Verslag van een wetgevingsoverleg : Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 9 maart 2026, over Integratie en maatschappelijke samenhang
36 800 XV Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2026
Nr. 111
VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Vastgesteld 20 april 2026
De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op 9 maart 2026 overleg
gevoerd met de heer Aartsen, Minister van Werk en Participatie, over:
– het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2026 (Kamerstuk 36 800 XV);
– de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 24 juni 2024 inzake
uitvoeringsbrief inburgering (Kamerstuk 32 824, nr. 438);
– de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d. 18 november 2024
inzake stand van zaken over ongewenste tweede nationaliteit en kabinetsreactie verkenning
juridische dilemma's bij meervoudige nationaliteiten (Kamerstuk 35 475, nr. 18);
– de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d. 26 november 2024
inzake voortgang Agenda Veerkrachtige en Weerbare Samenleving (Kamerstuk 36 600 XV, nr. 32);
– de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 26 november 2024
inzake uitkomsten onderzoeken Wet inburgering 2021 (Kamerstuk 32 824, nr. 446);
– de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d. 7 februari 2025 inzake
Actieagenda Integratie en Open en Vrije Samenleving (Kamerstuk 32 824, nr. 448);
– de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d. 26 maart 2025 inzake
beantwoording vragen commissie over de Actieagenda Integratie en Open en Vrije Samenleving
(Kamerstuk
32 824, nr. 448
) (Kamerstuk 32 824, nr. 449);
– de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d. 8 april 2025 inzake
beantwoording vragen commissie inzake Actieagenda Integratie en Open en Vrije Samenleving
(Kamerstuk
32 824, nr. 448
) (Kamerstuk 32 824, nr. 451);
– de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d. 12 mei 2025 inzake
evaluatie van het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) (Kamerstuk 32 824, nr. 453);
– de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d. 21 mei 2025 inzake
kabinetsreactie op de SCP-rapporten Samenleven in de toekomst en Samen verschillend
(Kamerstuk 36 600 XV, nr. 111);
– de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d. 26 mei 2025 inzake
kabinetsreactie op KIS-onderzoek naar ervaringen met het hebben van een dubbele nationaliteit
(Kamerstuk 35 475, nr. 19);
– de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 29 mei 2024 inzake
onderzoek naar de voor- en nadelen van een publiek bekostigde onderwijsroute (Kamerstuk
32 824, nr. 416);
– de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d. 10 juni 2025 inzake
Werkagenda VIA (Kamerstuk 32 824, nr. 454);
– de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d. 11 juni 2025 inzake
hersteltraject onrechtmatig verwerkte persoonsgegevens (Kamerstuk 32 761, nr. 326);
– de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d. 2 juli 2025 inzake
appreciatie van de motie van het lid Podt over verplichte Nederlandse taallessen tijdens
de asielprocedure (Kamerstuk
36 704, nr. 57
) (Kamerstuk 36 704, nr. 77);
– de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d. 4 juli 2025 inzake
voortgang Actieagenda Integratie en Open en Vrije Samenleving (Kamerstuk 32 824, nr. 456);
– de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d. 9 juli 2025 inzake
voortgang inburgering (Kamerstuk 32 824, nr. 457);
– de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d. 30 september 2025
inzake reactie op de motie van het lid Bamenga c.s. over structurele middelen voor
de dialoog, verbinding en ontmoeting tussen mensen van verschillende culturele en
religieuze achtergronden (Kamerstuk 30 950, nr. 486) (Kamerstuk 30 950, nr. 490);
– de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d. 16 oktober 2025 inzake
verzamelbrief inburgering (Kamerstuk 32 824, nr. 475);
– de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d. 10 december 2025
inzake verzamelbrief inburgering december 2025 (Kamerstuk 32 824, nr. 476);
– de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d. 12 december 2025
inzake kabinetsreactie op het rapport «Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie» en
versterking aanpak moslimdiscriminatie (Kamerstuk 30 950, nr. 505);
– de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d. 28 januari 2026 inzake
kabinetsreactie op tussenevaluatie Wet inburgering 2021 (Wi2021) (Kamerstuk 32 824, nr. 478);
– de brief van de Minister van Werk en Participatie d.d. 2 maart 2026 inzake voortgang
Actieagenda Integratie en Open en Vrije Samenleving Q1 2026 (Kamerstuk 32 824, nr. 479);
– de brief van de Minister van Werk en Participatie d.d. 2 maart 2026 inzake rapport
betreffende verklarende factoren voor verbondenheid (Kamerstuk 32 824, nr. 480);
– de brief van de Minister van Werk en Participatie d.d. 5 maart 2026 inzake Trouwartikel
Potentiële belangenverstrengeling bij onderzoek naar moslimdiscriminatie (Kamerstuk
28 844, nr. 302);
– de brief van de Minister van Werk en Participatie d.d. 9 maart 2026 inzake openbaarmaking
beschikbare correspondentie over versterkte gebedsoproepen (Kamerstuk 36 800 XV, nr. 19).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de commissie, Van der Lee
De griffier van de commissie, Post
Voorzitter: Bamenga
Griffier: Morrin
Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Bamenga, Boon, Tijs van den Brink,
Ergin, Lahlah, Michon-Derkzen en Nanninga,
en de heer Aartsen, Minister van Werk en Participatie.
Aanvang 16.32 uur.
De voorzitter:
Goedemiddag. Het is halfvijf geweest, dus ik stel voor om te gaan beginnen. Welkom
aan alle leden. Welkom ook aan de Minister, aan de mensen op de publieke tribune en
ook aan de mensen die digitaal meekijken.
Aan de orde is vandaag het WGO Integratie en maatschappelijke samenhang. We zitten
krap in de tijd gezien de aangevraagde spreektijd. Ik stel daarom vier interrupties
voor. We houden de volgorde van de begroting aan. Dat betekent dat wij mevrouw Lahlah
als allereerste spreker hebben. Ik zie een ordevoorstel van de heer Ergin.
De heer Ergin (DENK):
Het is net halfvijf geweest. Zoals u weet, is het over krap twee uurtjes iftartijd.
Volgens mij schorsen we altijd tussen de eerste en de tweede termijn. Hierbij doe
ik het ordevoorstel om de schorsing die al gaat plaatsvinden exact om 18.40 uur te
houden.
De voorzitter:
Dank u wel daarvoor. Wat mij betreft is dat akkoord. Laten we dan aan de slag gaan.
Een nieuw ordevoorstel, meneer Boon?
De heer Boon (PVV):
Nee, geen ordevoorstel. Ook voor de notulen wil ik even aangeven dat wij daaraan geen
steun verlenen.
De voorzitter:
Dank. Dan wil ik graag mevrouw Lahlah het woord geven.
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Vandaag spreken we in dit wetgevingsoverleg over integratie
en inburgering, een deel van de begroting van Sociale Zaken waarin het gaat over hoe
nieuwkomers hun plek vinden in de Nederlandse samenleving.
Voorzitter. Als je opnieuw moet beginnen in een nieuw land, wil je houvast, met een
plek waar je mensen ontmoet, de taal leert en oefent, en de weg leert kennen. Een
plek waar je niet eerst maanden of zelfs jaren op hoeft te wachten voordat je iets
van je leven kunt opbouwen. Voor mij gaat integratie daarover: niet mensen in een
systeem parkeren, maar ervoor zorgen dat ze zo snel mogelijk mee kunnen doen. Dat
past bij het positieve mensbeeld van GroenLinks-PvdA: vertrouwen als startpunt, met
een overheid die drempels wegneemt in plaats van opwerpt. Eerlijk gezegd past dit
ook prima bij de nieuwe vibe van de coalitie: aan de slag. Maar dan moet je het wel
regelen.
Daarom zet ik vandaag drie dingen neer. Ten eerste wat er misgaat door politieke keuzes
en ketenfalen. Ten tweede wat er in onze ogen nodig is om het wél te laten werken.
Ten derde welke concrete besluiten we vandaag kunnen meegeven aan de Minister. Dat
doe ik eigenlijk met één centrale les uit het rapport Onbenut potentieel van de Algemene
Rekenkamer. Want zolang we niet kiezen, zegt de Algemene Rekenkamer, blijft beleid
wensdenken en betalen mensen en de samenleving de prijs.
Veel nieuwkomers willen dolgraag onderdeel worden van ons land. Ze willen Nederlands
leren, werken, hun kinderen naar school brengen en hun leven opbouwen. Maar in de
praktijk lopen ze vast in wachttijden, verhuizingen en regels die elkaar tegenwerken.
Ook de Algemene Rekenkamer is daar best helder over. Het probleem is niet dat mensen
niet willen, maar dat wij hun potentieel niet benutten. Mensen komen te laat op gang,
taal en werk sluiten slecht op elkaar aan en de overheid weet vaak niet goed wat iemand
al kan, omdat opleiding en werkervaring te vaak niet goed geregistreerd worden. Dat
is pijnlijk voor de mensen zelf, maar ook voor een land met enorme personeelstekorten.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik ben het totaal eens met deze analyse van mevrouw Lahlah. Zij zegt eigenlijk: taal
en werk sluiten niet goed op elkaar aan. Degene die geholpen zou moeten zijn, wordt
niet geholpen. De gemeenten zijn hiervoor verantwoordelijk, zo hebben we allemaal
kunnen lezen. Wat zijn de voorstellen van mevrouw Lahlah? Hoe wil zij richting de
gemeenten optrekken, wellicht ook in breder verband met de Kamer, om het wel te laten
werken?
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Daar kom ik zo op. Ik wilde net naar de eerste vraag aan de Minister. In ieder geval
zou ik de Minister willen vragen of hij verantwoordelijkheid wil nemen voor de keten.
We zien nu dat een heleboel belegd wordt bij Sociale Zaken, terwijl vanaf het moment
dat je voor asiel het land binnenkomt de wachttijd van huisvesting naar aan het werk
gaan veel te lang is. Dan zou het goed zijn om de inburgering niet pas structureel
na twee jaar te laten beginnen, en om te komen met een ketenoverzicht met doorlooptijden
van status tot huisvesting, van intake tot PIP, inclusief alle verantwoordelijkheden.
Ik denk dat dat alvast zou helpen.
De Rekenkamer laat zien dat een gemiddelde procedure in theorie ongeveer 48 weken
duurt, maar in de praktijk 111 weken. Ik hoor – waarschijnlijk u ook – heel veel verhalen
van mensen die in de fase van aanvraag soms geen maanden, maar jaren wachten en dat
zij in die periode dat ze wachten geen mogelijkheden hebben om de taal te leren. Daardoor
kunnen ze pas op het moment dat ze een status krijgen, toegewezen zijn aan een gemeente
en de huisvesting geregeld is gaan beginnen met de Nederlandse taal leren. Al die
tijd moeten ze wachten. Heel veel van deze mensen verlaten een azc zonder de mogelijkheid
om op B1 of B2, of in ieder geval A1 of A2 de taal te beheersen. Daar zouden we al
een heleboel kunnen doen.
Daarnaast horen we ook van gemeenten dat ze veel te weinig geld hebben om dit goed
op te pakken, terwijl wij dat heel belangrijk vinden. Dat geldt niet alleen voor het
eerste deel van de keten, maar ook zeker daarna. De G4 en andere gemeenten hebben
regelmatig brandbrieven gestuurd naar ons, waarin staat dat het budget veel te weinig
is om de uitvoering goed op gang te krijgen. Want ook na een status duurt de fase
vaak veel te lang, als je het hebt over de intake, de kwaliteiten en competenties
in kaart brengen, bekijken wat mensen kunnen en waar ze het beste terecht kunnen.
Ook dat duurt heel erg lang. Dus we willen graag heel snel, maar we organiseren eigenlijk
achterstand.
De voorzitter:
Oké. Een tweede interruptie.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Dank voor het uitgebreide antwoord, maar wat ik vreemd vind aan het antwoord is dat
mevrouw Lahlah twee dingen zegt. De Minister moet meer regie nemen op de keten, terwijl
we juist de gemeenten verantwoordelijk hebben gesteld voor het hele inburgeringstraject.
Mijn conclusie zou dan zijn dat we blijkbaar vinden dat de gemeenten het niet goed
genoeg doen en dat de Minister zich er dus mee moet bemoeien. Tegelijkertijd hoor
ik mevrouw Lahlah zeggen dat de gemeenten meer geld moeten krijgen. Ja, het kan niet
allebei waar zijn, denk ik. Of we vinden dat dit een taak is van de gemeenten, die
ze gewoon goed moeten uitvoeren; een wettelijke taak die ze uit te voeren hebben.
Dan heb je een gesprek over de voorwaarden waaronder dat moet gebeuren en met welk
geld. Daar moeten we het dan allemaal over hebben. Volgens mij hebben we dat systeem
ook met elkaar neergezet.
Ik hoop dat mevrouw Lahlah het met mij eens is dat we tegen de gemeenten moeten zeggen:
voer die taak gewoon op een goede manier uit; doe dat sneller dan nu. Kijk in welke
gemeenten het wel voortvarend gaat. Wat zijn daar de best practices? Ik vind het eerlijk
gezegd iets te gemakkelijk om te zeggen dat de Minister ketenregie moet nemen en de
gemeenten meer geld moeten krijgen. Dat kan niet allebei waar zijn en ik zou er zeker
niet naartoe willen om er op die manier zeker van te zijn dat alle problemen die mevrouw
Lahlah noemt wél worden opgelost. Graag nog geen reflectie van mevrouw Lahlah daarop.
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Mevrouw Michon-Derkzen veronderstelt dat integratie en inburgering pas begint op het
moment dat mensen toegewezen zijn aan een gemeente. Maar we hebben natuurlijk een
heel traject dat daaraan voorafgaat. Die periode zou je heel goed kunnen benutten
om te werken aan een eerste worteling in de samenleving. Als we blijven zeggen dat
integratie zo snel mogelijk moet en het liefst al tijdens de procedure, dan kun je
niet alleen maar kijken naar werk, taal en participatie: zaken die bij de gemeenten
liggen. Je zult ook moeten kijken naar het proces dat eraan voorafgaat. Die beide
kunnen waar zijn. Gemeenten zijn niet verantwoordelijk vanaf het moment dat een nieuwkomer
naar Nederland komt, omdat hij is gevlucht of wordt vervolgd. Het lijkt me goed als
de Minister van SZW in samenspraak met de Ministers van Asiel en Migratie en van VRO
bekijkt hoe je die verantwoordelijkheid gezamenlijk kunt nemen. Als we het hebben
over iemand een voortvarende, snelle start te geven, dan begint dat niet structureel
pas na twee jaar, maar ook tijdens de periode dat mensen nog niet toegekend zijn aan
een gemeente. Het is dus en, en.
Als we hoge ambities vragen van nieuwkomers en hoge verwachtingen hebben van gemeenten
dat zij de uitvoering goed oppakken en beslagen ten ijs komen, dan hebben zij ook
gewoon voldoende middelen nodig. We zien het vaak, helaas niet alleen op dit dossier
maar bij een heleboel taken, dat we heel veel verantwoordelijkheden bij gemeenten
neerleggen. Inhoudelijk is dat goed te volgen, omdat gemeenten ook veel dichter bij
hun inwoners staan. Maar als je wel de verantwoordelijkheden geeft, maar niet voldoende
financiële middelen, dan klopt dat natuurlijk niet.
De voorzitter:
Dank u wel voor de reactie. Het was wel heel erg uitgebreid. Ik wil u vragen om uw
betoog te vervolgen.
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Het helpt dat een deel van de beantwoording ook zat in het stukje dat
nog moest komen, dus ik zal proberen daar wat sneller doorheen te gaan.
Ik beschreef net al hoe de Rekenkamer laat zien hoe het nu scheef loopt. In theorie
zou de periode van asielaanvraag tot vestiging ongeveer 48 weken moeten duren. Dat
is tot vestiging in een gemeente, dus dat laat al zien wat een periode hieraan voorafgaat.
In de praktijk duurt het gemiddeld 111 weken. En dan begint iemand vaak nog niet meteen,
omdat ook het persoonlijk plan voor inburgering lang op zich laat wachten. Slechts
een heel klein deel, zo'n 22%, kan in de opvang al een taalcursus afronden. Dat zou
wat mij betreft veel meer moeten zijn. Dat heeft ermee te maken dat mensen meerdere
keren verhuizen, waardoor rust, taal en contact steeds weer worden onderbroken. Nogmaals,
wij zeggen dat mensen sneller moeten meedoen. Wat wij organiseren, is wachten.
Mijn eerste vraag aan de Minister was al: wanneer neemt hij, samen met de Ministers
van Asiel en Migratie en van VRO, verantwoordelijkheid voor de hele keten, zodat inburgering
niet pas structureel na twee jaar kan beginnen? Komt er dan ook zo'n integraal ketenoverzicht
met doorlooptijden van status tot aan huisvesting en van intake tot PIP, inclusief
een tijdpad richting de Kamer?
Ik sprak net al over de G4 en ik zei dat het wachten wordt versterkt doordat het Rijk
gemeenten in de steek laat en in de kou laat staan. De G4 heeft al de noodklok geluid
over het gebrek aan geld om inburgering goed te regelen. In de tussentijd is er eigenlijk
nauwelijks iets veranderd. Recent bleek zelfs uit onderzoek dat gemeenten ongeveer
zo'n 47 miljoen tekortkomen, onder meer voor het begeleiden van de statushouders naar
een plek in de samenleving. Daardoor kunnen ze feitelijk niet voldoen aan alle wettelijke
taken die ze vanuit Den Haag opgelegd krijgen. Daar had ik het zojuist over. Daarmee
zetten we niet alleen gemeenten maar ook nieuwkomers in de kou, die hierdoor weer
worden belemmerd in hun integratie. Ik dien daarom een amendement in waarmee er voor
gemeenten meer middelen worden vrijgemaakt voor de inburgeringstaken. Ook overweeg
ik een motie over het toetsen van de huidige bekostigingssystematiek van de Wet inburgering
voor gemeenten aan de actualiteit, zodat duidelijk wordt wat de plussen en minnen
zijn van de huidige methode.
Ook op vroege integratie en participatie wordt telkens weer gekort. Dan kan de nieuwe
coalitie wel hele mooie woorden over Meedoenbalies en vroeg participeren in het coalitieakkoord
zetten, maar als ik vervolgens daarvoor geen structurele middelen kan terugvinden
in de financiële bijlagen, blijft het wel heel erg bij lege woorden. Daarom mijn vraag:
is de Minister bereid gemeenten financieel in staat te stellen om hun taken goed uit
te voeren? Want met alleen grote woorden over integratie redden zij het niet.
Voorzitter. Tegelijkertijd weten we dat het ook anders kan. In Deventer bijvoorbeeld
staat de wereldhuiskamer. Daar zie je dat, als je het werk heel dicht bij mensen organiseert,
in de wijk, in contact met anderen, op plekken waar taal en meedoen vanzelf samenkomen,
integratie iets van het dagelijks leven wordt, in plaats van loketten en formulieren.
Bij Heijmans zie je dat taal en werk goed gecombineerd kunnen worden. Mensen leren
daar niet alleen eerst de theorie om pas veel later te mogen beginnen. Nee, ze leren
al op de werkvloer, met begeleiding in een omgeving waar taal meteen betekenis krijgt.
Een leerwerktraject van tien weken, twee dagen school, tegelijk werken, met coaching
en drie instroommomenten per jaar. Dat is precies wat mensen vragen: leren terwijl
ik werk, iemand die me wegwijs maakt en taal op de werkvloer.
In de zorg zien we hetzelfde, bijvoorbeeld bij het UMCG. Statushouders met een zorgachtergrond
leren het Nederlandse zorgsysteem goed kennen terwijl ze aan de slag zijn, terwijl
ze werken met begeleiding. Een van de deelnemers behaalde inmiddels haar BIG-registratie
en werkt nu als verpleegkundige. Dat is heel verstandig arbeidsmarktbeleid.
Uit deze voorbeelden blijkt dat mensen niet willen wachten, maar juist aan de slag
willen. Niet voor niets zien we sinds 2023, toen de 24-wekeneis werd losgelaten, dat
veel meer mensen daadwerkelijk zijn gaan werken. Geen wachtkamer, maar een startkamer.
Daarom vraag ik: waarom blijven dit soort initiatieven afhankelijk van goede wil en
lokale uitzonderingen? Waarom schalen we niet veel steviger op? Kan de Minister samen
met VWS en andere departementen landelijke opschaling van dit type vakroutes organiseren,
waarbij taal, begeleiding en erkenning hand in hand gaan? Als bedrijven en ziekenhuizen
dit kunnen, kan de overheid dit toch ook randvoorwaardelijk maken? Ook op dit punt
kom ik mogelijk met een motie.
Voorzitter. Een ander groot probleem is dat nieuwkomers vaak klem komen te zitten
tussen verschillende systemen. Daarmee doel ik onder andere op de Wet inburgering
en de Participatiewet, die in de praktijk vaak botsen. Aan de ene kant moet iemand
zo snel mogelijk aan het werk en aan de andere kant moet diezelfde persoon de taal
leren, een diploma halen en duurzaam meedoen. In de praktijk botst dat soms, blijkt
ook uit het rapport van de Rekenkamer. Want wie te snel en tijdelijk in laagbetaald
werk terechtkomt, heeft vaak veel minder ruimte om de taal te leren en door te groeien.
Op papier lijkt iemand dan misschien heel snel uitgestroomd, maar in werkelijkheid
blijft diegene vaak hangen in onzeker werk zonder perspectief. De Rekenkamer waarschuwt
daarvoor.
Statushouders komen nog te weinig terecht in sectoren met personeelstekorten en veel
te weinig op het niveau dat bij hen past. Wie snel laagbetaald flexwerk accepteert,
leert niet automatisch beter Nederlands. En zonder taalniveau volgt geen doorstroom
naar tekortsectoren. De logica van «pak het eerste beste werk» kan op korte termijn
de bijstand inderdaad verlagen, maar op lange termijn leiden tot geen tijd voor taalles,
geen B1 of B2, geen diploma-erkenning en dus ook geen duurzame baan. Daarom lopen
mensen vroeg of laat vast of kunnen ze niet eens beginnen. Dat zijn geen uitzonderingen.
Ik hoor het van veel nieuwkomers die ik spreek.
Daarom is mijn vraag aan de Minister: wat vindt hij nu uiteindelijk belangrijker,
een snelle uitstroom in de cijfers of duurzame participatie in het echte leven? Wat
krijgt voorrang als doelen botsen? Een snelle uitstroom of duurzame participatie?
Gaat u met gemeenten vastleggen dat taal en opleiding onderdeel zijn van passend werk?
Bent u bereid taal op de werkvloer en praktijkleren structureel te erkennen als onderdeel
van het inburgeringsresultaat?
Bovendien zie ik in het inburgeringsbeleid eenzelfde soort reflex terugkomen als in
de Participatiewet: wantrouwen als rode draad; niet uitgaan van motivatie of goede
wil, maar van onwil en tegenwerking, waarbij incidenten worden aangegrepen om beleid
strenger te maken. De politiek legt vaker nadruk op incidenten in plaats van op de
grote groep die heel graag aan de slag wil.
Ook in het akkoord van de nieuwe coalitie zie ik dat eenrichtingsverkeer. Er wordt
aan voorbijgegaan dat nieuwkomers niet alleen plichten, maar ook rechten hebben. Terwijl
zij vaak veel te lang moeten wachten om mee te kunnen doen, omdat de uitvoering niet
altijd op orde is, wil het nieuwe kabinet de mogelijkheid onderzoeken om via de uitkering
een prikkel te geven om startbanen te accepteren. En wil het onderzoeken of bij weigering
van vrouwen om te solliciteren een korting op de uitkering mogelijk is. Het wantrouwen
is ook weer het vertrekpunt binnen kabinet-Jetten.
Als ik de plannen van de nieuwe coalitie zie, vraag ik me af of we nou bezig zijn
mensen te helpen een plek te vinden en te laten wortelen in de samenleving waar zij
toe gaan behoren of ze aan het straffen zijn. Is het eerlijk om mensen te straffen
als zij steeds tegen drempels aanlopen die wij zelf vanuit Den Haag hebben georganiseerd?
Natuurlijk zien ook wij dat zo snel mogelijk participeren het beste werkt. En natuurlijk
vinden ook wij dat alle vrouwen economische zelfstandigheid verdienen. En willen ook
wij dat vrouwen uit statushoudersgezinnen worden aangemoedigd om te solliciteren.
Maar dan moeten we dat ook mogelijk maken en dat gebeurt nu niet.
Het huidige beleid werpt allerlei drempels op of werkt het zelfs tegen. Dat zit ’m
in de wachttijden om überhaupt in te burgeren – daar heb ik het net al over gehad – maar
het speelt nog veel breder. Denk aan gebrek aan kinderopvang voor werk of taallessen,
de combinatie met zorgtaken waar met name vrouwen tegen aanlopen, en het gebrek aan
maatwerk. Ook de Rekenkamer wees hierop. Maar in plaats van het eerst goed regelen
van de randvoorwaarden, legt de nieuwe coalitie de focus vooral op onwil en worden
nieuwkomers individueel verantwoordelijk gehouden of soms zelfs gestraft voor de gevolgen
van ondoordacht beleid. Is dat eerlijk, vraag ik via de voorzitter aan de Minister.
Is het kabinet bereid om met ondersteunend beleid te komen dat meedoen ook daadwerkelijk
mogelijk maakt?
Voor mijn fractie is het helder. Duurzame participatie moet vooropstaan. Als je dat
echt meent, moet je ook kijken naar de groepen voor wie meedoen nog lastiger wordt
gemaakt. Dat geldt in het bijzonder voor veel vrouwelijke statushouders. Zij lopen
vaak tegen een stapeling van drempels aan: zorgtaken, gebrek aan kinderopvang en te
weinig maatwerk. Alleen zeggen dat iedereen mee moet doen, is niet voldoende. Je moet
ook zorgen dat het daadwerkelijk mogelijk is. Daarom dien ik op dit punt een motie
in die vraagt beter in beeld te brengen wat vrouwelijke statushouders nodig hebben
om echt te kunnen participeren en welk ondersteunend beleid daarbij hoort.
Voorzitter. Soms zit de blokkade ook in iets heel basaals. Er zijn signalen dat duizenden
mensen niet kunnen werken, omdat zij lang op een bsn moeten wachten. Je kan roepen
dat mensen sneller moeten participeren, maar dan moet de basis wel op orde zijn. Vorig
jaar zijn hier vragen over gesteld door mijn collega Van Nispen. De Staatssecretaris
gaf aan medio 2025 het grootste gedeelte van de achterstand te hebben weggewerkt,
want ook hij wees op de noodzaak van een verhoging van een structurele inschrijfcapaciteit.
Mijn vraag is daarom welke concrete afspraken er sinds vorig jaar zijn gemaakt om
die bsn-wachttijden terug te dringen. Hoe staat het nu met de wachttijden? Is de Minister
bereid om die structurele inschrijfcapaciteit te verhogen?
Dan het rijbewijs. Mensen met een W-document – voor de mensen thuis: een W-document
is een vreemdelingenidentiteitsbewijs voor asielzoekende personen die in Nederland
zijn en die wachten op een nieuwe verblijfsvergunning – mogen wel rijlessen volgen
en examen doen, maar ze kunnen geen rijbewijs aanvragen. Mensen steken daar dus tijd
en geld in, maar lopen daarna alsnog vast. Dat is moeilijk uit te leggen, zeker als
je tegelijkertijd zegt dat je het liefst wil dat mensen sneller zelfstandig moeten
worden en mee moeten doen. Een rijbewijs kan voor iemand het verschil maken tussen
thuiszitten of werk kunnen aannemen, tussen afhankelijk blijven of zelf ergens kunnen
komen. Hoe kijkt de Minister hiernaar? Ziet hij ook hoe krom dit beleid is en hoe
hier onnodig drempels worden opgeworpen? Ook op dit punt kom ik met een motie, zodat
mensen met een W-document sneller zelfstandig kunnen worden en daadwerkelijk kunnen
participeren.
Voorzitter. Goed beleid begint met mensen echt zien. Dat betekent dus ook dat je weet
wat iemand kan en welke opleiding, werkervaring en ambitie iemand heeft. De Rekenkamer
laat zien dat dat nu veel te vaak ontbreekt. Van een groot deel van de statushouders
is het opleidingsniveau onbekend. Meedoen naar vermogen wordt dan al snel een hele
mooie zin zonder inhoud. Ik vraag daarom aan de Minister hoe hij ervoor zorgt dat
de kennis, de ervaring en het potentieel veel beter worden meegenomen in de begeleiding
van nieuwkomers. Hoe voorkomt hij dat mensen te laag worden ingeschaald of op een
route terechtkomen zonder echt perspectief? De Rekenkamer is helder: het Rijk wil
sturen, maar mist streefwaarden, indicatoren en samenhangende informatie. Ik heb daarom
drie laatste vragen. Komen er streefwaarden voor doorlooptijden, taalniveau en duurzame
uitstroom? Welke drie knelpunten lost de Minister dit jaar aantoonbaar op, en met
welk tijdspad? En hoe maakt hij financiering en resultaten inzichtelijker voor de
Kamer?
Voorzitter. De Rekenkamer zegt: benut het potentieel. De praktijk in de bouw en in
de zorg laat zien hoe dat moet, namelijk door middel van taal, werk, begeleiding én
perspectief. Maak hiervan beleid. Maak daarbij één keuze expliciet: als snelle uitstroom
botst met duurzame integratie, kies dan voor duurzaamheid boven schijnsnelheid. Dat
is beter voor nieuwkomers, beter voor gemeenten en beter voor Nederland.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Lahlah. Dat was uw bijdrage. Ik ben de volgende op de lijst. Ik
zou daarom graag aan meneer Ergin willen vragen of hij het voorzitterschap wil overnemen.
Mevrouw Lahlah, als u misschien nog even uw microfoon uit wil zetten.
Voorzitter: Ergin
De voorzitter:
Het woord is aan het lid Bamenga.
De heer Bamenga (D66):
Dank u wel, voorzitter. Allereerst een hartelijk welkom aan de kersverse Minister
van Werk en Participatie, Minister Aartsen, bij zijn eerste wetgevingsoverleg Integratie
en maatschappelijke samenhang. Ik wens de Minister heel veel plezier en succes in
zijn nieuwe functie. Ik zie ook nieuwe woordvoerders integratie vanuit verschillende
partijen. Ook hen wil ik heel veel succes wensen. Ik kijk uit naar een constructieve
samenwerking.
Voorzitter. Afgelopen vrijdag was ik bij een iftar, georganiseerd door Stichting Prisma
in Eindhoven. Aan het einde van de avond werd aan een kunstenaar de vraag gesteld
wat hij beschouwde als de hoogste kunst. Deze kunstenaar zei: de kunst van het samenleven.
Over deze kunst mogen wij het vandaag hebben met elkaar; de kunst van het samenleven.
Voorzitter. Bij het voorbereiden van dit debat moest ik terugdenken aan de periode
dat ik nog coördinator was bij het Wereldhuis in Den Haag. Het Wereldhuis was een
ontmoetingsplek waar mensen langskwamen voor een gesprek, voor advies of gewoon voor
een kop koffie of thee of een lunch. Het was een plek waar iedereen welkom was, ongeacht
wie zij waren of waar zij vandaan kwamen. Ik herinner met één man nog goed, Tenson.
Tenson was een vaste bezoeker. Hij kwam. Hij dronk koffie of thee en lunchte vaak
met ons mee. Hij oogde rustig, maar ook wat passief en afwachtend.
Op een dag ging ik bij hem zitten en vroeg hem: Tenson, vertel eens wat jouw verhaal
is; wie ben jij? Hij woonde al een paar jaar in Nederland en sprak een beetje Nederlands,
maar zijn Engels was uitstekend. Hij vertelde mij dat hij uit Ghana was en daar heeft
gewoond en dat hij daar bij een bank heeft gewerkt. Ik vroeg hem: wat hield je werk
bij de bank precies in; kun je bijvoorbeeld ook boekhouden? Hij zei: ja, dat kan ik.
Ik liet hem dus ons boeksysteem zien en vroeg hem of hij snapte wat daar stond. Hij
moest lachen en zei: ja, natuurlijk. Ik vroeg hem om uit te leggen wat er stond. Vervolgens
legde hij mij niet alleen uit hoe het systeem werkte, maar vertelde mij ook hoe het
beter kon. Ik vroeg Tenson of hij voortaan onze boekhouding wilde oppakken en dat
deed hij. Ik zag vanaf dat moment iets bijzonders gebeuren bij Tenson. Hij bloeide
helemaal op. Hij stond letterlijk weer rechtop. Hij was trots dat hij kon bijdragen
en meebouwen aan het succes van onze ontmoetingsplek. Hij nam verantwoordelijkheid,
want hij nam de leiding over iets wat belangrijk was voor ons allemaal.
Voorzitter. Wat ik van Tenson heb geleerd, is hoe belangrijk het is om verhalen van
mensen te kennen, om ze te vragen: wie ben je, wat wil je, wat kun je? Voor mij begint
integratie bij het stellen van deze vragen. Zoals ik vaker heb gezegd bij integratiedebatten:
integratie begint bij het zien en benutten van talent, kansen bieden, obstakels wegnemen
en het creëren van plekken waar mensen hun talent kunnen inzetten en zich verder kunnen
ontwikkelen.
Maar dit gebeurt natuurlijk niet altijd. In de praktijk zien we te vaak dat talenten
niet gezien worden, niet benut worden, dat er allerlei obstakels worden opgeworpen
voor mensen om mee te kunnen doen. Of het nou gaat om administratieve rompslomp of
omdat mensen heel lang moeten wachten totdat ze de taal kunnen leren, op hun eigen
niveau kunnen werken of erkenning krijgen van hun diploma, we werpen onnodige obstakels
op die meedoen vanaf dag één belemmeren.
Neem nou het voorbeeld van Rami Alfaouri. Rami zat in het derde jaar van zijn specialisatie
tot cardioloog toen hij met zijn gezin vluchtte voor de Syrische burgeroorlog. Hij
kwam in 2015 aan in Nederland en kreeg een jaar later zijn verblijfsvergunning. Vervolgens
ging hij hard aan de slag om goed Nederlands te leren en zijn Syrische artsendiploma
erkend te krijgen. Pas na zes jaar – na zes jaar! – kon hij in Nederland beginnen
aan de opleiding cardiologie. Bureaucratie en wachten waren zijn grootste vijand,
allemaal verloren jaren.
Het probleem is: dit verhaal van Rami staat niet op zichzelf. Gevluchte artsen die
in Nederland weer willen werken als arts, moeten zo'n twee jaar wachten op de beroepsinhoudelijke
toets. Deze toets biedt toegang tot de BIG-registratie en daarmee de arbeidsmarkt.
Dit geldt behalve voor gevluchte artsen ook voor niet gevluchte artsen van buiten
de EU die in Nederland willen werken. De wachttijd is een enorm obstakel. Wat D66
betreft pakken we die wachttijden aan, zodat mensen niet twee jaar of in het geval
van Rami zes jaar hoeven te wachten maar meteen mee kunnen doen. Hoe kan de Minister
ervoor zorgen dat die wachttijden en andere onnodige belemmeringen worden geminimaliseerd?
Voorzitter. Volgens VluchtelingenWerk start het inburgeringstraject voor mensen die
moeten inburgeren structureel later dan in theorie het geval zou moeten zijn. De huisvesting
duurt langer, niet iedereen start met voorinburgering, veel mensen die gestart zijn
stoppen tussentijds, het vaststellen van het persoonlijk inburgeringsplan duurt langer
dan voorzien en taallessen starten later dan bedoeld. Mijn vraag aan de Minister:
heeft de Minister inzicht in de oorzaken van deze vertragingen en kan hij die aanpakken?
Voorzitter. In het regeerakkoord staan mooie plannen in het kader van meedoen vanaf
dag één. We nemen onnodige drempels zo veel mogelijk weg, zoals tewerkstellingsvergunningen.
Asielzoekers met een goede kans op een verblijfsvergunning mogen sneller aan het werk
en we kiezen ervoor om ze daarbij te ondersteunen. Bij alle grote opvanglocaties komen
er Meedoenbalies, waar mensen worden geholpen bij hun zoektocht naar vrijwilligerswerk,
een opleiding of betaald werk. Wanneer verwacht de Minister de Meedoenbalies gerealiseerd
te hebben? Hoe zorgt de Minister ervoor dat de onderwijsaanbieders en werkgevers worden
aangehaakt? Heeft de Minister al contact met hen gezocht over dit voornemen?
