Verslag van een commissiedebat : Verslag van een commissiedebat, gehouden op 25 maart 2026, over Landbouw- en Visserijraad (maart)
21 501-32 Landbouw- en Visserijraad
Nr. 1794
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Vastgesteld 18 mei 2026
De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de vaste
commissie voor Europese Zaken hebben op 25 maart 2026 overleg gevoerd met de heer
Erkens, Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, en de
heer Van Essen, Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, over:
− de brief van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 18 maart
2026 inzake geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad van 30 maart 2026, voortgang
omtrent GMO-verordening en definitieve GLB-tarieven (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1766);
− de brief van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 4 maart
2026 inzake verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 23 februari 2026 (Kamerstuk
21 501-32, nr. 1765);
− de brief van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 10 februari
2026 inzake uitvoering van de gewijzigde motie van de leden Podt en Bromet over bij
de Europese Commissie pleiten voor voorstellen die de toelating van laagrisicomiddelen
bevorderen (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1744) (Kamerstuk 27 858, nr. 742);
− de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 13 februari 2026 inzake fiche:
Wijziging Verordening biologische productie en etikettering (Kamerstuk 22 112, nr. 4276);
− de brief van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
d.d. 9 maart 2026 inzake SCoPAFF-vergadering gewasbeschermingsmiddelen maart 2026
(Kamerstuk 27 858, nr. 744).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en
Natuur, Steen
De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken, Van Meetelen
De griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, Jansma
Voorzitter: Steen
Griffier: De Keijzer
Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Bromet, Van Duijvenvoorde, Den Hollander,
Chris Jansen, Kostić, Lohman, Van der Plas, Steen en Vellinga-Beemsterboer,
en de heer Erkens, Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
en de heer Van Essen, Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.
Aanvang 14.00 uur.
De voorzitter:
Beste mensen, het is 14.00 uur. Dat betekent dat wij gaan beginnen, dus wilt u allen
uw plaats innemen? Ik heet u allen van harte welkom bij het commissiedebat LVVN. Hartelijk
welkom aan de mensen op de publieke tribune en de mensen die via de livestream met
ons meekijken. Van harte welkom aan de Minister en de Staatssecretaris en hun ondersteuning,
en ook aan de leden van deze commissie. Dat zijn meneer Lohman van het CDA, mevrouw
Den Hollander van de VVD, het lid Kostić van de Partij voor de Dieren, mevrouw Vellinga-Beemsterboer
van D66 en mevrouw Bromet van GroenLinks-PvdA. Twee collega's hebben aangegeven later
te komen; dat zijn de heer Jansen van de PVV en de heer Van Duijvenvoorde van Forum
voor Democratie. Die komen zo meteen binnen.
Dit commissiedebat duurt drie uur en we hebben een spreektijd van vier minuten per
fractie. Ik stel voor om in de eerste termijn vier interrupties toe te staan. Zoals
u allen weet, of misschien niet weet, tellen we de interrupties onder de 30 seconden
niet mee, dus die zijn gratis. Maak daar dankbaar gebruik van, zou ik u zeggen. Laten
we interrupties wel ongeveer in drieën doen, zeker als u die onder de 30 seconden
houdt, zodat het debat ook door kan gaan. Houdt u daar vooral rekening mee.
Dan geef ik het woord aan de eerste spreker van vandaag, en dat is de heer Lohman
van de fractie van het CDA.
De heer Lohman (CDA):
Dank u wel, voorzitter, en gefeliciteerd met uw verkiezing.
Vandaag gaan we het hebben over de Europese visie op landbouw en voedsel. Als Amsterdammer
in de landbouwwereld is het laveren tussen wereldbeelden van de boerenbelangen – hoe
voeden we de wereld vanuit Nederland? – en de idealen van wat weleens gekscherend
de «havermelkelite» wordt genoemd – hoe doen we dat binnen de draagkracht van de planeet?
– niet vreemd. De komende jaren staat de Europese landbouw, visserij en voedselketen
voor precies dit spanningsveld. Met toenemende onzekerheid op het wereldtoneel moet
de Europese voedselvoorziening zich de komende jaren voor de zoveelste keer in de
geschiedenis gaan heruitvinden. Deze transitie moet worden vormgegeven met respect
en waardering voor de voedselmakers van ons continent: de boeren en vissers. Tegelijkertijd
leeft het besef dat investeren in een goede bodem, het verbeteren van de natuur en
het halen van klimaatdoelen geen luxe maar een noodzaak is voor een gezond en welvarend
Europa. De komende jaren staan in het teken van de zoektocht naar dit evenwicht, met
als voorwaarde de grote verantwoordelijkheid die we dragen richting de minst koopkrachtigen
in onze samenleving om het dagelijks brood ook betaalbaar te houden.
