Verslag van een commissiedebat : Verslag van een commissiedebat, gehouden op 21 mei 2026, over Discriminatie, racisme en mensenrechten
30 950 Racisme en Discriminatie
Nr. 567
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Vastgesteld 17 juli 2026
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de vaste commissie voor Sociale Zaken
en Werkgelegenheid hebben op 21 mei 2026 overleg gevoerd met de heer Heerma, Minister
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, over:
– de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 9 april
2026 inzake reactie op het verzoek van het lid Keijzer, gedaan bij de regeling van
werkzaamheden van 17 maart 2026, over het voornemen van de Nationaal Coördinator tegen
Discriminatie en Racisme (NCDR) om een programmaleider Nationale Aanpak Moslimdiscriminatie
aan te stellen (Kamerstuk 30 950, nr. 514);
– de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 27 maart
2026 inzake divers en inclusief bestuur (Kamerstuk 29 614, nr. 188);
– de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 27 maart
2026 inzake onderzoek naar uitbreiding Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) met
eenzijdig overheidshandelen (Kamerstuk 28 481, nr. 25);
– de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 16 maart
2026 inzake vier rapporten van de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme (Kamerstuk
30 950, nr. 512);
– de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 16 maart
2026 inzake rapport van de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie (ECRI)
over Nederland (zesde monitoringcyclus) (Kamerstuk 30 950, nr. 511);
– de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 16 februari
2026 inzake ontwikkelingen rond rapportages onder mensenrechtenverdragen (Kamerstuk
33 826, nr. 57);
– de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 10 februari
2026 inzake stand van zaken discriminatie en racisme 2026 (Kamerstuk 30 950, nr. 510);
– de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d. 6 februari 2026 inzake
resultaten onderzoek naar haalbaarheid en effectiviteit uitdragen sociale norm (Kamerstuk
30 950, nr. 509);
– de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 12 december
2025 inzake rapport Denkrichtingen ten behoeve van een Nationaal Programma tegen Discriminatie
en Racisme 2025–2029 (Kamerstuk 30 950, nr. 504);
– de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 13 november
2025 inzake derde voortgangsbrief discriminatie en racisme 2025 (Kamerstuk 30 950, nr. 503);
– de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 25 oktober
2024 inzake focusgroepenonderzoek Racisme binnen de Rijksoverheid (Kamerstuk 30 950, nr. 424);
– de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 17 oktober
2025 inzake kabinetsreactie op het evaluatierapport over de Wet gedeeltelijk verbod
gezichtsbedekkende kleding (Kamerstuk 34 349, nr. 32);
– de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 30 september 2025
inzake kabinetsreactie op het advies van het College voor de Rechten van de Mens over
opname van de grond «opleidingsniveau» in de Algemene wet gelijke behandeling (Kamerstuk
28 481, nr. 24);
– de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 26 september
2025 inzake reactie op evaluaties College voor de Rechten van de Mens (Kamerstuk 25 268, nr. 245).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, Kisteman
De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Van der Lee
De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, Honsbeek
Voorzitter: Van Baarle
Griffier: De Keijzer
Aanwezig zijn elf leden der Kamer, te weten: Van Baarle, Bamenga, Beckerman, Tijs
van den Brink, Ceder, Clemminck, Flach, Keijzer, Schenk, Tseggai en Verkuijlen,
en de heer Heerma, Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Aanvang 13.30 uur.
De voorzitter:
Het is klokslag 13.00 uur in de middag, dus dat betekent ... Nee, het is 13.30 uur,
sorry. Het betekent dat wij gaan beginnen. Ik maan de collega’s tot rust en stilte,
zodat wij met het debat kunnen aanvangen. Ik wil de Minister van harte verwelkomen
bij dit commissiedebat, evenals vanzelfsprekend de mensen op de publieke tribune,
de mensen die dit debat online volgen en de geachte afgevaardigden van de fracties
die aan dit debat deelnemen. Een mooie afvaardiging.
Aangezien wij een spreektijd hebben van vier minuten ... Nee, zeven minuten, sorry.
Ik ben een beetje in de war, maar dat maakt niet uit. We hebben een spreektijd van
zeven minuten en daarom stel ik voor dat wij het aantal interrupties met elkaar enigszins
gaan beperken, anders komen wij niet voor 23.00 uur deze zaal uit. Na beraad met de
griffie zou mijn voorstel zijn dat wij het aantal interrupties beperkten tot vier
per termijn. Ik zie dat de afgevaardigden daarmee kunnen instemmen.
Mevrouw Keijzer, ik hoor u buiten de microfoon vragen hoeveel vragen er mogen worden
gesteld. Vier losse vragen, mevrouw Keijzer. Dat zou ik in eerste instantie willen
voorstellen. Mochten we met elkaar zien dat we zeer efficiënt zijn en dat er nog ruimte
is om ietwat coulanter te zijn, dan zullen we dat zeker doen. Maar laten we onszelf
matigen, want anders gaat het met die zeven minuten spreektijd echt uit de klauwen
lopen. Mevrouw Keijzer.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ik merk dat het steeds meer «in de mode» wordt om de interrupties of aan het eind
van blokjes te doen als het de bewindspersoon betreft, of dat het maar vier vragen
mogen zijn. We zijn allemaal kundige debaters. Het is geen enkel probleem om in eerste
instantie geen antwoord te geven op een vraag. Als je dan een tweede vraag stelt,
ben je al de helft van je interrupties kwijt. Ik heb daar toch wel wat moeite mee.
De voorzitter:
Heeft u een ordevoorstel?
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Mijn voorstel zou zijn: laten we echt korte vragen stellen, maar dat we dan wel de
mogelijkheid krijgen om die vier interrupties in tweeën te doen. Dan mag je dus aan
vier collega’s een vraag stellen en ook één doorvraag per keer. Anders wordt het echt
zenden hier, voorzitter, en dat zou jammer zijn.
De voorzitter:
Ik begrijp uw voorstel, mevrouw Keijzer. De voorzitter is, zoals te doen gebruikelijk,
als was in uw handen. Als de commissie besluit om af te wijken van wat de voorzitter
aan het begin presenteert, dan is dat uw goed recht. Ik geef u wel mee dat het voorstel
dat u doet – bij elke interruptie de tijd bijhouden – voor ons ook een administratieve
opgave met zich meebrengt. Mijn voorstel zou zijn, na dialoog met de griffie, het
advies van de griffie over te nemen en onszelf in eerste instantie gewoon te beperken
tot vier vragen per termijn. Maar als u insisteert, mevrouw Keijzer, dan bied ik u
de gelegenheid om uw ordevoorstel ter stemming aan de commissie voor te leggen, zoals
dat altijd zo mooi mag. Als u dat wenst, mag u het ter stemming voorstellen. Als u
dat niet wenst, stel ik voor om aan te vangen met het debat.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dat «was in uw handen» was dan van korte duur, voorzitter. Ik snap het doel om de
tijd te beperken, maar vier vragen ... Voorzitter, dat werkt ook niet. Laten we tot
een compromis komen. Drie interrupties in tweeën.
De voorzitter:
Drie interrupties in tweeën. Ik kijk naar de commissie of zij daarmee kan leven. Ja,
ik zie knikkende afgevaardigden. Dat betekent dat wij dit ordedebat met elkaar kunnen
afronden. Wij gaan voor drie interrupties in tweeën. Dat betekent wel het volgende:
als er een interruptie gepleegd wordt, zelfs al bestaat die maar uit één vraag, dan
vervalt een van de drie interrupties. Laten we dan met elkaar ook wel even scherp
zijn.
Dan zou ik graag willen aanvangen met de inbreng van de zijde van de Kamer in eerste
termijn. De eerste spreker is de heer Bamenga van de fractie van D66.
De heer Bamenga (D66):
Dank u wel, voorzitter. Wat mij betreft is vandaag de best mogelijke dag om dit debat
te voeren: 21 mei is wereldwijd de dag van culturele diversiteit, dialoog en ontwikkeling.
Eerlijk gezegd wist ik niet dat deze dag bestond. Meneer Clemminck ook niet en anderen
ook niet, zie ik. Maar goed, nu we het wel weten, is het fijn dat wij op deze dag
bij elkaar komen om dit debat te voeren.
Voorzitter. Laat ik meteen naar de inhoud gaan. Stel je voor je bent net verhuisd
voor je studie. Plotseling staan er twee vreemde mensen voor je deur. Ze zeggen voor
de overheid te werken en dat ze je woning willen betreden om een kijkje te nemen.
Een voor een zetten ze jouw persoonlijke spullen op de foto, zelfs je ondergoed. Ze
stellen geen vragen. Zodra ze klaar zijn, gaan ze weer weg. Je weet niet waarvoor
ze zijn gekomen. Dat is wat Sheila meemaakte. Pas jaren later hoorde ze wat er daadwerkelijk
speelde: een discriminerend algoritme van de overheid had haar aangemerkt voor een
controle. Zo gold dat voor duizenden studenten, veelal in het mbo en met een migratieachtergrond.
Voorzitter. Helaas is discriminatie nog altijd een groot probleem in onze samenleving.
De cijfers die de Minister heeft gedeeld laten een zorgwekkend beeld zien. 40.000
meldingen van discriminatie in een jaar tijd, en dan hebben we het nog niet eens over
de 90% die na discriminatie geen melding doet. Wat mij betreft spreken we hier af
dat we alles op alles zetten om bij een volgend commissiedebat het probleem kleiner
te maken. Dat is in ieder geval mijn inzet voor Nederland. Ik zie op dit gebied ook
ambitie in het regeerakkoord. Ik zou de Minister dan ook willen vragen: wanneer hebben
we wat hem betreft voldoende vooruitgang geboekt aan het einde van zijn termijn?
Voorzitter. Wat mij betreft is discriminerend handelen van de overheid het grootste
probleem dat we nu moeten aanpakken. De overheid heeft een voorbeeldfunctie en zou
nooit een bron van discriminatie en racisme moeten zijn. Sheila en andere gedupeerden
hebben inmiddels excuses en een schadevergoeding ontvangen. Bovendien is DUO gestopt
met dit discriminerende algoritme. Maar de kwetsbaarheid van risicoprofilering zien
we ook op andere terreinen in het handelen van de overheid: de toeslagenaffaire, het
recente voorbeeld van de reclassering. De opkomst van AI maakt de discussie extra
urgent, zo waarschuwen ook wetenschappers in Trouw. Het gevaar is dat we dit soort
systemen met algoritmen optuigen en vervolgens vanuit die systemen gaan redeneren.
We zien ze als efficiënt en neutraal. Ze worden ingevoerd, misschien wel met de beste
bedoelingen, maar we zien keer op keer dat het fout gaat en dat we er maar geen grip
op krijgen. Gelukkig is de Nederlandse Grondwet glashelder: discriminatie is verboden.
Bij gevallen van risicoprofilering is dat meermaals achteraf geconcludeerd, maar we
kunnen het beter vooraf goed regelen dan achteraf corrigeren als de schade al is geleden.
Daarom heb ik de regering eerder via een motie verzocht om een apk voor algoritmen
in te stellen om ervoor te zorgen dat algoritmen ten behoeve van fraudeopsporing vooraf,
herhaaldelijk en onafhankelijk moeten worden getoetst als voorwaarde voor gebruik.
Hoe staat het met de uitvoering van deze motie?
Verder riep ik in een eerdere motie op om het Toetsingskader risicoprofilering bij
alle overheidsinstanties toe te passen. Hoe staat het met de uitvoering daarvan? Hoe
vaak wordt het toetsingskader nu gebruikt? Ik ben er namelijk niet gerust op en dat
gevoel wordt versterkt door een recent onderzoek van de staatscommissie, dat laat
zien dat nog steeds onvoldoende duidelijk is wat nou wettelijk toegestaan is met risicoprofilering.
Daarom is het een kwestie van tijd voordat het weer misgaat. Ik wil de Minister oproepen
om actie te ondernemen. Verschillende organisaties hebben suggesties gedaan voor vervolgstappen.
De staatscommissie stelt dat de overheid moet stoppen met datagedreven profilering
voor fraude- en criminaliteitsopsporing vanwege onaanvaardbare risico’s op discriminatie.
Hoe staat de Minister hierin? Is de Minister bereid te stoppen met de toepassing van
risicoprofilering zolang hij onrechtmatig gebruik ervan niet gegarandeerd kan uitsluiten?
Indien volledig stoppen met datagedreven profilering geen optie is, ziet de Minister
dan aanleiding om een heldere kaderwet voor risicoprofilering op te stellen als noodzakelijke
waarborg vooraf, zoals geopperd door het College voor de Rechten van de Mens? Hoe
kijkt de Minister naar alternatieven als aselect controleren? Hebben we hier genoeg
ervaring mee?
Er zijn ook andere instrumenten die al klaarliggen. Ik lees dat de Minister enthousiast
is over de discriminatietoets en een projectteam instelt. Toch zet hij liever in op
vrijwillig gebruik in plaats van op verplicht gebruik. Wat is er wat hem betreft voor
nodig om die stap wel te willen maken? Kan de Minister toezeggen dat hij de Kamer
jaarlijks informeert over hoeveel instanties de toets niet gebruiken?
Voorzitter. Te lang hebben we weggekeken van institutionele discriminatie. Dat de
Minister heeft aangekondigd eenzijdig overheidshandelen toe te voegen aan de Algemene
wet gelijke behandeling, is een gigantische stap. Daar wachten mensen al sinds 1994
op. Ik wil de Minister aanmoedigen: laat zien hoe serieus dit kabinet institutionele
discriminatie neemt en maak haast met dit wetsvoorstel.
Voorzitter. De staatscommissie houdt binnenkort op te bestaan. Ik wil haar langs deze
weg alvast bedanken voor haar werk. Ze heeft ons een hoop gegeven om mee te werken.
Hoe gaat de Minister na het wegvallen van de commissie waarborgen dat hij blijvend
scherp wordt gehouden op mogelijke institutionele discriminatie?
Voorzitter, tot slot. Ik maak mij zorgen over de toenemende discriminatie in de samenleving
zelf. Ik hoor zorgwekkende geluiden vanuit verschillende gemeenschappen. Moslimhaat,
homohaat, maar ook antizwart racisme, antisemitisme, anti-Aziatisch racisme, validisme,
vreemdelingenhaat, transfobie en antiziganisme zijn wereldwijd en wijdverspreid. Het
lijkt keer op keer alleen maar toe te nemen. Instellingen ontvingen een recordaantal
meldingen. Daarom is het goed dat de Minister aan de slag gaat met de antidiscriminatievoorzieningen.
Dat zal het gevoel van onveiligheid echter vaak nog niet wegnemen. Het extreemrechtse
geweld van de afgelopen weken laat zien hoe urgent en belangrijk het is om discriminatie
en racisme keihard aan te pakken. Ik wil daarom de Minister, als hoeder van onze democratie
en grondrechten, vragen om hier luid, duidelijk en blijvend te normeren en om dit
voortvarend aan te pakken. Er is namelijk geen plek voor racisme en geweld in ons
Nederland.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Bamenga. Ik zag dat er van de zijde van de Kamer een aantal interrupties
zijn. Ik zag dat mevrouw Beckerman als eerste was en ik zag ook mevrouw Tseggai haar
hand opsteken. Ik stel voor dat we beginnen met mevrouw Beckerman. Uw vraag.
Mevrouw Beckerman (SP):
Het was een mooi betoog van de heer Bamenga. Hij sprak zijn zorgen uit over wat er
de afgelopen weken is gebeurd. Maar dat soort woorden kwamen ook van binnen de Tweede
Kamer. We hebben het over Gidi Markuszower, die in deze Tweede Kamer heeft gesproken
over «geweld gebruiken tegen vluchtelingen» en die bij een demonstratie het woord
«omvolking» gebruikt zou hebben. Wat betekent dat voor D66?
De heer Bamenga (D66):
Volgens mij ben ik glashelder geweest in mijn betoog. Er is geen plek voor geweld.
Er is nooit plek voor geweld. Ik vind dat geweld op geen enkele manier zou moeten
lonen. Er is geen plek voor haatzaaierij en ook niet voor racisme, ongeacht vanuit
welke hoek het komt.
Mevrouw Beckerman (SP):
De achtergrond van deze vraag is natuurlijk dat deze coalitie geen meerderheid heeft.
We hebben gezien dat op een kritiek moment, in een debat over de AOW-plannen, vanuit
de coalitie juist naar deze partij werd gekeken voor een meerderheid. Wat betekent
het als u zegt: er is geen plek voor haat, geweld en racisme? Wat betekenen die woorden
voor de vraag met wie u samenwerkt en wie u toegang geeft tot het centrum van de macht?
De voorzitter:
«Wie de heer Bamenga toegang geeft.»
Mevrouw Beckerman (SP):
Excuses. Van u weten we het.
De voorzitter:
Inderdaad. Laten we via de voorzitter spreken.
De heer Bamenga (D66):
Het moge duidelijk zijn dat ik hier als Kamerlid natuurlijk ben om ervoor te zorgen
dat wij mooie dingen voor elkaar krijgen voor het land. In dit geval, als we het hebben
over discriminatie en racisme, wil ik ervoor zorgen dat wij een discriminatievrije
samenleving krijgen. Voor iedere partij die daar niet voor staat, geldt dat het wel
heel moeilijk wordt om daar structureel mee samen te werken. Dat gaan we met die partijen
dus ook niet doen.
De voorzitter:
Mevrouw Beckerman, we hebben drie setjes van twee interrupties afgesproken. Als u
doorgaat, betekent dat dus dat u uw tweede setje opgebruikt, ook als u slechts één
interruptie plaatst. Ik attendeer u daar alvast op.
Mevrouw Beckerman (SP):
U nodigt mij uit om er vier te doen, geloof ik!
De voorzitter:
Dat doe ik dan weer niet. Tot dusver blijven zowel de vragen als de antwoorden onder
de minuut. Als we dus zo doorgaan, denk ik dat we een goede modus hebben. Mevrouw
Beckerman heeft het woord.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ik vind het antwoord van de heer Bamenga nog niet helder genoeg. Daarom vraag ik erop
door. Als je begint met dat dit geen plek moet hebben in de samenleving en als je
begint met dat de overheid zelf het goede voorbeeld moet geven, waarom geef je dan
als D66 aan dat je alleen geen structurele samenwerking wil? Dit soort woorden doen
heel veel in de samenleving. Die geven zuurstof en geven ruimte aan anderen om die
woorden over te nemen. Die roepen ook gevoelens van angst op in samenleving. Als je
enerzijds zegt dat je geen discriminatie wilt in de samenleving en anderzijds zegt
dat de overheid het goede voorbeeld moet geven, waarom zou je dan nog ruimte laten
voor een samenwerking, ook al is die dan niet structureel? Welke ruimte laat u?
De heer Bamenga (D66):
Ik wil echt glashelder zijn. Ik bedoel hiermee het volgende. Op het moment ik bij
wijze van spreken een motie indien, weet ik niet wie die gaat steunen. Ja, zo is het
nu eenmaal. Ik zoek natuurlijk zo breed mogelijke steun. Daar ga je natuurlijk voor.
Dat is eigenlijk wat ik daarmee bedoel. «Structureel» betekent bijvoorbeeld dat wat
wij in coalitievorm doen. Dat is structureel.
De voorzitter:
Mevrouw Beckerman, wilt u uw laatste interruptie gebruiken van de tweede set?
Mevrouw Beckerman (SP):
Ja, voorzitter, als ik toch al die vierde geteld krijg. Een motie indienen en dan
zien welke handen er omhooggaan, is inderdaad geen variant van samenwerking. De heer
Bamenga weet ook dat daar niet op gedoeld wordt. Laten we het dan heel concreet maken.
Stel we zitten weer in zo’n debat zoals over de AOW een paar weken geleden. Toen is
er juist naar deze partij gekeken. Via de voorzitter vraag ik of u dat opnieuw zou
doen of dat u zegt: nee, dit is nou echt aanleiding voor mijn partij om dat niet te
doen.
De heer Bamenga (D66):
Volgens mij ben ik echt glashelder geweest. Op het moment dat wij hier spreken over
een structurele samenwerking, is het maar net hoe mevrouw Beckerman dat zelf wil duiden.
Maar op het moment dat ík het over een structurele samenwerking heb, heb ik het over
een coalitieverband of misschien een coalitie plus-verband, waaraan duidelijke afspraken
ten grondslag liggen. Dat is voor mij structureel. Ik heb echt niet in de hand wie
wel of niet meestemt bij een bepaalde motie. Dat mag natuurlijk altijd breed of unaniem
zijn. Het zal altijd mijn doel zijn om een zo groot mogelijk deel van de Kamer mee
te krijgen bij deze fantastische ideeën, zeker als het gaat om het creëren van een
discriminatievrije samenleving.
De voorzitter:
Ik geef trouwens de geachte afgevaardigden nog even in overweging mee dat er hedenavond
ook een debat gepland staat en dat dit debat in zijn oorspronkelijke vorm natuurlijk
gaat over het antidiscriminatiebeleid, maar u gaat over uw eigen inbreng.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Laten we het dan eens over dat antidiscriminatiebeleid gaan hebben. Ik heb het betoog
van de heer Bamenga gehoord. Daar zit geen onversneden woord tussen. Ik ben het er
eigenlijk in grote lijnen wel mee eens, maar ik vraag me een beetje af of de heer
Bamenga ook ziet dat er in het regeerakkoord toch wel weinig geld gereserveerd is
voor de aanpak van racisme en discriminatie, en ook voor het waarmaken van al die
ambities die D66 uitspreekt.
De heer Bamenga (D66):
Wat mij betreft mag er zeker meer geld komen voor antidiscriminatiebeleid. Dat is
ook de reden waarom ik allerlei amendementen gesteund heb, waaronder de amendementen
van de heer Van Baarle, die dat beoogde.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik hoop dat ik dan kan concluderen dat als we dat dit jaar weer voorstellen voor de
begroting Binnenlandse Zaken, we dan weer op de steun van D66 mogen rekenen.
De heer Bamenga (D66):
In dit geval had de heer Van Baarle dat heel mooi voorgesteld. Dat heb ik zeker gesteund.
Dus als mevrouw Tseggai met een mooi voorstel komt, dan kijken we altijd naar de inhoud.
Of misschien kom ik zelf wel met een mooi voorstel; we zullen zien. Het gaat ons zeker
om het feit dat wij veel meer gaan doen om discriminatie in dit land aan te pakken.
We doen al heel veel. Dat heb ik in mijn bijdrage aangeven. Op institutioneel niveau
komen er echt grote veranderingen. Dat heb ik net ook al aangeven. Ik denk dat we
daar ontzettend blij mee moeten zijn.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ik hoor in de opsomming van de heer Bamenga van alle vormen van discriminatie niet
het antipalingdorpgedrag. Ik zou gigantisch beledigd zijn als mij dat zou hebben geraakt.
Dat is precies mijn vraag. Komen we niet in een samenleving terecht waarin de vrijheid
van meningsuiting compleet verdwijnt als mensen niks meer mogen zeggen of niks meer
durven zeggen omdat iemand «discriminatie» begint te roepen?
De heer Bamenga (D66):
Wij hebben gewoon wet- en regelgeving. De vrijheid van meningsuiting is een grondrecht.
Het verbod op discriminatie is ook een grondrecht. Allebei gelden dus.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dit weet ik, maar dat was mijn vraag niet. De Grondwet is bedoeld om mensen te beschermen
tegen de overheid. Het Wetboek van Strafrecht beschermt mensen ten opzichte van elkaar
waar er sprake is van discriminatie. Daar ziet nou precies mijn vraag op. Je mag dingen
zeggen die sommige mensen niet fijn vinden om te horen, maar dat wil niet automatisch
zeggen dat het strafbare discriminatie of strafbaar racisme is. De vraag aan de heer
Bamenga is dus: ziet hij die ruimte of ziet hij die niet? We komen anders echt in
een samenleving terecht waarin er een soort bevriezing ontstaat ten aanzien van de
vrijheid van meningsuiting. Onderschrijft hij dat?
De heer Bamenga (D66):
De Grondwet regelt niet alleen maar de relatie tussen overheid en burger, of alleen
de bescherming vanuit de overheid. Het gaat ook om welke verplichtingen de overheid
heeft richting de burger. U noemde net het strafrecht. Het strafrecht gaat ook niet
alleen maar over burgers onderling. Het geeft ook waarborgen voor wat de overheid
wel of niet mag doen. Dit ter volledigheid. Als het gaat om de vraag wat mensen wel
of niet mogen zeggen, zeg ik dat iedereen gewoon vrijheid van meningsuiting heeft,
maar dat die niet onbegrensd is. Dat betekent dat als je geweld predikt, haatzaait
of discrimineert, daar de grens ligt.
De voorzitter:
Ik zie dat dit debat is afgerond. Ik kijk even of er nog andere vragen zijn. Ja, van
de heer Schenk.
De heer Schenk (FVD):
Het ging even over de vrijheid van meningsuiting. Dat is soms natuurlijk een lastige
discussie, want waar houdt die vrijheid van meningsuiting dan op? Nu hoorde ik hier
net rechts van mij, maar links op het politieke spectrum, iets over die azc-protesten
die we de afgelopen weken gezien hebben. Die werden al heel snel in de hoek van extreemrechts
geweld gedrukt. Waar ligt dan de grens? Wanneer is iets dan extreemrechts geweld en
wanneer is iets gewoon hele legitieme kritiek op het migratiebeleid van dit kabinet?
Mijn fractie merkt in ieder geval dat nu zo ongeveer alles wat gezegd wordt over een
azc in de hoek van racisme gedrukt wordt. Dat is een situatie waarin we niet terecht
zouden moeten willen komen met z’n allen.
De voorzitter:
Aan het slot van uw termijn noemde u racisme; dat is inderdaad onderwerp van dit debat.
Daarvoor was het vooral iets dat betrekking heeft op het debat van hedenavond. Nogmaals
doe ik de oproep aan de commissie. Niettemin gaat u over uw eigen inbreng.
De heer Bamenga (D66):
Het gaat natuurlijk om een protest op het moment dat iedereen gebruikmaakt van zijn
grondrecht en het demonstratierecht. Dan gaat het over een protest. Maar als er sprake
is van geweld, van geweld dat gedreven wordt vanuit extreemrechts, spreek je dus van
extreemrechts geweld.
De voorzitter:
De heer Schenk in laatste instantie.
De heer Schenk (FVD):
Maar laten we het er dan wel over eens zijn dat demonstreren, ook tegen de komst van
een azc, heel legitiem is, dat het heel goed is dat mensen gebruikmaken van dat recht,
en dat het onterecht is om al die mensen die zorgen hebben over de massale immigratie
op één hoop te gooien en als extreemrechts aan te merken. Ik hoop dat we het daarover
eens zijn.
De heer Bamenga (D66):
Ik denk dat mensen aangeduid worden als extreemrechts op het moment dat er sprake
is van extreemrechts geweld. Ik ben het er volledig mee eens dat je dat inderdaad
op die manier moet aanduiden als daar sprake van is. Daar waar sprake is van een legitieme
demonstratie, ongeacht wat de inhoud daarvan is en of we het daar nou wel of niet
mee eens zijn, is er gewoon sprake van een legitieme demonstratie. Ik vind dat die
in ieder geval zo goed mogelijk gefaciliteerd moet worden.
De voorzitter:
Dank. Volgende week is er trouwens ook een debat over het demonstratierecht. Dat geef
ik de commissie nog ter overweging mee. Ik kijk of er nog verdere interrupties zijn.
Ik zie dat dat niet het geval is. Dan gaan de heer Bamenga en ik wisselen van rol.
Ik dank de heer Bamenga dat hij deze buitengewoon zware verantwoordelijkheid op zich
wil nemen.
Voorzitter: Bamenga
De voorzitter:
Oké. Dank u wel. We gaan door naar de volgende spreker. Dat is mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, dank. GroenLinks-PvdA maakt zich grote zorgen over de aard en omvang van
discriminatie en racisme in Nederland. Afkomst, religie en seksuele gerichtheid, om
maar een paar gronden te noemen, blijken te vaak aanleiding voor haat en geweld. In
het bedrijfsleven, zoals in de financiële dienstverlening, worden mensen met een niet-westerse
achtergrond substantieel vaker getroffen door discriminatoire uitsluiting dan mensen
met een westerse achtergrond. Ook overheden maken zich, soms onbedoeld, schuldig aan
onaanvaardbaar onderscheid. Bovendien rapporteerde de Nationaal Coördinator tegen
Discriminatie en Racisme drie weken geleden over de ongelijkwaardige behandeling van
inwoners van Caribisch Nederland en noemde dat ook discriminatie. Mensen van de reis,
woonwagenbewoners, worden bij het toewijzen van staanplaatsen nog te vaak onderworpen
aan een Bibob-onderzoek, zonder dat dit goed onderbouwd is. Dan hebben we ook nog
de toename van uiteenlopende vormen van anti-Aziatische stereotypering in de media
en in het onderwijs. Een op de drie Aziatische Nederlanders ervaart discriminatie.
Dat betrof 15% van de cijfers in de Monitor Discriminatie 2025. Er tekent zich volgens
mij een te breed patroon af van normalisering, waardoor de blinde vlek hiervoor in
de samenleving alleen maar groter wordt.
In dat licht zou je verwachten dat het nieuwe kabinet, zonder radicaal-rechtse partijen,
dit dossier na ruim twee jaar stilstand voortvarend zou oppakken, maar ook dit kabinet
kiest weer voor een versnipperde aanpak en versnipperde verantwoordelijkheden. Als
wij om die reden als Kamer meerdere bewindspersonen uitnodigen voor dit debat, zoals
we ook hebben gedaan, weigert de Minister van SZW, verantwoordelijk voor moslimdiscriminatie
en arbeidsmarktdiscriminatie, hiernaartoe te komen. Ik vind dat heel problematisch.
Bovendien begrijp ik niet waarom het kabinet er in zijn constituerend beraad opnieuw
voor heeft gekozen dat vijf departementen en bewindspersonen verantwoordelijk zijn
voor de aanpak van discriminatie. Zou de Minister deze keuze willen toelichten?
Dit wordt natuurlijk de eerste keer dat we met deze Minister spreken over discriminatie
en racisme. Ik ben blij dat hij er wel is. Misschien is het goed om hem vooraf om
een plaatsbepaling te vragen over de inzet. Zijn voorgangers waren bepaald niet vooruit
te branden op discriminatiebestrijding. Hoe ziet Minister Heerma deze stilstand? Wat
gaat hij anders doen? Ik verwacht een actievere inzet van deze Minister en niet meer
van hetzelfde, zoals zijn voorgangers in het vorige kabinet.
De ambities in het regeerakkoord zijn goed te noemen, maar zijn wat ons betreft niet
hoog genoeg. Er staan een aantal mooie maatregelen in het regeerakkoord, die wij ook
zeker zullen steunen. Hiervoor is echter geen geld gereserveerd; ik refereerde er
net al aan. Wat hebben we dan aan die mooie woorden in het regeerakkoord? Kan de Minister
toelichten hoe hij die maatregelen in het regeerakkoord zonder financiële middelen
gaat uitvoeren?
Voorzitter. Dan zou ik graag mijn verbazing willen uitspreken over de discriminatietoets.
Mijn collega van D66, nu de voorzitter, refereerde daar net ook al aan. Ik was enigszins
verbaasd over het bericht van afgelopen week dat de door de staatscommissie geadviseerde
discriminatietoets niet bij alle overheidsorganisaties zal worden uitgerold. Er ligt
gewoon een Kameruitspraak om dit wel te doen. Wij willen niet dat overheidsbeleid
welbewust discrimineert. Dat gebeurt gelukkig ook niet altijd welbewust, maar soms
juist per ongeluk. Juist daarvoor is die discriminatietoets zo goed. Denk aan het
toeslagenschandaal. Daarna hebben we gezegd: dit nooit meer. Met die discriminatietoets
kunnen we dat mogelijk maken. Al ruim 40 overheden hebben zo’n toets uitgevoerd of
zitten in dat proces. Dat zegt wel iets over het enthousiasme en het draagvlak om
onbedoeld discriminerende werkwijzen aan te pakken. Ik vind het heel jammer dat de
Minister dit momentum voorbij laat gaan om een echt structurele aanpak van discriminatie
vanuit de overheid te faciliteren.
Kan de Minister onderbouwen hoe hij tot deze beslissing is gekomen, in de wetenschap
dat er een Kameropdracht ligt en dat deze discriminatietoets door een groep experts
van de staatscommissie is gemaakt en goed is uitgedacht? Wij vinden aanbevelingen
van staatscommissies, nationaal coördinatoren en het College voor de Rechten van de
Mens namelijk niet vrijblijvend. Dat zijn functionarissen en adviesorganen met gezag.
Hun aanbevelingen zouden niet zomaar terzijde geschoven moeten worden. Wat mij betreft
gebeurt dat nu te vaak. Ik vind het echt onbestaanbaar hoelang we in dit land doormodderen
zonder een serieuze aanpak van discriminatie en racisme. Er zijn zo veel misstanden
en dan wordt zoiets simpels als de discriminatietoets terzijde geschoven. Ik vind
dat onbegrijpelijk.
In het regeerakkoord staat nu gelukkig dat de NCDR een wettelijke verankering krijgt.
Daar ben ik blij mee. Maar dan moet er ook serieus naar het budget gekeken worden.
Hetzelfde geldt voor het College voor de Rechten van de Mens. Het college krijgt extra
taken bij de beoordeling vanwege eenzijdig overheidshandelen, maar dan moet er ook
welwillendheid zijn om, indien nodig, extra budget toe te voegen als het aantal zaken
bij het College voor de Rechten van de Mens de budgetten overstijgt.
Voorzitter. Dan had ik nog vragen over de motie die oproept om Roma, Sinti en woonwagenbewoners
te erkennen als nationale minderheid. Die motie is vorig jaar vlak voor het zomerreces
aangenomen. Ik vraag me af hoe het met de uitvoering daarvan gaat. Ik vraag me ook
af hoe dit zich verhoudt tot de bevindingen van de NCDR van afgelopen week. Zou de
Minister hierop kunnen reflecteren?
Voorzitter. Discriminatie en racisme zijn niet alleen een schending van waardigheid,
maar kosten, plat gezegd, ook gewoon heel veel geld. Denk aan studenten die geweigerd
worden op een stageplaats, financiële dienstverleners die mensen als klant weigeren
en mensen die thuis komen te zitten door arbeidsmarktdiscriminatie. Het plaatst ambitieuze,
kundige mensen op een achterstand en dat kost geld. De Arbeidsinspectie gaat ervan
uit dat alleen al arbeidsmarktdiscriminatie 20 miljard euro per jaar kost. Ik zou
daarom willen voorstellen om een breed onderzoek te doen naar de maatschappelijke
kosten van discriminatie en racisme in zijn geheel, dus alle verschillende discriminatiegronden.
Uitgerekend het radicaal-rechtse kabinet in Italië neemt daartoe het initiatief. Ik
roep de Minister op om dit ook te doen. Ik vraag me af hoe hij daarnaar kijkt. Dan
kunnen we namelijk nog beter meten wat de impact van discriminatie is, maar ook van
het beleid daartegen.
Tot slot. Ik zou graag snel een voortzetting zien van het Nationaal Programma tegen
Discriminatie en Racisme. Dat is uit het regeerakkoord gehaald, maar de aangenomen
motie-Van Baarle roept daartoe op. Ik zou vooral graag willen weten wat de ambities
zijn en binnen welk tijdpad wij die kunnen verwachten van de Minister. Ik hoor graag
hoe hij de versnipperde verantwoordelijkheden bij elkaar gaat brengen. Ik zou ook
graag willen weten hoe hierin aandacht wordt besteed aan discriminatie van specifieke
groepen, zoals anti-Aziatisch racisme, moslimdiscriminatie en antizwart racisme.
