenen in een lade. Kwik werd via een afvoerpijp
geloosd in de Waddenzee; noem maar op.
Vooral het vertrouwen is weg. Wat zal het kabinet eraan doen om het vertrouwen in
de overheid te herstellen? Aangezien EZK via de NOM voor 25% eigenaar is van Nedmag,
vraag ik: hoe zorgt het kabinet ervoor dat de eigen financiële belangen van het Rijk
niet zwaarder wegen dan de veiligheid van de mensen? Wat doet de Minister concreet
aan deze belangenvermenging?
Wat PRO betreft is het duidelijk: de mensen in Utrecht, de mensen in Friesland, de
mensen in Drenthe en de mensen in Groningen en op de Wadden willen dat er niet geboord
wordt. De boodschap kan niet duidelijker zijn. Als het kabinet de mensen in de steek
laat, luistert het dan wel naar het UNESCO Werelderfgoedcomité, dat expliciet vraagt
om geen verdere winningsprojecten goed te keuren? Als de Minister ook dat in de wind
slaat, luistert zij dan wel naar de rapporten van de Mijnraad, die stelt dat boren
onder veenweidegebied in Oppenhuizen onverantwoord is? Kent de Minister dit rapport
en kan zij hierop reageren? Bij Papekop, Utrecht, is er al sprake van structurele
bodemdaling. Het gasveld ligt onder een woonwijk en raakt aan strategische watervoorraden.
Hoe weegt de Minister die drie risico’s samen?
Het ministerie erkent zelf dat er geen uitgebreid overzicht is van de gestapelde bodemdaling
en heeft TNO en Deltares opdracht gegeven dat te onderzoeken. Hoe kan de Staatssecretaris
nieuwe vergunningen verlenen wanneer de eigen onderzoeken nog lopen? Is dat niet precies
het omgekeerde van verantwoorde politiek? Stel u voor dat een farmaceutisch bedrijf
een medicijn op de markt brengt, terwijl de veiligheidsstudies nog lopen. Dat zou
een schandaal zijn. Waarom geldt hier een andere norm? En waarom mogen gewone mensen
het proefkonijn zijn van mijnbouw waarvan de effecten nog niet eens bekend zijn?
We zetten als Rijk terecht in op het aardgasvrij maken van woningen en dat maakt een
groene toekomst mogelijk en het leven betaalbaarder.
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, is er een interruptie van de heer Van den Berg van JA21.
De heer Van den Berg (JA21):
Hier wil ik toch wel even een punt van maken. «Proefkonijnen» is wel heel ver gezocht.
We hebben in Nederland een uitstekend systeem met vergunningen en onderzoeken. We
hebben het Staatstoezicht op de Mijnen. TNO doet onderzoek. Er zijn verschillende
instanties die er onafhankelijk naar kijken. Is mevrouw Van Oosterhout echt van mening
dat de mensen op plaatsen waar gas gewonnen kan worden, proefkonijnen zijn? Of neemt
zij daar nu afstand van?
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Daar neem ik zeker geen afstand van, omdat het ministerie ook zelf heeft erkend dat
er nog geen uitgebreid overzicht is van de gestapelde effecten van de bodemdaling
en dat er gewoon nog onderzoek naar nodig is. Dat onderzoek loopt nog en ik zou dat
onderzoek eigenlijk willen afwachten om dan pas conclusies te trekken.
De voorzitter:
U kunt verder met uw betoog. Hoe zit u in uw tijd? U heeft nog heel eventjes. Ik heb
de klok even door laten lopen, maar dat komt goed.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik ben ook al bijna aan het eind.
Aan de ene kant zetten we in op het aardgasvrij maken van woningen en aan de andere
kant boren we in dit soort gebieden wel naar nieuw gas, bijvoorbeeld in Woerden of
Aldeboarn. Het voelt wrang voor deze mensen dat zijzelf van het gas af moeten, terwijl
er vervolgens onder hun huizen naar gas wordt geboord.
Het standpunt van PRO is duidelijk. Wij beschermen wat we samen hebben opgebouwd,
de prachtige Waddenzee en het veenweidegebied. We zullen altijd naast omwonenden staan
die vrezen voor schade aan hun huis. En we staan ook naast de boeren van wie het land
niet meer gebruikt kan worden voor landbouw.
De keuze is helder: of je kiest voor het grote geld of je kiest voor gewone mensen
en voor onze natuur. Dit kabinet kiest verkeerd en daarom doen we vandaag twee voorstellen
om het boren onder de Waddenzee te stoppen. We vragen de Minister verder opnieuw om
ook onder het kwetsbare veenweidegebied niet te gaan boren. We hopen dat deze rechtse
minderheidscoalitie nu wel eenduidig kan stemmen, zodat gewone mensen een overheid
hebben die naast hen staat en niet naast het grote geld.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ook voor de anderen geldt dus dat het kan zijn dat de Staatssecretaris of de Minister
de vragen beantwoordt. U krijgt straks in ieder geval een reactie op uw vragen!
Het levert nog wel een aantal interrupties op. Ik begin bij de heer Van den Berg,
maar ik denk dat de heer Jumelet daarna ook wil interrumperen.
De heer Van den Berg (JA21):
Mevrouw Van Oosterhout spreekt over het grootkapitaal. Ze zegt dat we daar iets tegen
moeten doen en dat we onze verantwoordelijkheid moeten nemen. Dat kan allemaal, maar
het is toch zeker gewoon een feit dat we op dit moment heel veel aardgas nodig hebben
in Nederland? Ik ben maandag in de Eemshaven geweest en daar kun je zien hoe die schepen
uit de Verenigde Staten worden aangemeerd en hun gas lossen. Ik ben hartstikke blij
dat we dat gas hebben, maar daar zit veel meer uitstoot aan vast dan wanneer we hier
in eigen land naar gas boren. Hoe kan mevrouw Van Oosterhout nou met droge ogen zeggen
dat we daarmee moeten stoppen? We hebben dat gas toch zeker gewoon nodig?
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Op het moment dat er een vergunningaanvraag wordt gedaan, duurt het nog zo’n vijf
tot tien jaar voordat er daadwerkelijk gas kan worden gewonnen uit zo’n nieuw veld.
Dus dat gas gaat veel te laat komen. Het is dus ook niet echt een argument om de leveringszekerheid,
waar u op doelt, te borgen. Wat wel echt een argument is, is nu volop inzetten op
verduurzaming, het isoleren van woningen, energie-efficiëntie en wind en zon. Daar
moeten we nu echt vaart mee gaan maken.
De heer Van den Berg (JA21):
Het gaat hier om de ideologische vraag, hè. We hebben gas nodig! Ontkent mevrouw Van
Oosterhout dat we dat gas nodig hebben of ziet zij een andere oplossing, zodat we
in de komende tien, vijftien jaar echt volledig van het gas af kunnen? Dat is toch
een droomscenario? Erkent u dat?
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Mijn partij staat voor het stoppen met het aanboren van nieuwe gasvelden. Die gaan
ook veel te laat komen. Nogmaals, het duurt zo’n vijf tot tien jaar voordat we daadwerkelijk
het gas uit een nieuw gasveld kunnen gebruiken. Dat komt dus veel te laat. Wij kunnen
die tijd veel, veel, veel beter gebruiken voor het alternatief. Dat zorgt ook nog
eens voor goedkopere groene energie en een lagere energierekening voor de mensen thuis.
Dus dat is waar mijn partij op in wil zetten.
De heer Jumelet (CDA):
Op 13 mei hadden wij in een van deze zalen een technische briefing. Daar liet men
zien dat gas nodig is in de komende tijd. In het antwoord op mijn collega naast mij
zat een deel van het antwoord, maar ik ben nog wel benieuwd naar hoe mevrouw Van Oosterhout
kijkt naar het sectorakkoord. Daarin zit een afbouw en er zijn ook afspraken gemaakt
met de sector over wat nog wel kan en hoe het uiteindelijk eindigt. Dat we gas nodig
hebben, hebben we dus gehoord op die technische briefing en hoe kijkt mevrouw Van
Oosterhout dan naar dat sectorakkoord waarin een geleidelijke afbouw zit?
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik zie eigenlijk geen enkele vorm van afbouw in het sectorakkoord. Het zet de kraan
wagenwijd open voor allerlei nieuwe gasvelden. Ik denk dat ik straks misschien op
mijn beurt aan de heer Jumelet ga vragen waar die afbouw dan wel in gaat zitten, want
die ontbreekt op dit moment nog volledig in het sectorakkoord.
De heer Jumelet (CDA):
Om die vraag te vermijden ... Nee, hoor! Ik denk dat het wel goed is om te constateren
dat er in dat sectorakkoord wel degelijk een afbouw zit. Ik denk dat het ook goed
is dat daar hard aan wordt gewerkt, want we weten allemaal dat fossiel eindig is.
In de tussentijd zullen we natuurlijk met elkaar een overstap moeten maken. We zullen
die transitie moeten meemaken en ik denk dat het goed is om dat met elkaar te erkennen.
Maar daar zullen we zo meteen nog met elkaar over spreken.
De voorzitter:
Heet u nog een vraag aan mevrouw Van Oosterhout, want dit telt wel als een interruptie?
Ik geef u de gelegenheid om alsnog een vraag te stellen aan GroenLinks-PvdA, voordat
we doorgaan naar de volgende spreker.
De heer Jumelet (CDA):
Voorzitter, ik had er zeven en ik heb er nu nog vijf. Dank u wel.
De voorzitter:
Oké. Helemaal goed. Dan kom ik bij mevrouw Müller.
Mevrouw Müller (VVD):
Ik zit toch een beetje met de tegenstelling die mevrouw Van Oosterhout schetst. Ze
zegt dat we aan de ene kant opkomen voor mensen en aan de andere kant voor het grote
geld. Ik vind dat toch een moeilijke tegenstelling, want die mensen gebruiken wel
aardgas om hun huizen te verwarmen. In de winter hebben ze aardgas nodig om warm te
kunnen zitten in hun huis. Het is ook niet zo dat alleen het grote geld tegen ons
zegt: let op die leveringszekerheid. Dat doen ook de instanties die ons adviseren
over leveringszekerheid, bijvoorbeeld EBN en de Gasunie, maar ook heel veel experts.
Ik vind het dus lastig dat u hier een tegenstelling creëert die er volgens mij niet
is.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik zie de tegenstelling wel degelijk. We kiezen er nu aan de ene kant voor om nieuwe
gasvelden aan te boren die pas over vijf of tien jaar leiden tot nieuw gas. Maar dat
zorgt mogelijk wel voor onomkeerbare schade aan huizen en voor onomkeerbare schade
aan de natuur. Om over het klimaat nog maar niet te spreken! En waar doen we dat dan
voor? Doen we dat voor buitenlandse multinationals, zodat die nog meer winst kunnen
opstrijken? We weten tegelijkertijd dat we in Nederland een enorme opgave hebben en
ook enorme kansen hebben om de energierekening van mensen omlaag te brengen met bijvoorbeeld
wind en zon.
Mevrouw Müller (VVD):
Ik vind dat ook echt een moeilijke vergelijking, want het is natuurlijk niet zo dat
het gas dat we uit Amerika halen, geen impact heeft op de natuur. Dat heeft zelfs
meer impact op de natuur, want onderzoek laat zien dat het veel slechter is voor het
klimaat dan productie hier in eigen land. Ik ben het helemaal met u eens dat dat op
een veilige en verantwoorde manier moet gebeuren, maar uw argument dat het vijf tot
tien jaar duurt voordat we er eindelijk gas uit kunnen halen, roept toch ook vragen
op. Ik heb die vragen eerlijk gezegd ook, want het duurt in Nederland heel erg lang,
voordat er een vergunning wordt verleend. Ik ga de Staatssecretaris daar ook op bevragen,
want dat moet natuurlijk sneller kunnen. Het is verder ook niet zo dat we over vijf
of tien jaar ineens van al het aardgas af zijn. Dat is helemaal niet zo! Ik weet niet
of we elkaar nog gaan vinden, want ik deel uw inzichten zeker niet.
De voorzitter:
Wilt u daar nog iets over vragen? Ik heb namelijk geen vraag gehoord. Dat is niet
het geval. Ik stel voor dat we verdergaan en wel met een interruptie van de heer Köse
aan mevrouw Van Oosterhout.
De heer Köse (D66):
Ik hoorde in het verhaal van mevrouw Van Oosterhout heel veel over waar we mee moeten
stoppen en wat we niet moeten doen. Ik ben het met heel veel daarvan eigenlijk ook
wel eens, want ik zie dezelfde problemen als mevrouw Van Oosterhout. Maar ik ben nog
wel benieuwd naar wat zij bijvoorbeeld vindt van de afspraak om een afbouwpad met
elkaar vorm te geven. Dat afbouwpad moet echt zorgen dat we onafhankelijk worden van
gas en dat we gaan verduurzamen. Daar zijn we met dit kabinet hele mooie dingen voor
aan het doen. De vraag is hoe PRO denkt dat het wel kan. Hoe zou PRO bijvoorbeeld
zo’n afbouwpad vorm willen geven?
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Een hele fijne vraag. Wat er in ieder geval niet moet gebeuren, is nu nog nieuwe gasvelden
openen, bijvoorbeeld bij Woerden of onder de Waddenzee. Laten we dus geen nieuwe gasvelden
beginnen. Daarnaast moeten we kijken hoe we de bestaande winning zo snel mogelijk
kunnen afbouwen en hoe we er met de versnelde uitrol van hernieuwbare energie voor
kunnen zorgen dat dat realiteit wordt.
De heer Köse (D66):
Ik hoor eigenlijk weer een beetje hetzelfde verhaal, namelijk wat we niet moeten doen.
Er komt alleen maar snel achteraan dat we sneller moeten verduurzamen. Ik volg die
grote lijn, maar ik ben dan nog wel benieuwd te horen waar we dan op in zouden moeten
zetten. Dus even uit het frame van «dit is slecht» en «dat is slecht» en «dit moeten
we niet doen». Wat moeten we wél doen als Nederland om samen die gastransitie zo snel
mogelijk te maken? Waarin kunnen we elkaar vinden, zodat we over tien jaar bij wijze
van spreken helemaal kunnen stoppen met de gaswinning? Daar ben ik benieuwd naar.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij doen wij hier continu voorstellen voor. Dat zit ’m onder andere in versnelde
uitrol van wind op zee, maar ook in wat we nog meer kunnen doen met zon op dak, wind
op land, batterijen en opslag. We willen dat er echt gewerkt gaat worden aan het alternatief.
Welke stappen kunnen we zetten in de verduurzaming van de industrie? We zijn daar
dus altijd enorm toe bereid en we doen volgens mij ook aan de lopende band voorstellen
om er met alternatieven juist voor te zorgen dat we zo snel mogelijk van fossiel af
kunnen. Volgens mij zijn we in de Tweede Kamer met niets anders bezig dan met voorstellen
hiervoor.
De voorzitter:
Dan komen we bij uw derde interruptie.
De heer Köse (D66):
En mijn laatste, voorzitter.
Het is supergoed om dat te horen. Ik denk dat die punten ook al heel vaak in het coalitieakkoord
staan. We zijn daar nu mee bezig en onze partijen vinden elkaar daar ook helemaal
in. Ik ben dus superblij om dat te horen en ik zou daarin ook graag samen optrekken.
Maar dan rijst bij mij wel nog de vraag: hoe verhoudt zich dat tot de gaswinning?
Alle zaken die mevrouw Van Oosterhout net noemde, zijn helaas niet van vandaag op
morgen geregeld. De gasvraag krijgen we dus ook niet meteen omlaag en dat betekent
dat gaswinning of import vanuit het buitenland voorlopig nog nodig zullen zijn. Hoe
kijkt mevrouw Van Oosterhout naar het feit dat die gasvraag niet gelijk opgelost is
met deze initiatieven? Wat zouden we dan moeten doen? Toch gas blijven winnen op de
Noordzee? Of stoppen en dan maar importeren?
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij stond er heel duidelijk in het D66-verkiezingsprogramma dat D66 het met
ons eens is dat er geen nieuwe gaswinning op land zou moeten plaatsvinden. Laten we
dat ook even vaststellen.
Het is verder heel belangrijk dat die nieuwe gaswinning pas over een aantal jaar echt
gaat zorgen voor nieuw gas. Het gaat op dit moment dan ook helemaal niets doen aan
de energieprijs voor de mensen thuis. Het gaat ook helemaal niets doen voor onze leveringszekerheid.
Laten we die tijd, de kostbare tijd die we hebben, vooral in het alternatief investeren.
De voorzitter:
Met dat antwoord zult u het toch even moeten doen. Maar bij uw eigen inbreng komen
we er wellicht weer over te spreken, meneer Köse.
Dank, mevrouw Van Oosterhout. Ik zie dat u weer wilt interrumperen, meneer Van den
Berg, maar u weet dat de zeven interrupties die ik heb aangekondigd inclusief de interrupties
in eerste termijn aan de Minister en de Staatssecretaris zijn. Ze mogen nu al worden
gesteld, zie ik.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik zie inderdaad dat ik de Staatssecretaris hier heel blij mee maak, voorzitter. Hij
gaat er blijkbaar van uit dat hij onder vuur komt te liggen. Nee, geintje!
Voorzitter. Ik ga toch nog even terug naar het betoog van mevrouw Van Oosterhout.
Wij hebben tot minstens 2045 of 2050, zo niet langer, aardgas en olie nodig in Nederland.
Punt! Zo is het gewoon. Als mevrouw Van Oosterhout zegt dat we moeten stoppen met
alle gaswinning en dat we binnen tien of vijftien jaar van het gas af moeten zijn
in Nederland, dan is dat gewoon een sprookje. Het is bovendien onverantwoord. Ik zou
eigenlijk wel eens willen horen welke keuze zij zou willen maken. Kiest zij voor het
scenario om er helemaal mee te stoppen? En dat betekent dus armoede, ontwrichting
en onveiligheid. Punt! Of kiest zij voor een verstandig scenario, waarin we wel duurzaam
met elkaar naar de toekomst gaan?
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Het meest verstandige scenario voor mens, natuur en klimaat is dat we in ieder geval
geen nieuwe gasvelden aanboren. Daarnaast moeten we kijken hoe we de bestaande winning
zo snel mogelijk kunnen afbouwen. Ik heb bijvoorbeeld eerder al voorgesteld om een
derde van ons gasverbruik in vijf jaar te reduceren door stappen te zetten op het
gebied van energie-efficiëntie. Dat is echt een enorme hoeveelheid. Laten we met elkaar
kijken hoe we dat voor elkaar kunnen krijgen in plaats van woningen van mensen en
de natuur op het spel te zetten en het klimaat nog verder op achterstand te zetten.
Laten we daarnaar kijken in plaats van onomkeerbare schade aanrichten aan huizen,
aan de natuur en aan het klimaat.
De voorzitter:
Ik kom weer bij u, maar dan voor uw eigen inbreng.
De heer Van den Berg (JA21):
Dank u wel, voorzitter, we hebben het geprobeerd.