Voorzitter. Meedoen vanaf dag één is belangrijk, net zoals meedoen op het eigen niveau,
zowel in taal en werk als in onderwijs. Daarom is taalontwikkeling na B1-niveau ook
belangrijk voor mensen die dat aankunnen. Dat wordt nu te weinig gestimuleerd in de
inburgeringswet. D66 is van mening dat mensen die een hoger taalniveau aankunnen gestimuleerd
zouden moeten worden om een hoger taalniveau te halen. Mijn vraag aan de Minister:
kan de Minister kijken welke mogelijkheden er zijn om taalontwikkeling na B1-niveau
nog meer te stimuleren?
Volgens het recent uitgebrachte rapport Onbenut potentieel van de Algemene Rekenkamer
is het voor gemeenten vrijwel onmogelijk om alle doelen van de Wet inburgering en
de Participatiewet uit te voeren. Zou de Minister iets kunnen vertellen over wat,
wat hem betreft, het belangrijkste doel is van inburgering? Is dat snel uit de bijstand
komen, taal op het hoogste niveau, meedoen op het eigen niveau, het behalen van een
inburgeringsdiploma of inzet op tekortsectoren? Volgens de Algemene Rekenkamer wordt
momenteel niet geregistreerd wat de werkervaring van statushouders is. Ook weten we
van driekwart van de statushouders niet wat hun opleidingsniveau is. Dit lijkt me
wezenlijke informatie om maatwerk te kunnen bieden, maar ook om te kijken hoe inburgeringsbeleid
beter aan kan sluiten bij de ambities om mee te doen op het eigen niveau. Vraag aan
de Minister: kan de Minister ervoor zorgen dat we inzicht krijgen in de werkervaring
en het opleidingsniveau van statushouders, zodat inburgeringsbeleid bijdraagt aan
meedoen op het eigen niveau?
Voorzitter. Sommige lokale inburgerings- en integratieprogramma's zijn enorm succesvol
gebleken, maar worden niet structureel gefinancierd. Kan de Minister ervoor zorgen
dat succesvolle lokale projecten waarin statushouders duurzaam naar werk worden begeleid,
worden opgeschaald? Open Hiring is een voorbeeld van een project waarover de Minister
zelf in zijn brief heeft aangegeven dat het werkt. Kan de Minister toezeggen dat ook
bij Meedoenbalies aandacht wordt besteed aan Open Hiring? Kan de Minister ervoor zorgen
dat deze projecten een structureel karakter en ook de benodigde financiering krijgen?
Volgens de Algemene Rekenkamer zijn de aantallen jongeren in de zelfredzaamheidsroute
veel groter dan verwacht. Hoe verklaart de Minister dit? Is de Minister het eens met
D66 dat het onwenselijk is dat zo veel jongeren in de Z-route deelnemen? Is de Minister
bereid om te sturen op meer onderwijsmogelijkheden?
Voorzitter. Ook ondernemende vluchtelingen hebben te maken met obstakels om mee te
kunnen doen op niveau. Neem het voorbeeld van Suliman uit Syrië, die daar jarenlang
als schilder heeft gewerkt. Hier in Nederland wil Suliman zijn eigen schildersbedrijf
opzetten, maar daarvoor moet hij een lening afsluiten om een werkbus en andere benodigdheden
aan te kunnen schaffen. Helaas lukt dat niet, want geen enkele kredietverstrekker
wil hem krediet verstrekken zolang hij een tijdelijke verblijfsvergunning heeft.
Dit moeten we niet willen. Deze man heeft een verblijfsvergunning en kan vanwege de
tijdelijkheid van zijn verblijfsvergunning niet ondernemen. Hij loopt tegen belemmeringen
aan, waardoor hij niet vanaf dag één en op zijn eigen niveau kan meedoen. Vraag aan
de Minister: hoe kan de Minister ervoor zorgen dat ondernemende statushouders zoals
Suliman in aanmerking komen voor krediet zodat ze een onderneming kunnen beginnen?
Voorzitter. Discriminatie is een ander obstakel dat mensen belet om hun talenten te
benutten in de samenleving, om mee te doen vanaf dag één, ook op het eigen niveau.
In november 2024 is een motie aangenomen waarin ik de regering verzoek om uit te werken
hoe zij arbeidsdiscriminatie wil bestrijden en hieraan heldere doelen te koppelen.
Hierover zouden we uiterlijk in het tweede kwartaal van 2025 worden geïnformeerd.
Vraag: hoe gaat de Minister verder uitvoering geven aan deze motie? Ook ben ik erg
benieuwd op welke manier de Minister specifieke aandacht voor discriminatie van moslims
en mensen met een handicap kan opnemen in deze plannen. Dat bijna een derde van de
moslims discriminatie ervaart en mensen met een handicap bijna twee keer zo vaak werkloos
zijn, laat zien dat onze arbeidsmarkt nog steeds niet voor iedereen gelijk toegankelijk
is. Ik vind het goed dat het KIS is gevraagd om een werkgroep te starten met verschillende
stakeholders waarmee actie...
De voorzitter:
Er is een interruptie van mevrouw Nanninga.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Aangezien D66 een heel nummer maakt in dit coalitieakkoord, net als in haar campagne,
van een open en vrije samenleving, waar wij natuurlijk alleen maar achter kunnen staan,
ben ik wel benieuwd hoe de vertegenwoordiger van D66 dan kijkt naar discriminatie
door moslims. Is de vertegenwoordiger van D66 het met mij eens dat bijvoorbeeld discriminatie
van homoseksuelen vanuit de islamitische gemeenschap toch een wat groter probleem
is dan discriminatie van homoseksuelen vanuit de algehele populatie?
De heer Bamenga (D66):
Ik ga niet mee in dit soort frames van mensen met een moslimachtergrond. Discriminatie
moet, ongeacht waar die vandaan komt, worden aangepakt.
De voorzitter:
Dat geeft mevrouw Nanninga aanleiding tot een tweede interruptie.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Wás het maar een frame! Ik heb ook cijfers hoor, als meneer Bamenga mij beschuldigt
van framing. 53% van de Nederlandse moslims vindt homoseksualiteit verkeerd. 75% wijst
het af als zijn of haar kind met een homoseksuele partner zou thuiskomen. Dat is natuurlijk
een groot gebrek in de integratie van deze mensen. 70% van de moslims vindt dat de
islamitische wet boven de Nederlandse wet gaat. Nogmaals, als we die open en vrije
samenleving als doel hebben – nogmaals, dat deel ik echt – wat gaat D66 daar dan aan
doen?
De heer Bamenga (D66):
Wat ik bedoel met frames is: als bepaalde minderheden worden ingezet om andere minderheden
mee te slaan. Dat is precies wat mevrouw Nanninga doet en daar ga ik gewoon niet in
mee. Discriminatie moet aangepakt worden, ongeacht waar die vandaan komt. Daar staan
wij voor.
De voorzitter:
Mevrouw Nanninga voor haar derde interruptie.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Dit is natuurlijk een beetje raar theater dat hier wordt gemaakt door de heer Bamenga
van D66. Ik sla helemaal niemand. Ik kom op voor de vrijheid van mensen om zichzelf
te mogen zijn, waar een grote groep in onze samenleving, namelijk Nederlandse moslims,
blijkens gewoon harde cijfers grote moeite mee heeft. Ik hoor meneer Bamenga zeggen
dat dat ontzettend vervelend is en dat we iedere vorm van discriminatie aan moeten
pakken. Mijn vraag is dus heel concreet – hij kan ’m zo inkoppen – wat we dan gaan
doen aan deze vorm van discriminatie. Dan alleen maar mij beschuldigen van dingen,
terwijl ik geen vlieg kwaad doe, is natuurlijk een beetje gek.
De voorzitter:
De heer Bamenga voor zijn reactie.
De heer Bamenga (D66):
Mevrouw Nanninga vraagt mij: wat gaan we doen aan discriminatie? Volgens mij staan
er pagina's vol in het regeerakkoord over op welke manier wij discriminatie gaan aanpakken.
Daarin maken we geen onderscheid naar waar het vandaan komt, of het nou vanuit het
extreemrechtse komt – die gaan we zeker aanpakken – of ongeacht waar anders, daar
hebben we gewoon maatregelen voor. Die staan gewoon genoemd in het regeerakkoord.
Zo gaan we ervoor zorgen dat de NCDR, de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie
en Racisme, in de wet wordt opgenomen en versterkt wordt. Zo zetten we ook in op versterking
van de NCAB, de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding, en opname daarvan
in de wet. Zo zorgen we ervoor dat etnisch profileren wordt aangepakt. Er zijn tal
van maatregelen op basis waarvan wij allerlei vormen van discriminatie gaan aanpakken.
Wat we absoluut niet doen, is gaan wijzen naar bepaalde bevolkingsgroepen hier en
zeggen: zij discrimineren meer dan anderen en daarom moet daar iets extra's gaan gebeuren.
Dat gaan we absoluut niet doen.
De voorzitter:
Uw punt is duidelijk. U vervolgt uw betoog.
De heer Bamenga (D66):
Voorzitter. Ik vind het goed dat het KIS is gevraagd om een werkgroep te starten met
verschillende stakeholders om daarmee actiegerichte interventies om moslimdiscriminatie
te bestrijden in kaart te brengen. Tegelijkertijd voelen dergelijke onderzoeken of
verkenningen toch als: uitstel, uitstel, uitstel. Wanneer kunnen we van de Minister
resultaten verwachten om moslimdiscriminatie aan te pakken en niet alleen om te werken
aan verkenningen naar mogelijke oplossingen?
Voorzitter. Gezien het onrecht dat mensen wordt aangedaan en het enorme verlies van
talent doordat mensen op de arbeidsmarkt worden gediscrimineerd, vind ik dat we er
alles aan moeten doen om dit te bestrijden. In het kader hiervan spreek ik graag mijn
waardering uit naar mijn collega van DENK de heer Ergin voor zijn initiatiefwetsvoorstel
om arbeidsmarktdiscriminatie tegen te gaan. Ik kijk uit naar de behandeling van dit
voorstel.
Voorzitter. Op 4 november 2025 was ik aanwezig bij de aftrap van de nationale dialoog.
Het was een bijzondere middag waar mensen elkaar ontmoetten en waar het gesprek werd
geopend over spannende onderwerpen die gemeenschappen verschillend kunnen raken. Via
de dialoog wordt er ook een relevanter netwerk gebouwd van sleutelpersonen, die draagvlak
hebben binnen hun eigen gemeenschap. Zeker op momenten dat er spanningen zijn, is
het belangrijk dat dit netwerk bij elkaar kan komen, visies kan delen en verbinding
in de samenleving kan bevorderen. Kan de Minister wat delen over de eerste bevindingen
van de nationale dialoog? Is de Minister het met mij eens dat dit soort initiatieven
echt het verschil kunnen maken wanneer ze ook ingezet worden als er spanningen in
de samenleving komen? Zo ja, wordt dit dan regelmatig georganiseerd en wordt het als
structureel onderdeel van het beleid ingezet, zoals een eerdere motie van mij heeft
verzocht?
Voorzitter, tot slot. De kern van mijn verhaal is dat integratie begint bij het zien
en benutten van talent. Dat is kansen bieden, obstakels wegnemen en het bieden van
een platform aan mensen om zich verder te ontwikkelen. Daar hebben we iedereen bij
nodig, want integratie vraagt om inzet van ons allemaal. Ik wil graag afronden met
de woorden van Gürkan Çelik: «Mijn Nederland van de toekomst is een land waar verschillen
tussen mensen geen grenzen vormen maar bruggen slaan en bronnen zijn om van elkaar
te leren en samen te groeien. Een land waarin iedereen meetelt, iedereen meedoet en
iedereen als volwaardig burger wordt gezien.»
Dank u wel.
De voorzitter:
Dan is er nog een interruptie van mevrouw Lahlah.
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Ik dank de heer Bamenga voor zijn bijdrage, in het bijzonder voor de verhalen van
de mensen die hij spreekt. Het had zo een bijdrage van mij kunnen zijn. Daarom zou
ik graag aan de heer Bamenga willen vragen of hij vindt dat de nieuwe coalitie wat
hem betreft voldoende doet om meedoen mogelijk te maken.
De heer Bamenga (D66):
Ik heb zojuist ook aangegeven dat wij heel erg blij zijn met de passages in het regeerakkoord
die daarover gaan en met de plannen die er zijn om meedoen mogelijk te maken. Maar
u heeft ook mijn vragen gehoord. Dat betekent dat er nog echt wel wat werk te doen
is om dat daadwerkelijk mogelijk te maken.
De voorzitter:
Mevrouw Lahlah voor haar tweede interruptie.
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Dat was een matige reflectie, maar goed, ik de vraag, u het antwoord. De heer Bamenga
heeft natuurlijk een paar keer aangegeven dat hij taal en werk belangrijk vindt. Dat
delen wij. Is hij het dan ook eens met GroenLinks-PvdA dat bezuinigen op vroege integratie
en participatie precies het tegenovergestelde doet van wat hij eigenlijk lijkt te
zeggen of van wat de politiek zegt te willen? Ik heb hier namelijk geen geld voor
gevonden in de begroting, ondanks die hele mooie woorden. Misschien kan de heer Bamenga
daarop reflecteren.
De heer Bamenga (D66):
Jammer dat mevrouw Lahlah het matig vond. Ik had de indruk dat ik een antwoord gaf
op de vraag die gesteld werd en dat we wat dat betreft juist op één lijn staan. Ik
denk dat het juist als het gaat om taal ontzettend belangrijk is dat we ervoor zorgen
dat mensen vanaf dag één op het juiste taalniveau onderwezen worden. Ik bedoel: ik
heb het zelf meegemaakt. Toen ik hier als asielzoeker kwam, zoveel jaren geleden,
heb ik in ieder geval de kans gekregen om vanaf dag één die taal te leren. Binnen
een jaar mocht ik naar een reguliere basisschool gaan. Dat heeft mij ontzettend geholpen
voor de rest van mijn carrière. Ik gun iedereen dat ze daadwerkelijk vanaf het eerste
moment dat ze in Nederland zijn ook meteen die taal kunnen leren. Dat is op dit moment
gewoon nog niet het geval. Daarom komen wij dus ook met al dat soort maatregelen,
met de Meedoenbalie en noem het maar op. Ook als het gaat om werk, is het, denk ik,
heel erg belangrijk dat we heel goed gaan kijken naar wat mensen kunnen. Daarom kwam
ik ook met mijn verhaal. Ik wil dat we ook die vraag durven stellen: wie ben jij,
wat wil je en wat kun je? Ik wil dat we daadwerkelijk inzicht krijgen in de competenties
die mensen hebben. Dat hoorde ik ook in mevrouw Lahlahs eigen verhaal. Ik denk dat
het ontzettend belangrijk is. Ik heb die vragen ook gesteld, zodat dit soort initiatieven
geen tijdelijk karakter krijgen, maar juist een structureel karakter, en dat ze ook
de goede financiering krijgen. Volgens mij sta ik dus juist aan uw zijde om ervoor
te zorgen dat dat ook daadwerkelijk gaat gebeuren. Ik denk namelijk dat op het moment
dat we dat niet doen en hun talenten onvoldoende ingezet worden en niet benut worden,
het de mensen zelf heel veel gaat kosten, maar het ook de samenleving heel veel gaat
kosten. Misschien is dat een iets uitgebreider antwoord en hopelijk niet zo matig
als dat u het net vond.
De voorzitter:
Kennelijk niet, want mevrouw Lahlah heeft nog een derde interruptie.
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Nog een laatste vraag. Ik ga het toch nog een keer proberen, hoewel de reflectie aardig
tegemoetkwam. Hoe geloofwaardig is dat verhaal als gemeenten tekorten hebben, de inburgering
vertraagt, mensen niet fatsoenlijk kunnen beginnen en er geen geld is voor vroege
integratie en participatie? Nogmaals, ik heb het niet kunnen vinden in de begroting.
Hoe reflecteert de heer Bamenga daarop?
De heer Bamenga (D66):
Ik probeer voorbij al deze uitdagingen te kijken. Als er uitdagingen zijn – die formuleerde
ik ook in mijn eigen bijdrage – dan wil ik juist op zoek gaan naar mogelijkheden om
zaken wel mogelijk te maken. Het is meer mijn houding om daar op een positieve manier
in te staan en de vraag hoe we ervoor kunnen zorgen dat de doelstellingen die we hebben
om mensen mee te laten doen vanaf dag één, te zien als een uitdaging. Ik vind het
dus wel geloofwaardig. De plannen staan er, maar dat betekent niet dat er geen obstakels
zijn om die plannen daadwerkelijk te realiseren. Van die obstakels zeg ik: wij willen
die aanpakken; laten we dat samen doen.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog. U was klaar? Dan krijgt u van mij het voorzitterschap per direct
terug.
Voorzitter: Bamenga
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Ergin, voor het overnemen van het voorzitterschap. Dan ga ik over
naar de volgende spreker. Dat is de heer Boon.
De heer Boon (PVV):
Dank u wel, voorzitter. We raken ons land steeds verder kwijt. We verliezen stap voor
stap onze Nederlandse identiteit, onze normen en onze manier van leven. Nederlanders
herkennen hun eigen wijken niet meer. Wat ooit normaal was, is dat niet meer. Wat
ooit veilig was, is dat niet meer. Dit is een direct gevolg van jarenlange massa-immigratie
en islamisering, bewust doorgedrukt door links en liberaal Nederland, tegen de wil
van de Nederlandse bevolking in. In plaats van samenleven zijn er parallelle samenlevingen
ontstaan, wijken waar Nederlandse normen niet meer gelden, waar het gezag ontbreekt
en waar intimidatie en agressie de toon zetten. De overheid faalt, laat de gewone
Nederlanders in de steek, kijkt weg, tolereert wanorde en durft vaak niet hard op
te treden uit angst om voor racist uitgemaakt te worden. Handhaving maakt plaats voor
excuses.
Het resultaat is zichtbaar: wijken waar wij, Nederlanders, ons niet meer thuis voelen.
Toch werd ons jarenlang hetzelfde sprookje verteld: integratie zou vanzelf komen.
Linkse politici hielden ons voor dat diversiteit onze kracht zou zijn. Dit zijn leugens
die hebben geleid tot segregatie, verloedering en een verscheurde samenleving. Terwijl
Nederland zichtbaar veranderde, kregen Nederlanders steeds hetzelfde antwoord: nog
een actieplan, nog een commissie, nog een rapport, nog meer belastinggeld. En telkens
weer werd beloofd dat het nu echt zou gaan werken, terwijl iedereen ziet dat dit integratiebeleid
niet werkt.
Nu, na decennia van dit beleid, kunnen we de balans opmaken: de integratie is mislukt.
Iedereen weet het, iedereen ziet het, iedereen voelt het. Ja, zelfs de politieke elite
kon het na de Jodenjacht in Amsterdam niet langer ontkennen en moest erkennen dat
Nederland een groot integratieprobleem heeft, dat een groot deel van de islamitische
jongeren de Nederlandse normen en waarden niet onderschrijft, dat er sprake is van
een fundamentele afwijzing van onze samenleving. Maar die eerlijkheid van de politieke
elite hield minder dan een week stand. Al snel begon het terugkrabbelen. De waarheid
werd opnieuw verzwegen. Harde conclusies werden teruggedraaid en opnieuw durfde men
de islam niet als oorzaak te benoemen. Wat daarna gebeurde, was voorspelbaar en een
inmiddels bekend politiek correct patroon: daders werden tot slachtoffers verklaard,
bestuurders en politici belegden Catshuissessies waar krokodillentranen werden gehuild
over polarisatie en gekwetste gevoelens, terwijl de echte slachtoffers, Joden en de
Nederlanders, werden genegeerd. Ook de media deden gretig mee. Wie de waarheid bleef
benoemen, werd weggezet als racist, als extremist, als het probleem zelf. Niet de
daders maar wij kregen de schuld.
Zolang de oorzaak onbespreekbaar blijft, verandert er niets. Daarom zwijgt de PVV
niet en benoemen wij de roze olifant in deze Kamer wél. De islam vormt de grootste,
existentiële bedreiging voor onze vrijheid, onze cultuur, onze waarden en onze rechtsstaat.
De islam is de grootste bedreiging voor de veiligheid van vrouwen, van joden, van
christenen, van ongelovigen, van afvalligen, van homoseksuelen, van alle niet-moslims.
Die bedreiging groeit, dag na dag, jaar na jaar, niet vanzelf maar door beleid dat
doorgaat, door grenzen die openblijven, door een politieke elite die weigert in te
grijpen.
Voorzitter. Inmiddels wordt de islamisering niet eens meer ontkend; zij wordt openlijk
gepromoot. De Amsterdamse lijsttrekker van DENK, Sheher Khan, verklaarde onlangs dat
Nederland volgens hem wel wat islamisering kan gebruiken. Laat dat even tot u doordringen:
een politicus in Nederland pleit openlijk voor de islamisering van ons land. Dus minder
Nederland, minder vrijheden, meer islamitische invloed en uiteindelijk de invoering
van de sharia. Ze willen geen integratie, maar islamisering. En dat past precies bij
de ontwikkeling die we al jaren zien: de islam groeit hard, Nederland vormt daarop
geen uitzondering. Volgens Jan Latten zal Nederland rond 2050 bij ongewijzigd migratiebeleid
3 tot 4 miljoen islamitische inwoners hebben. Deze demografische verandering is al
begonnen. Onder jongeren tot 25 jaar is de islam inmiddels de grootste religie van
Nederland. Daarnaast voorspellen prognoses van onder anderen de heer Jan van de Beek
dat de islam binnen ongeveer 25 jaar de grootste religie in Nederland zal worden.
Daarom vraag ik de Minister: wilt u, of willen uw kinderen, in een Nederland wonen
waar de islam de grootste religie is, ja of nee?
Met de groei van de islam groeit ook de sharia. Uit onderzoek blijkt dat 70% van de
moslims in Nederland de religieuze wetten, dus de sharia, belangrijker vindt dan onze
wetten. Dat betekent dat de meerderheid onze vrijheden wil afpakken en onze democratie
wil afschaffen. En dat is precies wat je ziet: overal waar de islam verschijnt, verdwijnt
vrijheid. De islam laat zich niet integreren, omdat hij geen gelijkwaardigheid kent.
Wie geen moslim is, is minderwaardig. Het gaat niet om samenleven, maar om onderwerping.
Die onderwerping geldt niet alleen voor gelovigen, maar voor iedereen, ook voor niet-moslims.
De sharia is daarbij hét instrument.
Deze islamitische wetten beperken zich niet tot het religieuze privéleven, maar nemen
de hele samenleving, het recht en het bestuur als geheel over. Daarmee staat de islam
lijnrecht tegenover onze vrijheden, want hij is gericht op de afschaffing van onze
democratie. Ook het Europees Hof van de Rechten van de Mens heeft dit vastgesteld.
Het hof oordeelde dat shariawetgeving onverenigbaar is met de fundamentele waarden
van de democratische rechtsstaat. Luister goed, voorzitter, zélfs het Europees Hof
voor de Rechten van de Mens zegt: sharia en democratie gaan niet samen. Integratie
is dus onmogelijk, omdat de islam onze democratische rechtsorde afwijst. En de gevolgen
daarvan zien we wereldwijd op grote schaal: homoseksuelen, andersgelovigen, ongelovigen
en afvalligen worden opgejaagd, mishandeld of vermoord; vrijheid van meningsuiting
bestaat niet, wie kritiek levert op de islam wordt bedreigd, geïntimideerd of erger.
Wereldwijd vormt de islam dé voedingsbodem voor extremisme, onderdrukking en terreur.
Die verschrikkelijke gevolgen zien we ook in Nederland. Kijk naar de explosieve toename
van antisemitisme in Nederland. Joden worden bedreigd, geïntimideerd en belaagd. Dat
zagen we recent nog bij de Jodenjacht in Amsterdam, waar Joden doelbewust werden opgezocht
en aangevallen. Deze Jodenhaat blijft niet beperkt tot de straat, die dringt ook diep
door tot in onze scholen. Er zijn situaties gemeld waarin Joodse gastsprekers een
klas binnenlopen en door leerlingen met «Allahoe akbar!» worden ontvangen. In andere
gevallen werd openlijk geroepen dat alle Joden dood moeten. Antisemitische complottheorieën
circuleren vrijuit. De Holocaust wordt gebagatelliseerd of zelfs goedgepraat. Docenten
geven aan dat zij steeds terughoudender worden om het onderwerp te behandelen, uit
angst voor reacties van leerlingen en ouders. Daarom vraag ik aan de Minister: erkent
hij dat antisemitisme in Nederland mogelijk mede wordt gevoed door de islamitische
bronnen en opvattingen, en dat dit integratie onmogelijk maakt? Welke concrete maatregelen
neemt hij om antisemitisme als integratieprobleem aan te pakken?
Voorzitter. Dit geweld beperkt zich niet alleen tot joden. Het is gericht tegen iedereen
die de islam durft te bekritiseren. Het meest zichtbare voorbeeld daarvan is de permanente
bedreiging van Geert Wilders. Al meer dan twintig jaar leeft mijn fractievoorzitter
onder zware bewaking. Sinds 2004 wordt hij geconfronteerd met duizenden doodsbedreigingen
en meerdere fatwa's. Zijn vrijheid is hem afgenomen, omdat hij de islam openblijk
bekritiseert.
Ik noem ook Theo van Gogh. Hij werd op klaarlichte dag in Amsterdam vermoord uit naam
van de islam. Hij werd publiekelijk afgeslacht door Mohammed Bouyeri om één boodschap
duidelijk te maken: wie de islam bekritiseert en wie zijn mond opendoet, wordt het
zwijgen opgelegd. Dat is wat deze ideologie doet met de vrijheid van meningsuiting.
Maar de dwang gaat verder. De islam is een ideologie waar je niet uit kan stappen.
Je kán er niet mee stoppen. Afvalligheid wordt bestraft met de dood. Uittreden is
geen optie. Zo zien we ook in Nederland wat dit betekent. De 18-jarige Ryan uit Joure
werd door haar vader en twee broers vermoord. De rechtbank oordeelde dat er sprake
was van eerwraak. Haar te westerse levensstijl was het motief. Ze droeg geen hoofddoek,
gebruikte make-up en was actief op TikTok. Ze werd vermoord omdat ze haar eigen leven
wilde leiden. Dit is islamitische eerwraak. Dit is de sharia in de praktijk.
Het is geen uitzondering. Afgelopen januari bedreigde in Meppel een 51-jarige Syrische
statushouder zijn minderjarige dochter met de dood, omdat zij volgens hem te westers
was. Zij weigerde onderwerping aan de islamitische regels. Het gevolg is dat zij nu
ondergedoken moet leven. Dit zijn geen misverstanden. Dit zijn geen incidenten. Dit
is de sharia in de praktijk. Dit is islamisering.
Dan kom ik tot mijn vraag aan de Minister. Blijft hij wegkijken of durft hij eindelijk
te erkennen dat de islam niet bij Nederland hoort? Erkent hij dat integratie een illusie
is zolang de islam buiten schot blijft? Durft hij de-islamisering eindelijk onderdeel
te maken van het integratiebeleid in plaats van vast te houden aan het mislukte wensdenken
dat ons tot hier heeft gebracht? De PVV vindt dat de tijd van praten voorbij is. De
tijd van verandering is aangebroken. Woorden, plannen en goeie bedoelingen hebben
ons decennialang niets opgeleverd. Het is tijd voor harde maatregelen. Daarom legt
de PVV zes concrete voorstellen op tafel.
Het eerste voorstel is: sluit alle islamitische scholen. Op islamitische scholen wordt
de sharia al op jonge leeftijd in de hoofden van kinderen geplant. Daar leren kinderen
dat vrouwen, joden, homoseksuelen en niet-gelovigen minderwaardig zijn. Daar leren
zij zich af te keren van onze samenleving en geen vriendschappen te sluiten met christenen
en joden. Wie wil zien wat dit in de praktijk betekent, hoeft alleen te kijken naar
het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam. Tijdens schoolpauzes verandert de omgeving
rond deze school in een islamitische no-goarea. Buurtbewoners worden geïntimideerd,
bespuugd en met stenen bekogeld. Bewoners durven hun straat niet meer normaal te gebruiken,
en sommigen zijn zelfs verhuisd. Zij beschrijven het gevoel dat er een eigen staat
wordt opgebouwd, los van de Nederlandse samenleving. Dat is geen incident, dat is
geen toeval; dat is aangeleerd. In de sharia worden niet-gelovigen als minderwaardig
gezien. Dat wordt op islamitische scholen aan kinderen doorgegeven.
Voorzitter. Dit gaat alleen maar erger worden. Het islamitisch onderwijs groeit explosief.
In 2026 is bijna twee derde van alle nieuwe basisscholen islamitisch. Nederland telt
inmiddels bijna 100 islamitische scholen. Dat betekent meer segregatie, meer parallelle
samenlevingen en geen integratie. Dit moet en ja, dit kan gestopt worden. De vrijheid
van godsdienst en de vrijheid van onderwijs zijn niet onbeperkt. Zij eindigen waar
antidemocratische ideeën aan kinderen worden overgedragen. Als zelfs het Europese
Hof vaststelt dat de sharia onverenigbaar is met de kern van de democratische rechtsstaat,
dan is het onacceptabel om sharia-ideeën via het onderwijs aan kinderen door te geven.
Islamitisch onderwijs verdient daarom geen bescherming maar moet worden verboden.
De vraag aan de Minister is: is hij bereid om islamitische onderwijs te verbieden,
ja of nee?
Voorzitter. Islamisering stopt niet bij islamitische scholen. Die dringt inmiddels
ook door in het openbaar onderwijs. Beroepsmoslims voeren een juridische jihad om
het inrichten van islamitische gebedsruimtes af te dwingen op openbare scholen. Rechters
gaan daarin mee. Zo wordt neutraliteit niet beschermd maar juist afgebroken. Dat wordt
gepresenteerd als integratie, maar is in werkelijkheid capitulatie. Daarom twee vragen
aan de Minister. Erkend hij dat deze rechterlijke lijn de neutraliteit van het openbaar
onderwijs ondermijnt en integratie juist bemoeilijkt? Is hij bereid om ondubbelzinnig
vast te leggen dat openbare scholen geen islamitische gebedsruimtes hoeven toe te
staan, ja of nee?
Beroepsmoslims beperken zich niet tot de rechtszaal. Ook via rapporten en zogenaamd
onderzoek proberen zij het beeld te creëren dat Nederland een groot moslimdiscriminatieprobleem
heeft. Neem het rapport Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving,
mede gefinancierd door het Ministerie van Sociale Zaken. Dat onderzoek werd óók gefinancierd
door de Islamitische Stichting Nederland, onderdeel van Diyanet, het religieuze staatsorgaan
van Erdogan. Minister, waarom staan we dit toe? Dit is toch ongewenste buitenlandse
beïnvloeding?
Het is niet de eerste keer dat dit gebeurt. Kijk naar het zogenaamde Nationaal onderzoek
moslimdiscriminatie. Daarvoor werden 44 beroepsmoslims geselecteerd. Een flutonderzoek.
Geen wetenschap, maar activisme. Dat, terwijl een groot deel van die zogenaamde moslimdiscriminatie
in werkelijkheid niets anders is dan het groeiende verzet van Nederlanders tegen de
islamisering van onze scholen, bedrijven en instellingen. Denk aan hoofddoeken, gebedsruimtes,
ramadanaanpassingen en alle andere shariaeisen waarmee onze samenleving stukje bij
beetje wordt overgenomen. Ziet de Minister dit ook, of blijft hij dit verzet tegen
islamisering framen als discriminatie?
Het tweede voorstel is een wettelijk verbod op het dragen van islamitische hoofdbedekking
door minderjarige meisjes in het onderwijs, een maatregel die ook in Oostenrijk bestaat.
De islamitische hoofddoek is geen onschuldig kledingstuk, maar een islamitisch symbool
van de minderwaardigheid van de vrouw.
Voorzitter. Laat ik duidelijk zijn. Het verschil tussen de hoofddoek, de nikab en
de boerka zit ’m niet in de betekenis, maar uitsluitend in de hoeveelheid textiel.
In alle gevallen staat de islamitische sluier symbool voor dezelfde onderdrukking.
Meisjes worden al op jonge leeftijd in het keurslijf van de islam geduwd. Wie zich
bedekt, hoort erbij. Wie dat weigert, wordt onder druk gezet, geïntimideerd en buitengesloten.
Zo verdwijnen vrijheid en gelijkwaardigheid van onze schoolpleinen en ontstaan gesegregeerde
zones.
Dit is geen theorie, maar keiharde realiteit. Dat bleek onder andere in België: op
het Antwerpse atheneum nam de islamitische groepsdruk de school over. Meisjes werden
structureel gedwongen een hoofddoek te dragen. Wie weigerde, werd geïntimideerd. Van
keuzevrijheid was geen sprake meer. De schoolleiding moest erkennen dat meisjes hun
vrijheid kwijt waren en zag zich genoodzaakt een verbod in te stellen om de orde en
veiligheid te herstellen.
Wetenschappelijk onderzoek bevestigt dit beeld. Socioloog Ruud Koopmans laat zien
dat het dragen van de islamitische hoofddoek samenhangt met sterkere fundamentalistische
opvattingen, vijandigheid tegen de westerse samenleving en antisemitisme. Waarom beschermt
de overheid kinderen wel tegen alcohol en sigaretten, maar niet tegen de onderdrukking
van de islamitische hoofddoek? De PVV is hier glashelder over: islamitische onderdrukking
hoort niet thuis op Nederlandse scholen. Is de Minister bereid een wettelijk verbod
te steunen op islamitische hoofdbedekking voor minderjarige meisjes in het onderwijs,
vergelijkbaar met de maatregel die eerder in Oostenrijk is ingevoerd? Ja of nee?
Het derde voorstel: het verbieden van de Moslimbroederschap in Nederland. Deze internationale
islamitische beweging werkt niet aan integratie, maar aan machtsopbouw en islamisering
van binnenuit. Via scholen, moskeeën, maatschappelijke organisaties en politieke beïnvloeding
wordt toegewerkt naar één doel: de invoering van de sharia. Veiligheidsdiensten waarschuwen
er al langer voor dat dit gebeurt via een netwerk van gelieerde organisaties, bewust
onder de radar. Frankrijk heeft die dreiging inmiddels onderkend en het parlement
heeft een resolutie aangenomen om de Moslimbroederschap op de EU-terrorismelijst te
zetten. Maar ook buiten Europa worden stappen gezet. In de Verenigde Staten hebben
deelstaten als Florida en Texas maatregelen genomen en verboden ingesteld tegen organisaties
die gelieerd zijn aan de Moslimbroederschap.
Daarom mijn vragen aan de Minister. Erkent hij dat de Moslimbroederschap en aan haar
gelieerde organisaties onverenigbaar zijn met onze democratische rechtsstaat? Is hij
bereid de Moslimbroederschap en aan haar gelieerde organisaties in Nederland te verbieden,
ja of nee? Het vierde voorstel: een verplichte remigratiemaatregel. Personen met een
dubbele nationaliteit, die onherroepelijk zijn veroordeeld voor één ernstig misdrijf
worden na het uitzitten van een straf gedenaturaliseerd en zonder pardon Nederland
uitgezet. De PVV vindt dat wie zich met een dubbele nationaliteit schuldig maakt aan
één ernstig misdrijf, zijn recht om in Nederland te blijven definitief heeft verspeeld.
Kijk alleen maar naar de cijfers over seksuele uitbuiting. Bijna 90% van de daders
heeft een migratieachtergrond en valt na het uitzitten van de straf terug in oud gedrag.
De slachtoffers zijn vaak kinderen; onze kinderen. Het zijn meisjes van veertien jaar
of jonger, die onherstelbaar worden beschadigd. Ook bij seksuele misdrijven zien we
een schokkend patroon. Mannen uit asiel-herkomstlanden zijn zéér sterk vertegenwoordigd
als verdachte.
De voorzitter:
Volgens mij is er een interruptie van de heer Ergin.
De heer Ergin (DENK):
Ik heb echt met veel moeite geluisterd naar dit vreselijke verhaal. Ik had eerst gedacht
dat ik het einde van het verhaal van de heer Boon zou afwachten, maar hij heeft het
nu over «onze meisjes», alsof mensen met een migratieachtergrond lelijke dingen doen
met meisjes uit Nederland. Ik heb echter een lijst bij me met allemaal criminele akkefietjes
van PVV'ers. Dat zijn uw partijgenoten. Het is een lijst met meer dan honderd incidenten.