Voorzitter, ik rond af. Discriminatie is een veelkoppig monster en dat is ook echt
niet altijd in beleid en regels te vatten, maar we moeten in Den Haag echt beter ons
best doen om systemen en regelgeving zodanig vorm te geven dat het zo min mogelijk
voorkomt.
De voorzitter:
Komt u tot een afronding?
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Dit is mijn laatste zin. De denkrichtingen liggen er, maar met denkrichtingen alleen
zorgen we er niet voor dat discriminatie verdwijnt. Dus niet denken, maar doen, zou
ik tegen deze Minister willen zeggen.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie een interruptie van mevrouw Keijzer.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Die gaat over dat eenzijdig overheidshandelen. Als ik het goed begrijp, gaat daar
weer een heel gebeuren voor worden opgetuigd, met bijbehorende instituties en ambtenaren,
terwijl je tegen eenzijdig overheidshandelen al bezwaar kunt indienen. Schiet dit
niet een beetje door?
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Er wordt niet iets heel nieuws opgetuigd. Mensen kunnen gewoon met hun klacht over
eenzijdig overheidshandelen terecht bij het College voor de Rechten van de Mens. Dat
bestaat al heel lang.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Maar wat gaat er dan weer allemaal extra komen, waardoor meneer Bamenga en u erover
spraken, terwijl er dus al mogelijkheden voor zijn? We hebben het constant over de
gigantisch grote overheid, het aantal ambtenaren die daarvoor nodig zijn en dat we
daar wat aan willen doen. Elke keer weet de meerderheid van de politiek daar weer
iets aan toe te voegen. Is dit nou echt nodig bovenop alles wat er al is?
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ten eerste heb ik het eigenlijk nog nooit gehad over een hele grote overheid of dat
er te veel ambtenaren zouden zijn. Ten tweede heb ik nu ook niet voorgesteld om extra
ambtenaren toe te voegen. Ik heb gevraagd of het College voor de Rechten van de Mens
genoeg budget kan krijgen om zaken die mensen daar aanmelden, wat hun goed recht is,
te kunnen behandelen. Dat is wat ik heb gevraagd.
De voorzitter:
Oké. Ik kijk even rond of er nog meer interrupties zijn. Die zijn er niet. Dan ga
ik naar de heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter, ik heb een kort ordevoorstel. Over zes minuten moet er gestemd worden,
en ik moet stemmen. Volgens mij geldt dat voor een aantal anderen hier ook. Ik stel
voor dat ik iemand even voor laat gaan, dan even stem, en daarna weer terugkom en
de draad weer oppak. Volgens mij moet mevrouw Keijzer ook over drie minuten weg.
De voorzitter:
Ik kijk even rond. Zijn daar bezwaren tegen? Nee. Dan gaan we door met collega Flach.
De heer Flach (SGP):
Voorzitter, dank u wel. De situatie is ongekend: er gaat een vloedgolf door onze samenleving
die niet te stoppen is. Nederland zit midden in een discriminatiedrama van ongekende
omvang. Laat eens op u inwerken wie er in ons land allemaal gediscrimineerd worden.
Kinderen worden gediscrimineerd volgens de Kinderombudsman. Volgens de Aziatische
gemeenschap is er een blinde vlek voor anti-Aziatisch racisme. Turken en Marokkanen
voelen zich gediscrimineerd door het gebruik van criminaliteitscijfers. Mbo’ers worden
gediscrimineerd in studentencafés volgens het College voor de Rechten van de Mens.
Minderheden worden volgens de FNV gediscrimineerd op de werkvloer. Vrouwen worden
gediscrimineerd als hun aanwezigheid in de top van beursgenoteerde ondernemingen minder
dan de helft is. Moslims leiden volgens DENK onder discriminerende islamofobie. Trans
vrouwen beroepen zich op discriminatie als ze niet aan vrouwensporten mogen deelnemen.
Niet onbelangrijk: vijftigplussers – daar hoor ik sinds kort ook bij – ervaren discriminatie
als ze solliciteren voor een baan. Dit is nog maar het begin van het lijstje.
Voorzitter. Wie voelt zich inmiddels niet gediscrimineerd in ons land? De SGP zegt
niet dat discriminatie niet bestaat. Toch stel ik bewust de vraag wat het zegt over
de manier waarop wij een samenleving zijn als we overal bronnen van discriminatie
in willen zien. Ik vermoed dat de Nederlandse samenleving als patiënt in de spreekkamer
van een therapeut te horen zou krijgen dat er sprake is van een obsessief-compulsieve
discriminatiestoornis. Die vraagt om behandeling, nietwaar, Minister? Wat blijft er
immers nog van discriminatie over als iedereen zich gediscrimineerd voelt? Leidt deze
inflatie er niet onvermijdelijk toe dat de zwaarste problemen, zoals geweld tegen
de Joodse gemeenschap, meer relatief gemaakt worden? Ik hoor graag een reflectie van
de Minister hierop.
Voorzitter. De SGP vraagt aandacht voor het risico van sluipende juridisering die
onze samenleving aantast. Ik noem twee actuele voorbeelden. Wat we altijd het pesten
van kinderen noemden, was een moreel kwaad, dat door burgers onderling bestreden moest
worden. Natuurlijk had pesten altijd al te maken met bepaalde kenmerken – juist daarom
is het zo venijnig – maar door inbreng van de Kinderombudsman wordt het nu een discriminatievraagstuk.
Is dat wenselijk?
Als tweede actuele voorbeeld ... Ik zal even stoppen hier, vanwege de bel.
De voorzitter:
We houden even rekening met de bel.
De heer Flach (SGP):
Ja.
De voorzitter:
Oké. U kunt uw bijdrage nu vervolgen. Even aandacht voor de heer Flach, graag.
De heer Flach (SGP):
Voorzitter, dank u wel. Ik vervolg mijn betoog. Als tweede actuele voorbeeld noem
ik de apotheker die als beleid heeft om alle middelen te verstrekken die genezen en
verzachten, maar geen middelen te verstrekken die het leven afbreken. Jarenlang was
dat geen probleem, maar door een opiniestukje van een dolle mina in de krant is er
nu de verdenking van discriminatie. Minister, is dit de richting die we op moeten?
Voorzitter. De SGP vindt dat de overheid geen discriminatiecultus mag voeden, maar
dat het eerder tijd is om te gaan afremmen. Er is al een indrukwekkende lijst aan
agenda’s, sessies, loketten, voorzieningen, actieplannen en wetgeving. Daar moet eerder
iets van afgaan dan iets bij komen. Laat het kabinet dus geen tijd steken in nóg een
rijksbrede en overkoepelende aanpak van discriminatie. Ik vraag de Minister: doen
we er echt verstandig aan om een klachtenoptie over eenzijdig overheidshandelen in
de Algemene wet gelijke behandeling te zetten? Dit vraagt om nog meer inzet van mensen
en middelen, zo blijkt uit de stukken. De toch al kreunende overheid kan hierdoor
nog verder in de verdachtenbank terechtkomen.
Voorzitter. De SGP verwondert zich ook over de aandacht die islamofobie in korte tijd
heeft verworven. In een slechte bui zou je bijna denken dat de Moslimbroederschap
al behoorlijk aan het oogsten is binnen onze instituties. De SGP vraagt het kabinet
om hier echt kritischer mee om te gaan. Hoe is het mogelijk dat de Internationale
dag tegen islamofobie nu al als een soort natuurverschijnsel in een beslisnota van
ambtenaren staat, terwijl deze dag pas in 2022 op dubieuze wijze door de VN is verzonnen?
Het is ronduit discriminerend dat de VN in de betreffende resolutie wel andere vormen
van discriminatie onderkent, zoals antisemitisme en christianofobie, maar vervolgens
alleen een internationale dag tegen islamofobie uitroept. Tekent Nederland daar bezwaar
tegen aan, Minister? Houden we ons hier verre van?
In diezelfde lijn vindt de SGP ...
De voorzitter:
U heeft een interruptie van de heer Van Baarle.
De heer Van Baarle (DENK):
Waar ik bij politieke partijen zoals de SGP een beetje klaar mee ben, is die constante
dubbele maat. Het is terecht dat er een plan is tegen antisemitisme. Het is ook terecht
dat de SGP en andere politieke partijen – wij doen dat ook – bezwaar maken tegen antisemitisme
en de overheid oproepen om daar wat aan te doen. Maar als er tegelijkertijd een plan
wordt gevraagd tegen moslimhaat, dan zegt de SGP: dat moeten we niet doen. De SGP
vraagt om geld voor de beveiliging van synagogen, maar als er dan tegelijkertijd gevraagd
wordt om geld voor de beveiliging van moskeeën die te maken hebben met incidenten
– er was afgelopen week nog een haatincident bij een moskee – dan zegt de SGP nee.
Ik snap niet waarom de SGP elke keer weer shopt in discriminatievormen. De SGP wil
terecht antisemitisme bestrijden en terecht de vervolging en uitsluiting van christenen
bestrijden, maar als het gaat om het beschermen van moslims in de samenleving, wordt
dat weggewuifd, wordt er niet thuis gegeven en wil de SGP niets doen. Waarom?
De heer Flach (SGP):
Het antwoord op die vraag is eigenlijk heel eenvoudig. Vanmorgen is er in Nederland
één school gesloten vanwege een dreiging, en dat is een joodse school. Dat is niet
voor niks: dat is de groep die het zwaarst onder druk staat in ons land. Die groep
wordt enorm bedreigd. Daarom hebben wij antisemitisme ook als apart misdrijf in onze
wet staan. Mensen die proberen om islamofobie op één lijn te zetten of gelijk te stellen
aan antisemitisme, minachten daarmee de geschiedenis en verdraaien de werkelijkheid
in het heden.
Ik ontken helemaal niet dat er ook weleens een aanval op een moskee zal zijn. Die
zijn er ook op kerken; als je zoekt op «vernielingen of bekladdingen van kerken» kom
je hele lange rijen tegen. Toch vraag ik hier niet om een speciale aanpak tegen christenhaat.
Antisemitisme is een dermate ingrijpend, historisch geworteld kwaad, dat het een aparte
plek in onze wet heeft gekregen. Daarom is dit geen dubbele maat. Sterker nog, ik
vind het een dubbele maat zoals er nu met dit onderwerp wordt omgegaan, met die internationale
dag.
De heer Van Baarle (DENK):
Als we beginnen over kennis van de geschiedenis en hoe wegkijken van de retoriek over
en discriminatie van groepen een verschrikkelijke uitwerking kan hebben, dan zou ik
tegen de heer Flach willen zeggen: misschien kent u de geschiedenis wel niet goed
genoeg. We zien namelijk dat er elk jaar tientallen incidenten rond moskeeën gemeld
worden. Denk aan het plaatsen van varkenskoppen, of islamitische scholen die vernielingen
melden en aangegeven aangevallen te zijn. Denk aan moslima’s die aangeven op straat
beschimpt te worden, maar ook fysiek te maken krijgen met aanvallen vanwege het feit
dat zij een hoofddoek dragen. Dan kan ik er echt met mijn hoofd niet bij dat de SGP
niet alleen spreekwoordelijk, maar ook in de praktijk terecht heel barmhartig is als
het gaat om het bestrijden van antisemitisme ... Ik vind ook dat dat moet gebeuren;
het feit dat die school dicht moet, vind ik schandalig. Maar ik blijf erbij dat het
ook een schandaal is dat dezelfde voortvarendheid niet te zien is bij de SGP als het
gaat om het bestrijden van moslimhaat. Sterker nog, dan wordt het onder de tafel geveegd ...
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
De heer Van Baarle (DENK):
... en afgedaan als een soort klaagzang. Waarom is er die dubbele maat?
De heer Flach (SGP):
Ik begrijp niet zo goed waarom collega Van Baarle zo op zoek is naar dat slachtofferschap.
Laat het volgende helder zijn: de voorbeelden die hij noemt – die lees ik ook in de
krant of elders – zijn verwerpelijk. Je hoort niemand te bedreigen en aan te vallen,
maar daar hebben we in Nederland gewoon al algemene wetgeving voor. Ik betoog dat
ik geen enkele aanleiding zie om in dit geval moslims als aparte groep een plek in
de wet te geven omdat ze apart of meer geweld moeten ondergaan. Ik zet daartegenover
dat kerken ook belaagd worden en dat christenen ook niet vragen om die plek hier in
Nederland. Er is wel een aparte groep die beschermd moet worden, vanuit lange, historische
en verdorven wortels; ik heb het over antisemitisme. Joden hebben in ons land nauwelijks
nog een plek. Het is een hele kleine groep. Ik zeg het nog maar een keer: er is maar
één basisschool in Nederland met hekken eromheen van gekarteld metaal, met vijf mensen
voor de poort, die vandaag niet open kon gaan vanwege extreme dreiging. Daarom is
het goed dat dat geworteld is in onze wet. Maar onze wet is robuust genoeg om al die
voorbeelden die u noemt, aan te pakken, net als alle andere voorbeelden van verwerpelijk
geweld en belaging.
De voorzitter:
Dank u wel. Laten we de vragen beknopt houden. Ik zie verder geen interrupties. Dan
vervolgt u uw betoog.
De heer Flach (SGP):
Prima, voorzitter.
In dezelfde lijn vindt de SGP het problematisch dat de Nationaal Coördinator tegen
Discriminatie en Racisme alleen een programmaleider moslimdiscriminatie heeft benoemd.
Is het niet vreemd dat juist deze instantie zich zo eenzijdig opwerpt voor een bepaalde
groep? Het kabinet kan zich niet volledig verschuilen achter de inrichtingsvrijheid
van de Nationaal Coördinator. Als het kabinet een nationale coördinator aanstelt,
dan is de evenwichtige uitstraling van die coördinator toch nog altijd een zaak van
het kabinet?
De SGP vindt het gebruik van de term «islamofobie» ronduit misleidend. Uiteraard is
vrees voor moslims bij mensen onderling niet wenselijk, maar daarmee mag terechte
vrees voor de islam als godsdienst niet op voorhand verdacht worden gemaakt. Weerstand
tegen de islam is niet vreemd, als we letten op de vreselijke dingen die wereldwijd
gebeuren. Denk aan de jihadistische dreiging waarover onze diensten rapporteren en
de subtiele invloed van organisaties zoals de Moslimbroederschap. Erkent de Minister
voluit het recht om kritiek te hebben op de islam? Houdt het kabinet dan in ieder
geval afstand van de term «islamofobie»?
Voorzitter. De SGP wil zich verre houden van een krampachtige hang naar slachtofferschap.
Daarom vindt de SGP tot op heden dat we in een nationale aanpak van discriminatie
alleen bijzondere aandacht moeten hebben voor antisemitisme, en dus niet voor christenen,
moslims en andere groepen. De geschiedenis roept ons op tot een bijzondere zorg voor
de Joodse gemeenschap. Als er al moslimhaat is, dan is die niet veel anders dan haat
tegen christenen. Als moslims concrete problemen hebben, bestaan er in ons land veel
voorzieningen waar vervolgde christenen in islamitische landen alleen maar van kunnen
dromen.
Inmiddels zijn we echter op een historisch dieptepunt beland. Aan de lijst van discriminatievormen
zouden we een nieuwe vorm kunnen toevoegen, namelijk: natiediscriminatie. Dat is natie
met een t. Er lijkt nog maar één groep over die bij bescherming tegen discriminatie
buiten de boot valt. Dan heb ik het over de christelijke cultuur en traditie van ons
land en continent. De Raad van Europa waarschuwde in 2015 al dat de tolerantie voor
christenen in de EU afnam. Rapporten in de EU laten de afgelopen jaren een zorgwekkende
trend van incidenten tegen christenen zien. In januari van dit jaar betreurde het
Europees Parlement in een resolutie dat er wel een Europees coördinator tegen islamofobie
is, maar geen coördinator tegen christenfobie, terwijl het christendom de meest vervolgde
godsdienst ter wereld is. Hoe kijkt de Minister hiernaar? Hoe wil hij onze eigen cultuur
en tradities en onze oudste nationale vrijheden van geweten en godsdienst beter beschermen
en uitdragen?
Voorzitter, tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie dat mevrouw Tseggai een interruptie heeft.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik was eigenlijk niet van plan om te interrumperen op het betoog van de heer Flach,
maar hij sprak zichzelf wel echt gigantisch tegen met die laatste vraag. De heer Flach
zei: «Ik vind niet dat moslims een aparte aanpak verdienen. Christenen vragen daar
ook niet om. Dat hoeft allemaal niet; dat is nooit erger dan het voor christenen is,
dus het is niet nodig.» Maar wat wil hij dan nu van de Minister, gelet op die laatste
vraag?
De heer Flach (SGP):
Ik spreek mezelf niet tegen. Ik heb het volgende gezegd: als er aanvallen plaatsvinden
op christelijke gebouwen zoals kerken, dan zijn er voldoende aanknopingspunten in
onze wet om dat stevig aan te pakken. Dat is wat ik betoogd heb. Ik pleit er dus niet
voor om een aparte aanpak te hanteren. Sterker nog, dat idee heb ik juist ontkracht.
Ik lees alleen wel voor dat het Europees Parlement daar een resolutie over heeft aangenomen
en aangeeft dat we, binnen een cultuur die al eeuwenlang christelijk geworteld is,
eigenlijk nog maar één groep hebben die niet in die lange lijst met «zich gediscrimineerd
voelende groepen» staat: de christenen. Dat is wat ik hier op heb gesomd. Dat past
uitstekend in mijn betoog.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
De heer Flach heeft het steeds over «je gediscrimineerd voelen». Maar «je gediscrimineerd
voelen» is iets anders dan daadwerkelijk gediscrimineerd worden. Ik snap dat de SGP
zich zo inzet voor de Joodse gemeenschap en de aanpak van antisemitisme. Dat vind
ik echt heel terecht. Maar naast antisemitisme is na 7 oktober ook moslimhaat in Nederland
schrikbarend toegenomen. Er is een aparte coördinator voor antisemitisme – terecht!
– en de Nationaal Coördinator zegt nu: laten we een apart programma maken voor moslimdiscriminatie.
Ik begrijp met alle wil van de wereld niet waarom je als christelijke partij het geloofsbroeders
en -zusters van een ander geloof niet gunt om hun religieuze vrijheid in Nederland
ook beschermd te zien, ongeacht of dat nu Joden, moslims of hindoes zijn. Ik vind
dat hypocriet. Als iemand met eveneens een christelijke achtergrond – dat zeg ik er
even bij – heb ik daar heel grote moeite mee.
De heer Flach (SGP):
Hier gebeurt iets wat ik niet gezegd heb. Hier worden mijn woorden verdraaid. Ik zeg
niet dat mensen die islamitisch zijn, niet beschermd hoeven te worden of niet hun
geloof kunnen uitdragen. Sterker nog, daar voorziet de Nederlandse wetgeving al in.
Onze Grondwet regelt dat. Die rechten zijn er al volop. In onze ogen is het volstrekt
niet aan de orde dat er een aparte aanpak van moslimhaat zou moeten komen, omdat onze
wet daar al voldoende bescherming voor biedt. Er is gewoon niet aangetoond dat dit
een groep is die extra bescherming nodig heeft. Ik bestrijd dat ook. Ik zet daartegenover
dat ook christenen daar niet om vragen. Mijn woorden worden op deze manier wel echt
verdraaid. Onze wet is voldoende robuust om iedereen in Nederland de vrijheid te geven
om dat geloof te belijden. Er is maar één groep die wat ons betreft een aparte status
moet hebben. Vanuit de lange historische lijnen van antisemitisme is dat de Joodse
gemeenschap. Dat is volgens mij heel terecht.
De voorzitter:
Dank. Dan ga ik nu naar de heer Van Baarle voor zijn bijdrage.
De heer Van Baarle (DENK):
Dank u wel, voorzitter. Ik zou graag willen beginnen met het onderwerp moslimhaat.
Na de donkere periode van het afgelopen kabinet-Wilders, na al die rapporten, cijfers
en waarschuwingen, zou je verwachten dat deze Kamer, maar ook de Nederlandse regering,
eindelijk zou opstaan tegen moslimhaat, maar wat zien we in de praktijk? We zien een
Tweede Kamer die elke keer weer debatten blokkeert die worden aangevraagd over bedreiging,
over bekladding van een moskee of over intimidatie. We zien een Tweede Kamer die wegkijkt
wanneer vrouwen met een hoofddoek geen eerlijke kans krijgen op de arbeidsmarkt. We
zien een Tweede Kamer die stil blijft wanneer blijkt dat er jaar na jaar steeds meer
moslims te maken krijgen met discriminatie en wanneer onderzoek na onderzoek blootlegt
wat moslims al jaren ervaren in ons land, namelijk dat niet de daders worden aangepakt,
maar dat de onderzoeken worden aangevallen en dat de positie van moslims in de samenleving
steeds meer onder druk komt te staan.
Voorzitter. Als het gaat om antisemitisme, dan weet deze Kamer gelukkig terecht wel
hoe urgentie eruitziet. Dan staat deze Kamer gelukkig terecht wel op. Dan is er een
eigen aanpak, een eigen strategie. Dan is er regie, dan is er geld en politieke daadkracht.
Terecht, want antisemitisme is een gif en moet keihard worden bestreden. Maar DENK
kan er dan echt niet bij waarom diezelfde urgentie niet gezien wordt wanneer moslims
in onze samenleving te maken krijgen met bedreigingen. Waarom wordt er bij antisemitisme,
terecht, wel gezegd «hier mogen we nooit voor wegkijken!», maar wordt er bij moslimhaat
structureel door deze Kamer weggekeken omdat elk debat door deze Kamer wordt weggestemd?
Waarom krijgt de ene vorm van haat, terecht, een eigen coördinator, een eigen gerichte
aanpak, terwijl moslimhaat elke keer weer blijft hangen in de vrijblijvendheden van
gesprekken, adviezen en elke keer weer uitstelberichten? Waarom krijgen synagogen,
terecht, wel budget voor hun beveiliging, maar krijgen moskeeën dat niet, terwijl
die ook te maken hebben met bedreigingen en intimidaties? Waarom is er wel, terecht,
een plan tegen antisemitisme bij de overheid, maar is dat plan er voor de bestrijding
van moslimhaat niet? Daar is een begrip voor: dubbele maat. Ik vraag aan de Minister:
vanwaar deze dubbele maat?
De voorzitter:
Er is een interruptie van de heer Flach.
De heer Flach (SGP):
Het bleek al een beetje uit de interruptie van zojuist. Wat de heer Van Baarle hier
doet, is heel erg kwalijk. Het fenomeen van antisemitisme is een wereldwijd verbreid
probleem dat al lang bestaat, al millennialang, en iets wat op ons continent nog een
extra verdieping heeft gekregen door de Holocaust, waarin 6 miljoen Joden zijn uitgemoord
voor het enkele feit dat zij Joods waren. Er is geen enkele andere groep waarvoor
daarvan sprake is. Daarom is er niet voor niks in onze wet een aparte aantekening
gemaakt voor antisemitisme als apart misdrijf. Voor alle andere groepen verwerpen
wij net zo goed geweld, uitsluiting en haat; laat dat helder zijn en laat daar geen
misverstand over bestaan. Maar door nu te proberen om de moslimpopulatie in Nederland
op gelijke voet te zetten met de Joodse gemeenschap, minacht de heer Van Baarle hier
echt de geschiedenis en verdraait hij de feiten in het heden. Ik zou hem echt willen
vragen: doet u dat nu bewust of ziet u het verschil echt niet?
De heer Van Baarle (DENK):
Ik denk dat als iemand de geschiedenis minacht, dat de heer Flach is. De laatste genocide
in Europa was in Srebrenica: de afslachting van moslims. Weet de heer Flach dat? En
moslimhaat, alsof dat ook niet een fenomeen zou zijn dat al ontzettend lang, decennialang
bestaat. Sterker nog, hier in dit huis verdienen politici er al decennialang hun brood
mee om de moslimhaat in de samenleving aan te wakkeren. Wat ik kwalijk vind, is dat
de heer Flach het erover heeft dat vormen van haat bestreden moeten worden, maar dat
hij dat niet doet. U bestrijdt moslimhaat niet, terwijl het voor uw ogen gebeurt;
terwijl voor onze ogen moskeeën te maken krijgen met die intimidaties en bedreigingen.
Bij aanvallen op islamitische scholen zegt de SGP elke keer weer: daar gaan we niks
aan doen; er komt geen budget voor, er komt geen plan voor. Dat is kwalijk. Dat is
niks begrepen hebben van de geschiedenis. Dat is wegkijken. Ik vind dat de heer Flach
zich daarvoor dient te schamen.
De heer Flach (SGP):
Srebrenica op één lijn met de Holocaust zetten ... Ik laat dat maar even buiten beschouwing;
daar mag eenieder zelf over oordelen. Maar wat dan werd gezegd, is gewoon apert onwaar.
We hebben een wet waarin iedereen beschermd is tegen deze uitwassen. Het zou pas kwalijk
zijn als ik zou zeggen dat een bepaalde groep daarvan zou moeten worden uitgezonderd.
Nee, daar valt iederéén onder. Maar wat de heer Van Baarle hier doet, gaat verder:
hij wil een groep verbijzonderen en boven die wet uittillen, die kennelijk niet voldoende
is voor de bescherming van moslims, en een aparte aanpak, een aparte strafbaarheid,
een aparte coördinator en alles wat daarmee samenhangt plakken op een groep die in
mijn ogen gewoon onderdeel is van de Nederlandse samenleving en dus ook op diezelfde
manier beschermd wordt. Door dit op één lijn te willen zetten met antisemitisme, draagt
de heer Van Baarle bij aan het vervlakken van het begrip «antisemitisme», dat in Nederland
onder grote druk staat. De heer Van Baarle weet net zo goed als ik dat 25% van de
Nederlanders inmiddels geen moeite meer heeft met antisemitisme, en dat dat alleen
maar toeneemt. En daar draagt hij met dit soort uitspraken aan bij. Ik neem dat de
heer Van Baarle zeer kwalijk.
De heer Van Baarle (DENK):
Ik vervlak helemaal niet de discussie over antisemitisme. Integendeel, mijn partij
doet altijd voorstellen om de inspanningen om discriminatie te bestrijden, waaronder
antisemitisme, te vergroten. Ik vind dat een gif, ik vind dat verwerpelijk en ik laat
me dit ook niet in de schoenen schuiven. Ik heb ook niet de Holocaust een-op-een gelijkgesteld
aan de genocide in Srebrenica. Ik heb de heer Flach er wel op gewezen dat hij zijn
geschiedenis niet kent. De laatste genocide op het Europese continent was een genocide
op moslims, in Srebrenica.
En inderdaad, de wet dient iedereen te beschermen. Dat staat op papier. In de praktijk
zien we dat die wettelijke bescherming in het bijzonder voor Nederlandse moslims niet
van de grond komt, omdat moskeeën aan de lopende band te maken krijgen met dreigbrieven,
met intimidaties en haatacties, omdat er verschrikkelijke leuzen geroepen worden,
omdat we op basis van enquêteresultaten zien dat een ontzettend groot deel van de
Nederlandse bevolking nog steeds aangeeft dat het moeite heeft met bijvoorbeeld een
moslim krijgen als buurman. We zien dat dames met een hoofddoek structureel afgewezen
worden op de arbeidsmarkt als ze solliciteren. Daar moet wat aan gebeuren. Als de
SGP dan elke keer weer zegt «Dat doen we niet. Daar willen we niks aan doen.», en
dat in het geval van antisemitisme, terecht, wel, dan is daar maar één woord voor.
Het zijn twee woorden: «dubbele maat».
De voorzitter:
Ik wil nog even opmerken dat de vragen echt langer dan een minuut duren. Dat is echt
te lang, dus graag korter met de vragen en, als het kan, ook de antwoorden wat korter.
De heer Flach, nogmaals.
De heer Flach (SGP):
Ja, voorzitter. Ik weet niet of de heer Van Baarle het niet wil begrijpen of het echt
niet begrijpt. Ik zeg niet dat daar niks aan moet gebeuren. Antidiscriminatie ligt
al vast in onze wet. Onze Grondwet en de Algemene wet gelijke behandeling bieden voldoende
aanknopingspunten daarvoor. Ik bestrijd alleen het betoog van de heer Van Baarle dat
hij één groep in de Nederlandse samenleving boven alle andere groepen uit wil tillen
en die nog eens een aparte behandeling wil geven, omdat dat probleem kennelijk onbeheersbaar
is en groter dan voor andere groepen. Dat slachtofferschap stel ik aan de kaak. Ik
werp dus verre van me dat ik daar niks aan zou willen doen, maar het verbijzonderen
van één specifieke groep naast die ene groep die ik net heb genoemd, vind ik niet
passend.
De heer Van Baarle (DENK):
Ja, kijk, dáár maak ik dus bezwaar tegen. Precies dit. De heer Flach zegt: alleen
voor één groep in de samenleving mag een plan tegen discriminatie gemaakt worden;
alleen voor één groep in de samenleving mag aandacht zijn voor de beveiliging van
religieuze gebedshuizen, en voor andere groepen niet. Ik vind het terecht dat er aandacht
is voor de bestrijding van discriminatie, maar als de heer Flach zegt dat hij niet
zegt dat er niks moet gebeuren, waarom stemt hij dan consequent tegen extra geld voor
het bestrijden van discriminatie? Als hij zegt dat het niet zo is dat er niks moet
gebeuren, waarom stemt hij dan consequent tegen debatten om het te hebben over de
beveiliging van gebedshuizen? Als de heer Flach zegt dat hij niet vindt dat er niets
moet gebeuren, waarom stemt hij dan consequent tegen bijvoorbeeld borgen dat er een
nationaal plan is en ook dat er een Nationaal Coördinator tegen Discriminatie is?
Het zijn allemaal lege woorden. De heer Flach bewijst lippendienst, maar wuift het
hele probleem aan de andere kant weg, en hij doet dat ook nog eens op een manier waarbij
slechts één groep in de Nederlandse samenleving op de hulp van de Nederlandse overheid
kan rekenen. Heel erg kwalijk.
De heer Flach (SGP):
Ik zou bijna willen zeggen: hoever kan framing gaan? Ik heb het nu drie keer uitgelegd:
iedereen in Nederland valt onder de bescherming van de Nederlandse wet en Grondwet.
We hebben alleen met z’n allen vanuit historisch perspectief één groep bijzondere
aandacht gegeven, omdat dat kwaad zó wijdverbreid om zich heen heeft gegrepen op het
Europese vasteland dat we dat ook hebben moeten doen. Nou goed, waarom ik tegen die
moties stemde – laat dat helder zijn – is dit. Ik heb aan het begin van mijn betoog
gezegd dat discriminatie om zich heen grijpt als een gulzig monster, en dat steeds
grotere groepen mensen zeggen zich gediscrimineerd te voelen. En ook: waar is het
incasseringsvermogen? Wanneer zie je iets ook eens als normaal pesten? Ik bedoel,
wat ik in mijn jeugd heb meegemaakt, zou je misschien onder de huidige maatstaven
«discriminatie» noemen, maar ik noem het gewoon «pesten». Met andere woorden, ik heb
ook een betoog gehouden om discriminatie en de aanpak ervan te normaliseren en dus
om niet alles «discriminatie» te noemen, want op het moment dat je dat doet, is niets
meer discriminatie.
De heer Van Baarle (DENK):
De heer Flach zegt: iedereen is gelijk voor de wet. Maar dat is niet wat de SGP zegt.
De SGP zegt: iedereen is gelijk voor de wet, behalve moslims. Dat is wat de SGP zegt.
In een afgelopen debat heeft de SGP zelfs gepleit om islamitische vluchtelingen die
naar Nederland komen, af te wijzen, omdat de SGP liever christenen opvangt dan moslims.
Dat is gewoon discriminatie. De SGP heeft zelfs een anti-islammanifest gepubliceerd,
waarin alle religieuze vormen van vrijheid die in ons land zijn geregeld, uitgezonderd
worden voor moslims, omdat de SGP een strijd wil voeren tegen de aanwezigheid van
de islam in Nederland. De SGP is helemaal niet voor gelijke rechten. De SGP is voor
gelijke rechten, behalve voor moslims. Ik zou ook zeggen: behalve voor vrouwen, gezien
de treurige historie binnen uw partij, waarin vrouwen voor een hele lange tijd niet
eens een openbare rol konden vervullen of volksvertegenwoordiger konden zijn. Ik vind
dat een bloody shame. De heer Flach zou de woorden «gelijke behandeling» niet eens
in de mond mogen nemen.
De heer Flach (SGP):
De heer Van Baarle begint nu zijn toevlucht te nemen tot een soort jij-bakken. Dat
mag natuurlijk. Ik wil proberen het debat op de inhoud te houden. Ik vind dat er in
Nederland ook kritiek mag zijn op godsdiensten. Weet de heer Van Baarle hoe er in
satirische programma’s de draak wordt gestoken met het christendom en wat voor grappen
er gemaakt worden die gewoon godslasterlijk en discriminerend zijn? Daarover hoor
of zie je nooit een gewelddadige uiting of bedreiging vanuit de christelijke hoek.
Weet de heer Van Baarle bijvoorbeeld ook dat de onder ons bekende Arjen Lubach geen
grappen durft te maken over de islam? Ik heb daarom in mijn betoog gepleit: laat er
ruimte blijven voor kritiek op een godsdienst, omdat het valt onder de vrijheid van
meningsuiting. Dat is echt iets anders dan dat je de mensen die die godsdienst aanhangen,
discrimineert. Ik maak nadrukkelijk onderscheid tussen aan de ene kant de godsdienst
en de ideologie die daarmee samenhangt, en aan de andere kant de mensen die die belijden.
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer Flach (SGP):
Ik mag toch hopen dat dat duidelijk is en dat de heer Van Baarle zijn zware aantijgingen
in mijn richting zou willen afzwakken.
De heer Van Baarle (DENK):
Ik ga helemaal niks afzwakken. In een vrije samenleving moet er altijd ruimte zijn
voor kritiek en gesprekken over religie, welke religie dat ook is. Daar gaat het helemaal
niet om. Het gaat erom dat de SGP voorstellen doet die openlijk discrimineren. Ik
zeg het nog een keer. Het was uw partij die bij het debat over asiel en migratie zei:
we moeten vluchtelingen gaan selecteren op basis van cultuur en religie. Dat betekent
heel concreet dat iemand die moslim is en hier komt, afgewezen wordt en iemand die
christen is, volgens de SGP wel mag komen, want die lijkt meer op ons. Ik heb gewezen
op het anti-islamplan dat de SGP heeft uitgebracht. Daarin staan maatregelen waarmee
de partij dingen zoals de gebedsoproep en andere zaken die te maken hebben met de
islam, wil verbieden, terwijl die religieuze vrijheden voor andere groepen gewoon
in stand blijven. Dat noem je discriminatie. Ik heb ook gewezen op de kwalijke praktijk
binnen de SGP dat vrouwen geen rol als volksvertegenwoordiger mogen hebben hier in
de Tweede Kamer. Dat is discriminatie, in de richting van moslims en in de richting
van vrouwen. Daar maakt de SGP zich schuldig aan.