Mijnbouw is voor veel mensen een lelijk woord geworden, een besmet woord zelfs. Ongetwijfeld
zullen er vandaag partijen zijn die dat beeld graag nog willen versterken; we hoorden
het net al. Maar laten we eerlijk zijn, mijnbouw heeft Nederland ook ongelofelijk
veel gebracht. Mijnbouw heeft ons land jarenlang welvaart opgeleverd. Regio’s hebben
ervan geprofiteerd. Er zijn banen mee gecreëerd. Met de opbrengsten konden wij een
van de beste verzorgingsstaten ter wereld financieren. Daar zit precies de politieke
hypocrisie. Partijen die zeggen dat de verzorgingsstaat de basis is van hun ideologie,
jagen immers tegelijkertijd de economische fundamenten onder die verzorgingsstaat
vandaan. Ze willen wel uitgaven, wel voorzieningen, ze willen wel koopkrachtmaatregelen,
maar de bronnen van onze welvaart moeten weg. Zo werkt het niet. Een verzorgingsstaat
bouw je niet op lucht, een betaalbare energierekening bouw je niet op wensdenken en
een strategische autonomie bouw je al helemaal niet door je eigen energieproductie
af te bouwen en vervolgens afhankelijk te worden van het buitenland.
We zien het nu al. We heffen torenhoge belasting op energie. Ik doe alvast een kleine
voorspelling: vanavond spreken wij in het tweeminutendebat over een betaalbare energierekening
en dan zullen precies dezelfde partijen ervoor pleiten dat die rekening omlaaggaat.
Maar je kunt niet aan de ene kant een lagere energierekening willen en aan de andere
blokkeren wat energie betaalbaar, betrouwbaar en beschikbaar houdt.
Voorzitter. Mijnbouw is met energie, gas en grondstoffen nog altijd voor een belangrijk
deel de basis van ons economisch systeem. De komende decennia gaan we het in Nederland
simpelweg niet redden zonder gas, zeker niet als we de energierekening van huishoudens
en bedrijven betaalbaar willen houden. Wie dat ontkent, verkoopt de mensen in het
land een illusie; u hoorde het net. Als we Nederland draaiende willen houden, als
we onze industrie willen behouden, als we huishoudens willen beschermen tegen onnodig
hoge energiekosten en als we niet steeds afhankelijker willen worden van buitenlandse
regimes, dan zullen we onze eigen energievoorziening serieus moeten nemen.
Daarom heb ik een aantal vragen aan het kabinet. Wat is er tot nu toe gedaan met de
motie-Bontenbal/Brekelmans over gaswinning op zee en in kleine velden op land? Welke
stappen heeft het kabinet gezet? Hoe gaat het kabinet hier verder uitvoering aan geven?
Bovendien, hoe gaat het kabinet onze strategische autonomie daadwerkelijk versterken?
Voorzitter. De afgelopen tijd heb ik de nodige gesprekken gevoerd met de sector. Wat
ik daar hoorde, schokte mij eerlijk gezegd nogal. De wettelijke termijn voor een vergunning
is zes maanden. Dat is ruim, maar het ministerie hanteert inmiddels zelfs een indicatieve
doorlooptijd van 49 weken. Dat is bijna een verdubbeling. Zelfs dan zegt de sector
nog: als het 49 weken moet duren, laat het dan tenminste ook echt maximaal 49 weken
zijn. In de praktijk is het nog veel erger. Eerder, op andere locaties: 30 maanden.
Elders, op een locatie in Harkema: 21 maanden. Maasdiep: 20 maanden. Dit zijn geen
incidenten meer, dit is gewoon een patroon en een patroon is funest voor bedrijven
die willen investeren, voor de energiezekerheid, voor onze strategische autonomie
en uiteindelijk ook voor de Nederlandse burger, die de prijs betaalt via een hogere
energierekening en een zwakkere economie. Wat gaat het kabinet doen om op deze trajecten
fors te versnellen? Hoe gaan we ervoor zorgen dat de wettelijke termijn daadwerkelijk
worden gehaald?
De heer Köse (D66):
De collega van JA21 wil aan de ene kant de vergunningstrajecten versnellen. Dat zou
fijn zijn voor de bewoners, «want een betaalbare energierekening». Ik ben wel benieuwd
hoe collega Van den Berg naar het volgende kijkt. Als we gaan versnellen, gaat juist
de burger daar misschien problemen van ondervinden. We willen immers een goede besluitvorming
hebben, waarbij we ook kijken naar: kan het veilig, wat is de impact op de leefomgeving,
op het milieu, op de natuur? Hoe kijkt de heer Van den Berg daarnaar?
De heer Van den Berg (JA21):
Daar kijk ik heel serieus naar, maar laten we ook eerlijk zijn: in dit land kijken
we al zeer goed naar dat vergunningsproces. We kijken naar water, naar natuur, naar
milieu. We kijken naar de omgeving, naar schade die kan ontstaan bij huizen. De sector,
dus de partijen die exploiteren, moet ontstane schade vergoeden, dus die heeft daar
ook belang bij. Dit is allang heel goed geregeld in Nederland. Als je de vergunningen
niet op tijd verstrekt, hebben alle Nederlandse inwoners én de industrie en de bedrijven
daar wel degelijk last van, want uiteindelijk zijn het collectieve baten. Dit is iets
wat we moeten doen en wat goed is voor ons allen. Natuurlijk, het liefst zou ik vandaag
gratis energie willen tot in de eeuwigheid. Maar die is er nu eenmaal niet en dus
moet je keuzes maken die goed zijn voor eenieder en dat met zorgvuldigheid doen.
De voorzitter:
U kunt verder met uw pleidooi.
De heer Van den Berg (JA21):
Dank u wel. Wanneer kan de sector rekenen op duidelijkheid in plaats van eindeloze
vertraging? Is het kabinet bereid te bezien hoe het nationale belang van gaswinning
kan worden opgenomen in specifieke versnellingsregels? Als hieraan niets gebeurt,
kunnen we alle mooie woorden over strategische autonomie net zo goed schrappen. EBN
zou een mooie rol kunnen spelen bij de teruglopende investeringen middels de Wet bestrijden
energieleveringscrisis. Deze wet biedt EBN de kans om een groter aandeel te nemen
in de exploratieboringen, zodat we sneller meer kunnen boren. Dat is goed voor Nederland,
maar wat dit kabinet in de 100 dagen dat het er zit heeft bereikt, is vooral een uitstel
van de wet. Is het kabinet bereid om in ieder geval delen van die wet eerder naar
de Kamer te sturen wanneer die daarvoor rijp zijn?
Voorzitter. Strategisch autonoom word je door te doen, door te produceren, door te
investeren en door ervoor te zorgen dat Nederland zijn eigen energievoorziening weer
serieus neemt. Stop dus met het wegjagen van mijnbouw die wij nog keihard nodig hebben.
Maak vergunningverlening sneller, voorspelbaarder en betrouwbaarder. Kies eindelijk
eens voor realisme in plaats van wensdenken.
Ik dank u wel.
De voorzitter:
Dank voor uw inbreng. Dat brengt ons bij de heer Jumelet.
De heer Jumelet (CDA):
Dank, voorzitter. Gas uit kleine velden blijft voorlopig van belang voor onze energievoorziening
en kan bijdragen aan leveringszekerheid en het verminderen van importafhankelijkheid.
Vooropstaat steeds dat de gaswinning veilig moet zijn voor mens, natuur en omgeving.
Ik noemde het al eerder in een debat over mijnbouw: daarnaast moeten we oog hebben
voor de zorgen, bijvoorbeeld over mogelijke bodemdaling in veenweidegebieden. Ik noem
daarbij de provincie Fryslân en Papekopveld in de provincie Zuid-Holland. Juist daarom
steunen wij aanvullend onderzoek en vinden wij dat het advies van SodM en de uitkomsten
van de studie van TNO en Deltares zwaar moeten meewegen bij besluitvorming. Vergunningaanvragen
moeten zorgvuldig en op hun merites worden beoordeeld. Daarom enkele vragen aan de
Staatssecretaris.
Hoeveel winningsplannen voor nieuwe gaswinning onder of nabij veenweidegebieden zijn
momenteel in procedure? Zitten daar aanvragen tussen waarover al voor afronding van
de studie van TNO en Deltares een besluit moet vallen? Met andere woorden, kan er
worden gewacht totdat de resultaten van deze studie beschikbaar zijn en is het een
goed voorstel om deze resultaten mee te wegen bij een definitief besluit over winning?
Kan de Staatssecretaris ook aangeven hoe de gesprekken met gemeenten, waterschappen
en ook de provincies verlopen?
Voorzitter. In het sectorakkoord is afgesproken dat vergunningprocedures voor gaswinning
uit de kleine velden sneller moeten verlopen. Projecten voor gaswinning die binnen
de wet- en regelgeving passen, lopen in de praktijk regelmatig vertraging op; collega
Van den Berg sprak er net ook al over. Het resultaat is dat investeringen worden uitgesteld
en projecten later of soms helemaal niet van de grond komen. Voor de leveringszekerheid
is het belangrijk dat vergunningverlening niet alleen zorgvuldig, maar ook voorspelbaar
is. Daarover een vraag aan de Staatssecretaris: welke mogelijkheden ziet de Staatssecretaris
om vergunningprocedures te versnellen en voorspelbaarder te maken, met name in de
uitvoeringspraktijk, waar veel vertraging ontstaat? Welke concrete maatregelen worden
hiervoor uitgewerkt zonder dat dit ten koste gaat van de zorgvuldigheid?
Voorzitter. Dan de beving bij Ekehaar. We hebben daarover eerder een motie ingediend.
Graag aandacht voor de afhandeling van de schade naar aanleiding van de beving in
oktober 2023. De Staatssecretaris heeft gesprekken gevoerd met de NAM en de Commissie
Mijnbouwschade over een schadeaanpak op basis van artikel 7 van het instemmingsbesluit.
Daarmee kan de Commissie Mijnbouwschade voor bepaalde schademeldingen zonder deskundigenonderzoek
ter plaatse een causaal verband aannemen en meldingen voortvarend afhandelen. Kan
de Staatssecretaris aangeven welke afspraken inmiddels zijn gemaakt, welke knelpunten
er nog bestaan en op welke termijn inwoners duidelijkheid kunnen verwachten over de
versnelde schadeafhandeling?
Gelijk ook maar over de schadeafhandeling naar aanleiding van de aardbeving bij Geelbroek,
waar gisteren een brief over kwam. Wij ontvingen gisteren ook een brief van de gemeenten
Midden-Drenthe, Assen en Aa en Hunze. Kort samengevat schrijven zij dat het er allemaal
niet gemakkelijker maar juist ingewikkelder op wordt. Kan de Staatssecretaris hier
misschien kort op reageren? Hij heeft de brief vast al gelezen. Sowieso ontvangen
wij graag een afschrift van de reactie op de brief van deze gemeenten.
Voorzitter. Dan een heel ander onderwerp, maar wel een onderwerp dat met de ondergrond
is verbonden: schoon en voldoende drinkwater als basisvoorziening voor iedereen. Nu
en in de toekomst moeten en willen we daar graag op kunnen rekenen. Juist daarom is
het belangrijk dat bij besluiten over activiteiten in de diepe ondergrond ook de mogelijke
gevolgen voor onze drinkwatervoorraden goed worden meegenomen. Het is immers druk
in de ondergrond met zoutwinning, CO2-opslag, energiedragers en aardwarmte; de Staatssecretaris schrijft er zelf ook over.
Kan de Staatssecretaris aangeven hoe het belang van de drinkwatervoorziening momenteel
wordt meegewogen bij besluiten over activiteiten in de diepe ondergrond? Hoe zijn
de drinkwaterbedrijven daarbij betrokken? Het is toch logisch dat de drinkwatervoorziening
deel uitmaakt van het programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond? Graag een reflectie
hierop.
Tot slot, voorzitter, aardwarmte. Met het oog op de energietransitie is aardwarmte
van groot belang. Het kan een belangrijke bijdrage leveren aan het terugdringen van
de CO2-uitstoot en het vervangen van aardgas. Juist daarom is het belangrijk dat de huidige
stagnatie in de opschaling van aardwarmte wordt doorbroken en dat de uitrol wordt
versneld. Positief is dat de Staatssecretaris samen met betrokken partijen in kaart
wil brengen welke oplossingsrichtingen kunnen bijdragen aan een snellere ontwikkeling
van aardwarmte. In de brief van de Staatssecretaris lees ik over de korte en de middellange
termijn als het gaat om het uitvoeren van maatregelen en acties. Mijn vraag is dan
ook wanneer de Kamer de eerste concrete resultaten kan verwachten.
Voorzitter, tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft nog een interruptie van mevrouw Van Oosterhout.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik ben enorm blij om te horen dat het CDA een draai maakt en nu ook spreekt over de
stapeling van effecten in het veenweidegebied. Ik hoorde in uw bijdrage dat u nu ook
pleit voor een standstill voor boren in het veenweidegebied totdat er meer duidelijkheid
is en het onderzoek is afgerond. Een aantal maanden geleden stemde het CDA nog tegen
een motie van mij om precies dit te gaan doen. Kan ik deze keer wel op de steun van
het CDA rekenen?
De heer Jumelet (CDA):
Bij een vorig debat heb ik juist ten aanzien van het veenweidegebied het voorzorgsprincipe
ingebracht. Destijds heeft de Minister daarop gereageerd, dus de vorige Minister.
Uw motie zag vooral op het totaal van winning, ook bestaande gaswinning. Daarom hebben
we ook tegen die motie gestemd. Dit gaat echt over de nieuwe vergunningen. Ik begrijp
dat die eraan zitten te komen, dat die onderhanden zijn. Dan geldt voor ons nog steeds
de vraag: is het wijs om te doen? Er liggen allerlei onderzoeken en er zijn nog onderzoeken
gaande. Wij vragen of het goed idee is om daarop te wachten en daar eerst goed naar
te kijken voordat je een vergunning verleent. Het antwoord hoor ik graag van de Staatssecretaris.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie verder geen andere interrupties die aan u zijn gericht, dus gaan
we snel door naar de heer Köse van D66 voor zijn inbreng.
De heer Köse (D66):
Dank u wel, voorzitter. Wat er diep onder onze voeten gebeurt, raakt mensen vaak direct.
Het gaat om onze veiligheid, de bescherming van natuurgebieden en de vraag hoe we
onze energievoorziening in de toekomst organiseren. Tegelijkertijd staan we voor een
grote opgave. We willen minder afhankelijk worden van fossiele energie en bouwen aan
een schoon en betrouwbaar energiesysteem. Daarbij speelt de diepe ondergrond een belangrijke
rol – vandaag nog voor gaswinning, maar steeds vaker ook voor aardwarmte, waterstof
en CO2-opslag. Voor D66 staat daarbij één ding centraal: bouwen aan een schoon, betrouwbaar
en onafhankelijk energiesysteem met veiligheid en draagvlak als harde randvoorwaarden.
Vandaag wil ik stilstaan bij drie onderwerpen: het afbouwpad voor gaswinning op land,
de zoutwinning onder de Waddenzee en de kansen voor aardwarmte.
Voorzitter. Laat ik beginnen met de gaswinning op land. Voor D66 is het uitgangspunt
helder: we moeten zo snel mogelijk minder aardgas gaan gebruiken. Maar zolang we nog
gas nodig hebben, kan Nederlandse gaswinning een rol spelen. Die rol kent duidelijke
grenzen: nooit, nooit ten koste van de veiligheid en leefomgeving van mensen. Daarom
blijft het Groningengasveld dicht. Dat is voor ons vanzelfsprekend, maar het is belangrijk
om dat hier en nu opnieuw nadrukkelijk te bevestigen. Ook onder de Waddenzee zien
wij geen toekomst voor gaswinning meer. Als er nog gas gewonnen wordt, heeft de Noordzee
onze voorkeur. Daar is meer ruimte en zijn de gevolgen voor de leefomgeving wat kleiner.
Tegelijkertijd moeten we op land toewerken naar een verantwoorde en voorspelbare afbouw
van de gaswinning. Daarom heb ik de volgende vragen aan de Minister. Hoe wil de Minister
invulling geven aan een afbouwpad voor gaswinning op land? Hoe worden omwonenden en
decentrale overheden daarbij betrokken? Denk ook aan de brief die we van de gemeente
Woerden en de provincie Utrecht ontvangen hebben. Hoe verhoudt het aangekondigde «nee,
tenzij»-principe in de herziening van de Mijnbouwwet zich tot het sectorakkoord voor
gaswinning op land? Blijft nieuwe gaswinning op land mogelijk en, zo ja, onder welke
voorwaarden?
Dan het nieuws van afgelopen week. De Staatssecretaris heeft ingestemd met een verhoging
van de zoutwinning onder de Waddenzee. Dat vindt D66 slecht nieuws. De Waddenzee is
een uniek natuurgebied, dat we juist beter moeten beschermen en niet verder onder
druk moeten zetten. Juist daarom hebben wij er als D66 voor gezorgd dat nieuwe winning
onder de Waddenzee in de toekomst niet meer mogelijk is. Dat was een belangrijke stap
vooruit. We begrijpen ook dat bij goed bestuur hoort dat de overheid zich houdt aan
de wet die op dat moment geldt. Daarom vragen wij ons af: is er echt geen andere oplossing
mogelijk, met meer oog voor natuur en bescherming van het Waddengebied? Welke alternatieven
zijn er onderzocht en waarom is uiteindelijk toch voor deze verruiming gekozen?
Het Staatstoezicht op de Mijnen geeft aan dat de zoutwinning binnen het hand-aan-de-kraanbeleid
past. Tegelijkertijd staat de natuur in de Waddenzee al onder druk door verschillende
activiteiten en ontwikkelingen. Hoe wordt bij dit besluit rekening gehouden met die
stapeling van effecten, vraag ik de Staatssecretaris. Op basis van welke criteria
wordt bepaald wanneer moet worden ingegrepen als de natuur of de bodem verder onder
druk komen te staan?
Tot slot. Aardwarmte biedt enorme kansen voor een schoon, betaalbaar en onafhankelijk
energiesysteem, voor het verduurzamen van woningen, bedrijven en industrie. Het mooie
van aardwarmte is dat deze lokale, betrouwbare energie levert en daarmee onze afhankelijkheid
van fossiele import verder verkleint. Ik ben daarom blij dat het kabinet hier volop
mee aan de slag is. Helaas lees ik in een brief dat projecten nog wel te vaak vastlopen
op financiering, infrastructuur, geologische onzekerheid en lange vergunningstrajecten.
Dat is erg zonde, want we laten kansen liggen om nog sneller onafhankelijk te worden.
Daarom heb ik tot slot twee vragen aan de Minister. Welke concrete stappen kunnen
al in 2026 worden gezet om aardwarmteprojecten sneller van de grond te krijgen, nog
voordat de uitvoeringsagenda gereed is? Ziet de Minister mogelijkheden om vergunningverlening
en financiële ondersteuning beter op elkaar te laten aansluiten, zodat kansrijke projecten
niet onnodig vertraging oplopen?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Een vraag van mevrouw Van Oosterhout.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik ben ontzettend blij om te horen dat D66 ook de Waddenzee wil beschermen. Ik vroeg
me af of D66 zich dan ook in het kabinet ervoor gaat hardmaken om ons voorstel te
steunen om die vergunning niet te laten doorgaan.