Er is bijvoorbeeld sprake van oplichting via een Hongaarse pornosite, van drugshandel
aan minderjarigen, van een PVV'er die seks heeft gezocht met drie minderjarige meisjes
vanaf veertien jaar tegen geld en cocaïne. Als we een probleem hebben in Nederland,
waarbij groepen zich misdragen en waarbij groepen een probleem vormen richting meisjes
met strafbaar, seksueel grensoverschrijdend gedrag, zijn dat PVV-politici wel! Het
zijn niet de mensen met een migratieachtergrond die iedere dag opnieuw keihard hun
best doen om het beste van hun leven te maken in Nederland. Ziet de heer Boon dat
niet in?
De heer Boon (PVV):
De PVV is heel duidelijk: iedereen die seksueel overschrijdend gedrag veroorzaakt
en daarvoor wordt veroordeeld, moet kei- en keihard worden aangepakt. Of die man uit
Amsterdam komt en al honderd jaar in Nederland woont, dat interesseert mij helemaal
niets. Keihard aanpakken! In het PVV-partijprogramma staat dat wij dit soort mensen
chemisch willen castreren. Het kan ons niet hard genoeg zijn. Wie het ook is: keihard
aanpakken.
De heer Ergin (DENK):
Ik betrap de heer Boon voor het eerst op een genuanceerde mening in dit debat. Waar
het hierom gaat, is dat de PVV continu wijst naar moslims als één groep. De PVV wijst
continu naar mensen met een migratieachtergrond, alsof ze erop uit zijn om Nederland
kapot te maken. Alsof die mensen erop uit zijn om Nederland te beschadigen, of om
ons Nederlandse staatsbestel omver te werpen. Als we het hebben over het integratieprobleem,
dan is de PVV het probleem. In het betoog dat u net hebt afgevuurd, dat u hebt staan
voorlezen, gooit u de halve Grondwet weg. U bent haat aan het zaaien. U bent een handelaar
in angst. U zet mensen tegen elkaar op. In alles wat u hier doet met uw gedrag, bent
u on-Nederlands bezig. Als we in dit land een integratieprobleem hebben, dan hebben
we geen probleem met de islam, maar met de PVV'ers die weigeren om Nederlandse normen
en waarden te accepteren.
De heer Boon (PVV):
Ik laat me niet zeggen dat ik de Grondwet in de prullenbak gooi. Ik ben juist degene
die keihard aan het vechten is om de Grondwet te behouden. U zegt: ze willen Nederland
niet omverwerpen. Nou, u heeft de missie van de Moslimbroederschap waarschijnlijk
niet gelezen, of u doet nu net of u die niet kent. Het is juist de missie van de Moslimbroederschap,
waartegen ik aan het strijden ben. Alles wat u zegt, sorry, maar dat verwerp ik. De
Grondwet is juist in veilige handen in Nederland. Wij beschermen de Grondwet, maar
de Grondwet is niet oneindig. Als je haat plant in de hoofden van kleine kinderen,
dan kun je niet zeggen dat het beschermd wordt door de Grondwet. Nee, de Grondwet
kent uitzonderingen en daar willen wij gebruik van maken om die kinderen te beschermen.
De voorzitter:
Nog een interruptie van de heer Ergin.
De heer Ergin (DENK):
Wat hier aan de hand is, is dat we in Nederland meer dan een miljoen Nederlandse moslims
hebben. Zij eisen hun plek in de samenleving op. Ze organiseren iftars, ze eisen hun
levensrechten op in dit land. En dan komt de PVV met een tirade, eigenlijk met een
scheldkanonnade op moslims, omdat ze hun rechten opeisen. Tuurlijk gaan ze dat doen.
Tuurlijk maken mensen die in dit land wonen gebruik van hun rechten. Ik ben trots
op al die mensen die opstaan en die de iftars organiseren, die bijdragen aan de Nederlandse
samenleving, die arts worden, die in de bouw werken, die bijdragen aan Nederland.
Als we het over problemen hebben, hebben we hier een PVV die de realiteit totaal is
kwijtgeraakt, die allerlei voorstellen doet en bijdragen heeft die totaal on-Nederlands
zijn, terwijl we allemaal weten dat de toekomst van Nederland superdivers is. Al die
moslims waar de heer Boon nu op afgeeft, zijn trots op Nederland. Zij eisen hun plek
op. Sterker nog, zij zijn de toekomst van Nederland. De heer Boon kan er maar beter
aan wennen.
De heer Boon (PVV):
Wij gaan er zeker niet aan wennen. Als we naar de feiten gaan kijken, wil ik ook echt
met u naar de feiten kijken. Uit onderzoek van de heer Koopmans blijkt dat 70% van
de moslims zegt: wij vinden religieuze wetten belangrijker dan nationale wetten. U
zegt dat we het over 1 miljoen mensen hebben. Laten we er 70% van pakken. Dat zijn
700.000 mensen. U zegt dat die mensen rechten hebben. Zij hebben geen recht om Nederland
te onderwerpen. Zij hebben geen recht om onze vrijheden af te schaffen. Zij hebben
geen recht om de sharia in te voeren. En dan kunt u zeggen «wen er maar aan». Nee,
daar zal de PVV nooit aan wennen. Al zou ik de laatste zijn die ertegen moet strijden,
ik zal eeuwig blijven strijden tegen de invoering van de sharia. Ik zal eeuwig blijven
strijden tegen de onderwerping van onze vrijheden. Daar kunt u van op aan. Dat zal
de PVV altijd blijven doen. Daar wennen wij nooit aan.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw reactie. U vervolgt uw betoog.
De heer Boon (PVV):
Ik ga terug naar dit prachtige verhaal. Mannen uit asielherkomstlanden zijn sterk
oververtegenwoordigd als verdachte bij seksuele misdrijven. Tussen 2014 en 2023 werden
Syrische mannen bijna 4,5 keer vaker, Eritrese mannen 7,5 keer vaker, Iraakse mannen
8,5 keer vaker – het gaat nog verder hoor, mensen – Afghaanse mannen 11 keer vaker
en Somalische mannen zelfs 20 keer vaker verdacht dan Nederlanders. 20 keer vaker!
En het blijft niet beperkt tot één type delict. Zij zijn disproportioneel oververtegenwoordigd
in bijna alle categorieën, van seksuele misdrijven en mishandeling tot drugscriminaliteit
en vuurwapendelicten.
Deze feiten laten zien dat onze samenleving onvoldoende wordt beschermd en dat het
huidige beleid tekortschiet. Daarom kiest de PVV voor zero tolerance. Nederland is
geen vrijplaats voor geweld en misbruik. Wie hier te gast is, houdt zich aan onze
wetten. Wie een ernstig misdrijf pleegt, vertrekt. Is de Minister bereid een verplichte
remigratiemaatregel in te voeren en indien nodig internationale verdragen op te zeggen,
zodat criminelen met een dubbele nationaliteit, die onherroepelijk zijn veroordeeld
voor een ernstig misdrijf, na het uitzitten van hun straf hun Nederlandse nationaliteit
verliezen en worden uitgezet? Ja of nee?
Het vijfde voorstel is een vrijwillige remigratiemaatregel voor mensen met een dubbele
nationaliteit. Wie de sharia boven onze samenleving stelt en weigert te integreren,
helpen wij Nederland te verlaten. De voorwaarden zijn helder: afstand doen van het
Nederlandse staatsburgerschap, Nederland definitief verlaten, vrijwillig maar onomkeerbaar.
Is de Minister bereid deze vrijwillige remigratiemaatregel in te voeren? Ja of nee?
De PVV wil keiharde eisen stellen aan inburgering. Inburgering is geen recht. Het
is geen cadeau, maar een plicht. Wie in Nederland wil wonen, leert onze taal, respecteert
onze regels en past zich aan. Is de Minister bereid om in het inburgeringsexamen inzake
kennis van de Nederlandse maatschappij expliciet op te nemen dat er in Nederland geen
plaats is voor de sharia? Ja of nee?
Om onze regels en waarden te begrijpen, is één ding onmisbaar: de Nederlandse taal.
Vindt de Minister dat iemand pas als ingeburgerd kan worden beschouwd als hij of zij
aantoonbaar Nederlands beheerst op minimaal B1-niveau? Ja of nee? Integratie begint
met communicatie. Wie zijn gezicht verbergt, weigert te integreren. Is de Minister
bereid vast te leggen dat deelname aan inburgering uitsluitend mogelijk is met een
zichtbaar gezicht en dat gezichtsbedekkende kleding en middelen, zoals boerka's en
nikabs, onverenigbaar zijn met inburgering? Ja of nee? Hoe gaat de Minister optreden
tegen gemeentes, scholen en ziekenhuizen die weigeren het huidige boerkaverbod te
handhaven? Is hij bereid in te grijpen wanneer deze instellingen deze wet simpelweg
naast zich neerleggen? Ja of nee? Daarnaast wordt er door inburgeraars en statushouders
massaal en structureel gespijbeld bij taallessen. Dat wordt door de overheid gedoogd.
Afwezigheid wordt goedgepraat met excuses als vakantie, ziekte, andere afspraken of
religieuze verplichtingen zoals ramadan. Dat is geen onmacht. Dat is onwil. Is hij
bereid de Wet inburgering zodanig toe te passen en zo nodig te wijzigen dat herhaald
en verwijtbaar verzuim niet langer vrijblijvend blijft, maar automatisch leidt tot
sancties, inclusief intrekking van de verblijfsvergunning behoudens aantoonbare overmacht?
Ja of nee?
Voorzitter. Ik ga afsluiten. We zien hoe Nederland stap voor stap wordt overgenomen.
Steeds meer Nederlanders vragen zich af of hun toekomst nog wel hier ligt. Tienduizenden
verlaten onze steden. Tienduizenden verlaten ons land. Niet omdat zij Nederland niet
meer liefhebben, maar omdat zij zich hier niet meer veilig en thuis voelen. In steeds
meer wijken verschuiven de normen en wordt de Nederlandse cultuur verdrongen, straat
na straat, wijk na wijk en school na school. Door de jarenlange massa-immigratie en
voortgaande islamisering kraakt ons land in zijn voegen. Dat zien we ook in het straatbeeld:
hoofddoekjes, boerka's, mannen in djaballa's, gebedsruimtes en gebedskleedjes. Excuus,
djellaba's. Dank u wel, meneer Ergin. Het aantal islamitische scholen stijgt explosief.
Er zijn straten, wijken, zelfs hele steden waar je je niet langer in Nederland waant,
maar in een willekeurig Arabisch land. Nederlanders die uit een geïslamiseerde wijk
kunnen verhuizen, doen dat, maar heel veel mensen kunnen dat niet. Zij zitten vast
en zijn de klos. Hun Nederland bestaat niet meer. Zij voelen zich niet langer thuis
in hun eigen buurt. En als ze er iets van zeggen, worden ze weggezet als racist.
Velen denken dat Nederland al verloren is, maar dat is het niet. Onze generatie kan
de islamisering nog stoppen. Onze generatie kan ervoor zorgen dat onze kinderen nog
opgroeien in vrijheid, onder onze wetten en onze waarden en niet onder de sharia.
Vandaag heeft de PVV zes concrete voorstellen gedaan. Geen woorden, geen uitstel,
geen doekjes voor het bloeden, maar harde keuzes, die nodig zijn om Nederland te redden
en de massa-immigratie te stoppen: kiezen voor de-islamisering, het sluiten van islamitische
scholen, een hoofddoekverbod voor minderjarige meisjes op school, een verbod op de
Moslimbroederschap, verplichte remigratie én vrijwillige remigratie voor wie niet
wil integreren, en een inburgering met echte eisen in plaats van vrijblijvende praatjes.
De vraag aan deze regering is simpel en onontkoombaar: kiest u voor Nederland en stopt
u de islamisering of blijft u wegkijken? Ja of nee?
Voorzitter, tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft een interruptie van meneer Van den Brink.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Het was tot nu toe niet duidelijk of de vrieskist van de PVV met ongrondwettelijke
voorstellen weer open zou gaan. Ik denk dat we kunnen vaststellen dat die weer open
is. Ik heb geprobeerd om te luisteren met de oren van een gewone moslim hier in Nederland,
een moslim die werkt, die z'n kinderen probeert op te voeden, die goed leeft, die
niet discrimineert en die doet wat er van een goede burger verwacht wordt. Stel ik
ben zo'n moslim: wat moet ik dan met uw verhaal?
De heer Boon (PVV):
Staat u mij toe om te citeren uit het prachtige boek van Sam van Rooy genaamd Voor
vrijheid dus tegen islamisering. Het is een citaat van Yasmine Mohammed, een ex-moslim.
Zij is nu mensenrechtenactivist. Zij zei: «Soms heb ik medelijden met de aardige en
fatsoenlijke moslims die hun religie niet kennen. Wanneer zij erachter komen wat de
Koran en de Hadith eigenlijk zeggen, zijn ze echt geschokt. Onwetendheid is echter
geen excuus. Lees je heilige boek. Dat is het minste wat je kunt doen, voordat je
je leven wijdt aan de gevolgen ervan». Ik denk dat dit citaat alles zegt. Ik heb ook
cijfers genoemd. Er is onderzoek in Nederland gedaan, waarin 70% van de moslims zegt
de religieuze wetten, de sharia, boven onze wetten te plaatsen. Dat is pas echt ongrondwettelijk.
Ik hoop dat het CDA ook een keer onderzoek wil doen naar wat de sharia en de Moslimbroederschap
nou eigenlijk zijn. Iedere keer wanneer we gaan stemmen, stemt u namelijk al onze
voorstellen weg. Ik denk dat wij allebei de Grondwet willen verdedigen, maar u wedt
op het verkeerde paard. U wedt op het paard dat onze Grondwet wil afschaffen. U kunt
beter op ons wedden, want wij willen de Grondwet wel verdedigen.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Zou het zo kunnen zijn dat, zoals in elk geloof, er een heleboel verschillende interpretaties
van de islam zijn en dat er dus ook heel veel mensen zijn die wel gewoon willen meedoen
in deze samenleving? Sluit u dat uit?
De heer Boon (PVV):
Ik sluit helemaal niks uit; wonderen gebeuren. Maar ik heb u gezegd dat 70% van de
moslims de sharia boven de Grondwet plaatst; 70%! Meneer Ergin noemt 1 miljoen. Dat
zijn dus 700.000 mensen. Dat is zeven keer zoveel als het aantal mensen bij Defensie
tot nu toe. Dat is geen kleine groep. Dat is echt een megagroep, dus dat is ook een
megaprobleem. We kunnen dan kijken of er misschien ook lichtpuntjes zijn, maar ik
wil eerst dit probleem opgelost hebben. Het gaat om 700.000 mensen die de Grondwet
willen afschaffen. Zij willen u, als christen, uw vrijheden afpakken. Ze willen de
vrijheden van homoseksuelen, van vrouwen, van niet-gelovigen afpakken. Ik denk dat
we ons daar echt druk over moeten maken. Het huis staat in brand en u bent bezig met
wat voor behang er op de muur moet komen. Laten we eerst de brand blussen. Dat behang
komt later wel.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Nog één keer mijn vraag. Stel ik hoor bij die 30%, als die cijfers kloppen, wat moet
ik dan met dit verhaal?
De heer Boon (PVV):
Mijn fractieleider heeft meerdere keren gezegd: verwerp die verschrikkelijke regels.
Verwerp die sharia. Sluit je bij ons aan. Kies voor vrijheid. Ik nodig iedereen uit
om die regels te verwerpen. Kies voor vrijheid. Er zijn genoeg mensen die het gedaan
hebben. Het kan. Het is niet makkelijk. We zien ook de gevolgen bij bijvoorbeeld Lale
Gül of Ayaan Hirsi Ali. Zij hebben de regels verbroken. Zij hebben wel voor vrijheid,
voor onze waarden en onze normen gekozen. Het kan. Het is mogelijk, dus doe dat. Dat
is wat ik tegen al die mensen wil zeggen.
De voorzitter:
Oké, dank u wel. Als er verder geen interrupties zijn, gaan we naar de volgende spreker.
Dat is mevrouw Michon-Derkzen van de VVD.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Dank u wel, voorzitter. U ziet hier de kersverse woordvoerder Integratie van de VVD.
Het werd allemaal met enthousiasme ontvangen. Ik kijk ernaar uit om de aankomende
periode met elkaar in gesprek te gaan, want dit is een belangrijk onderwerp. Ik vind
het ook heel goed dat we hier een apart wetgevingsoverleg over hebben. Ik hoop dat
we dat ook met elkaar blijven doen.
Voorzitter. Voor mij gaat integratie over meedoen, meedoen aan onze samenleving. Integratie
gaat ook over vrijheid en om in vrijheid alle keuzes te kunnen maken die je wilt maken.
Eerlijk gezegd hoop ik dat deze kersverse nieuwe Minister net zo trots is als ik om
hieraan in de komende periode te mogen bijdragen. Het vorige kabinet heeft een actieagenda
gepresenteerd. Die is in het najaar besproken. Wat mij betreft rollen we die verder
uit. Ik hoop dat de Minister daarop ingaat. Daarnaast ligt er tegelijkertijd een stevige
en realistische inzet van de drie coalitiepartijen in het regeerakkoord. Kortom, aan
de slag, zeg ik met een knipoog.
Voorzitter. Vandaag focus ik op taal en werk. Het spreken van de Nederlandse taal
is cruciaal om vol mee te doen in onze samenleving. Sterker nog, wie in Nederland
woont, spreekt wat de VVD betreft de Nederlandse taal. Het is dan ook een logische
eis in de inburgeringswet. De lat ligt niet erg hoog; dat moet gezegd worden. B1 kan
worden afgeschaald naar A2 en dan is er ook nog de Z-route, waarbij het puur volgen
van 800 uur taalles al voldoende is. Aan de hand van de leerbaarheidstoets wordt ingeschat
op welk niveau de kandidaat kan landen na drie jaar. Gemeenten zijn verantwoordelijk
voor het inburgeringstraject, zoals al eerder gezegd, en dus ook voor het aanbieden
van taalles.
Voorzitter. Ik wil graag van de Minister horen hoe dat in verschillende gemeenten
verloopt, ook in financiële zin. Is er bijvoorbeeld een benchmark voor de kosten van
taalles bij de verschillende Nederlandse gemeenten? Ik lees namelijk ook – mijn buurvrouw,
mevrouw Lahlah, zei dat eerder ook – dat gemeenten vragen om meer financiering voor
deze taallessen. Ik vind het nodig dat we daar meer van weten. Hoe worden de taallessen
gefinancierd? Zijn er goede of juist minder goede voorbeelden van het aanbieden van
taallessen en de kosten daarvan? Voor mijn fractie is het onbestaanbaar dat deze verplichting,
dus de taal, onvoldoende wordt ingevuld door gemeenten. Ik wil dan ook bij de evaluatie
van de inburgeringswet terugzien hoe de verschillende gemeenten hiermee omgaan. Wat
mij betreft is het echt een essentieel onderdeel. Graag krijg ik een toezegging van
de Minister daarop.
Het regeerakkoord – ik zeg dit ook richting mevrouw Lahlah, die daarover begon – stelt
dat kansrijke asielzoekers al direct bij aankomst, bij de start van een asielprocedure
en dus in het azc bij de zogenaamde Meedoenbalie, aan de gang gaan met taal. Dat bestaat
al. Een aantal grote opvanglocaties heeft zo'n Meedoenbalie. Ik denk dat het goed
is, ook gezien de eerdere discussie in dit debat, dat de Minister erop ingaat hoe
dat nou gaat. Hoe ziet dat er nou uit en wie is daarop aanspreekbaar? Mevrouw Lahlah
sprak daar deze Minister op aan. Ik vraag me af of dat zo is, maar ik denk dat het
goed is om dat vandaag met elkaar te delen.
Dan door op taal. Het is terecht dat de voorgenomen afschaffing van de taaleis in
de Participatiewet door het vorige kabinet is teruggedraaid met brede steun. Ook daarbij
geldt dus: geen Nederlands, geen bijstand. Want hoe kan je meedoen als je de taal
niet spreekt? De taal spreken is in mijn ogen de absolute minimumtegenprestatie die
je mag vragen voor die bijstandsuitkering. Maar ik ben raadslid geweest in deze mooie
stad en daar ook een paar illusies armer geworden. Ik vraag de Minister vandaag: hoe
ziet de handhaving op die taaleis in de Participatiewet eruit? Is er zicht op de inzet
van handhaving?
Ik heb dat artikel uit NRC van vorig jaar nog op mijn netvlies. Er was een onderzoek
gedaan naar een hele aantal gemeenten, en een aantal gemeenten zeiden expliciet: wij
handhaven niet op die taaleis. Dat vind ik op zijn zachtst gezegd vreemd, wil ik via
de voorzitter richting de Minister zeggen. Ze zeggen dan dat ze werken vanuit vertrouwen.
Ik vind het heel prettig om vanuit vertrouwen te werken. Maar als er in een wet een
taaleis staat, dan moet die ook gehandhaafd worden. We krijgen in april een plan om
de taaleis te verbeteren per 2027, zo heb ik in de stukken gelezen. Kan dan ook de
handhaving door gemeenten daarin worden meegenomen? Staan daar dan concrete doelstellingen
in voor gemeenten of blijft het bij een inspanningsverplichting? Ik wil dat de Minister
met concrete en afdwingbare plannen komt waardoor de gemeenten moeten handhaven. Ook
daarvan vind ik dat niet meedoen geen optie is, ook niet wat betreft de handhaving
van wettelijke eisen.
Voor naturalisatie is nu ook expliciet in het regeerakkoord de opdracht aan het kabinet
gegeven om hier een taaleis op een hoger niveau aan te koppelen. Even voor de fijnproever:
dat wordt dus B1 in plaats van A2. Dat is ook eerder in de motie-Becker gevraagd en
die is weer herhaald in de motie-Rajkowski. Het is heel goed dat dit nu in het regeerakkoord
staat. De Rijkswet op het Nederlanderschap – dat weet ik natuurlijk nog vanuit een
recent verleden – valt onder JenV. Maar het verhogen van de taaleis vraagt alleen
maar een wijziging van het Besluit naturalisatietoets, dat onder die wetgeving hangt.
Dat is dus eigenlijk vrij eenvoudig uitvoerbaar, wil ik maar zeggen richting de Minister.
Is de Minister dat met de VVD eens? Wanneer kunnen we ook een aanpassing van het besluit
tegemoetzien?
Dan naast taal werk, het tweede deel van mijn bijdrage. De werkvloer is wat mijn fractie
betreft de perfecte plek om te integreren. Werk geeft inkomen en dat is niet onbelangrijk.
Het geeft ritme, het geeft sociale contacten en via werk ga je natuurlijk ook steeds
taalvaardiger worden. Voor iedereen in Nederland dus werk. En wie in Nederland woont,
is en mag blijven, doet mee. Het is ontzettend zorgelijk – ik haal het gewoon uit
de cijfers – dat bijna 50% van de statushouders na vijf jaar nog in de Participatiewet,
in de bijstand zit. Bijna 60% van alle mensen in de bijstand heeft een herkomst buiten
de EU. Dat mogen we simpelweg niet accepteren. Het houdt mensen gevangen.
Los van werk, los van inkomen, los van taal moet de participatiegraad omhoog. Er is
een groot tekort op de arbeidsmarkt. We hebben simpelweg iedereen nodig die kan werken.
Dus ik zou ook hier zeggen, net als bij taal: direct beginnen. Ook hier krijgen kansrijke
asielzoekers – een wetsvoorstel van de vorige Minister, Minister Paul – nu de kans
om na drie maanden al te starten met werk. Ik begrijp dat deze wet nu in consultatie
is. Dat wachten we af.
De VVD wil ook dat elke statushouder direct bij het krijgen van huisvesting aan het
werk kan. Door de vorige bewindspersoon is in een klein aantal gemeenten een pilot
gestart met zogenoemde startbanen, waarmee werk en taal worden gecombineerd. Ik hoor
hier hele goede verhalen over. Ik hoor ook graag de Minister hierover. Als hij het
met mij eens is, wil ik een uitbreiding van deze startbanen. Met een relatief kleine
bijdrage vanuit het ministerie worden hiermee meer mensen aan het werk gezet. Ik heb
een amendement voorbereid dat vlak voor dit debat is rondgestuurd. Ik hoop dat de
collega's het hebben kunnen zien. Daarin maak ik extra geld vrij – dat is vrijstaand
geld op de begroting – voor die startbanen.
Voorzitter. Zo'n baan moet natuurlijk ook worden geaccepteerd. Kan de Minister de
Kamer informeren of dit altijd het geval is? Als dat niet het geval is, volgt er dan
ook een sanctie? Ik wijs maar weer op dat goede voorbeeld uit Rotterdam, het Rotterdamse
model waarin alleen al de inzet op handhaving leidt tot een daadwerkelijke acceptatie
van banen.
Voorzitter. Ik vind het heel mooi om te lezen dat er in het voorjaar tien gemeenten
starten met het begeleiden van vrouwelijke statushouders naar werk, maar ik alle eerlijkheid
vind ik het best zot dat we een apart traject moeten starten om vrouwelijke statushouders
aan het werk te krijgen. Ik zou zeggen, vrouwelijke statushouders zijn ook statushouders
en wij begeleiden alle statushouders naar werk.
Zoals eerder gezegd, de arbeidsmarkt is gunstig. In tekortsectoren zoals de bouw,
de techniek en de zorg staat men te springen om mensen. Wat is de rol van het Ministerie
van deze Minister bij het toewijzen van statushouders aan deze tekortsectoren? Wat
is hierbij de rol van de regionale werkcentra? Zijn er landelijke programma's om een
goede match te maken tussen de groep statushouders en de tekortsectoren? Of zit iedereen – daar
ben ik een beetje beducht voor – per regio het wiel opnieuw uit te vinden? Wederom
de vraag of de Rotterdamse aanpak handvatten biedt om daadwerkelijk mensen uit het
granieten bestand naar werk te begeleiden.
Voorzitter. Gelet op de actualiteit twee punten, ten eerste de buitenlandse inmenging.
Door de onrust in het Midden-Oosten – we kunnen er niet omheen – na de aanval op Iran
is het absoluut essentieel om het meldpunt ongewenste buitenlandse inmenging van de
grond te trekken. Hierom heeft een meerderheid van de Kamer gevraagd. Het staat ook
in het regeerakkoord. De meest recente brief op dit punt is van JenV, van december
vorig jaar. JenV laat weten dat het meldpunt in de zomer van 2026 operationeel zou
moeten zijn. Dat vind ik wat voorzichtig. Ik zou zeggen tegen deze Minister dat de
actualiteit ons noopt tot meer snelheid. Mensen met zorgen, klachten of vragen moeten
ergens terechtkunnen. Slachtoffers moeten zich kunnen melden. Wat mij betreft moet
dat ook anoniem kunnen.
Dan mijn laatste punt, voorzitter, ook actueel: de imams. We hebben in het regeerakkoord
gelezen dat Europa imams met een inreisverbod vanwege uitspraken die onder het strafrecht
vallen op een lijst gaat zetten. De Europese Unie gaat dus een lijst opstellen van
imams met een inreisverbod in de EU. Zo'n Europese lijst gaat echter nog lang duren;
we kennen Europa langer dan vandaag. Ik ben er voorstander van, want we moeten die
haatimams weren. In de tussentijd, voordat er zo'n lijst is, wil ik graag een nationale
lijst. Dat staat overigens ook in het coalitieakkoord. Wanneer gaat de Minister hiermee
aan de slag? En vooral: wanneer kunnen wij de voortgang bespreken?
Voorzitter, dat was mijn bijdrage. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. Ik kijk even rond: zijn er interrupties? Die zijn er
niet. Dan ga ik naar de volgende spreker: mevrouw Nanninga.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Voorzitter, dank u wel. We zitten weer eens een hele avond met elkaar hetzelfde gesprek
te voeren dat we in deze samenleving al 40 jaar lang tamelijk vruchteloos met elkaar
voeren, namelijk over de integratie van de massaal geïmmigreerde niet-westerse allochtonen.
Laat ik het maar meteen duidelijk zeggen: de integratie is mislukt. Nee, laat ik dit
terugnemen en het wat preciezer zeggen: de integratie is volkomen mislukt. Daar hebben
ook, of misschien wel vooral, de niet-westerse allochtonen die wel normaal meedraaien
in ons land, heel veel last van. Omdat dit debat stilstaand water is, kan ik de interruptie
al voorspellen. Ik ga ’m meteen zelf maken en ik ga ’m ook meteen zelf beantwoorden:
ja maar JA21, als er goed geïntegreerde nieuwkomers bestaan, is de integratie toch
juist niet mislukt? Dat wordt meestal gevolgd door de erbarmelijk luie stroman van
de casuïstiek: «Kijkt u toch eens naar deze Marokkaanse burgemeester en naar deze
allochtone bewindspersonen. Ik heb een geweldige kapper of kleuterjuf of automonteur
van buitenlandse komaf. U stuurt deze mensen weg. Foei, schande. Huilie, huilie, huilie.»
Welnu, het bestaan van succesvol geïntegreerde mensen bewijst twee dingen. Ten eerste
dat integratie een keuze is, die sommige mensen gelukkig maken. Maar laten we dat
nou niet gaan prijzen en belonen, want dat zou gewoon de norm moeten zijn, de fabrieksinstelling
van nieuwkomers. Dat is niet iets waarom zij moeten worden geprezen en als rolmodel
moeten worden neergezet, zoals het racisme van de lage verwachtingen nu maar al te
vaak doet. Het bewijst ten tweede dat het beeld van Nederland als inherent racistisch,
koloniaal en islamofoob land de prullenbak in kan.
Maar het probleem van de mislukte integratie blijft. Dat uit zich op drie terreinen
in het bijzonder: cultureel, met betrekking tot onze veiligheid en ten aanzien van
onze verzorgingsstaat. Om met dat laatste te beginnen, onze verzorgingsstaat is niet
gebouwd op zo veel afhankelijkheid van het systeem van niet-Westerse massa-immigranten.
Kijk alleen al naar de bijstand. Het totaal aantal mensen in de bijstand in Nederland
betreft 405.000 personen. Als we het uitsplitsen naar geboorteland is 44% geboren
in Nederland. Mind you, die zijn geboren in Nederland, maar daar zitten wel degelijk
ook mensen van allochtone komaf in. 4% is geboren in Europa en 51% is geboren buiten
Europa. In absolute aantallen per herkomstland gaat het dan om 50.000 Syriërs, 27.000
Marokkanen, 22.000 Turken, 12.000 Irakezen en 11.000 Surinamers. Dat is de top vijf.
De bijstand onder niet-Europese migranten stijgt al zeven kwartalen op rij, terwijl
de bijstand onder mensen van Nederlandse herkomst al dertien kwartalen op rij daalt,
een afname.
Onze verzorgingsstaat wordt daarmee een soort binnenlandse ontwikkelingshulp waarin
hardwerkende Nederlanders geld overmaken naar groepen die van origine van buiten Europa
komen en daarmee een buitensporige aanspraak doen op onze sociale voorzieningen. Dat
is onhoudbaar. Werken draagt bij aan integratie, maar men werkt veel te weinig. Waarom
faalt economische integratie? Opleidingsniveau. Nederland is een kenniseconomie. Laaggeschoold
werk verdwijnt, onder meer door automatisering. Er is simpelweg minder behoefte aan.
Asielmigranten zijn disproportioneel laaggeschoold. Dan hebben we ook nog eens boterzachte
taaleisen. Voorzitter, staat u mij een afleiding toe. Het woord «taaleis» is al een
gotspe. Onze mooie taal mogen leren, de sleutel tot onze nog mooiere arbeidsmarkt
en prachtige samenleving, is een recht, een privilege. Dat is een privilege dat maar
mondjesmaat en met hangen en wurgen wordt aanvaard door nieuwkomers.
Integratie op het gebied van openbare orde en veiligheid kent sterke overlap met culturele
integratie. Onze straten en pleinen zijn er sinds de ongebreidelde niet-Westerse immigratie
niet veiliger op geworden. Dat geldt in het bijzonder voor drie groepen: vrouwen,
Joden en lhbti'ers. De rode draad in deze mislukte culturele integratie is natuurlijk
de islam. De motie-Eerdmans/Flach verzoekt het kabinet om in de actieagenda specifiek
in te gaan op de rol die de islam speelt in de integratieproblematiek. De afdoening
van die motie, die aangenomen is: «Dit wordt onder andere gedaan door in te zetten
op zelfbeschikking en het voorkomen van radicalisering en extremisme. Daarnaast draagt
de actieagenda bij aan de weerbaarheid van de samenleving tegen deze gedragingen door
in te zetten op burgerschap en het bevorderen van onderlinge dialoog. Hiermee beschouw
ik de motie-Eerdmans/Flach als afgegaan.» Ga nou eens in op die islam zelf, Minister.
Het woord komt niet eens voor in die hele actieagenda. Welke problemen zien we in
die religie die haaks staat op onze normen en waarden en niet strookt met integratie
en een open, vrije samenleving zoals wij die ons voorstellen? Als we 25 jaar na Fortuyn
nog steeds niet met elkaar benoemen wat het probleem is, is de oplossing verder weg
dan ooit.
Voorzitter. Er moet mij nog wat van het hart over de grenzeloze naïviteit van veel
Nederlanders over de islam. Ja, het is ook gewoon een geloof. In dit land, in tegenstelling
tot de meeste islamitische landen, hebben wij geloofsvrijheid en mogen mensen geloven
wat ze willen. Het grote probleem is echter de usurpatie door de politieke islam in
ons land, wat mensen er ook actief van weerhoudt om hier fatsoenlijk te integreren.
Allerlei nare langearmclubjes – denk aan de Moslimbroederschap, FEMYSO, Diyanet, Milli
Görüs enzovoorts en zo verder – zijn buitengewoon behendig in keiharde islamisering
vermommen als inclusie en zichzelf vermommen als slachtoffers van allerlei discriminatie
en van het zelfgebreide onzinconcept islamofobie. Deze cocktail van geveinsde diversiteit
en agressief slachtofferschap gaat er bij veel goedbedoelende maar naïeve Nederlanders
goed in.
De heer Ergin (DENK):
Ik heb nauw geluisterd naar de minachting van mevrouw Nanninga voor Nederlanders met
een migratieachtergrond. Mevrouw Nanninga heeft net eigenlijk een soort van meetlat
laten zien waaraan ze bij mensen afmeet of hun integratie wel of niet geslaagd zou
zijn. Ik heb een vraag aan mevrouw Nanninga. Mevrouw Nanninga bepaalt kennelijk wie
wel of wie niet is geïntegreerd, maar ik wil wel graag een aantal uitspraken van haar
in herinnering brengen. Ze had het over «dobbernegers». In een column had ze het over
«klaagnegers». Ze schreef zelfs op Twitter dat ze na het lezen van zes bladzijden
van Mein Kampf zin kreeg om Joden te vergassen. Ik zou aan mevrouw Nanninga willen
vragen: is dit haar maatstaf en is het toppunt van integratie dat je dit soort verschrikkelijke
uitspraken kunt doen, dit soort lelijke dingen kunt zeggen over groepen mensen en
dan hier in de Kamer even kan duiden of de integratie wel of niet is mislukt? Vindt
mevrouw Nanninga dat ze hier geloofwaardig kan stellen dat de integratie is mislukt?
Mevrouw Nanninga (JA21):
Het is zo prachtig dat meneer Ergin van DENK hiermee komt. Dit is wat mensen doen
als de argumenten op zijn. Het toont inderdaad een totaal mislukte integratie van
meneer Ergin aan. De islam is een cultuur waarin humor, spot, vlijmend sarcasme en
vooral zelfspot niet aan de orde en verboden zijn. Grappen maken over de islam heb
ik wel gedaan, hoor, maar dat kwam mij altijd op bedreigingen te staan; dat kwam mij
altijd op beveiliging te staan. Dat kan niet in dit land. Ik vind het toonbeeld van
integratie dat je over alles en iedereen grappen kan maken en incasseren, ook over
jezelf. Laat ik nou ook dat soort dingen hebben gezegd over allerlei andere groepen
mensen. De enige hoek, meneer Ergin, waaruit ik ben bedreigd, is de islamitische hoek.
Joden in Nederland zijn niet bang voor Annabel Nanninga; die zijn niet bang voor JA21.
Sterker nog, ze stemmen op ons. Die snappen namelijk wat de traditie is van satire,
van humor en van spot. De enigen die daarvan te vrezen hebben, zijn mensen die dat
doen over de islam. Theo van Gogh kan het niet navertellen. Meneer Wilders moet ervoor
worden beveiligd. Ik heb daar ook zo mijn ervaringen mee. Dus ja, het is een toonbeeld
van integratie en van Nederlanderschap dat we deze opmerkingen begrijpen zoals die
zijn. Dat doet meneer Ergin niet, omdat kennelijk ... Daar heb je dus weer die islamitische
kijk op dit soort onderwerpen. Dit past daar niet bij. Maar het is wel de Nederlandse
traditie.