De heer Flach (SGP):
Voorzitter, als ik goed meegeteld heb, is dit mijn laatste interruptie. Daarna moeten
we er maar over stoppen, want we komen echt niet nader tot elkaar. Wat mijn collega
Van Dijk heeft betoogd in het debat met de heer Van Baarle, is dat het goed voorstelbaar
is dat je in de spreiding van vluchtelingen over de wereld probeert aan te sluiten
bij de culturele identiteit van landen waar mensen naartoe gaan. Dat heeft hij nadrukkelijk
betoogd. Christenen die in het Midden-Oosten vervolgd worden en eigenlijk nergens
een plek hebben, zou je hier dan bij voorrang moeten opvangen. Mensen die islamitisch
zijn, hebben wellicht andere keuzes in het Midden-Oosten. Dat betekent niet dat je
die mensen andere rechten geeft; je zoekt er alleen een andere plek voor. We kunnen
ervan maken wat we willen, maar we moeten het debat wel zuiver voeren. Ik constateer
dat we, ondanks zes interrupties en het vraag-en-antwoord heen en weer, geen millimeter
dichter bij elkaar zijn gekomen.
De heer Van Baarle (DENK):
Het was toch echt de SGP die in dat debat vunzige platitudes hier de ether in braakte:
moslims kunnen we beter opvangen in islamitische landen en we geven de voorkeur aan
christenen. Dat is discriminatie. Ik kan er geen ander woord voor verzinnen.
Voorzitter. Het feit dat de SGP als politieke partij gewoon het beleid heeft dat vrouwen
hier in de Tweede Kamer geen volksvertegenwoordiger kunnen zijn, is discriminatie.
Ik vind het gewoon heel erg ver gaan, ik vind het héél erg ver gaan, als een politieke
partij die zich schuldig maakt aan discriminatie en die hier alle vormen van discriminatie
een beetje wegwuift alsof het een soort klaagzang is die niet onderbouwd is, dat bij
één groep wel wil aanpakken. Ik blijf erbij dat de SGP hypocriet is, selectief is
en ook nog eens wegkijkt van de terechte noodzaak om discriminatie te bestrijden.
Ik vind dat buitengewoon treurig.
De voorzitter:
Dan ga ik nu naar mevrouw Keijzer.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Laten we teruggaan naar datgene wat de heer Van Baarle hier zegt, namelijk dat er
sprake is van haat. Even gewoon de cijfers: de CBS-publicatie Ervaren discriminatie
in Nederland bevat recente data en daarin wordt gerapporteerd – daar komt het – dat
16,1% van de respondenten die zichzelf als moslim zien, zichzelf gediscrimineerd voelt.
Is dat de haat die de heer Van Baarle hier betoogt, of is de haat het bekladden van
een moskee? Dat mag niet, hè, maar dat is toch ook geen haat? Dat is gewoon gedrag
dat onacceptabel is en waar dan ook tegen wordt opgetreden. Waarom zet de heer Van
Baarle het nou zo extreem aan, behalve omdat dat het verdienmodel is van zijn partij?
De heer Van Baarle (DENK):
Hoor ik nou goed dat mevrouw Keijzer zegt dat het bekladden van een moskee geen haatactie
is? Dan wordt het debat wel heel erg treurig, hoor, als het bekladden van een moskee
met haatsymbolen en haatteksten door mevrouw Keijzer niet als haatactie wordt gezien.
Blijkbaar is dat vrijheid van meningsuiting. Dat is leuk, volgens mevrouw Keijzer.
Gewoon even vrolijk een moskee bekladden, dat is blijkbaar geen haatactie. Echt, mevrouw
Keijzer veegt hier gewoon artikel 1 van de Grondwet maar even van tafel voor Nederlandse
moslims. Voorzitter, ik kan u verzekeren dat als dezelfde soort acties bij synagogen
plaatsvindt, mevrouw Keijzer daar terecht een punt van maakt. En dat is maar goed
ook, want synagogen mag je niet aanvallen. Maar als het dan gaat om moskeeën die te
maken krijgen met een varkenskop voor de deur, om een terroristische aanslag die is
gepleegd op een moskee in Enschede, om andere moskeeën die aan de lopende band met
bloed besmeurde dreigbrieven krijgen, dan is dat blijkbaar geen haat. Kom op zeg,
zeg ik tegen mevrouw Keijzer.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Hier zijn we dus bij het punt waar het over zou moeten gaan. Is dit gedrag acceptabel?
Nee. Maar helaas gebeurt dat in de samenleving wel breder. Hier bij de Kamer komt
dat terecht bij Kamerleden. Het gebeurt bij synagogen. Het gebeurt bij kerken. Dat
is iets anders dan zeggen dat er sprake is van wijdverbreide haat, waar door de belastingbetaler
allerlei geld aan moet worden besteed. Dat is nou precies mijn punt in deze hele discussie
hier. We hebben helaas een gebroken schepping. Mensen misdragen zich helaas. Daar
treed je tegen op. Dat is iets anders dan doen alsof er sprake is van moslimhaat in
onze samenleving. Zou de heer Van Baarle willen ingaan op de 16,1% van de moslims
die zichzelf gediscrimineerd voelt? Vóelt. Dat is namelijk iets anders dan dat er
sprake ís van discriminatie en dat is ook iets anders dan dat je vindt dat er een
heel beleid moet worden geformuleerd boven op het algemene beleid dat wij in Nederland
hebben. Zou de heer Van Baarle daarop willen ingaan?
De heer Van Baarle (DENK):
16,1% van een groep van, denk ik, inmiddels zo’n 1,2 of 1,3 miljoen mensen is een
enorm groot aantal mensen. In absolute zin is het een enorm groot aantal mensen die
aangeven zichzelf gediscrimineerd te voelen. De cijfers die mevrouw Keijzer noemt,
nopen ons tot het nemen van maatregelen, want zoveel moslims in ons land geven dan
dus aan dat ze te maken hebben met discriminatie. We weten ook dat er in het kader
van melden en aangeven dat je gediscrimineerd wordt, sprake is van onderrapportage.
Dat probleem zou dus nog weleens veel groter kunnen zijn. Mevrouw Keijzer kan ik ook
wijzen op alle andere onderzoeken die gedaan worden naar moslimhaat en moslimdiscriminatie
in onze samenleving. Daaruit blijkt bijvoorbeeld dat dames met een hoofddoek die solliciteren,
bij gelijke omstandigheden alleen maar afgewezen worden, disproportioneel vaak, omdat
het dames met een hoofddoek zijn. Dat gebeurt aan de lopende band. Mevrouw Keijzer
probeert dat allemaal maar te ontkennen en te zeggen dat dat geen haat is. Hoe kan
er nou geen sprake zijn van moslimhaat in de samenleving als je al die onderzoeken
ziet, als je ziet dat moskeeën brieven krijgen waarin staat dat de islam hetzelfde
is als nazisme en dat moslims weg moeten en als je ziet dat er koranverscheuringen
plaatsvinden in dit land? Leeft mevrouw Keijzer onder een steen, zou ik haar willen
vragen.
De heer Clemminck (JA21):
Een van de problemen met de rapportages – dat vind ik een ingewikkelde – over moslimdiscriminatie,
is dat het heel erg gaat over ervaren discriminatie en dat het gaat om zelfrapportages.
Die zijn subjectief. Een van de recente onderzoeken is natuurlijk het nationale onderzoek
naar moslimdiscriminatie. Als je dan wat verder in de bijlages gaat kijken naar wat
voor ervaringen als moslimdiscriminatie worden tentoongesteld ... Ik noem bijvoorbeeld
een verhaal van een neefje van een respondent – het gaat dus niet om hemzelf, maar
ook nog eens een keer om een neefje – dat zegt: een lerares kwam tijdens de ramadan
met een glas water aanzetten en vond dat hij wat moest drinken. Dat werd ervaren als
discriminatie. Ik vind het toch wel problematisch als je op basis van dit soort zelfrapportages
de conclusie trekt dat het gaat om een geval van discriminatie. Ik ben benieuwd hoe
de heer Van Baarle daarnaar kijkt: betekent het dat je op basis van dit soort ervaringsrapportages
over discriminatie kunt spreken?
De heer Van Baarle (DENK):
Ik vind het buitengewoon treurig dat JA21 onderscheid maakt op het gebied van zelfrapportages.
In het debat dat ging over antisemitisme, was het onder andere JA21 die herhaaldelijk
terecht aangaf: een groot gedeelte van de Nederlandse joden geeft aan zichzelf gediscrimineerd
te voelen. Dat is een zelfrapportage. Maar in het geval van moslims mag er blijkbaar
geen gebruikgemaakt worden van het feit dat een groot gedeelte van de mensen aangeeft
zichzelf gediscrimineerd te voelen. De heer Clemminck discrimineert dus op het gebied
van zelfrapportages en maakt daar onderscheid in. Dat vind ik buitengewoon kwalijk.
Ik zou zeggen: als je zelfrapportages over de discriminatie van joodse Nederlanders
terecht serieus neemt, dien je dat ook te doen op het gebied van zelfrapportages van
islamitische Nederlanders. Dan zijn er ook nog talloze onderzoeken buiten de zelfrapportages,
bijvoorbeeld het onderzoek dat ik net noemde. Dat noem je een vignetstudie. Gelijke
gevallen worden ingediend bij mensen die vacatures hebben opengesteld. Alleen het
kenmerk «draagt de sollicitant een hoofddoek» wordt aangepast. In dat soort onderzoeken
zien we dat dames met een hoofddoek substantieel minder vaak uitgenodigd worden voor
een sollicitatiegesprek dan anderen, bij gelijke omstandigheden. Het gaat om academisch
onderzoek, aangetoond. Ik zou tegen de heer Clemminck willen zeggen: wuif dat nou
niet weg en shop er niet selectief in, maar doe gewoon iets aan het probleem van moslimdiscriminatie.
De heer Clemminck (JA21):
Ik begrijp nu dat ik blijkbaar zelfrapportages aan het discrimineren ben. Ik hoop
dus dat de bond voor zelfrapportages geen klacht tegen mij gaat indienen, want dat
begrijp ik een beetje uit de woorden van de heer Van Baarle. Zelfrapportages kunnen
zeker een vorm zijn van wetenschappelijk onderzoek, ook op het gebied van discriminatie,
inderdaad. Dat is geen enkel punt. Ik heb alleen geen antwoord gekregen op mijn vraag.
Mijn vraag was namelijk heel erg simpel, namelijk of er op basis van dit voorval uit
de ervaringsrapportage volgens de heer Van Baarle sprake is van discriminatie. Ik
doel op het voorbeeld van dat neefje dat van de lerares een glas water kreeg aangeboden
tijdens de ramadan. Dat wordt hierin neergezet als discriminatie. Mijn vraag was:
is dat discriminatie volgens de heer Van Baarle? Ik heb nog geen antwoord gehad.
De heer Van Baarle (DENK):
Ik denk dat hier door de heer Clemminck echt een karikatuur van gemaakt wordt. Dat
doet hij opzettelijk. Het is een politieke strategie, namelijk iets uitlichten uit
een onderzoek waar hij vragen bij stelt en vervolgens doen alsof hele onderzoeken
en hele stellingnames niet meer deugen. Ik ga in die politieke tactiek van de heer
Clemminck gewoon niet mee. Ik zou het volgende tegen hem willen zeggen. Als je niet
ziet wat er in de samenleving gebeurt ... Moskeeën krijgen te maken met haatacties
en intimidatie. In dit huis worden moslims aan de lopende band gedemoniseerd en wordt
er gezegd dat de islam geen plek zou mogen hebben in Nederland. Dan is er in dit land
gewoon structureel al heel erg lang sprake van een moslimhaatprobleem. Die moslimhaat
wordt aangewakkerd door politieke agitatoren hier in dit huis. Ik wens dat wij daar
eindelijk een keer wat aan doen in plaats van dat we iets ter discussie stellen waar
heel veel Nederlandse moslims dagdagelijks mee te maken hebben.
De voorzitter:
Ik kijk even rond. Ik zie een interruptie van de heer Schenk.
De heer Schenk (FVD):
Er vond best wel een interessant debatje plaats zojuist tussen DENK en de SGP over
de opvang van vluchtelingen, met name over christelijke en islamitische vluchtelingen.
Er werd gezegd dat het wenselijker zou zijn om christelijke vluchtelingen in Europa
op te vangen en islamitische vluchtelingen in het Midden-Oosten. De heer Van Baarle
noemde dat discriminatie, maar het is toch gewoon een feit dat er zoiets bestaat als
cultuur en normen en waarden, en dat er op dat gebied botsingen kunnen plaatsvinden?
Mijn vraag aan de heer Van Baarle is: erkent hij dat er nu eenmaal religieuze, culturele
en zelfs etnische spanningen kunnen ontstaan tussen mensen met heel veel verschillende
culturen en achtergronden in één samenleving? Erkent hij dat het wenselijker zou zijn
om daar onderscheid in te maken in sommige gevallen, waarbij het dan niet om discriminatie
hoeft te gaan?
De heer Van Baarle (DENK):
Er zijn zeker spanningen. Die worden onder andere aangewakkerd door politieke partijen
zoals die van de heer Schenk door elke keer weer culturen en religies tegenover elkaar
te zetten. Ik zou zeggen: de heer Schenk en alle anderen in deze commissie zouden
er misschien eens aan moeten gaan wennen dat de islam gewoon een volwaardig onderdeel
is van de Nederlandse cultuur en dat we in Nederland ook een levende islamitische
traditie hebben, met Nederlandse moslims die dit land mede vormgeven, die niet te
gast zijn, maar tevens ook gastheer zijn in dit land en op een gelijkwaardige manier
de toekomst van dit land bepalen. Zij hebben evenveel rechten als iedereen hier in
deze commissie. Ik zou de heer Schenk en ook alle anderen in dit huis, ook voor de
eigen gemoedsrust, gewoon toewensen dat ze daaraan wennen.
De voorzitter:
Ik kijk even rond. De heer Schenk nog een keer.
De heer Schenk (FVD):
Nu krijgen we bijna een soort discussie die terugslaat op een uitspraak van een partijgenoot
van de heer Van Baarle, namelijk «wij zijn en blijven hier» en dat Nederlanders maar
moeten integreren in de islamitische cultuur. Dat is toch de wereld op zijn kop? Het
is toch zo dat Nederlanders en de oorspronkelijke bevolking van Nederland gewoon cultureel
rechten hebben en ook het recht hebben om die cultuur en die normen en waarden te
behouden? Het is toch zo dat kritiek hebben op immigratie, ook vanuit de islamitische
wereld, heel legitiem is en dat het benoemen van die spanningen, of ze nou etnisch,
religieus of cultureel zijn, heel legitiem is, dat dat mag en dat we het daar zeker
in deze zaal over zouden moeten kunnen hebben? Dit is niet de plek om mij te gaan
verwijten dat wij dat aanwakkeren, of zo. Het is een hartstikke interessant onderwerp
om over te spreken. Het raakt veel mensen; iedereen is ermee bezig. Maar het is toch
gewoon een feit dat, wanneer er allerlei verschillende culturen en mensen met verschillende
achtergronden in één samenleving komen, er in veel gevallen spanningen ontstaan, dat
dat onwenselijk is en dat het heel legitiem is om daar kritiek op te hebben? Mijn
partij doet dat. Dat is toch gewoon legitiem? Dat is mijn vraag aan de heer Van Baarle.
De heer Van Baarle (DENK):
De oorspronkelijke bevolking ... Kijk, mijn opa is in Turkije geboren. Toen mijn opa,
die als zogenaamde gastarbeider – zo werd dat toen genoemd – naar Nederland kwam en
keihard werkte in de fabrieken, was de heer Schenk nog niet geboren of was hij nog
nat onder zijn neus. Hij heeft niet meer rechten en kan niet meer pretenderen dat
een oorspronkelijke bevolking meer heeft gedaan voor dit land dan de generatie van
bijvoorbeeld mijn opa en alle andere mensen met een migratieachtergrond die mede hebben
bijgedragen aan de opbouw van dit land. Dat is een houding met dedain. Er is sprake
van een koloniale houding als er wordt gezegd dat de een cultureel meer rechten heeft
in dit land dan de ander. Ik zeg nogmaals: Nederland is een land waarin iedereen gelijkwaardig
is, voor de wet, cultureel en op het gebied van jezelf kunnen zijn. DENK is een politieke
partij die tot het gaatje zal blijven gaan en ervoor blijft strijden dat iedereen
die gelijke rechten ook zal krijgen. Ik zal dat doen en mijn partij zal dat doen,
totdat mensen zoals de heer Schenk er eindelijk eens aan wennen.
De heer Schenk (FVD):
Ik hoor zojuist dat dit land schijnbaar pas na de Tweede Wereldoorlog is opgebouwd.
Volgens mij gaan daar eeuwen aan historie aan vooraf. Je zou inderdaad kunnen bepleiten
dat migranten dit land hebben opgebouwd, maar dan wel de migranten die vanuit Antwerpen
kwamen na het beleg van Antwerpen in 1585. Dat waren in de meeste gevallen toch vluchtelingen
met een christelijke achtergrond. Volgens mij is dat de oorsprong van Nederland en
gaat de heer Van Baarle hier voorbij aan eeuwen aan prachtige Nederlandse historie,
waar ik ongelofelijk trots op ben en waar mijn partij ongelofelijk trots op is. Als
we het hebben over het verdraaien van de geschiedenis, wat de heer Flach net werd
verweten, dan zou de heer Van Baarle de hand in eigen boezem moeten steken.
De heer Van Baarle (DENK):
Dat is weer zo’n houding met dedain. Het is gewoon niet waar dat alle voorrechten
en alle goede dingen alleen voortkomen uit een christelijke traditie of vanuit de
oorspronkelijke bevolking. Mensen met andere geloven of een andere afkomst dragen
ook bij aan de samenleving en zorgen er ook voor dat dit land zich ontwikkelt. Ik
zegt helemaal niet dat dit land alleen is opgebouwd na de Tweede Wereldoorlog. Ik
zeg alleen dat er een hele grote groep mensen is die misschien iets minder op de heer
Schenk lijken die ook keihard werken om dit land draaiende te houden. Daar moet hij
ook oog voor hebben en dat moet hij niet wegwuiven. De Nederlandse cultuur moeten
we allemaal met elkaar omarmen. Daar mogen we trots op zijn. Dat is een cultuur waarin
iedereen gelijkwaardig is. Die Nederlandse cultuur draag ik uit, van Nederland als
een land waarin iedereen in gelijkwaardigheid zichzelf dient te zijn. De heer Schenk
doet alsof we geen mindere periodes hadden in de geschiedenis met elkaar. Dit is ook
een land waarin we respect en eerbied moeten hebben voor de gevolgen van de mindere
periodes, zoals het slavernijverleden. Dat zijn ook zaken die voor zijn gekomen. Ook
daarbij zie ik dat misgaan, in de samenleving en in de politiek.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie verder geen interrupties, dus u kunt uw betoog vervolgen, meneer
Van Baarle.
De heer Van Baarle (DENK):
Dank u vriendelijk, voorzitter. Ik vraag de Minister: is het geen tijd om eindelijk
te komen met een nationaal coördinator moslimhaatbestrijding, met een bijbehorend ...
Zou mevrouw Keijzer niet door mijn betoog heen willen lachen?
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Excuus. Het was na alle interrupties gewoon grappig dat het betoog net hiermee verderging.
Excuus, want het was absoluut niet mijn bedoeling om de heer Van Baarle uit te lachen.
Want dan heeft hij gewoon een punt: dat zou ongepast zijn.
De voorzitter:
Oké. De heer Van Baarle vervolgt zijn betoog.
De heer Van Baarle (DENK):
Excuses geaccepteerd.
Is het geen tijd om eindelijk te komen met een nationaal coördinator moslimhaatbestrijding,
niet als vrijblijvende bijlage van het algemene discriminatiebeleid, maar als een
eigen, gerichte aanpak?
Voorzitter. Die noodzaak zien we ook bij de islamofobe pestwet, de Wet gedeeltelijk
verbod gezichtsbedekkende kleding, want in de evaluatie staan eigenlijk glasheldere
dingen: in vijf jaar tijd geen boetes, nul processen-verbaal en nauwelijks zaken die
noemenswaardig zijn. Maar het heeft wel een sterk negatief effect op een kleine groep
vrouwen die een nikab of boerka draagt. Zij voelen zich onveiliger, worden vaker negatief
bejegend en vermijden plekken waar het verbod geldt. Wat doet het kabinet? Niet de
wet intrekken, niet erkennen dat deze wet schade aanricht: ze willen die zelfs gaan
verzwaren. Dat is geen gelijkwaardigheid. Dat is eigenlijk een vorm van symboolpolitiek
richting een kleine groep in de samenleving. Daarom vraag ik de Minister: kan hij
stoppen met het uitbreiden van de handhaving van deze wet? Is hij bereid om een wet
die niet werkt en die gemeenten met problemen opzadelt, in te trekken?
Voorzitter. Discriminatiebestrijding begint bij de overheid zelf. Het is goed dat
de Algemene wet gelijke behandeling wordt uitgebreid naar eenzijdig overheidshandelen.
Mensen moeten namelijk niet alleen beschermd zijn tegen discriminatie door bedrijven
of werkgevers, maar ook tegen discriminatie door de overheid. Dat moet geen papieren
recht worden. Daarom vraag ik de Minister: is hij bereid om aanvullende financiering
voor het College voor de Rechten van de Mens en de ADV’s structureel beschikbaar te
stellen, zodat zij straks het verwachte aantal taken, meldingen en vragen ook echt
kunnen behandelen, met alle stelselwijzigingen die er komen?
Voorzitter. Dan het gemeentelijke antidiscriminatiebeleid. De Minister wil gemeenten
niet verplichten om een lokaal antidiscriminatiebeleid te voeren, maar dat is juist
de vrijblijvendheid die we al heel erg lang zien. Waarom ziet de Minister na al die
jaren waarin we hier in dit huis het debat voeren over het feit dat gemeenten geen
lokaal antidiscriminatiebeleid hebben, gewoon niet het nut ervan in om dat verplicht
te stellen? Het zou toch een basale taak van gemeenten moeten zijn om te zorgen voor
gelijkwaardigheid?
Dan hebben we het ook nog over de NCDR. Het is goed dat het kabinet voornemens is
om de NCDR wettelijk te verankeren. DENK is hier altijd een voorstander van geweest
en is al langere tijd bezig geweest met een initiatiefwetsvoorstel om het instituut
NCDR eindelijk in de wet te borgen. Ik hoor graag van de Minister de bevestiging dat
het gebruikelijk is dat een initiatief vanuit de Kamer altijd voorgaat.
Maar, voorzitter, wettelijke verankering moet natuurlijk wel gepaard gaan met middelen.
Juist nu het aantal meldingen stijgt en de noodzaak groter wordt, is er meer capaciteit
nodig, niet minder. Kan de Minister garanderen dat het nationaal programma en de aanpak
van discriminatie en racisme uitgezonderd worden bij de rijksbrede bezuinigingen?
Helaas is het aantal discriminatiemeldingen opnieuw fors gestegen. We weten dat er
sprake is van onderrapportage. Er is dus werk aan de winkel. We moeten in dat kader
wat ons betreft durven te sturen op resultaat. In het verleden zijn verschillende
moties van DENK aangenomen om te komen tot concrete doelen en streefcijfers in de
aanpak van discriminatie. Ik vraag de Minister: wanneer worden die moties nu eindelijk
uitgevoerd? Wanneer komt het kabinet eindelijk met meetbare doelstellingen tegen discriminatie
in het beleid? Wanneer en hoe wordt mijn aangenomen motie uitgevoerd om te komen tot
het nieuwe nationale plan tegen discriminatie?
Voorzitter. Dan discriminatie binnen de Rijksoverheid. Twee jaar geleden kwamen er
pijnlijke signalen naar buiten over discriminatie en racisme op de werkvloer. Er zou
tweejaarlijks een vervolgonderzoek komen. Mijn vraag aan de Minister is: wanneer kan
de Kamer dit vervolgonderzoek verwachten?
Voorzitter. Het duurt niet lang meer en dan is het Ketikoti. Dan staan we met z’n
allen stil bij het verschrikkelijke slavernijverleden. Maar herdenken zonder handelen
is leeg. Al jaren bestaat de wens bij vele Nederlanders, waaronder nazaten van tot
slaaf gemaakten, om van Ketikoti eindelijk een nationale feestdag te maken. Hoe kijkt
dit kabinet daarnaar? Ook vraag ik de Minister naar de voortgang van het Nationaal
Slavernijmuseum. Er is geld vrijgemaakt voor de bouw en ontwikkeling, maar de vraag
blijft: komt er structurele financiering?
Voorzitter. Ook wil ik aandacht vragen voor anti-Aziatisch racisme. Ook dat blijft
nog veel te vaak een blinde vlek in het discriminatiebeleid, terwijl er veel meldingen
zijn. Wat gaat het kabinet hier concreet tegen doen?
Voorzitter. Tegen mijn collega Flach zou ik heel graag willen zeggen: als Europese
onderzoeken laten zien dat er ook veel meldingen zijn onder christenen in Europa en
in Nederland die te kampen hebben met discriminatie, moet daar dan niet ook specifieke
aandacht voor zijn in het discriminatiebeleid?
Voorzitter, tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. Dan ga ik naar de heer Ceder voor zijn bijdrage.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank, voorzitter. Op 24 april 1951 kwam de Castelbianco aan in Nederland. Dat was
het vierde schip met Molukkers dat de haven van Rotterdam binnenkwam. Aan boord was
ook Estefanus Beroeatwarin, een korporaal bij van de infanterie van het vastberaden
en gedreven KNIL-leger. Hij was samen met zijn vrouw Roos en zoon Habel. Ook Estefanus
was, zoals velen, op dienstbevel naar Nederland gekomen voor zes maanden. Nog op het
schip kreeg hij zijn ontslagbrief, maar doordat hij niet goed Nederlands sprak en
las, begreep hij die niet. Pas in Nederland aangekomen begreep hij dat hij feitelijk
oneervol was ontslagen uit het leger, waarvoor hij trouw had gevochten. Estefanus
werd bij aankomst gescheiden van Roos en moest zijn zoon daarom alleen opvoeden. Ze
moesten wonen bij Weert, in Tungelroy, een voormalig jongerenwerkkamp uit de Tweede
Wereldoorlog. Na daar een aantal jaar te hebben gewoond, zijn Estefanus en Habel verhuisd
naar kamp Teuge, ook wel bekend als de Fliegerhorst. Pas in de jaren ’70, twee decennia
na aankomst in Nederland, konden ze uit de kampen tussen prikkeldraad verhuizen naar
een Molukse wijk in Vaassen.
Het verhaal van Estefanus staat niet op zichzelf. Dit is het verhaal van meer dan
12.500 mensen, over gebroken beloftes, verborgen verdriet, gebrek aan verantwoordelijkheid
en gesloten koffers, maar ook over hoop, respect en een positieve gemeenschap. Het
is een geschiedenis met, nog steeds, enorm veel impact.
Voorzitter. Ik ben van mening dat we recht moeten doen aan de Molukse gemeenschap.
Dit jaar is het 75 jaar geleden dat de eerste generatie Molukkers aankwam in Nederland.
Steeds minder Molukkers van die generatie zijn in leven. Daarnaast wordt het onderwerp
al jaren onder de aandacht gebracht. De afgelopen jaren zijn er ook herhaaldelijke
oproepen geweest, bijvoorbeeld de bekende burgemeestersbrief van 2021, de brief van
oud-premier Van Agt aan de Koning en door de Molukse gemeenschap zelf in de media.
Ook dit jaar is er veel aandacht en daarmee ook veel momentum. Daar zou ik graag met
mijn collega van PRO, mevrouw Tseggai, maar ook met anderen die hier via andere commissies
mee bezig zijn, graag gebruik van willen maken voor de volgende stappen. Ik zou graag
zien dat het kabinet een track opstart om, bijvoorbeeld binnen een jaar, te inventariseren
wat er nodig is om tot herstel te komen, wat dat dan is en hoe dat eruitziet. Onderzoeken
wat er feitelijk is gebeurd, in gesprek gaan met betrokkenen en niet praten over de
gemeenschap, maar vooral ook met. Ik proef daarbij, gezien de herdenkingen, van links
tot rechts ook wel steun binnen de Kamer, en reken daar ook op. Laat ik alvast meedelen
dat het kabinet wat mij betreft ook moet stilstaan bij de KNIL-militairen en hun familie
die aankwamen en dat een passend antwoord en excuses ook tot de uitkomsten behoren.
Mijn vraag aan de Minister: ziet de Minister ook dat we moeten opschieten als we als
Staat iets willen doen, gezien de leeftijd van de eerste generatie Molukkers? Erkent
de Minister dat de Staat historisch gezien wel degelijk ook een bepaalde verantwoordelijkheid
heeft richting deze gemeenschap, ook gezien de eigen rol in dit dossier? Erkent de
Minister dat er nu nog steeds sprake is van een onafgesloten hoofdstuk? Is de Minister
al in gesprek met de Molukse gemeenschap? Zo ja, op welke wijze en welke stappen zet
de Minister dan concreet om ook recht te doen aan die gemeenschap? Is de Minister
bereid om een traject op te starten, dat bijvoorbeeld een jaar kan duren, en dan ook
echt met alle betrokkenen te spreken om recht te doen aan de Molukse situatie en om
dit niet langer uit te stellen? Dat gaat om stakeholders en het betrekken van wetenschappelijke
inzichten. Ik hoop hierbij op samenspraak als Kamer en hoop in ieder geval een breed
gedeelde wens in de vorm van een motie uit te kunnen dragen. Ik hoop daarbij dat wij
als partijen elkaar kunnen vinden.
Voorzitter. Dan zeg ik nog iets ten aanzien van datagedreven profilering. Er is al
wat over gezegd, maar ik wil dat aanvullen. Een aantal weken geleden heeft de Staatscommissie
tegen Discriminatie en Racisme de overheid opgeroepen om te stoppen met datagedreven
profilering voor fraude- en criminaliteitsopsporing. In plaats daarvan worden aselecte
of 100%-controles voorgesteld. Als de regering doorgaat met datagedreven profilering,
moet volgens de commissie goed worden aangetoond dat deze noodzakelijk en proportioneel
is en geen discriminerende effecten heeft. Mijn vraag is daarom of de Minister wil
doorgaan met datagedreven profilering. Of worden aselecte of 100%-controles overwogen?
Als de Minister toch besluit om door te gaan met de datagedreven profilering, wordt
die dan nog aangescherpt, zoals wordt geadviseerd? Volgens het rapport is de wetgeving
op dit moment te sterk gericht op het achteraf bestrijden van discriminatie en onvoldoende
op het proactief voorkomen daarvan. Daarover heb ik de afgelopen jaren ook meerdere
moties ingediend. De Minister heeft besloten dat de discriminatietoets niet verplicht
wordt gesteld voor overheidsorganisaties. Ik vroeg me af of de Minister bereid is
om zijn keuze toe te lichten, en misschien ook wel te heroverwegen, in het licht van
het uitvoerige betoog van de commissie dat die wel nodig zou zijn.
Voorzitter. Ik noem de VN-stemming over de wereldwijde slavenhandel. Ik constateer
een dynamiek die ik al vaker heb benoemd, namelijk dat waarover gestemd wordt, weinig
in verhouding staat tot wat de Kamer zou willen, ook betreffende de samenspraak met
de andere landen van het Koninkrijk op het moment dat Nederland ook hen vertegenwoordigt.
Ik heb begrepen dat de stemming heeft plaatsgevonden zonder overleg met het Caribisch
deel van het Koninkrijk, terwijl het kabinet juist heeft gezegd zich te willen inzetten
voor een gelijkwaardige samenwerking. Juist bij zo’n gevoelig onderwerp ga je dat
toch doen? Het tegenovergestelde is gebeurd. Mijn vraag is of de Minister kan toelichten
waarom het Caribisch deel van het Koninkrijk niet is betrokken en hoe we dit in het
vervolg beter gaan benoemen.
Voorzitter. Tot slot heb ik twee punten. Eerst betreft dat de actualiteiten rondom
het Cheider, want vandaag blijft er een joodse school dicht vanwege een dreigement.
Ik vind het onacceptabel dat welke school dan ook vanuit veiligheidsredenen noodgedwongen
wordt gesloten. Bij deze school is ook in maart al een explosief afgegaan. Dat dit
gebeurt in een vrij land als Nederland, kan gewoon niet. Mijn vraag is of de Minister
dit als een vorm van discriminatie en intimidatie ziet. Kan hij toezeggen in ieder
geval in gesprek te gaan met het Cheider over wat zij nodig hebben om niet een aantal
keer per jaar de school dicht te houden, en de uitkomst aan de commissie terug te
koppelen?
Voorzitter, tot slot. Vorig jaar is er in het kader van de discussie rondom het slavernijverleden
een stap gezet om gratis achternamen te kunnen wijzigen voor een specifieke groep.
Daarbij is echter een andere groep, die ook gedwongen de achternaam heeft moeten wijzigen,
niet genoemd. Denk aan een groep Armeniërs. Die moeten daar nu geld voor betalen.
De vraag is of de Minister zou willen inventariseren en terugkoppelen of er ruimte
is om ook andere groepen in de samenleving die gedwongen hun achternaam hebben moeten
wijzigen door historische conflicten – die zijn bekend – van die regel gebruik te
laten maken.
Tot zover, voorzitter. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Precies zeven minuten. Dank daarvoor. Dan ga ik naar de heer Clemminck.
De heer Clemminck (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Laat ik beginnen met vrolijk nieuws, namelijk met een felicitatie
aan Nederland, want begin dit jaar werd duidelijk dat Nederland op de wereldranglijst
het derde minst racistische en discriminerende land ter wereld is geworden. Dat is
geen toeval, want het jaar daarvoor, bij een ander onderzoek, werd Nederland vierde.
Dat zou toch mooi nieuws moeten zijn. Ik ga ervan uit dat mijn collega-woordvoerders
dat ook gevierd hebben met taart of met een dadel en een kaarsje, want dat is natuurlijk
fantastisch nieuws. JA21 is tegen elke vorm van discriminatie, ook positieve. Ik begin
met dit trotse nieuws omdat in de media, bijvoorbeeld als je NPO kijkt, door professionele
activisten of bij linkse partijen in deze Kamer weleens het beeld wordt neergezet
dat Nederland een in- en inslecht land is, alsof het een soort racistisch land is,
alsof discriminatie in het DNA van Nederlanders zit en alsof het in onze instituties
zit – dat is lariekoek. Tegen alle Nederlanders die dit zien, zeg ik dan ook: laat
u dit niet aanpraten. Waarom proberen partijen ons dit eigenlijk wijs te maken? Enerzijds
omdat er geld te verdienen is in de antiracistische industrie. Sommigen demoniseren
Nederland cultureel heel bewust, omdat zij denken dat dit land zo aangemoedigd kan
worden om zich aan te passen aan andere normen. Als je maar aan geschiedvervalsing
doet, krijgt de oemma ook haar eigen 4 meiherdenking, zagen wij, inclusief linkse
burgemeesters als Halsema, Dijksma en Marcouch. Het is een grove schande.
Voorzitter. Racisme en discriminatie komen voor. Natuurlijk moeten we daar altijd
tegen optreden. Laat daar geen misverstand over bestaan. Echter, de rapporten van
de laatste tijd die ons willen wijsmaken dat moslimdiscriminatie een groot en structureel
probleem is, zijn veel te dun. Anekdotes worden voor waar aangenomen en soms wel heel
erg onbeduidende voorvallen moeten actief ondersteunen dat je in ons land een heel
zwaar leven hebt als je moslim bent. Zo citeert het rapport Opgroeien als moslimjongere
in een gepolariseerde samenleving, van Kenniscentrum Inclusief Samenleven, een jonge
vrouw die zegt dat zij momenten van uitsluiting ervaart als zij wandelt in het bos
met haar moeder: «Je merkt hoe mensen je aankijken, van top tot teen, geen goedemorgen.
Alsof natuurgebieden alleen voor witte Nederlanders zijn. Dan voel ik mij niet welkom.