De heer Köse (D66):
Mevrouw Van Oosterhout vindt mij hier volledig aan haar zijde. Vandaar ook dat ik
zo kritisch ben en deze vragen stel aan de Staatssecretaris. Ik ben heel benieuwd
wat er allemaal is afgewogen bij deze keuze. Zoals ik aangaf: we hebben natuurlijk
een rechtsstaat met elkaar. De wetgeving is leidend. Ik ben benieuwd of er daarbinnen
ruimte is om dit inderdaad toch niet door te laten gaan. Wij zijn hier gaan fan van;
daarin vinden we elkaar zeker aan elkaars zijde.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Heel blij om dat te horen. Laten we daar vooral samen in optrekken. In uw bijdrage
hoorde ik ook dat het nooit ten koste mag gaan van mensen. Nou is er in het veenweidegebied
nog ontzettend veel onduidelijkheid over wat het precies betekent voor mensen; met
name de gestapelde effecten waar dat onderzoek nog naar loopt. Vind ik u ook aan mijn
zijde als het gaat om mijn voorstel om geen nieuwe vergunningen in het veenweidegebied
toe te staan?
De heer Köse (D66):
Wij hebben in het verleden uw motie gesteund. Wij hebben die mede ingediend. We hadden
daar eigenlijk zelf ook al een idee voor. Het is zo gelopen. Wij hebben die motie
gesteund. Het ging om een standstill totdat er onderzoek zou zijn gedaan naar de effecten
in veenweidegebieden. Daar sta ik nog steeds achter. Als blijkt dat het niet veilig
is voor omwonenden, trek ik daar de streep.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik hoor D66 allerlei voorbehouden maken: we hebben hier vragen over aan het kabinet,
met name als het gaat om de Waddenzee. De premier is natuurlijk van D66. Gaat de heer
Köse ook Rob Jetten bellen om ervoor te zorgen dat die vergunning er niet gaat komen?
De heer Köse (D66):
Dat vind ik mooi, dat we hier al een dealtje proberen te sluiten. Ik kan mevrouw Van
Oosterhout meegeven dat iedereen bij D66 hiervoor echt een warm hart heeft. Ik hoef
eigenlijk niet eens te bellen. Ik kan u bijna garanderen dat dit iets is wat «on top
of mind» is. Ik zal me er natuurlijk wel hard voor maken om ons standpunt mee te geven.
Uiteindelijk zal het kabinet hierover een besluit nemen. Dat is hoe we het hier doen.
De voorzitter:
Een lijntje met de Minister-President is altijd handig, toch. U heeft inmiddels vier
interrupties gehad, zeg ik richting mevrouw Van Oosterhout. Dan kom ik bij de heer
Van den Berg.
De heer Van den Berg (JA21):
Dank, voorzitter. Toch even over een andere boeg. Een tijdje geleden ben ik samen
met de heer Köse naar een productieplatform gevlogen waar wij in Nederland nog op
de zee gas produceren. Ik mag wel zeggen dat dat een heel mooie ervaring was, om dat
juist met deze twee partijen zo te doen. Dan leer je van elkaars inzichten. En ja,
we verschillen – dat is overduidelijk – maar volgens mij delen we ook wel dezelfde
uitgangspunten. Dan doel ik er vooral op dat zolang wij gas nodig hebben, het natuurlijk
veel duurzamer is om dat in Nederland te produceren en dat ook veel beter is voor
onze staatsinkomsten. Wat ik me eigenlijk afvraag, is of de heer Köse er nu van overtuigd
is, na die bezoeken en de goede gesprekken we daarover hebben gevoerd, dat het verstandig
zou zijn om ook in Nederland de productie op te voeren, voor zover dat mogelijk is
en dan wel binnen het sectorakkoord.
De heer Köse (D66):
Ik zal beginnen met zeggen dat het een mooi en leerzaam werkbezoek was. Ik vond het
ook mooi om te zien dat we eigenlijk allebei best duurzaamheidsambities hadden – o,
moest ik dat stilhouden? – en dat we echt wel het beste voorhebben met Nederland.
Daarna komt dan gelijk de vraag om de gasproductie op te voeren. Ik erken dat we gewoon
nog gas nodig hebben in Nederland zolang we de gasvraag niet omlaag krijgen. En in
plaats van dan te zeggen dat we de gasproductie hier volledig moeten opvoeren, zou
ik dan liever zeggen dat we vol moeten inzetten – dat gebeurt al; daar zag ik de Minister
van de week nog nieuws over uitbrengen – op het op gang brengen van die verduurzaming,
op het omlaag krijgen van de gasvraag. Ik geloof echt dat dat kan. Er zijn plannen
– onder andere de NVDE heeft wat gedeeld – waarin we sowieso volledig onafhankelijk
kunnen worden van import, dus de hele lng-import, als we maar verduurzamen. Dus in
plaats van nog verder druk te zetten op de leefomgeving, op het vertrouwen van mensen,
zou ik willen pleiten voor de enige echte oplossing, en de enige echte oplossing is
verduurzaming. Dat is de enige echte langetermijnoplossing. Ik denk dat JA21 dat ook
met ons eens zal zijn.
De voorzitter:
Daar gaat u het antwoord niet meer op krijgen, maar we zagen net al wat non-verbale
communicatie. Mevrouw Müller, ik ga naar u voor uw inbreng.
Mevrouw Müller (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Gas zal de komende jaren nog een cruciale rol spelen in onze
energievoorziening. Dat is geen wens, maar gewoon een nuchter feit. Zolang er onvoldoende
duurzame alternatieven zijn, hebben onze huishoudens, onze bedrijven en onze elektriciteitscentrales
simpelweg aardgas nodig. En nu we de import van Russisch, terecht, hebben stopgezet,
hebben we ons grotendeels afhankelijk gemaakt van de import van vloeibaar aardgas,
lng, met name uit de Verenigde Staten. Wat de VVD betreft is die importafhankelijkheid
een risico en het alternatief ligt voor de hand: onze eigen nationale productie. Het
sectorakkoord om de winning uit kleine velden en uit de Noordzee te intensiveren,
is dan ook een stap in de goede richting. Gas uit eigen bodem is betrouwbaarder, goedkoper
en, paradoxaal genoeg, ook beter voor het klimaat dan gas dat we van de andere kant
van de wereld, van de oceaan moeten laten overvaren.
Onlangs heeft de Kamer een motie aangenomen om de nationale productie verantwoord
te versnellen, maar vanuit de sector horen we duidelijke signalen dat de vergunningstrajecten
stroef verlopen. Mijn vraag aan de Staatssecretaris is dan ook: hoe kunnen we de vergunningverlening
voor projecten op land en op de Noordzee concreet versnellen? Klopt het dat het aantal
exploratieboringen op de Noordzee nog steeds achterblijft bij de ambities en, zo ja,
hoe kan dit worden doorbroken? Kunnen we voor andere dingen, op land bijvoorbeeld,
op voorhand bezien of natuurinvesteringen mogelijk zijn om zo de vergunningen makkelijker
te verlenen?
De sector vraagt ook om zekerheid. De heer Van den Berg refereerde er ook al aan.
Termijnen voor vergunningverlening worden keer op keer niet gehaald. Waar is afgesproken
dat er binnen zes maanden een beslissing moet worden genomen, duurt dat in de praktijk
soms anderhalf jaar. Dit zorgt wat de VVD betreft voor een slecht investeringsklimaat.
Bedrijven moeten erop kunnen vertrouwen dat de overheid zich aan haar eigen regels
houdt. Hoe gaat de Staatssecretaris zich inzetten voor meer voorspelbaarheid voor
bedrijven? Wat gaat de Staatssecretaris concreet doen om werk te maken van het halen
van de gestelde deadlines? Volgens mij is dat iets wat we eigenlijk al veel langer
met elkaar bespreken. Kan de Kamer ook meer inzicht krijgen in het aantal vergunningstrajecten
dat loopt en de termijnen die daarvoor staan?
Hoewel we het morgen over leveringszekerheid en strategische reserves gaan hebben,
wil ik vandaag ook stilstaan bij Norg. Die locatie is een serieuze optie als het aankomt
op strategische reserves, omdat die beschikt over circa 11 miljard tot 15 miljard
kuub kussengas. Wat is er nodig om de winning van kussengasproductie in Norg zo snel
mogelijk op een veilige manier mogelijk te maken en is het kabinet voornemens om hierop
in te zetten? Met een strategische kussengasproductie kunnen we een deel van de benodigde
strategische voorraad aanleggen. Hiermee versterken we onze leveringszekerheid. Het
lijkt de VVD daarom verstandig om naar die mogelijkheden te kijken.
Voorzitter. Nationale productie vraagt ook om maatschappelijk draagvlak en een rechtvaardige
balans tussen baten en lasten. Dat brengt mij bij Noord-Drenthe, waar afgelopen maart
een beving is geweest. De inwoners van Geelbroek hebben recht op een snelle en rechtvaardige
schadeafwikkeling. Gisteren had ik nog een aantal kritische vragen voorbereid, want
wat de VVD betreft moeten bureaucratische procedures en onderzoeken kort gehouden
worden en zou het niet zo mogen zijn dat onderzoekskosten hoger zijn dan schadeclaims
zelf. Maar gisteren ontvingen we van de Staatssecretaris ook een brief over het schadeafhandelingsproces
en ik wil de Staatssecretaris daar ook mee complimenteren. De aanpak van de Staatssecretaris
is in de ogen van de VVD verstandig. Door gezamenlijk te werken met de CM en de NAM
wordt voorkomen dat er achteraf juridische procedures komen en kunnen mensen rondom
het epicentrum sneller worden geholpen. Zo kunnen zij veel sneller en zonder moeilijke
procedures een vergoeding voor hun schade ontvangen. We ontvingen ook een brief uit
de regio – mijn collega, de heer Jumelet, vroeg er ook al naar – en ik wil de Staatssecretaris
vragen om daarop te reflecteren.
Voorzitter. Tot slot de nieuwe Europese Methaanverordening. De VVD maakt zich grote
zorgen over de impact hiervan op onze leveringszekerheid en met name op de import
van lng uit de VS. Zelfs de Amerikaanse EU-ambassadeur waarschuwde al voor de gevolgen
en mijn fractie heeft daar ook al een aantal keer schriftelijke vragen over gesteld,
maar ik heb daar tot dusver geen antwoord op gehad. Ik stip het ook vandaag aan, omdat
er ook serieuze zorgen over zijn dat het de nátionale productie gaat raken. De sector
geeft aan dat bijna 45% van de potentiële aardgasproductie in gevaar dreigt te komen
wanneer de EU-Methaanverordening in de huidige vorm wordt geïmplementeerd. Deelt de
Minister de zorgen van de VVD-fractie dat dit onze leveringszekerheid in gevaar kan
brengen? Hoe kijkt de Minister naar de constatering dat deze verordening zou kunnen
leiden tot meer methaanemissies door de benodigde logistieke uitbreiding van het productieproces?
Nederland behoort tot de beste landen als het gaat om de reductie van methaanemissies.
Ten opzichte van 1990 is de uitstoot met 94% teruggedrongen. Gaat de Minister zich
inzetten om dit voorstel te verbeteren?
Daar wilde ik het bij laten, voorzitter. Ik kijk uit naar de beantwoording.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft nog één interruptie, van de heer Köse.
De heer Köse (D66):
Ik was nog wel even benieuwd. Ik hoorde mevrouw Müller in haar betoog spreken over
kussengasproductie uit Norg. Is mevrouw Müller er zich wel van bewust dat, mochten
we die productie gaan realiseren, die opslagfunctie eigenlijk vervalt? Die is echt
wel aanzienlijk. Volgens mij zijn Norg en Grijpskerk samen goed voor 60% van onze
opslagfunctie. Ik was even benieuwd naar de nuance in hoe daarnaar gekeken wordt.
Is het oké voor de VVD om die opslagfunctie, eigenlijk die verzekering, te laten varen
in ruil voor tijdelijke productie?
Mevrouw Müller (VVD):
Het is ook iets wat bijvoorbeeld wordt geadviseerd door de Gasunie, die heel erg kijkt
vanuit het perspectief van leveringszekerheid. Het zou ook meer een optie zijn die
je, kijkend naar voor- en nadelen, serieus ter overweging kunt nemen. Ik vraag dus
eigenlijk aan het kabinet om daarop te reflecteren, maar voor ons is het wel een optie.
De voorzitter:
Oké. Dank u wel. Dat brengt ons bij de laatste spreker van deze eerste termijn. Dat
is de heer Kops van de PVV. Aan hem het woord.
De heer Kops (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Het vorige commissiedebat Mijnbouw hadden we op 29 januari.
Toen heeft de PVV expliciet gevraagd naar de nieuwe regeling voor de tegemoetkoming
van mijnbouwschade in Limburg. Die houdt in dat schade tot € 10.000 wordt vergoed,
uitbetaald in geld, als het verband met mijnbouw voldoende aannemelijk is, maar dat
bij schade boven de € 10.000 het verband met mijnbouw bouwkundig wordt onderzocht
en de uiteindelijke vergoeding, bestaande uit herstel in natura, inderdaad hoger kan
uitvallen dan die € 10.000, maar dat de vergoeding ook lager, veel lager kan uitvallen
en zelfs nul kan zijn. De Commissie Mijnbouwschade stelde daarom toen dat het accepteren
van die vergoeding tot € 10.000 wellicht de beste keuze was. Dat is natuurlijk raar,
want gedupeerden horen deze afweging helemaal niet te maken. Zij moeten simpelweg
krijgen waar zij recht op hebben. De PVV heeft toen een motie ingediend die de regering
verzoekt om te regelen dat bouwkundig onderzoek naar schades boven € 10.000 niet leidt
tot een vergoeding lager dan € 10.000. Die motie is toen aangenomen. Ik hoop dat ik
het mis heb, maar naar mijn weten is die motie nog altijd niet uitgevoerd. Ik heb
alleszins geen aangepaste regeling of iets dergelijks gezien. Dan is de eerste vraag:
waarom niet? Hoe staat het hiermee? Het is de Commissie Mijnbouwschade zelf die dit
een groot probleem noemt. Waarom moet dit maandenlang duren? Waarom duurt het altijd
zo ontzettend lang als het gaat om mijnbouwschade? Graag een reactie van de Staatssecretaris.
Voorzitter. Cruciaal is hoeveel gedupeerden in de tussentijd aanspraak hebben gemaakt
op de schadevergoeding tot € 10.000. Hoeveel van hen hebben in werkelijkheid meer
schade, maar hebben uit angst om minder of helemaal niets vergoed te krijgen de oproep
van de Commissie Mijnbouwschade gevolgd? Hoe wordt dat achteraf alsnog opgelost? Graag
een reactie.
Voorzitter. Deze hele rare gang van zaken, die nog altijd niet is rechtgezet, staat
niet op zichzelf en is tekenend. Zie ook de evaluatie van Ecorys. Enkele conclusies
daaruit. «De Commissie Mijnbouwschade is beperkt in staat om schademelders bij wie
mijnbouwschade wordt vastgesteld daadwerkelijk te ontzorgen.» Dat is nogal wat. «Schademelders
voelen zich onvoldoende geholpen. Ze zijn niet verantwoordelijk voor het ontstaan
van de schade, maar moeten toch zelf geld bijleggen om die schade te kunnen herstellen.»
Exact, dat dreigt nu ook in Limburg te gebeuren. En dat leidt er dan weer toe «dat
de hele systematiek zich moeizaam verhoudt tot de maatschappelijke verwachtingen die
bestaan rond de afhandeling van mijnbouwschade.» Zo staat het allemaal in het rapport.
In de evaluatie worden ook de hoge uitvoeringskosten genoemd als een groot probleem
en we weten allemaal dat die al jarenlang veel en veel te hoog zijn. Daarnaast wordt
ook de twaalfmaandentermijn genoemd: schademeldingen als gevolg van bevingen die langer
dan twaalf maanden geleden hebben plaatsgevonden, worden niet meer in behandeling
genomen. Het advies is om hier iets aan te doen. Enzovoorts, enzovoorts. Dan is de
vraag: wat gebeurt er met deze adviezen?
In reactie op deze evaluatie schreef de vorige Minister van Klimaat en Groene Groei:
«Ten eerste zou voor de Commissie Mijnbouwschade ruimte gecreëerd kunnen worden om
hogere schadevergoedingspercentages te kunnen adviseren. Daarnaast zou een betere
verhouding tussen uitgekeerde schadevergoedingen en onderzoekskosten gerealiseerd
kunnen worden.» Nou komt het: «Besluitvorming hierover is echter aan een volgend kabinet.»
Zo gaat het natuurlijk vaker; het is lekker makkelijk om het door te schuiven naar
een volgend kabinet. Maar goed, we zitten hier wel met het volgende kabinet in het
eerste commissiedebat Mijnbouw. Hoe staat het hier nu mee? Graag een update: wat is
er tot dusverre gedaan en wat gaat er gebeuren? Wordt er ook iets gedaan aan die twaalfmaandentermijn?
Voorzitter. Als we de stukken voor dit debat zo lezen, stukken die feitelijk op deze
agenda staan, dan zie ik – ik hoop wederom dat ik het mis heb – dat er feitelijk nog
helemaal niks is gedaan om de schadeafhandeling vlot te trekken. Kijk naar Drenthe,
Geelbroek, waar op 14 maart jongstleden weer een beving heeft plaatsgevonden, en wel
met een magnitude van 3 op de schaal van Richter. We lezen op de website van de Commissie
Mijnbouwschade dat er ruim 4.000 schades zijn gemeld. Volgens mij zijn het er ondertussen
zelfs 5.000; dat staat tenminste in een brief. In een eerste reactie van de Staatssecretaris
lezen we dan dingen als «structurele verbeteringen», «gesprekken met partijen», «het
zal tijd vragen», «lessen van de aanpak», «een aanpak die snel, gedegen en menselijk
is». Dat zijn termen die we al jarenlang horen, in elk debat. Exact die vage teksten
zijn de teksten waar de gedupeerden zo ontzettend moe van worden, zeker als ze jarenlang
moeten wachten op iets waar ze simpelweg recht op hebben. De laatste vraag is: waar
is het plan van de Staatssecretaris om dit echt allemaal vlot te trekken?
Dank u wel. Sorry voor de uitloop.
De voorzitter:
Geen probleem, dat kan gebeuren. We zijn daarmee aan het einde gekomen van de inbreng
vanuit de Kamer. We gaan straks luisteren naar de beantwoording door de Minister en
de Staatssecretaris. Mijn voorstel is om weer te beginnen om 14.25 uur. Dan heeft
het kabinet een klein halfuur om de beantwoording voor te bereiden. Succes daarmee.
We zijn geschorst en ik zie u allemaal weer om 14.25 uur.
De vergadering wordt van 13.57 uur tot 14.25 uur geschorst.
De voorzitter:
Goedemiddag. Welkom terug bij het commissiedebat Mijnbouw. We zijn aangekomen bij
de beantwoording door het kabinet in eerste termijn. Ik denk dat ik de Minister het
woord ga geven, ook om uit te leggen hoe de beantwoording eruit gaat zien. Aan u het
woord.