De voorzitter:
U kunt uw betoog vervolgen.
De heer Ergin (DENK):
Heb ik geen interrupties meer?
De voorzitter:
Nee, u heeft geen interrupties meer.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Voorzitter. Islamisering – de heer Ergin illustreerde het net – gaat niet gewapenderhand.
De gruwelijke islamitische aanslagen die Europa teisteren, op redacties, op cartoonisten,
op synagoges, op drukke plaatsen, op concerten, op openbaar vervoer en op kerstmarkten
zullen, hoe afschuwelijk ook, niet onze ondergang betekenen. Ik heb weinig hoop dat
extremen zoals DENK of GroenLinks het ooit zullen gaan snappen. Maar als ik dan kijk
naar redelijke partijen, zoals het CDA, de VVD en – ik ben in een goede bui, voorzitter – zelfs
D66, die ik daar vandaag maar eens toe zal rekenen, die uit een gebrek aan kennis
maar met de beste intentie meebuigen met waanzin als Nederlandse imamopleidingen,
gebedsruimtes, iftars met hoogwaardigheidsbekleders en gescheiden sporten, dan wordt
het mij zwaar te moede. Onder het mom van inclusie en integratie geven zij toe aan
geveinsd slachtofferschap, buigen ze mee met griezelige agenda's en werken ze de integratie
van islamitische immigranten juist keihard tégen. Rabat, Ankara en allerlei bedenkelijke
golfstaatjes lachen in hun vuistje. Suicidal empathy.
Vergeet niet dat veel migranten hier juist ook onder lijden. Denk aan Turkse en Marokkaanse
dissidenten – deze commissie heeft vanmorgen nog een brief gekregen van Marokkanen,
waarin stond hoeveel last zij hebben van die lange arm uit Rabat – Koerden, seculieren
en mensen die de regimes van hun thuisland juist zijn ontvlucht.
Voorzitter. Dan is er nog de misdaad. De oververtegenwoordiging van migranten hierin
mag bekend worden verondersteld; die heeft de collega van de PVV ook benoemd. Daar
heb ik wat vragen over. Erkent de Minister dat de oververtegenwoordiging van deze
groep een structureel probleem is van immigranten, dat niet wegverklaard kan worden?
Waarom worden culturele factoren, zoals eercultuur, normbesef en gezagsacceptatie
niet meegenomen in preventiebeleid? Waarom faalt uitzetting van criminele vreemdelingen
structureel en welke maatregelen worden getroffen om mensen die zich tijdens hun procedure
al misdragen, harder aan te pakken? Hoeveel jihadistische jongeren zijn er exact in
Nederland en wat doet de Minister om online afkeer van het Westen en radicalisering
te stoppen? Waarom wordt salafistische overname van moskeeën toegestaan? Hoe beoordeelt
de Minister het integratieve effect van het wildbidden op straat, terwijl er gewoon
genoeg gebedsplekken zijn in de gebedshuizen die we hier hebben? Waarom mogen buitenlandse
mogendheden wier idealen haaks staan op onze samenleving zich zo bemoeien met Nederlandse
moskeeën? Wat doet de Minister aan de buitenlandse financiering en dus beïnvloeding
van extremistische predikers? Erkent de Minister dat falende integratie de directe
oorzaak is van veel criminaliteit en radicalisering?
Voorzitter. Er is nog zoveel te bespreken, maar laat ik als nieuwbakken woordvoerder
op dit onderwerp mijn eerste visitekaartje afgeven op dit dossier en laat ik, zoals
het een JA21'er betaamt, met oplossingen komen. Is de Minister bereid om te verkennen
of we naar Deens model voorwaarden zoals langdurige verblijfsduur en minimaal tweeënhalf
jaar fulltime werkervaring kunnen koppelen aan het recht op volledige bijstand voor
nieuwkomers met een niet-Europese achtergrond in plaats van de semi-verplichte cursussen
en een boterzachte inspanningsverplichting? Kunnen we voorinburgering in azc's verplicht
stellen? Kunnen we op het niet binnen een termijn slagen voor integratietrajecten
stevige sancties stellen? Kunnen we de B1-norm handhaven en dus niet naar A2 afschalen?
Kunnen we ontheffingen en vrijstellingen van allerlei integratietrajecten afschaffen
of moeilijker maken? En kunnen we bij eerwraak onmiddellijk de verblijfsvergunning
intrekken conform de aangenomen motie-Eerdmans?
Tot slot, voorzitter. De kennisproductie rondom dit onderwerp is al jaren zwaar gepolitiseerd.
Allerlei gesubsidieerde klaaglijnen die voor hun voortbestaan afhankelijk zijn van
het constateren van discriminatie en racisme vinden dus overal discriminatie en racisme,
niet zelden zonder enig bewijs; verrassing! Niet zelden zijn er dan weer andere, gerelateerde
clubjes die voor heel veel belastinggeld in de vorm van cursussen en trainingen de
«remedie» kunnen leveren tegen al dit zogenaamd geconstateerde racisme.
Het dieptepunt is natuurlijk het meest recente «onderzoek» van het bureau Kennisplatform
Inclusief Samenleven, dat wegens ondeugdelijkheid en belangenverstrengeling is teruggetrokken.
De opdrachtgever bleek getrouwd te zijn met de uitvoerder. Ook methodologisch bleek
niets ervan stand te houden. Het is pure wetenschapsfraude. Meneer Bamenga van D66
zat deze charlatans net nota bene nog toe te juichen. Het Kennisplatform Inclusief
Samenleven heette eerder, tot 2022, het Kennisplatform Integratie en Samenleving,
maar «Integratie» moest er volgens het bureau zelf uit, «want de tweede, derde en
nu al vierde generatie van mensen met een migratieachtergrond zijn hier geboren en
getogen. Integreren is dus helemaal niet meer aan de orde.» Als deze Minister hecht
aan integratie, waarvan uit cijfers duidelijk is dat die per generatie helemaal niet
beter wordt, dan kapt hij dus met dat bureau KIS en al die flutonderzoeken. Kan hij
dat toezeggen?
Voorzitter. Integratie begint met weten wie wij zijn, dat verdedigen en van nieuwkomers
niets minder eisen dan aanpassing. Laten we daar nu eens mee beginnen, want anders
zitten onze opvolgers over 40 jaar nog steeds in dit moeras van pappen en nathouden,
tenzij we gewoon allemaal geïntegreerd zijn, naar het model van een islamitische samenleving,
welteverstaan.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank. Ik kijk even rond om te zien of er een interruptie is. Nee, die is er niet.
Dan ga ik naar de heer Van den Brink voor zijn bijdrage.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Op de agenda staat het begrotingsonderdeel Integratie en maatschappelijke
samenhang. Ik ga het vandaag nadrukkelijk over beide aspecten hebben, te beginnen
met maatschappelijke samenhang. De afgelopen jaren is de maatschappelijke samenhang
niet per se verbeterd. De verdraagzaamheid in de samenleving staat onder druk. We
hebben de afgelopen anderhalf jaar een kabinet gehad dat bij een deel van de samenleving
geen warme gevoelens opriep, een kabinet dat er volgens velen te weinig voor heel
Nederland was. Daarnaast heeft de oorlog in Gaza geleid tot diepe maatschappelijke
verdeeldheid en een grotere kloof tussen allerlei al dan niet religieuze groeperingen
in ons land.
Een paar weken geleden is een nieuw kabinet aangetreden. Ik wil het kabinet aanmoedigen
om gemeenschappen en de samenleving te stimuleren om echt het gesprek met elkaar aan
te gaan. Wat kan het kabinet doen om dat gesprek te stimuleren? Bent u bereid om de
budgetten op de begroting zo te gebruiken dat maatschappelijke scheidslijnen worden
overbrugd? Neem bijvoorbeeld de kloof op universiteiten, waar joodse studenten zich
onveilig voelen en islamitische studenten zich te weinig gehoord. Wat doet de regering
om daar de maatschappelijke samenhang te bevorderen, juist ook tussen deze groepen?
Overigens is het CDA ervan overtuigd dat we voor zulke initiatieven niet in eerste
instantie naar de overheid moeten kijken. Wij willen aan de kant staan van mensen,
groeperingen en initiatieven die zelf naar verbinding en gemeenschap zoeken. Voor
plannen die leiden tot echte gesprekken en echte ontmoetingen zullen wij ons hier
uiteraard uitspreken, maar het moet gebeuren in de buurthuizen, op de marktpleinen,
op de universiteiten, in de woonkamers en in de wijken. De politiek heeft daar een
voorbeeldfunctie in, daar ben ik van overtuigd, maar we moeten vooral die maatschappelijke
initiatieven faciliteren en hier niet verdeeldheid verder aanwakkeren.
De heer Boon (PVV):
Ik sloeg er even op aan dat het CDA graag samenwerkt met organisaties die willen verbinden,
die inclusie... Het hele verhaal, we kennen het. Maar wat verbaast me nou? Ik kom
weer terug op de Moslimbroederschap. Dat is gewoon een hele enge club die de sharia
hier wil invoeren. In Frankrijk zijn ze wakker geworden: daar zijn resoluties met
een grote meerderheid aangenomen. Maar iedere keer als hier in dit huis iets ter stemming
komt, bijvoorbeeld een motie van mij om de Moslimbroederschap te verbieden, heb je
pro-islamitische partijen als DENK, PvdA-GroenLinks, Forum voor Democratie of de Partij
voor de Dieren, maar ook het CDA, die er iedere keer voor staan om die Moslimbroederschap
te behouden. Kunt u nou eens uitleggen waarom het CDA zo verstrengeld is met de Moslimbroederschap
om daar hier continu voor op te komen, continu om die enge club te behouden?
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Wij zijn niet verstrengeld met de Moslimbroederschap, zoals u suggereert. Waar ik
hier voor pleit, is om het gesprek aan te gaan, tussen mensen, in de samenleving,
op allerlei manieren en allerlei plekken. Daar zullen wij ons elke dag voor inzetten.
Ik denk echt dat we met elkaar in gesprek zullen moeten als we verder willen komen
in dit land. We kunnen hier wel in dit debat elkaar grote verwijten maken en elkaar
op grond van geloof of anderszins wegzetten, maar ik geloof dat we daar geen sikkepit
verder mee komen.
De voorzitter:
Nog een interruptie van de heer Boon.
De heer Boon (PVV):
U heeft het over in gesprek gaan met groeperingen. Dan denk ik: als ik u zou vragen
om in gesprek te gaan met Al Qaida, dan zegt u nee; of u in gesprek zou gaan met IS,
dan zegt u ook nee. Maar die Moslimbroederschap is net zo'n enge club. Die willen
precies hetzelfde, alleen in een ander tempo en op een andere manier. Maar de uitkomst
is hetzelfde: allemaal willen ze de sharia en de onderwerping van ons. Dus waarom
durft het CDA dan niet op te staan tegen de Moslimbroederschap? Ik hoorde een hoop
zoete woorden, maar zegt u ook dat die enge club niet in Nederland hoort en dat we
die, net als Frankrijk, net als Florida, net als Texas, net als heel veel andere staten
in Amerika die daarmee bezig zijn, verbieden?
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Als de Moslimbroederschap zich hier in Nederland niet houdt aan onze regels en wetten,
dan is het de taak van het OM om daartegen op te treden. Zo simpel is het volgens
mij.
De voorzitter:
Nog één interruptie.
De heer Boon (PVV):
Dus als de Moslimbroederschap via onze wetten en regels het mogelijk maakt om de sharia
in te voeren, vindt het CDA dat geen probleem. Tja, ik heb de heer Hirsch Ballin weleens
horen zeggen: als de sharia met een meerderheid wordt ingevoerd, dan accepteer ik
dat. Maar dan denk ik: dat is heel raar; wij moeten toch onze samenleving beschermen
tegen de sharia en niet zeggen dat, als ze zich aan onze wetten en regels houden,
we dan... Nee, we moeten gewoon een keiharde streep durven zetten, onze Grondwet beschermen,
onze vrijheden beschermen. En dan moeten we gewoon zeggen: deze club is niet welkom.
Dus ik vraag nog één keer aan het CDA: wees niet zo naïef, open je ogen. De Moslimbroederschap
is een doodenge club. Er zijn rapporten volgeschreven. De Franse overheid heeft een
megarapport geschreven. Ga dat lezen en kijk hoe ze juist met gebruikmaking van de
regels en met van die slappe wetten die we hier hebben, bezig zijn om stap voor stap
de sharia in te voeren.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Uw suggestie dat wij voor de sharia zouden zijn, verwerp ik. Wij zijn voor de democratische
rechtsstaat, wij zijn voor de democratische instituties en wij zullen alles doen om
die te beschermen tegen wie dan ook. De Grondwet staat bij ons op één en dat moet
zo blijven.
De voorzitter:
Er is nog een interruptie van de heer Boon.
De heer Boon (PVV):
U geeft nul antwoord op mijn vraag. Ik heb ook niet gezegd dat het CDA voor de sharia
is. Dat hoop ik in ieder geval niet en ik ben blij om te horen dat dat niet zo is.
Maar ik stel gewoon een heel concrete vraag met een ja-of-nee-antwoord. Als de Moslimbroederschap
via de regels, via de wetten die in ons land geldig zijn, werkt aan de invoering van
de sharia, vindt het CDA dat dan een probleem, ja of nee? Gaat het CDA dan de Moslimbroederschap,
als het die een probleem vindt, die dan tegenhouden en onze Grondwet beschermen, ja
of nee? Het is heel eenvoudig. Draai er niet omheen, geef antwoord!
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik begrijp de vraag gewoon niet zo goed. Ik begrijp niet wat u bedoelt met «als de
Moslimbroederschap via onze regels de sharia gaat invoeren».
De voorzitter:
Volgens mij zijn er geen interrupties meer om die vraag nog te verhelderen. Dan ga
ik nu naar mevrouw Nanninga.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik hoop dat de heer Van den Brink oprecht niet begrijpt wat er wordt bedoeld. Ik deed
dus net in mijn betoog een beroep op het CDA en de VVD om deze kwestie te snappen.
Is meneer Van den Brink bereid om zich daar eens in te verdiepen? Meneer Boon heeft
namelijk wel gelijk als hij zegt dat waar hij het over heeft, is wat er gebeurt; je
moet het alleen snappen. De Moslimbroederschap doet het niet met bommen en dreiging
et cetera; dat is precies wat er aan de hand is. Dat is misschien ook wat tot de frustratie
leidt bij de PVV, maar ook bij ons: als je niet ziet waar de Moslimbroederschap mee
bezig is, denk je dus «o, ja, goed, ze overtreden de wet niet». Is meneer Van den
Brink op z'n minst bereid zich daar namens het CDA eens in te verdiepen, daarover
eens wat van mij of van iemand anders die het misschien beter weet dan ik aan te nemen?
Het is namelijk een hele enge, verkeerde club. De frustratie zit ’m in het niet snappen
of, in sommige gevallen, het bewust niet willen snappen.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik ben altijd bereid om te proberen te snappen wat ik niet begrijp, dus als dat uw
vraag is, dan is mijn antwoord ja.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Dat is dan winst.
De voorzitter:
U kunt uw betoog vervolgen.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dan kom ik bij integratie. Als je puur afgaat op de statistieken die we ook in deze
begroting zien, dan gaat het best goed. Dan zie je dat het met de tweede generatie
vaak beter gaat dan met hun ouders. Ze hebben vaker een baan en weten ook de weg in
het onderwijs beter te vinden. Toch lijken velen in de samenleving te vinden dat het
niet goed gaat; we hebben daar eerder al stemmen over gehoord. Cijfers geven slechts
een beperkt beeld van integratie. Ze geven trends weer, maar integratie zit dieper
dan of je een baan hebt of welke opleiding je volgt. Het gaat over echt onderdeel
zijn van de samenleving. In de begroting worden drie indicatoren meegenomen voor «dezelfde
maatschappelijke positie innemen als groepen zonder migratieachtergrond». Die indicatoren
zijn belangrijk maar zeggen niet alles. Dat zijn: arbeidsparticipatie, werkloosheid
en het aantal leerlingen dat in het voortgezet onderwijs havo of vwo volgt.
In het CBS-rapport Integratie en samenleving 2024 zien we indicatoren die misschien
wel net zo veel zeggen: contact met buren, deelname aan verenigingsleven, vrijwilligerswerk.
In die statistieken zien wij dat mensen met een migratieachtergrond de weg naar bijvoorbeeld
vrijwilligerswerk minder vaak weten te vinden dan mensen zonder een migratieachtergrond.
Is de Staatssecretaris het met de CDA-fractie eens dat dergelijke gegevens ook een
belangrijke indicator zijn van integratie? Kan de Staatssecretaris aangeven of, en
zo ja, hoe zijn departement op deze indicatoren stuurt en die indicatoren stimuleert?
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om in het kader van integratie ontmoeting
en burencontact in wijken te versterken?
Het CDA ziet dat er werk aan de winkel is ten aanzien van integratie en dat waarden
als tolerantie tegenover andersdenkenden, de vrijheid van meningsuiting en het recht
op zelfbeschikking niet voor iedereen vanzelfsprekend zijn. Wij staan aan de kant
van iedereen die voor die vrijheden vecht.
Voorzitter. Ik heb het Rekenkamerrapport over de Wet inburgering 2021 met belangstelling
gelezen. Ik dank ook de mensen van de Algemene Rekenkamer voor de briefing die zij
hierover hebben verzorgd. In 2020 werd deze wet in de Tweede Kamer behandeld. Mijn
CDA-voorganger René Peters beschreef toen het personalistische mensbeeld waarmee ik
ook naar deze wet wil kijken: zien dat de mens uniek en relationeel is en dat we een
individuele waardigheid hebben maar dat we ons pas echt kunnen ontplooien in een leven
met en voor anderen en met het idee dat we er als persoon voor anderen toe doen.
De Rekenkamer kaart een aantal punten aan waarvan de regering al heeft aangegeven
dat ze daarmee aan de slag wil gaan. Ook voor het CDA zijn deze punten belangrijk:
snel en zo goed mogelijk de Nederlandse taal leren als basis voor een geslaagde integratie,
en werk als opstap naar een waardevolle deelname aan de Nederlandse maatschappij.
Rond werk raakt de Rekenkamer aan een punt waar de regering in haar reactie aan voorbijgaat.
Dat is dat mensen zo snel mogelijk naar werk helpen er ook toe kan leiden dat we aan
het echte potentieel van mensen voorbijgaan. Een verpleegkundige als pizzakoerier
aan de slag laten gaan is misschien niet zo slim. Als we iets meer tijd nemen, kan
de verpleegkundige misschien als verpleegkundige aan de slag. Mijn oproep aan de regering
is om hier toch mee aan de slag te gaan en dit advies niet links te laten liggen.
Mijn fractie denkt dat de koppeling met niet alleen sociaal ontwikkelbedrijven, maar
juist met het werkcentrum hierin een verschil kan maken. Hoe ziet de regering dat?
In hoeverre is al in deze route voorzien?
Nog één opmerking, meneer de voorzitter. Integratie en inburgering beperken zich niet
tot statushouders en asielzoekers. Ook expats, arbeidsmigranten en internationale
studenten die zich in Nederland vestigen, moeten hier integreren. Mijn vraag aan de
regering is welk beleid zij hierop voert. In de begroting lees ik dat namelijk niet
goed terug.
Ik sluit af met een element van wederkerigheid. Wij vragen nieuwkomers om hun best
te doen om te integreren, en terecht. Dat betekent dat wij ook klaar moeten staan
om mensen echt op te nemen.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van den Brink. Zoals we eerder hebben afgesproken, zouden we nu
schorsen. Ik stel voor om dat te gaan doen. We kunnen dat voor een uur doen. De Minister
heeft een uur nodig. We kunnen dat dan combineren met de dinerpauze. Vervolgens zullen
we de termijn van de heer Ergin en de termijn van de Minister doen.
Minister Aartsen:
Voorzitter, ik ken de vragen van de heer Ergin nog niet. Dat uur moet wat mij betreft
na de termijn van de Kamer vallen.
De heer Ergin (DENK):
Voorzitter, volgens mij heb ik aan het begin van dit debat een ordevoorstel gedaan.
Het ordevoorstel was om rond 18.40 uur te schorsen. Het is nu rond 18.40 uur. Daar
heeft iedereen mee ingestemd. Ik stel dus voor dat we gewoon gaan schorsen, al is
het maar voor tien of vijftien minuten. Dan kunnen de mensen die daar behoefte aan
hebben even een soepje en een dadeltje eten. Dan kunnen we doorgaan met het debat.
Ik heb het netjes aan het begin van het debat gevraagd. Laten we die schorsing gewoon
nu inlassen.
De voorzitter:
Oké, dan wil ik het volgende voorstellen. We schorsen nu een kwartier, zoals dat eerder
is voorgesteld. Daarna komen we terug voor de bijdrage van de heer Ergin en daarna
schorsen we drie kwartier voorafgaand aan de termijn van de Minister.
De heer Boon (PVV):
De heer Ergin zegt dat iedereen heeft ingestemd met de ramadanschorsing. De PVV heeft
duidelijk gemaakt dat ze daar niet mee instemde. Dat nogmaals voor de notulen.
De voorzitter:
Ja, dat was al helder.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Een punt van orde. Ik vind het ook echt bezopen dat we hier in Nederland onze vergadering
met Nederlandse volksvertegenwoordigers en een Nederlandse Minister gaan schorsen
voor een iftar.
De voorzitter:
Oké, dank u wel. Dan gaan we het zo doen. We schorsen voor een kwartier. We zijn zo
direct terug. Volgens mij is dat dan om 18.50 uur.
De vergadering wordt van 18.35 uur tot 18.50 uur geschorst.
De voorzitter:
Yes, laten we weer van start gaan. Ik geef de heer Ergin het woord.
De heer Ergin (DENK):
Voorzitter, dank u wel. Nogmaals dank aan de commissie voor de coulance.
De stofwolken van het rampzalige integratiebeleid van Schoof zijn nog niet neergedaald,
maar één ding is duidelijk: het politieke debat over zogenaamde integratie is de afgelopen
jaren feller geworden. Het is volledig ontspoord. Steeds vaker worden mensen met een
migratieachtergrond neergezet als probleem. We hebben het vandaag nog in het debat
kunnen zien. Zelfs het idee om paspoorten van Nederlanders af te pakken, is opeens
onderdeel geworden van het debat over integratie.
Nog nooit zijn groepen Nederlanders zo massaal gedemoniseerd. De schade die het vorige
kabinet heeft aangericht, het wantrouwen, het stigmatiseren en demoniseren, is enorm.
Moslimjongeren en Nederlanders met een migratieachtergrond zijn door de PVV en de
VVD gereduceerd tot een zogenaamd integratieprobleem. Daarom begin ik met een eenvoudige
vraag aan de Minister. Heeft Nederland volgens het huidige kabinet een integratiecrisis?
Gelukkig gaat het niet lang meer duren voordat de politiek tot een belangrijk inzicht
gaat komen, namelijk dat de term «integratie» niet meer van deze tijd is. Dat het
een oeroude discussie is, iets van de jaren negentig. Want wat gebeurt er als we blijven
praten over integratie? Dan blijven we groepen Nederlanders apart zetten. Dan blijven
we groepen mensen langs een meetlat leggen. Alsof sommige Nederlanders eerst moeten
bewijzen dat ze erbij horen. Dat is politiek van wantrouwen. Helaas lezen we in het
coalitieakkoord dat wantrouwen ook terug. Integratie wordt steeds maar weer vernauwd
tot veiligheidsthema's, met steeds weer hetzelfde uitgangspunt: mensen met een migratieachtergrond
worden bekeken als een probleem dat opgelost moet worden.
De samenleving is echter allang verder. Nederland is super divers en die diversiteit
groeit alleen maar. Voor sommige partijen is dat reden om angstverhalen en complottheorieën
te verspreiden. Maar of deze partijen nu hoog of laag springen, de toekomst van Nederland
is een toekomst zonder hokjesdenken, een toekomst waarin mensen niet meer door een
integratiehoepel hoeven te springen. Dat is namelijk wat de politiek er jarenlang
van heeft gemaakt: integratie als een hoepel. Mensen moesten erdoorheen springen om
te bewijzen dat ze deugen, dat ze er mogen zijn en dat ze Nederlander kunnen zijn.
Elke keer als ze erdoorheen sprongen, verzon de politiek weer een nieuwe hoepel. Eerst
zei men dat mensen met een migratieachtergrond niet willen studeren. Ik zou zeggen:
ga eens langs de mbo's, de hogescholen en de universiteiten. Het barst er van de diversiteit.
Daarna zei men dat deze mensen niet willen werken. Inmiddels weten we dat ondernemers
met een migratieachtergrond jaarlijks 90 miljard euro bijdragen aan onze Nederlandse
economie. 90 miljard euro! Toen was het verwijt dat Nederlanders met een migratieachtergrond
leven in parallelle samenlevingen. Wat bleek uit onderzoek in 2024? Dat het juist
Nederlanders zonder migratieachtergrond zijn, die vaak het minste contact hebben met
andere groepen.
Dan is er nog de racistische theorie dat mensen met een migratieachtergrond crimineler
zouden zijn. Ook dat klopt simpelweg niet. Criminaliteit heeft niets, maar dan ook
niets te maken met religie, afkomst of huidskleur. Het heeft te maken met persoonlijke
omstandigheden en met de sociaal-economische positie van iemand.
Nederlanders met een migratieachtergrond doorbreken iedere hoepel. Ze blinken uit
in ondernemerschap, ze vertegenwoordigen Nederland in internationale topsport, ze
staan voor de klas, ze werken in de bouw en ze zorgen voor mensen die zorg nodig hebben.
Hun boodschap is duidelijk: wij zijn hier, wij blijven hier en Nederland is van ons
allemaal.
Maar er is wel degelijk een probleem in Nederland. Dat probleem heet «integratieparadox».
Het betekent simpelweg: hoe beter mensen meedoen en een bijdrage leveren, hoe hoger
ze bijvoorbeeld in het bedrijfsleven opklimmen, hoe vaker ze merken dat anderen hen
nog steeds als buitenstaander zien. Stel je voor, je studeert, je werkt en je betaalt
belasting. Toch krijg je steeds de vraag: waar kom je eigenlijk echt vandaan? Het
probleem is dus niet de integratie, maar het probleem is de acceptatie. Daarom heeft
mijn fractie vorige week een initiatiefwetsvoorstel aangekondigd om ervoor te zorgen
dat mensen bij het zoeken en het solliciteren naar een baan gelijke kansen krijgen,
dat werkgevers verantwoordelijk worden voor een eerlijke sollicitatieprocedure en
dat de Arbeidsinspectie ook kan meekijken.
Voorzitter. Dan kom ik bij de actieagenda. Die is door het vorige kabinet opgesteld.
Het onderwerp «integratieparadox» werd daarin volledig genegeerd. Daarom vraag ik
deze Minister: erkent hij de integratieparadox en gaat hij die meenemen in het herijken
van zijn agenda? Dit onderwerp is door het vorige kabinet eigenlijk vakkundig weggepoetst.
Dan weer terug naar het acceptatieprobleem. Dat is het echte probleem in Nederland.
Het bereikt een toppunt tijdens de maand ramadan. Ook vandaag horen we weer: Nederland
islamiseert. Weer anderen zeggen: de scheiding tussen kerk en staat verdwijnt, als
er opeens ramadanverlichting ergens in een winkelstraat hangt. Als gemeenten, maatschappelijke
organisaties maar ook overheidsorganisaties een iftar organiseren, is Nederland opeens
te klein. O wee als er een politieagent aanschuift om kennis te maken met mensen,
om ervaringen op te doen, om te luisteren naar welke signalen er zijn. Dan is Nederland
te klein. Bij alle andere feestdagen, of die nou christelijk zijn of joods of geen
religieuze grondslag hebben, zien we dit niet gebeuren. Die dubbele standaard waar
we tegenaan lopen, is het echte probleem van dit land.
We zagen het vorige week nog. Helaas deed de Minister daar ook een beetje aan mee.
We zagen het zoveelste onderzoek naar moslimdiscriminatie. We kunnen deze zaal vullen
met onderzoeken naar moslimdiscriminatie. In plaats van dat het debat in de Tweede
Kamer gaat over de vraag wat we met de conclusies gaan doen, wat we gaan veranderen
en wat we concreet gaan doen om te zorgen dat moslimdiscriminatie wordt verbannen,
hebben we hier altijd discussies over de boodschapper. Bij het nationale moslimonderzoek
ging het opeens over de onderzoeksmethode, over hoeveel mensen er werden ondervraagd.
Vorige week ging het erom dat een islamitische stichting had meebetaald aan het onderzoek.
Het is toch logisch dat je als islamitische organisatie die zich zorgen maakt over
moslimdiscriminatie, juist op zoek gaat naar een gerenommeerd onderzoeksinstituut,
zoals het KIS, en samen onderzoek uitvoert?
Van sommige partijen in dit huis begrijp ik het, want zij willen het niet over moslimdiscriminatie
hebben. Sterker nog, zij vinden het prima als moslimdiscriminatie plaatsvindt. Het
is hun verdienmodel. De haatagenda die de PVV en inmiddels ook JA21 uitrollen, is
een verdienmodel geworden. Maar wat ik niet begrijp, is dat de Minister niet gewoon
zei: ja, moslimdiscriminatie is een serieus probleem en we gaan daar werk van maken;
dit kabinet gaat daarmee aan de slag. In plaats daarvan zagen we in alle kranten en
in alle communicatie dat de Minister vraagtekens zette bij de procedure, bij hoe het
allemaal is gegaan. Er moest weer een accountant naar kijken en er moest gekeken worden
naar de integriteitsregels. Waarom is het nou zo moeilijk om te zeggen: dit onderzoek
bewijst dat we een probleem hebben met moslimdiscriminatie en we gaan hier serieus
werk van maken? Graag een reactie van de Minister hierop. Mij bekruipt het gevoel
dat opnieuw een onderzoek over moslimdiscriminatie in een la gaat verdwijnen.
Dan over het coalitieakkoord. Ik zei al eerder dat we in de integratieparagraaf met
name zien dat integratie wordt gekoppeld aan veiligheidsvraagstukken. Het gaat over
buitenlandse inmenging, over financiering van moskeeën, toezicht op informeel onderwijs,
radicalisering, spanningen binnen gemeenschappen. Het beleid lijkt primair gericht
te zijn op het plaatsen van mensen met een migratieachtergrond in het verdachtenbankje.
Ik ben echt benieuwd hoe de nieuwe Minister hier in zijn eerste debat naar kijkt.
Kijkt hij veel breder naar het vraagstuk dat hij integratie noemt? Als het aan mij
ligt, is de integratie voorbij. Het is mooi geweest. We hebben het al 50 jaar over
integratie. Mensen die hier geboren en getogen zijn, hoeven niet meer te integreren.
Ik ben benieuwd hoe de Minister kijkt naar het beleid waarbij continu integratie wordt
geplaatst in de hoek van wantrouwen richting mensen met een migratieachtergrond. Dan
heb ik gelijk een vraag over staatstoezicht bij weekendscholen, want ook dat wordt
gepresenteerd als een activiteit die de integratie zou bevorderen, namelijk het wetsvoorstel
Toezicht informeel onderwijs. Ik ben benieuwd wat de Minister gaat doen met het wetsvoorstel
dat inmiddels al langs de internetconsultatie is geweest en klaarligt. Wordt dit wetsvoorstel
ingediend of gaat de Minister dat wetsvoorstel in samenspraak met OCW wijzigen?
Het volgende punt gaat over de versterkte gebedsoproepen. «Versterkte gebedsoproepen»
klinkt zo technisch, alsof het een discussie is over welk merk speakers we moeten
gebruiken, maar we weten allemaal dat dit over de islamitische gebedsoproep gaat,
de azan. Het vorige kabinet heeft daar een onderzoek naar uitgevoerd. Er is een nulmeting
uitgevoerd. Ik heb er snel naar gekeken en die nulmeting zegt eigenlijk dat de meeste
gemeenten – volgens mij meer dan 90% – helemaal geen knelpunten ervaren. Sterker nog,
in de nulmeting hebben gemeenten aangegeven helemaal geen behoefte te hebben aan extra
regels. In mijn woorden zegt het kabinet dat de islamitische gebedsoproep aan banden
moet worden gelegd. Het vorige kabinet formuleerde dat als «extra nadere regels ten
aanzien van versterkte gebedsoproepen». Ik ben benieuwd wat dit kabinet daarmee gaat
doen. Gaat dit kabinet verder waar het vorige kabinet is gebleven door extra maatregelen
in te voeren en de gebedsoproepen aan banden te leggen? Of accepteert de Minister
op basis van deze nulmeting dat het probleem dat in dit huis en door het vorige kabinet
werd gesuggereerd, gewoonweg niet bestaat?
Voorzitter. Ik kom op de motie-Becker. Opvallend genoeg reageert de Minister in zijn
brief op bijna alle moties die wij in het vorige WGO, en in de debatten daarna, hebben
ingediend. Over één specifieke motie, die tot veel zorgen en commotie in het land
leidt, wordt echter helemaal niks gezegd. Dat is de motie-Becker waarin de VVD vroeg
om de religieuze en culturele opvattingen van Nederlanders met een migratieachtergrond
te volgen, te registreren en daar onderzoek naar te doen. Ik typeerde dit destijds
als een soort VVD-gedachtenpolitie. Ik heb een vraag aan deze kersverse Minister,
die aan de slag wil gaan met maatschappelijke samenhang en de samenleving in dit land.
Gaat hij die motie daadwerkelijk uitvoeren? Of zegt hij: we blijven natuurlijk SIM-onderzoeken
doen, maar gaan niet specifiek registreren wat mensen met een migratieachtergrond
vinden van weet ik veel welk onderwerp dan ook?
Ik sluit af. Ik zeg tegen alle collega's hier in de zaal die de afgelopen twee, drie
uur de islam hebben geproblematiseerd en hebben gedaan alsof Nederland islamiseert,
alsof Nederland uit onze handen glipt: kijk naar de Kanaalstraat in Utrecht, kijk
naar de Zwart Janstraat in Rotterdam, kijk naar de Schilderswijk in Den Haag, kijk
naar Plein ’40-’45 in Amsterdam. Daar zie je de echte verandering in Nederland. Je
ziet niet dat Nederland islamiseert, maar dat onze samenleving verandert. Je ziet
dat moslims en niet-moslims, dat mensen met en zonder migratieachtergrond elkaar opzoeken.
Daar zie je dat mensen met elkaar samenleven, samenwerken en samen bouwen aan een
wijk, en samen bouwen aan een toekomst. Dat is de toekomst van Nederland. En dat Nederland
zegt heel duidelijk: we zijn hier, we blijven hier en Nederland is van ons allemaal.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Ergin. Ik zie een interruptie van mevrouw Michon-Derkzen.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik zit natuurlijk in dubio om een interruptie te plegen, want dit is zo'n debat – dit
is ook al eerder gezegd – waarin iedereen weer zijn totempaal neerzet, inclusief als
extra profilering een schorsing om even iets te gaan eten, wat ik niet eerder heb
meegemaakt. Toch zou ik de heer Ergin willen vragen of hij het met de VVD eens is,
want hij zegt nogal wat over hoe wij de moslimgemeenschap neerzetten. Daar neem ik
absoluut afstand van. Ik hoor de heer Ergin de cijfers over bijvoorbeeld de bijstand,
die collega's ook hebben genoemd, ontkennen. Je ziet dat een heel grote groep statushouders – laat
ik het bij dat feit houden – na vijf jaar nog steeds in de bijstand zit. Van meneer
Ergin mogen we het niet hebben over integratie, voorzitter. Vindt meneer Ergin dat
hij met zijn inbreng nou een positieve bijdrage levert aan dit debat, dat gevoerd
moet kunnen worden?
Ik hoor hem ook zeggen dat de integratie eigenlijk af is en dat we het er maar niet
meer over moeten hebben. Helpt het om het niet meer over dit onderwerp te hebben,
vraag ik collega Ergin, hoe onwelgevallig alle meningen ook kunnen zijn. Niet elke
mening die ik hier hoor, is mijn mening. Dat zal voor de heer Ergin ook gelden. Maar
helpt zijn voorstel om het er niet meer over te hebben, vraag ik de heer Ergin.
De heer Ergin (DENK):
Dat helpt zeer zeker, omdat we eigenlijk een hele rare discussie voeren in dit huis.
Wij hebben in Nederland wetten en regels. Iedereen die in Nederland woont, moet zich
daaraan houden. Het maakt niet uit welke kleur je hebt of in welke religie je gelooft.