Vaak ontwijk ik zulke plekken.» Bij de aanbevelingen bij dit KIS-rapport – ook dat
is een patroon – komt de aap uit de mouw. De mythe van moslimdiscriminatie dient als
breekijzer om iets gedaan te krijgen van niet-moslims. Scholen zouden bijvoorbeeld,
om werkelijk inclusief te zijn, stilteruimtes moeten inrichten en werkgevers zijn
alleen goede werkgevers als zij niet moeilijk doen over hoofddoeken en werknemers
die een matje willen uitrollen. Het is natuurlijk terecht dat de Kamer niet wil debatteren
over dit manipulatieve broddelwerk, dat inmiddels ook offline is gehaald.
Als u dacht dat de lobby tegen islamofobie op zou geven, heeft u het mis. Op 15 maart,
op de internationale dag tegen islamofobie, maakte de Nationaal Coördinator tegen
Discriminatie en Racisme bekend dat hij een programmaleider Nationale Aanpak tegen
Moslimdiscriminatie aanstelt. Wat JA21 betreft wordt dit initiatief snel de kop ingedrukt.
Ik kijk de Minister ook aan: gaat u de stekker uit de NCDR trekken en deze opheffen?
De aankondiging van de nationale aanpak tegen moslimdiscriminatie volgde trouwens
een dag na de aanslag op een joodse school in Amsterdam en slechts twee dagen na een
aanslag op een synagoge in Rotterdam. Toeval? Misschien. Je zou haast denken dat de
NCDR de aandacht wil afleiden van degenen die er in Nederland voor zorgen dat Joden
zich vaak niet meer veilig voelen.
Willen we naar plek één, goud, van deze wereldranglijst tegen racisme en discriminatie
volgend jaar, dan moeten we de waarheid ook onder ogen durven te zien, ook als dat
een ongemakkelijke waarheid is, zeg ik in alle eerlijkheid. Waarom laten we geen onderzoek
doen naar de rol van de islam in intolerantie ten opzichte van Joden en lhbti’ers?
Voor wie zijn de Nederlandse Joden en lhbti’ers eigenlijk bang op straat? Is de Minister
bereid om een culturele factor bij discriminatie eindelijk eens te gaan onderzoeken?
Ik verzeker u: homo’s of Joden lopen echt niet een blokje om in Loosdrecht, maar wel
in Kanaleneiland in Utrecht. Ik kan hier citeren uit een onderzoek van bijvoorbeeld
de Franse denktank Fondapol uit 2024. Daaruit blijkt dat 23% van de Franse moslims
geweld tegen Joden in Frankrijk zelf gerechtvaardigd vindt.
De heer Van Baarle (DENK):
De mensen die in de Tweede Wereldoorlog op verschrikkelijke wijze de Joden hebben
afgevoerd en vermoord, waren geen moslims. Veel aanslagen die gepleegd werden op joodse
gebedshuizen, zijn gepleegd door rechts-extremisten, niet door moslims. De nazi’s
die door Den Haag liepen, de Hitlergroet deden en «Sieg Heil» riepen, zijn overtuigd
antisemieten. Dat zijn nazi’s. Dat JA21 en andere politieke partijen het probleem
van antisemitisme eenzijdig proberen te koppelen aan de islam en doen alsof Nederlandse
moslims vanwege hun geloof eerder genegen zouden zijn om antisemiet te zijn, is wat
mij betreft een vorm van discriminatie en stigmatisering. Waarom doet de heer Clemminck
dat?
De heer Clemminck (JA21):
Daarom zei ik al: het is helaas een ongemakkelijke waarheid. Ik refereerde aan het
onderzoek van Fondapol uit 2024, waarin staat dat 23% van de Franse moslims geweld
tegen Joden in Frankrijk zelf gerechtvaardigd vindt. Maar er zijn ook andere onderzoeken
die ik de heer Van Baarle mee kan geven. Uit een ander onderzoek uit Frankrijk blijkt
bijvoorbeeld dat 49% van de jonge Franse moslims van 15 tot 17 jaar relaties tussen
personen van hetzelfde geslacht niet acceptabel vindt. Dat is ongekend veel. 49%.
Bijna de helft van de jongeren, ook als die van een zoveelste generatie zijn, vindt
relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht onacceptabel, terwijl dat percentage
op andere plekken in Frankrijk, onder andere bevolkingsgroepen, slechts 7% is. 49%
staat tegenover 7%. Als u liever Wenen heeft, zeg ik tegen de heer Van Baarle, dan
noem ik een onderzoek uit mei 2026 waarin staat dat 43% van de moslims het Westen
de problemen van de islamitische wereld verwijt. 41% stelt dat de sharia boven de
wetten van Oostenrijk zou moeten gaan. Een kwart van de moslimjongeren uit België
vindt dat geweld tegen homo’s gerechtvaardigd is. De helft van de Turken in Duitsland
vindt dat homoseksualiteit een ziekte is en de helft van de moslims in heel Europa
vindt dat homo’s geen vrienden kunnen zijn. Volgens mij is dat voldoende bewijs voor
een ongemakkelijke waarheid.
De voorzitter:
Dan ga ik weer naar de heer Van Baarle.
De heer Van Baarle (DENK):
In het verleden hadden we ook onderzoeken, potsierlijk gepresenteerd door Minister
Asscher, waaruit zou blijken dat – wat was het? – 90% van de Turks-Nederlandse en
Marokkaans-Nederlandse jongeren aanhanger zou zijn van Daesh, IS. Later bleek dat
op dat onderzoek ontzettend veel aan te merken was, nota bene door de onderzoeksinstelling,
Motivaction, zelf. Maar het werd wel door extreemrechtse politieke partijen gebruikt
om de hele islamitische gemeenschap van terroristische sympathieën te beschuldigen.
Dat is precies wat in dit huis misgaat. Als we kijken naar cijfers, blijkt ook dat
mannen in de criminaliteitscijfers oververtegenwoordigd zijn. Ik vind niet dat de
heer Clemminck louter en alleen omdat hij een man is, aangesproken moet worden op
het feit dat er een criminaliteitsprobleem is. Zo kan de heer Clemminck allerlei cijfers
opnoemen uit verschillende onderzoeken, maar wat hij volgens mij alleen maar probeert
te doen, is een verkeerd beeld over de islam en Nederlandse moslims neerzetten. Ik
zou graag willen dat we dit soort wijsgedrag met elkaar overstijgen en potverdikke
gewoon een keer wat doen aan het probleem van discriminatie door te investeren in
meer capaciteit voor deze Minister en door meer te doen en te investeren in het budget
van deze Minister, zodat we het probleem aanpakken in plaats van te wijzen naar groepen.
Is de heer Clemminck daartoe bereid? Of wil hij alleen maar een nummertje over de
islam maken?
De heer Clemminck (JA21):
Ik heb het net gezegd: we willen voor goud gaan. Discriminatie is helaas een veelkoppig
monster; de ene kop is alleen wat groter dan de andere kop, helaas. Ik wijs nu op
een aantal onderzoeken en op de voor de heer Van Baarle en misschien voor andere partijen
wellicht ongemakkelijke waarheid, namelijk dat een groot deel van de discriminatie
helaas bij een bepaalde bevolkingsgroep hoort. Als ik zie dat 23% van de Franse moslims
geweld tegen Joden wil aanmoedigen en gerechtvaardigd vindt, dan zegt de optimist
in mij: «Dat is geen 100%. Dat is goed nieuws. Dat is inderdaad niet iedereen.» Maar
de realist in mij zegt: die 23% staat in schril contrast met het gemiddelde onder
de rest van Frankrijk, want dat is slechts 7%.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie verder geen andere interrupties, dus vervolgt u uw betoog.
De heer Clemminck (JA21):
Volgens het meest omvangrijke onderzoek naar antisemitische opvattingen, het Global
anti-Semitism Survey, zijn het Midden-Oosten en Noord-Afrika de enige regio’s in de
hele wereld waarin mensen met antisemitische opvattingen de meerderheid van de bevolking
vormen. Zij duiden een beeld van zelfs 76% – 76%! – in dat soort landen. In alle andere
delen van de wereld is het antisemitisme veel minder wijdverbreid. Daar is het nog
steeds te veel, 11% zou ik zeggen, maar in Oost-Europa is dat bijvoorbeeld 34% en
in Oceanië 14%. Weet de Minister of dergelijke onderzoeken ook in Nederland uitgevoerd
zijn? En als dat niet is gebeurd, kan de Minister dan vertellen waarom niet?
Gaat het om tolerantie van lhbti-personen, dan zet de wereld van de islam helaas ook
niet zijn beste beentje voor. In het buitenland wordt het «waardoor» wel goed onderzocht.
Maar liefst 49% van de jonge Franse moslims tussen de 15 en 17 jaar vindt dat relaties
tussen personen van gelijk geslacht niet acceptabel zijn. Ik zei het net al. Onder
de rest van de bevolking is dat slechts 7%. Dramatische cijfers. Lhbti’ers weten voor
wie zij moeten oppassen. Toen wij in Utrecht kwamen wonen, kregen mijn man en ik zelfs
het advies om in bepaalde wijken beter geen huis te kopen. Ik kan u vertellen dat
dit niet de buurten waren die bevolkt werden door autochtone Nederlanders. Dat is
de ongemakkelijke waarheid waar veel Joden en lhbti’ers mee moeten leven.
Voorzitter, tot slot. Moslimdiscriminatie is geen structureel, institutioneel probleem
in Nederland. Laat u dat niet wijs maken. Gebeurt dat in individuele gevallen wel,
dan is het simpel: onacceptabel en altijd bestraffen. Wat wel structureel is en disproportioneel,
is de discriminatie door islamitische gemeenschappen in Nederland van andere groepen:
Joodse Nederlanders, homo’s, afvalligen en christenen. In augustus 2025 organiseerde
het kabinet het Catshuisoverleg over moslimdiscriminatie: totaal mesjogge. Maar het
is zoals het is. JA21 ziet bij elk nadeel ook wel weer een voordeel. Daarom stel ik
voor om het thema van het volgende overleg op het Catshuis te veranderen van moslimdiscriminatie
naar discriminatie door moslims. De agenda’s zijn al getrokken en de juiste doelgroep
is uitgenodigd. Is de Minister bereid om dat te doen?
Dank u wel.
De voorzitter:
Oké. Ik zie verder geen andere interrupties. Dan ga ik door naar mevrouw Keijzer.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dank u wel, voorzitter. Mevrouw Shanna Schilder van de Groep Markuszower heeft mij
gevraagd om deze inbreng mede namens haar te leveren.
Voorzitter. Laat ik eerlijk beginnen. Dit debat over discriminatie voelt als een herhaling
van zetten, alsof Nederland een groot probleemland is geworden waarin iedereen voortdurend
tekort wordt gedaan. Dat beeld herken ik niet. Nederland is een vrij land met gelijke
rechten voor iedereen en daar mogen we best eens wat trotser op zijn. We zijn nog
steeds ruimdenkend en er is een grote bereidheid tot acceptatie van iedereen die zijn
of haar leven net op een andere manier wil invullen dan dat van jou of die er net
even wat anders uitziet dan jijzelf.
Dit onderwerp wordt helaas vaak gebruikt voor symboolpolitiek. Het is heel belangrijk
dat we daar vandaag bij stilstaan. Als wij dit debat namelijk overlaten aan degenen
die álles langs de meetlat van identiteit leggen, dan raken we de kern kwijt. Wat
je dan uiteindelijk krijgt, is dat de kleinste minderheid de rest gaat «terroriseren»
– wat mij betreft een zwaar woord. Desalniettemin: discriminatie bestaat. Zeker. Dat
ontken ik absoluut niet.
Wie wordt buitengesloten vanwege afkomst, geloof of geaardheid, moet daartegen beschermd
worden, maar we zien ook iets anders gebeuren. Het begrip «discriminatie» wordt steeds
verder opgerekt. Het gaat niet meer alleen over echte uitsluiting of over het toebrengen
van schade; het gaat steeds vaker over wat als onprettig wordt ervaren of politiek
hier niet uitkomt. Heb je bijvoorbeeld kritiek op gezichtsbedekkende kleding van moslima’s,
dan ben je een racist. Wil je vasthouden aan de traditie van sinterklaas, dan ben
je ook een racist of, nog erger, een fascist. Ook daarmee wordt gestrooid. Maak je
als cabaretier een harde grap, dan word je na afloop opgewacht door mensen, overigens
vaak van linkspolitieke huize, die dat allemaal niet trekken. «Monddood maken» noem
ik dat. Iedereen wordt tot slachtoffer gemaakt en het vrije woord moet wijken. Het
zogenaamde slachtoffer van discriminatie wordt als zielig neergezet, waarna we uit
een soort zelfhaat overgaan tot positieve discriminatie.
Zo had de gemeente Amsterdam bij een vacature de voorkeur uitgesproken voor een kandidaat
van buiten-Europese herkomst. Nou heb ik bij Amsterdam wel vaker een gevoel van «hebben
zij ze daar nog wel helemaal op een rijtje?», maar dit is toch gewoon discriminatie?
Draai de rollen eens om. Dan is de wereld te klein. Dit is wat mij betreft in strijd
met non-discriminatiebepalingen. Ik hoor graag van de Minister of hij dat ook vindt.
Om de Minister voor te zijn: ik weet dat bij artikel 1 van de Grondwet de toelichting
wordt gegeven dat je gelijke gevallen gelijk moet behandelen. De Minister gaat mij
vast uitleggen dat er geen sprake is van positieve discriminatie, want: geen gelijk
geval. Maar dat kun je helemaal niet op voorhand zeggen als je alleen naar iemands
dubbele nationaliteit of iemands huidskleur kijkt, want dat zijn maar twee onderdelen
van de identiteit van iemand. Dat zegt helemaal niets over de positie van die persoon
in de samenleving. Graag hoor ik een reactie van de Minister. Wat gaat hij doen aan
dit soort discriminatoire praktijken?
Dan het schandaal rond het Kennisplatform Inclusief Samenleven, het KIS. Ik heb het
net al gehoord. Een zogenaamd onafhankelijk kennisplatform laat met overheidssubsidie
onderzoek uitvoeren, maar betrekt daarbij vervolgens een moskeekoepel die aantoonbare
banden heeft met de Turkse overheid. Eerst een principieel punt. Als je een onafhankelijk
onderzoek wil doen naar inclusief samenleven, waarom betrek je daar dan een belangenorganisatie
bij? Dan is de uitkomst toch voorspelbaar? Dan is het immers de slager die zijn eigen
vlees keurt. Daarmee zijn we er echter nog niet, want waar het hier werkelijk om draait,
is dat de Nederlandse Staat een halve ton subsidie verstrekt voor onderzoek naar iets
waarvan het nog maar zeer de vraag is of het daadwerkelijk zo wijdverspreid voorkomt.
Bovendien is daar een organisatie bij betrokken die banden heeft met een buitenlandse
overheid. Daar wilden we toch juist vanaf?
Voorzitter. Dat staat nog los van de vraag: waar stopt dit? Er is altijd wel een minderheid
te vinden die zichzelf gediscrimineerd voelt. Alle voorbeelden zijn hier voorbijgekomen.
Volgens mij is dit de weg die we níet met elkaar op moeten gaan. De hoeveelheid geld
die daarmee is gemoeid, is wat mij betreft bizar en het leidt er uiteindelijk toe
dat de vrijheid van meningsuiting bevriest. Graag zou ik dan ook een overzicht willen
van alle financiering die de Rijksoverheid beschikbaar stelt in het kader van discriminatie
en inclusie: alle clubjes die zich daartegenaan bemoeien, alle subsidie die daarnaartoe
gaat en de onderzoeken die daarover gaan. Ik snap dat ik dat overzicht niet straks
in de eerste termijn van de Minister krijg, maar ik wil het uiteindelijk wel heel
graag hebben.
Voorzitter. Dit is niet de weg die we op moeten gaan. Ik heb net al in een interruptiedebat
tegen de heer Bamenga gezegd: je hebt artikel 1 van de Grondwet – dat is nou net een
van de klassieke grondrechten die ons moeten beschermen tegen de overheid – en je
hebt het daadwerkelijk strafbaar zijn van discriminatie-uitingen. Die moeten ons tegen
elkaar beschermen. Helaas is het een gebroken schepping, zoals ik net al zei. Dat
je dat wat in de mens is ingebakken, namelijk dat hij zich vaak herkent in mensen
die op hem of haar lijken, helemaal uitsluit, kun je echt vergeten. Je moet het uitsluiten
als het daadwerkelijk schade toebrengt.
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie een interruptie van de heer Schenk.
De heer Schenk (FVD):
Mevrouw Keijzer had het net even over sinterklaas.
De voorzitter:
O, foutje, foutje, foutje! Ik keek even ergens anders naar, maar ik zie dat u al door
uw interrupties heen bent.
De heer Schenk (FVD):
Ik ben er helemaal doorheen? Ik ben als nieuwkomer te enthousiast.
De voorzitter:
Helaas. Ik moet helaas streng zijn, ook gezien de tijd.
De heer Schenk (FVD):
Oké. Nou, niks aan te doen.
De voorzitter:
U keek vrolijk, dus ik dacht: ik geef u meteen het woord.
De heer Schenk (FVD):
Het was een hele goede vraag, voorzitter.
De voorzitter:
Het is helaas zo. Ik zie verder geen interrupties. Dan ga ik graag naar de heer Van
den Brink.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dank u wel, voorzitter. «Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten
geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander
in een geest van broederschap te gedragen.» Ik citeer artikel 1 van de Universele
Verklaring van de Rechten van de Mens. Hier zitten twee aspecten in: de fundamentele
gelijkwaardigheid van de mens – als christendemocraten geloven wij dat alle mensen
uniek, relationeel en gelijkwaardig zijn – en het morele appel op mensen om zich tegenover
elkaar als zusters en broeders te gedragen. Gelijkwaardigheid vereist dat de mensen
in de samenleving elkaar ook gelijk behandelen. Vandaag gaat het in dit debat over
de vraag hoe wij in de samenleving met elkaar omgaan, wat wij acceptabel vinden en
wat niet.
Bij het voorbereiden van dit debat moest ik terugdenken aan wat onze voorvorige premier
vaak zei: Nederland is een ontzettend gaaf land. Als je de denkrichtingen ten behoeve
van het Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme 2025–2029 leest, krijg
je namelijk niet echt het gevoel dat je in een gaaf land leeft. In 2025 heeft 12%
van de bevolking zich gediscrimineerd gevoeld. Dat blijkt uit de Veiligheidsmonitor
van het CBS. Bij mensen die zelf of wier ouders in het buitenland zijn geboren, ligt
dat percentage boven de 20%. Bijna 40% van de Joden – daar heb ik het vandaag verder
niet over omdat we onlangs een apart antisemitismedebat hebben gehad – bijna 30% van
de moslims en bijna 10% van de christenen ervoeren discriminatie. Bij homoseksuele
mannen en vrouwen ligt dat percentage rond de 25%. Ik heb dus een ander cijfer dan
het cijfer dat mevrouw Keijzer net noemde. Volgens mij is het 30% van de moslims in
plaats van 16,1%.
Voorzitter. Er is niks gaafs aan deze cijfers. Discriminatie ondermijnt niet alleen
de waardigheid van mensen, maar ook de samenhang in onze samenleving. Als er sprake
is van discriminatie – van vrouwen, van ouderen, van mensen met een handicap, van
Joden, van de queergemeenschap, van moslims – dan moet daar wat het CDA betreft streng
tegen worden opgetreden. Uiteraard heeft de overheid daar een belangrijke rol in.
Het CDA zoekt de echte oplossing echter niet in de eerste plaats bij de overheid.
Uiteindelijk komt het erop neer hoe wij in de samenleving met elkaar omgaan. Daar
ligt de sleutel. De samenleving moet kritisch zijn en zich uitspreken. Scholen, werkgevers,
verenigingen, mensen, familie en vrienden moeten elkaar aanspreken op gedrag dat te
ver gaat en elkaar bij de les houden. Zie je discriminatie of racisme om je heen,
spreek je dan uit. Dat is ook wat ik verwacht van deze Minister. Schep de kaders waarbinnen
de samenleving moet acteren en spreek u alstublieft uit als u mensen over de schreef
ziet gaan. Graag hoor ik van de Minister hoe hij zijn rol daarin ziet.
Wij zijn optimistisch over wat de samenleving kan en doet op dit gebied. Er zijn veel
mensen die zich belangeloos inzetten tegen polarisatie en voor de ander. Dat is mooi
om te zien. We zijn wel bezorgd over de neiging van de overheid om verder te gaan
dan alleen het bestrijden van discriminatie. Dat laatste is van groot belang; laat
daar geen misverstand over bestaan. Maar het is niet aan de overheid om te bepalen
wat inclusie en gelijkwaardigheid precies inhouden. Als ik de beleidsrichtingen lees,
krijg ik toch wel de indruk dat de overheid denkt dat ze alles moet fiksen. Wat een
plannen, wat een aansporingen en wat een onderzoeken, nu weer naar de kosten van discriminatie.
50 pagina’s lang.
Het CDA zoekt de oplossing veel minder in het uitrollen van diversiteits-, gelijkwaardigheids-
en inclusiebeleid, in het opstellen van lokale inclusie-agenda’s en het afdwingen
van inclusief leiderschap. Natuurlijk, dat kan soms best helpen. Voor alles is er
een tijd en een plaats, maar het wakkert ook onvrede en verzet aan. Kijk naar wat
er in Amerika gebeurt: een deel van de bevolking, en niet alleen maar de racisten,
werd door dit soort programma’s buitengewoon geïrriteerd, en dat helpt de emancipatie
bepaald niet. Principiëler: dat is niet aan de overheid, maar aan de samenleving.
Een mooi voorbeeld hiervan is de taalgids van het Ministerie van Onderwijs. Daarin
werd soms tot in detail gesuggereerd hoe we onze woorden moeten kiezen. Het kwam onlangs
naar buiten. Ik vrees dat het Ministerie van OCW niet de enige plek is waar dit soort
gidsen wordt gemaakt. Is de Minister het met mij eens dat dit soort gidsen niet met
overheidsgeld gemaakt zouden moeten worden? Als de samenleving daar ideeën over heeft,
dan is dat prima, maar de overheid moet toch niet voorschrijven hoe wij met elkaar
moeten praten?
Waar ligt voor de Minister de grens tussen discriminatie en kritiek op ideeën? Kan
hij garanderen dat antidiscriminatiebeleid niet wordt gebruikt om kritiek op religie,
gendergelijkheid of andere ideologieën als discriminatie, desinformatie of onveiligheid
te betitelen? De overheid beschermt burgers tegen discriminatie, maar niet ideeën
tegen kritiek. Deelt de Minister die opvatting? Een mooi voorbeeld dat net ook al
werd genoemd: de termen «moslimdiscriminatie» en «islamofobie» worden soms door elkaar
gebruikt. Moslimdiscriminatie is verboden, en terecht. Die moet worden bestreden.
Islamofobie is een veel breder begrip. Daar valt van alles onder: afkeer van de islam,
islamhaat misschien, kritiek op de islam. Dat is allemaal niet verboden en dat moet
wat mijn fractie betreft ook niet verboden zijn. Kritiek op een geloof is toegestaan
en dat moet wat het CDA betreft zo blijven. Dat raakt aan een fundamenteel punt: de
rechtsstaat beschermt mensen tegen discriminatie, maar beschermt ideeën en religies
niet tegen kritiek. Dat is misschien niet leuk, maar dat kan je ook weerbaar maken.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ben het met u eens: kritiek op een denkwijze of geloof moet kunnen. Net als dat
mensen de hele dag kritiek hebben op het christendom, zou je dat ook op een ander
geloof moeten kunnen hebben. Dat ben ik dus met u eens. U maakte net een verschil
tussen islamkritiek en islamofobie, waarbij u volgens mij veronderstelde dat dat tweede
niet bestond omdat het kritiek op elkaar was. Ik wilde even dubbelchecken of u bedoelde
dat islamofobie dus niet bestaat omdat daaronder een gelegitimeerde kritiek op mekaar
zit. Heb ik u zo goed begrepen?
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik denk dat islamofobie bestaat, maar dat is een veel breder begrip dan moslimdiscriminatie.
Moslimdiscriminatie is gewoon verboden. Dat hebben we ooit zo met elkaar afgesproken
en dat moet zo blijven. Islamofobie is een soort containerbegrip geworden waaronder
allerlei dingen vallen, bijvoorbeeld ook kritiek op de islam. Daarvan zeg ik: het
is misschien niet leuk, maar dat is wel toegestaan in ons land.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De uitleg van de heer Van den Brink roept bij mij wel de vraag op hoe je dat vervolgens
politiek dan wel omvat, want er zijn voorstellen om dit inderdaad aan te pakken, maar
als het zo vaag is dat je niet weet wat je moet aanpakken, wordt het een ingewikkeld
verhaal. Ik vraag dat natuurlijk ook aan het CDA, omdat het CDA een belangrijke coalitiepartner
is. Hoe gaat u om met islamofobie? Dan heb ik het niet over moslimdiscriminatie. Ik
ben het helemaal eens met wat u daar net over zijn. Maar hoe weegt u dat dan, ook
in het licht van bepaalde voorstellen die gedaan worden om islamofobie aan te pakken
en die aanpak een structureel karakter te geven?
De heer Tijs van den Brink (CDA):
In het coalitieakkoord ben ik de term niet tegengekomen, en daar ben ik blij mee.
Ik vind dat we die termen uit elkaar moeten halen. Islamofobie is zo’n breed containerbegrip
dat je daar als overheid niet zo veel mee kan, denk ik. Met moslimdiscriminatie wel:
daar moet hard tegen worden opgetreden. Kritiek op de islam of hekel aan de islam
is niet leuk, maar mag.
De voorzitter:
Meneer Van den Brink, u kunt doorgaan met uw betoog.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Nog één keer: moslimdiscriminatie is volgens mij een serieus probleem in ons land.
Dat moet wat mijn fractie betreft streng worden bestreden. Ik noemde net de cijfers:
30% van de moslims voelt zich gediscrimineerd.
Voorzitter. Ik ben nu al lang aan het woord, maar dankzij meneer Clemminck hebben
we vandaag wat meer spreektijd. Afsluitend nog een paar vragen over de onderliggende
stukken en de plannen van dit kabinet. In het coalitieakkoord en de recente beleidsbrief
van de Minister hebben we kunnen lezen over de plannen van de regering. Hoe verhouden
de plannen van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme zich tot de
plannen van de regering? Het lijkt erop dat die bijna gelijk vallen. Ik ben benieuwd
waar de verschillende daartussen zitten, wat het kabinet betreft.
Vorige week kregen we antwoorden van de Minister op vragen van collega-Kamerleden
over het organiseren van iftarbijeenkomsten door overheden. Hoewel ik begrijp dat
de Minister verwijst naar het subsidiariteitsbeginsel – gemeenten mogen hier zelf
over besluiten – vraag ik me toch af wanneer de scheiding van kerk en Staat wat het
kabinet betreft in het geding komt. Het lijkt mij logisch dat vertegenwoordigers van
de overheid ingaan op uitnodigingen om iftars bij te wonen. Dat lijkt mij heel goed
voor de integratie – er is niks mis met goede verhoudingen – maar het subsidiëren
of zelfs organiseren is iets anders. Hoe ziet de Minister dat? Zijn er voorbeelden
van feestelijkheden van andere godsdiensten die ook worden gesubsidieerd door de overheid?
Voorzitter. Een heel ander thema: de ondersteuning van burgemeesters met een visuele
beperking. Daar hebben wij wat vragen over gekregen. We horen verhalen dat er feitelijk
geen geld is voor ondersteuning van deze burgemeesters, terwijl dat wel echt nodig
is. Als we werkelijk representatief en inclusief willen zijn, dan hoort daar af en
toe een investering bij. Graag een reactie van de Minister daarop.
Voorzitter, afsluitend. We hebben het vandaag nog niet gehad over de echte vraag die
onder dit alles ligt: waarom discrimineren we überhaupt? Waarom doen wij mensen dat?
Als de Minister tijd over heeft, hoor ik graag zijn visie daarop.
De voorzitter:
Ik zie een aantal interrupties. Volgens mij was de heer Van Baarle eerst. Daarna mevrouw
Beckerman en daarna mevrouw Tseggai.
De heer Van Baarle (DENK):
Allereerst: fijn om te horen dat de heer Van den Brink het bevorderlijk voor de integratie
vindt als iemand bijvoorbeeld een iftar bijwoont. Ik denk dat het niet zozeer te maken
heeft met integratie. Integratie is een gedateerd begrip. Ik vind het eigenlijk kwalijk
dat het organiseren van een iftar per definitie met integratie te maken heeft. Al
die Nederlanders die hier geboren zijn en een iftar organiseren, hoeven helemaal niet
meer te integreren. Dat zijn gewoon Nederlanders. Dat gezegd hebbende hoorde ik de
heer Van den Brink zeggen: eigenlijk moet de bestrijding van discriminatie vooral
uit de samenleving komen; we moeten uitkijken dat er niet te veel verzet komt tegen
de bestaande programma’s tegen discriminatie. We hoorden hem vooral allemaal kritische
vragen stellen over dat we moeten uitkijken dat we het begrip «discriminatiebestrijding»
niet te veel oprekken. Ik ben eigenlijk benieuwd: is er volgens het CDA nog wel een
rol voor de overheid in het bestrijden van discriminatie? Moet er nog wat extra’s
gebeuren? Is het een uitdaging die we met elkaar tegemoet moeten treden of moeten
we het vooral over de schutting kieperen naar de samenleving en moet deze Minister
vooral de vingers in de oren stoppen?
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Als u mijn papiertje zou zien, dan zou u zien dat ik één pagina heb besteed aan hoe
belangrijk het bestrijden van discriminatie is en dat discriminatie buitengewoon kwalijk
is. Daarnaast heb ik een pagina besteed aan de vraag: wat is de rol van de overheid
en wat is de rol van de samenleving? Ik heb geprobeerd dat zo duidelijk mogelijk uit
te leggen, maar kennelijk is dat bij u niet helemaal goed geland.
De heer Van Baarle (DENK):
Dat de heer Van den Brink in zijn bijdrage wellicht heeft gezegd dat het belangrijk
is om er iets aan te doen, is één, maar ik hoorde in zijn bijdrage eigenlijk niks
over wat er dan zou moeten gebeuren. Ik hoorde wel allemaal kritische vragen over
een gids en het oprekken van de term «islamofobie», maar ik heb geen enkel concreet
voorstel van het CDA gehoord over wat we nou concreet van deze Minister gaan zien,
buiten dat de Minister zich af en toe moet uitspreken. Ik mag hopen dat de Minister
van Binnenlandse Zaken dat doet. Als deze Minister zich niet uitspreekt tegen discriminatie,
moet hij gewoon weg. Dat is een kerntaak van de Minister van Binnenlandse Zaken! Wat
moet het kabinet volgens het CDA nou concreet extra doen in het beleid om discriminatie
te bestrijden?
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik weet niet of er heel veel extra moet gebeuren, want volgens mij gebeurt er al heel
veel. Ik zei al dat er allerlei maatregelen tegen discriminatie in de plannen van
het kabinet en de coalitie staan. Daar ben ik niet tegen. Daar moeten we vooral mee
doorgaan. Mijn oproep is: denk ook na over wat de rol van de samenleving is en wat
de rol van de overheid is. Daartussen zou ik onderscheid willen maken.
Mevrouw Beckerman (SP):
De heer Van den Brink zei dat je je moet uitspreken als je discriminatie ziet of tegenkomt.
Dat vond ik wel mooi. Ik wil eigenlijk dezelfde vraag stellen die ik net ook aan de
heer Bamenga heb gesteld. We hebben de uitspraak gehoord dat er sprake zou zijn van
omvolking. We hebben de uitspraak gehoord dat Palestijnse vluchtelingen met geweld
tegen zouden moeten worden gehouden. Hoe zou het CDA zich daarover willen uitspreken?
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Als u het goedvindt, geef ik hetzelfde antwoord als de heer Bamenga. Ik vond dat hij
dat heel goed deed. Ik denk dat er niks mis is met samenwerken in de vorm van een
motie die wordt ondersteund of dat soort dingen. Een structurele samenwerking met
partijen die dit soort standpunt huldigen, is buitengewoon ingewikkeld voor het CDA.
Dat weet u.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ik was nog niet bij die vraag, maar ik kreeg al wel het antwoord. Ik vind dat nog
niet heel duidelijk. We hebben er vanavond ook een debat over. Ik weet dat dit mijn
laatste interruptie is, maar toch wil ik door op dit punt. De heer Van den Brink eindigde
zijn betoog eigenlijk met de vraag hoe deze ideeën in de samenleving komen. Ik denk
dat er helaas heel veel mechanismen voor zijn. Soms is dat angst en soms wordt die
angst aangejaagd. Kan u zich voorstellen dat dit soort woorden van politici ook iets
doen in de samenleving? Wat zouden wij daar dan tegenover moeten zetten?
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik ben ervan overtuigd dat woorden van politici de samenleving beïnvloeden. Ik had
het net over het cijfer van door moslims ervaren discriminatie. Dat was 30%. Het cijfer
waar mevrouw Keijzer het over had, was van een jaar of twee jaar eerder, denk ik.
Dat was 16%. In de tussenliggende jaren is daar vast iets gebeurd, ook in de Nederlandse
politiek. Ik denk dat dat verband er zeker is.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik denk dat het punt juist is dat er in de tussenliggende jaren niets is gebeurd in
de Nederlandse politiek. De heer Van den Brink was nog niet in Den Haag tijdens het
vorige kabinet, maar zo veel is er niet gebeurd op dit dossier. Ik moet heel eerlijk
zeggen dat zijn inbreng mij ook een beetje teleurstelde. Ik deel de analyse van de
heer Van Baarle wel: ik heb hele mooie woorden gehoord over wat het CDA vindt van
discriminatie. Daar ben ik het ook mee eens, met name met de oproep van de heer Van
den Brink aan de Minister om kaders te scheppen en zich uit te spreken. Maar nogmaals,
zoals ik al eerder heb gezegd in dit debat, zie ik daar niet echt budgetten voor in
het regeerakkoord. Ik heb in de inbreng van de heer Van den Brink ook geen concrete
maatregelen tegen discriminatie gehoord. Natuurlijk kunnen wij als overheid niet tegengaan
dat mensen elkaar onderling uitschelden om wat voor kenmerken dan ook, maar het is
wel aan ons om de systemen en de wetgeving te maken die discriminatie tegengaan. Wat
stelt de heer Van den Brink dus voor?
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Op het eerste punt: u zegt dat er niets is gebeurd. Waar ik op doelde toen ik mevrouw
Beckerman antwoord gaf, was dat het aantal moslims dat zich gediscrimineerd voelt,
is gestegen van 16% naar 30% en dat ik denk dat dat komt door de manier waarop hier
in de Tweede Kamer over moslims wordt gesproken. Dat is er gebeurd, zeg ik ter verheldering
daarop.
Dan het tweede punt, de concrete maatregelen. Zoals ik zojuist al zei tegen ik meen
de heer Ceder, staan er allerlei maatregelen in het regeerakkoord. Wij steunen die.
Ik heb uw vraag aan de regering over de financiering ervan gehoord. Ik ben benieuwd
naar het antwoord daarop.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik mag toch hopen dat de heer Van den Brink niet zijn antwoord op mijn vraag laat
afhangen van het antwoord van de Minister op mijn vraag. De heer Van den Brink maakt
een terechte analyse van discriminatie in de Nederlandse samenleving. Hij zegt tegen
de Minister: schep kaders en spreek je uit. Hij stelt daarna heel veel kritische vragen.