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Dank u wel, voorzitter. Dank ook aan de leden. Ik zal beginnen met een korte algemene
inleiding die vrij snel overgaat in een gedeelte over het gaswinningsbeleid en het
sectorakkoord, waar een aantal algemene vragen over zijn gesteld. De Staatssecretaris
gaat in op alle individuele projecten, de vergunningenprocedures en alle vragen die
daarmee te maken hebben, onder andere over Papekop, de veenweidegebieden, de Waddenzee.
Dat komt allemaal in de termijn van de Staatssecretaris aan de orde, net als de schadeafhandeling.
Ik zal verder nog iets algemeens zeggen over de Mijnbouwwet en ingaan op een aantal
specifieke vragen die zijn gesteld. Dan weet u dat het merendeel van de vragen door
de Staatssecretaris worden beantwoord. Mocht u aan het einde van de eerste termijn
toch nog een antwoord op een vraag hebben gemist, dan signaleert u dat even en kunnen
we ervoor zorgen dat die vraag alsnog wordt beantwoord.
De voorzitter:
U lijkt me goed om die inventarisatie aan het einde van uw beantwoording te doen,
Minister. Hoeveel blokjes heeft u in totaal?
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Ik heb er dus maar twee. Daarom zou ik zeggen: inventariseren aan het einde van de
termijn van de Staatssecretaris, om te voorkomen dat we eerst een heel rondje doen
waarin ik telkens moet zeggen «dat zit bij de Staatssecretaris». Laten we aan het
einde van de eerste termijn bekijken of alles is beantwoord.
De voorzitter:
Ja, daar kan ik me helemaal in vinden, net als de leden, zie ik. We gaan snel beginnen.
Aan u het woord.
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Voorzitter. Het kabinet werkt aan de energietransitie en daarbij zetten we volop in
op het afbouwen van de vraag. Zoals ook in het gesprek tussen de Kamerleden onderling
is gewisseld, is het afbouwen van de vraag uiteindelijk de enige manier waarop er
daadwerkelijk minder fossiel geconsumeerd en dus ook geproduceerd wordt, want niemand
gaat produceren als er geen vraag meer is. Het afbouwen van de vraag is dus echt de
structurele oplossing. Dat kost alleen wel tijd. Dat gaat niet ineens, ondanks dat
we dat wel graag zouden willen. We weten dat het tijd kost. Ook als we alles doen
wat we nu in de plannen hebben zitten – uiteraard zijn er verschillende politieke
wensen in de Kamer – ook als we uitgaan van heel ambitieuze plannen zoals mevrouw
Van Oosterhout die schetst, dan nog blijft de komende 25 jaar fossiele brandstof in
enige mate onderdeel van onze energiemix. We zijn nu nog voor 80% daarvan afhankelijk.
Iedereen moet daarin een keuze maken.
Zo min mogelijk dus, maar bij wat je nog nodig hebt komen ook vraagstukken als leveringszekerheid
en de klimaatfootprint van wat je gebruikt om de hoek kijken als afwegingskaders.
Het is belangrijk dat er helderheid is voor iedereen. De ongemakkelijke waarheid voor
partijen, ook de partij waar ik vandaan kom – ik spreek nu namens het hele kabinet
– is dat een afbouwpad ook een leveringspad betekent. Immers, ook bij een ambitieus
afbouwpad houd je nog een leveringspad over en de vraag is hoe je dat handen en voeten
geeft. Daar gaat het sectorakkoord over dat is gesloten. Het coalitieakkoord geeft
aan: wij houden ons aan dat sectorakkoord.
Dat wilde ik even aangeven als algemene setting. Ja, we zetten zo veel mogelijk in
op reductie van de vraag. Daar waar we gas nog nodig hebben, komen we voor de vraag
te staan: hoeveel klimaatuitstoot mag dat hebben en hoe zit het met de leveringszekerheid,
welke keuzes maken we daarin? Voor elk project geldt: gaswinning kan alleen plaatsvinden
als het verantwoord en veilig kan. In de procedures zitten stappen die daarvoor moeten
zorgen. Terecht wordt gevraagd of die procedures worden gevolgd en of de randvoorwaarden
goed worden nageleefd. Daar zal de Staatssecretaris antwoord op geven. Zo bouwen we
het echter wel met elkaar af: dus de vraag verlagen, vervolgens kijken waar het vandaan
komt en als we het doen, ervoor zorgen dat het veilig en verantwoord is en daarbij
kiezen voor de juiste waarborgen. Dat als eerste.
Dan de specifiekere vragen die door de leden gesteld zijn. Ik begin met de vraag van
mevrouw Müller over de exploratieboringen die achterblijven in relatie tot het afbouwpad
dat ook leveringspad is, inclusief exploratieboringen. Hoe zit dat? In 2024 waren
er in Nederland nul exploratieboringen. In 2025 waren er drie op land en zes op zee.
In het sectorakkoord zijn afspraken gemaakt en maatregelen opgenomen om het investeringsklimaat
te verbeteren, zodat we dat afbouwpad ook in de context van leveringszekerheid en
klimaateffecten kunnen verbeteren en voorspelbaarder kunnen maken. De eerste effecten
daarvan lijken zichtbaar, gezien de cijfers.
JA21 vroeg wat er tot nu toe is gedaan met de motie-Bontenbal. Er zijn eigenlijk twee
moties over het afbouwpad: de motie-Köse/Jumelet en de motie-Brekelmans/Bontenbal.
Aan de ene kant vragen ze om een afbouwpad voor de gaswinning en aan de andere kant
vragen ze hoe het afbouwpad binnen het bestaande sectorakkoord versneld kan worden
ingevuld op een verantwoorde wijze. Wij zien dat die dingen in elkaars verlengde liggen
en werken aan allebei. In relatie tot de motie-Köse/Jumelet: het kabinet verleent
geen nieuwe opsporingsvergunningen voor nieuwe plekken op land. Bij verlening van
instemming op nieuwe winningsplannen en actualisaties van winningsplannen wordt een
einddatum van 2050 opgenomen, zodat er ook gestuurd kan worden op het realiseren van
het nationale klimaatdoel. Uiteraard blijft er enige ruimte voor maatwerk. Wat betreft
de motie-Brekelmans/Bontenbal: op de Noordzee worden nieuwe opsporingen gestimuleerd
en binnen bestaande vergunningen op land kan instemming worden verleend voor nieuwe
winningsplannen, maar dus niet voor nieuwe plekken. Er zit een kaartje bij het sectorplan,
zoals u heeft gezien. Alleen binnen die gebieden kan het. Er worden dus geen opsporingsvergunningen
voor nieuwe plekken op land afgegeven. De balans wordt gezocht tussen daadwerkelijk
werken aan een afbouwpad en zorgen voor een leveringspad.
Per saldo wordt op landelijk niveau geen opschaling van de winning voorzien. In een
aantal velden zal de productie de komende jaren afnemen. Er zal op zijn hoogst sprake
zijn van stabilisatie, waarna verdere afname volgt. Op de Noordzee is dat net wat
anders. Met het oog op het realiseren van het afbouwpad is daar de kans op een lichte
verhoging groter. Nogmaals, telkens geldt: alleen als het veilig en verantwoord kan.
De Kamer wordt overigens rond het zomerreces geïnformeerd over de voortgang van de
gemaakte afspraken.
Dan was er een specifiekere vraag van JA21 over EBN in relatie tot de Wet bestrijden
energieleveringscrisis, namelijk of onderdelen wellicht eerder kunnen worden opgepakt,
of de wet in tranches worden geknipt. In het sectorakkoord Noordzee zijn een aantal
zaken afgesproken. Dit valt daar ook onder. Ik zal kijken wat er kan, maar daar komen
we nog op terug. Ik heb uw vraag gehoord en we zullen er op terugkomen. Dan is de
vraag altijd: wanneer en hoe komt u erop terug? Misschien kunnen we voor de tweede
termijn een inschatting maken wanneer we hierop terug kunnen komen.
Dan een vraag over het aangekondigde «nee, tenzij»-principe in de herziening van de
Mijnbouwwet in relatie tot het sectorakkoord voor gaswinning op land: blijft nieuwe
gaswinning mogelijk en onder welke voorwaarden? Volgens mij is continu de vraag: wat
is eigenlijk «nieuw»? In het sectorakkoord staat duidelijk dat er geen nieuwe opsporingsvergunningen
komen voor de witte vlekken op de kaart, om het zo te zeggen. In een bestaand veld
betekent «nieuw» natuurlijk iets anders. Dat kan een nieuwe put in een bestaand veld
betekenen of een nieuwe opsporing in een bestaande regio. Gaswinning kan dus alleen
plaatsvinden als het veilig en verantwoord is. Nieuwe winning op land blijft in de
transitieperiode mogelijk binnen een verantwoord afbouwpad. De voorwaarden waaraan
voldaan moet worden volgen uit de regelgeving en de aanvullende afspraken. Zo verhouden
die twee zich dus tot elkaar.
Dat was het eerste blokje, over gaswinning en sectorakkoord. Ik heb nog een, niet
zo groot, aantal specifieke vragen die daarop volgen.
De voorzitter:
Prima. Dank u wel. Voordat we daar aanbelanden, kijk ik even of er nog vragen zijn
over het eerste blokje. Ik zie dat dat het geval is. De heer Jumelet.
De heer Jumelet (CDA):
Dank aan de Minister voor de heldere uitleg, ook over de afbouw binnen het sectorakkoord.
Ik hoorde haar iets zeggen over het afbouwpad en het leveringspad. De Minister refereerde
aan de motie-Köse/Jumelet over kwantitatieve scenario’s voor een afbouwpad voor de
zomer. Mijn vraag is wat de stand van zaken is. Het is voor ons cruciaal om te weten
of dat echt voor de zomer gaat gebeuren.
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Daar kom ik zo meteen nog even op terug. Ik zal kijken of we dat voor de zomer kunnen
halen. Ik kijk of we daar in de tweede termijn op terug kunnen komen of dat dat wellicht
zo meteen al kan worden voorbereid.
Mevrouw Müller (VVD):
De Minister antwoordde op de vragen over exploratieboringen. Ze zei dat er in 2024
geen zijn gedaan en dat er in 2025 negen zijn gedaan, en dat we daarmee in lijn lopen
met de ambities. Maar volgens mij adviseerde EBN dat het nog steeds achterloopt op
de ambities. De Minister concludeert dat het nu beter gaat, maar ik ben iets meer
op zoek naar hoe het in 2026 gaat. Verwachten we dat die stijgende lijn zich blijft
voortzetten?
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Volgens mij heb ik niet gezegd dat het ermee in lijn is, maar dat er een stijgende
lijn is. Ik zocht nog even het antwoord erbij om zeker te weten dat ik dat inderdaad
zei. Ik heb op dit moment geen zicht op wat het in 2026 gaat zijn. Maar als die stijgende
lijn in 2025 is ingezet en we op deze manier met de sector samenwerken, zie ik geen
reden waarom dat niet zo zou zijn. Ik zie dit als een aansporing van mevrouw Müller
om de vinger aan de pols te houden. Wellicht kunnen we die informatie morgen, in het
andere commissiedebat dat we hebben, specifiek bij ons hebben.
Ten aanzien van de vraag van de heer Jumelet: in de appreciatie van de motie is destijds
aangegeven dat het afbouwpad jaarlijks zou worden opgesteld door EBN. Dit najaar komt
de actualisatie van EBN. Het gebeurt dus niet voor de zomer, maar net na de zomer.
Dit najaar komt die actualisatie.
De voorzitter:
Ik zie dat we door kunnen naar het tweede blokje van de Minister. Dat gaat over een
aantal specifieke vragen die zijn gesteld.
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Dank u wel, voorzitter.
De heer Van den Berg vroeg: hoe gaat het kabinet onze strategische autonomie versterken?
We doen een aantal dingen. In het kader van de energietransitie zetten we in op energiebesparing
en op het zo veel mogelijk verlagen van de vraag naar onder andere aardgas, omdat
dat ons allemaal uiteindelijk minder afhankelijk maakt. Daarnaast heeft EBN een subsidie
om de gasopslagen te vullen. Nogmaals, we zijn hard bezig met de afbouw, maar we willen
dat de leveringszekerheid gegarandeerd is voor datgene wat we nog nodig hebben. EBN
heeft dus een subsidie om de gasopslagen te helpen vullen. Aardgas blijft voorlopig
nog nodig in de transitie, maar wel volgens een aflopend pad. Ik heb net al verteld
hoe we dat zien, dus dat zal ik niet herhalen.
De heer Jumelet vroeg naar aardwarmte.
De voorzitter:
Voordat we daarover beginnen, eerst nog de heer Van den Berg.
De heer Van den Berg (JA21):
Sorry, maar de Minister kan toch niet met droge ogen uitleggen dat we met een subsidie
voor EBN zorgen voor onze strategische autonomie? Dat is een lapmiddel geworden, omdat
de markt faalt. De markt zou normaliter de gasopslagen moeten vullen. Daar hebben
we verplichte vulgraden voor ingesteld. Maar de gasopslagen worden nu niet gevuld.
Met het belastinggeld van Nederland kunnen we voor extreem hoge prijzen de gasopslagen
vullen, maar dat is geen strategische autonomie. Strategische autonomie is een buzzword,
tenzij je maatregelen neemt voor meer opwek in eigen land, bijvoorbeeld door langetermijncontracten
te sluiten met gasleveranciers of door het inzetten van de kussengasreserves, wat
tot op heden nog steeds niet is gebeurd, ondanks een motie van ons. Zo kun je autonoom
worden, maar niet met subsidies. Kan de Minister daarop reflecteren?
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Volgens mij heb ik meerdere dingen gezegd, maar ik kan daar best nog wat aan toevoegen.
Allereerst is het natuurlijk van belang dat we de vraag naar gas afbouwen, want hoe
kleiner het volume, hoe kleiner de afhankelijkheid. Het effect van de afhankelijkheid
door het gebruik van gas op je economie en maatschappij wordt dan kleiner. De afbouw
van de consumptie van gas is dus een heel belangrijke stap. Daarnaast werkt het kabinet
aan een brief over strategisch gasbeleid. Die is rond de zomer toegezegd, dus die
komt eraan. Daarin staan een aantal dingen. Er is onder andere verzocht om te kijken
naar de functie van kussengas en naar andere mogelijkheden om ervoor te zorgen dat
we strategisch omgaan met ons gasbeleid, zolang we nog gas nodig hebben. Daarnaast
heeft EBN voor aankomende winter en de winter daarop de taak om ervoor te zorgen dat
we, als de markt niet reageert, nog een mogelijkheid hebben. Uiteraard is dit een
heel bouwwerk, dat de heer Van den Berg kent. Maar ik begrijp de achtergrond van zijn
vraag uiteraard. Strategische autonomie is belangrijk. Het is belangrijk dat we daar
serieus naar kijken. Daarom komt er ook een brief over strategisch gasbeleid, waar
de Kamer naar gevraagd heeft. Die komt rond de zomer.
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de heer Van den Berg voor zijn laatste interruptie in de eerste
termijn van dit debat.
De heer Van den Berg (JA21):
Daar ben ik me van bewust, maar deze vraag is heel belangrijk voor ons. Het ging over
de kussengasreserves. Mevrouw Müller vroeg daar net al naar. In februari hebben wij
een motie ingediend. Die was heel duidelijk. Die zei: «Maak afspraken met de NAM en
de Nederlandse aardoliemaatschappijen, waaronder ExxonMobil en Shell. Ga met ze in
gesprek en kom over een halfjaar met een brief over hoe we dit gaan doen en over de
compensatie. Wie wordt de eigenaar en hoe gaat het met de terugvulling, zodat de gasopslag
bruikbaar blijft?» Ik denk echt dat dit een hele concrete motie was, die ook helemaal
overeenkomt met het rapport van de Gasunie dat daarna werd uitgebracht. Zijn daar
al bewegingen in gemaakt? Lopen er al gesprekken met de NAM, ExxonMobil of Shell om
dit te realiseren, in lijn met de motie?
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Ja, er lopen gesprekken over de gasopslag in Norg. Absoluut.
De voorzitter:
Mochten er nog andere vragen zijn, dan kunt u die wellicht nog in uw tweede termijn
naar voren brengen, meneer Van den Berg. De Minister kan door met haar beantwoording.
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Morgen spreken we opnieuw over gas, dus dan kunnen we zorgen voor meer details. Ik
begrijp dat de vraag is hoe het met die gesprekken staat. Ik zal kijken of we dan
wat meer informatie daarover kunnen verstrekken.
Voorzitter. De heer Jumelet had nog een vraag over aardwarmte. «Dat is van groot belang.
Kunnen we de uitrol versnellen?» De knelpunten zijn in kaart gebracht. De aanpak wordt
momenteel in samenspraak met de stakeholders uitgewerkt. De uitvoeringsagenda hiervoor
wordt eind 2026 opgeleverd.
De heer Köse had ook een vraag over aardwarmteprojecten. «Kunnen die sneller van de
grond komen?» Ik verwacht de uitvoeringsagenda eind 2026. Daarin staan concrete maatregelen
voor de korte en de middellange termijn en de bijbehorende rollen en verantwoordelijkheden.
Vooruitlopend op die uitvoeringsagenda brengen we aan de hand van concrete projecten
in beeld welke ondersteuning en invulling van de financiële instrumenten nodig zijn
om deze projecten verder te brengen. Dat nemen we mee in de invulling van de uitvoeringsagenda.
Tegelijkertijd toetsen we in de praktijk wat werkt en helpen we, waar mogelijk, betreffende
projecten zo veel mogelijk vooruit. We kijken bijvoorbeeld op dit moment hoe we de
situatie in Leeuwarden kunnen versterken.
De heer Köse vroeg ook nog om de vergunningverlening en de financiële ondersteuning
beter op elkaar te laten aansluiten. Wij onderkennen dat de doorlooptijden en de uitkomsten
van vergunningprocedures in de weg staan aan een snelle opschaling van aardwarmteprojecten.
In het stimuleringstraject wordt dan ook gekeken naar knelpunten in de vergunningverlening
en de financiën, zoals ik net al zei. We zien dat het grootste financiële risico in
de ontwikkelfase van een project zit. Daarom kijken we naar mogelijke instrumenten
om het financiële risico in de ontwikkelfase te verkleinen. Daarmee neem ik alvast
een voorschot op de brief die in het najaar komt. Daar lijkt het grootste vraagstuk
te zitten.
Mevrouw Müller vroeg naar de Europese Methaanverordening. De zorgen zijn bekend. Ik
heb al in de Kamer gezegd dat ik die zorgen voor een deel ook deel. Ik heb in Brussel
gevraagd om daar heel goed naar te kijken, zodat we niet onbedoeld op een blokkade
afstormen. We hadden het net al over de leveringszekerheid. Er zijn zorgen rondom
deze verordening. De Commissie heeft een flexibilisering voor de import aangekondigd.
Nederland zet zich er actief voor in om de uitvoering van de verordening te verbeteren.