We hebben dus integratiebeleid, waarbij we tegen geboren en getogen Nederlanders ...
Dat staat nog los van het feit dat je niet geboren en getogen in Nederland hoeft te
zijn om later het Nederlandse paspoort te kunnen krijgen. Wij voeren een discussie,
waarbij we bepaalde groepen mensen langs een bepaalde meetlat leggen. Dat is het rare
aan dit integratiedebat. We moeten kijken naar het gedrag van mensen. Als er in dit
land mensen zijn die problematisch gedrag vertonen, dan pakken we die mensen aan op
basis van gedrag. Ik kan er echt niet tegen, en alles in mij verzet zich daar ook
tegen, dat we op basis van complexe uitdagingen – dat zeg ik er ook heel eerlijk bij – het
hele debat eigenlijk gewoon cultureel platslaan. We slaan het plat naar migratieachtergronden
en naar religie, terwijl we weten dat de sociaal-economische positie van iemand heel
belangrijk is.
Dat wordt gelukkig steeds minder. Dat is positief. Dat komt niet door het integratiedebat
dat we hier voeren, maar door de positieve verandering in Nederland dat steeds meer
mensen die sociale ladder opklimmen. Dat heeft niks te maken met hun cultuur. Dat
heeft niks te maken met hun religie. Dat heeft ermee te maken dat ze hun stinkende
best doen en dat ze een bijdrage leveren aan Nederland. We moeten stoppen met mensen
in dit debat, in dit huis, te reduceren tot één identiteit. Mensen hebben meerdere
identiteiten. Ik heb meerdere identiteiten, en mevrouw Michon-Derkzen heeft dat ook.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Voorzitter, dit is mijn laatste interruptie.
De voorzitter:
Ja.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ja, die ga ik gebruiken. Ik ben het met de heer Ergin eens dat het over gedrag moet
gaan. Dat ben ik totaal met hem eens. Het gaat niet om de afkomst. Het gaat al zeker
niet om religie, want daar hebben we ook vrijheid van in dit land. Maar het gaat wel
over gedrag. Dit debat zoomt in op problematisch gedrag dat voortkomt uit het feit
dat iemand hier vanuit een ander land of een andere cultuur naartoe is gekomen. Zij
hebben daarom bijvoorbeeld lagere startkwalificaties vergeleken met de Nederlandse
beroepsbevolking. Er zitten daarom feitelijk meer mensen in de bijstand vergeleken
met de Nederlandse beroepsbevolking. We hebben daarom een Landelijk Expertise Centrum
Eergerelateerd Geweld. Zo kan ik nog wel even doorgaan. Dat zijn problemen die we
ook met elkaar moeten benoemen. Iedereen gebruikt daar zijn eigen woorden voor. Heel
veel woorden die ik hier vandaag hoor, zijn niet mijn woorden. Ik heb mijn woorden
ook zorgvuldig gekozen. Maar, meneer Ergin, wat mij dan weer echt steekt, is dat u
zegt: benoem dit niet, want daarmee reduceer je mensen. Nee, je reduceert mensen,
als je de problemen niet meer benoemt. En er zijn wel degelijk problemen. Die benoemen
we hier en we vragen de Minister om daarop in te zetten. Vorig jaar hebben we gezien
dat dit werd gedaan met de actieagenda. Ik heb ingezoomd op taal en werk. Ik hoop
dat de heer Ergin het met mij eens is dat we problemen zoals vrouwelijke statushouders
aan het werk krijgen hier met elkaar moeten aanpakken. We moeten die bekijken en aanpakken.
Ik hoop dat de heer Ergin dat met mij eens is.
De heer Ergin (DENK):
Mevrouw Michon zegt dat we mensen meer aan het werk moeten zetten en aan een baan
moeten helpen. Ik heb daarover nota bene vorige week nog een initiatiefwetsvoorstel
ingediend. Ik hoop overigens dat de VVD dat wetsvoorstel gaat steunen, net zoals de
vorige keer. Ik ben het echter niet eens met de VVD en zie het als een vorm van problematisch
gedrag als je obsessiepolitiek bedrijft en in dit huis voorstellen indient, waarbij
je letterlijk aan de Minister – toen was het de Staatssecretaris – vraagt om onderzoek
te doen naar de opvattingen van mensen met een migratieachtergrond. Als moet worden
geregistreerd – dat staat letterlijk in de motie – wat hun culturele en religieuze
opvattingen zijn, dan ben je niet bezig met mensen helpen, maar met obsessiepolitiek
waarbij je tegen een hele groep mensen eigenlijk zegt: u deugt niet of u deugt, omdat
de VVD dat zegt. De samenleving is veel verder dan dat. We moeten in dit huis daarom
ook stoppen met het debat over integratie. We moeten het hebben over wederzijdse acceptatie
waarbij we alles in brede zin met elkaar kunnen bespreken.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik wil een persoonlijk feit maken.
De voorzitter:
Een persoonlijk feit.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
De heer Ergin ridiculiseert de motie van mijn collega Bente Becker. Dat weet hij donders
goed. Wie die motie goed leest, weet dat daar niet staat wat nu door de heer Ergin
naar voren wordt gebracht. Hij zal daar geen afstand van nemen, maar ik wil dat hier
gezegd hebben.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik kijk even rond of er nog interrupties zijn. Die zijn er niet. Ik stel
voor om te schorsen, zodat de Minister zich kan voorbereiden op de beantwoording van
alle vragen. Ik stel voor om om 19.55 uur terug te komen. Is dat voldoende tijd? Ja,
dat is zo.
De vergadering wordt van 19.11 uur tot 19.55 uur geschorst.
De voorzitter:
Goedenavond. We gaan beginnen met de eerste termijn van de Minister. Ik stel voor
om vier interrupties toe te laten aan de leden van de Kamer en dat iedere keer te
doen aan het einde van een blok. Zullen we dat doen? Ik stel ook voor dat de Minister
van tevoren aangeeft welke blokjes er zijn, en dan kunnen we starten. Ik geef de Minister
het woord.
Minister Aartsen:
U wilt eerst de blokken, meneer de voorzitter. Ik heb eerst een algemene intro van
een uurtje of drie, denk ik. Daarna ga ik iets algemeens zeggen over het inburgeringsstelsel.
Er zijn wat vragen gesteld over taal – dat hangt daarmee samen – en over integratie.
Daar zitten een aantal kleinere blokjes bij. Ik moet even kijken of dat aparte blokken
worden of niet, maar laten we het even op integratie houden. Daarin zitten dialoog,
ongewenste buitenlandse beïnvloeding, radicalisering en moslimdiscriminatie, en dan
is er het kopje varia. Ik ben hier vrij nieuw vandaag. Het is mijn eerste debat, dus
ik heb meerdere blokjes gedaan. Maar dat is natuurlijk uitlokking tot interrupties
in uw systeem, dus we moeten even kijken hoe we het gaan doen.
Voorzitter. Nogmaals, het is inderdaad fijn om hier vandaag te zijn. Het is mijn eerste
debat als Minister van Werk en Participatie. Ik heb veel zin om met dit onderwerp
aan de gang te gaan. Laat ik gewoon beginnen met de stelling dat Nederland eigenlijk
een fantastisch mooi land is. Waarom is Nederland nou zo'n fantastisch mooi land?
Ik denk dat de meesten van ons nergens anders zouden willen wonen. Dat heeft ermee
te maken dat wij in Nederland een ongekende welvaart en een ongekende vrijheid kennen.
Vooral die combinatie is vrij uniek in de wereld, kunnen we wel stellen.
In de kern is dat wat mij betreft waar integratie en inburgering om gaan. We hebben
die welvaart namelijk met elkaar, omdat iedereen die in Nederland is, of hij nou nieuw
is of hier al 100 jaar woont, een bijdrage levert aan ons land, omdat hij meedoet
in ons land door te werken, door te ondernemen, door vrijwilligerswerk te doen, door
te zorgen voor een ander. Dat is uiteindelijk in de kern waar die ongekende welvaart
vandaan komt: bijdragen aan het werk en meedoen.
Daarnaast – ik zei het al – zijn wij een van de meest open en vrije samenlevingen
ter wereld. Mensen die hier wonen, kunnen hier zijn wie ze zijn, kunnen hier zeggen
wat ze willen zeggen, kunnen hier doen wat ze willen doen, kunnen worden wat ze willen
worden, kunnen geloven wat ze geloven, kunnen samen zijn met degene waarop ze verliefd
zijn geworden. Die ongekende vrijheid moeten we wat mij betreft niet alleen koesteren,
maar ook beschermen. Dat moeten we met elkaar doen. We vragen dan ook aan iedereen
die hier welkom is in Nederland niet zozeer dat ze die vrije samenleving willen respecteren
en uitdragen, maar ook dat ze samen met ons die vrijheden tegen onvrijheid en onverdraagzaamheid
willen beschermen, om op te staan tegen onverdraagzaamheid en discriminatie, op welke
grond dan ook.
Het coalitieakkoord van dit kabinet heet Aan de slag. Dat is wat mij betreft een goed
uitgangspunt, ook voor deze twee belangrijke onderwerpen. In het akkoord staan grote
ambities om ervoor te zorgen dat iedereen die in Nederland is, dus ook statushouders
en nieuwkomers, zijn of haar steentje bijdraagt, aan het werk gaat en meedoet. Wat
mij betreft is betaald werk daarbij wel het uitgangspunt. Daar staat dan tegenover
dat we vol inzetten op een goede integratie in onze open vrije samenleving. We beschermen
mensen die hier zijn tegen ongewenste buitenlandse inmenging en we zorgen ervoor dat
iedereen die dat wil, kan meedoen en zich welkom voelt. Dat betekent ook dat we discriminatie,
specifiek op de arbeidsmarkt, zullen tegengaan.
Dit kabinet gaat dus aan de slag met deze ambities. Het voordeel van een minderheidskabinet
is dat we dat doen samen met andere partijen in deze Kamer en samen met maatschappelijke
partners. Dat betekent ook dat ik de komende tijd mij zal gaan beraden op de koers
van het kabinet als het gaat om de onderwerpen inburgering en integratie. Ik heb u
dat ook laten weten in een aantal brieven die ik de afgelopen week al naar u heb mogen
sturen, maar ik kan u toezeggen dat het kabinet, in ieder geval de beide Ministers
van Sociale Zaken, met een 100 dagenbrief komt zoals we dat noemen. Meedoen, werk,
integratie en inburgering zullen daar zeker een belangrijke rol in spelen.
Dit kabinet zit er op dit moment exact veertien dagen. Er zijn heel veel vragen gesteld
over van alles en nog wat. Ik ga die zo goed mogelijk beantwoorden, maar ik ga wel
al aan de voorkant excuses aanbieden dat ik nog niet op alles antwoord kan geven,
ook vanwege het simpele feit dat ik het verstandig vind bij een onderwerp als dit
om mij even te bezinnen op een koers, om mij even te beraden op wat verstandig is.
Waar leggen we nou de focus? Hoe doen we dat financieel? Wat geven we prioriteit?
Wat willen we als eerste aanpakken? Ik beloof uw Kamer dat ik daar zeker op terug
zal komen in de 100 dagenbrief. Wat mij betreft is de nieuwe koers er een van pragmatisme,
nuchterheid en oplossingsgerichtheid. Ik denk dat dat in de kern belangrijk is voor
dit onderwerp.
Voorzitter. Dat was mijn algemene intro. Ik wil nu beginnen met het kopje inburgering.
Er zijn veel vragen gesteld over de doelen die dit kabinet ten aanzien van inburgering
heeft, en dan specifiek het inburgeringsstelsel. Ik zei het al, voor mij begint inburgering
met meedoen. Meedoen begint bij werk en werk begint bij taal. Werk is uiteindelijk
wel de snelste en effectiefste route naar volwaardig meedoen in onze samenleving.
Op de werkvloer leer je namelijk Nederlands en ontmoet je mensen die je kunnen helpen
bij problemen die je tegenkomt. Uiteindelijk is de bedrijfskantine niet alleen een
plek waar je je boterhammetje eet, maar ook een plek waar je samen met je collega's
dingen viert als het meezit en lief en leed deelt als het tegenzit. Dat is in de kern
waarom het zo belangrijk is om te werken en mee te doen. Als je werkt, bouw je immers
aan de toekomst en kun je ook bijdragen aan dit land. Ik geloof dat niemand een beter
mens wordt door jaren thuis te zitten. De cijfers over het inburgeringsstelsel doen
mij dan ook pijn. Iedereen beschikt immers over talenten, over dromen, over passies.
Iedereen kan wat. Als we mensen langs de kant laten staan, laten we mensen niet alleen
niet tot bloei komen, maar laten we ook ongekend veel talent en waarde onbenut. Heel
eerlijk, een sterk en mooi land als Nederland kan zich dat simpelweg niet permitteren.
Als wij de welvaart die we hebben willen behouden, dan zullen wij ook een beroep moeten
doen op iedereen om mee te doen.
Dat betekent ook dat we een andere koers moeten gaan varen als het gaat om het verbeteren
van ons inburgeringsstelsel. Ik denk – dat blijkt ook uit alle evaluaties – dat de
verandering van het inburgeringsstelsel op zichzelf positief is geweest. We zien dat
met name taal, namelijk de mogelijkheid om deel te nemen aan taallessen en de kwaliteit
van de taallessen, in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de verandering van het
stelsel. Tegelijkertijd zien we ook dat er echt nog wel een aantal verbeteringen mogelijk
zijn. Dat blijkt ook uit het Algemene Rekenkamerrapport. Daar wil ik de komende periode
de focus op leggen. Werken en meedoen moeten wat mij betreft de norm gaan worden en
niet de uitzondering. Werken en meedoen zijn de basis. Je wilt zo snel mogelijk meedoen.
Een aantal onnodige belemmeringen, die ook in verschillende bijdragen terugkwamen,
moeten uit de weg worden geruimd.
De conclusies van de Algemene Rekenkamer over het inburgeringsstelsel raken de kern.
De tijdigheid is een probleem. Dat heeft te maken met de huidige context, de doorstroming,
de vertraging in huisvesting. In de kern klikt het bedachte stelsel niet helemaal
lekker op het stelsel in de praktijk. We hebben mensen als asielzoeker in een azc
zitten. Daarnaast hebben we mensen die als statushouder nog steeds in een azc zitten.
Formeel gezien zouden ze moeten starten met hun PIP en hun inburgering. Dat is heel
ingewikkeld als je in een azc zit. Pas als je qua huisvesting gelinkt bent aan een
gemeente, ga je de stap maken naar je PIP en je inburgering. Dat klikt niet helemaal
lekker op elkaar. Dat is een van de punten waarmee ik aan de slag wil. Hoe zorgen
we ervoor dat we de juiste dienstverlening aanbieden aan asielzoekers, aan mensen
die nog geen status hebben? Hoe kun je hen zo veel mogelijk laten meedoen? Meedoenbalies
zijn een mooi voorbeeld. Het kabinet heeft een taskforce ingericht. Daarin ga ik samen
met de Minister van AenM kijken hoe we die Meedoenbalies goed kunnen inzetten om mensen
niet alleen mee te laten doen, maar ook te laten werken, om ze de juiste vaktaal te
laten leren. Daar kan al een kiem worden gelegd voor meedoen, voor werken. We gaan
kijken wat we nou doen in die fase waarin iemand formeel wel een status heeft en formeel
gezien inburgeringsplichtig is, maar nog niet uit de huisvesting is. Dat is iets wat
we met die tijdigheid willen doen. In het verlengde daarvan ligt de dualiteit. Ik
vind in de kern dat werk de basis is van inburgering.
Er werd hier een aantal keer een soort van schijntegenstelling neergezet, zo van:
als mensen nou een baan nemen als tomatenplukker of wat dan ook, de pizzakoerier van
de heer Tijs van den Brink, die misschien niet helemaal matcht omdat die in het thuisland
in de zorg heeft gewerkt, belemmert dat misschien wel duurzaam werk, dus is dat nou
verstandig? Mijn antwoord daarop is eigenlijk tweeledig: ja en nee. Ik denk namelijk
dat het echt wel verstandig is, want je kunt beter pizzakoerier zijn dan dat je thuis
op de bank zit. Ik vind dat dus een stap vooruit. Tegelijkertijd, als je in het thuisland
inderdaad een medische opleiding hebt gedaan, is het misschien ook wel heel erg zonde
als je je hele leven lang pizza's blijft rondbrengen. Als je dat leuk vindt, moet
je dat vooral doen.
Daarom denk ik dat we moeten kijken naar verschillende fases. Dit laat zich natuurlijk
niet in een exact hokje uittekenen. Ik denk dat we moeten zeggen: we beginnen met
een startbaan; iedereen die binnenkomt gaat ergens aan de slag in een startbaan. Daar
moeten natuurlijk wel een aantal voorwaarden aan worden gesteld. Aan een startbaan
waarbij je op de werkvloer Pools of Roemeens spreekt, heb je niet zo veel als je doel
is om mee te doen in het Nederlandse inburgeringsstelsel.
Ik wil daar ook afspraken over gaan maken met werkgevers. Een. Laten we zorgen dat
dan ook de begeleiding goed is, dat je Nederlands leert op de werkvloer en dat je
ook de juiste cursussen krijgt om aan die startbaan te kunnen voldoen: vaktaal, veiligheidstaal
et cetera. Maar er moeten ook afspraken worden gemaakt over doorstroming, dus dat
je ook zegt: oké, als iemand echt wat meer kan, dan gaan we die doorbegeleiden naar
een volgende baan, een tweede fase. De laatste is natuurlijk een volwaardige carrière.
Hier zeg ik alleen wel weer het volgende bij. Ik hoorde een aantal keer het voorbeeld
van cardiologie voorbijkomen. Laten we ook proberen de banen uit te kiezen die misschien
het eenvoudigst zijn. Om iemand die uit een ander land is gevlucht, hier gelijk cardioloog
te maken is wel moeilijkheidsfactor 13, zeg maar. Laten we dus ook praktisch kijken
wat werkt. Dat wil ik graag gaan doen, ook in die stappen.
Daar hoort vervolgens wel bij dat je ook iets mag vragen van mensen zelf. Ik vind
dat ook mensen zelf hun verantwoordelijkheid hebben. Je komt naar Nederland toe en
je hebt een eigen verantwoordelijkheid om bij te dragen. Dan vind ik ook dat als je
kunt werken, je ook moet werken. Mevrouw Michon vroeg of we mensen dan ook gaan korten.
Als mensen systematisch blijven weigeren om een baan te accepteren terwijl ze dat
wel zouden kunnen, hoort daar ook wel een sanctie bij. Dat is niet uitgangspunt één
van het beleid, maar het is uiteindelijk wel het sluitstuk van het beleid. Dat vind
ik er ook bij horen. Die balans zou ik de komende tijd graag gaan vinden.
Dat wil ik graag samen met gemeenten doen. We hebben op dit moment een bekostigingsonderzoek
lopen. Nee, sorry, dat is inmiddels afgerond. Daaruit blijkt dat er gewoon spanning
staat op het budget. Dat weten we. Maar ik heb ook gezegd dat ik eerst met gemeentes
in gesprek wil. Ik wil meer dan alleen maar het gesprek «Den Haag kunt u meer geld
overmaken?» voeren. Ik wil ook het gesprek voeren over de vraag: zijn we nou tevreden
met de uitkomsten van dit stelsel? Ik denk dat we hier met elkaar kunnen zeggen dat
dat voor 50% zo is. We mogen, denk ik, trots zijn op de taaldoelen die zijn gesteld,
maar er zijn echt wel een aantal verbeteringen mogelijk als het gaat om werk, om meedoen,
om onnodige belemmeringen eruit halen en om sneller meedoen.
In antwoord op mevrouw Lahlah zeg ik daarom: ja, ik zie het probleem oprecht en denk
ook na over hoe ik dat financieel kan oplossen, maar ik wil dat wel echt even in samenspraak
met gemeenten zelf doen. Daarbij kijk ik ook naar gemeenten en zeg: oké, ik zie jullie
financiële probleem, maar zien we dan ook het probleem dat we hebben met de uitkomsten
van het stelsel? Als we namelijk zien dat na drie jaar nog geen 25% uitgestroomd is
naar werk, is dat gewoon te weinig. Drie jaar is lang! Moet je zelf eens terugdenken
aan wat je drie jaar geleden deed. Dat je drie jaar lang niet meedoet in onze samenleving,
in ieder geval niet betaald, terwijl je dat wel zou kunnen, is lang. Ik vind dus dat
we daarin echt wel een verantwoordelijkheid hebben. Daarom ga ik daarmee aan de slag.
Voorzitter. Ik behandel misschien nog een paar korte vragen en dan zal ik dit puntje
afronden. Er zijn een aantal vragen gesteld over het uitwerken van de streefwaarden.
Dat is inderdaad ook iets wat ik de komende tijd wil gaan doen, want ik herken wel
de vragen van de heer Van den Brink of dit nou de enige punten zijn waaraan we succes
afmeten. Nee, zeker niet. Ik denk dat het goed is dat we in dit gesprek als het gaat
om prestatiebekostiging en targets ook met gemeentes bespreken wat dan vervolgens
de streefcijfers zouden moeten zijn.
Als het gaat om de vragen naar de oorzaken van de vertraging, heb ik volgens mij al
het een en ander gezegd. Dat zit met name op de doorstroom vanuit de opvang naar gemeenten.
Uiteindelijk klikt dat stelsel niet helemaal lekker op hoe het op dit moment in de
praktijk is geregeld.
Om de Meedoenbalies wat structureler in te bedden ga ik dus in gesprek met mijn collega
van AenM. Dat geldt eigenlijk ook voor de vragen van mevrouw Michon-Derkzen over de
startbanen. Die wil ik echt structureler gaan inbedden in ons stelsel, op een juiste
plek en op een juiste manier, zodat we uiteindelijk het doel hebben om zo snel als
mogelijk aan de gang te gaan.
De heer Van den Brink vroeg of het een idee is om de arbeidsmarktinfrastructuur, de
Werkcentra, daarbij te betrekken. Mijn antwoord daarop is ja. Ik denk dat dat verstandig
is. Ik hoop op zeer korte termijn iets meer bekend te kunnen maken over de Werkcentra.
Die vormen natuurlijk een mooi instrument om ook voor dit soort zaken in te zetten.
Ik kreeg nog de vraag of het mogelijk is om een verplichting aan te gaan. Nee, sorry,
dat is een andere.
Volgens mij heb ik alle belangrijkste vragen in dit blokje beantwoord.
De voorzitter:
Ik kijk eventjes naar de Kamer. Ik zie in ieder geval een vraag van mevrouw Michon-Derkzen.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Even voor mijn begrip: dit was toch het blokje inburgering met werk en taal erin?
Minister Aartsen:
Ik heb nog een paar hele specifieke taalvragen gekregen, maar die zal ik straks beantwoorden.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik ga het dan over werk hebben, want ik hoor de Minister over die startbanen zeggen
dat hij de startbanen ook als een succes kwalificeert; daar ben ik zeer blij mee.
Hij wil ze namelijk structureel inbedden; dat doe je als je iets succesvol vindt.
Daar zijn we het dus over eens. Is het nu ook zo dat er veel meer vraag is en dat
dus juist de financiering maakt dat er minder, of eigenlijk maar een maximum aan de
startbanen is en een maximum aan het aantal gemeenten dat hiermee aan het werk gaat?
Kortom, klopt het dus ook dat als wij een amendement, ik noem het amendement-Michon-Derkzen,
aannemen dat geld vrijmaakt voor meer startbanen, dat dan een-op-een wordt benut om
ervoor te zorgen dat dit succesvolle traject voor startbanen daadwerkelijk bij meer
gemeenten neerslaat?
Minister Aartsen:
De appreciatie van het amendement-Michon-Derkzen doe ik bij de begroting, zoals te
doen gebruikelijk, dus daar mag ik me niet toe laten verleiden. Maar het antwoord
is ja. Op het moment dat we meer geld hebben, kunnen we dit ook doen. Dat heeft er
dus ook mee te maken dat die startbanen echt een instrument zijn waarbij je niet alleen
maar zegt dat mensen bij deze baan beginnen, maar waarbij je ook wil dat die mensen
doorstromen, de juiste begeleiding krijgen en de juiste taal leren. Dat maakt dat
instrument zo interessant. Als er meer geld komt, kunnen we dat meer doen. Tegelijkertijd
wil ik dat echt structureel inbedden. Overigens wil ik ook samen met werkgevers om
de tafel en bespreken hoe zij veel meer van dit soort startbanen kunnen gaan aanbieden,
want daar is, denk ik, ook nog een enorme winst te halen.
De voorzitter:
Ik zie een vraag van de heer Van den Brink.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
U zei: ik wil ook met de werkgevers in gesprek als het gaat over taal. Uit het rapport
van de Rekenkamer maak ik nou juist op dat daar een probleem zit. Werkgevers zeggen:
wij willen wel een eigen taalaanbod bieden, maar dat mag nu niet. Mag dat wat u betreft
wel?
Minister Aartsen:
Dit is precies wat ik bedoel met onnodige belemmeringen. We zien nu dat we een stelsel
hebben bedacht waarin dat bij de B1-route zo is. Als je geen taalles conform die route
geeft, dan telt die niet mee. Ik wil bekijken hoe je werk wat meer kunt combineren.
Afgelopen woensdag ben ik bij een mooi werkbezoek in Rotterdam en Barendrecht geweest,
waar heel veel werkgevers actief inzetten op taalles. Dat wil je natuurlijk stimuleren.
Dat kan via zo'n B1-route of dat kan via een aparte werkroute; daar ben ik nog niet
over uit. Daarom beroep ik me even op de veertien dagen die ik pas in dit ambt zit.
Daar wil je wel echt naar kijken, omdat je dat in de startbanen, maar eigenlijk ook
in het reguliere werk wil hebben zitten. Uiteindelijk is dat namelijk wel de manier
om mensen zo snel als mogelijk aan het werk te krijgen, maar ook om ze duurzaam aan
het werk te krijgen en Nederlands te laten leren. Ik kan toezeggen dat ik bereid ben
om die optie ook te verkennen bij de verbeteringen die we gaan aanbrengen in het stelsel.
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Ik had exact dezelfde vraag als de heer Van den Brink, dus dat scheelt. Ik pak dan
even een andere vraag. Ik hoorde de Minister net al zeggen: drie jaar is lang als
je niet in de gelegenheid bent gesteld om de taal te leren en mee te doen. Ik hoorde
net al een aantal obstakels – ik ben blij dat de Minister deze erkent – die het moeilijk
maken om direct vanaf de start mee te doen, onder andere vanwege het feit dat statushouders
in de azc's nog wachten op huisvesting en dat asielzoekers die nog willen beginnen,
onder een ander regime vallen. Ik ben heel benieuwd hoe de Minister hiernaar kijkt:
wie is nou bestuurlijk aanspreekbaar als mensen vastlopen tussen die procedures voor
opvang, huisvesting, taal en werk en is hij het met mij eens dat juist de Minister
van Werk en Participatie bij uitstek de persoon is om de regie daarop te nemen?
Minister Aartsen:
Ook dit zie ik maar gewoon als uitlokking van mevrouw Lahlah. Hoe wij als kabinet
aankijken tegen deze situatie is onder andere natuurlijk ook de reden waarom mijn
functie bestaat. Ja, ik heb hier een ketenverantwoordelijkheid. Ik wil hier ook ketenregie
op gaan voeren. Ik zeg daar alleen bij – nu komen alle nuanceringen – dat wat er gebeurt
in een azc, in Nederland onder de Wet COA valt; dat zeg ik uit mijn hoofd. Die wet
valt weer onder de Minister van AenM. De uitvoering van het inburgeringsstelsel hebben
we bij de gemeenten neergelegd. Ik heb daar dus niet een-op-een een verantwoordelijkheid
voor waarmee ik dat allemaal kan afdwingen en regelen, maar ik vind wel dat ik een
ketenverantwoordelijkheid heb voor werk en participatie en dus ook voor hoe we nieuwkomers
mee gaan laten doen en gaan laten werken. U heeft allemaal de brieven kunnen lezen
van de taskforces die dit kabinet is gestart. Dit is er een van: hoe zorgen we ervoor
dat meedoen zo snel mogelijk en op een goede manier kan? Wat mij betreft ga ik daar
volle bak mee aan de slag.
De voorzitter:
Ik zie nog een vraag van de heer Van den Brink.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ja, nog even over mijn pizzakoerier. Moet de Syrische verpleegkundige wat u betreft
nou wel of niet onmiddellijk pizza's gaan bezorgen als zij hier aankomt en als dat
kan? Of mag zij even de tijd nemen om te kijken of ze in de zorg aan de slag kan?
Minister Aartsen:
Iemand die hier aankomt, is in principe asielzoeker. Dan is het sowieso 24 weken niet
toegestaan om te werken. Daarna vind ik wel dat iemand direct aan de slag moet; dat
is wel het uitgangspunt van mijn beleid. De vraag is dan of het handig is om dat als
pizzakoerier te doen of dat je misschien kan helpen in het verzorgingstehuis of in
een andere zorggerelateerde situatie. Maar wat ik eigenlijk nog daarvóór zou willen,
is dat wij in gesprek gaan met de zorgsector, die allerlei leer-werktrajecten heeft
en allerlei investeringen doet om mensen in die tekortsectoren te trekken: wat voor
aanbod kunt u regelen voor deze mevrouw, die affiniteit heeft met zorg en die in haar
land van herkomst al dat niet geregistreerd in de zorg heeft gewerkt, en wat voor
passends kunnen we daar nou voor bedenken? Maar op de bank zitten is wat mij betreft
nooit passend. Dat is dus het andere uiterste. Daartussen zit heel veel meer. Je probeert
daarin een passend aanbod te vinden. Als ik moet kiezen tussen pizzakoerier en thuiszitten,
kies ik echt voor pizzakoerier. Dat is volgens mij ook een mooi vak. Onze ambtenaren
hebben net heerlijke pizza's zitten eten. Veel dank dus aan de pizzakoerier die die
pizza's gebracht heeft; daar zijn we zeer dankbaar voor, namens de voltallige ambtenarenkamer.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Daar sluit ik me graag bij aan.
De voorzitter:
Oké. Ik kijk even rond: zijn er nog interrupties? Nee, die zijn er niet. De Minister
vervolgt zijn betoog.
Minister Aartsen:
Ik kreeg nog een paar kleine vraagjes over taal en inburgering. Mevrouw Nanninga vroeg
mij om niet af te schalen van de B1-norm naar de A2-norm. Daar hebben we stevige afspraken
over gemaakt in het stelsel. Het streven, het uitgangspunt, is B1, maar dat is voor
een aantal mensen soms echt niet haalbaar. Dat weten we ook. De heer Koolmees gebruikte
daar volgens mij altijd het voorbeeld voor van de analfabeet uit Ethiopië. Daar is
B1 misschien echt heel pittig voor. Dan bestaat er een mogelijkheid om af te schalen,
maar daar zit echt een aanzienlijke inspanning van 600 gevolgde taallesuren in als
vereiste. We zien ook in de eerste cijfers dat die afschaling in zeer geringe mate
voorkomt. We zien daar geen forse stijging.
Kan de Minister kijken welke mogelijkheden er zijn om taalontwikkeling voorbij B1
nog te stimuleren? Dat was een vraag van de heer Bamenga. In de Wet inburgering 2021
is taalniveau B1 het uitgangspunt, maar hier is zeker nog ruimte voor maatwerk. Het
is aan gemeenten, ook vanuit die rol, om hierover dingen op te nemen in de inburgeringsverplichting,
bijvoorbeeld in zo'n PIP. Sommige gemeentes bieden bijvoorbeeld ook B2-trajecten aan
voor snelle leerders. Daarnaast is er natuurlijk ook de onderwijsroute waarin het
een en ander mogelijk is.
Is de Minister het met D66 eens dat het onmenselijk is om jongeren aan de Z-route
deel te laten nemen? Ben ik bereid om meer te sturen op de onderwijsmogelijkheden?
Dit vind ik echt wel een afweging voor de professionals uit de betreffende gemeenten
zelf, voor in het gesprek met de inburgeraar. We zien inderdaad een toename van de
Z-route. Het zou natuurlijk mooi zijn als mensen meer gebruik konden maken van die
onderwijsroute, maar het is dan toch eigenlijk echt wel aan gemeenten zelf om daar
een afweging over te maken, afhankelijk van het gesprek dat zij hebben.
Dat voor dit onderdeeltje, voorzitter.
De voorzitter:
Oké. Ik zag de hand van mevrouw Nanninga.
Mevrouw Nanninga (JA21):
«B1», «B2»... Het lijkt wel een aflevering van Bassie en Adriaan. Voor de oudere of
jongere kijkers onder ons: dat waren de boeven, die heetten zo. Maar dit gaat over
een serieus onderwerp, over details. Dat zogenaamde Z-project is juist heel erg geëxplodeerd,
als ik de media mag geloven. Dat is nu zo'n 30%. We kunnen ons ook afvragen wat de
sancties zijn als dat niveau niet wordt behaald. Want na 600 uur taalles mogen we
natuurlijk ook wel wat terugverwachten. En als dat niveau niet wordt gehaald, dan
is er misschien ook gewoon geen plaats voor iemand hier in Nederland. Dus ik vind
het allemaal erg vrijblijvend. Ik vind 30% ook niet heel weinig.
Minister Aartsen:
Er gaan nu twee dingen door elkaar lopen. Het een gaat over de afschaling naar A2
vanuit een B1-route, het andere gaat over de Z-route. Dat zijn wel twee verschillende
dingen. We zien in de B1-route dat de afschaling naar A2 reuze meevalt. Wat we wel
zien, is dat de Z-route inderdaad fors is toegenomen. Het is lastig om daar nog een
vinger achter te krijgen. Je kunt dat pessimistisch bekijken. Je kunt het ook optimistisch
bekijken: dat mensen zeggen dat ze juist willen werken. Het lijkt mij dus verstandig
dat we eerst even kijken of we wat meer informatie over die Z-route hebben, die wij
u dan eventueel later kunnen doen toekomen. Ja, we gaan die u later doen toekomen.
In de tussentijd was ik hier naar die hele Z-route aan het zoeken, maar als u het
goedvindt, kom ik daar op een later moment op terug.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Graag. Het verschil is mij duidelijk. Maar ik bedoelde te zeggen dat de Z-route inderdaad
iets anders is, maar bijna wel een ontsnappingsroute om niet aan B1 te hoeven komen.
Dat is natuurlijk superonwenselijk. Ik wil het niet positief of negatief bekijken,
maar gewoon realistisch. En dat mensen nou zo graag aan het werk willen, zou ik dan
ook weleens bevestigd willen zien; dus dat die mensen vaker in de Z-route zitten en
dan ook aantoonbaar vaker werkzaam zijn. Als ze én niet werkzaam zijn én in die Z-route
zitten, tja, dan moeten we toch echt even ingrijpen met z'n allen.
Minister Aartsen:
Daar zijn mevrouw Nanninga en ik het met elkaar over eens. Wat ik zou willen voorstellen,
is dat ik op een later moment nog even schriftelijk wat verder uiteenzet hoe de situatie
nu is als het gaat om de Z-route en de taaleis daaromtrent. Dan hebben we dat op een
rijtje staan en kunnen we daar later verder het debat over voeren.
De voorzitter:
Ik kijk even rond. Ik zie geen vragen, dus de Minister kan zijn verhaal vervolgen.
Minister Aartsen:
Dan gaan we met gezwinde spoed door naar het kopje integratie.
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter...
De voorzitter:
O, ik zie alsnog een vraag vanuit GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Het is meer een ordevoorstel. Kan de Minister wellicht aangeven welke kopjes er allemaal
zijn? Het gaat soms een beetje van de hak op de tak, en als we dan pas aan het einde
van een blok pas de vragen kunnen stellen, houd ik het overzicht niet meer.
De voorzitter:
Maar volgens mij heeft de Minister dat aangegeven. De vraag is dus of u dat nog een
keer kunt herhalen.
Minister Aartsen:
Ik heb nu een algemene lijn over integratie. Daarna zal ik iets zeggen over de interreligieuze
en de nationale dialoog. Dan zal ik iets zeggen over de ongewenste buitenlandse beïnvloeding.
Ik zal iets zeggen over de radicale islam en alles wat daaromheen is gezegd. Ik zal
daarna iets zeggen over moslimdiscriminatie, ook in combinatie met de onderzoeken
van het KIS. En dan heb ik het kopje varia.
De voorzitter:
Volgens mij is het helder nu. De Minister vervolgt zijn betoog.