Dat mag, dat is niet erg, maar ik vraag hem hoe de Minister volgens het CDA al die
mooie maatregelen uit het regeerakkoord gaat uitvoeren als er geen budget voor is.
Kan ik op de steun van het CDA rekenen als ik daar budget voor vrij wil maken bij
de begroting Binnenlandse Zaken?
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dat ga ik u niet op voorhand toezeggen, want er zijn heel veel doelen die wij sympathiek
vinden en waar we geld voor zouden willen reserveren. Ik heb nu geen voorstellen klaarliggen
om er extra geld voor uit te trekken.
De voorzitter:
Dan kunt u uw betoog vervolgen.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik was klaar, voorzitter.
De voorzitter:
U was al klaar. Oké, dank u wel daarvoor. Dan gaan we naar mevrouw Beckerman.
Mevrouw Beckerman (SP):
Voorzitter. Afgelopen week hebben we een aantal zeer hevige protesten gezien met soms
zelfs een discriminerende of racistische toon. Dit weekend werden die gevolgd door
negen zogenaamde nationaalprotestacties. In mijn eigen Groningen zijn na afloop van
dit protest twee jongens, waarvan één een regenboogvlag droeg, aangevallen door deelnemers
aan het nationaal protest. Een van de slachtoffers werd meerdere keren getrapt en
tegen het hoofd geslagen. De regenboogvlag werd gestolen. Defend Groningen was hier
trots op, zo trots dat ze op maandag nog een foto plaatsten van twee jongens met de
gestolen regenboogvlag. Zo veel zelfvertrouwen hebben ze blijkbaar.
Zo veel zelfvertrouwen krijgen ze ook door politici die hun dit geven. Gidi Markuszower,
die, in dezelfde week dat we de Tweede Wereldoorlog herdachten, bij een protest in
Loosdrecht zegt – ik citeer – dat we worden omvolkt. Gidi Markuszower, die zegt dat
met maximaal geweld Palestijnen moeten worden tegengehouden bij de grens. Olie op
het vuur en die uitspraak vervolgens weer terugnemen: dat vind ik een soort politiek
playbook. Er zijn politici die hoog en droog zitten en vervolgens in de samenleving
mensen aanwijzen als schuldigen aan problemen die de politiek zelf heeft veroorzaakt
of heeft laten escaleren.
Maar hoeveel ruimte geven we hieraan? Het was immers de partij van Markuszower die
de coalitie aan een meerderheid hielp om door te kunnen gaan met plannen om de AOW-leeftijd
weer te verhogen, iets wat volgens mijn partij de onvrede in het land terecht alleen
maar zal voeden. Gaat dit weer gebeuren? Krijgt de partij van Markuszower na deze
uitspraak weer de ruimte van de coalitie? Ik vroeg het net aan een coalitiepartij,
maar ik vraag het ook aan de Minister. Wat betekenen de woorden van Rob Jetten dat
dit geen gemakkelijke start is voor samenwerking op een hele hoop andere onderwerpen
nu concreet? Mogen politici zuurstof geven aan discriminatie om vervolgens toegang
te krijgen tot het centrum van de macht?
Voorzitter. Een belangrijk punt voor mijn partij is dat discriminatie op basis van
klasse verboden moet worden. De ongelijkheid in Nederland is groot en je afkomst bepaalt
vaak je toekomst. Zelf het CPB waarschuwt inmiddels dat het risico op economische-machtsconcentraties
toeneemt. Maar Nederland kent geen verbod op discriminatie op basis van klasse. Andere
landen hebben dat wel. Het College voor de Rechten van de Mens wijst erop dat we in
de afgelopen jaren al meermalen kritisch zijn bevraagd waarom Nederland achterblijft
met het verbieden van klassendiscriminatie. Mijn onvolprezen voorganger Michiel van
Nispen kreeg na lang aandringen van een voorganger van deze Minister de toezegging
dat die onderzoek zou gaan doen naar sociaal-economische status als discriminatiegrond.
Gaat dit onderzoek nu eindelijk, na een flinke vertraging, plaatsvinden, vragen wij
aan deze Minister. Wanneer kunnen we de uitkomst ervan verwachten? Hoe staat deze
Minister überhaupt in dit onderwerp?
Voorzitter. Dan discriminatie door de overheid zelf. Stop met lopende toepassingen
van datagedreven profilering. Overheden gebruiken steeds vaker algoritmes en data
om burgers in te delen in risicogroepen, bijvoorbeeld bij toeslagen, DUO-controles
of politieonderzoeken. Dit kan verregaande consequenties hebben voor mensen die onterecht
als risico of zelfs als fraudeur uit het systeem rollen. Meer dan 50 algoritmes van
de Belastingdienst bleken discriminerend en dus in strijd met de wet, zo bleek uit
een brief van de Autoriteit Persoonsgegevens. Bij sleepnetonderzoeken naar fraude
in wijken deed de overheid te weinig om discriminatie te voorkomen, concludeerde een
extern onderzoeksbureau. DUO discrimineerde studenten bij de controles op de uitwonendenbeurs;
het is al vaker genoemd in dit debat. En de lijst gaat door.
Volgens de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme leidt dit regelmatig tot
discriminatie, vooral van mensen met een migratieachtergrond. Historische data bevatten
vaak al bestaande vooroordelen waardoor algoritmes die ongelijkheid verder versterken.
De overheid presenteert profilering heel vaak als een soort technische keuze, maar
die staatscommissie zegt dat het eigenlijk een politieke en normatieve keuze is, die
raakt aan grondrechten en democratie. Transparantie ontbreekt vaak. Toezichthouders
zoals de Autoriteit Persoonsgegevens en het College voor de Rechten van de Mens hebben
meerdere keren gewaarschuwd voor discriminerende algoritmes.
Nu doet ook de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme een echt opvallend stevig
voorstel: stop met de lopende toepassing van datagedreven profilering en beperk de
verdere inzet ervan. Een vergaand maar wel logisch voorstel. Wij vragen om een reactie
erop van de Minister. Zolang de overheid niet kan garanderen dat deze systemen eerlijk
zijn en geen mensenrechten schenden, moeten we er heel terughoudend mee omgaan. Bent
u bereid om hieraan te voldoen, vragen we aan de Minister. Als u niet bereid bent
om dit te doen, hoe gaat u dan aantonen dat er geen directe of indirecte discriminerende
effecten zijn?
Voorzitter, tot slot. Er zijn heel veel punten die ik vandaag aandacht had willen
geven. Met de drie punten die ik vandaag heb gekozen, kies ik voor punten waarop de
overheid of politici zelf discrimineren, discriminatie voeden of discriminatie laten
bestaan. Als je het vertrouwen van mensen wil terugwinnen, is dit absoluut de kern.
Een samenleving waarin inwoners bang moeten zijn dat de overheid hen onterecht uitkiest
als fraudeur, als verkeerd, als probleem is fundamenteel beangstigend. Politici die
zuurstof geven aan protest door te spreken van omvolking of van geweld tegen vluchtelingen
zijn beangstigend. Tegelijkertijd zijn de mensen die de straat op gaan om een tegengeluid
te laten horen met meer. Of het nou de heksennachten voor rechten van vrouwen zijn,
de tegenacties tegen het nationaal protest of de vakbonden in verzet tegen de afbraak
van sociale verworvenheden: zij zijn met meer en dat is de echte brandstof voor vooruitgang.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. Ik zie geen interrupties. Dan ga ik naar de heer Schenk.
De heer Schenk (FVD):
Dank u wel, meneer de voorzitter. Wie om zich heen kijkt, ziet dat het niet goed gaat
met Nederland. De gezelligheid verdwijnt, gezinnen en huishoudens hebben moeite om
hun energierekening te betalen en de belastingen stijgen, net als de prijzen aan de
pomp. Jongeren kunnen niet meer uit huis, blijven jarenlang bij hun ouders op zolder,
kunnen zodoende niet verder met de volgende stap in hun leven en stellen gezinsvorming
uit of zelfs af. En ondertussen verdwijnt ons thuisgevoel. Het Nederland waarin we
opgroeiden, verwatert, verdwijnt, wordt onherkenbaar. Ondertussen staan de grenzen
wagenwijd open en elke week zien we 1.000 mensen binnenkomen die onze taal niet spreken
en in het overgrote deel van de gevallen onze cultuur, normen en waarden niet onderschrijven,
met alle gevolgen van dien. De onveiligheid neemt toe, het leven wordt onbetaalbaar
en de zorgen om de toekomst van de volgende generaties worden groter.
Kortweg: Nederlanders, de mensen voor wie en door wie wij hier zitten, voelen zich
steeds ongelukkiger en snakken naar broodnodige verandering, een overheid die hun
zorgen eindelijk serieus neemt en in actie komt en de fundamentele problemen van Nederland
eindelijk oplost, van de totaal uit de hand gelopen massale immigratie tot het steeds
lelijker worden van onze openbare ruimte en tot de niet te betalen belastingen. Dat
is dus datgene wat in verkiezingstijd voortdurend door de gevestigde machtspartijen
wordt beloofd, maar direct weer wordt vergeten zodra de stemmen binnen zijn.
Voorzitter. Dit zou toch moeten kunnen, zou je zeggen, want er werken inmiddels 168.000 mensen
voor de Rijksoverheid. 168.000 mensen: met zoveel arbeidskracht tot zijn beschikking
zou dit kabinet toch verandering moeten kunnen bewerkstelligen, zou je zeggen. Een
koerswijziging is mogelijk: zet al die mensen aan het werk om de echte problemen in
Nederland op te lossen en om in het belang van ons eigen land te handelen. We zijn
er zo; waarom gebeurt het dan niet? Nou, het gebeurt niet omdat dit kabinet er niet
voor de Nederlanders is en zijn ambtenaren niet aan het werk zet voor een betere toekomst
voor Nederlanders.
Dit werd voor mij nogmaals benadrukt toen ik mij aan het voorbereiden was op dit debat.
Want nee, de afgelopen jaren hebben ambtenaren zich niet beziggehouden met het oplossen
van de asielproblematiek of het verlagen van de lasten op arbeid. Nee, zij hebben
zich onder het bewind van de Minister onder andere beziggehouden met het onderzoek
Racisme binnen de Rijksoverheid. In december 2022 zou namelijk zijn gebleken dat er
sprake is van institutioneel racisme op ministeries. «Institutioneel racisme»: een
onzinterm die uitsluiten tot doel heeft om de bevolking van dit land nog verder te
vernederen en te knechten. In datzelfde zogenaamde onderzoek wordt vervolgens opgeroepen
tot racisme richting blanke Nederlanders. Er wordt gepleit voor biculturele vertrouwenspersonen
en een kleurenquotum op de werkvloer. Voorbeelden van het vermeende institutionele
racisme waarvoor deze maatregelen nodig zouden zijn, zijn trouwens weerstand bij het
organiseren van een iftarmaaltijd op het ministerie, iemand die te horen kreeg niet
meer in het team te passen en het ontbreken van een gebedsruimte op de werklocatie;
het staat er letterlijk.
Schijnbaar is dat institutioneel racisme en daarmee aanleiding voor actie, want de
Minister nam deze gekte van ambtenaren nog over ook. In de maatregelen die het Rijk
neemt om diversiteit en inclusie te bevorderen, lezen we hoe er gewerkt wordt aan
het nastreven van een diverse samenstelling van teams, hoe er met een exitmonitor
zicht wordt gehouden op de uitstroom van ondervertegenwoordigde groepen en hoe er
via dialoog, inspiratiesessies en Diversity Day gewerkt wordt aan het belang van diversiteit
en inclusie op de werkvloer binnen de Rijksoverheid. Dus ja, we zijn op het punt gekomen
– je zou het niet voor mogelijk houden – waarbij een Nederlander met perfecte kwalificaties
niet aangenomen wordt door de Rijksoverheid omdat er al genoeg Nederlanders op de
werkvloer rondlopen. «Sorry meneer, uw cv en motivatie zijn fantastisch, maar wij
hebben hier al genoeg witte, bevoorrechte mannen werken en daarom kiezen wij voor
Abdullah uit Eritrea»: het klinkt deze Minister en zijn rijksambtenaren schijnbaar
als muziek in de oren als we die stukken lezen; ongelofelijk.
Daarmee zijn we nog niet klaar, want er vindt wat dit kabinet betreft niet alleen
binnen de overheid racisme plaats, ook de samenleving zelf zou ervan zijn volgelopen.
Om die reden wordt er gewerkt aan een Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme.
We lezen letterlijk dat dankzij de inzet van bewegingen als Kick Out Zwarte Piet en
Black Lives Matter de bewustwording rond dit thema zou zijn toegenomen in Nederland.
Ja, dit zijn letterlijke teksten uit een overheidsdocument: Kick Out Zwarte Piet en
Black Lives Matter, u weet wel, die organisaties van «ik trap Zwarte Piet hoogstpersoonlijk
op zijn gezicht» en demonstraties die uitmonden in het massaal leegplunderen van winkels
van hardwerkende ondernemers. Goed om te weten dat deze Minister die inzet waardeert
en er dankbaar voor is. Dan weten we ook waar de prioriteiten en het moreel kompas
van dit kabinet liggen: in ieder geval niet bij de Nederlander.
Voorzitter. Die Nederlander ziet zijn land steeds onherkenbaarder worden, zijn rekeningen
hoger worden, de onveiligheid toenemen, zijn thuisgevoel verdwijnen. Die ziet dit
land – zijn land, dit prachtige land, ons land, het land dat we zelf op het water
hebben veroverd – overgeleverd worden aan pure symboolpolitiek, waardoor de problemen
die Nederlanders ervaren alleen maar groter worden, en aan beleid dat volledig is
losgezongen van wat er daadwerkelijk speelt bij de mensen thuis. Terwijl die Nederlanders
zich zorgen maken over de toekomst, is ons kabinet bezig met zo veel mogelijk diversiteit
op de werkvloer, met zo min mogelijk Nederlanders op de werkvloer. Dit kabinet reduceert
dit prachtige land tot een plek waar niet hard werken, succes en excellentie beloond
worden, maar welke kleur je hebt en waar je vandaan komt. En je komt er bekaaid van
af wanneer je toevallig een blanke Hollander blijkt te zijn.
Voorzitter. Dit beleid moet stoppen. Forum voor Democratie wil de Nederlander weer
centraal stellen en de echte problemen in dit land aanpakken. Dat betekent de immigratie
een halt toeroepen, de doorgeslagen klimaatplannen van tafel, onze soevereiniteit
herstellen, het leven weer betaalbaar maken. Wij willen Nederland weer gezellig maken.
Maar zolang dit kabinet daar niks aan doet en zich vooral druk maakt over de vraag
of er wel of niet halal kan worden gegeten op het ministerie, blijft dat ideaalbeeld,
het ideaalbeeld van het prachtige land dat Nederland kán zijn, een illusie.
Voorzitter. Wij zullen ons in ieder geval keihard voor dit prachtige land blijven
inzetten. En wat is dat hard nodig! Verandering is mogelijk, maar dan zal een heel
snelle koerswijziging noodzakelijk zijn. Ik zeg dus tegen de Minister: ga eens aan
het werk, stop met dit belachelijke anti-Nederlandse beleid en los eens echt de problemen
op.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik kijk even rond en zie een interruptie van de heer Clemminck.
De heer Clemminck (JA21):
Ik heb een interruptie, maar ik heb ook een punt van orde. Ik snap dat het een gevoelig
debat kan zijn en dat mensen geen robots zijn, maar het zou toch fijn zijn dat als
hier een Kamerlid aan het woord is, er niet gelachen wordt op de publieke tribune.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik denk dat dat inderdaad duidelijk is. Het is niet aan de publieke tribune
om goedkeuring of afkeuring te geven ten aanzien van hetgeen hier gezegd wordt.
De heer Clemminck (JA21):
Dan mijn interruptie richting de heer Schenk. We zien de laatste tijd natuurlijk dat
door een levensgevaarlijke mix, een coalitie van islamisten en links, met name onze
joodse Nederlanders een zwaar leven hebben in Nederland. We zien het antisemitisme
enorm stijgen. Is de heer Schenk van mening dat het antisemitisme in Nederland enorm
is toegenomen en dat onze joodse Nederlanders ontzettend kwetsbaar zijn? Welk voorstel
zou de heer Schenk hebben om de Nederlandse joden beter te beschermen?
De heer Schenk (FVD):
Dank voor de vraag. Ik denk dat het in algemene zin zo is dat de samenleving behoorlijk
aan het verharden is. Dat heeft ook tot gevolg dat er dan inderdaad een toename is
van antisemitisme. Ik denk dat dit ook zeker, of misschien wel bij uitstek, te maken
heeft met de situatie in het Midden-Oosten. Ik ben het eens met de heer Clemminck
wat betreft het punt waarop hij de heer Van Baarle, geloof ik, interrumpeerde, namelijk
dat het ook wel in grote mate vanuit islamitische hoek komt. Dus wat willen wij daaraan
doen? Ja, het probleem bij de kern aanpakken. Dat betekent grenzen dicht en remigratie.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de heer Clemminck. Hij heeft geen vervolgvraag. Volgens mij was
u klaar met uw betoog, meneer Schenk. Dan ga ik graag naar de heer Verkuijlen voor
zijn betoog.
De heer Verkuijlen (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Met uw welnemen permitteer ik mij een autobiografische opening.
In de vorige eeuw, in 1991, werkte ik als politieman in het wijkteam Koninginneweg
in Amsterdam. Daar werden in de Harmoniehof discriminerende, antisemitische pamfletten
door de brievenbus gegooid. Discriminatie was geen delict waarmee we als politie dagelijks
te maken kregen. Bovendien waren in 1991 het Wetboek van Strafrecht en diverse andere
wetten grondig aangepast om discriminatie strafrechtelijk effectiever aan te kunnen
pakken. Er bestond onder collega’s enige handelingsverlegenheid om deze zaak op te
pakken. Ik volgde in die tijd wat modules rechten. Mij viel dus de eer ten deel om
een aangifte van verspreiding van materiaal met een discriminerende inhoud op papier
te zetten. Voor fijnproevers: dat gaat om artikel 137e van het Wetboek van Strafrecht. Op dat moment kon ik niet vermoeden dat ik 35 jaar
later, vandaag hier in de Kamer, een debat over discriminatie zou voeren. Want wat
ziet Nederland er in 2026 met betrekking tot dit onderwerp anders uit, mede door de
in 1994 ingevoerde Wet gelijke behandeling, de aanstelling van een nationaal coördinator
en de verscheidenheid aan meldpunten. Daartegen blijft de aanleiding, het grote aantal
meldingen, zorgwekkend.
Voorzitter. Iedereen moet in Nederland vrij en veilig zichzelf kunnen zijn. Discriminatie,
racisme, antisemitisme, moslimhaat, lhbti-haat en andere vormen van uitsluiting horen
niet thuis in onze samenleving. Toch zien we nog iedere dag dat mensen worden buitengesloten
van de arbeidsmarkt, online, op school en zelfs binnen de overheid. Dat vraagt niet
alleen om mooie woorden, maar vooral om concrete maatregelen en zichtbare resultaten.
Voorzitter. Ik wil beginnen met discriminatie binnen de overheid. Juist de overheid
moet het goede voorbeeld geven; noblesse oblige, tenslotte. Het recente personeelsonderzoek
laat echter een zorgelijk beeld zien van racisme en discriminatie op de werkvloer
binnen de Rijksoverheid. Medewerkers geven aan dat zij onvoldoende vertrouwen hebben
in de bestaande meldstructuren en dat zij eraan twijfelen of meldingen bij vertrouwenspersonen
daadwerkelijk vertrouwelijk blijven. Dat is ernstig, want wanneer medewerkers zich
niet veilig voelen om discriminatie te melden, ontstaat er een stilzwijgen in plaats
van verbetering. Daarom wil ik van de Minister weten of het gebrek aan vertrouwen
volgens hem alleen samenhangt met vertrouwelijkheid of dat ook de onafhankelijkheid
van de vertrouwenspersonen een rol speelt. Is de Minister bereid om te onderzoeken
of externe onafhankelijke vertrouwenspersonen binnen de Rijksoverheid noodzakelijk
zijn? Hoe gaat de Minister concreet meten of het vertrouwen in vertrouwenspersonen
binnen de Rijksoverheid verbetert? Daarnaast heeft de staatscommissie in 2025 een
discriminatietoets ontwikkeld – die is al door meerdere collega’s aangehaald – voor
de dienstverlening in de publieke sector. Dat lijkt mijn fractie een belangrijk instrument
om discriminatie vroegtijdig mee te signaleren, maar een instrument heeft alleen waarde
als het ook daadwerkelijk wordt toegepast. Daarom vraag ik de Minister of deze discriminatietoets
inmiddels verplicht is binnen de Rijksoverheid. Kan die verplichting er komen? Zo
nee, waarom niet?
Met betrekking tot divers en inclusief bestuur is het fenomeen geconstateerd dat ondervertegenwoordigde
groepen, zoals vrouwen, vaker slachtoffer zijn van bedreiging en intimidaties. Het
is goed dat er bij afzonderlijke regelingen rekening wordt gehouden met het karakter
van hun politieke ambt. Dat is een onderwerp waar mevrouw Rajkowski, mijn fractiegenote,
zich hard voor heeft gemaakt. Zo wordt voor vrouwelijke volksvertegenwoordigers onder
meer de wettelijke belemmering weggenomen om zich bij aanvang van hun ambtsperiode
wegens zwangerschap direct te laten vervangen. Ook kan de vervanging met een maand
verlengd worden in plaats van met vier maanden. In plaats van te spreken van «tijdelijk
ontslag» wordt «tijdelijke ontheffing» aangehouden. Mijn fractie wil graag van de
Minister weten wat de status is van die regeling. Wanneer wordt deze volledig ingevoerd?
Hoe wordt ervoor gezorgd dat gemeenten en andere bestuurslagen deze regeling ook goed
uitvoeren?
Met betrekking tot bedreigingen en intimidaties lees ik goede ontwikkelingen, zo ook
dat de Minister persoonlijk bedreigde lokale politici belt. De veiligheidsprotocollen
in gemeenten missen nog in de actieve stimulans. Verschillende gemeenten beschikken
nog niet over duidelijke veiligheidsprotocollen of adequate ondersteuning voor raadsleden,
wethouders en burgemeesters die met agressie en geweld te maken krijgen. Daarom vraag
ik de Minister of hij bereid is om de regie te nemen en ervoor te zorgen dat er in
alle gemeenten dergelijke veiligheidsprotocollen worden ingevoerd. Ook vraag ik hem
om gemeenten daarbij zo nodig te ondersteunen. Daarnaast vraag ik de Minister of hij
van mening is dat alle politieke ambtsdragers, met specifieke aandacht voor de kwetsbare
positie van vrouwen, beter beschermd moeten worden tegen agressie, intimidatie en
geweld. Zo wil ik graag van de Minister weten of er specifieke aandacht is voor de
online-intimidatie van vrouwelijke politici en van politici in het algemeen.
Voorzitter. Tot slot kom ik bij de discriminatiecijfers. Meten is weten. We hebben
het al over verschillende aspecten hiervan gehad. Goede cijfers zijn essentieel om
effectief beleid te maken. De discriminatiecijfers geven een belangrijk beeld van
meldingen en ervaringen, maar zonder de gegevens van het Openbaar Ministerie blijft
een deel van de werkelijkheid buiten beeld. Het OM constateert bijvoorbeeld een stijging
van strafbare discriminatie tegen ambtenaren en buitengewoon opsporingsambtenaren
tijdens hun werkzaamheden. Daarbij gaat het onder andere om discriminatie op grond
van ras, huidskleur en seksuele geaardheid. Dat zijn belangrijke signalen die niet
genegeerd mogen worden. Ik vraag de Minister daarom of hij bereid is om de gegevens
en analyses van het Openbaar Ministerie structureel mee te nemen in het landelijk
beeld van de discriminatiecijfers over 2026. Kan de Minister toezeggen dat deze cijfers
voortaan integraal worden gepresenteerd, zodat beleid gebaseerd wordt op een volledig
overzicht van meldingen, aangifte en strafrechtelijke vervolging?
Voorzitter. Discriminatie ondermijnt vertrouwen, gelijkwaardigheid en sociale cohesie.
Daarom moeten we niet alleen reageren op incidenten, maar vooral structureel werken
aan een overheid en samenleving waarin iedereen daadwerkelijk gelijk wordt behandeld.
Dat brengt mij bij het einde van mijn bijdrage, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Verkuijlen. Ik kijk rond en zie geen interrupties. Daarmee komen
we aan het einde van de eerste termijn van de Kamer. De Minister heeft aangegeven
dat hij 40 minuten de tijd nodig heeft. Er zijn heel veel vragen gesteld, dus dat
begrijp ik heel goed. Laten we hier dus om 16.40 uur weer terugkomen. Ik schors tot
dan.
De vergadering wordt van 16.00 uur tot 16.40 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Wij komen nu toe aan de eerste termijn van de Minister.
Gezien de tijd wil ik graag vier interrupties vanuit de Kamer toelaten. Ik ga echt
kijken hoelang de interrupties zijn en na 30 seconden ga ik echt wel ingrijpen. Probeer
het dus kort en bondig te houden. Ik vraag de Minister om de blokjes in ieder geval
door te geven. Het verzoek is om vragen aan het einde van het blokje te stellen. Het
woord is aan de Minister.
Minister Heerma:
Voorzitter. Ik ga vanwege het grote aantal vragen een vrij korte inleiding houden.
Aan het einde van die inleiding zal ik de blokjes benoemen. De eerlijkheid gebiedt
te zeggen dat het met de hoeveelheid vragen en onderwerpen die er waren heel veel
blokjes zouden worden. Ik heb er dus voor gekozen om dat juist niet te doen. Het zijn
dus een beperkt aantal blokjes, maar daarmee zijn het wel heel grote blokken. Dat
is de realiteit. Het is aan u, voorzitter, of u tussendoor vragen toestaat of aan
het einde van een blok. Ik vind het wel eerlijk om te zeggen dat het echt grote blokken
zijn.
Voorzitter. Discriminatie en racisme zijn in onze samenleving een hardnekkige, pijnlijke
realiteit en moeten krachtig worden bestreden. Artikel 1 van de Grondwet is heel duidelijk:
iedereen dient in gelijke gevallen gelijk behandeld te worden. De Nationaal Coördinator
tegen Discriminatie en Racisme verwoordde het heel mooi bij de opening van de Week
tegen Racisme en Discriminatie bij het Ministerie van BZK. Het mooie van artikel 1
van de Grondwet is dat het gelijkheid én verschil beschermt. Iedereen is gelijk en
verschillen mogen er zijn. Daar kunnen we trots op zijn en dat moeten we waarborgen.
Niemand zou geconfronteerd moeten worden met haat, intimidatie, uitsluiting en geweld
om welke reden dan ook. Mensen moeten vrij en veilig zijn om zich te kunnen uiten.
Ik ben mij ervan bewust dat het veranderende politieke klimaat van de afgelopen periode
niet altijd heeft bijgedragen aan een daadkrachtige en consistente aanpak van discriminatie.
Ik ben voornemens om met dit kabinet betekenisvolle stappen te zetten op terreinen
waar uw Kamer zich al langere tijd hard voor maakt. Ik voel dit als mijn verantwoordelijkheid
als Minister van Binnenlandse Zaken en als hoeder van de Grondwet.
Voorzitter. Afgelopen april heb ik de discriminatiecijfers over 2025 in ontvangst
genomen. Daaruit blijkt dat er wederom een stijging is van het aantal meldingen. Tegelijkertijd
zijn de cijfers niet voldoende representatief om het daadwerkelijke aantal mensen
dat discriminatie ervaart te kunnen vaststellen. Volgens mij heeft de voorzitter daar
in zijn termijn ook aan gerefereerd. Zelfs ogenschijnlijk kleine voorvallen kunnen
een grote impact hebben op mensen en raken daarmee uiteindelijk ook hun vertrouwen
in de samenhang in onze samenleving. In mijn voormalige rol als Kamerlid, aan die
kant van de debatten, ging dit onderwerp mij ook al aan het hart. In 2020 heb ik daarom
samen met oud-collega Asscher een motie ingediend met het verzoek om een divers samengestelde
staatscommissie tegen discriminatie en racisme in te stellen. De staatscommissie is
er gekomen en heeft sindsdien al diverse waardevolle adviezen uitgebracht, waar ik
nog verder op in zal gaan. Ik kijk uit naar het eindrapport, dat binnenkort verschijnt.
Ik zie het als een grote verantwoordelijkheid om nu in de rol van coördinerend Minister
richting te mogen geven aan de aanpak van discriminatie. Ik heb als Minister het voorrecht
gehad om in mijn eerste maanden al een aantal dossiers met een lange voorgeschiedenis
een stapje verder te brengen. Hierbij ging het bijvoorbeeld om de herziening van het
stelsel van antidiscriminatievoorzieningen, ADV’s, en om het opnemen van eenzijdig
overheidshandelen in de Algemene wet gelijke behandeling. Over beide onderwerpen zijn
vragen gesteld, waar ik zo op zal komen. Er is nog meer werk aan de winkel op het
vlak van discriminatiebestrijding. Daar wil ik mij samen met het kabinet voor inzetten.
Dat is een verantwoordelijkheid die we, en ik, ook voelen.
Tegelijkertijd is het ook een beroep op ons allemaal als politici, dus ook de Kamer,
om samen de norm uit te dragen dat discriminatie niet oké is. Ik heb al herhaaldelijk
gezegd – er is in dit debat al aan het bedreigen van lokale politici gerefereerd –
dat wij allemaal de verantwoordelijkheid hebben om met de toon en de woorden die wij
kiezen olie op de golven in plaats van olie op het vuur te gooien. Ik ben mij daar
zeer bewust van. Ik heb mij daar bij herhaling, wanneer ik dat zie gebeuren, ook over
uitgesproken.
Afsluitend van mijn inleiding. Dit kabinet neemt discriminatie in alle vormen uiterst
serieus en blijft zich inzetten voor een samenleving waarin iedereen zich veilig en
gelijkwaardig voelt. Het kabinet werkt daarom breed aan de aanpak van alle vormen
van discriminatie en blijft in gesprek met de NCDR, de staatscommissie, maatschappelijke
organisaties en betrokken gemeenschappen om tot een effectieve en samenhangende aanpak
te komen. Het gezamenlijke doel blijft helder: een Nederland waarin discriminatie
geen ruimte krijgt.
Voorzitter. Ik zal de vele vragen die in eerste termijn gesteld zijn zo goed mogelijk
proberen te behandelen. Dat ga ik in drie blokken doen: eerst algemeen, dan specifieke
gronden en groepen, en afsluitend discriminatie bij de overheid.
Ik wil starten bij de bijna filosofische vraag die Kamerlid Van den Brink van het
CDA stelde: waarom discrimineren we überhaupt? Waar komt het vandaan? Discriminatie
is het achterstellen of uitsluiten van mensen op basis van wettelijk beschermde persoonskenmerken,
zoals geslacht, seksuele gerichtheid, afkomst of handicap. Discriminatie ontstaat
door stereotype denkbeelden over mensen die ons zijn aangeleerd. Er is heel veel onderzoek
gedaan naar hoe stereotypen werken. Stereotypen helpen mensen om orde aan te brengen
in de stroom van indrukken die zij te verwerken krijgen. Het is daarmee een soort
efficiencymaatregel in de hersenen. Die stereotypen zijn vervolgens behulpzaam in
het indelen van mensen in groepen. Dat sluit aan bij de behoefte van mensen om bij
een groep te horen en de eigen groep als positief te zien. De positieve identiteit
kan worden verkregen door opwaardering van de eigen groep of de afwaardering van andere
groepen.
Dit proces van groepscategorisering heeft onbedoeld grote effecten, omdat het negatieve
beelden van anderen vergroot. Het kan ertoe leiden dat de leden van die groep als
allemaal hetzelfde worden gezien, zonder dat er werkelijk naar iemands capaciteiten,
naar het individu en de eigenschappen wordt gekeken. Zo kunnen mensen denken dat een
mannelijke sollicitant geen aansluiting zal vinden in een team dat enkel uit vrouwen
bestaat, dat een oudere werknemer niet flexibel genoeg zou zijn om voor promotie in
aanmerking te komen of dat een leerling met een beperking een opleiding niet met succes
zou kunnen afronden. Dit is niet alleen een gemiste kans voor individuele gevallen,
maar ook voor de samenleving als geheel. Dit is een poging om een antwoord te geven
op de vraag van de heer Van den Brink, maar daarin zit dus ook verweven waarom we
alert moeten zijn op de risico’s en de gevolgen hiervan en waarom we met elkaar racisme
en discriminatie moeten bestrijden.
Diverse leden, waaronder de heer Bamenga en de heer Van den Brink, vroegen: is de
Minister bereid om stevige normen te stellen en te normeren bij discriminatie en racisme?
Ik heb hier in mijn inleiding ook al iets over gezegd. Als coördinerend Minister zal
ik richting geven aan de aanpak van discriminatie en ben ik verantwoordelijk voor
de kaders die zijn vastgesteld in artikel 1 van de Grondwet en de Algemene wet gelijke
behandeling. Samen met het kabinet wil ik betekenisvolle stappen zetten om die kaders
en de infrastructuur voor gelijke behandeling te versterken. Waar nodig zal ik mij
uitspreken en de norm uitdragen dat discriminatie niet oké is. Het vellen van een
oordeel of er in specifieke gevallen sprake is van discriminatie is voorbehouden aan
de rechter en het College voor de Rechten van de Mens. Het uitdragen van de norm moeten
we met z’n allen doen; dat gaf ik in mijn inleiding ook aan. Dat is een gezamenlijke
verantwoordelijkheid. We hebben als politici ook een voorbeeldfunctie. Dat is in de
eerste termijn van de Kamer ook langsgekomen. Onze uitspraken kunnen een grote invloed
hebben en doorwerken in de samenleving en de manier waarop mensen daar tegenover elkaar
staan, zo heeft de staatscommissie in haar rapportages ook laten zien.
Dan nog een vraag van de heer Bamenga. Dit is een vraag die een bewindspersoon aan
de start van zijn termijn eigenlijk in elk debat krijgt. Hij vroeg: wanneer vindt
u uw termijn succesvol? Welke stappen wilt u gezet hebben? Wanneer is er voldoende
vooruitgang geboekt? Ik zie als Minister voor de komende jaren drie prioritaire thema’s
als het gaat om de aanpak van discriminatie. Eén: het aanpakken van discriminatie
door de overheid zelf. Twee: het melden van discriminatie en het versterken van de
antidiscriminatievoorzieningen. Drie, last but not least: het tot stand brengen van
een nieuwe rijksbrede aanpak van discriminatie. Naar de motie daarover is veel verwezen
in dit debat. Ik doe dit door te werken aan de uitbreiding van de Algemene wet gelijke
behandeling met eenzijdig overheidshandelen en door aan de slag te gaan met de adviezen
van de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme. Ook zal het nieuwe rijksbrede
Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme onder de coördinatie van mijn ministerie
worden opgesteld. Daarin wordt ook de voortgang van de aanpak van discriminatie bewaakt.
Ik zie het ten slotte als mijn rol om heldere kaders te stellen om discriminatie aan
te pakken en ervoor te zorgen dat de staatscommissie en de NCDR goed kunnen functioneren
en dat hun adviezen worden opgevolgd.