We zetten ons ook voortdurend in om de knelpunten in de uitvoerbaarheid onder de aandacht
te brengen bij de Commissie. We trekken daarin samen op met andere lidstaten. Het
gaat dan onder andere om geaccrediteerde verificateurs. De verordening houdt ook geen
rekening met de kosteneffectiviteit van maatregelen. Er spelen een aantal specifieke
Nederlandse problemen, die u welbekend zijn. We blijven daarover in gesprek met de
Europese Commissie. Dat staat helder op ons netvlies.
Gaan we ons ervoor inzetten om het voorstel voor de Methaanverordening te verbeteren?
De verordening zelf is al in werking getreden, maar we hebben wel tegen de Commissie
gezegd dat er problemen zijn. De Commissie heeft aangekondigd om op korte termijn
met een handreiking te komen om de problemen op te lossen. Aanpassing is aan de orde
nadat de Commissie haar evaluatie heeft afgerond, in 2028. Daar kunnen we niet op
wachten, maar dat is ook weer niet tien jaar vanaf nu. We kunnen nu met een handreiking
werken en binnen afzienbare termijn komen er dan weer een evaluatie en een herziening
van de verordening aan. Intensieve emissiemonitoring is wel van belang. Dat kunnen
de Nederlandse operatoren wel. Die voldoen wel aan die voorwaarde. Dat is ook goed
om te zien. We hebben dus ook niet overal bezwaar tegen. Sommige dingen zijn goed
implementeerbaar, ook voor de Nederlandse sector.
Dan was er nog een vraag van de heer Jumelet over de drinkwatervoorziening. Op de
grond en op zee moeten we met elkaar goed kijken naar de schaarse ruimte. Ook in de
ondergrond, zegt de heer Jumelet terecht, moeten we goed kijken naar de schaarse ruimte:
waar gebeurt wat? Het belang van drinkwater wordt meegenomen in het programma Duurzaam
Gebruik Diepe Ondergrond, want ja, er zitten soms trade-offs in. Je moet het in ieder
geval goed met elkaar plannen en je moet goed nadenken over hoe je het doet, zodat
we ons drinkwater kunnen beschermen en ook in de ondergrond ruimte beschikbaar houden
voor onze energievoorziening. Samen met IenW verkennen we de mogelijkheden, zonder
dat het een afbreuk doet aan het ander. Dat is een puzzel die wordt gelegd in samenwerking
met IenW.
Dank u wel, voorzitter. Dat waren de vragen die aan mij waren gesteld. Als er geen
interrupties zijn, kan de Staatssecretaris vervolgen.
De voorzitter:
Ik zie dat we inderdaad door kunnen met de beantwoording van de Staatssecretaris.
Aan u het woord.
Staatssecretaris De Bat:
Dank, voorzitter. Ik ga eerst even in op de laatste opmerking van de Minister over
de grondwaterbedrijven. Ook in de vergunningprocedure – dat was een andere vraag van
de heer Jumelet – wordt met drinkwaterbedrijven geschakeld. Provincies, waterschappen
en andere partijen hebben het recht om informatie te verstrekken in het kader van
de vergunningprocedure. Daarmee wordt alles wat aan informatie beschikbaar is, meegewogen
bij het verlenen van een vergunning. Daarmee zou je ook de veiligheid op het gebied
van drinkwater gegarandeerd moeten hebben.
Voorzitter. Vervolgens ga ik een beetje reizen door Nederland, van Drenthe naar Limburg,
Woerden en Friesland en de Waddenzee. Op die manier hoop ik aan alle vragen toe te
komen. Ik heb dus vier blokjes.
Allereerst de situatie in Drenthe. Toen we ongeveer twee weken binnen waren, kreeg
ik een dossier op m’n bureau over de afhandeling van de schade van Ekehaar en een
evaluatie hiervan door Ecorys om een aantal dingen anders te doen, omdat de afhandeling
in Ekehaar op allerlei manieren echt wel voor verbetering vatbaar is. Maar voordat
we überhaupt iets konden gaan doen, was er een nieuwe beving. Die heeft daarna echt
even prioriteit gekregen om ervoor te zorgen dat we datgene wat we bij de eerdere
beving niet goed hadden gedaan, in ieder geval een stukje beter zouden doen, dus sneller,
meer gericht op wat de mensen echt nodig hebben en vooral met een betere balans in
de verhouding tussen uit te keren schade en onderzoekskosten.
Dat is helemaal nog niet zo makkelijk, want er is nu eenmaal een instellingsbesluit.
Gelukkig bleken de partijen, dus zowel de Commissie Mijnbouwschade als de NAM, bereid
om binnen dat instellingsbesluit, met name artikel 7, te zoeken naar een oplossing.
Dat is ook weer niet zo makkelijk, want dan ga je ook weer grenzen stellen en ook
weer keuzes maken. Toch hebben we dat zorgvuldig gedaan door te gaan werken met een
gebied, op basis van heel veel wetenschap, want er is gewoon heel veel kennis over
aardbevingen; helaas, zou je bijna kunnen zeggen. Die kennis kun je heel nuttig inzetten
om te komen tot een model waarmee je de mensen recht doet en ervoor zorgt dat mensen
ook snel weten waar ze aan toe zijn. «Snel» is dan betrekkelijk, want als het jou
betreft, wil je het liefst morgen antwoord. In dit geval zal een deel van de mensen
na de zomer antwoord krijgen, maar een ander deel van de mensen pas ergens in 2027,
omdat we nu eenmaal een aantal dingen echt nog moeten ontwerpen in dit verhaal.
We hebben gezocht naar een manier van werken met cirkels, waarbij de cirkels bepalen
hoeveel uitkering je kunt krijgen. Als je binnen een bepaalde cirkel valt, heb je
de keuze om het bedrag dat binnen zo’n cirkel beschikbaar komt, te aanvaarden om je
eigen schade te laten herstellen, of om alsnog de reguliere methode te kiezen. Als
iedereen dat laatste zou doen, hebben we direct een probleem. We hebben een bedrag
gezocht en die bedragen gaan we de komende weken nader finetunen, om zo veel mogelijk
mensen ertoe te verleiden om mee te doen binnen de cirkel met een bepaald bedrag.
Anders ga je alsnog naar de reguliere methode toe. Dan moet je het hele spektakel
van onderzoek, beoordeling en uiteindelijk uitkering doorlopen. Dat is ingewikkeld
en kost veel tijd en geld. De kans dat de rekening bij het Rijk komt, is ook nog eens
aanzienlijk, want als het niet aantoonbaar schade vanwege mijnbouw is, ligt de rekening
bij ons.
In dat opzicht hebben we geprobeerd een manier van werken te vinden die recht doet
aan het afhandelen van de schade op een zodanige manier dat iedereen zich comfortabel
voelt bij de uitkomst die daadwerkelijk wordt voorgesteld. Dat hebben we goed met
de regio besproken. Die hebben daar andere gedachten bij – dat hebben ze ook in hun
brief geschreven – omdat ze ook naar Groningen kijken. Wij hebben echter vanaf het
begin heel duidelijk gemaakt: we gaan het beter, sneller en menselijker doen dan bij
de beving van 2023, maar we gaan het ook anders doen dan in Groningen. Groningen was
namelijk uniek. Er is ondertussen ook heel veel bekend over hoe het daar uitpakt.
Wij kijken hier echt of we de mensen recht doen ten opzichte van de schade die ze
hebben. Dat is een puzzel die we gisteren per brief hebben bekendgemaakt en waarvoor
we de komende weken ook de bedragen zullen invullen. Dan krijgen alle schademelders
ook bericht. Op die manier gaan we de afhandeling ter hand nemen. Vanzelfsprekend
zullen we de regio hierin heel goed meenemen, want ja, er zullen weer bijzondere situaties
naar voren komen, die we dan ook weer moeten bezien.
Het voordeel is wel dat we, als we dit goed doen, direct ook een eerste stap hebben
gezet in de richting van het aanpakken van de aanbevelingen uit het Ecorysadvies.
Daarmee zou je misschien wel een werkwijze voor de toekomst kunnen hebben ontwikkeld,
die je dan ook weer scherpstelt. Laten we hopen dat we daarna tijd hebben, en geen
nieuwe beving hebben, om een en ander goed met de mijnbouwpartijen op een rij te zetten.
Dat is namelijk ook het lastige: je kunt als Rijksoverheid wel snel een ander besluit
willen nemen, maar je hebt wel alle mijnbouwpartijen nodig om tot een ander besluit
te komen. Je kunt dat niet eenzijdig doen. Die partijen zitten door het hele land
en hebben soms helemaal geen belang bij een snelle oplossing.
In goed overleg met de NAM, in goed overleg met de Commissie Mijnbouwschade en toch
ook in goed gesprek met de regio, ook al zijn ze het niet met ons eens, hebben we
nu deze manier van werken kunnen voorstellen. Ik denk dat we daarmee recht doen aan
wat de belangrijkste wens was, namelijk mensen zo snel mogelijk duidelijkheid geven
en de schade zodanig afhandelen dat mensen het gevoel hebben dat hun recht gedaan
wordt ten opzichte van de schade die ze hebben. Dat over Drenthe.
De voorzitter:
Voordat u verdergaat met uw toer, zou ik willen zeggen, zijn er eerst nog wat vragen
over dit blokje. Ik weet dat mevrouw Van Oosterhout er eentje heeft.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Het baart mij nogal veel zorgen als ik hoor dat dit het template is waar ook in andere
gebieden mee gewerkt gaat worden, omdat de manier waarop dit is aangepakt, juist tot
heel veel onvrede in de regio heeft geleid. We weten dat meer dan de helft van de
schademeldingen uit de twee buitenste zones komt, waar mensen dus lagere bedragen
krijgen. Is het dan niet onrechtvaardig dat juist in het gebied met potentieel de
meeste schade mensen de minste compensatie krijgen? We horen ook dat de NAM niet wil
meewerken aan de schadeafhandeling in juist die twee buitenste zones. Waarom is dat
zo? Kan de Staatssecretaris de NAM ook dwingen om toch die verantwoordelijkheid op
zich te nemen?
Staatssecretaris De Bat:
Het antwoord op die laatste vraag is heel simpel: nee. Je zult er dus in gesprekken
uit moeten komen met elkaar. We zijn zo ver gekomen dat de NAM toch meedoet, ook met
de oplossing voor de buitenste cirkels. Dat zijn ook wel de cirkels waar de kans op
schade minder dan 1% is. Dat maakt het zo ingewikkeld. Daar zijn wel heel veel meldingen,
maar hoe die schade er daadwerkelijk uitziet en in hoeverre die direct te relateren
is aan mijnbouwschade, is nog wel ingewikkeld. Daar heb je ook mee te maken.
De eerste twee cirkels komen voort uit de wetenschap, waarbij de Commissie Mijnbouwschade,
met alle kennis die ze daarover heeft, zorgvuldig heeft afgewogen hoe die cirkels
eruit moeten zien en hoe de schade in die gebieden zal zijn, op basis van eerdere
ervaringen op allerlei andere plekken. Het is dus een hele zorgvuldige afweging geweest
om tot die cirkels te komen. En ja, in die twee buitenste cirkels zitten heel veel
mensen, maar de kans dat die mensen daadwerkelijk mijnbouwschade hebben, is niet zo
groot. Als iemand die schade wel denkt te hebben en het bedrag dat geboden wordt te
laag vindt, kan die persoon zich alsnog melden en dan wordt alsnog een schadeopname
gedaan, wordt er een berekening gemaakt en wordt er op basis van die berekening een
schadevergoeding uitgekeerd. Stel dus dat er een uitzondering tussen zit van iemand
die vindt dat hij er echt buiten valt, om welke reden dan ook, dan blijft die route
openstaan.
De voorzitter:
Dank voor dat uitgebreide antwoord. U kunt verder met uw beantwoording.
Staatssecretaris De Bat:
Ik dacht dat ik het kort had gehouden, maar ...
De voorzitter:
We hebben een beperkt aantal interrupties, dus het is juist ook prettig als u inderdaad
zulke volledige antwoorden geeft. Kort was het niet, maar wel toereikend. U kunt verder
met uw beantwoording.
Staatssecretaris De Bat:
Dan Limburg. Er waren een aantal vragen, van de heer Kops met name, over de situatie
in Limburg. Daar is men overigens onlangs, in de maand mei, begonnen met de eerste
opnames en daarmee is dus ook de schadeafhandeling gestart. Dat doen ze in kleine
groepen om het behapbaar te houden. Er is nu gekeken naar de eerste groep van personen.
Men doet dat in groepen, omdat je daarmee ook tussentijdse knelpunten kunt oplossen.
Dat het complex is, is helder, zeker omdat de mijnbouwschade natuurlijk voor een groot
deel van veel langere tijd geleden is. Het bewijs tussen de schade en mijnbouw en
is daar dus zeker ook ingewikkeld. Maar ze zijn begonnen en ik denk dat dat ook het
belangrijkste is.
U vroeg naar de motie en hoe het nou zit met de € 10.000. Het is ook wel een beetje
een principekwestie. We hebben nog geen besluit genomen over hoe we de motie kunnen
of willen uitvoeren. In principe willen we alle moties uitvoeren, vanzelfsprekend,
maar we gaan nog reageren op de motie als we straks weten hoe de afhandeling daadwerkelijk
is. Bestaat deze groep? Dat is eigenlijk de vraag. Het gaat dus om de groep die ervoor
kiest om niet voor de € 10.000 in aanmerking te komen, de schadeafhandeling laat doen
via de reguliere procedure en er dan achter zou komen dat ze minder krijgen. Misschien
is het een fictieve groep. Dan vind ik ook dat we er niet te lang tijd aan moeten
besteden.
Als dit een hele grote groep zou zijn, dan hebben we een ander verhaal. Dan kunnen
we – daarom werken we ook in deelblokken – bijschakelen en kunnen we wellicht daar
ook in de regeling nog naar kijken. Als je dit automatisch zou doen, dan is de kans
groot dat iedereen dus altijd voor de totale afhandeling gaat kiezen. Dan krijgen
we weer het proces-Ekehaar, namelijk dat niemand tevreden zal zijn, omdat de afhandeling
dan gigantisch lang zou duren. Je hoopt dus – daarom is het bedrag ook niet willekeurig
gekozen en zullen de bedragen in Drenthe ook hierop lijken – dat dit bedrag ongeveer
al tegemoet gaat komen aan de schade die mensen inschatten, waardoor ze, of het nou
€ 1.000 meer of minder zou zijn, er tevreden mee zijn en daarmee zelf de schadeafhandeling
in gang kunnen zetten. Als iedereen ervoor zou kiezen om die schadeafhandeling regulier
te doen, dan loop je gigantisch uit de tijd, want dat vraagt dus om opnames en berekeningen.
Als het dan om honderden gaat, heb je het probleem van «het schiet niet op» weer te
pakken. Wij denken dat we door dit te kiezen eigenlijk iedereen tevreden kunnen stellen.
We houden ook hier vast aan het hand-aan-de-kraanprincipe. Als na de eerste groep
blijkt dat dit echt anders uitpakt, dan moeten we daarop handelen. Dan zullen we ook
in een reactie op uw motie per brief nog reageren.
Dat was Limburg, voorzitter.
De voorzitter:
Ook daarop volgt één interruptie, zie ik, namelijk van de heer Kops.
De heer Kops (PVV):
Over die motie. Ik heb die motie helemaal niet zelf bedacht, want die komt natuurlijk
uit de koker van de Commissie Mijnbouwschade. Die heeft namelijk aan de bel getrokken
en gezegd: mensen, misschien is het de beste keuze om die € 10.000 maar te accepteren,
omdat je anders misschien wel minder zult krijgen dan waar je eigenlijk recht op zou
hebben. Dat waren de woorden. De Staatssecretaris zegt dan: ja, maar misschien is
dat wel een fictieve groep. Dat is toch heel wat anders. Hoe komt de Commissie Mijnbouwschade
daar dan bij, als het voor de Staatssecretaris een fictieve groep zou zijn?
Staatssecretaris De Bat:
Omdat het bedrag om mensen te verleiden mee te doen, dan misschien net aan de hoge
kant is. Dat zou kunnen, maar dat weten we dus pas als we ook een keer op deze manier
het hele proces hebben doorlopen en straks na de eerste grote groep weten of we ongeveer
in de buurt zitten. Ik begrijp heel goed dat mensen zelf ook wel een inschatting kunnen
maken van hoeveel schade ze ongeveer zouden hebben. As jij zeker weet dat je veel
meer schade hebt in euro’s of je het misschien al een keer hebt laten onderzoeken
– want er zijn ook mensen die het al een keer hebben laten bekijken door een aannemer
– dan is het logisch dat je zegt: dan ga ik het gewoon even laten onderzoeken. Als
er dan een enorme tegenvaller zou zijn, van «de helft daarvan is geen mijnbouwschade,
dus je valt onder de 10.000», dan heb je in die zin echt even pech. Als je het andersom
gaat doen, als je dit op voorhand vastzet, dan heb je kans dat iedereen toch maar
het onderzoek vraagt, want dan heb je maar één uitkomst, namelijk: je hebt kans op
meer. In die zin is niet geschoten dan altijd mis. Dat principe moeten we niet introduceren
in de afhandeling van schades, want dan heeft de Commissie Mijnbouwschade echt een
uitbreiding nodig met heel veel mensen om alle afhandelingen te kunnen gaan doen.
Dat lijkt me niet de gewenste route. Nogmaals, als we erachter komen dat we fout zitten,
dus als blijkt dat echt een hoop mensen hierin teleurgesteld gaan worden, dan gaan
we daarna kijken of we met die bedragen anders moeten handelen.
De heer Kops (PVV):
Ik snap de redenatie helemaal, maar waarom is de Commissie Mijnbouwschade hier dan
aanvankelijk mee gekomen?
Staatssecretaris De Bat:
Misschien hebben we zelfs wel een misinterpretatie van wat ze precies bedoelen. Dat
ga ik even uitzoeken en dan komen we daar in tweede termijn op terug.
De voorzitter:
Die houden we dan even vast. Ik kijk even naar de heer Kops. Wilt u nog een andere
interruptie plaatsen op dit onderwerp? Anders gaan we door.
De heer Kops (PVV):
Die bewaar ik even.
De voorzitter:
Prima, oké. Het volgende blokje. Aan u, Staatssecretaris.
Staatssecretaris De Bat:
Dat gaat met name over de gaswinning en dat zit natuurlijk rondom Papekop en Friesland.
Er waren best wat vragen, onder andere van VVD, JA21 en het CDA, over hoe we de vergunningverlening
voor projecten op land en op de Noordzee concreet gaan versnellen. Dat is iets wat
we allemaal willen. Sterker nog, ik heb alleen maar projecten in het land waar de
enige vraag is: versnel eens een beetje met die procedures. In dit geval is dat aan
de ene kant ook echt een wens en aan de andere kant kan ik bijna niet anders dan concluderen
dat termijnen misschien wel heel strak zijn. Waar zit dat in? We hebben in het kader
van veiligheid behoorlijk wat toezichthouders en adviserende instanties. Wij hoopten,
en dat was eigenlijk ook de onderlegger van de zes maanden, dat iedereen parallel
zijn advies zou uitbrengen. De praktijk is dat met name de medeoverheden, die ook
adviesrecht hebben, vragen om pas te hoeven adviseren nadat de adviezen van de toezichthouders
en de onafhankelijke instanties er zijn. Daarmee trek je het proces dus al in de lengte.