Minister Aartsen:
Er zijn wel honderd vragen gesteld, dus een excuus als straks niet alles compleet
beantwoord is. Daar hebben we dan hopelijk nog een tweede termijn voor. Dus als de
Kamerleden aangeven dat er nog een specifieke behoefte is en ik iets ben vergeten,
dan gaan we dat doen. Voorzitter. Er is veel gezegd over integratie en uiteindelijk
denk ik dat het belangrijk is om integratie echt te zien als een sleutel voor een
sterk Nederland. Ik had het net al over die welvaart en over die vrijheid. Nieuwkomers
versterken Nederland uiteindelijk op het moment dat ze echt daadwerkelijk volwaardig
onderdeel zijn van onze samenleving. Dat vraagt wat mij betreft dat iedereen die hier
mag blijven de taal leert, werkt, meedoet en onze vrije democratische waarden omarmt.
Alleen dan kunnen mensen hun toekomst opbouwen en draagt iedereen die in Nederland
aanwezig is ook bij aan de kracht van ons land.
Tegelijkertijd is integratie ook een wederkerige opdracht. We verwachten van mensen
dat ze meedoen in Nederland, de taal leren, onze waarden respecteren. Anderzijds mogen
mensen ook van de overheid verwachten dat ze worden beschermd tegen discriminatie,
racisme en tegen buitenlandse onderdrukking of ongewenste inmenging. Nederland is
een vrij land en die vrijheid moeten we wat mij betreft verdedigen. Je mag hier zeggen
wat je denkt, geloven wat je wil, liefhebben wie je wil, of je nu man of vrouw bent,
homo of hetero, gelovig of niet. Uiteindelijk zijn het, in mijn ogen, die vrijheden
die Nederland zo mooi maken. Die moeten we wat mij betreft dan ook beschermen.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik wilde het betoog niet verstoren, maar ik probeerde even uw aandacht te krijgen,
voorzitter. Ik zou aan de Minister willen vragen of dit ook een land is waarin we
gewoon de eisen die de wet stelt handhaven.
Minister Aartsen:
U maakt wel heel snel een stapje naar het handhaven van, waarschijnlijk, de taaleisen.
Ja, dat is wel waar we van uitgaan. Dat is ook hoe de democratische rechtsorde werkt.
Als we een wet maken, moet die wet ook worden gehandhaafd. Daar mogen mensen volgens
mij op kunnen rekenen.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Dit is het enige juiste antwoord op mijn vraag, maar hoe beoordeelt de Minister ...
We zijn dus bij het kopje integratie, maar op het gebied van taal heb ik het in mijn
bijdrage gehad over gemeenten die gewoon expliciet zeggen: «ik handhaaf niet op die
taaleisen, ik vind dat niet nodig en ik ga uit van vertrouwen» – whatever, wat dat
dan ook is. Hoe kijkt de Minister naar deze gemeenten en wat kan hij ook nog doen,
is dan natuurlijk eigenlijk de vraag, om ervoor te zorgen dat we in dit land inderdaad
de wetten handhaven en dat gemeenten dat dus ook gaan doen?
Minister Aartsen:
We hebben met de gemeenten natuurlijk continu een gesprek over de uitvoering van,
in dit geval, de Participatiewet. Ik verwacht wel van gemeentes dat zij de instrumenten
die het Rijk aanreikt ook inzetten; dat is onder andere de taaleis, maar dat is bijvoorbeeld
ook de tegenprestatie. Iedere gemeente heeft daarin natuurlijk haar eigen beleidsvrijheid;
aan de andere kant hebben we ook het feit dat je op alle plekken toch met enige vorm
van gelijkheid moet worden behandeld. Dan kan het niet zo zijn dat er in een gemeente
totaal geen handhaving plaatsvindt. Ik spreek gemeenten er natuurlijk ook op aan als
zij actief besluiten om een wet niet te handhaven. Dat kan natuurlijk nooit de bedoeling
zijn. Dat is niet hoe we het in dit land met elkaar hebben georganiseerd, dus daar
moeten we elkaar ook op aanspreken.
De voorzitter:
Ik zie een vraag van de heer Boon.
De heer Boon (PVV):
Dit geldt niet alleen voor de taaleis, maar natuurlijk ook voor het boerkaverbod.
De Minister zegt «ik spreek ze aan», maar er zijn gewoon linkse burgemeesters die
zeggen: u kunt me aanspreken wat u wil, maar ik ga het gewoon niet uitvoeren. Dan
is de vraag van de PVV: «Wat dan? Wat gaat u nu doen met die linkse burgemeesters?»
Er zijn bekende voorbeelden van dat men gewoon permanent weigert om het boerkaverbod
uit te voeren.
Minister Aartsen:
Het boerkaverbod en de handhaving ervan lopen via boa's. Dat zit echt bij mijn collega
van JenV; de Participatiewet valt onder de verantwoordelijkheid van deze Minister,
van mij. Ik kan hier dus simpelweg geen antwoord op geven. Die vraag zult u echt moeten
stellen aan mijn collega van JenV. Ik verwijs wel naar een brief die door mijn collega's
van JenV en BZK is gestuurd. Dat was, uit mijn hoofd, afgelopen december. Die brief
ging over de uitvoering en handhaving van het boerkaverbod.
De voorzitter:
Ik zie nog een vervolgvraag van de heer Boon.
De heer Boon (PVV):
Dan ga ik ’m anders stellen. Ik ga ’m trekken naar de inburgeringscursus. Ik had er
vragen over gesteld of mensen deel kunnen nemen met gezichtsbedekking of gezichtsmiddelen,
zoals mondkapjes en hoofddoekjes. Daarmee creëer je in feite een nieuwe boerka, en
daar wordt ook niet op gehandhaafd. De inburgering valt wel onder integratie. Wat
gaat u dus doen naar de burgemeester en onderwijsinstellingen die de wet op de gezichtsbedekkende
kleding niet willen handhaven bij de inburgering?
Minister Aartsen:
Hier hoort wel een genuanceerd verhaal bij. Aan de ene kant: inderdaad, gezichtsbedekkende
kleding gaat niet bijdragen aan deelname aan de open, vrije samenleving. Dat kunnen
we zo stellen. Er is een reden waarom de regering en het parlement dat verbod hebben
ingesteld. Er zit een bepaalde reden achter. Tegelijkertijd hebben we met elkaar een
democratische rechtsorde. Wij hebben niet de bevoegdheid om ieder klaslokaal – in
het geval van het inburgeringsstelsel zijn dat privaat gefinancierde klaslokalen – te
betreden. Dat is echt een balanceeract: wat mag je doen, en waar mag dat? Allebei
zijn dus waar. Aan de ene kant is het waar dat er een verbod op gezichtsbedekkende
kleding geldt in openbare, publieke gebouwen. Aan de andere kant is het waar dat je
als overheid niet zomaar overal in mag treden. Die balans moeten we, denk ik, wel
goed met elkaar bewaken.
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Het leren van de Nederlandse taal is ontzettend belangrijk, zeker als je hier in een
nieuwe samenleving wilt wortelen. Laat daar geen misverstand over bestaan. In mijn
inbreng heb ik al eerder de obstakels genoemd die gepaard gaan met het zo snel mogelijk
kunnen leren van de taal, onder andere het gebrek aan docenten en kwalitatief goede
cursussen in zowel azc's als daarna.
Nu ben ik vanuit een andere rol nauw betrokken geweest bij de hervorming van de Participatiewet.
Een van de geluiden vanuit gemeenten was dat een taaladvies dat uitgaat van wantrouwen
eigenlijk helemaal niet werkt, en al helemaal niet als je vervolgens ook nog bezuinigt
op het leren van de taal. Mijn vraag is hoe de Minister reflecteert op het feit dat
in gesprekken met de gemeenten de taaleis eigenlijk uit de Participatiewet zou verdwijnen,
omdat het gaat om een inspanningsverplichting en niet een resultaatsverplichting.
Om een voorbeeld te geven: als mijn dochter thuiskomt met een cijfer kan ik zeggen:
je hebt geen voldoende gehaald en daarmee is het slecht. Ik beloon dan niet de inzet
die ze heeft gepleegd. Een inspanningsverplichting is dus veel belangrijker dan een
resultaatsverplichting. Hoe reflecteert de Minister dan op het feit dat naar aanleiding
van de Maccabi-rellen in Amsterdam, die over een heleboel dingen gingen maar niet
per se over de Nederlandse taal, deze taaleis er weer in is gefietst, ondanks het
feit dat de VNG aangeeft dat de taaleis niet effectief is?
Minister Aartsen:
Ik mis even de link tussen Maccabi-rellen en de taaleis in de Participatiewet.
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Die kan ik wel noemen: de taaleis zou verdwijnen uit de Participatiewet. In een motie
die tijdens de Maccabi-rellen in de Kamer is ingediend, is voorgesteld om de eis opnieuw
in te voeren. Ik vraag om een reflectie van de Minister. Hoe reken je inwoners af
op een resultaatsverplichting en niet op een inspanningsverplichting, ondanks geluiden
van de gemeenten dat zij taal ontzettend belangrijk vinden en graag ook meer middelen
willen voor kwalitatief goed taalaanbod?
Minister Aartsen:
Daar kan ik kort over zijn. Je hebt een ongelofelijk voorrecht als je in Nederland
bent. Daar hoort ook een verantwoordelijkheid bij. Wij leven niet in een samenleving
waarin je alleen maar rechten hebt. Je hebt ook plichten. Die heb je helemaal als
je gebruikmaakt van ons laatste sociale vangnet. Ik vind dat je, als je in Nederland
gebruikmaakt van de bijstand, een enorme verplichting hebt – misschien niet eens wettelijk,
maar gewoon moreel – om er alles aan te doen om volledig te kunnen meedraaien in de
samenleving en de Nederlandse taal te leren. Het automatisme waarmee we zeggen dat
de overheid verantwoordelijk is voor je taallessen als je in de bijstand zit, vind
ik een omgekeerde volgorde. Ik vind dat mensen primair zelf verantwoordelijk zijn.
Wij hebben een verantwoordelijkheid om mensen te helpen, te begeleiden en om ons best
te doen, maar ik vind dat je mensen ook een eigen verantwoordelijkheid mag toedichten
op het moment dat ze in Nederland zijn.
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Dan zou ik willen vragen of de Minister signalen ter ore zijn gekomen waardoor hij
twijfelt aan de welwillendheid van nieuwkomers om de Nederlandse taal te leren. U
zegt: het is een voorrecht om in Nederland te zijn en we verwachten een eigen verantwoordelijkheid.
Heeft u cijfers of is er onderzoek waaruit die welwillendheid van nieuwkomers niet
blijkt, zodat u aan de voorkant al een stok, een eis, een resultaatsverplichting vraagt
in plaats van dat u de inspanningsverplichting beloont?
Minister Aartsen:
Ik vind het een heel gezond iets als je een aantal basisspelregels afspreekt op het
moment dat je een stelsel maakt. Dat geldt ook voor de Participatiewet. Ik vind het
heel gezond dat we daaraan een aantal voorwaarden stellen. Een van die voorwaarden
is dat je beschikbaar bent voor werk. Om goed beschikbaar te kunnen zijn voor werk
moet je ook de Nederlandse taal leren. Ik vind dat bij een sociaal stelsel ook een
prikkel hoort voor mensen die ervan gebruikmaken om uiteindelijk Nederlands te gaan
leren. Dat vind ik sociaal, want als je volwaardig mee wilt doen in ons land zul je
de Nederlandse taal moeten leren. Dat is echt de basis. Ik vind dat mensen daarin
een eigen verantwoordelijkheid mogen hebben en dat er uiteindelijk een stok achter
de deur moet zijn. Dat vind ik erbij horen.
De voorzitter:
Ik zie verder geen interrupties meer, dus de Minister vervolgt zijn betoog.
Minister Aartsen:
Voorzitter. Ik kijk ook even naar de klok. Misschien is het verstandig om een aantal
algemene punten gewoon over te slaan en op een aantal vragen specifiek in te gaan.
Ik verwees er net al naar dat ik hierop nog uitgebreid zal terugkomen in een 100 dagenbrief
over de algemene koers van dit kabinet als het gaat om integratie en inburgering.
Laat ik daar dan doen. Laat ik beginnen bij de nationale dialoog en de interreligieuze
dialoog. Daar zijn een aantal vragen over gesteld.
De nationale dialoog is het gevolg van het uitvoeren van de motie-Ceder c.s. Op het
moment dat er spanningen zijn, worden er gesprekken op gang gebracht met een aantal
voormannen en vrouwen, mensen die een sleutelpositie bekleden in hun gemeenschap.
Wij kijken succesvol terug op de nationale dialoog op 4 november jongstleden. Op dit
moment zijn we aan het kijken hoe we dit kunnen voortzetten.
Dat brengt mij op de vraag van de heer Van den Brink over de interreligieuze dialoog.
Dat is weer iets anders. Die gaat om de vraag hoe je de kloof op bijvoorbeeld een
universiteit tussen joodse en islamitische studenten kunt verkleinen. Ook daar loopt
dus een traject voor. Ik wil de komende tijd bezien of het verstandig is om die twee
dialogen los van elkaar te laten bestaan of dat het verstandiger is om die samen te
voegen. Ik denk namelijk dat daar nog wel veel winst te behalen is.
Dan ga ik over op het kopje «ongewenste buitenlandse inmenging».
De voorzitter:
Ik zie een vraag van de heer Boon.
De heer Boon (PVV):
U trekt nu dingen uit elkaar en daar ben ik wel even benieuwd naar. Het gaat om antisemitisme
en de Joden. De Joden die ik spreek in Nederland vragen om veiligheid. Die zeggen
niet tegen mij dat ze een interreligieuze dialoog willen. Nee, ze willen gewoon veilig
naar school kunnen. Waar komt het vandaan dat dit kabinet vindt dat Joden zich in
een dialoog moeten verantwoorden om veilig naar school te kunnen gaan? Dat is toch
eigenlijk absurd?
Minister Aartsen:
Dat is ook niet wat dit kabinet zegt. Het klopt niet wat de heer Boon zegt. Als het
gaat om het antisemitisme en de veiligheid van Joodse inwoners, dan staat het kabinet
daar vol voor. Mijn collega van Justitie en Veiligheid doet daar ook enorm veel aan.
Hij is separaat verantwoordelijk voor het tegengaan van antisemitisme en het beschermen
van Joodse Nederlanders. Daar wordt enorm hard aan gewerkt. Maar dat onderwerp zit
ook bij mijn collega van Justitie en Veiligheid. Zoals de heer Boon de vraag stelde,
kan ik me er absoluut niet in vinden. Dat is een verkeerde voorstelling van zaken.
De voorzitter:
Oké, voordat we naar de heer Van den Brink gaan, gaan we nog even terug naar de heer
Boon.
De heer Boon (PVV):
Ik hoor het kabinet nu dus zeggen dat een interreligieuze dialoog niks te maken heeft
met het tegengaan van antisemitisme? Dat is wat u gezegd heeft. Volgens mij is het
een onderdeel van de aanpak van antisemitisme. Daar zit die interreligieuze dialoog
bij. Kunt u mij uitleggen waarom Joden in dialoog moeten om antisemitisme tegen te
gaan?
Minister Aartsen:
Ik ben niet in Latijn afgestudeerd, maar volgens mij is het concept van een dialoog
dat je met elkaar in gesprek gaat. Het is best lastig om in je eentje in dialoog te
gaan. Dat lijkt me sowieso ingewikkeld. En ik vind dat er een tegenstelling wordt
gezocht die er volgens mij niet is. Als Joodse Nederlanders zich onveilig voelen,
dan staat het kabinet volledig achter hen om hen te beschermen tot zover als dat noodzakelijk
is. Dat doet mijn collega van JenV. De vraag ten aanzien van de heer Van den Brink
en de vragen die eerder zijn gesteld over zowel de nationale dialoog als de interreligieuze
dialoog zien juist op de vraag hoe je kunt voorkomen dat spanningen uit oorlogen aan
de andere kant van de wereld worden gereflecteerd op de Nederlandse samenleving. Daar
zit uiteindelijk de kern: aan de andere kant van de wereld vindt een conflict plaats
en mensen die hier met hart en ziel en zaligheid hun geloof aanhangen, voelen zich
onveilig op de plekken waar ze zijn. Daar zit uiteindelijk de discrepantie. Een dialoog
is een van de aanpakken daarin, net zo goed als het beveiligen van Joodse musea en
Joodse scholen. Ik vind het echter niet netjes om die twee dingen tegenover elkaar
te zetten. Dat lijkt me onverstandig.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik heb de term «interreligieuze dialoog» volgens mij niet gebruikt, maar dat geeft
niet. Ik begrijp van u dat u zegt dat er op de universiteiten al een soort traject
loopt, waarbij gepoogd wordt om groepen met elkaar in gesprek te krijgen. Dat is een
verhelderende vraag, die ik nu stel. Misschien sluit die wel aan bij wat de heer Boon
zei.
Minister Aartsen:
Het zijn inderdaad twee verschillende dingen. We hebben de nationale dialoog en de
interreligieuze dialoog. Ik begrijp net dat de collega van OCW ook een aantal trajecten
heeft ten aanzien van de universiteiten. Misschien is het verstandig dat ik hier nog
even op een later moment op terugkom, ook omdat wij op dit moment nadenken over de
vraag hoe de interreligieuze dialoog zich verhoudt tot de nationale dialoog. Dat was
een vraag van de heer Bamenga. Misschien is het goed als we dat even als één onderwerp
pakken, want volgens mij praten we nu langs elkaar heen. We zijn het niet met elkaar
oneens, maar we zullen er op die manier op terugkomen.
De voorzitter:
Verder zijn er geen interrupties meer. De Minister vervolgt zijn betoog.
Minister Aartsen:
Voorzitter. Dan over buitenlandse inmenging. Laat ik duidelijk zijn: ongewenste buitenlandse
inmenging is iets wat we met elkaar moeten zien te voorkomen, ongeacht waar het vandaan
komt. Of het nu uit China, Rusland, Turkije of Saudi-Arabië komt, je moet dat willen
voorkomen. Dat is ook waar het kabinet op ziet. We hebben daarvoor een brede aanpak.
We hebben een aanpak als het gaat om het strafrecht. Daar is mijn collega van JenV
verantwoordelijk voor. We hebben een aanpak als het gaat om diplomatie. Mijn collega
van Buitenlandse Zaken spreekt andere landen erop aan als hun diasporabeleid verder
gaat dan wij prettig vinden. Als het gaat om weerbaarheid en preventie is het Ministerie
van SZW verantwoordelijk.
We zetten flinke stappen op het gebied van weerbaarheid. Je ziet dat er steeds meer
spanningen van buitenaf onze samenleving in komen. Ik noemde net al een voorbeeld,
maar zo zijn er nog meer. Dat is wat je wilt voorkomen. Als er aan de andere kant
van de wereld iets gebeurt – we zien het nu weer in Iran – wil je voorkomen dat hier
in de Nederlandse straten en universiteiten de spanningen oplopen en dat mensen niet
meer normaal met elkaar door één deur kunnen. Dat wil je uiteindelijk van je afhouden.
Dat is het fundament van de open en vrije samenleving. En ja, dan moeten we ook iets
doen aan het tegengaan van ongewenste buitenlandse inmenging. Primair zijn daar de
AIVD en de NCTV verantwoordelijk voor. Ik heb beide directeuren uitgenodigd voor een
kennismakingskoffie om bij mij op het ministerie te praten over wat je aan de preventiekant
kunt doen, hoe je kunt voorkomen dat mensen daarmee in aanraking komen en wat je,
als het toch gebeurt, kunt doen.
Dat brengt mij tot het meldpunt voor ongewenste buitenlandse inmenging. Dat was toegezegd
in de zomer 2026. Mevrouw Michon-Derkzen vroeg mij of dat niet sneller kan. De planning
is nog steeds om dit voor de zomer operationeel te maken. Ik proefde bij mevrouw Michon-Derkzen
het gevoel: schiet nou eens op, waarom duurt dit zo lang? Ik zie haar knikken. Je
wilt echter dat zo'n meldpunt veilig is. Als mensen daar gebruik van maken, moeten
zij zich ook veilig kunnen wanen. We hebben vandaag de melding gezien van een Russische
hackpoging op whatsappberichten en Signalberichten van overheidsmedewerkers. Het laatste
wat je wilt, is dat van mensen die de stap nemen en het lef hebben om zich te melden
bij zo'n OBI-meldpunt, de gegevens op straat komen te liggen of in verkeerde handen
terechtkomen. Ik deel het ongeduld van mevrouw Michon-Derkzen, maar heb tegelijkertijd
begrip voor het feit dat dit goed moet worden geregeld, want het laatste wat je wilt,
is dat dat gebeurt. Dat voor nu als het gaat over ongewenste buitenlandse inmenging.
De voorzitter:
Ik zie geen vragen vanuit de Kamer. Meneer Boon, volgens mij heeft u al vier vragen
gesteld. Dat gaat helaas dus niet meer. We hadden gezegd: vier interrupties. Ik kijk
even verder. Ik zie geen interrupties. De Minister vervolgt zijn betoog.
Minister Aartsen:
Voorzitter. Er zijn door een aantal partijen vragen gesteld over radicalisering en
de islam. In Nederland hebben wij vrijheid van godsdienst, van meningsuiting en van
onderwijs. Dat is een groot goed en dat moeten we vooral zo houden. Dat maakt dat
wij zo'n fijne vrije en open samenleving zijn. Tegelijkertijd staat in datzelfde artikel
van de Grondwet: behoudens de beperking die de wet oplegt. Volgens mij zit daar precies
de kern van het beleid dat we zouden moeten voeren. Er is een onderscheid tussen mensen
die een geloof aanhangen omdat ze daar persoonlijk blij van worden, steun uit putten,
troost uit halen, die dat om privéredenen doen, en situaties waarin geloof, ongeacht
waar dat vandaan komt, zorgt voor zaken die buiten de wet plaatsvinden. Daar leg ik
in ons beleid de grens. Je hebt geloofsvrijheid, maar die geloofsvrijheid ligt wel
binnen de grenzen van de democratische rechtsorde en democratische rechtsstaat. Als
jij een beroep doet op je geloof door dingen te doen die in het Wetboek van Strafrecht
staan, moeten we daartegen optreden. Dat is ook een algemene reactie op het betoog
van de heer Boon over de positie van de islam in Nederland. Ik ga geen onderscheid
maken tussen religies. Ik beroep me daarbij echt op de grenzen die onze Grondwet kent
en die gaan twee kanten op. Aan de ene kant hebben mensen de vrijheid te geloven wat
ze willen geloven. Tegelijk hebben mensen nooit de vrijheid om de grenzen van onze
rechtsstaat en onze democratische rechtsorde over te gaan. Dat is precies de grens
die we met elkaar moeten bewaken. Er is een aantal vragen gesteld over hoofddoekjes
op scholen. Volgens mij zit daar de crux: je gaat niemand dwingen om een hoofddoek
af te doen of om te doen. Dit is dwang die je niet wil opleggen, bijvoorbeeld op scholen.
Er zijn vragen gesteld over gebedsruimtes in scholen. Het College voor de Rechten
van de Mens heeft hierover geadviseerd. Dat advies hoeft niet te worden opgevolgd;
het is niet verplicht, want het is een advies. En in die nuance moet ernaar worden
gekeken.
Er zijn ook vragen gesteld over de positie van de Moslimbroederschap. We zien dat
de Moslimbroederschap en de uitingen van zo'n organisatie niet pluis zijn. Dat is
fout en dat willen we niet. Dat is ook de reden waarom de AIVD daarop scant en dit
soort organisaties goed in de gaten houdt. In het jaarverslag over 2023 schrijft de
AIVD dat zij dat terecht goed in de gaten houden. Tegelijkertijd is de omvang ervan
zeer beperkt en daarom vormen zij nauwelijks een bedreiging voor de democratische
rechtsorde in Nederland. Dat is ook iets wat we serieus moeten nemen.
Wat we ook serieus moeten nemen, is de online afkeer van het Westen en de radicalisering.
Daarom houdt de AIVD daar actief toezicht op en zijn ze daar volop mee bezig. De focus
van het Ministerie van Sociale Zaken zit vooral op preventie. Er zijn zeker grote
zorgen over snelle online radicalisering. Ik moet erbij zeggen dat dit echt in den
breedte is. We zien het bij het jihadisme, maar ook bij rechts-extremisme. Met name
jongeren zijn vatbaar voor alle vormen van radicalisering en dat is een zorgelijke
trend. En daarom zetten wij in op digitale weerbaarheid en preventie ten opzichte
van radicalisering en extremisme.
Er zijn vragen gesteld over de buitenlandse financiering van moskeeën en de invloed
van extremistische predikers. Mijn voorganger heeft daarover al het een en ander gezegd.
De AIVD houdt hier toezicht op en houdt in de gaten of er ongewenste financiering
en beïnvloeding plaatsvindt vanuit het buitenland.
Er zijn vragen gesteld over het inreisverbod. In Europees verband is inderdaad een
dergelijk voorstel aangekondigd. Wij volgen dat met belangstelling. Ik wijs er wel
op dat het besluit tot het weren van predikers in individuele casussen moet worden
besloten. Uiteindelijk is het de Minister van Asiel en Migratie die besluit om iemand
wel of niet in Nederland binnen te laten. Het Ministerie van Sociale Zaken heeft hier
geen grondslag, ook niet om persoonsgegevens te verzamelen over bepaalde imams.
Dan de vraag van de heer Ergin over de versterkte gebedsoproepen. We hebben zojuist
een tussenrapportage aan uw Kamer doen toekomen op uw verzoek. De nulmeting is slechts
een van de vier fasen uit dit traject. Het traject bevindt zich op dit moment in de
voorlaatste fase en ik verwacht dat het in juni 2026 zal zijn afgerond. Dan krijgen
we een eindrapportage, die we naar de Kamer zullen toesturen. Ik zal me beraden op
wat dan de eventuele vervolgstap vanuit het kabinet zal zijn. Dit was het kopje islam.
De voorzitter:
Ik zag in ieder geval de hand van mevrouw Michon-Derkzen.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik ben even in verwarring, want het coalitieakkoord heeft het over de nationale lijst
van haatimams. Als u een netter woord heeft, vind ik het ook prima, maar we weten
allemaal waar het over gaat. Om de zoveel tijd hebben we daar discussie over. Het
gaat nu elke keer via het vragenuurtje en dan moet IND met JenV in allerijl aan de
gang. Er is een initiatief binnen Europa gaande en in het coalitieakkoord gaat het
over de nationale lijst. Als ik de Minister zo begrijp dat hij zegt dat JenV daarvoor
aan de lat staat, hebben we het gesprek daar. Maar ik hoop ook dat deze Minister alles
in het coalitieakkoord graag tot een goed einde wil brengen. Daarop graag een bevestiging
van deze Minister.
Minister Aartsen:
Vanzelfsprekend. Ik zeg dit niet om het af te schuiven op de Minister van JenV. In
2020 hebben we natuurlijk een casus gehad, waarin het ministerie te horen heeft gekregen
dat er simpelweg vanuit SZW geen grondslag is om conform de AVG persoonsgegevens te
verwerken. Als wij dat zouden gaan doen, ontbreekt daaraan dus de grondslag. Je ondergraaft
dan juist de effectiviteit van een dergelijke lijst. Al zouden we het willen, dan
is het voor de effectiviteit van die lijst heel onverstandig als we het zouden doen.
Je haalt die effectiviteit dan namelijk onderuit. Het is dus verstandig dat dat gedaan
wordt door de partijen die dat kunnen, zoals JenV. Ik denk ook dat dat de NCTV zal
zijn, of iets dergelijks. Dat zijn uiteindelijk de geëigende personen om dat goed
te kunnen doen, zodat zo'n lijst ook effectief is.
De voorzitter:
Oké. Ik zie een interruptie van mevrouw Nanninga.
Mevrouw Nanninga (JA21):
We kunnen hier een hele theologische discussie gaan voeren over de islam, maar dat
gaan we niet doen. Ik wil het even terugbrengen naar integratie en naar statelijke
actoren, die op heel veel niveaus opereren. Dat gebeurt deels door het salaficeren
van moskeeën, maar ook doordat Diyanet, van de AK-partij van Erdogan, hier preekt
en imams naartoe stuurt. Het gebeurt ook op het gebied van sport. Mensen melden ons
dat de Marokkaanse lange arm van Rabat hier bijvoorbeeld voetbaltalent laat trainen,
om hen vervolgens tegen de Nederlandse samenleving te keren en voor een Marokkaanse
club te laten kiezen. Ik geloof dat ze in Iran nu even druk zijn met wat anders, maar
zij doen het ook. Kortom, hoe ziet de Minister die tentakels, die lange arm in het
licht van integratie? En hoe kan hij die aanpakken? Wat ze doen, is namelijk niet
altijd tegen de wet. Het is natuurlijk heel glibberig. Kan de Minister daar eens een
analyse van geven? Het keert mensen namelijk wel af van de samenleving.
Minister Aartsen:
Dat is wat mij betreft een gebalanceerd standpunt. Aan de ene kant wil je inderdaad
proberen om dit soort activiteiten tegen te gaan. Je wil mensen die in Nederland zijn,
beschermen tegen ongewenste buitenlandse inmenging. Ik noemde net al de drieslag die
we maken in de uitvoering. Enerzijds doen we dat via het strafrecht, als wel de grens
wordt overgegaan. Anderzijds doen we dat via diplomatie, waarbij we landen die dit
soort praktijken uitvoeren, aanspreken. En anderzijds doen we dat via weerbaarheid,
waarbij we mensen beschermen, weerbaar maken, handelingsperspectief geven en hen daarmee
beschermen tegen dit soort praktijken. Dat betekent dat je goed moet nadenken met
welke partijen je wel en met welke partijen je niet samenwerkt. Je moet daar goed
over nadenken.
Ik heb vanmorgen in antwoord op de Kamervragen van JA21 ook aangekondigd dat ik me
de komende tijd ga beraden op wat een verstandig beleid is. Het kan aan de ene kant
namelijk ook nuttig zijn om samen te werken met partijen. Het kan helpen om bepaalde
signalen op te vangen en juist radicalisering tegen te gaan. Bij sommige situaties – ik
kom zo nog terug op specifiek de ISN/KIS-situatie – is dat in die context geen verstandige
keuze. Volgens mij moet je dus ook per context goed kijken naar wat verstandig is
om te doen. Ik kom op een later moment graag wat breder terug op hoe dat ook past
binnen de ambities van dit coalitieakkoord om buitenlandse inmenging tegen te gaan.
De voorzitter:
Oké. Ik zie verder geen vragen meer. De Minister vervolgt zijn betoog.
Minister Aartsen:
Dank, voorzitter. Ik moet even de administratie doen. Ik ben bij het kopje moslimdiscriminatie.
Laat ik beginnen bij de onderzoeken. De heer Ergin vroeg terecht waarom we al die
onderzoeken doen. Het flauwe grapje als antwoord daarop is: omdat uw collega daarom
heeft gevraagd en wij dat netjes hebben uitgevoerd. Het gaat dan specifiek over het
Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie. Dat is uitgevoerd naar aanleiding van een
amendement van een collega van u. Ik geloof dat het de heer Van Baarle was, die daarom
heeft gevraagd. Dat hebben we netjes uitgevoerd. Maar ik snap wel dat de heer Ergin
zegt. Het is een flinke stapel aan onderzoeken. Daar is ook steeds wat mee of ze worden
steeds in twijfel getrokken.
Aan het begin van mijn betoog benoemde ik niet voor niets dat ik vooral een pragmatisch,
oplossingsgericht beleid zal voorstaan. Daar wil ik de komende tijd mee aan de slag.
Hoe kunnen we ervoor zorgen dat we discriminatie in het algemeen en ook arbeidsmarktdiscriminatie
echt tegengaan? We kunnen hier inderdaad een heel theologisch debat voeren, maar uiteindelijk
willen we dat iedereen die in Nederland is, van school af komt en er het beste van
wil maken, iedereen die aan de slag wil, beoordeeld wordt op zijn motivatie, dus of
hij er een beetje goed voor gemotiveerd is en er zin in heeft, en niet op zijn achternaam
of zijn huidskleur. Dat zal in ieder geval het beleid zijn dat ik wil gaan voeren.
Op dit moment is er een aanpak voor moslimdiscriminatie. Er is ook wat generiek beleid,
bijvoorbeeld in verband met objectieve werving en selectie en het versterken van lokale
aanpakken daarin. Daar ga ik nog verder naar kijken.
Dan zijn er vragen gesteld over KIS en de samenwerking met ISN. Het onderzoek is gedaan
door KIS. Ik heb daar vandaag ook uitgebreid Kamervragen over beantwoord. Het werd
mede gefinancierd door ISN. Ik benadruk dat KIS een onafhankelijke partij is. We geven
daar instellingssubsidie aan. Het idee van die subsidie is dat zij zelf kunnen bepalen
welke onderzoeken zij wel en niet uitvoeren. Dat is het hele idee achter de manier
waarop we dat hebben ingericht.
Wat dat betreft hebben zich een paar dingen voorgedaan, allereerst de Kamervragen
van onder anderen mevrouw Nanninga. Ik heb daar vandaag over gezegd: onderzoek doe
je om nuttige dingen mee te kunnen doen. Onderzoek doe je dus om aan de hand van de
uitkomsten beleid te maken. Dat betekent dat al die onderzoeken boven enige vorm van
twijfel zijn verheven, want anders heb je er simpelweg niks aan. Dat betekent dat
de onderzoeken onafhankelijk en transparant moeten zijn. Juist om dat te waarborgen
vind ik het in deze context niet verstandig om met een partij als ISN samen te werken.
Nogmaals, het is een onafhankelijke afweging van KIS geweest om dat te doen, maar
ik vind dat in deze context geen verstandige keuze.
Voorzitter. Ik weet niet of het in de Kamervragen van vanmorgen was of in de Kamerbrief
die ik afgelopen donderdag heb verstuurd, maar ik heb aangegeven dat ik aan KIS heb
gevraagd wat de betrokkenheid van ISN is. KIS heeft aangegeven dat ISN niet inhoudelijk
betrokken is bij dit onderzoek. Ik ben vandaag geïnformeerd dat dat onjuiste informatie
is. Daarmee heb ik uw Kamer ook onjuist geïnformeerd; dat ga ik hier ook maar gewoon
hardop zeggen. Ik heb me gebaseerd op de informatie die onjuist is doorgegeven vanuit
KIS. KIS heeft zelf zojuist aangegeven dat zij dat onderzoek terugtrekken, dat ISN
betrokken is geweest bij een aantal reflectiesessies en dat er dus wel sprake is van
betrokkenheid. Met uw goedvinden vraag ik om clementie. Ik probeer nu mondeling recht
te zetten wat ik u vanmorgen heb gestuurd. Wij moesten ons baseren op de informatie
daarover.
Dan hebben we het signaal dat de mensen van Sociale Zaken vorige week zelf hebben
ontdekt. Dat ging over de huwelijksrelatie tussen de betreffende uitvoerder en de
onderzoeker. Dat is niet goed. Nogmaals, je wil niet dat een dergelijk onderzoek in
verband wordt gebracht met integriteitszaken. Dat betekent niet dat wij dat gelijk
in de prullenbak gooien. Zo werkt het ook niet. Je moet eerst rustig en kalm even
onderzoeken wat er aan de hand is. Daarom heb ik gezegd dat het verstandig is om twee
dingen te doen. Stap één is een onderzoek van een onafhankelijke accountant. Ik heb
aan KIS gevraagd: laat nou even de accountant kijken of hier sprake is van financiële
vermenging of dingen die niet juist zijn geweest. Daar hoop ik snel een antwoord op
te krijgen. En ik denk dat het goed is dat er een wetenschappelijke review plaatsvindt.
Ook dat heb ik gevraagd. Met beide stukken kun je afwegen of je vervolgens de uitkomsten
nog wel of niet onafhankelijk kan gebruiken. Dat even over de KIS-situatie.
De voorzitter:
Dan geef ik het woord aan de heer Ergin.
De heer Ergin (DENK):
Ik meen mij te herinneren dat ik in een persbericht heb gelezen dat het KIS heeft
aangegeven dat ze achter de conclusies en resultaten van het onderzoek staan. Zegt
de Minister nu dat dat niet meer het geval is?
Minister Aartsen:
Dat klopt. KIS heeft mij vandaag twee dingen laten weten – dat staat ook op de website
zelf – namelijk dat zij gedurende het onderzoek het onderzoek terugtrekken. En het
heeft kenbaar gemaakt dat er wel degelijk sprake is geweest van betrokkenheid van
ISN bij reflectiesessies. Dat betekent dat de informatie die ik vanmorgen heb doorgeleid
naar uw Kamer niet juist is geweest. Dit wil ik bij dezen rechtzetten.