Voorzitter. Dit is het geluid dat ik namens het CDA wil laten horen, met één been
in de stad en het ander op het platteland en in het weekend regelmatig met de blik
op de Noordzee. In dat perspectief heb ik enkele vragen, opgeknipt in de blokjes generatievernieuwing,
eiwittransitie en visserijbeleid. Ik leer snel over de blokjes.
Generatievernieuwing. In de voorstellen voor het nieuwe GLB benadrukt de Europese
Commissie het belang van jonge boeren en generatievernieuwing, maar tegelijkertijd
wordt er meer ruimte gelaten aan de lidstaten voor de invulling en financiering hiervan.
Kan de Minister in dit geval toelichten hoe hij deze Europese voorstellen beoordeelt
vanuit Nederlands perspectief? Welke kansen en risico's ziet hij voor jonge boeren
en tuinders? Hoe wil hij ervoor zorgen dat generatievernieuwing daadwerkelijk een
stevige plek krijgt in de Nederlandse inzet richting Brussel?
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
We zijn natuurlijk beland in een periode waarin grote veranderingen voor de Nederlandse
landbouw aanstaande zijn. Het is goed om de jonge boeren daarbij in ogenschouw te
nemen, maar ik wil van het CDA niet alleen horen welke vragen het heeft aan de Minister,
maar ook hoe het CDA zelf ziet hoe dat vorm te geven met de jonge boeren.
De heer Lohman (CDA):
Ik zou graag willen reageren, maar ik snap niet helemaal precies de vraag. Wat zou
vormgegeven moeten worden met de jonge boeren?
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
De heer Lohman stelt allemaal vragen aan de Minister, maar de vragen die hij stelt
aan de Minister wil ik eigenlijk aan hemzelf stellen. Het CDA heeft daar ook een opvatting
over, neem ik aan.
De heer Lohman (CDA):
Helder. Volgens mij blijkt dat voor een deel uit de vraagstelling. Wij denken dat
het belangrijk is dat jonge boeren een belangrijke rol aan tafel krijgen in Europa.
Ik denk dat we in Nederland hebben gezien dat de strijd van de afgelopen jaren rondom
de stikstofcrisis heel erg op de schouders is gekomen van de jonge boeren, die zich
vanuit het NAJK stevig hebben ingezet voor het niet gelukte landbouwakkoord. Ik denk
dat we eigenlijk alles moeten doen om ruimte te bieden aan de jonge boeren om een
toekomst te hebben binnen Europa.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik vind het nog niet erg concreet, maar dat komt dan misschien later wel. Is het CDA
dan ook bereid om afstand te nemen van andere partijen in de agrarische sector, die
soms heel andere dingen vinden dan de jonge boeren?
De heer Lohman (CDA):
Ook dit vind ik geen heel concrete vraag wat betreft de partijen waarop gedoeld wordt
en waar we afstand van moeten nemen. Ik denk dat u misschien doelt op het belangenspeelveld
in Nederland van welke partijen een stem hebben richting de politiek. Het is voor
het CDA duidelijk dat we de stem van onder andere NAJK – er zijn natuurlijk veel meer
groepen die zich georganiseerd hebben – belangrijk vinden. We hebben daar ook goede
contacten mee. Ik ben ook bekend met allerlei andere netwerken, zoals Caring Farmers,
waar u zelf ook vaak mee in contact bent. Ik denk dat het belangrijk is dat we in
het versplinterde boerenbelangenspeelveld met alle partijen spreken, dus uiteraard
LTO, NAJK en ook vernieuwende netwerken en agro-ecologische boeren. Ik denk dat dat
ook bij deze tijd past. We moeten luisteren naar verschillende ideeën over de aankomende
landbouwtransitie. Dat wil ik namens het CDA heel graag doen.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Tot slot. Ik denk dat de tijd van luisteren grotendeels geweest is. We weten waar
iedereen staat. Het gaat nu om het nemen van beslissingen. Ik weet nog niet waar het
CDA staat als het gaat over het maken van keuzes, want als je kiest voor het een,
dan betekent dat soms ook dat je afscheid neemt van het ander.
De heer Lohman (CDA):
Dat ben ik met u eens. Het is tijd dat we keuzes gaan maken. Ik herken het beeld nu
niet dat er verschillende groepen zijn die totaal andere vormen van landbouw zouden
hebben. Er zijn verschillende vormen van landbouw. Je hebt de biologische landbouw.