De heer Van den Brink vroeg naar de grens tussen discriminatie en het hebben van kritiek
op ideeën. Dat ging dus deels ook over de vrijheid van meningsuiting. Al mijn apparaten
beginnen ... De Minister herpakt zich even. De vrijheid van meningsuiting brengt met
zich mee dat je in Nederland van mening mag verschillen, ook over gevoelige onderwerpen
als genderbeleid of ideologieën, en dat je je mening mag uiten. Het is wat mij betreft
terecht dat de grens voor stafbare meningsuiting in Nederland heel hoog ligt. Het
is echt niet zo dat je in Nederland niks meer kunt zeggen. Er kan in Nederland binnen
de grenzen van het strafrecht heel veel gezegd worden. Iets anders is dat op basis
van bepaalde opvattingen bijvoorbeeld mensen ten onrechte worden geweigerd in horecagelegenheden,
geweigerd worden bij een baan of financiële dienstverlening wordt geweigerd. Dan komen
we binnen het discriminatiedomein en eenieder heeft zich aan de gelijkebehandelingswetten
te houden.
De heer Bamenga vroeg wat we gaan doen na het beëindigen van het werk van de staatscommissie
om scherp te blijven op mogelijke institutionele discriminatie. Mijn antwoord daarop
is dat niet alleen de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme mij als Minister
en ons Ministerie van BZK scherp houdt op mogelijk institutioneel racisme. De Nationaal
Coördinator tegen Discriminatie en Racisme is juist ingesteld om ons scherp te houden
en heeft ook een waakhondfunctie. Ook het College voor de Rechten van de Mens doet
dat. Daarnaast zorgt het vervolgtraject van bijvoorbeeld de Discriminatietoets, waar
we straks verder op terugkomen, voor blijvende aandacht voor de aanpak van institutionele
discriminatie, net als het uitbreiden van de Algemene wet gelijke behandeling met
eenzijdig overheidshandelen en dus al het overheidshandelen. De staatscommissie komt
op 8 juni met haar eindrapport en daar kijk ik naar uit.
Mevrouw Tseggai had het in het haar termijn over dossiers die te lang zijn blijven
liggen. Ze refereerde aan stilstand, maar ze gaf ook een oordeel over mijn voorgangers.
Ik hoop dat u begrijpt dat ik geen oordeel uit ga spreken over mijn voorgangers, maar
ook dat ik niet in dit deel van premisse van de vraag wil stappen. Dat dossiers lang
zijn blijven liggen, hoeft niet per definitie verband te houden met de opstelling
van bewindspersonen. Tegelijkertijd, zeg ik in antwoord op de vraag, kunt u mijn inzet
op discriminatiebestrijding afleiden uit de stukken die ik in mijn eerste maanden
als Minister naar de Kamer heb gestuurd. Bij mijn aantreden heb ik een aantal dossiers
aangetroffen die vertraging hadden opgelopen, soms al enige tijd. Daarom begrijp ik
de vraag van mevrouw Tseggai heel goed. Dat gold bijvoorbeeld voor eenzijdig overheidshandelen
en de versterking van antidiscriminatievoorzieningen. Ik heb in mijn eerste maanden
dus stappen gezet op deze dossiers, die soms volgden op bij meerderheid en soms bij
herhaling met meerderheid aangenomen moties in de Kamer. Ik heb uw Kamer daar via
brieven daarover geïnformeerd. Zoals ik in mijn inleiding heb geschetst, zal ik een
aantal prioriteiten stellen en die zo goed mogelijk verder proberen te brengen.
Mevrouw Tseggai had het ook over de versnippering van discriminatiebeleid. Het is
inderdaad zo dat veel ministeries zich bezighouden met onderdelen van discriminatie.
Discriminatie is als fenomeen zeer divers en dat vraagt ook om bestudering, actie,
klachtbehandeling en bijstand van slachtoffers. Er zijn diverse organisaties en ministeries
die zich daarmee bezighouden en dat is, als ik heel eerlijk ben, ook goed. Het Ministerie
van OCW zet bijvoorbeeld specialisten in op het terrein van onderwijs met een netwerk
in het veld, het Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op het terrein van
de arbeidsmarkt en zo verder. Die specialistische kennis en contacten zijn nodig om
beleid te kunnen maken dat daadwerkelijk impact heeft.
Mevrouw Tseggai vroeg naar de voortzetting van het nationaal programma. In december
2025 zijn de denkrichtingen voor een nationaal programma met een meerjarenagenda door
mijn voorganger naar uw Kamer gestuurd. De komende periode inventariseer ik deze denkrichtingen
en ga ik na of die aansluiten bij de ambities van het huidige kabinet. Daarnaast ben
ik samen met andere departementen begonnen aan de overkoepelende aanpak van discriminatie
waar uw Kamer om heeft gevraagd, door te inventariseren hoe die eruit zal komen te
zien en welk proces we gaan volgen om daar te komen. Mijn ministerie coördineert dit
proces in overleg met alle betrokken ministeries en de NCDR. Zo voorkomen we een versnippering
van de rijksbrede aanpak van discriminatie. Het eindrapport van de staatscommissie
waar ik het al een aantal keren over heb gehad en dat op 8 juni komt, wil ik graag
in dit programma mee kunnen nemen. Na de zomer zal ik u informeren over het tijdpad
van het Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme.
De heer Van Baarle vroeg naar de aangenomen motie over streefcijfers. Een aanpak met
betrekking tot streefcijfers is opgenomen in de denkrichtingen die in december 2025
naar de Kamer zijn gestuurd ten behoeve van het Nationaal Programma tegen Discriminatie
en Racisme 2025–2029. De denkrichtingen zijn formeel gezien geen beleidsstuk van het
kabinet. Het zijn, zoals de naam al zegt, denkrichtingen ten behoeve van een programma.
De komende periode bekijk ik of de denkrichtingen aansluiten bij de ambities van dit
kabinet. Vervolgens zal ik nagaan hoe wij deze denkrichtingen kunnen verwerken in
het door uw Kamer gevraagde nationaal programma. Dat geldt dus ook voor de aanpak
op streefcijfers naar aanleiding van de ingediende motie.
Mevrouw Tseggai vroeg om een onderzoek naar de maatschappelijke kosten van discriminatie
en racisme. Het eerlijke antwoord is dat het heel ingewikkeld is om in kaart te brengen
wat de kosten zijn in voorbeelden van racisme en discriminatie. Naar aanleiding van
gevallen van discriminatie en racisme is de aanpak van discriminatie binnen de hele
Rijksoverheid versterkt en zijn verschillende hersteloperaties in gang gezet als het
daarbij ging om discriminatie door de overheid. Deze versterkingen en hersteloperaties
zijn verweven met allerlei beleidsterreinen op een groot aantal verschillende departementen.
Het is niet mogelijk om de precieze financiële kosten van discriminatie en racisme
bij de overheid in kaart te brengen. Ik kan u dat dus niet toezeggen.
Een aantal woordvoerders begon over de mooie ambities in het coalitieakkoord. Ook
werd verwezen naar de uitbreiding van de Algemene wet gelijke behandeling met eenzijdig
overheidshandelen en gevraagd of de financiële middelen er wel zijn om deze mooie
maatregel ook uit te voeren. Voor de maatregelen voor de aanpak van discriminatie
uit het regeerakkoord en de beleidsbrief van het ministerie zijn op de begroting middelen
gereserveerd. Dit geldt ook voor de uitbreiding van de Algemene wet gelijke behandeling
met eenzijdig overheidshandelen. Zowel de ADV’s als het CRM zullen meer meldingen
en oordelen moeten gaan verwerken. Daarvoor zal een passende financiering beschikbaar
worden gesteld. Voor dit traject is op de begroting van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
een bedrag van 3,5 miljoen euro per jaar gereserveerd, zoals ook toegelicht in de
Kamerbrief waarin het wetstraject is aangekondigd. Ook voor de versterking van antidiscriminatievoorzieningen
zijn financiële middelen gereserveerd, zoals toegelicht in het conceptwetsvoorstel.
In het verlengde hiervan stelde de heer Van Baarle een vraag die een bewindspersoon
bijna in elk debat in een bepaalde vorm tegenkomt, namelijk: kan er meer geld komen?
In dit geval was de vraag zelfs: kan de Minister garanderen dat de aanpak van discriminatie
in het nationaal programma uitgezonderd kan worden van een bezuiniging op de rijksbrede
begroting? U zult begrijpen dat ik dit niet kan toezeggen. Die vraag zou je dan namelijk
in elk debat krijgen en dan zou je dat in elk debat moeten toezeggen. Dit kan ik dus
niet doen.
Het lid Keijzer vroeg om een volledig overzicht van alle financiering binnen de Rijksoverheid
in het kader van discriminatie en inclusie. Zij gaf ook aan dat dat niet in de eerste
termijn gegeven hoefde te worden, maar dat zij overzicht wel graag wilde ontvangen.
Voor de budgetten voor diversiteit, gelijkwaardigheid en inclusie verwijs ik naar
het overzicht dat al eerder naar de Kamer is gestuurd, namelijk op 14 januari 2025.
Ik zie de heer Clemminck knikken. Het is niet gek dat hij degene is die knikt, want
dat overzicht van de uitgaven voor de komende jaren is naar aanleiding van vragen
die JA21 heeft gesteld, naar de Kamer gestuurd.
De heer Verkuijlen van de VVD vroeg of de gegevens en analyses van het OM structureel
meegenomen kunnen worden in landelijke cijfers. Hij vroeg of de Minister kan toezeggen
dat deze cijfers voortaan integraal worden gepresenteerd, zodat beleid gebaseerd kan
worden op meldingen en strafrechtelijke vervolgingen. Het eerlijke antwoord is dat
ik geen meerwaarde zie in één rapportage. Het rapport Discriminatiecijfers in 2025,
de MAR-rapportage, en het rapport Strafbare discriminatie in beeld 2025 van het OM
hebben elk een ander doel, een andere opdracht en een andere opdrachtgever. In zekere
zin vermengen we hier appels met peren. Het MAR gaat immers over de registratie van
ervaren discriminatie, terwijl het OM inzicht biedt in de hoeveelheid discriminatiefeiten
dat in één jaar door het OM in behandeling wordt genomen en aangeeft om wat voor feiten
het daarbij gaat. De registraties in het MAR zijn dan ook niet een-op-een te koppelen
aan de feiten die het OM in behandeling heeft genomen.
De heer Van den Brink vroeg in zijn termijn naar de taalgids. Hij zei dat de overheid
toch geen taal moet voorschrijven. De gids waar hij in zijn vraag op doelt, heeft
nooit tot doel gehad om taal te verbieden of op te leggen. Het was een intern hulpmiddel
van het Ministerie van OCW om medewerkers te ondersteunen. Medewerkers behouden alle
ruimte bij hun professionele oordeelsvorming en het schrijven van stukken. Er is geen
sprake van een overheid die bepaalt hoe mensen met elkaar praten. Uw Kamer heeft met
de motie van het lid Van Houwelingen verzocht deze taalgids in te trekken en het gebruik
daarvan binnen het Ministerie van OCW per direct te beëindigen. Deze motie wordt op
het Ministerie van Onderwijs op dit moment uitgevoerd. De Staatssecretaris zal u daar
binnenkort over informeren.
Dit is het einde van het blok algemeen.
De voorzitter:
Nou, top. Dank u wel. Ik zie een aantal handen omhooggaan. Volgens mij was mevrouw
Tseggai de eerste en dan de heer Verkuijlen en de heer Flach. Mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Mag ik misschien eerst een punt van orde maken over een Babylonische spraakverwarring?
De Minister gaf antwoord op mijn vraag over het onderzoek naar de kosten. Toen zei
hij: we kunnen de kosten van de overheid voor de aanpak niet ... Maar mijn vraag ging
over de maatschappelijke kosten van discriminatie en racisme. Misschien kan hij daar
in de tweede termijn op terugkomen.
De voorzitter:
Misschien kunt u gewoon even uw vraag stellen, en dan gaat de Minister daar zo op
reageren.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Oké. Ik heb een punt gemaakt over de versnipperde verantwoordelijkheden en aanpak.
De Minister zegt dat het heel goed is dat mensen rijksbreed aan antidiscriminatiebeleid
werken. Daar ben ik het helemaal mee eens. Mijn punt is dat ik het niet logisch en
niet bevorderlijk vind dat verschillende discriminatiegronden onder verschillende
departementen vallen. Het is mij bijvoorbeeld onduidelijk waarom moslimdiscriminatie
bij SZW hoort, waarom genderdiscriminiatie bij OCW hoort et cetera et cetera. Ik vroeg
mij af waarom het kabinet daarvoor gekozen heeft.
Minister Heerma:
Ik vind het prima om in tweede termijn nog terug te komen op dat wat mevrouw Tseggai
zojuist een Babylonische spraakverwarring noemde. Dat antwoord gaat niet heel anders
zijn dan het antwoord dat ik net gaf. Misschien toch een aanvulling op wat ik zojuist
heb gezegd. Je kunt er een hele analyse van maken: waarom zijn bepaalde onderdelen
bij bepaalde departementen ondergebracht? Daar is vaak ook een beleidsmatige reden
voor. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is de beste plek voor arbeidsmarktdiscriminatie
omdat het daar de beste kennis over heeft. Ik gaf het voorbeeld van het Ministerie
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zojuist ook al. Daarnaast heeft deze verdeling
ook een historische reden. Dat is de plek waar de expertise is opgebouwd, waar mensen
zich daarmee al jaren bezighouden en waar overigens vaak al veel debatten zijn gevoerd.
Dat weet ik door mijn ervaring uit de debatten waarin ik aan de andere kant zat. Het
aanpassen van deze verdeling zou een enorme reorganisatie vergen. Ik zou dat ook niet
bevorderlijk vinden voor de voortgang van de aanpak. Ik begrijp wel dat mevrouw Tseggai
zegt dat we moeten voorkomen dat het versnipperd raakt. Daarom heb ik zojuist ook
naar aanleiding van de motie-Van Baarle aangegeven wat wij op dit moment doen qua
coördinatie om te komen tot die aanpak waarvan ik heb aangeven dat ik na de zomer
met de uitwerking en een tijdpad zal komen. Dat gebeurt dus onder de coördinatie van
BZK, maar in samenwerking met alle betrokken departementen.
De heer Verkuijlen (VVD):
Ik hoor de Minister als hij zegt dat hij geen toegevoegde waarde ziet in het combineren
van de OM-cijfers en wat er uit de discriminatiemonitor komt. Nou ben ik een weegschaal,
dus heb ik altijd moeite met dat soort zaken. We hebben het meerdere keren in de commissie,
net ook in het debat, erover gehad dat er een grondslag ligt, wettelijk en juridisch,
waarop je niet mag discrimineren, geen haat mag zaaien en al die dingen. Als bij de
beschrijving van het fenomeen onvoldoende duidelijk blijft wat nou het effect is geweest,
waar je de wet hebt geraakt en met name wat het vervolg is geweest ...
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer Verkuijlen (VVD):
Ik wil de Minister vragen om daar nog eens een keer op te reflecteren. Ik mis de afhandeling
van die zaken. Anders krijg je alleen een fenomeenbeschrijving, waarbij we nota bene
ook nog zeggen dat 95% nog ergens zweeft. Als we in Nederland wetten en regels hebben ...
Anders had ik verwacht dat de cijfers van het OM er zeker bij hadden gezeten.
Minister Heerma:
Wellicht kom ik hier in tweede termijn nog even op terug, maar volgens mij is er al
aan gewerkt om dit soort cijfers ongeveer gelijktijdig naar buiten te laten komen,
zodat je ze in samenhang kunt bezien. De vraag was echter of het niet samengevoegd
moest worden in één stuk, maar daar ben ik geen voorstander van.
De voorzitter:
Ik zie nog een vervolgvraag van de heer Verkuijlen.
De heer Verkuijlen (VVD):
Ik wacht rustig de reactie van de Minister in de tweede termijn af.
De heer Flach (SGP):
Ik heb in mijn bijdrage meer dan een pagina gewijd aan de inflatie van het begrip
«discriminatie». Als ik goed heb opgelet, heb ik een reactie van de Minister daarop
gemist. Misschien was het wat te retorisch, maar ik heb er wel de vraag aan gekoppeld
of de Minister vindt dat dit niet om een behandeling vraagt, die compulsieve discriminatiestoornis
uit mijn metafoor. Wellicht kan de Minister daarop reageren.
Minister Heerma:
Zoals ik in het begin heb aangegeven, was de keuze tussen heel veel kleine blokjes
en een paar grote blokken. Ik heb net een algemeen blok gehad, ik heb een vrij groot
blok, het grootste blok, over specifieke gronden, context en groepen discriminatie.
Het was een stukje zelfevaluatie, wellicht wat retorisch, maar volgens mij zit in
dit blok de beantwoording van de vraag van de heer Flach.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dank voor het antwoord over de taalgids, maar toch een vervolgvraag daarover. U zegt:
het is een intern hulpmiddel en er wordt gekeken hoe de motie wordt uitgevoerd. Mij
gaat het niet zozeer om de gids als zodanig, maar meer om de gedachte daarachter,
namelijk dat de overheid veel verder gaat dan het voorkomen van discriminatie en ook
nadenkt over hoe wij daarover met elkaar moeten praten. Vindt u dat een taak van de
overheid?
Minister Heerma:
Over de taalgids is uitgebreid gesproken. Daarover is ook een motie aangenomen. Onderdeel
van mijn antwoord is dat de overheid niet voorschrijft welke woorden je wel of niet
mag gebruiken.
De voorzitter:
Ik zie verder geen vragen in dit blok. Dan vervolgt de Minister zijn betoog.
Minister Heerma:
Laat ik beginnen met de heer Flach. Zijn vraag, al dan niet wat retorisch gesteld,
is: voelt inmiddels niet iedereen zich gediscrimineerd in ons land? Artikel 1 van
de Grondwet is een belangrijk fundament van onze democratische rechtsstaat, voor iedereen
in onze samenleving. De overheid maakt een strikt onderscheid tussen enerzijds zich
gekwetst voelen, wat een persoonlijke opvatting is en erbij kan horen in een samenleving
waar ruimte is voor verschillen en verschillende perspectieven, en anderzijds feitelijke
discriminatie of haat zaaien, wat strafbaar is volgens de wet. Het is niet aan de
overheid om te bepalen of iemand zich terecht of te snel gediscrimineerd voelt. Ik
wil ervoor waken om reële discriminatie die mensen kansen ontneemt te bagatelliseren
als overgevoeligheid. Daarom investeren we ook in gelijke behandeling, in het meldpunt
en het college. Zij hebben de expertise om het onderscheid te maken.
Mevrouw Tseggai zou graag willen weten hoe er aandacht wordt besteed aan discriminatie
van specifieke groepen. Zij benoemde daarbij onder andere anti-Aziatisch racisme.
Vanuit het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is er specifieke inzet
op het voorkomen van discriminatie op basis van afkomst, religie en herkomst. Hier
vallen anti-Aziatisch racisme, antizwart racisme en moslimdiscriminatie ook onder.
De inzet is om beter te begrijpen welke mechanismen hierachter zitten door hier nader
onderzoek naar te doen alsook door in samenspraak met de betreffende gemeenschappen
na te gaan waar verbetermogelijkheden zitten. Zo wordt er bijvoorbeeld nader onderzoek
gedaan naar de doorwerking van het slavernij- en koloniaal verleden in hedendaags
racisme en werken we aan het versterken van de lokale aanpak van antizwart racisme
via de inzet van intermediairs. Op het gebied van moslimdiscriminatie heeft het vorige
kabinet de Kamer eind 2025 per brief geïnformeerd.
De heer Ceder sloot zijn termijn af met, zoals hij zei, actualiteit. Hij ging onder
andere in op het feit dat een joodse school vandaag dicht blijft. Hij gaf aan dat
dat onacceptabel is. Ik ben het met de heer Ceder eens dat het onverteerbaar is dat
een school dicht moet blijven vanwege externe dreiging. Ik kan hier in dit debat weinig
zeggen over de aard en de motivatie van de dreiging. De heer Ceder sloot af met de
vraag of ik met hen in gesprek wil gaan. In antwoord daarop moet ik toch aangeven
dat de Minister van Justitie en Veiligheid hier verantwoordelijk voor is. Ik weet
dat hij heel nadrukkelijk over deze onderwerpen in gesprek is met de instellingen
die met dit soort dreigingen te maken hebben. Ik vind niet dat ik dat als Minister
van Binnenlandse Zaken dan ook moet gaan doen. De Minister van JenV heeft hier heel
nadrukkelijk tijd en aandacht voor.
De heer Clemminck vroeg naar een onderzoek naar de intolerantie richting Joden en
de Joodse gemeenschap. De samenleving is niet gebaat bij een onderzoek dat erop gericht
is om groepen de maat te nemen en tegen elkaar op te zetten. Er zijn voldoende onderzoeken
voorhanden die de beleving van sociale cohesie en spanningen tussen bevolkingsgroepen
in beeld brengen. Ik verwijs daarvoor onder meer naar de uitgebreide studie Samenleven
in de toekomst uit 2024, de vijfjaarlijkse survey Samenleven in Nederland en de studie
De toekomst in meervoud van het Sociaal en Cultureel Planbureau en de studie Buitengesloten
voelen in de samenleving van dit jaar van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
De heer Flach vroeg of er niet sprake is van inflatie van het discriminatiebegrip.
Ik wil daarop zeggen dat ik elke vorm van geweld en antisemitisme veroordeel, maar
ik moet de heer Flach ook expliciet tegenspreken op het punt dat antisemitisme gerelativeerd
zou worden. Met enige regelmaat vinden hierover debatten plaats in uw Kamer, het meest
recente, afgelopen maand nog, over het rapport Gevangen in Vrijheden van de Taskforce
Antisemitismebestrijding. Er zijn, terecht overigens, aanzienlijke budgetten vrijgemaakt
voor de bestrijding van antisemitisme en we beschikken, naar mijn mening ook weer
terecht, over een Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding.
De heer Van Baarle van DENK vroeg naar de inzet met betrekking tot moslimhaat. Iedere
vorm van discriminatie en racisme in Nederland is onacceptabel. Het coalitieakkoord
is daar heel duidelijk over. Verschillende groepen in onze samenleving ervaren verschillende
vormen van discriminatie. Het is goed om altijd in ogenschouw te nemen waar op dit
gebied extra stappen nodig zijn. In de kabinetsreactie op het Nationaal onderzoek
moslimdiscriminatie is uiteengezet hoe de aanpak van moslimdiscriminatie als onderdeel
van de kabinetsbrede integrale aanpak vormgegeven wordt. Met betrekking tot een aparte
coördinator vindt het kabinet dit niet opportuun. Er is een coördinator tegen discriminatie,
waaronder moslimdiscriminatie. Dat is de NCDR. Onder zijn leiding wordt een aparte
programmaleider aangesteld om een nationaal plan voor de aanpak van moslimdiscriminatie
op te stellen.
De heer Van Baarle stelde de vraag waarom synagogen – hij gaf ook aan terecht – wel
budget krijgen voor beveiliging en moskeeën niet. Ik vind het van groot belang dat
moskeeën, net als andere religieuze instellingen, gespaard blijven van zorgen over
hun veiligheid en concrete bedreigingen. De beveiliging van religieuze instellingen
valt onder de verantwoordelijkheid van het lokaal bevoegd gezag. De beslissing om
een instelling te beveiligen vanuit de overheid wordt altijd gemaakt op basis van
actuele dreigingsinformatie. Indien dreigingsinformatie daartoe aanleiding geeft,
zullen er bij islamitische instellingen beveiligingsmaatregelen worden getroffen door
het lokaal bevoegd gezag.
De heer Flach had het in zijn betoog over moslimdiscriminatie, moslimhaat en islamofobie.
Hij vroeg of het een recht is om kritiek te hebben op een religie. Volgens mij vroeg
hij ook om afstand te bewaren van de term «islamofobie». Ook dit was weer een betoog
waarin een aantal vragen verwerkt zaten. Kritiek op religie valt onder de vrijheid
van meningsuiting. Die kritiek mag er zijn, ook op de islam, maar geweld, haatzaaien
en discriminatie mogen niet. Het kabinet hanteert in de binnenlandse context de term
«moslimdiscriminatie». In de EU en de internationale context wordt aangesloten bij
termen als «antimoslimhaat» en «antimoslimdiscriminatie». De term «islamofobie» wordt
daarbij doorgaans niet gehanteerd. Het uitgangspunt blijft: ruimte voor religiekritiek
en bescherming van mensen tegen discriminatie.
De heer Flach zei ook dat de NCDR een scheef beeld zou creëren door alleen aandacht
te hebben voor moslimdiscriminatie. De NCDR zet zich in voor de bestrijding van discriminatie
voor álle groepen. Een van de taken van de NCDR is signaleren wanneer een overheid
te weinig doet om bepaalde vormen van discriminatie aan te pakken. In dit geval is
de NCDR van mening dat het beleid van het kabinet op het onderwerp moslimdiscriminatie
ontoereikend is. Deze signalering past bij zijn rol. Hij heeft aangekondigd hierover
een plan van aanpak uit te brengen. Het is aan de NCDR om keuzes te maken over zijn
vorm van advisering. Overigens heeft de NCDR ook het voornemen om een programmaleider
aan te stellen voor de aanpak van antizwart racisme.
De heer Flach had het ook over een stemming in het Europees Parlement die ging over
haat en geweld tegen christenen. Ik vind haat en geweld tegen christenen onacceptabel,
maar ik ga als Minister van Binnenlandse Zaken niet over het stemgedrag van Europarlementariërs.
De heer Flach had het ook nog over de internationale dag tegen islamofobie en het
proces van totstandkoming daarvan bij de VN. Hij eindigde met de vraag of wij daar
als Nederland bezwaar tegen maken. De VN vraagt op verschillende manieren aandacht
voor discriminatie van verschillende groepen. Nederland en de EU zijn in algemene
zin terughoudend over het instellen van nieuwe internationale dagen binnen VN-verband,
mede vanwege de toenemende werklast en de versnippering van de VN-agenda. Dat algemene
standpunt brengt Nederland consequent naar voren. We dienen echter geen afzonderlijke
bezwaren in tegen specifieke individuele VN-dagen. Nederland blijft zich internationaal
actief en zichtbaar inzetten om de vervolging van minderheidsgroepen, zowel van moslims
als christenen, tegen te gaan. Wat betreft de genoemde beslisnota is de internationale
dag enkel ter referentie benoemd. De NCDR heeft zelf – dat mag hij ook, want dat past
bij zijn rol – de keuze gemaakt om deze dag te gebruiken voor zijn aankondiging.
De heer Van Baarle had een vraag met betrekking tot de Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende
kleding. Het kabinet hecht waarde aan het normstellende effect dat uitgaat van de
Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding. Het huidige verbod blijft daarom
bestaan. Er komt geen uitbreiding van het verbod, maar het kabinet wil wel inzetten
op betere handhaving. Daarover worden gesprekken gevoerd met handhavingsinstanties.
Dit laat onverlet dat er in onze samenleving geen ruimte hoort te zijn voor discriminatie
van mensen op grond van hun religieuze uitingen, waarvoor meldkanalen en aangiftemogelijkheden
bestaan.
De heer Clemminck hield een pleidooi voor een Catshuisoverleg over discriminatie door
moslims in plaats van over moslimdiscriminatie. Is de Minister bereid om dit te gaan
doen? De Catshuissessie met moslimjongeren is door het vorige kabinet belegd naar
aanleiding van een door uw Kamer aangenomen motie van de heer Van Baarle van DENK.
Het was dus een Kamermeerderheid die hierom vroeg. Ik zie geen aanleiding om een Catshuissessie
te gaan houden over discriminatie door moslims.
Mevrouw Tseggai vroeg naar de uitvoering van een motie met betrekking tot Roma en
Sinti in het kaderverdrag: hoe staat het met de uitvoering van deze motie? De discriminatie
ten aanzien van minderheidsgroepen, zoals Roma en Sinti, is onacceptabel. Ik ben bekend
met de motie die strekt tot het aanmerken van Roma en Sinti als erkende minderheidsgroepen
in Nederland. Dit vergt een zorgvuldige afweging en kent veel verschillende aspecten.
Het duurt daarom wat langer om de Kamer hierover te informeren. Ik ben hierover in
gesprek en ik informeer uw Kamer in het najaar over de follow-up.
In het verlengde hiervan verwees mevrouw Tseggai in haar inbreng naar het bericht
van de NCDR over discriminatie van woonwagenbewoners, een term die overigens breder
is dan alleen Roma en Sinti. Ik zie mevrouw Tseggai ook knikken. Ik heb het rapport
van de NCDR ook gelezen. Vooropgesteld: discriminatie is verboden. Ook gemeenten moeten
zich aan het verbod op discriminatie houden. Dat betekent dat een gemeente woonwagenbewoners
niet anders mag behandelen dan andere inwoners. Ik vind het van belang dat gemeenten
en woningcorporaties zich inzetten voor woonwagenbewoners en standplaatsen. In het
wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting van de Minister van Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening staat daarom een verplichting opgenomen voor medeoverheden
om de behoeften van alle aandachtsgroepen in beeld te brengen en aan te geven hoe
hierin te voorzien. Dat geldt ook voor de realisatie van voldoende woonwagenstandplaatsen.
De heer Van Baarle vroeg om meer aandacht voor anti-Aziatisch racisme en vroeg wat
het kabinet hier concreet tegen gaat doen. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
heeft hier aandacht voor en er zijn verschillende stappen gezet om evidencebased te
werken aan een aanpak van deze specifieke vorm van racisme. Zo is er in 2024 onderzoek
gedaan naar ervaren discriminatie en racisme bij mensen met een Zuidoost-Aziatische
herkomst. Het onderzoek toont aan dat de discriminatie die Aziatische Nederlanders
ervaren, structureel is en op diverse levensterreinen plaatsvindt. Het Ministerie
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zet daarom in op een lokale aanpak via dialoogbijeenkomsten
in twee gemeenten met lokale Aziatisch-Nederlandse gemeenschappen. Daarnaast doet
het onderzoek naar hoe het koloniale verleden doorwerkt in diverse domeinen van het
dagelijks leven van Nederlanders van Aziatische afkomst en naar de vergroting van
de bewustwording hieromtrent.
De heer Van Baarle verwees ernaar dat het binnenkort 1 juli is. Hij vroeg of het kabinet
kan kijken of Ketikoti tot een nationale feestdag gemaakt kan worden. Tijdens het
commissiedebat Slavernijverleden op 11 juni vorig jaar heeft mijn ambtsvoorganger
toegezegd het Herdenkingscomité Slavernijverleden opdracht te geven hier onderzoek
naar te doen. Zij leveren hun resultaten en aanbevelingen aan het Ministerie van BZK
op in het derde kwartaal van dit jaar.
De heer Van Baarle vroeg ook naar de voortgang van het museum over het slavernijverleden.
Hij vroeg naar de bouw en de ontwikkeling en vroeg ook of er structurele financiering
komt. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft uw Kamer op 15 april
geïnformeerd over de voortgang van het Nationaal Slavernijmuseum, waarbij uw vragen
aan bod kwamen. In de brief is opgenomen dat het kabinet voornemens is om de Kamer
uiterlijk in 2027 te informeren over hoe het Ministerie van OCW zich zal verhouden
tot museum. Het museum heeft tot 2029 voldoende financiële slagkracht om de juiste
ontwikkelstappen te zetten. De Minister van OCW verzekerde uw Kamer in de brief dat
zij zich in nauwe afstemming met de gemeente Amsterdam zal inzetten voor structurele
borging van het museum.
De heer Ceder refereerde aan de VN-resolutie en de afwezigheid van afstemming met
Caribisch Nederland daarover. Ieder jaar vindt afstemming met de landen binnen het
Koninkrijk plaats over de algemene inzet in de Verenigde Naties voor het aankomend
jaar. Het beleid op het slavernijverleden is in overeenstemming met de Caribische
delen van het Koninkrijk tot stand gekomen en we hebben daarover nauw en regelmatig
contact. Omdat deze steminstructie binnen de kaders van het staand beleid valt, is
die destijds niet apart besproken. Het kabinet en de Minister van Buitenlandse Zaken
hebben erkend dat de communicatie daarover met de betrokken uit heel het Koninkrijk
beter had gekund en het kabinet zal daar in de toekomst beter oog voor houden. Het
kabinet hecht grote waarde aan het blijven agenderen en bespreken van de hedendaagse
impact van het slavernijverleden, inclusief discriminatie en racisme. Vanwege principiële
en juridische redenen kon Nederland echter niet voor deze resolutie stemmen.
De heer Flach had het erover dat het pesten van kinderen nu een discriminatiegrond
zou zijn dankzij de Kinderombudsman. Het pesten van en door kinderen gebeurt om tal
van redenen, zoals of je een bril draagt of de kleur van je haar. We weten ook dat
kinderen gepest worden vanwege persoonskenmerken die simpelweg worden beschermd door
onze gelijkebehandelingswetgeving. Eerder onderzoek van de Kinderombudsman laat zien
dat een derde van de kinderen wordt gepest om redenen die eigenlijk discriminatie
zijn. In de brief die de Kinderombudsman gisteren naar uw Kamer stuurde, geeft zij
zelf terecht aan dat het belangrijk is dat er een duidelijk onderscheid wordt gemaakt
tussen pesten en discriminatie. Discriminatie vraagt immers op een aantal punten om
een andere aanpak dan pesten. Het is dus niet zo dat pesten een specifieke discriminatiegrond
an sich is.
De heer Flach verwees met een tweede actueel voorbeeld naar een apotheker die geen
middelen mag verkopen die een einde maken aan het leven. De Minister van VWS heeft
hier eerder deze week op gereageerd. De patiënten hebben recht op goede zorg en zorgverleners
moeten die leveren. Een apotheker mag op basis van zijn levensovertuiging medicijnen
voor abortus en euthanasie weigeren te verstrekken. Dat ontslaat een apotheker echter
niet van de plicht om goede zorg te leveren. Hij moet daarom artsen met wie hij samenwerkt
hiervan op de hoogte stellen, hij moet afspraken maken met collega-apothekers en een
patiënt actief naar hen doorverwijzen. De Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter
bevordering der Pharmacie pakt deze casus verder op.
De heer Ceder besteedde een groot deel van de start van zijn termijn aan excuses aan
en erkenning voor Molukkers. Hij stelde een aantal vragen over 75 jaar Molukkers in
Nederland, die ik graag in samenhang wil beantwoorden. Ik realiseer me dat het gebrek
aan begrip voor de ondergane oorlogsverschrikkingen in Azië, de kille ontvangst, de
behandeling in Nederland en het daaropvolgende formalisme in het rechtsherstel bij
de Molukse gemeenschap veel verdriet teweeg heeft gebracht. Deze slechte behandeling
is door eerdere regeringen erkend. Hiervoor is oprechte spijt uitgesproken, maar dat
kan het verdriet natuurlijk nooit helemaal wegnemen. Het jubileumjaar 75 jaar Molukkers
in Nederland markeert een belangrijk moment in dit belangrijke deel van onze geschiedenis,
temeer vanwege de hoge leeftijd van de eerste generatie Molukkers. Het kabinet bekijkt
momenteel hoe hier op een waardige manier bij stilgestaan kan worden en is hierover
met de gemeenschap in gesprek. Tot slot wordt het beleid van collectieve erkenning
van de Indische, Molukse, Papoease en Chinees-Indonesische gemeenschappen in Nederland
uitgevoerd door het Ministerie van VWS. Dit is structureel beleid waarmee geprobeerd
wordt erkenning te geven aan hetgeen de gemeenschappen hebben meegemaakt.
Mevrouw Keijzer sprak over het «KIS-schandaal». Dat waren haar woorden. De Minister
van Werk en Participatie heeft uw Kamer hierover in maart jongstleden uitgebreid geïnformeerd
tijdens de beantwoording van Kamervragen, in het WGO Integratie en maatschappelijke
samenhang en per Kamerbrief. Ik verwijs graag naar de op al deze wijzen reeds gegeven
beantwoording.