Dan hebben medeoverheden vier weken. De praktijk is dat ze vaak vragen om twaalf weken.
Als je dat optelt, dan zit je eigenlijk al voorbij de zes maanden. We hebben hier
dus echt een probleem te pakken. We hebben een termijn gesteld die in de praktijk
gewoon niet klopt bij hoe de ons adviserende partijen überhaupt opereren.
We gaan dus twee dingen doen. Eén. Klopt die termijn van zes maanden? Als we iedereen
zes maanden voorspiegelen en het per definitie langer is, dan moeten we de termijn
namelijk aanpassen. Daar moeten we eerlijk in zijn, want we hechten aan onafhankelijke
adviezen die ook kloppen. Dat is dus één. Kloppen de termijnen? Zo niet, dan gaan
we ze aanpassen. Dat is niet zo makkelijk, maar daar moet je dan iets mee of je moet
daar gewoon eerlijk over communiceren. Twee. We gaan een aantal casussen vastpakken
van vergunningen die we hebben doorlopen en kijken waar dan eventueel nog het probleem
zit waardoor het zo lang duurt. Vaak is het oplossen van versnellingen helemaal niet
eenduidig. Iedere casus heeft zijn eigen problematiek waarom het langer duurt. Toch
moeten we gewoon eens naar een aantal casussen kijken. Dat hebben we namelijk in het
kader van netcongestie ook gedaan. Dat heeft de NVDE voor ons gedaan. Er zijn gewoon
twaalf casussen op tafel getrokken. Wat is daar de leerles van en kunnen we daar hier
ook iets mee? Het lijkt me dus goed dat we die twee stappen zetten. Kloppen de termijnen?
Daarna kunnen we eens drie, vier casussen bekijken: zit daar een rode lijn in? Zo
ja, dan gaan we daarop handelen. Ik denk dat dat de enige manier is om verder te komen.
We zullen dat ook met de branche goed bespreken, want die heeft daar natuurlijk ook
al informatie over.
De voorzitter:
Dat is het einde van dit blokje, begrijp ik?
Staatssecretaris De Bat:
Nee, ik zie iemand die wat wil vragen, maar daar gaat u over.
De voorzitter:
Ja, precies, zoals u over de beantwoording gaat.
Staatssecretaris De Bat:
Daarom, dus dan ga ik daar gewoon mee door.
De voorzitter:
Dat lijkt me een goed idee. Ik ga aan het einde van dit blokje ruimte geven om de
leden nog een vraag te laten stellen.
Staatssecretaris De Bat:
Er was gevraagd hoeveel plannen er zijn voor de veenweidegebieden. We weten dat nu
niet exact, maar u mag uitgaan van om en nabij de vijf. Daar werd dan aan gekoppeld:
op dit moment wordt er onderzoek gedaan door Deltares en TNO; kunnen die vergunningaanvragen
daarop wachten? We denken dat dat bij allemaal ongeveer wel in de tijdlijn past; bij
Papekop zeker, want die zit erna als het gaat om vergunningverlening. Bij de andere
waarschijnlijk ook, tenzij – daar moet ik dus een voorbehoud maken – een vergunning
een behandeling vereist. Dan heeft ook de vergunningaanvrager rechten en zullen wij
moeten handelen. Maar dan kunnen we op basis van nieuwe informatie altijd de vergunning
alsnog ambtshalve wijzigen. In alle gevallen zal dus de nieuwe informatie betrokken
worden bij de vergunningen die vanaf nu nog verleend zullen worden, omdat ze nog niet
verleend zijn dan wel omdat ze gaandeweg het proces ambtshalve kunnen worden aangepast.
Voorzitter. Heel specifiek nog even over Papekop. Nu lag slechts de vraag voor wie
het bevoegd gezag wordt voor dat project. Daar hebben we goed over gesproken. Dat
heeft u ook in de brief kunnen lezen. Bij ons was er de bereidheid dat ook aan de
regio te laten, maar in goed overleg is gezegd, gelet op de totale dynamiek, dat het
bevoegd gezag de Rijksoverheid zal zijn, in goede afstemming met de regio. Pas nu
gaan we de rest van het proces in en komen alle andere vragen op tafel over: kan het?
Alle adviezen moeten nog uitgevraagd worden. De regio moet adviseren. Alle participatie
moet opgezet worden. Pas dan wordt er een besluit genomen.
Een vraag van de VVD was of ik mogelijkheden zie om natuurinvesteringen aan de voorkant
van projecten mogelijk te maken, zodat de vergunningverlening eenvoudiger wordt. Sowieso
is in het Noordzeeakkoord afgesproken dat Nederland op energiegebied het voortouw
neemt om te verzekeren dat de ecologie wordt meegenomen bij de energieopwek op de
Noordzee. Door de sector is het Afwegingskader natuurvriendelijk bouwen in de Noordzee
opgesteld. Dat wordt bij nieuwe aanvragen toegepast, dus daarmee heb je aan de voorkant
de ecologie geborgd bij vergunningaanvragen. Dat geeft nog geen antwoord op de concrete
vraag of je eerder natuurinvesteringen kunt doen, maar dat lijkt me vrij ingewikkeld,
want we weten ook niet precies waar die vergunningen gaan neerslaan. Ergens moet je
dan natuurlijk toch juist deze sectorafspraak meenemen, omdat die heel specifiek op
dezelfde locaties is gericht.
Er is al geantwoord op de vraag over kussengas, maar er was ook een vraag hoe dat
op een veilige manier kan en wat er dan voor nodig is. Om dat veilig en verantwoord
te doen, moet er ook weer een winningsplan komen. De operator moet dat dus bij ons
indienen. De hele winningsplanprocedure moet doorlopen worden en dan wordt beoordeeld
of het veilig en verantwoord kan. Zo niet, dan kan het niet doorgaan. Zo ja, dan is
het gewoon veilig en verantwoord. Ik denk dat onze adviseurs ondertussen echt wel
hebben aangetoond dat ze altijd voor de veiligheid kiezen en ook niet zomaar een keuze
maken. De NAM moet ook nog aan de ACM toestemming vragen om opdrachtfuncties te mogen
beëindigen, dus in die zin zit er altijd een aantal waarborgen in.
Nog een vraag van PRO, en dan kom ik bij zoutwinning, voorzitter. Hoe zorgt het kabinet
ervoor dat we geen economischebelangenverstrengeling hebben bij de vergunningen met
EZK als aandeelhouder van de NOM? Die economische motieven spelen gewoon geen rol.
Dat is echt gescheiden. De vergunning wordt alleen verleend als het veilig en verantwoord
kan. Dat heb ik nu al een paar keer gezegd en dat ga ik nog een paar keer zeggen.
De Mijnbouwwet is het juridische kader, dus dat zit bij ons gewoon echt gescheiden.
Luisteren wij, of luister ik, naar de adviezen van de Mijnraad? Mevrouw Van Oosterhout
vroeg of ik het rapport ken en of ik erop kan reageren. De adviezen van de Mijnraad
worden altijd meegenomen in de afweging bij het opstellen van een besluit. Ook kan
de Mijnraad beleidsadviezen geven. Ook die nemen we dan zeker ter harte. Een specifiek
onderzoek over gaswinning in een veenweidegebied, dat u nog aanhaalde, is ons niet
bekend. Misschien kunt u nog even toelichten waar u dat vandaan haalde.
Dan de UNESCO-status van de Waddenzee; dat was ook een vraag van mevrouw Van Oosterhout.
De Waddenzee is door UNESCO opgenomen op de Werelderfgoedlijst, inclusief, en dat
is heel belangrijk in dit geval, alle activiteiten die er al plaatsvonden, dus ook
de zoutwinning door Frisia. Dat zat dus al bij de afweging en de beoordeling om de
Waddenzee überhaupt tot zoutwinninggebied te benoemen. De mijnbouw moet wel op basis
van het hand-aan-de-kraanprincipe. Daarmee wordt geborgd dat natuurwaarden en de kenmerken
van de Waddenzee in stand blijven. Als Frisia zich daar niet aan houdt, dan wordt
de zoutwinning stilgelegd. Zo werkt dat in dit geval.
Dan had de VVD nog gevraagd of we de Kamer meer inzicht kunnen geven in het aantal
vergunningstrajecten dat al loopt en welke termijn ervoor staat. Over termijnen heb
ik zojuist al iets gezegd, maar over het aantal is dat ingewikkeld. Eén. Er spelen
vaak ook commerciële belangen, die wij niet zomaar kunnen delen, dus dan moeten we
daar iets vertrouwelijks over afspreken. Maar punt twee is nog veel ingewikkelder:
die lijst is heel erg aan het schommelen. Sommige vergunningen komen binnen en kunnen
heel snel door. Sommige vergunningen komen binnen en gaan er weer af, omdat ze worden
ingetrokken. Sommige vergunningen schorten we een aantal keer op. Dat is dus een ingewikkelde
lijst om te delen. Die zegt ook eigenlijk niet zo heel veel. Maar goed, als de Kamer
inzicht wil, dan kan dat, maar dan moeten we daar wel een procedure over afspreken,
vooral in het kader van de bedrijfsvertrouwelijke gegevens die bij ons worden neergelegd.
Dan nog een aantal laatste vragen, voorzitter.
De voorzitter:
U pakt een nieuw mapje. Is dat ook een nieuw blokje?
Staatssecretaris De Bat:
Ja, ongeveer. Het gaat nog iets specifieker in op zout.
De voorzitter:
Dan stel ik voor dat we hier heel eventjes een pauze inlassen, want ik zag al dat
er sowieso één interruptie is. Ik zie ook nummer twee en drie. Dan doen we die eerst
en kunt u daarna verder.
Mevrouw Müller (VVD):
Dank voor deze beantwoording. Die straalt een zekere mate van realisme uit en daar
hou ik wel van. Mijn vraag ziet vooral op de termijnen en de vergunningen. Ik vind
het ook helemaal niet gek om nog eens kritisch naar die termijnen te kijken, omdat
vanuit bedrijven en de sector de vraag is: geef in ieder geval zekerheid over wanneer
we iets kunnen verwachten, zodat we daar op kunnen plannen. Als dat iets langer duurt ...
Ik heb liever dat het snel gebeurt, maar laten we er in ieder geval voor zorgen dat
we ons als betrouwbare overheid ook kunnen houden aan onze eigen termijnen. Ik vind
het dus niet gek dat jullie daar nog eens kritisch naar gaan kijken. Ik vind het nog
beter dat jullie een aantal casussen gaan onderzoeken om te kijken wat we nou eigenlijk
concreet sneller kunnen doen. Voordat dat van ons wegloopt, zou ik eigenlijk willen
vragen: wanneer kunnen wij daar als Kamer over geïnformeerd worden? Wanneer kunnen
jullie hier klaar mee zijn? Kan dit bijvoorbeeld voor het einde van het jaar?
Mijn vraag over meer inzicht in de vergunningen en termijnen ziet erop dat wij ons
controlerende werk uit kunnen voeren. Leidt wat het kabinet belooft te doen daadwerkelijk
tot snellere vergunningverlening? Ik hoef niet per se een lijst met waarvoor precies
vergunningen zijn aangevraagd, maar ik wil dat wij in ieder geval iets beter zicht
kunnen houden op de aantallen.
De voorzitter:
Dat waren een soort van twee vragen in één, maar ik sta het even toe. Ik kijk naar
de Staatssecretaris of hij daar wellicht een toezegging of iets dergelijks op kan
doen.
Staatssecretaris De Bat:
Het antwoord is ja, want het is gewoon een vraag om meer informatie. U vraagt ook
niet om een lijst met vergunningen, maar om aantallen. Dat helpt al enorm. Dat moeten
we kunnen leveren. Wat betreft de tweede vraag: ik wil u heel graag toezeggen om dat
voor het einde van het jaar te doen. Maar goed, we hebben wel behoorlijk wat werk,
met de afhandeling en dat soort zaken. Ik ga dus even kijken of dit voor het einde
van het jaar kan. Als dat niet kan, kom ik daar in de tweede termijn op terug.
De voorzitter:
Dat is helemaal goed. De heer Vermeer. Eh, «Vermeer»? Pardon. Ik had «Henk» in mijn
hoofd. Toen ging het helemaal fout. De heer Jumelet van het CDA.
De heer Jumelet (CDA):
Ja, Henk is de naam.
De voorzitter:
Ja!
De heer Jumelet (CDA):
Ik heb een check en een vraag. Heb ik het volgende goed begrepen? Ik had namelijk
de vraag gesteld hoeveel winningsplannen voor nieuwe gaswinning onder of nabij veenweidegebieden
er zijn. U zegt: vijf. Ik kijk even naar de Staatssecretaris. Volgens mij is dat het
antwoord. Heb ik dan ook goed begrepen dat de onderzoeken en het hele traject van
vergunningverlening in de pijpleiding zitten, dat ze elkaar gewoon tegenkomen en dat
we daarbij niet aan de orde zullen hebben dat een besluit wordt genomen voordat bekend
is wat die onderzoeken ons te vertellen hebben? Heb ik dat goed begrepen? Dit is een
check. Dit speelt namelijk ontzettend in Friesland, maar zeker ook bij het Papekopveld.
Het gaat dan om de vragen: hoe zit het nou precies en hoe gaat het nou precies? Het
is even een check of het door mij goed gehoord is. Dat kunnen mensen dan tot zich
nemen, is mijn idee.
Staatssecretaris De Bat:
Dat heeft u goed gehoord, maar er was ook een «tenzij»: tenzij het juridische proces
van ons vraagt om een beslissing te moeten nemen. Dat kan namelijk ook, want ook de
aanvrager heeft rechten. Maar dan kunnen we altijd op basis van de kennis die we dan
opnieuw hebben, ambtshalve alsnog de vergunningen aanpassen aan de nieuwste kennis.
In alle gevallen worden de uitkomsten van de onderzoeken dus betrokken bij de vergunningen
die vanaf nu worden uitgegeven.
De voorzitter:
Een korte vervolgvraag van de heer Jumelet.
De heer Jumelet (CDA):
Ja. Dat was de check en nu komt de vraag. Ik had de vraag al aangekondigd. Kan de
Staatssecretaris aangeven hoe de gesprekken op dit punt verlopen met gemeenten, waterschappen
en provincies? Ik vind dat waardevol. We krijgen veel brieven. Ik kan me voorstellen
dat de Staatssecretaris kan reflecteren op dat punt.
Staatssecretaris De Bat:
Het eerlijke antwoord is dat het echt superingewikkeld is, want overal waar je komt,
hebben ze het gewoon liever niet. De beeldvorming is natuurlijk helemaal niet positief.
Daar moet je gewoon eerlijk over zijn. Tegelijkertijd ligt er gewoon een opdracht
en hebben we een groter belang te dienen. Ik kan dus overal aan tafel zitten, mensen
serieus nemen en toelichting laten geven op alle onderzoeken die worden gedaan. Op
die manier hoop ik dat mensen uiteindelijk accepteren dat er toch dingen gaan gebeuren.
Daarna kunnen we dus ook wel heel goed monitoren en mensen meenemen in wat de uitkomsten
zijn. In de basis ontvangen ze ons allemaal vriendelijk, hebben we koffie en kunnen
we het goede gesprek voeren, maar je weet ook dat ze het soms van het begin af aan
niet met je eens zijn, omdat ze überhaupt geen gaswinning willen. Dat is ook gewoon
een werkelijkheid die bestaat, maar daar moet je wel doorheen.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik zou hier wel even op willen doorvragen. Heeft de Staatssecretaris dan ook nog mogelijkheden
om de vergunningen weer in te trekken? De Staatssecretaris zegt net zelf dat het juridisch
toch van de Staatssecretaris gevraagd zou kunnen worden om een beslissing te nemen
voordat het onderzoek er is. Kan de Staatssecretaris dan ook besluiten om de vergunningen
weer in te trekken als er toch nieuwe informatie is?
Staatssecretaris De Bat:
Pfoe, dat is best een lastige vraag. Uiteindelijk gaat het er natuurlijk om dat je
op basis van nieuwe gegevens eerst een aanpassing doet. Stel, het kan niet of je hebt
te veel uitkomsten of anderszins. Dan ga je aanpassingen aan de vergunning verordenen.
Tegelijkertijd heb je altijd het hand-aan-de-kraanprincipe. Als het dus op de een
of andere manier echt niet kan of de gevolgen te desastreus zijn, zul je ook moeten
handelen. Ik denk dat je dan, in the end, tot het intrekken van een vergunning komt.
Dat doe je dan wel echt nadat je een heleboel stappen hebt doorlopen, want ook hier
geldt weer: ook de vergunningaanvrager heeft rechten. Dat zul je dan dus wel héél
goed moeten onderbouwen.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik vind het wel heel vreemd dat we toch al vergunningen gaan verlenen, zonder dat
we alle inzichten hebben over die gestapelde effecten. Ik wil mijn laatste interruptie
gebruiken om toch nog even door te vragen over de Wadden. Dat wordt nu een beetje
makkelijk weggewuifd, maar er is geen nieuwe natuurtoets gedaan. Er is geen nieuwe
MER. De natuurvergunning uit 2014 is gebruikt en was eigenlijk nooit bedoeld voor
winning op deze schaal. Over UNESCO gesproken, zij hebben zelf gezegd dat er geen
nieuwe projecten goedgekeurd zouden mogen worden. Zij gaan ook niet uit van het hand-aan-de-kraanprincipe,
waar de Staatssecretaris het telkens over heeft, maar van het voorzorgsbeginsel. Dat
is toch echt wel iets heel anders. In antwoord op Kamervragen die ik hier eerder over
heb gesteld, wordt ook gezegd dat de nieuwe Zeespiegelmonitor nog aanleiding kan geven
om de gebruiksruimte aan te passen. De wetenschappelijke basis waarop de vergunning
rust, kan dus over enkele maanden al achterhaald zijn. Aan de ene kant heb ik dus
de vraag hoe verantwoord het is om die vergunning dan nu te verlenen zonder dat we
al die onderzoeken hebben gedaan. Aan de andere kant vraag ik me af wat de Staatssecretaris
kan doen om dit toch nog te stoppen. Dat was overigens een vraag die mijn collega
van D66 ook al stelde.
De voorzitter:
Dat was een wat ruimere introductie, maar die heb ik toegestaan, omdat het ook wel
context gaf bij de vraag. Dan is nu het woord aan de Staatssecretaris.