De voorzitter:
Ik zie een ordevoorstel van de heer Boon.
De heer Boon (PVV):
Ik wil wel een beetje pieteromtzigten. Zou u ons een tijdlijn willen toesturen met
wanneer welke informatie beschikbaar was?
Minister Aartsen:
Daar hoef ik geen tijdlijn voor te geven. Ik meen dat in de week van de kabinetsbeëdiging
een van mijn medewerkers erachter is gekomen dat er sprake was van een huwelijksrelatie.
Dat was naar aanleiding van de voorbereidingen op dit debat. KIS is daarop aangesproken
door mijn directeur en ik ben daarover geïnformeerd. Wij hebben ons beraden op een
aantal acties. Die acties hebben we uitgezet: het onafhankelijk onderzoek van de accountant
en de wetenschappelijke review. Dat is voor mij belangrijk geweest om uiteindelijk
te bepalen of je het onderzoek van KIS nog wel of niet betrouwbaar acht. Afgelopen
donderdag heb ik u de Kamerbrief daarover gestuurd. KIS heeft op basis daarvan aangegeven
dat er geen betrokkenheid is geweest van ISN bij het onderzoek en dat zij daarom nog
steeds achter het onderzoek staan. Ze hebben vandaag aangegeven dat zij tijdens het
lopende onderzoek het rapport intrekken, dat de informatie die ze eerder hebben verstrekt
niet correct was en dat er dus wel sprake is geweest van betrokkenheid van ISN bij
de reflectiesessies. Ik heb uw Kamer vanmorgen daar anders over geïnformeerd, dus
dat corrigeer ik bij dezen. Dat is de tijdslijn zoals die is.
De voorzitter:
Dank voor uw reactie. Ik kijk even de heer Boon aan, die met een ordevoorstel kwam.
Maar dat was geen ordevoorstel, maar gewoon een vraag. Er is straks een tweede termijn,
mocht u nog vragen hebben, enzovoorts. Ik wil daar even naar verwijzen voor een volgende
keer. Ik kijk even rond. Ja, ik zie mevrouw Nanninga.
Mevrouw Nanninga (JA21):
De Minister heeft het vertrouwen in hem niet verspeeld met deze fout, die hij op basis
van aan hem bekende informatie heeft gemaakt. Dat lijkt me evident; ik zie hoe opgelucht
hij nu is. Je kunt iets pas zeggen als je het weet, dus het lijkt me heel evident
niet de schuld of het probleem van deze Minister. Het lijkt me wel een aaneenschakeling
van een verzwegen huwelijksrelatie en een verzwegen inmenging van Diyanet, een actor
van de regering-Erdogan, in dit onderzoek. Het was eerst niet en dan wel betrokken.
Dan is er de methodiek van het onderzoek: een paar gesprekjes met mensen, niet objectiveerbaar.
Enfin, het is een lang verhaal. Er deugt helemaal niks van, van alle kanten: procedureel
niet, wetenschappelijk niet, qua informatievoorziening niet. Ik heb nog maar één interruptie,
dus ik hoop dat de Minister daar geen misbruik van maakt maar gewoon ja of nee wil
zeggen. Ik kan niet doorvragen. Gaan we stoppen met zakendoen met dat KIS? Dit kan
natuurlijk niet meer. Graag een ja of een nee, want ik kan niet doorzeuren.
Minister Aartsen:
Daar ga ik toch nee op antwoorden. De mildheid die mevrouw Nanninga naar mij als Minister
uitstraalt, is sowieso verstandig in de politiek. Ja, hier zijn fouten gemaakt, laten
we daar gewoon duidelijk over zijn. Ik moet het kennismakingsgesprek met KIS nog hebben.
Ik zal u zeggen, dat zal een pittig gesprek worden. Ik bedoel, ik ben ook niet blij
met deze situatie. U kunt ervan op aan dat dat een pittig gesprek gaat worden. Betekent
dat dat we gelijk op een achternamiddag besluiten om de subsidie stop te zetten en
een aantal mensen hun baan te laten verliezen? Dat lijkt me ook een vrij ruige conclusie
op basis van fouten. Mensen mogen fouten maken, kunnen fouten maken. Ik heb twee onderzoeken
ingesteld. Ik ga dat gesprek aan. Nogmaals, we moeten ervoor zorgen dat het niet meer
gebeurt en daar mogen we elkaar als volwassen mensen op aanspreken.
De voorzitter:
Ik zag net de heer Ergin gebaren.
De heer Ergin (DENK):
Ik wil eigenlijk ruimte geven aan de Minister voor wat hij een herijking van zijn
contouren noemt. Alleen, er zijn wel een aantal open deuren als het om integratiebeleid
gaat. We hebben de inburgeringswet. We hebben net een hele discussie gehad over welke
dingen beter kunnen en wat we kunnen stroomlijnen. De scheidslijn tussen inburgering
en integratie is natuurlijk flinterdun. Kan de Minister aangeven wat zijn visie is:
wat is nou inburgering en wat is nou integratie?
Minister Aartsen:
Maar dat is volgens mij wel de kern waarom ik zeg: laat me even verstandig nadenken
over wat wijsheid is. Ik neem aan dat evident is dat als mensen hier nu naartoe komen,
er sprake is van integratie. Mensen moeten leren hoe de Nederlandse samenleving werkt,
moeten zich schikken naar de open en vrije samenleving en de normen die daar gelden.
Waar discussie ontstaat over wat we nou onder integratie laten vallen... Stopt dat
na één generatie of na twee of drie? Kun je dat überhaupt vastklikken? Wat doe je
met mensen die na drie generaties nog steeds anders kijken naar de Nederlandse vrije
waarden, de gelijkheid van man en vrouw, de gelijkheid van homo en hetero? Vallen
die ook nog onder integratiebeleid? Of zeggen we «nou, dat is dan zo, pech»? Daar
moet je even serieus over nadenken. Ik denk dat het verstandig is om dat te doen.
De heer Ergin begon over een integratieparadox, maar volgens mij zie je hier ook een
paradox. Aan de ene kant zijn er nog steeds mensen, ook mensen die hier zijn geboren
en die hier van generatie op generatie zijn, waarvan je zegt dat er echt nog wel een
uitdaging ligt wat de genoemde vrije Nederlandse waarden betreft. Tegelijkertijd kun
je mensen niet tot het einde der tijden blijven aanspreken met «u bent nieuwkomer
en los van het feit dat uw opa en oma of uw over-, over-, overgrootopa en -oma hier
zijn binnengekomen, moet u nog steeds integreren». Daar zit ergens spanning op. Dat
was vandaag ook zichtbaar in het debat.
Ik denk dat het verstandig is om rustig en gedegen na te gaan denken vanuit het concept
van de open en vrije samenleving. Dat wil je namelijk borgen. Aan de ene kant wil
je mensen die daar negatief tegenover staan beetpakken en laten weten «dit is leidend
en daarvan moet je onderdeel uitmaken» en aan de andere kant wil je ook weer niet
tegen mensen zeggen «het feit dat uw opa en oma hiernaartoe zijn gekomen maakt dat
u nog steeds nieuwkomer bent, niet welkom bent en moet integreren». Voor mijn beleid
wil ik ergens daartussen de balans zoeken.
De voorzitter:
Ik zie dat de heer Ergin nog een vervolgvraag heeft.
De heer Ergin (DENK):
Ik vraag meer naar het volgende. Neem het huidige beleid dat we de afgelopen decennia
in dit huis hebben gevoerd ten aanzien van opvattingen over bijvoorbeeld gemengde
huwelijken. Integratiebeleid gaat altijd over mensen met een migratieachtergrond.
De Minister zegt echter dat het over de vrije en open Nederlandse normen en waarden
gaat. Er zijn ook mensen zonder migratieachtergrond die in een voetbalstadion lelijke
dingen over Joodse Nederlanders roepen. Of neem een jonge dame zonder migratieachtergrond
die thuiskomt met iemand die een migratieachtergrond heeft en vervolgens door haar
familie wordt uitgesloten en in een hele lastige positie wordt gebracht. Dat is ook
een inbreuk op de Nederlandse normen en waarden. Eigenlijk is de vraag die ik aan
de Minister wil stellen de volgende. Ik begrijp het als hij die nu niet kan beantwoorden,
maar ik zou daar heel graag een debat over willen met de Minister. Valt dit dan ook
onder integratiebeleid? Wat is nou dus de reikwijdte? Dat bedoel ik niet in de zin
van generaties. Natuurlijk, daar zijn we eigenlijk al. Dat probeer ik in mijn verhaal
te vertellen. Ik bedoel ook: geldt dit nou voor alle Nederlanders of geldt dit alleen
voor Nederlanders met een migratieachtergrond?
Minister Aartsen:
Dit is precies de spijker op de kop. Daarvan zeg ik: geef mij iets meer dan veertien
dagen de tijd om daar eens mijn hoofd over te breken. Ik denk dat dat verstandig is,
maar ook dat het nodig is. Uiteindelijk is dat namelijk hetgeen mensen het meest steekt,
namelijk dat we een aantal waarden hebben die we delen met elkaar in dit land en dat
daarin botsingen plaatsvinden, ongeacht vanuit wie die botsingen komen. Dan kunnen
we de nadruk leggen op vanuit welke groepen die komen en wat we van die groepen vinden
of we gaan kijken hoe we ervoor kunnen zorgen dat we die waarden die ons land zo verschrikkelijk
mooi maken – daar begon ik mijn verhaal mee – wat prominenter neerzetten in het beleid.
Met uw goedvinden kom ik daar dus zeker op een later moment nog op terug. Dit is namelijk
geen makkelijke vraag om te beantwoorden.
De voorzitter:
Ja. De laatste van de heer Ergin.
De heer Ergin (DENK):
Die ruimte wil ik zeker aan de Minister geven. Tegelijkertijd trek ik daarmee ook
de volgende conclusie, aangezien de Minister zegt: geef mij nou even de tijd, zodat
ik goed kan nadenken. Ik concludeer dat we in Nederland dus ook geen integratiecrisis
hebben, want als er een crisis zou zijn, zou de Minister heel snel moeten handelen.
Ik vind het dus goed dat de Minister zegt: er is geen crisis; ik ga gewoon rustig
herijken en nadenken en ik kom met een gebalanceerd verhaal. Ik wens hem daarbij heel
veel succes.
Minister Aartsen:
Ik ga me niet aan dat soort termen wagen. Ik ga mijn eigen koers bepalen. Ik ga niet
reflecteren op het verleden en ik wil vooral aan de slag met de toekomst. Daar ga
ik mijn best voor doen. Volgens mij is het, ongeacht of er een crisis is of niet,
altijd verstandig om even rustig na te denken over wat je doet. Dat is wat dit kabinet
ook zal doen. Ik denk dat dat ook verstandig is bij een beleidsonderwerp als dit,
dat toch heel snel in de emotie en polarisatie getrokken kan worden – dat zeg ik er
toch maar even bij – en waar stevige woorden vallen. Ik heb als Kamerlid ook een aantal
keer in deze commissiezaal mogen zitten op dit onderwerp. Dat gaat toch heel snel
een bepaalde hoek in. Daarom denk ik dat het verstandig is om als kabinet te zeggen:
laat ons nou rustig, gedegen, pragmatisch, nuchter en oplossingsgericht het beleid
formuleren.
De voorzitter:
Ik zie verder geen vragen. De Minister vervolgt zijn betoog.
Minister Aartsen:
Er zijn een aantal vragen gesteld over arbeidsmigratie en de integratie van arbeidsmigranten
en expats. Het is natuurlijk zo dat deze mensen niet inburgeringsplichtig zijn. Er
is dus weinig wettelijk instrumentarium om deze mensen in de inburgering, de Nederlandse
taal en de Nederlandse samenleving te kunnen trekken. Het is natuurlijk wel zo dat
de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving enorm belangrijk zijn.
Dit kabinet vindt het ook een verantwoordelijkheid van werkgevers die mensen uitnodigen
om hier te komen werken om hen die verantwoordelijkheid te laten nemen. We zien ook
dat de cao's die worden afgesloten een goede plek zijn om afspraken te maken over
taalonderwijs. Als het gaat om de bekostiging van taalonderwijs zijn er overigens
ook taalsubsidies voor werkgevers mogelijk, zoals ESF+. We hebben ook het programma
Work in NL waarin we rondom taalonderwijs werkgevers- en werknemerspartijen, huisvesters
en andere private organisaties in een publiek-private samenwerking verenigen om dit
voor elkaar te krijgen.
Dan is er nog een vraag gesteld over arbeidsmarktdiscriminatie, over een motie uit
2024 van de heer Bamenga om uit te zoeken hoe we arbeidsmarktdiscriminatie willen
bestrijden en daar heldere doelen aan willen koppelen. Op 12 maart 2025 heeft de toenmalige
Minister van SZW u geïnformeerd over het Offensief Gelijke kansen, het vervolg van
de aanpak arbeidsmarktdiscriminatie. Hiermee is dus ook invulling gegeven aan de motie
van de heer Bamenga. We werken hierin samen met werkgeversorganisaties, met SER Diversiteit
in Bedrijf en met branche- en sectororganisaties. Het doel is blijvende verandering
van de sociale norm van professionele ontwikkeling voor inclusief werken, als vanzelfsprekendheid
voor goed werkgeverschap.
Tot slot de motie-Becker. Daarover zijn nog een aantal vragen gesteld. In het wetgevingsoverleg
van ’25 is er inderdaad een motie aangenomen door uw Kamer over onderzoek doen naar
de normen en waarden van Nederlanders met een migratieachtergrond. Daar zijn we ook
mee aan de slag gegaan. Elke vijf jaar doet het SCP door middel van een grote survey
onderzoek naar integratie en inburgering in verschillende herkomstgroepen. Ook in
’25/’26 wordt er een nieuwe survey onder 9.000 personen uitgezet. Deze survey geeft
een representatief beeld voor Nederland. Wij verwachten dat we die survey in 2027
beschikbaar zullen hebben. Met dit onderzoek voorzien we dus ook in breed kwantitatief
onderzoek naar waardenoriëntaties onder verschillende groepen in de Nederlandse bevolking.
Dat liep al en dat hebben we ook al gedaan, dus misschien kunnen we met terugwerkende
kracht ook wel spreken over een storm in een glas water.
Voorzitter. Ik heb geprobeerd alle vragen zo goed als mogelijk te beantwoorden. Het
waren er meer dan 100, dus het zal ongetwijfeld voor zijn gekomen dat ik er een aantal
heb gemist of dat er in de samenvoeging van vragen zijn weggevallen. Bij voorbaat
excuses daarvoor. Die ga ik proberen in de tweede termijn zo goed als mogelijk te
beantwoorden.
Dank u wel.
De voorzitter:
Oké. Ik kijk even naar de Kamer. Ik zie verder geen vragen. Ik zou toch wel eventjes
vijf minuten willen schorsen. Daarna gaan we door naar de tweede termijn van de zijde
van de Kamer.
De vergadering wordt van 21.18 uur tot 21.25 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik stel voor om weer aan de slag te gaan en te beginnen met de tweede termijn van
de Kamer. De eerste spreker is mevrouw Lahlah.
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de Minister voor de beantwoording van alle vragen.
Toch heb ik in de veelheid van vragen een antwoord gemist; dat heb ik nog niet gekregen.
In mijn eerste termijn vroeg ik hoe we beter zicht zouden kunnen krijgen op de kennis,
de ervaring en het potentieel van statushouders. Zoals ik toen al stelde, begint goed
beleid met mensen echt zien en weten wat iemand kan, welke opleiding iemand heeft
gevolgd, welke ervaring iemand heeft en waar iemands ambities liggen. Ik zou dus nog
een antwoord willen hebben op de vraag of de Minister erover na heeft gedacht of we
dit toch meer kunnen registeren en hoe hij ervoor kan zorgen dat die kennis en dat
potentieel veel beter wordt meegenomen in de begeleiding van nieuwkomers.
Dit gezegd hebbende, ga ik maar meteen naar de vier moties die ik al heb aangekondigd
in de eerste inbreng. Ik begin met de eerste.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat gemeenten sinds 2022 verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van
de Wet inburgering 2021 (Wi2021);
constaterende dat met het Rijk bestuurlijke afspraken zijn gemaakt over passende financiering;
constaterende dat gemeenten bij invoering van de wet nog onvoldoende zicht hadden
op de feitelijke uitvoeringskosten en het aantal inburgeraars sinds 2023 fors hoger
uitvalt dan is begroot;
verzoekt de regering de huidige bekostigingssystematiek van de Wi2021 te evalueren
en te toetsen aan de actualiteit en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Lahlah.
Zij krijgt nr. 481 (32 824).
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
De tweede motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland er volgens de Algemene Rekenkamer nauwelijks in slaagt
om erkende vluchtelingen aan het werk te krijgen in sectoren met grote personeelstekorten;
overwegende dat daardoor veel arbeidspotentieel onbenut blijft, terwijl nieuwkomers
juist aangeven te willen en kunnen werken;
constaterende dat een aantal bedrijven succesvolle vakroutes en leerwerktrajecten
hebben opgezet voor statushouders waarbij taal, werk en begeleiding gecombineerd worden,
zoals bouwbedrijf Heijmans en het UMC Groningen;
overwegende dat zowel bedrijven en nieuwkomers als de samenleving als geheel hier
baat bij hebben;
verzoekt de regering om in samenwerking met SZW en VWS landelijke opschaling van vakroutes
en leerwerktrajecten voor statushouders te organiseren, waarbij werk, taal en begeleiding
hand in hand gaan,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Lahlah.
Zij krijgt nr. 482 (32 824).
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
De derde motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat alle statushouders de kans moeten krijgen om te participeren middels
werk, vrijwilligerswerk, scholing of anderszins;
constaterende dat met name vrouwelijke statushouders hierbij tegen verschillende drempels
aan lopen, waaronder een gebrek aan kinderopvang voor werk of taallessen, de combinatie
met zorgtaken en een gebrek aan maatwerk;
constaterende dat het daardoor voor vrouwelijke statushouders vaak lastiger is om
te participeren in onze samenleving en economisch zelfstandig te worden;
verzoekt de regering om onderzoek te doen naar de randvoorwaarden die nodig zijn voor
vrouwelijke statushouders om beter te kunnen participeren en het ondersteunende beleid
dat daarvoor nodig is en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Lahlah.
Zij krijgt nr. 483 (32 824).
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
En tot slot, voorzitter.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het van groot belang is dat nieuwkomers zo snel mogelijk kunnen participeren,
bijvoorbeeld in de vorm van (vrijwilligers)werk of door naar school te gaan;
overwegende dat het hebben van een rijbewijs de kansen op vrijwilligerswerk en werk
en andere mogelijkheden vergroot;
constaterende dat asielzoekers met een W-document wel theorie- en praktijkexamen kunnen
doen bij het CBR, maar vervolgens geen Nederlands rijbewijs kunnen aanvragen;
verzoekt de regering deze drempels weg te nemen zodat ook asielzoekers met een W-document
een rijbewijs kunnen aanvragen en sneller kunnen participeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Lahlah.
Zij krijgt nr. 484 (32 824).
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik kijk even rond. Er zijn verder geen interrupties. Dan wil ik de heer
Ergin graag vragen om het voorzitterschap over te nemen, zodat ik mijn tweede termijn
kan doen.
Voorzitter: Ergin
De voorzitter:
Uiteraard. Ik geef het woord aan de heer Bamenga voor zijn tweede termijn.
De heer Bamenga (D66):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de Minister voor de beantwoording van de vragen.
Ik denk dat we elkaar vaker zullen tegenkomen in deze commissie om het te hebben over
integratie, die ik aan het begin van mijn betoog al «de kunst van het samenleven»
noemde. Mooier kan het bijna niet zijn.
Ik heb zelf drie moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het omzetten van diploma's, het verkrijgen van registraties en andere
obstakels ertoe leiden dat nieuwkomers van buiten de Europese Unie soms met een jarenlange
wachttijd kampen voordat zij op hun eigen niveau kunnen werken;
overwegende dat er daarmee een groot onbenut potentieel in cruciale sectoren als de
zorg blijft liggen;
verzoekt de regering obstakels in kaart te brengen die meedoen op eigen niveau belemmeren
en/of vertragen en beleid te formuleren dat meedoen op het eigen niveau bevordert,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bamenga.
Zij krijgt nr. 485 (32 824).
De heer Bamenga (D66):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat statushouders met verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd moeite
ervaren met in aanmerking komen voor kredietverstrekkingen voor ondernemingen;
overwegende dat de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in lijn met het Europese
Migratiepact verdwijnt;
overwegende dat ondernemerschap van statushouders een positieve werking kan hebben
op zowel hun integratie als de Nederlandse economie;
verzoekt de regering met een plan van aanpak te komen om ondernemerschap van statushouders
te stimuleren en drempels bij kredietverstrekking weg te nemen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bamenga.
Zij krijgt nr. 486 (32 824).
De heer Bamenga (D66):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Algemene Rekenkamer heeft vastgesteld dat de regering de werkervaring
en het opleidingsniveau van statushouders niet of in beperkte mate registreert;
overwegende dat deze gegevens belangrijke indicatoren zijn voor de effectiviteit van
integratiebeleid;
overwegende dat het registreren van deze gegevens het leveren van maatwerk voor individuele
statushouders mogelijk maakt;
verzoekt de regering de werkervaring en het opleidingsniveau van statushouders structureel
te registreren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bamenga.
Zij krijgt nr. 487 (32 824).
De heer Bamenga (D66):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dan draag ik het voorzitterschap weer over aan de heer Bamenga.
Voorzitter: Bamenga
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we naar de heer Boon.
De heer Boon (PVV):
Dank u, voorzitter. Vandaag is Nederland weer een stukje verder geïslamiseerd. Met
steun van de VVD en het CDA is voor het eerst in het Nederlandse parlement een ramadanschorsing
gehouden. Daarmee past het Nederlandse parlement zich aan de eisen van de islam aan.
Stap voor stap wandelen we zo verder richting een Nederland dat steeds verder islamiseert.
En dat gebeurt, opnieuw, met steun van VVD en CDA.
De PVV is en blijft hier fel tegen. In plaats van ons aan te passen aan de islam,
moeten we de-islamiseren. De PVV is teleurgesteld door de beantwoording van de Minister.
We hebben er geen antwoord op gekregen of hij zou willen leven in een land waarin
de islam de grootste religie is. Het woord «remigratie» hebben wij ook niet gehoord.
En verder doet dit kabinet niets. Men blijft doen alsof de islam een club onschuldige
padvinders is. Wat moet er nog gebeuren voordat de politiek correcte ogen eindelijk
opengaan?
Na dit debat en na de beantwoording van de Minister moet ik zeggen dat J.D. Vance
gelijk had toen hij zei: «De grootste bedreiging van Europa komt niet van buitenaf;
niet van Rusland en ook niet van China. De grootste bedreiging komt van binnenuit,
van de interne culturele en politieke koers die de Europese landen zelf hebben gekozen.»
Naar mijn mening doelde hij op het pad van de islamisering dat Europa, maar vooral
Nederland, is ingeslagen; het pad van de sharia. Maar de sharia en onze Grondwet zijn
als olie en water. Ze kunnen niet gemengd worden. De olie zal altijd boven komen drijven.
Maar onze generatie kan dat nog tegenhouden. Er moet een nieuwe D-day komen, en dit
keer staat die D voor «De-islamisering». Als we ons land willen behouden, dan moet
onze generatie inzetten op remigratie. De PVV strijdt wel voor ons land. Wij willen
ons land behouden. Daarom dienen wij vandaag de volgende moties in.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
spreekt uit dat de islam niet bij Nederland hoort,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boon en Wilders.
Zij krijgt nr. 488 (32 824).
De heer Boon (PVV):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de islam niet bij Nederland hoort;
overwegende dat op islamitische scholen de sharia al op jonge leeftijd in de hoofden
van kinderen wordt geplant;
verzoekt de regering alle islamitische scholen te sluiten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boon en Wilders.
Zij krijgt nr. 489 (32 824).
De heer Boon (PVV):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat Oostenrijk een wettelijk verbod heeft ingevoerd op islamitische hoofdbedekking
voor meisjes in het onderwijs;
overwegende dat islamitische hoofdbedekking een islamitisch symbool is van vrouwenonderdrukking;
verzoekt de regering een wettelijk verbod in te voeren op het dragen van islamitische
hoofdbedekking door minderjarige meisjes in het primair en voortgezet onderwijs,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boon en Wilders.
Zij krijgt nr. 490 (32 824).
De heer Boon (PVV):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat een Frans overheidsrapport waarschuwt voor de subtiele, langetermijninfiltratie
van de Moslimbroederschap, met als einddoel een islamitisch rijk gebaseerd op de sharia;
constaterende dat het Franse parlement op 22 januari 2026 een resolutie heeft aangenomen
om de Moslimbroederschap te verbieden;
verzoekt de regering om de Moslimbroederschap en de daaraan gelieerde organisaties
in Nederland te verbieden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boon en Wilders.
Zij krijgt nr. 491 (32 824).
De heer Boon (PVV):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering om personen met een dubbele nationaliteit die onherroepelijk
zijn veroordeeld voor één enkel ernstig misdrijf, na het uitzitten van de straf te
denaturaliseren en te onderwerpen aan gedwongen remigratie naar het land van hun andere
nationaliteit,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boon en Wilders.
Zij krijgt nr. 492 (32 824).
De heer Boon (PVV):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat er momenteel geen remigratieregeling bestaat voor niet-westerse allochtonen
met de Nederlandse nationaliteit die niet willen integreren;
verzoekt de regering een vrijwillige remigratieregeling in te stellen zonder vertrekpremie
of financiële compensatie, waarbij uitsluitend wordt voorzien in een vliegticket enkele
reis, bagagehulp en een snelle administratieve afhandeling,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boon en Wilders.
Zij krijgt nr. 493 (32 824).
De heer Boon (PVV):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat inburgering een wettelijke verplichting is voor vreemdelingen met
een verblijfsvergunning in Nederland;
overwegende dat herhaald en verwijtbaar verzuim bij inburgering duidt op onwil om
te integreren;
verzoekt de regering om de Wet inburgering 2021 zodanig aan te scherpen dat inburgering
een daadwerkelijk afdwingbare verplichting wordt en dat bij herhaald en verwijtbaar
verzuim wordt overgegaan tot intrekking van de verblijfsvergunning,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boon en Wilders.
Zij krijgt nr. 494 (32 824).
De heer Boon (PVV):
Voorzitter, tot zover.
De heer Ergin (DENK):
Gezien de moties die de heer Boon indient, verwacht ik niet meer dat hij zich schaamt
voor wat hij doet, maar ik wil er echt wel op wijzen dat de fractie van de PVV het
hier over een D-day heeft. D-day was een militaire operatie waarbij 150.000 soldaten
Europa kwamen bevrijden. Het was een militaire operatie, waarbij heel veel wapens
zijn gebruikt. Eigenlijk zegt de PVV: we moeten Nederland de-islamiseren door middel
van een D-day. Kennelijk moet dat met een militaire operatie. Ik vind dat echt beneden
alle peil en ik vind dat echt verschrikkelijk. Als er iets is wat on-Nederlands is,
dan zijn het dit soort uitspraken over groepen Nederlanders. Het is walgelijk en ik
wil graag dat dit opgenomen wordt in de Handelingen.
De heer Boon (PVV):
Ik wil even rechtzetten dat wij absoluut geen militaire interventie willen. We hopen
dat die niet nodig is. Daarom dien ik deze motie ook in. D-day staat voor «decision
day». Het is spreekwoordelijk. Het is een vergelijking. Het wil zeggen: we staan voor
een beslissing. Kiezen wij voor het pad richting vrijheid of kiezen wij het pad van
de sharia? Die D-day, die decision day, die beslissing, die moeten wij hier nemen.
Daar doelden we op. Wij willen geen militaire ingrepen. De PVV is altijd wars van
geweld. We nemen ook sterk afstand van alle vormen van geweld. Voor de duidelijkheid:
we willen geen geweld, maar we willen wel een decision day. We willen een beslissing
nemen: kiezen we voor vrijheid en laten we onze kinderen opgroeien zoals we willen
of kiezen we voor de sharia?
De voorzitter:
Oké, verder zie ik geen interrupties. Dan ga ik naar de volgende spreker. Dat is mevrouw
Michon-Derkzen.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik begon mijn eerste termijn door te zeggen dat ik een trotse, kersverse woordvoerder
integratie ben. Nu, aan het begin van mijn tweede termijn, heb ik een wat ander gevoel.
Ik vind dit een ingewikkeld debat in de zin dat een partij, de PVV, die zegt voor
de grondrechten te staan, tegelijkertijd in de bijdrage en in de moties die de partij
indient gewoon strak tegen de bestaande grondrechten ingaat. Ik vind het ook ingewikkeld
dat er dan een partij is, DENK, met meneer Ergin, die zegt: «Waarom hebben we het
over integratie. Integratie bestaat niet. Er is geen probleem.» Ik concludeer nu,
na één termijn in het eerste debat over dit onderwerp, dat je dit onderwerp eigenlijk
niet op een inhoudelijke, normale manier kan voeren, maar dat het allemaal in de gekkigheid – zo
wil ik het bijna noemen – wordt getrokken.
Ik wil ook gezegd hebben dat hetzelfde geldt voor de zogenaamde ramadanschorsing die
nu voor het eerst in het parlement zou hebben plaatsgevonden. We hebben aan het begin
van dit debat, op verzoek van de heer Ergin, gezegd dat we dit debat om 18.40 uur
schorsen. Dat hebben we met z'n allen gezegd, behalve de heer Boon, zoals hij terecht
zegt. We zouden schorsen omdat – dat hebben we erbij gezegd – we ervan uitgingen dat
de eerste termijn dan afgerond zou zijn. Vervolgens werd het 18.40 uur en hebben we
geschorst. Inderdaad, de heer Ergin moest toen nog spreken in de eerste termijn. Daar
wordt dus nu een groot nummertje van gemaakt met de woorden «we hebben de eerste ramadanschorsing».
Laat ik helder zijn: iedereen mag er ook zijn eigen stickers op plakken en hier alles
zeggen, alle onzin die je maar langs hoort komen. De VVD is niet voor een ramadanschorsing
en dat zullen we ook niet zijn. Die hebben we niet in dit huis. We debatteren volgens
een orde en die orde bepalen we aan het begin van een debat.
Voorzitter. Dit allemaal gezegd hebbende wil ik de Minister zeer bedanken voor zijn
inhoudelijke antwoorden. Ik heb nog een aantal open vragen en een paar moties. Ik
zie dat de heer Boon wil reageren.
De heer Boon (PVV):
Ik wil even reageren op die ramadanschorsing, want dit is nou echt typisch de VVD.
Ze zeggen «we zijn er niet voor», maar ze laten het wel gebeuren. Dat is weer hoe
de VVD stap voor stap voor stap iedere keer meegaat op het pad van de islamisering.
Nu spreken ze grote woorden: «we willen het niet» en «het was al afgesproken». Nee,
het was toen al bekend. Meneer Ergin heeft op zijn manier netjes aangegeven dat hij
vanwege de ramadan graag wil eten, dat hij wil schorsen. De PVV heeft als enige partij
gezegd: dat willen wij niet; wij gaan hier niet aan meedoen. De VVD wilde er wel aan
meedoen en heeft er mee ingestemd. Dan moet je dus ook de consequenties trekken en
niet zeggen: we waren erop tegen, maar we hebben het laten gebeuren.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik ga niet herhalen wat ik net heb gezet. We hebben aan het begin van het debat gezegd:
we schorsen om 18.40 uur. Dat was in de veronderstelling dat de eerste termijn van
de Kamer dan zou zijn afgerond en we sowieso een schorsing zouden hebben. Dat is anders
gelopen. Dat is natuurlijk het grote cadeau voor meneer Boon, want die kan er nu het
stickertje «ramadanschorsing» op plakken. Hij kan zichzelf met allerlei grove taal,
moties die al drie keer zijn ingediend en allerlei grondrechtenschendingen neerzetten
als de grote redder van de de-islamisering. Dat mag meneer Boon doen, want dat is
allemaal toegestaan. Hier mag je van alles zeggen, maar ik mag dan ook zeggen hoe
ik dit heb ervaren, en dat heb ik dus bij dezen gedaan.
De heer Ergin (DENK):
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Nee, nog niet voor de tweede termijn. Ik dacht dat u een vraag had, omdat u uw opstak.
Maar u had geen vraag?
De heer Ergin (DENK):
Nee. Ik wil best een vraag aan mevrouw Michon stellen, maar laten we het laten voor
wat het is.
De voorzitter:
Helemaal goed. Dan ga ik door met mevrouw Michon-Derkzen.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik wilde eigenlijk aan mijn tweede termijn gaan beginnen, nadat ik de Minister heb
bedankt voor zijn antwoord.
Voorzitter. Een zwaar punt voor mijn fractie is meedoen. Dat hoor ik overigens ook
de Minister zeggen, met «aan de slag». In die zin heeft hij dat al helemaal verinnerlijkt.
Wat mijn fractie betreft gaat meedoen heel erg over taal en werk. Daar richten dus
ook mijn moties zich op. Dat begint met een motie waarin ik de Minister wil aansporen
om bij gemeenten af te dwingen dat zij op de taaleis handhaven. We hebben wettelijk
vastgelegd dat je om bijstand te krijgen de Nederlandse taal moet spreken. Dan moet
dat ook gebeuren. Dat is niet vrijblijvend. Vandaar de volgende motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Participatiewet van bijstandsgerechtigden eist de Nederlandse
taal te beheersen of leren;
overwegende dat het spreken van de Nederlandse taal cruciaal is om deel te nemen op
de arbeidsmarkt;
overwegende dat onvoldoende helder is of handhaving op deze taaleis plaatsvindt;
overwegende dat het coalitieakkoord Aan de slag het voornemen heeft om op de taaleis
effectief te handhaven;
verzoekt de regering wetgeving voor te bereiden om handhaving op de taaleis effectief
vorm te geven in alle gemeenten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Michon-Derkzen en De Beer.
Zij krijgt nr. 495 (32 824).
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Voorzitter. We hebben het ook over werk gehad, en over werk voor statushouders. Daar
heb ik twee moties over, ook omdat ik er een beetje een onrustig gevoel over heb of
we goed genoeg weten of de eisen uit de inburgeringswet voldoende worden nageleefd
en of dat ook in alle gemeenten op een voldoende niveau is. Vandaar de volgende motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat uit de tussenevaluatie van de Wet inburgering 2021 blijkt dat nog
beperkt inzicht bestaat in de effectiviteit van de verschillende inburgeringsroutes;
overwegende dat inburgering een verplichting is en dat effectieve handhaving van de
verplichting essentieel is voor het functioneren van het stelsel;
verzoekt de regering om bij een verdere evaluatie van de inburgeringswet de Kamer
te informeren over:
– de percentages in de verschillende routes;
– de slagingspercentages, doorlooptijden en uitstroom naar werk per route;
– de mate waarin gemeenten in de praktijk handhaven op inburgeringsverplichtingen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Michon-Derkzen.
Zij krijgt nr. 496 (32 824).
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Voorzitter, tot slot mijn derde motie. Die gaat ook over werk. Dit heb ik overigens
gevraagd in de eerste termijn, maar ik meen dat ik daar geen antwoord van de Minister
op heb gekregen. De motie gaat over toegeleiding van statushouders naar de tekortsectoren.
Er is werk genoeg. Wat kan SZW doen om ervoor te zorgen dat niet in elke regio het
wiel wordt uitgevonden, maar dat SZW helpt met, naar ik hoop, landelijke trajecten
om het makkelijker te maken om statushouders naar tekortsectoren te leiden? Vandaar
de volgende motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de arbeidsparticipatie van statushouders onvoldoende is;
overwegende dat deelname aan het arbeidsproces van statushouders van nationaal belang
is;
overwegende dat er grote tekorten zijn in bepaalde sectoren op de arbeidsmarkt;
verzoekt de regering om regie te nemen in een landelijke aanpak om statushouders naar
werk te begeleiden in tekortsectoren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Michon-Derkzen en Bamenga.
Zij krijgt nr. 497 (32 824).