De heer Van den Brink vroeg naar de ondersteuning van burgermeesters met een visuele
beperking. Het is wel degelijk mogelijk dat de gemeente, in samenspraak met de burgemeester
met een beperking, een voorziening verstrekt die specifiek is afgestemd op de beperking.
Dat is juist om de door u genoemde redenen. Het doel is om ze met die voorzieningen
in eenzelfde uitgangspositie te brengen als burgemeesters zonder beperking. De juridische
basis voor die voorzieningen is opgenomen in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke
ambtsdragers. Die bestaat voor alle functionarissen en dus niet alleen voor burgemeesters.
Conform de systematiek van de rechtspositie komen deze voorzieningen net als andere
rechtspositionele voorzieningen ten laste van de gemeente, de provincie of het waterschap.
Mevrouw Beckerman vroeg naar sociaal-economische status als nieuwe grond in de Algemene
wet gelijke behandeling. Mijn ambtsvoorganger heeft toegezegd bereid te zijn om daar
onderzoek naar te doen en om daar spoedig mee te starten. Tot nu toe is voorrang gegeven
aan het belangrijke traject ter versterking van antidiscriminatiewetgeving zoals betreffende
de uitbreiding van de Algemene wet gelijke behandeling en het handelen van de overheid,
het zogenaamde eenzijdig overheidshandelen, en hoe dat vorm zou kunnen krijgen. Dat
wetgevingstraject is omvangrijker en ingewikkelder gebleken dan gedacht en daarvoor
is tijd en capaciteit nodig. Ik hecht eraan om eerst dat substantieel verder te brengen
alvorens nieuwe verkenningen te doen naar de uitbreiding van de Algemene wet gelijke
behandeling.
De heer Ceder had een vraag naar aanleiding van de discussie over het slavernijverleden.
Dat geeft maar weer aan hoeveel onderwerpen hier langskomen. Hij wil weten of het
gratis wijzigen van de achternaam ook mogelijk zou moeten zijn voor andere groepen,
bijvoorbeeld voor Armeniërs. Ik moet deze vraag over naamswijziging doorgeleiden naar
de Minister van Justitie en Veiligheid.
Dit was het, zoals ik al aankondigde niet kleine, tweede blok.
De voorzitter:
Dank u wel voor de beantwoording van alle vragen. Ik heb een aantal mensen gezien
die een interruptie hebben. De heer Clemminck was daar de eerste van, maar die zie
ik nu even niet. Daarnaast zijn er vragen van de heer Flach, mevrouw Tseggai, de heren
van Baarle en Ceder, en de heer Van den Brink. Verder zie ik geen opgestoken handen.
Aangezien de heer Clemminck er niet is, begin ik met de heer Flach.
De heer Flach (SGP):
Voorzitter, ik zou uw toestemming willen vragen om de eerste vraag die ik net stelde,
eigenlijk nu pas te stellen, want hij kwam pas in dit blokje aan de orde, en om ’m
dus ook niet als zodanig mee te tellen.
De Minister heeft een punt dat er vanuit de overheid zeker geen relativering van het
begrip «antisemitisme» is. Integendeel. Daar ben ik heel blij mee. Mijn punt zat er
meer in dat als je het begrip «discriminatie» te veel gebruikt en toepast op te veel
groepen, het onderhevig is aan inflatie en uitholling. Ik gebruik maar even de metafoor
van een motie in de Tweede Kamer. Er zijn tijden geweest dat Ministers sidderden als
er een motie werd aangenomen door de Tweede Kamer, maar inmiddels worden er iedere
dinsdag tientallen aangenomen.
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer Flach (SGP):
Is de Minister niet bang dat door te vaak ergens een sticker «discriminatie» op te
plakken, de kracht ervan verloren gaat?
Minister Heerma:
Ik weet niet of ik de vergelijking helemaal op vind gaan. Tja, het is lastig. Als
je het vraagstuk rondom discriminatie- en racismebestrijding bekijkt, kun je ook zeggen
dat er in de afgelopen jaren juist bewustwording is ontstaan over het belang ervan.
Dat zou niet verward moeten worden met inflatie. Ik denk dat er heel lang te weinig
besef van en aandacht voor is geweest, ook vanuit de overheid zelf. Ik vind het juist
goed dat dat besef en die aandacht zijn toegenomen. Dat uit zich ook in het coalitieakkoord
en in de ambities die dit kabinet heeft, waar ik in mijn inleiding al iets over heb
gezegd.
De voorzitter:
Dank. Een vervolgvraag van de heer Flach.
De heer Flach (SGP):
Nou, een tweede, c.q. andere vraag. Deze vraag gaat over de Nationaal Coördinator.
Ik had daar een vraag over gesteld waarop de Minister het antwoord gaf dat ik al voorspelde,
namelijk: er is inrichtingsvrijheid. Maar de kernvraag die ik had, luidt als volgt.
Als het kabinet een nationaal coördinator aanstelt, is de evenwichtige uitstraling
daarvan in de aanpak toch wél een verantwoordelijkheid van het kabinet? Daarmee bedoel
ik dat als je er één groep specifiek uitlicht, er onevenwichtigheid kan ontstaan.
Minister Heerma:
Ik kom in mijn laatste blok ook nog terug op een aantal vragen die op dit punt gesteld
zijn. Een nationaal coördinator valt enerzijds onder de ministeriële verantwoordelijkheid,
maar heeft anderzijds juist ook een onafhankelijke positie op iets meer afstand, omdat
er vrijheid is om onderwerpen te agenderen en om een spiegel voor te houden. Dat heeft
de Nationaal Coördinator gedaan rondom moslimdiscriminatie. Ik gaf aan dat de Nationaal
Coördinator ook een programmanager gaat instellen op het punt van antizwartracisme.
Ik vind dit wel degelijk behoren tot de taak en de opdracht die de Nationaal Coördinator
heeft.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu alsnog naar de heer Clemminck.
De heer Clemminck (JA21):
Mijn vraag aan de Minister was als volgt. Er is veel onderzoek gedaan naar attitudes
van islamitische gemeenschappen in Europa als het gaat om joden en antisemitisme,
helaas niet in Nederland maar wel in andere landen in Europa. Dat zijn schokkende
cijfers. Maar zie ook de attitudes van moslimgemeenschappen in islamitische landen
zelf. We zien gewoon feitelijk dat in deze islamitische gemeenschappen het antisemitisme
veel structureler, groter en zwaarder is dan in andere gemeenschappen. Kan de Minister
dat erkennen, was mijn vraag. Is dat dan ook niet aanleiding voor een specifieke aanpak
van antisemitisme vanuit deze gemeenschappen?
Minister Heerma:
Ik zie geen aanleiding voor een specifieke aanpak daarvan. Volgens mij hebben wij
überhaupt geen plan van aanpak voor plegers van discriminatie.
De heer Clemminck (JA21):
Dat was het antwoord op het tweede deel van mijn vraag. Het eerste deel van mijn vraag
was of de Minister de onderzoeken die er zijn wel gewoon erkent.
Minister Heerma:
Er wordt naar heel veel dingen onderzoek gedaan. In de eerste termijn van de Kamer
is er onderling gediscussieerd over allerlei onderzoeken en zijn allerlei onderzoeken
ook onderling ter discussie gesteld. Onderzoeken die er zijn, die zijn er. Tegelijkertijd
vraagt de heer Clemminck naar het aanbrengen van rangordes in de mate waarin discriminatie
bij welke groepen vandaan komt. Dat ga ik niet doen.
De heer Clemminck (JA21):
Het blijft toch ingewikkeld. Als je de oorzaken niet onder ogen wil zien, hoe kom
je dan tot een oplossing? Ik noem dat een ongemakkelijke waarheid. Het kan toch niet
zo zijn dat wij een Minister hebben die zegt discriminatie in Nederland te willen
bestrijden – dat heeft onze steun – en die zegt dat we antisemitisme Nederland uit
moeten krijgen – dat heeft ook onze steun – maar die niet de feiten wil erkennen van
waar die zaken vandaan komen? Als je dat niet wil erkennen en daar geen goede analyse
van wil maken, hoe kom je dan ooit bij een oplossing?
Minister Heerma:
Discriminatie moet bestreden worden en dat doen we ook. Ik ben het gewoon niet eens
met de heer Clemminck dat we de analyse die hij maakt nodig hebben om dat effectief
te kunnen doen.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Dank aan de Minister voor zijn beantwoording van mijn vraag over Roma, Sinti en woonwagenbewoners.
Ik vraag me nog wel iets af. De Minister zei dat het erkennen van een groep als nationale
minderheid veel afweging en een zorgvuldig proces vergt. Ik hoop dan dat het wél gewoon
gaat gebeuren, aangezien er een aangenomen motie van de Kamer over ligt.
Minister Heerma:
Ik gaf aan dat dit een zorgvuldige afweging vereist en dat het daarom langer duurt
om uw Kamer te informeren. Ik ben hierover in gesprek en kan over de uitkomsten daarvan
nog niet iets zeggen. In mijn eerste beantwoording heb ik toegezegd dat ik de Kamer
hier in het najaar over zal informeren.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik vind het heel fijn dat de Minister de Kamer in het najaar informeert, maar als
de motie zegt «erken de Roma en Sinti als nationale minderheid» dan lijkt het me toch
vreemd dat de Minister zegt over de uitkomst niets te kunnen zeggen. Er ligt immers
een aangenomen motie en daarmee een opdracht van de Kamer aan de Minister.
Minister Heerma:
Er ligt een aangenomen motie. Wij zijn daar op dit moment mee bezig. Ik geef aan dat
een en ander een zorgvuldige afweging vereist. Ik ga de Kamer daarover informeren
in het najaar. Het is dan weer aan de Kamer om te beoordelen of zij vindt dat waar
het kabinet mee komt, voldoet aan de motie. Maar laten we dat gesprek voeren zodra
ik in het najaar uw Kamer heb geïnformeerd.
De heer Van Baarle (DENK):
Vindt de Minister moslimdiscriminatie een wijdverspreid fenomeen, dat vaak een patroon
vormt in de samenleving?
Minister Heerma:
Ik refereerde er al aan dat ik vorige maand de discriminatiecijfers in ontvangst heb
genomen. Daarin zie je een toename van het aantal meldingen van discriminatie. Moslimdiscriminatie
betreft daarin niet het kleinste aantal meldingen. Er is dus sprake van moslimdiscriminatie.
Er moet ook aandacht zijn voor de bestrijding ervan. Blijkens de cijfers komen meldingen
van moslimdiscriminatie veelvuldig voor.
De heer Van Baarle (DENK):
Ik haalde die zin uit de kabinetsbrief van 21 maart 2025; dat we te maken hebben met
een wijdverbreid verschijnsel dat vaak een patroon vormt, zijn dus de woorden die
de voorganger van deze Minister zelf in een brief heeft gezet. Het wordt aangehaald
in die brief. Er wordt ook gezegd dat het urgent en complex is. Iets wat een patroon
is, iets wat wijdverbreid is, iets waarvan de regering zegt dat het urgent en complex
is, noopt tot een specifieke aanpak.
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer Van Baarle (DENK):
Waarom komt die specifieke aanpak met ook coördinatie er dan niet?
Minister Heerma:
Ik heb in eerdere antwoorden al aangegeven dat de NCDR werkt aan een plan van aanpak
en een coördinator aanstelt. Ik zei ook al dat ik dat betrek bij de uitwerking van
de motie die de heer Van Baarle heeft ingediend. Wij komen er dus zeker over te spreken.
De heer Van Baarle (DENK):
Ik vind het te prijzen dat de NCDR dit doet, maar zoals de Minister net treffend zei,
houdt de NCDR de overheid ook een spiegel voor. De NCDR gaat deze aanpak niet voor
de lol maken, de NCDR doet dat omdat de NCDR zegt: deze aanpak had de overheid eigenlijk
moeten maken. Ik wil graag aan de Minister voorleggen dat hieruit dus eigenlijk blijkt
dat de overheid steken laat vallen en dat de overheid dus op basis van dat werk van
de NCDR met een separate aanpak zal moeten komen.
Minister Heerma:
Ik heb al aangegeven dat wij naar aanleiding van de bij het debat over de regeringsverklaring
aangenomen motie van de heer Van Baarle met die rijksbrede aanpak komen en dat ik
daarbij onder andere het werk en ook de aanbevelingen van de NCDR meeneem. Wellicht
kan de heer Van Baarle dan daarna beoordelen wat hij vindt van deze rijksbrede aanpak.
Maar ik heb al aangegeven dat dit erbij wordt betrokken.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik heb een vraag ten aanzien van het punt over de Molukse gemeenschap. Ik ben blij
dat het kabinet ermee bezig is. Ik denk ook dat het goed zou zijn als er wetenschappelijk
onderzoek plaatsvindt naar wat er precies gebeurd is en wat de gevolgen daarvan zijn,
zodat we specifiek kunnen bekijken wat er nodig is. Dat kan niet binnen een paar weken.
Ik overweeg een motie, die hopelijk Kamerbreed wordt gesteund, om het kabinet daartoe
opdracht te geven. Het betreft inderdaad VWS, maar er zijn natuurlijk meerdere ministeries
betrokken bij de vraag wat het zou betekenen voor de Molukse gemeenschap.
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dat was mijn opmerking. Mijn vraag is de volgende. De Minister gaf aan dat hij het
punt van de naamswijzigingen zou doorgeleiden naar JenV. Ik stelde de vraag daarover
hier omdat die voortvloeit uit een discussie die deels te maken heeft met het slavernijverleden
en met hoe je recht doet bij historische conflicten. Mijn vraag is of ik de toezegging
kan krijgen dat ik voor het zomerreces daarover een terugkoppeling krijg. Dit is namelijk
een punt dat zwaar leeft bij de Aramese en Armeense gemeenschap en bij nog een paar
gemeenschappen. Ik wil er graag richting de begrotingen duidelijkheid over hebben.
Minister Heerma:
Ik sta voor een dilemma. In algemene zin begrijp ik dat de Kamer het bij gecoördineerde
onderwerpen ingewikkeld vindt als een bewindspersoon steeds verwijst naar andere bewindspersonen,
die er eigenlijk over gaan. Ik probeer dat zo veel mogelijk te voorkomen. Ik ga dus
zo meteen proberen om een iets specifieker antwoord te geven. Ik zal echter uiteindelijk
toch moeten verwijzen naar de bewindspersoon die erover gaat. Dat betekent dat een
eventueel vervolg daar ook het beste plaats kan vinden, maar ik begrijp de vraag.
De vraag van de heer Ceder raakt aan de Wet afbouw interlandelijke adoptie en vereenvoudiging
identiteitsherstel. De consultatie daarvan is recent afgerond. In de reacties op het
wetsvoorstel is kosteloze naamswijziging ook aan bod gekomen. De Staatssecretaris
van Justitie en Veiligheid neemt deze reacties serieus en zal hier ook op terugkomen
in de richting van de Kamer.
De voorzitter:
De heer Ceder heeft nog een vervolgvraag, zie ik.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Als je maar lang genoeg doorvraagt, komt er steeds meer uit. Ik ben heel blij dat
hier wat duidelijkheid over is. De Minister gaf aan dat er iets terugkeert ... Even
een stap terug. De Minister gaf aan dat het soms lastig is als coördinerend bewindspersoon.
Dat is ook zo, want als Kamer merken we dat bepaalde grote onderwerpen vaak blijven
liggen. Een voorbeeld: ik ben in principe geen lid van de VWS-commissie, of misschien
wel, maar ik doe daar niet actief aan mee. Zo zie je dat meerdere Kamerleden vaak
doorverwezen worden naar commissies waar ze geen deel van zijn, vooral niet als je
met een grote fractie te maken hebt, en dat grote onderwerpen vaak blijven liggen.
De voorzitter:
Uw vraag.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dat is even een algemene opmerking. Mijn specifieke opmerking is of het kabinet –
bij dezen spreek ik de Minister als coördinerend bewindspersoon aan – voorafgaand
aan de begroting een terugkoppeling zou kunnen geven aan de Kamer over wat het betekent.
Ik snap namelijk dat dit waarschijnlijk geld kost. Als het kabinet er niet toe bereid
is om het zelf te doen, zou de Kamer misschien het initiatief willen nemen.
Minister Heerma:
Met permissie, voorzitter, ga ik toch nog iets zeggen over de coördinatie en de geconstateerde
versnippering. Ik kan oprecht aangeven dat er over het onderwerp racisme en discriminatie
enorm veel contact is, ook in die 40 minuten schorsing, tussen het team dat deze Minister
ondersteunt en alle andere departementen om de vragen af te stemmen die niet direct
onder de verantwoordelijkheid van deze Minister vallen en om te proberen alle vragen
zo goed mogelijk te beantwoorden. Daar zit serieus werk in, ook vanuit mijn intentie
om te voorkomen dat ik een heel groot aantal vragen direct verwijs naar andere bewindspersonen.
Ik geef ook toe dat ik dat in eerste instantie bij deze vraag wel deed, en daarom
heb ik daar in tweede instantie een nader antwoord op gegeven. Maar dat antwoord verwijst
dus ook naar de consultatie van een wetsvoorstel die gaande is en waarin deze vragen
heel expliciet aan de orde zijn geweest. Dat wetsvoorstel valt onder de Staatssecretaris
van Justitie en Veiligheid. Zij zal hier dus actief op terugkomen.
De voorzitter:
Toch nog een vervolgvraag van de heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Hier ben ik het mee eens. Mijn vraag is of dat, door middel van een concrete toezegging,
in het tijdspad voor de begroting kan, omdat ik daar een bepaalde gedachte bij heb.
Mijn vraag is dus of toegezegd kan worden dat ik voor de begroting het antwoord daarop
kan krijgen.
Minister Heerma:
Ik kom hier in tweede termijn op terug, omdat ik nu niet een termijn wil noemen die
dan net niet klopt.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik wil nog even doorvragen over de burgemeesters met een fysieke beperking. Ik ben
benaderd door de bond van burgemeesters. Die zegt dat er in Nederland drie burgemeesters
zijn met een fysieke beperking, in relatief kleine gemeenten. Als ze dan zelf allemaal
voorzieningen moeten gaan treffen om die beperkte burgemeesters te ondersteunen, is
het gewoon een financieel probleem. Is daar niet een landelijke voorziening voor te
treffen? Dat zou tot nu toe geweigerd zijn op grond van de precedentwerking. Dat lijkt
mij toch niet een heel sterk argument.
Minister Heerma:
En toch is de precedentwerking wel het geldende argument. Je zou namelijk voor vele
andere onderwerpen een soortgelijke redenatie kunnen hanteren. Dit is gewoon de manier
waarop het recht op voorzieningen geregeld is. De precedentwerking is er dus wel degelijk.
In de vraag die de heer Van den Brink in eerste instantie had, zei hij: hier wordt
niks voor geregeld. Nee, dat kan wel, maar dat is onder de verantwoordelijkheid van
de bestuurslaag waar dit speelt. Dat geldt in algemene zin ook voor allerlei soortgelijke
vragen en vraagstukken.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Kunt u één voorbeeld geven van wat er nog meer onder de precedentwerking zou vallen?
Minister Heerma:
Dit is de manier waarop het in algemene zin georganiseerd is. Je zou een heel lange
discussie kunnen voeren over wat er allemaal wel en niet onder valt, maar ik schetste
zojuist het omgekeerde: als je begint dat op een andere manier te organiseren, kunnen
er steeds ook andere redenen zijn om dat te gaan doen. Ik zou dus voorstellen om vast
te houden aan de manier waarop we dit in algemene zin georganiseerd hebben. Dit hoort
bij de bestuurslaag waar het speelt.
De heer Clemminck (JA21):
Ik wil terug naar de fata morgana die gemaakt wordt van moslimdiscriminatie. Is de
Minister bekend met de bijzonder sluwe methodes van de Moslimbroeders, die via zelfrapportages,
via slachtofferschap, ruimte proberen te creëren in de landen, ook hier in Nederland,
zodat wij ons gaan aanpassen aan de veranderingen die zij wensen, de islamisering
van Nederland? Kan de Minister JA21 dan op z’n minst geruststellen dat hij niet in
deze val van de Moslimbroeders gaat trappen?
Minister Heerma:
Ik ben niet bekend met rapportages over de Moslimbroeders. Ik ben niet bekend met
de precieze aard van de vraag van de heer Clemminck. Maar het debat dat hij in eerste
termijn had, ging over ervaren discriminatie. Er werd gezegd dat onderzoek daarmee
geen waarde zou hebben. Dat leidde ook tot een interruptiedebat over ervaren discriminatie
bij antisemitisme. In alle eerlijkheid, toen nuanceerde de heer Clemminck zijn eigen
stellingname in dat interruptiedebat ook. We moeten een onderscheid maken tussen ervaren
discriminatie en daadwerkelijk bestrafbare discriminatie, die ook tot een veroordeling
leidt, maar ook ervaren discriminatie heeft beleidsmatig wel degelijk waarde. Die
onderzoeken moet je niet dus bagatelliseren. Een parallel hiermee is veiligheid. Ervaren
veiligheid is bijvoorbeeld ook iets wat voor beleidsdoelen gebruikt wordt. Daarom
moeten we ervaren discriminatie, door welke groep dan ook, niet helemaal wegbagatelliseren.
Dat zou ik onverstandig vinden.
De voorzitter:
Dank u wel. Volgens mij waren dit de vragen vanuit de Kamer. Dat betekent dat de Minister
zijn betoog mag vervolgen.
Minister Heerma:
Nadat hij even een slokje water heeft genomen. We komen bij het laatste blok: discriminatie
en de overheid. Hierin zitten ook veel van de vragen die betrekking hebben op de in
mijn inleiding aangehaalde besluiten die ik in mijn eerste weken als Minister al heb
genomen.
Diverse Kamerleden vroegen naar het verplichten van de discriminatietoets en wat daarvoor
nodig is. Ik heb een drietal redenen gegeven om de discriminatietoets niet te verplichten.
Voor nu blijf ik daarbij. Allereerst: de toets is er net en ik vind het belangrijk
om eerst ervaring op te doen met het instrument. Ik vind het daarom echt te vroeg
om nu over te gaan tot de verplichting ervan. Daarnaast is de discriminatietoets het
meest effectief en ook het meest betekenisvol wanneer organisaties bewust tijd vrijmaken
om de kritische zelfreflectie te doen die wordt gevraagd en het niet een verplichte
afvinklijst is. Dan zou het lerende effect mogelijk verloren gaan. Daarbij zien we
dat er op dit moment heel veel animo is om de toets te doorlopen. Ook de staatscommissie
noemt draagvlak als belangrijke randvoorwaarde voor het doorlopen van de discriminatietoets
binnen de organisatie. Ik meen dat daarvan sneller sprake is als een organisatie zelf
besluit om de toets te doorlopen. Tot slot zijn er ook organisaties die eigen instrumenten
ontwikkeld of geadopteerd hebben om bepaalde werkprocessen of praktijken door te lichten.
Organisaties moeten de flexibiliteit blijven houden om daarin een keuze te maken voor
het meest passende instrument. De motie van het lid Van Nispen, waarnaar onder andere
door de SP verwezen werd en waar ook mevrouw Tseggai naar verwees, vraagt om de regie
te pakken bij de implementatie van het advies van de staatscommissie. In de Kamerbrief
die ik afgelopen week heb gestuurd, heb ik toegelicht op welke wijze ik dit doe.
De heer Bamenga vroeg in het verlengde of ik de Kamer jaarlijks kan informeren hoeveel
instanties de toets niet gebruiken. Ik wil in ieder geval nu nog geen toezegging doen
over namen en rugnummers, dit om drie redenen. Allereerst is het niet wenselijk en
bovendien is het ondoenlijk. Het doorlopen van de discriminatietoets is juist het
meest effectief als kleine teams binnen een organisatie de toets doorlopen. De discriminatietoets
richt zich op alle overheidsorganisaties en binnen organisaties op een groot aantal
teams die potentieel de toets zouden kunnen doorlopen. Ten tweede gaat het voorbij
aan het vrijwillige karakter van de toets om de Kamer te informeren over organisaties
die de toets niet gebruiken. Tot slot zijn er andere instrumenten en interventies
van organisaties zelf die ook een geschikt middel kunnen zijn om de risico’s van discriminatie
binnen de processen en praktijken te onderzoeken. Wel zal ik uw Kamer vanaf de start
eenmaal per jaar informeren over de voortgang van de discriminatietoets.
Er zijn door diverse woordvoerders vragen gesteld over het rapport van de staatscommissie
over risicoprofilering. Een van die vragen was of de Minister bereid is om te stoppen
met datagedreven profilering voor fraude- en criminaliteitsopsporing, zoals de Staatscommissie
tegen Discriminatie en Racisme aanbeveelt. Het kabinet hecht groot belang aan het
rapport van de staatscommissie en zal in de komende kabinetsreactie uitgebreid ingaan
op de bevindingen van de staatscommissie. Ik ben er geen voorstander van om nu direct
te stoppen met alle datagedreven profilering voor fraude- en criminaliteitsbestrijding.
Profilering helpt overheden namelijk om hun beperkte capaciteit gericht in te zetten
en medewerkers te ondersteunen bij het prioriteren van dossiers. We ondernemen wél
actie om de waarborgen te versterken, zoals door de ontwikkeling van nieuwe instrumenten
voor discriminatietoetsing en het vergroten van transparantie en rechtsbescherming
van burgers.
Zowel de heer Ceder als de heer Bamenga vroegen in hun eerste termijn al door op dit
vraagstuk. Zij stelden de vraag: indien het volledig stoppen met datagedreven profilering
geen optie is, wil de Minister dan een kaderwet voor risicoprofilering opstellen,
zoals is geopperd door het College voor de Rechten van de Mens, of de regels aanscherpen?
De wettelijke vereisten zoals die in de Algemene verordening gegevensbescherming,
de Algemene wet bestuursrecht, de Grondwet, antidiscriminatiewetgeving en de AI-verordening
wanneer er AI gebruikt wordt, zijn samengebracht in het Algoritmekader. Het Algoritmekader
wordt momenteel doorontwikkeld tot een auditeerbaar kader, waaraan getoetst kan worden
of organisaties voldoen aan de regelgeving. Omdat we nu inzetten op de doorontwikkeling
van het Algoritmekader ben ik niet voor het opstellen van een aparte kaderwet. Daarnaast
is met de oprichting van de directie Coördinatie Algoritmes bij de Autoriteit Persoonsgegevens
ook het toezicht op algoritmes versterkt.
Mevrouw Beckerman vroeg: als de datagedreven profilering niet wordt stopgezet, hoe
gaat u er dan voor zorgen dat er geen directe of indirecte discriminerende gevolgen
zijn? Het kabinet zet in op de versterking van de waarborgen rondom het gebruik van
algoritmische profilering. Uw Kamer ontvangt daarover binnenkort een brief. In aanvulling
op de al bestaande instrumenten, zoals een mensenrechtentoets en de handreiking non-discriminatie,
werkt mijn ministerie aan nieuwe instrumenten om profileringsalgoritmen te toetsen
op directe en vooral indirecte discriminatie. We betrekken daarbij de ontwikkeling
van een Nederlandse technische afspraak voor methoden van bias- en discriminatietoetsing
van profileringsalgoritmen. De definitieve versie wordt deze zomer verwacht. Het Centraal
Planbureau heeft een tool voor discriminatietoetsing ontwikkeld: de Selectiviteitsscan.
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onderzoekt hoe deze tool
breder beschikbaar kan worden gemaakt.
De heer Bamenga verwees naar een eerdere motie van zijn hand met betrekking tot het
toetsingskader: het Toetsingskader risicoprofilering. Hij vroeg hoe het met de uitvoering
staat en hoe vaak het toetsingskader nu wordt gebruikt. Wij proberen samen met het
college te bewerkstelligen dat het toetsingskader door zo veel mogelijk uitvoeringsorganisaties
wordt gebruikt. Het college en het Ministerie van BZK brengen het toetsingskader voortdurend
actief onder de aandacht en gaan in gesprek met uitvoeringsorganisaties, gemeenten
en departementen. In deze gesprekken moedigen we organisaties aan om het toetsingskader
te implementeren en actief te gebruiken. Zo organiseert BZK samen met het College
voor de Rechten van de Mens een reeks kennissessies voor overheden over het Toetsingskader
risicoprofilering.
De heer Bamenga vroeg ook nog naar het bekijken van alternatieven, zoals aselect controleren.
Om tunnelvisie te voorkomen, is het goed om niet alleen op basis van profilering te
controleren, maar ook willekeurige dossiers of personen te selecteren. Dit is ook
een aanbeveling van de Autoriteit Persoonsgegevens, die is overgenomen in het Algoritmekader.
Er is ook ervaring met aselect controleren, bijvoorbeeld bij politie en uitvoeringsorganisaties,
die naast risicogericht controleren ook aselect controleren. We nemen deze ervaringen
mee in de kabinetsreactie op het rapport van de staatscommissie over datagedreven
risicoprofilering.
De heer Bamenga vroeg ook naar de uitvoering van de motie over een algoritme-apk.
Deze motie ging over het selectiealgoritme van DUO bij de uitwonende beurs. De controles
op de uitwonende beurs vinden op dit moment plaats aan de hand van een aselecte steekproef
zonder selectiealgoritme. Er wordt door DUO en OCW gewerkt aan een nieuw controleproces
voor de uitwonende beurs. Dit nieuwe controleproces zal voor implementatie extern
worden getoetst, zoals door uw Kamer is verzocht. Daarin zal een selectiealgoritme
alleen plek hebben als het voldoet aan alle bijbehorende eisen en waarborgen.
De heer Flach – ik maak nu een bruggetje richting het eenzijdig overheidshandelen
– was hier zeer kritisch op. Hij vroeg of we eenzijdig overheidshandelen echt moeten
opnemen in de Algemene wet gelijke behandeling. Er is uitgebreid onderzocht of een
uitbreiding van de Algemene wet gelijke behandeling naar eenzijdig overheidshandelen
nodig en zinvol is. Uit dat onderzoek blijkt dat uitbreiding een duidelijke meerwaarde
heeft, omdat burgers dan straks terecht kunnen bij het College voor de Rechten van
de Mens en bij de antidiscriminatievoorzieningen. Dat is belangrijk, want deze voorzieningen
zijn gratis, laagdrempelig en gespecialiseerd in het gelijkebehandelingsrecht. De
uitbreiding wordt bovendien aanbevolen door de Staatscommissie tegen Discriminatie
en Racisme en door de NCDR. Ook in de academische wereld is hier steun voor. Dat laat
zien dat nieuwe wetgeving niet lichtvaardig wordt voorgesteld. Aan deze uitbreiding
ligt een zorgvuldige en kritische afweging ten grondslag. Ook moet gezegd worden dat
er brede steun voor is in de Tweede Kamer, die in december van 2024 de oproep tot
uitbreiding heeft aangenomen.
De heer Van Baarle stelde een vraag die betrekking heeft op het initiatiefwetsvoorstel
van zijn partij. De vraag ging over de wettelijke verankering van de NCDR. Hij gaf
aan dat het gebruikelijk is dat een initiatief vanuit de Tweede Kamer altijd voorrang
krijgt. Het kabinet verwelkomt het feit dat er door de heer Van Baarle vanuit de Kamer
aan een initiatiefwetsvoorstel wordt gewerkt. Tegelijkertijd is het niet zo dat een
dergelijk voorstel altijd voorgaat op voorstellen van het kabinet. De wettelijke verankering
van de NCDR is ook opgenomen in het regeerakkoord. Het kabinet zal hier daarom op
inzetten. Ik kan de heer Van Baarle melden dat het kabinet in dat proces ook zeer
uitkijkt naar zijn initiatiefwetsvoorstel. Als Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties werken wij ook samen met het Ministerie van JenV, die weer de
wettelijke verankering van de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding ter hand
neemt. Ik vind het van groot belang dat we bij beide wettelijke verankeringen goed
kijken naar de manier waarop we dat gezamenlijk doen.
De heer Clemminck vroeg of ik de stekker uit de NCDR zou willen trekken en deze op
zou willen heffen. Uit de evaluatie van de NCDR, die uw Kamer op 25 oktober 2025 heeft
ontvangen, volgt dat de NCDR een waardevolle aanvulling is op het stelsel voor de
aanpak van discriminatie. Ik zie daarom geen reden om het instituut op te heffen.
De NCDR heeft als regeringscommissaris een semionafhankelijke positie. Hij valt onder
mijn verantwoordelijkheid, maar is met opzet op afstand van de politiek geplaatst.
Dat is gedaan om zijn taak mogelijk te maken. Die taak is het op de agenda zetten
en houden van het onderwerp discriminatie, het aanjagen van het kabinet tot grotere
ambities en het bewaken van de voortgang. Hij kan dat alleen als hij een grote mate
van vrijheid heeft om te zeggen wat hij denkt, op basis van de signalen die hij ophaalt.
Keuzes die hij maakt over zijn interne organisatie en over welke onderwerpen hij zich
uitspreekt, passen binnen deze rol en zijn geen reden voor het opheffen van het instituut.
De heer Van den Brink vroeg naar de verhouding tussen de plannen van de Nationaal
Coördinator en de plannen van de regering. Ik heb daar in eerdere beantwoording ook
al iets over gezegd. De denkrichtingen voor het Nationaal Programma tegen Discriminatie
en Racisme zijn door middel van samenwerking tussen de NCDR en het vorige kabinet
opgesteld. Een deel van de aanpak liep daarom al via de betrokken ministeries en was
niet afhankelijk van het programma zelf. Het is aan de NCDR om het kabinet aanvullend
te adviseren en aan te sporen op de aanpak van discriminatie. Het kabinet kijkt naar
aanleiding van die adviezen of aanscherping nodig is. De komende periode bekijk ik
of denkrichtingen aansluiten bij de ambities van dit kabinet. De betrokken ministeries
werken ondertussen door aan de aanpak van discriminatie en de uitvoering van eerdere
programma’s.
Mevrouw Keijzer vroeg naar een individuele casus van voorkeursbeleid van de gemeente
Amsterdam. Het uitgangspunt van de gelijkebehandelingswetgeving is dat sollicitanten
gelijk worden behandeld. Ik kan niet op de specifieke casus ingaan, maar voorkeursbeleid
is wettelijk alleen in bijzondere gevallen toegestaan. Uit oordelen van het College
voor de Rechten van de Mens blijkt dat de voorwaarden waaraan voorkeursbeleid dient
te voldoen, strikt worden toegepast. Als een werkgever aanleiding ziet om voorkeursbeleid
te voeren, dan raad ik in algemene zin altijd aan om dit voornemen bij het college
te laten toetsen.
De heer Van Baarle – dit heeft betrekking op de antidiscriminatievoorzieningen – vroeg
of ik nut zie in een wettelijke taak voor lokaal antidiscriminatiebeleid. Ik begrijp
dat dit een belangrijk punt is voor DENK en de heer Van Baarle. Ik zie dit ook terug
in de reactie op de internetconsultatie en de bestuurlijke reactie van de VNG. Ik
snap de wens met betrekking tot een wettelijke taak en ik zie het nut daarvan ook
in. Er zijn op dit moment echter onvoldoende financiële middelen beschikbaar om die
nieuwe taak effectief te kunnen uitvoeren. Wanneer alle adviezen binnen zijn, zal
ik de balans opmaken en dit punt meenemen in mijn overweging. Ik wil benadrukken dat
gemeenten in het licht van artikel 1 van de Grondwet een eigen verantwoordelijkheid
hebben in het voorkomen en aanpakken van discriminatie en racisme in hun gemeente.