Staatssecretaris De Bat:
Nu gingen we toch al direct naar zoutwinning. Dat onderwerp had ik even bewaard voor
het laatste blokje, om nog wat specifieker en diepgaand in te gaan op een aantal vragen
die daarover gesteld zijn. De aanvraag van Frisia is gewoon zorgvuldig getoetst door
alle adviserende instanties. Het is door TNO, door SodM en door de Mijnraad getoetst
en zij adviseren allemaal positief. Dat is wel je beginsituatie. Daar kun je het mee
eens zijn of niet, maar dat is wel hoe het werkt. Vervolgens geldt wel degelijk het
hand-aan-de-kraanprincipe als er schade toegebracht zou worden aan de natuurwaarden;
dat is ook gewoon een feit. En ze moeten te allen tijde binnen de uiteindelijk vastgestelde
gebruiksruimte blijven, ook al stemmen we in met een verruiming van het volume. Dat
is gewoon een afspraak die al gold en die blijft gelden. Als we dat niet doen, dan
wordt de winning gewoon stilgelegd. Zo is de afspraak en zo weet men hoe het handelen
is. Ik denk dat dat toch echt voldoende is om genoeg voorzorg te hebben om in te kunnen
grijpen als het anders zou uitpakken. Maar het begint ermee dat de adviserende instanties
dit allemaal hebben beoordeeld en alle drie tot een eensluidend oordeel komen: veilig
en verantwoord. Op basis daarvan moet een vergunning dan ook verstrekt worden.
De voorzitter:
Goed, u kunt verder met het laatste blokje, dat u al aankondigde.
Staatssecretaris De Bat:
Dat zijn echt nog maar een paar vragen, voorzitter. Een hele specifieke vraag was
van mevrouw Van Oosterhout, over hoe de bodemdaling zich verhoudt tot de oorspronkelijke
vergunningsbasis en of wij die verantwoord achten. In het gewijzigde winningsplan
bedraagt de bodemdaling vanaf de start van de winning tot aan het eind van de winning
op het diepste punt 167 centimeter. In het winningsplan uit 2013 is de maximale bodemdaling
103 centimeter. De toename komt door de wijze van afsluiting van de cavernes, waar
in een eerder winningsplan geen rekening mee werd gehouden. Dit vertekent de extra
bodemdaling. Daarbij moet de mijnbouw zich houden aan het hand-aan-de-kraanprincipe.
Zoals ik net al zei, wordt daarmee geborgd dat die natuurwaarden in stand blijven.
Ook nu geldt dat als dit weer verandert, we weer de mogelijkheid hebben om Frisia
te verordenen de winning stil te leggen.
Dan nog de vraag van de heer Köse op basis van welke criteria er moet worden ingegrepen
wanneer natuur of bodem verder onder druk komt te staan. Dit gebeurt op basis van
een jaarlijkse rapportage. Men moet dan sowieso rapporteren over de vastgestelde gebruiksruimte.
Dat is dan weer dat hand-aan-de-kraanprincipe en er worden monitoringsrapportages
overlegd aan ons ministerie. Daar vragen wij weer advies over aan de onafhankelijke
MER-auditcommissie zoutwinning Waddenzee. Dat advies wordt, met appreciatie, jaarlijks
aan u toegezonden. Daarmee heeft u inzicht in datgene dat daadwerkelijk wordt opgeleverd.
Ook heeft u inzicht in de monitoring, die onafhankelijk wordt gedaan door de MER-auditcommissie.
Mevrouw Van Oosterhout had nog een vraag over de Stichting Bescherming Historisch
Harlingen en de stad Harlingen. In formele zin zijn zij niet betrokken geweest bij
het meekijken met het ontwerpbesluit. Dat kan ook niet in juridische zin, want dat
is namelijk wat wíj moeten doen. Daar zijn de vaste adviseurs voor. Wat wel kan –
dat zullen we zeker ook doen; dat is al gedaan – is goed contact houden. Aan de voorkant
is er goed ambtelijk contact met zowel de stad Harlingen als de Stichting Bescherming
Historisch Harlingen. Na het vaststellen van het ontwerpbesluit is er dan ook weer
contact om er een toelichting op te geven en erover in gesprek te gaan. Op die manier
kunnen we een toelichting geven op wat er voorligt. Los van het feit dat meekijken
met het ontwerpbesluit in formele zin niet kan, heb je wel goed contact met elkaar
en zorg je dat men goed begrijpt en goed kan zien wat er precies gebeurt.
De volgende vraag van mevrouw Van Oosterhout was heel concreet: kunnen zoutboringen
onder de Waddenzee worden verboden? Er is geen juridisch kader om alle zoutboringen
op voorhand te verbieden. Dat is de basis waarop wij ons handelen baseren. Wel geldt
sinds 1 mei 2024 dat nieuwe winningen niet meer mogelijk zijn. Dat is vastgelegd.
Deze aanvraag dateert echter van voor 1 mei 2024 en moet dus onder het oude recht
worden behandeld. Daar hebben de drie adviseurs weer bij meegekeken. Zij hebben gezegd
dat het veilig en verantwoord kan. Het betreft ook een wijziging op een al bestaand
winningsplan, waarvoor in het verleden reeds vier cavernes zijn vergund. Het betreft
dus ook geen uitbreiding van het aantal cavernes.
Dan heb ik hier nog één vraag liggen: wie draait er op voor de kosten als er vroegtijdig
gestopt moet worden en er onvoldoende middelen zijn? Dat is ook een vraag van mevrouw
Van Oosterhout. Mocht Frisia er niet meer zijn, dan kunnen bewoners die schade hebben
door zoutwinning een beroep doen op het waarborgfonds. Voor het opruimen van de putten
is dan ultimo de Staat verantwoordelijk. Zo werkt dat helaas vaak. De financiële zekerheid
is onderwerp van herziening van de Mijnbouwwet, want eigenlijk wil je daar wel iets
voor regelen, maar op dit moment is het wettelijk wel zo geregeld als ik net schetste.
Daar heb ik dan ook naar te handelen.
Dan heb ik alle vragen beantwoord, voorzitter.
De voorzitter:
Mooi. Ik zie dat dat nog één interruptie oplevert, van de heer Köse van D66.
De heer Köse (D66):
Niet al mijn vragen zijn beantwoord. Ik had bijvoorbeeld gevraagd welke alternatieven
zijn onderzocht en of dit echt de enige oplossing is. Het antwoord raakte hier wel
enigszins aan, maar voor de volledigheid wil ik eraan toevoegen dat we te maken hebben
met een situatie uit 2014, volgens mij. Dat is twaalf jaar geleden. Toen is deze vergunning
aangevraagd. In de tussentijd is er heel veel veranderd. Een natuurvergunning die
destijds afgegeven is, of er volgens mij niet eens is ... De situatie is zo veranderd,
met de zeespiegelstijging, met een natuurvergunning die er waarschijnlijk dus nog
niet is, met de status van UNESCO Werelderfgoed, met de stapeling van meerdere effecten
die we zien. Als we het nu gaan afwegen, in de huidige tijd, en als we zien wat er
allemaal gebeurt in de Waddenzee, is het dan nog logisch om het te beoordelen binnen
het kader van een vergunning die ooit in 2014 is aangevraagd, en dat te accepteren?
Daar heb ik nog niet echt een goed antwoord op gehoord van de Staatssecretaris. Is
het bijvoorbeeld een mogelijkheid – dan sluit ik af, voorzitter – om een nieuwe natuurvergunning
te laten afgeven of om in overleg te gaan met de Minister van LVVN?
De voorzitter:
Voordat we naar het antwoord gaan: dit was een gemist antwoord op een eerder gestelde
vraag, begrijp ik?
De heer Köse (D66):
Ja.
De voorzitter:
Dan ga ik even inventariseren of er nog meer antwoorden op reeds gestelde vragen zijn
gemist. Dat is niet het geval, begrijp ik. Oké, dan kijk ik naar de Staatssecretaris
om te zien of hij deze vraag nu kan beantwoorden.
Staatssecretaris De Bat:
De vraag over alternatieven heb ik dan ook gemist, dus daar heb ik niet naar gekeken,
maar er zal vast aan een antwoord gewerkt worden nu, want dat zal al enige tijd geleden
zijn geweest.
In antwoord op de tweede vraag: ik begrijp u nog wel ook. Tegelijkertijd hebben we
een juridisch stelsel en dateert deze aanvraag gewoon van voor 1 mei 2024. Dan heb
je daarnaar te handelen. Dat hebben we dus gedaan. We hebben die vergunningaanvraag
in behandeling genomen en we hebben onze adviseurs gevraagd daarnaar te kijken. Dat
gebeurt grondig, goed, degelijk en noem het allemaal maar op. Daar komt uit dat het
veilig en verantwoord kan, dat we voor de natuurwaarden de juiste stappen zetten en
dat er veiligheidskleppen zijn ingebouwd voor hoe Frisia moet handelen. Als Frisia
niet handelt, kan er ingegrepen worden. Dat wordt ook gemonitord via de onafhankelijke
MER. Dan hebben we alles gedaan wat moet. Dan kan het nog steeds niet leuk zijn of
niet gewenst zijn, maar dat is wel hoe onze rol als overheid op dat moment is, hoe
moeilijk dat soms ook te accepteren is. Daar handelen wij naar.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn. Ik hoop dat
iedereen er nog helemaal bij is, want we gaan snel door naar de tweede termijn. Daarin
hebben de Kamerleden 1 minuut en 40 seconden om hun inbreng te doen. Vervolgens komen
we op de beantwoording en de gedane toezeggingen, waarover net al iets werd aangekondigd.
Ik begin bij mevrouw Van Oosterhout.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil graag een tweeminutendebat aanvragen. Daarnaast vind
ik het heel fijn om te horen dat D66 ons voorstel steunt om alles op alles te zetten
om zoutwinning onder de Waddenzee toch te voorkomen. Ondanks het teleurstellende antwoord
van net zou ik de Staatssecretaris ertoe willen oproepen om toch alles op alles te
zetten om ervoor te zorgen dat die vergunning niet wordt verleend, want we moeten
dit prachtige Werelderfgoed koste wat kost beschermen.
Ik ben ook blij om te zien dat het CDA een draai heeft gemaakt ten aanzien van het
veenweidegebied en nu ook vindt dat we moeten wachten tot we de uitkomsten van het
onderzoek hebben. Het probleem is dat de Staatssecretaris tegelijkertijd aangeeft
dat we niet in alle gevallen kunnen wachten en dat we, als de vergunning eenmaal is
verleend, eigenlijk amper mogelijkheden hebben. Ik zou het wel heel fijn vinden als
de Staatssecretaris hier toch nog wat duidelijkheid over zou kunnen geven en als hij
zou kunnen aangeven wat hem ertoe beweegt om niet in al die gevallen het onderzoek
af te wachten.
Daar wil ik het voor nu bij laten.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Van den Berg is net op tijd terug voor zijn inbreng in de tweede
termijn. Ik kijk even of hij er klaar voor is. Dat lijkt het geval. Het woord is aan
de heer Van den Berg.
De heer Van den Berg (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Als ik naar dit debat luister, moet ik toch zeggen dat de
moed mij aardig in de schoenen zakt. Als ik de Staatssecretaris spreek over de vergunningverlening
die niet van de grond komt en als ik zeg dat dat misschien wel komt doordat de vergunningstrajecten
te kort zijn, breekt m’n klomp. Ik denk namelijk dat veel zaken in de vergunningprocedure
sneller kunnen. Ik krijg veel signalen dat er te weinig ambtenaren zijn en dat er
op het allerlaatste moment bezwaarprocedures worden ingediend.
Ik hoor er hier iets over. Was dat de Staatssecretaris?
De voorzitter:
U kunt gewoon verder met uw inbreng. Ik zal de orde in de gaten houden.
De heer Van den Berg (JA21):
Dan ga ik gewoon verder, voorzitter. Ik werd even afgeleid.
Ik krijg dus signalen dat er onvolledige procedures zijn, waarbij op het laatste moment
bezwaar wordt gemaakt en de stukken niet volledig worden ingediend, om het traject
verder te traineren. Dat is toch onbestaanbaar? Ik zou de Staatssecretaris dan toch
willen zeggen: doe daar alles aan en zorg dat de vergunningverlening op gang komt,
voor mijn part – dat gaat tegen het standpunt van JA21 in – met meer ambtenaren.
Tot slot nog iets over de strategische kussengasreserves. Ik heb de Minister net gevraagd
hoe dat precies zit. Ik hoorde haar zeggen: wij zijn in gesprek met de NAM over Norg.
Ik wil daar toch eens een concreet antwoord op: wordt er nou wel of niet uitvoering
gegeven aan onze motie om met de NAM in gesprek te gaan over het inzetten van die
kussengasreserves?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Mooi binnen de tijd. Dan komen we bij de heer Jumelet.
De heer Jumelet (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Allereerst nog een vraag naar aanleiding van het antwoord
van de Minister over de grondwateractiviteiten, de drinkwatervoorziening enzovoort.
Gaat de Minister daar ook de waterbedrijven bij betrekken? Vewin, de vereniging van
waterbedrijven in Nederland, vraagt er zelf om hierin te worden meegenomen. Dat is
denk ik wel een reden om daar nog eens serieus naar te kijken. Zij willen ook om advies
gevraagd worden; daar vragen zij zelf om. Dat geldt ook voor decentrale overheden,
SodM en Rijkswaterstaat. Daar haal ik uit dat dat een grote wens is. Het lijkt me
belangrijk om daar nog eens goed naar te kijken, dus dat vraag ik toch nog aan de
Minister.
Voorzitter. Dan nog iets over de kleine velden en veenweiden, waar de Staatssecretaris
zojuist ook over heeft gesproken. Het CDA staat op het standpunt dat we zorgvuldig
moeten omgaan met datgene waar we het met elkaar over hebben, namelijk de kleine gasvelden.
We hebben gas nodig. Dat hebben we al vaker gezegd. Over veenweiden gesproken: we
hebben net met elkaar geconstateerd dat daar zorgvuldig mee wordt omgegaan. Ik constateer,
mevrouw Van Oosterhout, dat dat geen draai is, maar consistent beleid. Daar staan
we voor, dus in die zin denk ik dat we met elkaar voor ogen hebben dat we de goede
dingen doen voor mens, natuur en milieu, en zeker ook verantwoord.
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan komen we bij de heer Köse.
De heer Köse (D66):
Voorzitter. Wij zijn blij met het afbouwpad voor gaswinning, dat hier even toegelicht
is. We hebben gehoord dat we gaan afschalen op land. Daar zijn we superblij mee. We
zijn ook blij met de inzet op verduurzaming als eigenlijk de enige langetermijnoplossing
om echt onafhankelijk te worden. Dat zijn goede signalen.
Wel maken we ons nog echt zorgen over de zoutwinning op de Waddenzee, waar we over
gesproken hebben. Ik snap de complexiteit van de juridische kaders, maar ik ben nog
wel benieuwd naar het antwoord van de Staatssecretaris op de vraag welke alternatieven
onderzocht zijn, onder andere omdat de situatie heel erg veranderd is gedurende de
jaren. Wellicht is daar nog iets mogelijk.
Daar wil ik het graag bij houden, voorzitter.
De voorzitter:
Mevrouw Müller.
Mevrouw Müller (VVD):
Ik wil beide bewindspersonen bedanken voor de beantwoording en voor de realistische
lijn die zij hier hebben geschetst. De Minister schetste onder andere dat we de komende
25 jaar nog afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen en dat het afbouwpad, waar
mijn collega naar verwees, hand in hand gaat met een leveringspad. Ik vond dat een
mooie en realistische opmerking.
Daarom is het goed dat de Minister heeft gezegd: we houden de vinger aan de pols om
te kijken hoe het met de exploratieboringen gaat, om te zien hoe we op de Noordzee
toch nog zelf meer gas kunnen winnen. De vinger aan de pols houden is goed. Tegelijkertijd
zou ik graag zien dat we als Kamer geïnformeerd worden als dat niet het geval is en
er extra actie nodig is, gezamenlijk met de sector, om ervoor te zorgen dat we het
sectorakkoord toch goed benutten.
Hetzelfde geldt voor wat de Staatssecretaris toezegde. Hij heeft gezegd dat hij terug
zal komen op de termijnen en het verlengen van vergunningen, hoe we dat kunnen versnellen.
Wellicht kan het ook gezamenlijk.
Tot slot een compliment voor hoe het kabinet is omgegaan met de Methaanverordening.
Het ziet ernaar uit dat Nederland met zijn inzet best strak op de bal zit. Dat er
een handreiking komt vanuit de Europese Commissie lijkt mij alleen maar heel goed.
Wellicht kunt u toezeggen dat, zodra die handreiking er is, de Kamer erover geïnformeerd
wordt of daarmee de problemen voor Nederland ook echt zijn opgelost.
Dank u wel.
De voorzitter:
Bedankt. Dan komen we bij de heer Kops.
De heer Kops (PVV):
Dank, voorzitter. Dank aan de bewindspersonen voor de beantwoording. Ik wacht nog
even op de resterende antwoorden op de vragen over de schadeafhandeling in Limburg,
die in tweede termijn nog komen. Ik had gevraagd naar de grens van € 10.000 en met
name naar de groep die daarboven zit, dus de mensen die meer schade hebben dan die
€ 10.000. Krijgen zij wel echt alles vergoed waar ze recht op hebben? Dat was juist
wat ik bedoelde met mijn verwijzing naar de evaluatie van Ecorys. Daarin wordt genoemd
dat er wel degelijk mensen zijn die zelf geld moeten bijleggen om hun schade te kunnen
herstellen. Die constatering in de evaluatie lijkt toch haaks te staan op wat de Staatssecretaris
net zei. Hij sprak namelijk over een fictieve groep mensen in Limburg die meer schade
zouden hebben dan ze vergoed zouden krijgen. Graag nog een antwoord daarop.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, allen, voor de inbreng in de tweede termijn. Ik kijk even opzij, naar
het kabinet. Is er ruimte nodig voordat kan worden overgegaan tot de beantwoording?
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Er zijn een paar vragen bij waarvan ik het goed vind om eventjes wat te checken. Misschien
kan het in tien minuten? Ik geloof dat de ambtenaren nu hier vlakbij zitten, dus dat
scheelt weer tien minuten op-en-neerlooptijd. Dat zou wel moeten kunnen, denk ik.
De voorzitter:
Dat is helemaal goed. Wat mij betreft gaan we dan om 15.45 uur verder. Dan hoop ik
ook de toezeggingen van u te horen, zodat we die kunnen noteren.
De vergadering wordt van 15.35 uur tot 15.45 uur geschorst.
De voorzitter:
Welkom terug bij dit commissiedebat. We hervatten onze vergadering. We waren gebleven
bij de beantwoording in de tweede termijn. Mochten de woordvoerders nog een vraag
willen stellen, dan stel ik voor dat ze zich beperken tot twee vragen in deze tweede
termijn; dan kunt u meteen een vervolgvraag stellen als u daar behoefte aan heeft.
Ik denk dat het wel goed gaat komen met twee vragen, maar misschien kan ik coulant
zijn met een derde vraag als we heel ruim in de tijd zitten. Laten we beginnen. Ik
geef het woord aan de Minister.
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de leden voor de concrete vragen in de tweede termijn.
De eerste vraag is van de heer Van den Berg. Hij vroeg of we nog in gesprek zijn.
Het antwoord daarop is «ja». Ik kan het iets meer toelichten. Zoals aangegeven zijn
we bezig met strategisch gasbeleid. Daarin gaan we ook in op de strategische opslag
en het eventuele gebruik van kussengas hiervoor. Op basis van die analyse bepalen
we met welke partijen we waar concreet tot een oplossing over willen gaan.