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we naar de volgende spreker. Dat is mevrouw Nanninga.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Dank, voorzitter. Omwille van de spreektijd wil ik het houden bij een bedankje aan
de Minister voor de beantwoording en aan de ambtsgenoten voor dit debat. Ik ga naar
de moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in de huidige Actieagenda Integratie en Open en Vrije Samenleving
de term «islam» niet wordt genoemd, terwijl de invloed van buitenlandse financiering,
salafistische netwerken en politieke organisaties op integratievraagstukken onmiskenbaar
is;
overwegende dat goed geïntegreerde moslims in Nederland er juist belang bij hebben
dat deze invloeden helder in beeld worden gebracht en worden bestreden;
verzoekt de regering bij de eerstvolgende actualisering van de Actieagenda Integratie
expliciet de rol van de politieke islam, buitenlandse financiering van moskeeën en
salafistische invloeden te betrekken, hiervoor concrete beleidsdoelen en maatregelen
te formuleren, en de Kamer daarover periodiek separaat te rapporteren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Nanninga.
Zij krijgt nr. 498 (32 824).
Mevrouw Nanninga (JA21):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat kennis- en meldpunten op het gebied van discriminatie en inclusie
in belangrijke mate door het Rijk worden gefinancierd;
overwegende dat de onafhankelijkheid en wetenschappelijke kwaliteit van onderzoek
op dit terrein essentieel zijn voor het maatschappelijk en politiek draagvlak;
verzoekt de regering een integrale inventarisatie te maken van alle door het Rijk
gefinancierde kennis- en meldpunten op het gebied van discriminatie en inclusie, daarbij
eventuele belangenverstrengeling en afhankelijkheid van probleembevestiging in kaart
te brengen en indien aangetroffen de samenwerking te beëindigen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Nanninga.
Zij krijgt nr. 499 (32 824).
Mevrouw Nanninga (JA21):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat beheersing van de Nederlandse taal op ten minste niveau B1 een noodzakelijke
voorwaarde is voor volwaardige deelname aan onderwijs, arbeid en samenleving;
constaterende dat de huidige inburgeringspraktijk taal veelal benadert als inspanningsverplichting,
met beperkte consequenties als de taaleis niet wordt gehaald;
overwegende dat het draagvlak voor de verzorgingsstaat onder druk komt te staan wanneer
nieuwkomers langdurig op uitkeringen aangewezen blijven zonder de taal voldoende te
beheersen om uit te stromen naar werk;
verzoekt de regering het behalen van minimaal taalniveau B1 binnen de wettelijke inburgeringstermijn
voor nieuwkomers vast te leggen als resultaatsverplichting en het uitblijven daarvan,
behoudens aantoonbare, zwaarwegende medische of verstandelijke beperkingen, automatisch
te laten leiden tot stevige, structurele sancties in de bijstand indien van toepassing,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Nanninga.
Zij krijgt nr. 500 (32 824).
Mevrouw Nanninga (JA21):
Voorzitter, dank u wel. U ook voor het voorzitten. Tot zover mijn tweede termijn.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan ga ik naar de heer Van den Brink.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ik dank de Minister voor de beantwoording. De meeste van mijn
vragen zijn beantwoord. Ik heb een hekel aan heel veel moties indienen, dus ik ben
niet van plan om een motie in te dienen. Ik wil nog wel verhelderende vraag stellen,
om te weten of ik de Minister goed heb begrepen. Het gaat nog steeds over die Syrische
verpleegkundige, die hier komt en waarvan de Rekenkamer zegt: als je die meteen pizza's
laat rondbrengen, dan is dat onbenut potentieel. Mijn vraag is of u die analyse deelt
en of u bereid bent om te kijken wat daartegen te doen is. Dat is de kern van mijn
vraag en daar heb ik nog geen helder antwoord op gekregen. U zei: als het gaat om
pizza's rondbrengen of thuiszitten, dan ben ik voor pizza's rondbrengen. Dat ben ik
met u eens, maar dat is niet de tegenstelling.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng in tweede termijn. Dan ga ik door naar de heer Ergin.
De heer Ergin (DENK):
Voorzitter, dank je wel. Ik ga vier moties indienen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
van mening dat het integratiebeleid eenzijdig is, omdat het primair gericht is op
aanpassing van groepen Nederlanders en voorbijgaat aan wederzijdse acceptatie als
voorwaarde voor volwaardige deelname aan de samenleving;
constaterende dat uit talloze onderzoeken blijkt dat er in de arbeidsmarkt, zorg,
onderwijs en op andere plekken in de samenleving aantoonbaar gebrek is aan acceptatie
van groepen Nederlanders;
constaterende dat de commissie-Blok al in 2004 constateerde dat de integratie «geheel
of gedeeltelijk geslaagd» is en dat het «een prestatie van formaat» is;
verzoekt de regering het begrip «integratie» af te schaffen en zich te richten op
acceptatie en gelijke kansen voor alle Nederlanders,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.
Zij krijgt nr. 501 (32 824).
De heer Ergin (DENK):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau laat zien dat
mensen met een migratieachtergrond die actief participeren in onderwijs en arbeid
juist vaker discriminatie en uitsluiting ervaren;
constaterende dat dit fenomeen bekendstaat als de integratieparadox, waarbij meer
maatschappelijke participatie gepaard kan gaan met een sterker bewustzijn van en blootstelling
aan discriminatie;
verzoekt de regering de integratieparadox expliciet te erkennen in beleid rond integratie
en maatschappelijke samenhang en beleid nadrukkelijk te richten op het wegnemen van
discriminatie en structurele ongelijkheden voor jongeren met een migratieachtergrond,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.
Zij krijgt nr. 502 (32 824).
De heer Ergin (DENK):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet onderzoek heeft uitgevoerd naar het reguleren van versterkte
gebedsoproepen en dat 145 gemeenten hebben deelgenomen;
constaterende dat uit de landelijke nulmeting blijkt dat slechts een klein aantal
gemeenten structurele versterkte gebedsoproepen kent en dat 92% van de gemeenten geen
knelpunten ervaart rond versterkte gebedsoproepen;
verzoekt de regering af te zien van extra regelgeving voor versterkte gebedsoproepen
zoals de adhaan, kerkklokken en evangelisatieactiviteiten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.
Zij krijgt nr. 503 (32 824).
De heer Ergin (DENK):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat beleid over integratie en samenleven vaak direct betrekking heeft
op moslimgemeenschappen in Nederland;
overwegende dat duurzame oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken gebaat zijn
bij samenwerking tussen overheid en maatschappelijke organisaties;
overwegende dat vertegenwoordigers van moslimorganisaties pleiten voor structureel
overleg en cocreatie met de overheid bij beleid dat hun gemeenschappen raakt;
verzoekt de regering te bevorderen dat bij de ontwikkeling van beleid op het gebied
van integratie, discriminatiebestrijding en samenleven structureel overleg en cocreatie
plaatsvindt met vertegenwoordigers van moslimgemeenschappen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.
Zij krijgt nr. 504 (32 824).
Dank u wel voor uw inbreng. Ik zie een interruptie van mevrouw Michon-Derkzen.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Eén punt over de commissie-Blok die zou stellen dat de integratie is gelukt. Niets
is minder waar. De commissie-Blok zegt: de rol die de overheid in integratie heeft,
is totaal niet gelukt. Als iemand goed integreert, komt dat doordat hij dat zelf doet.
Juist de overheid moet beter haar best doen voor de integratie. Dat doen we volgens
mij nu met de nieuwe inburgeringswet, de taaleis en wat we allemaal doen.
Ik begrijp dat de heer Ergin dit naar voren brengt, omdat hij heel graag wil laten
zien dat integratie niet nodig is en dat die klaar is, maar het tegendeel is waar.
Ik zeg hier maar weer dat iedereen over zijn eigen woorden gaat. Die zijn in dit debat
bij een paar partijen nogal anders dan die van mij, maar ik vind wel dat we de feiten
moeten nemen zoals ze zijn. De resultaten van de commissie-Blok worden door de heer
Ergin op een onjuiste manier naar voren gehaald.
De heer Ergin (DENK):
Ik heb de commissie letterlijk geciteerd. In dat rapport staat dat de integratie geheel
of gedeeltelijk is geslaagd en dat dit, ondanks de overheid, een prestatie van formaat
is. Tegelijkertijd heeft Minister Blok, toevallig een VVD-Minister, in het debat aangegeven
niet blij te zijn met deze conclusies en aangekondigd dat hier nog een keer onderzoek
naar wordt uitgevoerd. Dat zijn twee verschillende dingen die naast elkaar bestaan.
Je hebt een staatscommissie die onderzoek heeft uitgevoerd en die onafhankelijk tot
een oordeel is gekomen, en we hadden toen een regering die heel graag hijgerig aan
obsessiepolitiek wilde doen over integratie. Daarom heeft de regering uiteindelijk
een ander standpunt ingenomen. Maar objectief gezien was de conclusie dat de integratie
geheel of gedeeltelijk geslaagd was, en dat ondanks de overheid. Ik heb in de motie
letterlijk overgenomen wat in het rapport van de commissie staat.
De voorzitter:
Nog een interruptie van mevrouw Michon-Derkzen.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Meneer Ergin stelt hier: ik heb het letterlijk overgenomen. Hij heeft in zijn bijdrage
ook gezegd dat er geen probleem is. Hij gaat voorbij aan het percentage statushouders
die in de Participatiewet zitten, hij gaat voorbij aan alle slachtoffers van eergerelateerd
geweld en dat soort zaken. Nu citeert hij dit zinnetje uit het rapport om te zeggen:
zie je wel, andere partijen maken hier symboolpolitiek van, maar ik heb gelijk en
de commissie-Blok zei het ook al. Dat is onjuist. Daar sla ik op aan. Ik vind dat
gewoon niet oké. Meneer Ergin heeft een zinnetje om zijn eigen betoog kracht bij te
zetten, maar dat is niet op de feiten gebaseerd. Dat wil ik nog een keer gezegd hebben.
De heer Ergin (DENK):
Ik wil echt wel ... Mevrouw Michon-Derkzen mag mijn bijdrage, mijn manier van politiek
bedrijven duiden op haar eigen manier. Maar ik zou het wel fijn vinden als ze mij
juist zou citeren. In mijn spreektekst ben ik op geen enkele manier voorbijgegaan
aan of heb ik gebagatelliseerd dat er met vrouwen die slachtoffer worden van eergerelateerd
geweld, iets aan de hand is. Sterker nog, wij steunen alle voorstellen in de Kamer
over eergerelateerd geweld. Waar wij een punt van maken, is de verwarring waar mevrouw
Michon-Derkzen net mee komt. Zij heeft het over inburgering. Mensen die nieuw naar
Nederland komen, vallen onder de inburgeringswet.
DENK zegt niet dat de inburgering moet stoppen. Wij zeggen dat de integratie moet
stoppen. Dat zijn twee verschillende dingen en zelfs de Minister heeft geen antwoord
op de vraag wat nu precies de scheidslijn is. Ik constateer dat hier in de Kamer ...
Ik merk dat de VVD daar nu gebalanceerder mee omgaat. Ik weet niet of ik dat zo hardop
moet zeggen, maar we hebben gezien wat de VVD in het vorige kabinet heeft gedaan.
De VVD deed er alles aan om de PVV rechts in te halen en heeft toen verschrikkelijke
politiek bedreven als het gaat om het integratiebeleid. Precies op dat punt zeggen
wij: we moeten daarmee stoppen. Daar moeten we mee kappen. Inburgering is prima, mensen
in nood helpen is prima, maar we gaan niet generaties lang mensen doelbewust in een
integratiemarathon duwen, waarbij de VVD in een commissiedebat later even kan bepalen
wanneer die integratie wel of niet is geslaagd. Dat is in essentie wat ik vandaag
heb geprobeerd te vertellen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dit was de tweede termijn van de Kamer. De Minister heeft aangegeven een
kwartier tijd nodig te hebben. Ik stel voor om tot 22.10 uur te schorsen en zo direct
terug te komen voor de tweede termijn van de Minister.
De vergadering wordt van 21.56 uur tot 22.10 uur geschorst.
De voorzitter:
De Minister is al klaar en ik zie dat iedereen aanwezig is, dus laten we van start
gaan. Ik geef de Minister het woord voor zijn tweede termijn.
Minister Aartsen:
Dank aan de Kamerleden voor hun vragen en de moties.
De heer Van den Brink van het CDA vroeg of ik het onbenut arbeidspotentieel vind.
Het antwoord daarop is natuurlijk ja, zeker. Tegelijkertijd blijf ik zeggen dat dit
niet zwart-wit is. Het begint bij überhaupt een baan in de Nederlandse context vinden.
Dat zijn die startbanen wat mij betreft. Daar kun je natuurlijk een stuk slimmer over
nadenken. Als iemand affiniteit met de zorg heeft en in de schoonmaak gaat werken,
is het verstandig dat die dat dan in een zorginstelling doet. Daar begint al het slim
nadenken over potentieel. Het is eerst vooral belangrijk dat mensen iets doen en aan
het werk gaan. Vervolgens wil je inzetten op de volgende stap, de doorontwikkeling
in het werk. De derde stap is wat mij betreft een carrière waarin wordt uitgegaan
van iemands volledige potentieel. In die drietrap willen we het gaan integreren in
het nieuwe stelsel en in de verbetering die we willen aanbrengen in het inburgeringsstelsel.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik wil het meteen proberen af te ronden. U zegt: wat ik wil doen, ligt in lijn met
wat de Rekenkamer hierover zegt. Mag ik het zo interpreteren?
Minister Aartsen:
Ja, dat mag u zo interpreteren. Er kan heel makkelijk gezegd worden «als u verpleegkundige
was in land X, gaat u hier automatisch de BIG-registratie in», maar daar zitten heel
veel haken en ogen aan. Ja, dat is wel het streven, maar dat is stap drie. Laten we
eerst slim die eerste twee stappen inrichten. Stap een en twee moeten ingericht zijn
op doorstroming om uiteindelijk wel bij stap drie te komen. Ik denk dat de heer Van
den Brink en ik elkaar daar vinden. Je moet niet in stap een blijven hangen.
De voorzitter:
De Minister vervolgt.
Minister Aartsen:
Mevrouw Lahlah vroeg mij om beter zicht te krijgen op wat er in de PIP's wordt opgeschreven
ten aanzien van wat we weten. Daar is ook een motie over ingediend. Ik zeg maar even
heel eerlijk: uw Kamer heeft het afgelopen jaar tot twee keer de ambitie voor regeldrukvermindering
uitgesproken, zowel als het gaat om «500 regels» als om vereenvoudigingswetten et
cetera. Als ik hier nu ja op zeg, en dat geldt ook voor die motie, gaan we tegen gemeenten
zeggen dat ze bij ieder PIP verplicht een formulier moeten invullen, dat eens per
maand naar ons moet worden opgestuurd, waarna er bij ons weer mensen mee aan het werk
moeten. Er ligt ook nog een ambtelijke taakstelling aan onze kant. Ik wil het met
liefde en plezier doen, en dit geldt voor meer moties zo meteen, maar het zal tot
behoorlijke ambtelijke druk en regeldruk leiden. In het kader hiervan zou u misschien
ook zeggen een beetje terughoudend te zijn. We weten dat ook bij gemeenten – en dat
hoef ik mevrouw Lahlah niet te vertellen – hele goede professionals werken.
Laat ik anders toezeggen dat ik in mijn gesprekken met de gemeenten over de verbetering
van het inburgeringsstelsel ook nog zal benadrukken dat bij de PIP-uitvraag niet alleen
het lijstje moet worden afgelopen, maar dat echt het gesprek wordt gevoerd met de
betreffende persoon om te achterhalen wat die in het verleden heeft gedaan, wat die
kan en waar de kansen en talenten voor die persoon liggen. Ik wil een beetje terughoudend
zijn om alles weer vast te leggen in registraties en monitoring, want dan gaan we
weer een hele hoop regeldruk toevoegen. Ik leg het dilemma maar gewoon even neer.
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Als we het hebben over meedoen naar vermogen, is het belangrijk om te weten wie er
voor je zit. Ik snap het dilemma van registratie en registratie op zich is niet het
doel. Als u toe kunt zeggen dat u in gesprek gaat met gemeenten om te bespreken dat
ze daar expliciet een uitvraag naar doen en die meenemen in het vervolg, neem ik daar
genoegen mee.
Minister Aartsen:
Laten we dat zo afspreken.
Dan kom ik bij de moties. De motie op stuk nr. 481 van mevrouw Lahlah is een goede
vraag, maar we hebben dit al gedaan. We hebben een bekostigingsonderzoek afgerond
en rond de jaarwisseling naar de Kamer gestuurd. Daarin hebben we naar de huidige
bekostigingssystematiek gekeken, inclusief de punten die in de motie worden genoemd.
Ik zoek naar wat er dan extra nodig zou zijn, want anders is die wat mij betreft echt
overbodig. Dit onderzoek is gedaan en afgerond. Op basis daarvan is samen met de VNG
een werkgroep gestart. Ik moet deze motie «overbodig» geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 481 is overbodig. Mevrouw Lahlah heeft hier een vraag over.
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Ik hoor de Minister zeggen dat er al een werkgroep loopt of dat die onlangs is gestart.
Ik ben blij om dat te horen. Tegelijkertijd hoor ik ook nog heel veel geluiden van
gemeenten en uit de praktijk dat er nog steeds grote financiële tekorten zijn bij
de uitvoering.
Minister Aartsen:
Dat was ook de uitkomst van het onderzoek.
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Precies. Ik ga de motie nog niet aanhouden. Misschien dat ik dat nog wel doe, maar
ik wil me nog daar even over beraden. Het lijkt me namelijk ook goed dat de Kamer
zich hier expliciet over uitspreekt. Ik zal ook nog even bij een aantal gemeenten
navraag doen. Dus vooralsnog dien ik ’m gewoon in, maar mogelijk houd ik ’m later
in de week nog aan.
De voorzitter:
Oké. De motie op stuk nr. 481: overbodig.
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 482: oordeel Kamer. Dank voor de steun. Dat zou namelijk ook
mijn ingezette lijn zijn: zo veel mogelijk opschaling van vakroutes, leer-werktrajecten
et cetera et cetera. Daar sluit ik me volledig bij aan.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 482: oordeel Kamer.
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 483 wil ik ook oordeel Kamer geven, omdat het een bijzondere
aandachtsgroep is wat dat betreft. Ik denk dat het daarbij ook goed is om niet alleen
naar de randvoorwaarden te kijken, maar ook naar de belemmeringen die er zijn. De
eerlijkheid gebiedt natuurlijk ook te zeggen dat de man-vrouwverdeling en de culturele
verschillen die er zijn hier natuurlijk ook een belangrijke rol in spelen. Ik zou
daarom die belemmeringen daar ook in mee willen nemen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 483: oordeel Kamer.
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 484 is echt een aangelegenheid van de Minister van Infrastructuur
en Waterstaat; die gaat in Nederland over de rijbewijzen. De Minister van AenM gaat
over de W-documenten. Deze motie moet ik in dit commissiedebat dus ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 484: ontraden. Ik zie een vraag van mevrouw Lahlah.
Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):
Ik vind het een beetje een flauwe appreciatie, want de motie verzoekt de regering
hier een uitspraak over te doen. We hebben net in het debat geconcludeerd dat de Minister
de ketenverantwoordelijkheid draagt. Een rijbewijs kan het verschil maken tussen thuiszitten,
wat de Minister echt niet wil, en werk of vrijwilligerswerk vinden. Het is echt een
absurde regel dat je wel lessen kunt volgen, praktijkexamen kunt doen en kunt slagen,
maar niet je rijbewijs kunt aanvragen. Dit raakt ook direct aan werk en participatie.
Ik zou daarom toch willen vragen of de Minister zich dan met zijn collega's kan beraden.
Tot die tijd blijf ik de motie gewoon indienen. Ik houd ’m dus niet aan, maar dien
’m in. Ik hoop ook dat hij dit met zijn collega's, vanuit zijn rol als ketenverantwoordelijke,
toch kan toezeggen.
Minister Aartsen:
Ik kan aan de Minister van IenW vragen of hij hier voorafgaand aan de stemming een
reactie op kan sturen. Dat is wat ik kan doen. Maar ik kan niet zomaar in de verantwoordelijkheid
treden van de Minister van IenW, die verantwoordelijk is voor het rijbewijsregister.
Ik ken die wereld sinds de afgelopen maanden toevallig vrij goed. Daar gaat echt een
hele wereld achter schuil. Ik ga dat hier dus gewoon niet toezeggen. Dat hoort er
ook bij, een beetje politesse als het gaat om wat er waar wordt opgepakt. Ik ben het
helemaal eens met de probleemanalyse. Ik zal vragen aan de Minister van IenW of en
hoe hij hierover een brief aan u zou willen sturen.
De voorzitter:
Oké. Er wordt dus om een appreciatie vanuit de Minister van IenW gevraagd. Deze Minister
ontraadt de motie dus, als ik het zo hoor.
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 485 van de heer Bamenga verzoekt om obstakels weg te nemen. Ik
ben bereid om dat te doen. Ik denk dat dat een heel verstandig punt is. Ik geef deze
motie dus oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 485: oordeel Kamer.
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 486 wil ik ook oordeel Kamer geven, met dien verstande dat ik
niet weer een heel plan van aanpak ga schrijven, maar dat we hierover met banken in
gesprek gaan. Dit nemen we dan ook mee in het hele werktraject dat we hebben lopen
ten aanzien van werkende statushouders.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 486: oordeel Kamer.
Minister Aartsen:
Dan de motie op stuk nr. 487. Zoals ik net ook al zei, wil ik deze motie echt ontraden
in het kader van de regeldruk. Ten eerste gaan we namelijk alle gemeenten verplichten
om het structureel te registreren en moeten ze dus met regeldruk aan de gang gaan.
Vervolgens is het de vraag wat we, als we de informatie hebben, daarmee doen, omdat
uiteindelijk de professional aan de balie zelf bepaalt hoe de PIP eruit komt te zien.
Daarom ontraad ik deze motie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 487 is ontraden. Ik zou graag de heer Ergin willen vragen of
hij even het voorzitterschap wil overnemen.
Voorzitter: Ergin
De voorzitter:
Uiteraard. Dan geef ik het woord aan de heer Bamenga voor zijn vraag.
De heer Bamenga (D66):
Dit is volgens mij bijna hetzelfde als wat mevrouw Lahlah zojuist heeft ingebracht.
Dit komt uit een analyse van de Algemene Rekenkamer. Als je wilt dat mensen zo veel
mogelijk op hun eigen niveau gaan meedoen, want dat is manier waarop je ervoor zorgt
dat mensen duurzaam meedoen in de samenleving, dan is het wel belangrijk om te weten
wat ze kunnen, wat hun werkervaring is en wat hun opleidingsniveau is. Los van wat
de Algemene Rekenkamer aangeeft, zeggen ook de mensen die ik gesproken heb, dat in
het hele traject niet aan hen is gevraagd wat ze kunnen. Dat is heel erg frappant.
Ik heb het voorbeeld gegeven van een cardioloog. Ik heb een ander voorbeeld gegeven
van iemand die bankier was. Noem maar op! Dat zijn allemaal mensen die ontzettend
veel kunnen, maar niemand vraagt daarnaar. Het gaat me niet om extra regeldruk of
om het per se registreren hiervan. Volgens mij gaat het er juist om dat we mensen
leren zien en dat we mensen daadwerkelijk leren inzetten op de juiste manier, zodat
ze duurzaam mogen meedoen. Wellicht kan de Minister het in dat licht bekijken en kan
hij de motie op een andere manier interpreteren en uitvoeren.
Minister Aartsen:
Dan vraag ik aan de heer Bamenga toch om dezelfde coulance die mevrouw Lahlah mij
ook gaf. Ik bespreek dit met gemeenten. Ik wil dat gemeenten in hun gesprek met een
inburgeraar deze vraag stellen. Daar zijn we het 100% over eens. Ik ga het alleen
niet laten registreren om het vervolgens weer landelijk te kunnen rapporteren, want
dan wordt het echt ingewikkeld en voegen we regeldruk toe. Maar er is geen verschil
van inzicht over dat het belangrijk is dat op het moment dat er een PIP wordt afgenomen
de vraag wordt gesteld zoals de heer Bamenga ’m formuleert, namelijk «wat kan u?»
en misschien nog wel meer. «Waar droomt u van? Wat zijn uw passies? Wat zijn uw talenten?
Waar heeft u zin in? Lijkt het u leuk om eens een keer in de zorg mee te lopen? Wilt
u nog eens een keer ervaring opdoen in de techniek? We hebben nog een mooi bbl-traject
of een leerwerktraject ergens voor u; wilt u dat een keer gaan doen?» Dat is wat ik
uiteindelijk wil. Daarom ga ik in gesprek over de financieringssituatie van gemeenten.
Ik ga in gesprek met de gemeenten over de financiering, maar ik ga over veel meer
dan alleen maar financiering in gesprek. Want ik wil het stelsel verbeteren, veel
meer gericht op: iedereen doet mee, iedereen werkt mee, ook uitgaande van wat mensen
kunnen.
De voorzitter:
Dan draag ik het voorzitterschap wederom over aan de heer Bamenga.
Voorzitter: Bamenga
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Ergin. Dan komen we volgens mij bij de motie op stuk nr. 488.
Minister Aartsen:
Dit is een spreekt-uitmotie, dus volgens mij hoor ik hier geen oordeel over te geven,
toch?
De voorzitter:
Ja.
Minister Aartsen:
Mooi, klopt.
Dan de motie op stuk nr. 489. Die is ongrondwettelijk en daarom ontraad ik «m.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 489: ontraden.
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 490 ontraad ik ook.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 490: ontraden.
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 491 schuurt ook tegen onze democratische rechtsstaat aan, dus
daarom ontraad ik ’m ook.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 491: ontraden.
Minister Aartsen:
Dezelfde redenering over onze democratische rechtsstaat geldt voor de motie op stuk
nr. 492, dus ook die moet ik ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 492: ontraden.
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 493 ontraad ik ook. We hebben op dit moment al een Remigratiewet.
Overigens is de instroom daarvoor door het vorige kabinet stopgezet. Vandaar dat ik
de motie ontraad.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 493: ontraden.
Minister Aartsen:
Ook de motie op stuk nr. 494 ontraad ik, omdat de intrekking van de verblijfsvergunning
hier geen onderdeel van het stelsel uitmaakt.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 494: ontraden.
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 495 kan ik oordeel Kamer geven. Ik ga met de gemeenten in gesprek
over de handhaving van de taaleis en hoe we die effectief vorm kunnen geven. Ik deel
het punt dat als we een wet hebben vastgelegd, die ook dient te worden gehandhaafd.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 495: oordeel Kamer.
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 496 kan ik oordeel Kamer geven, maar met dezelfde argumentatie
vraag ik om ’m voorlopig aan te houden omdat ik nog een brief ga sturen, naar onder
anderen mevrouw Nanninga, over de aantallen en de situatie in de Z-routes. Laat me
even kijken hoeveel van de punten die mevrouw Michon-Derkzen noemt ik daarin mee kan
nemen. Dat scheelt mogelijk weer. Sowieso start er een evaluatie in 2027. Daar kunnen
we dit ook in meenemen. In principe is ze oordeel Kamer. De afwegingen om ’m in te
dienen laat ik bij de Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 496: oordeel Kamer.
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 497 kan ook oordeel Kamer krijgen. Die sluit aan bij de ambitie
van dit kabinet om de regie te nemen in de landelijke aanpak, specifiek op de tekortsectoren.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 497: oordeel Kamer.
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 498 wil ik «ontijdig» geven. Ik ben op dit moment nog aan het
nadenken over wat het toekomstige beleid van dit kabinet specifiek gaat worden en
hoe we dat gaan uitwerken. In het regeerakkoord is buitenlandse beïnvloeding een belangrijk
onderdeel; vandaar dat ik hier nu «ontijdig» op geef.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 498: ontijdig.
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 499 kan ik oordeel Kamer geven, met dien verstande dat als daar
sprake van is we ook even moeten kijken wat passend is op dat moment. Die disclaimer
moet ik even maken. Het kan soms verstandig zijn om wel samen te werken, omdat het
doel soms de middelen heiligt. Die slag om de arm wil ik even maken. Met die connotatie
kan ik deze motie oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 499: oordeel Kamer. Ik zie een vraag van de heer Ergin.
De heer Ergin (DENK):
Wat ik niet begrijp aan de motie op stuk nr. 499, is dat dit tot heel veel administratie
leidt. Volgens mij is de Minister een warm pleitbezorger van zo min mogelijk administratie.
Ik begrijp dus niet waarom dit argument bij deze motie opeens heel klein is, terwijl
hij bij een motie van mevrouw Lahlah het argument van administratiedruk enorm groot
maakt. De Minister geeft nu oordeel Kamer aan een motie die een integrale inventarisatie
vraagt, terwijl hij in zijn disclaimer eigenlijk toelicht dat deze motie niet nodig
is.
Minister Aartsen:
Dat is heel verstandig om te doen. We hebben vandaag namelijk gezien hoe een onderzoek
waaraan veel geld is uitgegeven en waarin uitkomsten zitten waar je vervolgens iets
mee zou willen, onderuit wordt gehaald omdat de partij waarmee je samenwerkt in die
context bepaalde belangenverstrengelingen heeft of een bepaalde samenwerking heeft
die in die context niet verstandig is. Dan ben je dus geld aan het weggooien en dat
vind ik onverstandig.
In mijn Kamerbrief van vanmorgen heb ik ook aangegeven dat ik breed ga kijken: wat
wordt het beleid voor de toekomst en met wie ga je samenwerken? Ik vind het logisch
om deze inventarisatie daarin mee te nemen, want dat was ik sowieso al van plan. Als
u een soort goudengidsachtige variant verwacht op basis van deze motie: die verwachting
ga ik temperen, want dat gaat niet gebeuren. Maakt u zich daar geen zorgen over.
De heer Ergin (DENK):
Maar het is handig om daar scherp op te zijn. Bij andere moties zie je namelijk een
totaal andere benadering. Ik hoorde de Minister net zeggen dat er sprake zou zijn
van belangenverstrengeling. Volgens mij is het toch de schijn van belangenverstrengeling?
Of heeft de Minister zijn conclusies al getrokken?
Minister Aartsen:
Ik denk dat de heer Ergin hier een terecht punt heeft, dat ik hier het woord «schijn»
voor had moeten zetten. Ik blijf er overigens bij dat geld geven aan je huwelijkspartner
niet heel verstandig is in het kader van betrouwbaarheid van onderzoek. Vorige week
heb ik ook aangegeven in de brief dat ik dit onverstandig vind om te doen.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Dank aan de Minister voor het zich niet laten ompraten. En dat op andermans motie
hè, meneer Ergin? Zou het helpen als ik de motie nog wat aanpas? Dan zou, de opmerking
van de Minister in acht nemend, achter «indien aangetroffen» volgen «passende maatregelen
te nemen», in plaats van «de samenwerking te beëindigen». Dan kan ik de motie nog
even aanpassen.
Minister Aartsen:
Dat zou zeer fijn zijn. We gaan breed kijken met wie we samenwerken, in welke context
we dat doen en of dat verstandig is.
De voorzitter:
Oké. De motie op stuk nr. 499: oordeel Kamer.
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 500. Ik snap de redenering. Je wilt namelijk zo veel mogelijk
inzetten op B1. Die zorgen over de Z-route zie ik ook. Ik wil deze motie «ontijdig»
geven. Ik wil dit meenemen in de brief die ik nog ga sturen over de Z-route. Daarnaast
wil ik dit meenemen in de evaluatie die we richting 2027 gaan starten. Op dit moment
wil ik de motie dus «ontijdig» geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 500: ontijdig.
Minister Aartsen:
De motie op stuk nr. 501 moet ik ontraden. Ik vind deze te scherp geformuleerd in
het dictum. Ook met een aantal constateringen ben ik het oneens.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 501: ontraden.
Minister Aartsen:
Voorzitter. Dan de motie op stuk nr. 502. Die is eigenlijk overbodig. We hebben gewoon
onderzoek van instituten. Een daarvan is het Sociaal en Cultureel Planbureau. Dat
constateert de integratieparadox als een verschijnsel. Als een onafhankelijk instituut
dat constateert, dan is het heel gek om dat vervolgens te erkennen of te ontkennen.
Het gevaar van deze motie is ook dat als ze wordt weggestemd, de Kamer dat niet erkent,
hoewel het wel de uitkomst is van een onderzoek van een gerenommeerde partij, namelijk
het Sociaal en Cultureel Planbureau. Misschien de oproep om ’m in te trekken, want
uiteindelijk is de motie ook overbodig. Het is gewoon de vaststelling van een verschijnsel
dat er is, zoals heel veel dingen in de samenleving worden vastgesteld door het planbureau.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 502: overbodig. De heer Ergin heeft een vraag.
De heer Ergin (DENK):
Ik begrijp waar de Minister op doelt. Het dictum bestaat uit twee onderdelen: het
erkennen en het vervolgens opnemen in beleid. Kan ik uit deze beantwoording van de
Minister opmaken dat hij in principe zegt weinig te kunnen met erkenning omdat onderzoeksbureaus
daarover gaan, maar dat hij in de algehele herijking die hij heeft aangekondigd best
wil nadenken over hoe hij de integratieparadox in ieder geval een grotere plek kan
geven in het beleid? Kan ik de Minister zo samenvatten?
Minister Aartsen:
Ja, maar dan wordt het «ontijdig». Ik wil me er echt even op beraden.
De heer Ergin (DENK):
Ik ga me dan beraden over het dictum van de motie. Ik zal ’m in ieder geval aanpassen,
waarbij ik maximaal rekening houd met wat de Minister zegt en met de ruimte die hij
hiervoor nodig heeft. Ik denk dat het toch belangrijk is dat we het echt een plek
gaan geven in de actieagenda, want je kunt niet alleen maar aan de ene kant negatieve
veiligheidsvraagstukken in een container stoppen en als er dan iets is zoals de integratieparadox,
daarvan zeggen: weet je wat, dat laten we bij de onderzoeksinstanties. Ik zal me daar
dus over beraden.
Minister Aartsen:
Helder. Nogmaals, ik beraad mij op de koers. Het staat uw Kamer natuurlijk vrij om
mij signalen mee te geven, dus dat zie ik bij de stemmingen dan wel.
De voorzitter:
Oké. Dan is de motie nog steeds overbodig.
Minister Aartsen:
Ja, dan wordt die ontijdig. Nu is die overbodig en afhankelijk van de aanpassing kunnen
we de appreciatie aanpassen.
De motie op stuk nr. 503. Ook die is ontijdig. Ik kom daar nog op terug op het moment
dat de nulmeting is afgerond, in de 100 dagenbrief.
Tot slot de ...
De voorzitter:
Sorry, even terug. De motie op stuk nr. 503.
Minister Aartsen:
Ontijdig.
De voorzitter:
Ontijdig.
Minister Aartsen:
Ook de motie op stuk nr. 504 krijgt ontijdig, omdat ik me er inderdaad op beraad of
het verstandig is om dit op deze manier te doen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 504 is ook ontijdig.
Ik kijk eventjes richting de Kamer. Er zijn verder geen vragen meer.
Dan kunnen wij richting de afronding gaan. Volgens mij zijn er wel toezeggingen gedaan.
Die zal ik er even bij pakken. Er zijn twee toezeggingen gedaan, als het goed is.
– Allereerst aan het lid Nanninga. De Minister stuurt een brief over de Z-route en de
taaleis.
De vraag is even wanneer de brief zal komen.
Minister Aartsen:
Het voordeel van als je in maart bent, is dat je gewoon kan roepen: voor de zomer.
Voor de zomer!
De voorzitter:
Oké, voor de zomer.
Dan de tweede toezegging.
– De Minister gaat naar aanleiding van de motie-Lahlah aangaande het aanvragen van een
rijbewijs de Minister van IenW verzoeken schriftelijk te reageren op de motie, voorafgaand
aan de stemmingen.
Dat was het. Dan wil ik graag iedereen bedanken voor de inbreng en de Minister voor
de reactie in dit debat, het wetgevingsoverleg Integratie en maatschappelijke samenhang.
Dan sluit ik bij dezen het overleg.
Sluiting 22.28 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.M.T. van der Lee, voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Mede ondertekenaar
H.J. Post, griffier
Stemmingsuitslagen
Aangenomen met handopsteken
| Fracties | Zetels | Voor/Tegen |
|---|---|---|
| D66 | 26 | Voor |
| VVD | 22 | Voor |
| GroenLinks-PvdA | 20 | Voor |
| PVV | 19 | Voor |
| CDA | 18 | Voor |
| JA21 | 9 | Voor |
| FVD | 7 | Tegen |
| Groep Markuszower | 7 | Voor |
| BBB | 3 | Voor |
| ChristenUnie | 3 | Voor |
| DENK | 3 | Tegen |
| PvdD | 3 | Tegen |
| SGP | 3 | Voor |
| SP | 3 | Tegen |
| 50PLUS | 2 | Voor |
| Keijzer | 1 | Voor |
| Volt | 1 | Voor |
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.