Dat is in de huidige situatie ook zo en dat staat los van een expliciete wettelijke
taak. Veel gemeenten nemen die verantwoordelijkheid en hebben lokaal antidiscriminatiebeleid
of werken daaraan. Dit blijkt ook uit de Monitor lokaal antidiscriminatiebeleid die
Movisie in 2025 heeft uitgebracht.
De heer Verkuijlen vroeg naar veiligheidsprotocollen voor politieke ambtsdragers.
Er zijn gemeenten die een agressieprotocol hebben, maar lang niet allemaal. Het is
de eigen verantwoordelijkheid van een gemeente om een agressieprotocol te hebben.
Vanuit het Netwerk Weerbaar Bestuur worden gemeenten gewezen op het belang van een
agressieprotocol en het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur – die vallen beide onder
het Ministerie van Binnenlandse Zaken – vraagt hier ook nadrukkelijk aandacht voor
bij de bijeenkomsten die daarvoor binnen gemeenten worden georganiseerd. Inmiddels
zijn er zo’n 180 geweest. Hiervoor is een modelagressieprotocol beschikbaar gesteld
vanuit het Netwerk Weerbaar Bestuur.
De heer Verkuijlen vroeg ook naar de verlof- en vervangingsregeling voor zwangere
politieke ambtsdragers. Wat is de status van die regeling? In hoofdzaak regelt het
wetsvoorstel een aantal zaken. De termijn waarop volksvertegenwoordigers en dagelijks
bestuurders zich kunnen laten vervangen, wordt geflexibiliseerd. De wettelijke belemmering
voor volksvertegenwoordigers om zich bij aanvang van hun ambtsperiode te laten vervangen
in verband met zwangerschap en bevalling wordt weggenomen. De verlofnormen voor dagelijks
bestuurders op decentraal niveau worden uitgebreid. Concreet betekent dit: geboorteverlof,
adoptieverlof, pleegouderverlof en zorgverlof. De term «tijdelijk ontslag» wordt vervangen
door de term «tijdelijke ontheffing van het ambt». Het wetsvoorstel is inmiddels in
consultatie geweest. Op dit moment worden alle reacties verwerkt die hierop zijn binnengekomen.
Zodra dit is afgerond, zal het wetsvoorstel via de ministerraad aan de Raad van State
worden voorgelegd ter advisering. Nadat de opmerkingen van de Afdeling zijn verwerkt,
wordt het wetsvoorstel bij uw Kamer ingediend.
De heer Van Baarle vroeg naar een tweejaarlijks vervolgonderzoek naar discriminatie
binnen de overheid. Hij vroeg: wanneer kunnen we dit onderzoek verwachten? Mijn voorganger
heeft u toegezegd dat dit onderzoek elke twee jaar wordt herhaald. Het onderzoek is
eind 2025 uitgevoerd. Ik zal de rapportage uiterlijk voor de zomer met een kabinetsreactie
naar de Kamer sturen.
De heer Verkuijlen vroeg of er gekeken moet worden naar de onafhankelijkheid van vertrouwenspersonen
bij de Rijksoverheid. Laat ik vooropstellen dat de meeste medewerkers bij de Rijksoverheid
die vanwege ervaren discriminatie en racisme naar een vertrouwenspersoon stappen tevreden
zijn over de vertrouwenspersonen. Inmiddels is het rijksbrede Kader Uniforme Basiseisen
Vertrouwenspersonen Rijksoverheid van kracht geworden. Hierin staan de kwaliteitscriteria
en competenties voor vertrouwenspersonen beschreven. Alle departementen werken met
dit kader. Daarin zijn ten eerste voldoende diversiteit van de groep vertrouwenspersonen,
ten tweede de geheimhoudingsplicht en ten derde de onafhankelijkheid belangrijke vereisten.
Er is ook een hernieuwde basisopleiding voor vertrouwenspersonen, die verplicht is
en die dit rijksbrede kader als basis heeft. Mocht het zo zijn dat medewerkers toch
onvoldoende vertrouwen hebben in de vertrouwenspersoon in hun eigen organisatie, dan
kunnen zij ook altijd nog terecht bij externe vertrouwenspersonen. Die mogelijkheid
bestaat reeds. In het vervolgonderzoek naar discriminatie en racisme is de tevredenheid
over vertrouwenspersonen ook gemeten. U ontvangt dit onderzoek voor de zomer.
De heer Van den Brink vroeg naar de scheiding van kerk en staat en het organiseren
van iftars. Dit onderwerp is vorig jaar ook aan bod gekomen in schriftelijke vragen,
onder andere van JA21 en de SGP. Het beginsel van scheiding van kerk en staat sluit
niet uit dat de overheid ruimte biedt aan geloofsuitingen. In het kader van gelijke
behandeling, artikel 1 van de Grondwet, dient de overheid bij het bieden van ruimte
voor uitingen van religie en levensovertuiging wel neutraal te zijn. Dat betekent
dat de overheid geen godsdienst voorschrijft of voortrekt. Aandacht voor pluriformiteit
past daarnaast binnen een democratische rechtsstaat als Nederland, waar een grote
diversiteit bestaat aan levensbeschouwingen, opvattingen, leefstijlen en waardepatronen.
Deelname aan gemeenschappelijke activiteiten door bijvoorbeeld bestuurders en politici
is belangrijk voor sociale cohesie en begrip in de samenleving. Op deze manier laten
zij zien in verbinding te staan met verschillende bevolkingsgroepen in de maatschappij.
Dergelijke bijeenkomsten worden binnen het Rijk georganiseerd vanuit de werkgeversrol
van het Rijk. Dit gaat niet alleen om iftars, maar om een mix van dagen met een culturele,
maatschappelijke, historische of religieuze betekenis.
Ik kan dankzij het schakelen met het Ministerie van JenV de vraag van de heer Ceder
over de termijn waar het gaat om de naamswijziging nu aan het einde van de eerste
termijn beantwoorden. De brief over de naamswijziging komt inderdaad dit najaar en
voor de begrotingsbehandeling JenV, zoals gevraagd door de heer Ceder.
De voorzitter:
Dat was dan het laatste blok, neem ik aan.
Minister Heerma:
Dit waren de ongeveer 100 vragen.
De voorzitter:
Dat waren de 100 vragen. Dan kijk ik even rond of er nog vragen zijn. Ik zie de heer
Ceder en daarna de heren Verkuijlen en Flach. En daarna zie ik nog de heer Schenk.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank. Ik ben blij met de toezegging. Ik kwam wat later binnen, dus het kan zijn dat
de Minister mijn vraag om in het gesprek te gaan met het Cheider al heeft beantwoord.
Er is al een paar keer, volgens mij twee keer, wat gebeurd waardoor vervolgens de
school niet open kon. Mijn verzoek was om in gesprek te gaan om te kijken wat ze daarin
nodig hebben, zodat we dit niet een aantal keer per jaar hebben. Het heeft immers
effect op de kinderen en de omgeving, maar ook op de onderwijskwaliteit. Mijn vraag
is of de Minister daartoe bereid is en toe wil zeggen dat hij dat gesprek aangaat.
Minister Heerma:
Ik heb hier inderdaad op geantwoord. Ik begrijp ook dat Kamerleden heel veel te doen
hebben en dat de heer Ceder op dat moment even niet aanwezig was. Ik heb aangegeven
dat het Ministerie van Justitie en Veiligheid en ook de Minister zeer nadrukkelijk
in contact staan met de Joodse gemeenschap en ook veelvuldig overleg hebben in deze
situaties. Ik heb ook mijn afschuw uitgesproken over het feit dat de school opnieuw
dichtmoet. Ik heb ook aangegeven dat het gesprek echt valt onder de verantwoordelijkheid
van de Minister van Justitie en Veiligheid en dat die dat ook aangaat.
De heer Verkuijlen (VVD):
Ik dank de Minister voor zijn beantwoording. Ik wil met name nog even terugkomen op
dat veiligheidsprotocol, juist omdat het zo’n hygiënevoorwaarde is om te zorgen dat
mensen zich ook beschermd voelen, terwijl dat ambt tegelijkertijd zwaar onder druk
staat door onveiligheid. Ligt het dan niet meer op het pad van Minister ... Het is
heel goed dat dat programma daar zit, weerbaar bestuur. Dat hoort ook onder de Minister
van Binnenlandse Zaken. Eigenlijk is hij op hoogste niveau de werkgever van alle mensen
die in het publieke domein werken en daar hoort wat mij betreft ook veiligheid als
een onlosmakelijk deel onderdeel van uit te maken. Ik zou hem willen vragen of hij
de regie toch meer wil pakken en of hij met de Kamer zou willen delen hoeveel gemeenten
op dit moment over zo’n veiligheidsprotocol beschikken, zodat we kunnen kijken wat
er nog nodig is.
Minister Heerma:
Vanuit de verantwoordelijkheid die ik heb als Minister van Binnenlandse Zaken en ook
de verantwoordelijkheid die het ministerie voelt voor de veiligheid van lokale bestuurders,
is zowel het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur als het Netwerk Weerbaar Bestuur
opgericht. Daar is veel tijd en aandacht voor. Dat is niet minder geworden met de
toename van agressie, intimidatie en geweld tegen lokale bestuurders. Tegelijkertijd
geldt toch dat de Minister van Binnenlandse Zaken niet de werkgever is. Wij besteden
hier nadrukkelijk tijd en aandacht aan. Ik heb ook bij verschillende gelegenheden
gewezen op de vele bijeenkomsten die worden georganiseerd waarbij het belang hiervan
wordt benadrukt. Het modelagressieprotocol dat is opgesteld, wordt daar ook onder
de aandacht gebracht. Ik kan op dit moment niet toezeggen dat ik een overzicht kan
geven van hoeveel en welke gemeentes dat doen. Daar zou ik in tweede termijn even
op terug moeten komen.
De heer Flach (SGP):
Even in reactie op het antwoord over de iftars, want dat vond ik toch nog niet naar
tevredenheid. Het is natuurlijk niet zomaar een gezellige culturele maaltijd die je
doet vanuit goed werkgeverschap. Het heeft een heel sterk religieuze component. Niet
zelden vindt er bij zo’n bijeenkomst ook een gebed plaats door een imam. Dan komt
de scheiding van kerk en staat wel degelijk in het geding. We hebben wel vaker de
discussie erover gehad dat je daar als overheid neutraal in moet zijn. Je zult maar
gevlucht zijn uit het Midden-Oosten voor islamitisch geweld en dan hier geconfronteerd
worden met de politie die een iftar organiseert onder aanvoering van een imam. Dat
zet toch vraagtekens bij de onafhankelijkheid van overheidsdienaren? Dat zouden we
toch niet moeten willen? Dat is de Minister toch wel met de SGP eens?
Minister Heerma:
Ik zal toch het antwoord dat ik zojuist gegeven heb, herhalen. Aandacht voor pluriformiteit
past binnen de democratische rechtsstaat van Nederland en de grote diversiteit aan
levensbeschouwing, opvattingen en leefstijlen. Deelname aan gemeenschappelijke activiteiten
door bijvoorbeeld bestuurders en politici is daarbij belangrijk voor de sociale cohesie.
Als het Rijk bijeenkomsten organiseert, gebeurt dat in de rol van het Rijk als werkgever
en daarbij gaat het echt niet alleen om iftars en is er aandacht voor een mix van
dagen met culturele, maatschappelijke, historische en religieuze betekenis.
De voorzitter:
De heer Flach, laatste.
De heer Flach (SGP):
Met respect, maar ik vroeg niet of de Minister het antwoord nog eens wilde voorlezen.
Ik vroeg echt iets anders, namelijk of de Minister het niet ook wenselijk vindt dat
de overheid ook in beeld nadrukkelijk onafhankelijk is. Het zelf organiseren van en
betalen voor een iftar, niet zelden onder voorgangerschap van een imam, is niet wenselijk,
net zomin als dat van een predikant wenselijk zou zijn, denk ik, bij bijeenkomsten
van politieagenten in uniform. Met andere woorden: is de Minister het ermee eens dat
dit echt schuurt met de onafhankelijkheid van de overheid? Dat is mijn vraag. Het
eerdere antwoord had ik al goed gehoord.
Minister Heerma:
Binnen de Rijksoverheid bepalen departementen en rijksonderdelen zelf aan welke betekenisvolle
dagen zij aandacht besteden. Dat gebeurt veelal in samenwerking met medewerkersnetwerken.
Als ik binnen het Ministerie van Binnenlandse Zaken kijk, is er vandaag een Pinksterenlezing
en is er ook bij Chanoeka en Divali een bijeenkomst georganiseerd. Er zijn dus diverse
religieuze bijeenkomsten van allerlei geloven. Ook bij mijn eigen ministerie wordt
daar op deze manier aandacht aan besteed. Zo was er vandaag nog een Pinksterenlezing
op het Ministerie van Binnenlandse Zaken.
De heer Schenk (FVD):
Eigenlijk in aanvulling hierop. Ik hoor de Minister zeggen dat departementen zelf
bepalen waar zij aandacht aan besteden, aan welke feestdagen of aan welke religies.
Maar in het onderzoek Racisme binnen de Rijksoverheid wordt expliciet weerstand bij
het organiseren van een iftarmaaltijd genoemd als een voorbeeld van institutioneel
racisme. Dat rijmt toch niet met hetgeen de Minister hier zojuist aangaf? Dat is mijn
vraag.
Minister Heerma:
Waarom rijmt dat niet? De ervaren weerstand als voorbeeld uit dat onderzoek heeft
toch heel weinig te maken met het antwoord dat ik zojuist gaf op de vraag van de heer
Flach?
De heer Schenk (FVD):
Volgens mij niet. Het is volgens mij ontzettend legitiem om géén iftar te organiseren
op het ministerie. Hier wordt dat genoemd als een probleem, als een geval van tegenwerking,
als een voorbeeld van institutioneel racisme, en daarmee aanleiding om onder andere
kleurenquota in te voeren op de werkvloer. Dat is toch onbestaanbaar? Ik zou daar
graag wat meer reflectie op willen horen.
Minister Heerma:
Het is heel lastig om op basis van wat mensen aangeven over wat ze als problematisch
ervaren, te reageren op wat de bron of de aanleiding is van wat zij als discriminerend
hebben ervaren. Dat kan ook te maken hebben met de manier waarop met een verzoek is
omgegaan. Nog steeds geldt dat de heer Flach en de heer Van den Brink mij vroegen
naar de scheiding tussen kerk en staat. Daar heb ik antwoord op gegeven. Daar heb
ik ook het antwoord op gegeven dat de Rijksoverheid dat binnen de departementen verschillend
doet. Dat gaat over verschillende religieuze uitingen, van verschillende geloven.
De link die de heer Schenk nu legt met de n=1-ervaring zie ik gewoon niet.
De heer Schenk (FVD):
Dan gaan we het daarover in ieder geval niet eens worden; dat mag.
Ik heb een andere vraag. Die komt uit het document Denkrichtingen ten behoeve van
een Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme. Daarin gaat het over de oorzaken
van discriminatie en racisme. Daarin gaat het er onder andere over dat «deze oorzaken
worden versterkt door het publiekelijk en vrijwel kritiekloos kunnen bespreken van
xenofoob, seksistisch, racistisch of anti-lhbtiqa+ gedachtegoed in het dagelijks leven,
maar ook in het politieke discours». Ook hier vind ik het toch wel erg schuren, want
waar slaat dit dan op? Is kritiek op immigratie een oorzaak van racisme? Wij zien
gendergekte. Dat vindt mijn partij problematisch. Dat vind ik zelf ook uitermate problematisch.
Is kritiek op die gendergekte dan een oorzaak van discriminatie en racisme? Schuurt
het niet dat uitingen en opvattingen van democratisch gekozen partijen hier misschien
in dat document van denkrichtingen genoemd worden als mogelijke oorzaken van discriminatie
en racisme in Nederland? Dat kan toch niet waar zijn, is mijn vraag.
Minister Heerma:
Wat de heer Schenk aanhaalt uit deze denkrichtingen, die eind vorig jaar door het
vorige kabinet naar de Kamer zijn toegestuurd, betreft volgens mij een analyse van
de NCDR. Dat is waaraan de heer Schenk refereert. Nu ga ik terug naar mijn inleiding,
naar de verantwoordelijkheid die wij in algemene zin allemaal hebben wat betreft onze
woordkeuze en de manier waarop wij ons uiten in het publieke debat. Er werd iets gezegd
over de verantwoordelijkheid die ik voel. Ik heb ook iets gezegd over de verantwoordelijkheid
die wij allemaal hebben om olie op de golven in plaats van olie op het vuur te gooien
bij onderwerpen die tot polarisatie kunnen leiden. Dat is een verantwoordelijkheid
die wij allemaal hebben.
Het is wel degelijk zo dat woorden niet zonder impact zijn. Ook de woorden die wij
hier uitspreken, kunnen effect hebben. Daar is veelvuldig onderzoek naar gedaan. Er
is onderzoek gedaan aan de Universiteit van Utrecht waaruit bijvoorbeeld bleek dat
de manier waarop het debat in de Tweede Kamer gevoerd wordt, een relatie heeft met
het oplaaien van onlinehaat, -discriminatie en -bedreiging. De heer Schenk haalt dit
aan met een nogal negatieve context. Ik vind het heel goed dat wij ons er allemaal
van bewust zijn dat de woorden die wij hier gebruiken en de wijze waarop wij ons uiten,
effect hebben op het debat in de samenleving. Volgens het onderzoek dat ik aanhaalde,
kan dat ook leiden tot intimidatie, bedreiging en racistische uitingen online. Ik
heb al aangegeven dat wij met een uitwerking van de nationale aanpak komen, waar de
heer Van Baarle naar vroeg. Ik vind het niet raar dat ook wij ons ervan bewust moeten
zijn dat onze woorden impact hebben.
De voorzitter:
De laatste interruptie van de heer Schenk.
De heer Schenk (FVD):
Ja, tot slot. We zitten hier wel in het hoogste beslissende, bevoegde orgaan van dit
land. Er moet hier op het scherpst van de snede gedebatteerd kunnen worden. Daar horen
soms ook controversiële opvattingen bij, of opvattingen die als controversieel ervaren
kunnen worden. Wat is dan de conclusie die de Minister hieruit trekt? Moeten wij dan
bepaalde standpunten niet meer innemen of bepaalde standpunten anders verwoorden?
Volgens mij gaat elk verkozen Kamerlid daar zelf over. Uiteraard heeft elk verkozen
Kamerlid ook een verantwoordelijkheid om iets op een bepaalde manier te verwoorden.
Maar wat moeten we hier nu mee? Het schuurt toch wel heel erg dat er een link wordt
gelegd van «als er iets in de samenleving gebeurt en er wordt haat gezaaid, dan is
dat het gevolg van iets wat iemand in de Tweede Kamer gezegd heeft». In de Tweede
Kamer moet toch alles gezegd kunnen worden?
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer Schenk (FVD):
Dit is toch juist een heel fundamenteel punt in een democratische rechtsstaat? Ik
hoop dat de Minister wel voor die vrijheid voor meningsuiting en voor het vrije debat
staat.
Minister Heerma:
Er is geen plek in Nederland waar de vrijheid van meningsuiting zo ver strekt als
in de Tweede Kamer. Volgens mij is de partij van de heer Schenk zich daar terdege
bewust van. Maar bij dat hoogste orgaan, waar de heer Schenk zelf aan refereert, past
ook de hoogste verantwoordelijkheid. Wij moeten ons allemaal, individueel, bewust
zijn van onze verantwoordelijkheid op het gebied van de manier waarop we ons uiten,
niet omdat die ruimte ingeperkt is, maar juist omdat die zo groot is. We moeten ons
bewust zijn van wat de impact van woorden kan zijn en of wij bijdragen, individueel,
aan polarisatie in de samenleving en aan het gooien van olie op de golven bij gevoelige
maatschappelijke vraagstukken, of dat wij bijdragen aan rust en stabiliteit en geen
olie op de golven gooien. Ik ben me dagdagelijks, in al deze debatten, van mijn verantwoordelijkheid
bewust om dat laatste te doen. Ik roep ook alle Kamerleden individueel op om dat laatste
te doen. Dat hoop ik. Want er is voldoende spanning in de samenleving. We hebben met
elkaar de verantwoordelijkheid om dat niet aan te jagen, maar juist te proberen om
dat binnen de democratie op vreedzame wijze te beslechten, want dat is de kern van
de democratie.
De voorzitter:
Dank u wel. We zijn aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van de
Minister. Ik constateer dat het nu 18.25 uur is. We hebben dus eigenlijk nog maar
vijf minuten. Ik kijk even rond om te zien wat de behoefte van de Kamer is. We kunnen
een volledige tweede termijn doen, maar dan is het debat echt meer dan dertig minuten
later afgelopen. We kunnen ook alleen een tweeminutendebat aanvragen en dan het debat
vervolgen. Dan kijken we ook eventjes of er andere nog onbeantwoorde vragen zijn,
zodat de Minister die in ieder geval in de tweede termijn nog kan beantwoorden. Dat
zijn dus de twee opties. Ik kijk even naar de commissieleden. Mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Misschien kunnen we een rondje doen met vragen die nog zijn blijven liggen waar de
Minister schriftelijk op terugkomt en dan nog een tweeminutendebat doen? Is dat een
idee?
De voorzitter:
Ik kijk even naar de rest van de commissie. Ik proef in ieder geval dat er geen volledige
tweede termijn komt vanuit de Kamer en dat er zo direct in ieder geval snel een inventarisatie
gemaakt wordt van de vragen die nog openstaan. Daarna gaan we over tot de tweede termijn
vanuit de Kamer, waarin de eerste spreker – dat was ikzelf – een tweeminutendebat
kan aanvragen. Vervolgens gaan we door naar de Minister voor de beantwoording daarvan.
Ik kijk even rond. Zijn er vragen die in ieder geval nog beantwoord moeten worden
door de Minister? Ik zie dat mevrouw Tseggai een vraag heeft.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ja, alleen mijn vraag of we de maatschappelijke kosten van discriminatie kunnen onderzoeken.
De heer Clemminck (JA21):
Ik ben een beetje in verwarring, dus ik hoop dat ik het goed zeg, voorzitter. Ik had
een vraag gesteld over de sluwe methodes van de Moslimbroederschap. In zijn antwoord
ging de Minister daar helemaal niet op in. Ik zou dus nog even terug willen – ik doe
dit even kort, hoor – naar die vraag, namelijk: is de Minister bekend met de sluwe
methodes van de Moslimbroederschap om de islamitische gemeenschap in de slachtofferrol
te plaatsen? Ziet de Minister ook het gevaar dat dat kan vermengen met het moslimdiscriminatiepleidooi?
Kan de Minister JA21 in ieder geval geruststellen dat hij niet in die val van de Moslimbroeders
gaat trappen?
De heer Flach (SGP):
Er is één vraag nog onbeantwoord gebleven. Dat is de vraag hoe de Minister onze eigen
cultuur en traditie en onze oudste nationale vrijheden van geweten en godsdienst beter
wil gaan beschermen en uitdragen. Dat wil ik koppelen aan een mooi citaat, voorzitter,
en dan stop ik. «De Nederlandse samenleving is tegenwoordig in toenemende mate op
individuele rechten gebouwd. Het gaat niet om jouw individuele rechten, maar om je
plicht om te doen wat goed is voor de samenleving als geheel. Dat zou weer de boventoon
moeten voeren.» Als de Minister vindt dat dat een goed antwoord is, dan is die vraag
beantwoord. Dit komt namelijk uit een opiniestuk van, destijds, het Kamerlid Heerma.
Als hij dat nog steeds vindt, dan ben ik heel tevreden.
Minister Heerma:
De woorden kwamen me bekend voor.
De voorzitter:
Oké dan. Mensen kunnen ook wat ouder, grijzer en wijzer worden. De heer Van den Brink.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Heb ik goed begrepen dat we nu wel een tweede termijn van de kant van de Kamer doen
maar niet aan de kant van de regering?
De voorzitter:
Nee, alleen de vragen die eventueel nog openstaan uit de eerste termijn.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dan dank ik de Minister voor alle antwoorden, bijna 100. Respect voor hoe u dat deed.
Ik ben blij met het antwoord dat u gaf op de vraag over de scheiding tussen het beschermen
van mensen aan de ene kant en de vrijheid van meningsuiting over ideeën aan de andere
kant. Ik was ook gerustgesteld door de antwoorden op de vragen over de iftar en de
scheiding tussen kerk en Staat. U heeft die verhouding helder aangegeven.
Er was nog één vraag die voortvloeide uit mijn poging tot beschouwingen over de verhouding
tussen overheid en samenleving. De overheid beschermt tegen discriminatie. Het debat
over wat goed is, en zo, hoort ook echt in de samenleving plaats te vinden. In dat
kader vroeg ik naar de schil van inclusie- en diversiteitstrainingen die door de overheid
worden aangeboden. Lopen we niet het risico dat de overheid die normen gaat invullen,
zoals in die taalgids? Daar hoef ik het verder niet over te hebben, maar op de vraag
over de schil die die normen en waarden probeert in te vullen, terwijl dat debat vooral
in de samenleving plaats zou moeten vinden, zou ik graag nog een antwoord willen.
Dat zal dan op papier komen, waarschijnlijk.
De voorzitter:
Oké. Verder zijn er geen openstaande vragen meer. Ik wil mevrouw Tseggai vragen om
het voorzitterschap even van mij over te nemen.
Voorzitter: Tseggai
De voorzitter:
Bij dezen. Ik geef het woord aan de heer Bamenga.
De heer Bamenga (D66):
Ik zou graag een tweeminutendebat willen aanvragen. Graag wil ik ook de Minister bedanken
voor de beantwoording van alle vragen.
De voorzitter:
Ik draag het voorzitterschap weer over aan de heer Bamenga.
Voorzitter: Bamenga
De voorzitter:
Dank u wel, voorzitter. Ik kijk even naar de Minister om te zien of hij meteen door
kan of dat er een hele korte schorsing nodig is.
Minister Heerma:
Misschien even over de vorm: ik ben niet voornemens om tussen nu en een tweeminutendebat
nog met een brief te komen met antwoorden op vragen die mogelijk zijn blijven liggen.
Ik ga dus mijn best doen om de vragen waarvan ik gezegd heb dat ik erop terug zou
komen, nu te beantwoorden. Het kan zo zijn dat Kamerleden daar dan nog niet tevreden
mee zijn, maar ik zou zeggen dat het tweeminutendebat de plek is om daar een vervolg
aan te geven.
Mevrouw Tseggai zei in haar tweede termijn dat ik had aangegeven dat ik nog op haar
vraag naar een breed onderzoek naar maatschappelijke kosten in zou gaan. Het is ingewikkeld
om in kaart te brengen welke maatschappelijke kosten gemoeid zijn met discriminatie.
Daarnaast kan ik het onderzoek ook niet toezeggen, omdat wij hier geen capaciteit
en geen middelen voor hebben. Capaciteit en middelen zijn helaas niet altijd toereikend.
Een daadkrachtige aanpak vraagt in deze context ook om een duidelijke prioritering.
Die prioritering heb ik aan het begin van mijn eerste termijn toegelicht. Een onderzoek
naar alle maatschappelijke kosten van discriminatie past hier niet in.
De heer Verkuijlen wilde graag nog een aanvulling op mijn beantwoording van de vraag
waarom we het MAR-rapport en het OM-rapport niet in één rapport onderbrengen. Laat
ik beginnen met een formeel argument. De MAR-rapportage kent een wettelijke verplichting.
Die kent de rapportage van het OM niet. De positie van het Openbaar Ministerie als
opsteller van de rapportage is daarmee wezenlijk anders. Maar belangrijker is dat
ik gewoon niet inzie wat de toegevoegde waarde is van het integreren van deze twee
rapportages, zeker afgezet tegen de inspanningen die geleverd moeten worden om dat
te realiseren. Ik wil daar geen middelen en capaciteit voor inzetten. Ik heb liever
dat de instanties die voor rapportages verantwoordelijk zijn, hun schaarse tijd gebruiken
voor hun primaire proces, zoals het vervolgen van verdachten. Ook op de inhoud zie
ik de toegevoegde waarde niet. Cijfers van het OM zien op strafbare feiten die in
behandeling zijn genomen. De MAR gaat over meldingen bij bijvoorbeeld ADV’s, maar
die zijn niet met elkaar vergelijkbaar. Zo kan één melding meerdere strafbare feiten
omvatten of kunnen er meerdere meldingen worden gedaan van één strafbaar feit. Ook
is het zo dat de twee genoemde rapportages niet de enige rapportages zijn die inzicht
geven in discriminatieproblematiek. Ik wijs onder andere op de onderzoeken van het
SCP en het CBS, maar ook op die van tal van maatschappelijke organisaties en onderzoeksinstituten.
Voor de beleidsvorming of voor het duiden van problematiek, neem ik daar kennis van.
Tot slot merk ik op dat er altijd gestreefd wordt naar gelijktijdige publicatie. Dat
was dit jaar op 15 april.
De voorzitter:
Even wachten ...
De heer Verkuijlen (VVD):
Heel kort, voorzitter.
De voorzitter:
... tot de Minister klaar is.
Minister Heerma:
Mijn microfoon stond niet aan; dank u, meneer Flach. Er moet er altijd een de scherpste
zijn. Dat is overigens een bekend gevoel dat iedereen wel eens heeft bij digitale
vergaderingen, dat je microfoon nog op stil staat.
Mevrouw Tseggai gaf in de eerste termijn in het interruptiedebat aan dat het raar
is dat ik nog niks kan zeggen over de erkenning van Roma en Sinti onder het kaderverdrag,
terwijl er een aangenomen motie ligt. Ik begrijp het ongeduld van mevrouw Tseggai;
ik vraag toch nog om enig geduld van de kant van de Kamer. Ik onderken dat de tekst
van de motie helder is. Ik vind het echter wel de taak van het kabinet om de consequenties
in termen van uitvoering klip-en-klaar helder te hebben. Er moet zicht zijn op de
inhoudelijke gevolgen voor beleid; pas dan kan een inhoudelijke reactie op de motie
volgen. Daar zit ik middenin. Ik kan de Kamer niet eerder dan dit najaar hierover
informeren en een standpunt toezeggen.
De heer Clemminck vroeg door over de Moslimbroederschap. Ik heb – dat gaf ik in de
eerste termijn al aan – zo snel niet kunnen achterhalen aan welke onderzoeken hij
refereert. Het is in algemene zin goed mogelijk dat bepaalde organisaties misbruik
willen maken van het gevoel van discriminatie, maar dat neemt niet weg dat discriminatie
een vraagstuk is in de Nederlandse samenleving. De heer Clemminck vroeg of ik hem
gerust kon stellen dat ik niet van plan was in een val te trappen. Ik ben niet van
plan om in een val te trappen.
O ja, de heer Flach las een citaat voor waarbij ik na de eerste woorden al dacht:
dat komt me enigszins bekend voor. Ik waardeer deze creatieve insteek vanuit de Kamer
altijd zeer en ik weet dat de SGP bij uitstek een partij is die dat ondanks een beperkte
omvang toch altijd lukt. Ik heb hier een tweeledig antwoord op. De woorden die de
heer Flach citeert, spreken mij nog steeds zeer aan. Ik kan daar persoonlijk «ja»
op zeggen, maar in algemene zin moet ik ook benadrukken dat ik als Kamerlid namens
een partij een andere verantwoordelijkheid had dan ik nu als Minister heb. Ik wil
daarbij ook aangeven dat ik niet in elk toekomstig debat waarin de heer Flach met
deze creativiteit uit de hoek komt, zijn vraag zal kunnen bevestigen. Ik heb in deze
huidige functie namelijk een andere en bredere verantwoordelijkheid.
De voorzitter:
Oké. Dat waren de antwoorden. Ik zag een verduidelijkende vraag van de heer Verkuijlen;
graag heel erg kort. Daarna de heer Van den Brink.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Mijn vraag is nog niet beantwoord.
De voorzitter:
O, de vraag van de heer Van den Brink is niet beantwoord.
Minister Heerma:
Misschien kan de heer Verkuijlen dan ook ...
De heer Verkuijlen (VVD):
Ik vond dat de Minister goede argumenten had om de twee niet te integreren. Toch zou
ik hem willen vragen of het voortaan mogelijk is om als we weer zo’n debat hebben,
die cijfers wél gelijktijdig toe te voegen, zowel die van het OM als die over discriminatie.
De voorzitter:
Helder verzoek. De Minister.
Minister Heerma:
De heer Van den Brink heeft gewoon gelijk: ik heb zijn vraag niet meegenomen. Dat
kan ik nu alsnog doen.
De vraag van de heer Verkuijlen raakt ook aan een kwestie van agendering. Deze cijfers
zijn er gewoon en kunnen ook geagendeerd worden voor een volgend debat. Dat is echter
geen verantwoordelijkheid die bij het kabinet ligt; die verantwoordelijkheid ligt
bij de vaste Kamercommissie en dat zou een volgende keer in een procedurevergadering
kunnen gebeuren.
De heer Van den Brink had het over de overheid en over de samenleving. De aanpak binnen
het Rijk die hierop is gericht, gaat over het functioneren van de overheid als werkgever.
De zaken die hij aanhaalt, gaan over de overheid, die diversiteit en inclusiviteit
in haar rol als werkgever invult. Ik neem aan dat de heer Van den Brink daar geen
bezwaar tegen heeft, want ook in heel veel bedrijven en organisaties is er toegenomen
aandacht voor het belang van diversiteit binnen teams en ook aan de top van organisaties.
Ik vind het niet raar dat het Rijk daar, ook in zijn rol als werkgever, specifiek
aandacht voor heeft.
De voorzitter:
Dank u wel. Dit was het dan. Dan ga ik in ieder geval de administratie nog doen. Dat
betekent dat we even nalopen wat de toezeggingen zijn. Er is een tweeminutendebat
aangevraagd door het lid Bamenga van D66. De volgende toezeggingen zijn gedaan.
– De Minister van BZK zal de Kamer na het zomerreces van 2026 informeren over het tijdpad
van het Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme.
– De Kamer wordt in het najaar van 2026 geïnformeerd over het vervolg van de uitvoering
van de motie-Tseggai inzake het erkennen van Roma, Sinti en woonwagenbewoners als
nationale minderheid. Dat is een toezegging aan mevrouw Tseggai van GroenLinks-PvdA.
– De Kamer wordt voor de begrotingsbehandeling JenV geïnformeerd over de mogelijkheden
inzake gratis naamwijzigingen voor specifieke bevolkingsgroepen. Dat is een toezegging
aan de heer Ceder van de ChristenUnie.
– De Kamer zal vanaf de start van de discriminatietoets jaarlijks hierover worden geïnformeerd.
Dat waren denk ik de toezeggingen. De Minister.
Minister Heerma:
Specifiek bij de naamswijziging heb ik verwezen naar een brief die door de Staatssecretaris
van Justitie en Veiligheid wordt gestuurd. Daarmee is het niet een toezegging van
deze Minister aan deze commissie. Dat zeg ik even in aanvulling op de volgens mij
verder correcte weergave van de toezeggingen.
De voorzitter:
Dat wordt dan aangevuld.
Dan wil ik alle Kamerleden bedanken voor hun actieve bijdrage vandaag. Ik wil ook
de Minister bedanken. Volgens mij was het de eerste keer en was het zeer goed gedaan
met de beantwoording van alle vragen. Ik wil ook iedereen op de publieke tribune en
thuis bedanken voor het kijken. Dan sluit ik hierbij het debat.
Sluiting 18.41 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A. Kisteman, voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken -
Mede ondertekenaar
T.M.T. van der Lee, voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Mede ondertekenaar
G.C. Honsbeek, griffier