Specifiek over Norg: hierover loopt de beoordeling van het door de NAM ingediende
winningsplan. Hierover neemt het kabinet een ontwerpbesluit. Over Norg wordt ook regulier
overleg gevoerd met de NAM. Er werd eerder ook al gerefereerd aan de rol die de ACM
heeft in relatie tot de borging van de leveringszekerheid. De gesprekken met de NAM,
Shell en ExxonMobil over de toekomst van de gasopslagen in Norg en Grijpskerk zullen
na de zomer vervolgd worden, mede in het licht van keuzes die gemaakt worden in het
strategisch gasbeleid. De brief daarover komt rond de zomer, zoals eerder is toegezegd.
Daarmee geeft het kabinet ook invulling aan de motie van het lid Van den Berg van
10 februari. De Minister heeft daarop in appreciatie toen ook gezegd dat we in gesprek
blijven met die partijen.
De voorzitter:
We doen meteen eventjes de vraag op dit punt.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik zeg het niet graag – laat me dat duidelijk maken – maar als de Minister hier stelt
dat er gesprekken worden gevoerd tussen het ministerie en de NAM over het invullen
van de kussengasreserves naar aanleiding van de motie die wij hebben ingediend, kan
ik niet anders dan constateren dat dat een leugen is. Ik krijg namelijk van alle kanten
uitdrukkelijk te horen, van de NAM, Shell en Exxon, dat er geen gesprekken worden
gevoerd over het inzetten van de kussengasreserves. Nou ben ik daar natuurlijk al
erg teleurgesteld over, want ik denk dat dit gewoon een goede invulling zou zijn van
die motie. Ik weet dat er een vervolg op komt, maar het kan niet allebei waar zijn.
Ik zou de Minister dus toch willen vragen hoe het nou echt zit.
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Daarom dacht ik: het is goed om na het «ja» in antwoord op de vraag of we in gesprek
zijn, de precisie te geven. Volgens mij heb ik het daarna toegelicht. En loopt een
beoordeling van het ingediende winningsplan. Wij zijn aan het nadenken over strategisch
gasbeleid. Ik heb de Kamer toegezegd dat we daarvoor ook kijken naar de kussengasreserves
en het eventuele gebruik daarvan. Als we daarin een lijn hebben gekozen, gaan we heel
specifiek kijken met welke partijen we dan specifiek over dat onderdeel moeten spreken.
Misschien was de koppeling om te zeggen «over de inzet van de kussengasreserve hebben
we al concreet het gesprek» inderdaad te kort door de bocht, maar er zijn natuurlijk
wel gesprekken met de NAM, Shell en ExxonMobil over de toekomst van de gasopslagen.
Die hebben ook een link met de kussengasreserves. Daarom heb ik net even wat meer
in detail uitgelegd hoe we met hen in gesprek zijn, zodat daar geen misverstand over
kan zijn.
De voorzitter:
Ik hoop dat dat wel enige opheldering heeft gegeven aan de heer Van den Berg.
De heer Van den Berg (JA21):
Ja, het geeft enige opluchting, maar ... Oké, ik vind het fijn dat de Minister erop
terugkomt, maar het baart me toch wel zorgen dat ik er zo naar moet vragen. Zoals
u weet, zeg ik tegen de Minister, hou ik van samenwerking, zeker in deze minderheidsvariant.
Dan verwacht ik natuurlijk wel – daar vraag ik dan ook om – dat als ik dit soort dingen
vraag, daar gewoon de antwoorden op komen waar ik om vraag. Maar ik moet wel constateren
– dat vind ik alsnog heel vervelend – dat mijn motie dus niet wordt uitgevoerd. In
de motie staat heel duidelijk: verzoekt de regering voorts met NAM, Shell, Exxon en
andere rechthebbenden te onderhandelen over het beschikbaar stellen van dit kussengas
en de Kamer daarbij te betrekken. Dan klopt het toch dat die motie niet wordt uitgevoerd?
De voorzitter:
Ik geef de Minister nog een keertje de gelegenheid om daarop te antwoorden. Anders
kunt u het gesprek eventueel op een ander moment nog hervatten. U heeft uw beide vragen
al gesteld. Ik geef u straks nog één keer de gelegenheid om eventueel nog een andere
vraag te stellen.
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Soms probeer ik snel te zijn in de beantwoording, maar het is ook belangrijk om precisie
te hebben in de beantwoording. Dat geldt ook voor dit punt. Dan moeten we namelijk
precies zijn over de appreciatie die er destijds is gegeven, dus onder welke voorwaarden
er oordeel Kamer aan de motie is gegeven door mijn voorganger, Minister Hermans. Minister
Hermans heeft het volgende gezegd over de motie. «Daar zit een tweetal verzoeken in
van de heer Van den Berg. Die kan ik ook oordeel Kamer geven. Even heel precies. Er
loopt een aantal juridische procedures tussen de Staat en Shell en Exxon over gasopslagen.
Parallel daaraan zijn we in overleg om daar samen uit te komen. Dat doe ik hier natuurlijk
niet openbaar, want dat zou die onderhandelingen in de weg staan. Maar als ik de motie
zo mag lezen dat ik in dat kader die gesprekken met de partijen voortzet, dan kan
ik haar oordeel Kamer geven.» Dat zijn we aan het uitvoeren. Dat loopt.
Het is goed dat de heer Van den Berg om precisie vraagt, dus dan wil ik ook precies
zijn over de appreciatie die is gegeven. Voor sommige onderwerpen is dat extra belangrijk,
dus het is goed dat de heer Van den Berg naar die precisie vraagt. Er is geen andere
reden dan dat ik soms denk: misschien kunnen we enige snelheid in de beantwoording
aanbrengen. Maar soms is precisie op zijn plek, dus prima dat de heer Van den Berg
daar nog naar vraagt. Geen enkele andere overweging van mijn kant.
De voorzitter:
Dank u wel. We kunnen door met uw beantwoording.
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Dank u wel, voorzitter. Dan waren er drie gerelateerde vragen van de heer Van den
Berg, mevrouw Müller en de heer Jumelet. Die hebben allemaal te maken met het sectorakkoord.
De heer Van den Berg heeft specifiek gevraagd naar het losknippen van de 85%-maatregel.
Ik heb al aangegeven dat ik daarnaar zal kijken en zal laten weten wanneer ik daarop
terug kan komen.
Daarnaast zijn er vragen gesteld over het aantal exploratieboringen: hoe houden we
daar nou een beetje zicht op? Aan de andere kant is er dan nog de vraag over het afbouwpad:
hoe loopt dat? In de context van het sectorakkoord hebben we volgens mij afgesproken
dat er een voortgangsrapportage komt en dat er jaarlijks gerapporteerd wordt over
het afbouwpad. Ik kan me voorstellen dat we dat bundelen in één brief, waarbij u de
laatste analyse van EBN krijgt en we ook de cijfers geven van de exploratievergunningen,
waarbij we dus ook inzicht hebben in het afbouwpad. Als we dat elk jaar doen, zorgen
we ervoor dat we met elkaar goed zicht houden op de invulling van het sectorakkoord.
EBN komt trouwens met zijn analyse in het najaar, dus dan zullen we meteen snel die
brief voor u opstellen. Bij die voortgangsrapportage zal ik u er ook over informeren
of dat onderdeel van de Wbe in een ander wetstraject zou kunnen worden ondergebracht,
of dat wenselijk is en zo ja, hoe en wat. Dat zou mijn voorstel zijn in antwoord op
de vragen van mevrouw Müller, de heer Jumelet en de heer Van den Berg.
Er was nog een vraag van de heer Jumelet, over Vewin. Hij vroeg of ik met hen in gesprek
wil gaan in de context van het programma voor de diepe ondergrond. Het antwoord daarop
is «ja». We zullen zeker nog een keer met hen daarover spreken en horen waar de specifieke
zorgen zitten.
Mevrouw Müller had nog een vraag over de handreiking gerelateerd aan de Methaanverordening.
Ze vroeg of we de Kamer kunnen informeren zodra die handreiking er is en of we kunnen
aangeven of de problemen dan zijn opgelost. Het antwoord daarop is ook «ja»: we zullen
zorgen dat we de Kamer daarover informeren, hetzij als onderdeel van een bredere brief,
hetzij specifiek, want ik kan me voorstellen dat de Kamer dit specifieke dossier graag
wil volgen, en misschien kan het niet helemaal synchroon lopen met de termijnen van
andere brieven. Daar kijken we dus naar.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. De Staatssecretaris.
Staatssecretaris De Bat:
Dank, voorzitter. Nog een aantal vragen. Allereerst de vraag van mevrouw Van Oosterhout.
Ik denk dat ik richting de heer Jumelet al behoorlijk duidelijk ben geweest over hoeveel
vergunningen het betreft. De verwachting is eigenlijk dat ze allemaal wel in de pas
lopen met de onderzoeken die nog volgen. Ik heb alleen niet kunnen zeggen dat ze állemaal
zullen worden opgehouden, omdat ik dat niet zeker weet, ook in het kader van de procedure
die loopt en de rechten die een vergunningaanvrager heeft. Dat is het enige voorbehoud
dat ik heb gemaakt.
Stel dat we wel een vergunning verlenen en er nieuwe inzichten komen, dan blijft staan
wat ik net zei: dan heb je twee stappen, namelijk eerst een aanpassing van de vergunning
op basis van de nieuwe inzichten, en in the end, als er zo veel nieuwe inzichten zijn
dat je moet handelen, kun je de vergunning intrekken. Dat blijft staan. Het is dus
niet zo dat we de onderzoeken die nu volgen niet serieus nemen en nu zomaar vergunningen
verlenen. Integendeel, we nemen die twee dingen echt allebei serieus mee.
De heer Van den Berg zei ... Kijk, ik geloof niet dat het komt doordat er hiervoor
te weinig ambtenaren zijn. Natuurlijk, ik hoor ook regelmatig dat we echt wel heel
veel werk hebben, dus in die zin wordt de opening die u biedt, echt wel gehoord. Maar
tegelijkertijd is het zo dat het vooral zit in de afstemming. We hebben een proces
uitgelijnd waarop de termijn van zes maanden is gebaseerd. Ik heb aan mevrouw Müller
uitgelegd dat vooral het gegeven dat je de omgeving ontzettend serieus wilt nemen,
om problemen in het vervolg van het proces te voorkomen, op dit moment leidt tot die
vertraging. Het zit dus überhaupt altijd dicht op die zes maanden en waarschijnlijk
zelfs meer. We gaan dus kijken naar een aantal vergunningen. Waar zitten de echte
knelpunten en waar kun je op doorakkeren? We hebben wel de adviseurs en ook de medeoverheden
heel serieus te nemen in dit traject. Daar kunnen we niet omheen. Of u moet zeggen:
doe dat maar niet. Dan kun je heel veel versnellen. Maar dat lijkt me heel onwenselijk
in het kader van participatie, draagvlak en bezwaar- en beroepsprocedures die daarna
dan eventueel volgen. Ik zou dat willen voorkomen. We komen daar nog op terug. Dat
hebben we ook al toegezegd.
De heer Köse vroeg naar de alternatieven. Er zijn twee redenen waarom dat niet is
gedaan. Eén. Het is gewoon een vergunningaanvraag. Punt. Die moet je behandelen op
basis van het feit dat de aanvraag is gedaan op die plek. Twee. Het is ook heel logisch
dat die is aangevraagd voor die plek, omdat daar nu eenmaal de cavernes zitten en
de totale logistiek om die zoutwinning heen. Als je zou zeggen «doe maar iets anders»,
dan moet je op een heel andere manier naar het vraagstuk gaan kijken. We hebben het
zout wel nodig, maar dan moet je op andere plekken logistiek gaan opbouwen. Zou je
gewoon een reguliere vergunningaanvraag krijgen op een bestaande locatie, dan is alternatief
onderzoek eigenlijk niet zo heel erg te begrijpen. Dus gaan we dat ook niet doen en
hebben we dat ook niet gedaan. Het gaat er nu gewoon om dat we het proces goed doorlopen
en ervoor zorgen dat we veilig en verantwoord en met oog voor de natuurwaarden dit
proces blijven volgen.
Dan de laatste vraag, van de heer Kops over wat er nu precies door de Commissie Mijnbouwschade
is gezegd. Volgens ons heeft de Commissie Mijnbouwschade geadviseerd om mensen de
keuze te geven tussen het deskundigenonderzoek, en daarmee de hele procedure, of het
bedrag. Dat is volgens mij hoe het gesteld is en dat is ook precies wat we doen.
Zijn andere vraag, over de afhandeling van de schade en daar ruimhartig naar kijken;
daar hebben we wel een besluit over genomen. Dat ging over het feit dat soms naar
een scheur werd gekeken en dat dan werd gesteld «ongeveer een derde van die scheur
is het gevolg van mijnbouwschade en de rest van de scheur had al een andere oorzaak».
Daarvan hebben we gezegd: dat spel moeten we zo niet spelen; een scheur is een scheur.
Als mijnbouwschade voor de woning is aangetoond, wordt die volledig meegenomen. Dus
dat besluit hebben we al genomen.
Dat waren de vragen, voorzitter.
De voorzitter:
Dank voor uw beantwoording. Zijn er nog vervolgvragen of zijn er vragen gemist in
de beantwoording?
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik kom even terug op het veenweidegebied en over wat de Mijnraad daarover zei. De
Staatssecretaris zei dat altijd naar de adviezen van de Mijnraad wordt gekeken en
dat deze altijd worden meegenomen, maar in het geval van Oppenhuizen heeft de Mijnraad
gezegd dat elke vorm van extra bodemdaling in de huidige situatie de nu al bestaande
problematiek verergert. Dat is een situatie waarin er nog geen gaswinning plaatsvindt.
Ik heb daar gesprekken over gevoerd met boeren, onder anderen. Zij hebben daar een
heel uitgekiend proces met een gebiedsdeelcommissie. Ze zijn al jaren bezig om precies
te bezien hoe ze het waterpeil zo kunnen houden dat zij ook toekomstperspectief hebben.
Die gaswinning komt daar compleet doorheen. Zij hebben enige hoop dat het onderzoek
van Deltares en TNO laat zien wat de Mijnraad ook schetst, namelijk dat er echt geen
centimeter bodemdaling meer bij kan. Nu hoor ik de Staatssecretaris ook zeggen: we
gaan het allemaal wel zien en ik weet niet zo goed wat de juridische vergunning daar
is. Het is wel een hele lastige boodschap voor die mensen om dat te horen. Dus ik
zou toch graag van de Staatssecretaris willen horen wat de mogelijkheden zijn om toch
die vergunning in te trekken en stappen te zetten om dit te voorkomen, omdat we dit
eigenlijk ook al kunnen zien aankomen. We weten dat er al bodemdaling is. We weten
dat het al enorm desastreus is en dat het hele grote impact heeft. De gaswinning komt
er nog eens bovenop.
De voorzitter:
Zal ik eerst nog even andere vragen inventariseren, of kan er meteen een antwoord
volgen?
Staatssecretaris De Bat:
Het antwoord blijft namelijk hetzelfde. We kennen een aantal aanvragen voor die gebieden,
maar die gaan waarschijnlijk pas allemaal vergund worden nadat de rapportage bekend
zijn. Daarmee wordt de nieuwste kennis betrokken bij het verlenen van de vergunning.
Daarmee heb je de geruststelling voor eenieder die dit betreft, tenzij we er niet
op kunnen wachten, want we hebben met meer partijen te maken. Dat is het enige voorbehoud
dat ik maak. Het gaat dan misschien om hooguit een of twee gevallen. Dan zullen we
alsnog ook die nieuwste kennis echt wel weer betrekken bij het nog een keer beoordelen
van de vergunning. Dat kan aanpassing betekenen en het kan intrekking betekenen. Volgens
mij geven we die zekerheid dus juist wel. De mensen in de omgeving kunnen erop rekenen
dat wat Deltares en TNO opleveren, altijd betrokken zal worden bij deze vergunning.
De voorzitter:
Ja, ik had al een vermoeden dat u wilde interrumperen, meneer Van den Berg. Een korte
laatste interruptie.
De heer Van den Berg (JA21):
Ja, natuurlijk, met uw toestemming. Dank u wel, voorzitter. Als laatste nog even een
vraag aan de Staatssecretaris over de vergunning. Ik heb even zitten nazoeken wat
nou de exploratieboringen waren in de afgelopen jaren. In 2025 waren dat er inderdaad
zes, dus dat zag er inderdaad wat beter uit. In dit jaar zitten we echter welgeteld
op één. De ambitie is acht tot tien dit jaar. Misschien moet ik mijn vraag er eigenlijk
niet eens bij stellen. Ik denk dat we daaruit onze conclusies kunnen trekken over
hoever we nu zijn met de ambities uit het sectorakkoord; dat wilde ik nog even meegeven.
Dank u wel, ook voor de beantwoording.
De voorzitter:
Er zat inderdaad geen vraag meer in, maar ik wil uiteraard de gelegenheid bieden voor
een eventuele reactie, als die er is.
Staatssecretaris De Bat:
Er zijn alsnog ook drie vergunningen afgegeven, maar daarover heeft de operator vervolgens
zelf besloten dat het op dit moment nog niet lukt of loont om te gaan boren. Dan zie
je ook de andere kant van dit verhaal.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik ga gewoon even het rijtje af. De heer Kops nog een vraag? Nee? Helemaal
goed, dank u wel. Dan ga ik met u de toezeggingen doornemen. We hebben er hier drie
genoteerd:
− Met betrekking tot gaswinning zal de Staatssecretaris de Kamer vóór het einde van
het jaar informeren over het aantal vergunningaanvragen en de termijnen voor de vergunningverleningen.
Dat is een toezegging aan mevrouw Müller.
Die klopt? Mooi.
− Nummer twee. De Kamer wordt door de Minister in het najaar geïnformeerd over de voortgang
van het sectorakkoord. Dat is een toezegging aan onder anderen de heer Jumelet.
− Ten derde en tot slot. De Kamer ontvangt een brief over de handreiking Methaanverordening.
Dat is een toezegging aan mevrouw Müller.
Voegen we aan die laatste nog een termijn toe of niet?
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
De Europese Commissie moet met de handreiking komen. Wanneer zij daarmee komen, kan
ik de Kamer een brief sturen. Het is voor mij niet mogelijk daar een termijn op te
plakken.
De voorzitter:
Dan laten we het op deze manier helemaal zo staan.
Uiteraard nog tot slot: er is door mevrouw Van Oosterhout een tweeminutendebat aangevraagd,
dus dat zal plenair worden ingepland.
Ik zie dat we rond zijn. Ik wil iedereen heel erg bedanken voor de aanwezigheid en
de bijdragen aan dit commissiedebat. Ik wil iedereen verder een prettige dag toewensen.
We zien elkaar morgen weer bij een debat van deze commissie, wederom van 13.00 uur
tot 17.00 uur. Ik moet erbij zeggen dat we een uurtje eerder klaar zijn dan gepland,
wat betekent dat de heer Jumelet zijn voorzittersbeurt tegoed houdt.
Ik sluit bij dezen de vergadering.
Sluiting 16.03 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.M. Zwinkels, voorzitter van de vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei -
Mede ondertekenaar
D.S. Nava, griffier