Je hebt boeren die met regeneratieve landbouw aan het experimenteren zijn. Die zijn
allemaal ook onderdeel van de netwerken. Ook bij LTO en NAJK zitten verschillende
soorten boeren, en dan hebben we het nog niet over tuinders gehad. Het is dus volgens
mij niet zo dat we afscheid gaan nemen van een bepaalde groep boeren. In die tegenstelling
herken ik me niet zo.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
De heer Lohman (CDA):
Volgens mij had ik het blokje generatie gehad. Dan kom ik bij de eiwittransitie. De
vraag naar eiwitten blijft wereldwijd stijgen. De toekomst van eiwitten zou bestaan
uit dierlijk en plantaardig, van het land en vanuit de zee. Vleesvervangers en in
de toekomst wellicht kweekvlees zijn onderdeel van de oplossing. Er ligt al een Europese
inzet op eiwitvoorziening, maar die is versnipperd en onvoldoende gericht op strategische
autonomie. Hoe gaat de Minister in de Raad sturen op een samenhangende Europese eiwitstrategie
die onze afhankelijkheid van import daadwerkelijk vermindert en die niet alleen inzet
op teelt, maar die ook industrie-innovatie en consumptie meeneemt?
Dan het visserijbeleid. Steeds meer organisaties pleiten ervoor om het gemeenschappelijk
visserijbeleid niet open te breken, maar beter te implementeren. Tegelijkertijd horen
wij van vissers uit de praktijk dat het nog te vaak vastloopt in regels die niet werken.
Gaat de Staatssecretaris zich in Europa inzetten voor implementatie van het GVB, zodat
dit zowel leidt tot het herstel van visbestanden als tot een reëel verdienmodel voor
vissers? Ik lees dat de Staatssecretaris zich wil inzetten voor versnelling van de
brandstoftransitie in de visserij. Hoe zorgt de Staatssecretaris ervoor dat deze energietransitie
breder wordt opgepakt door ook verduurzaming van vistuig en vistechniek mee te nemen?
Voorzitter, ik rond af. De vraag is niet of ons voedselsysteem verandert, zoals mevrouw
Bromet ook aangeeft, maar wie die verandering vormgeeft. We moeten ons niet laten
verleiden om een valse tegenstelling op te werpen in die zin dat we moeten kiezen
tussen economie en ecologie of tussen koemelk en havermelk. Laten we omarmen dat het
gaat over en-en en niet over of-of. Ik doe een oproep aan ons, de politiek, om gezamenlijk
op te trekken en het voedselsysteem te hervormen, zodat het werkt voor boeren, vissers
en consumenten.
Dank u wel.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Een mooi verhaal waar wij als Partij voor de Dieren ook veel mee kunnen. Ik heb een
concrete vraag. We hebben afgelopen week gezien dat biologische boeren er last van
hebben dat hun buren met landbouwgif spuiten en dus met verschillende pesticiden of
bestrijdingsmiddelen; hoe je het ook wilt noemen. Mijn vraag aan collega Lohman is
welke oplossing het CDA hiervoor ziet.
De heer Lohman (CDA):
Ik denk dat het noodzakelijk is dat we het gebruik van gewasbescherming over de hele
linie gaan veranderen. Wij denken dat synthetische gewasbeschermingsmiddelen daar
nog een onderdeel van kan zijn, maar we willen echt heel stevig erop inzetten dat
die steeds minder invloed gaan hebben op het hele milieu, dus op de bodem en zeker
ook op de omwonenden. Dat wordt ook in het regeerakkoord gezegd. Ik denk dat biologische
boeren het voorbeeld geven, namelijk dat je ook zonder synthetische gewasbescherming
hele goede oogsten kunt behalen. De vraag hoe je bijvoorbeeld in de zonering meer
ruimte creëert voor de biologische landbouw, zal misschien uiteindelijk een ruimtelijkeordeningsvraagstuk
worden. Daardoor zit je ook minder dicht op elkaar. Volgens mij kun je er met technologische
innovaties, zoals het gebruik van een Wingssprayer, voor zorgen dat synthetische gewasbeschermingsmiddelen
niet op het biologische land terechtkomen. Dat zijn oplossingsrichtingen waar we naar
zouden kunnen kijken.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van het lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dit klinkt natuurlijk als iets voor de langere termijn, maar het probleem is dat biologische
boeren nu moeten stoppen omdat ze eigenlijk gewoon niet meer kunnen opereren omdat
het gif op hun gewassen belandt en ze sowieso opdraaien voor de kosten die dat met
zich meebrengt. Dat is dus een acuut probleem. Partij voor de Dieren heeft daar in
de vorige kabinetsperiode vragen over gesteld. De vorige Minister vond het de verantwoordelijkheid
van de biologische boeren zelf om het maar op te lossen. Ik hoop toch niet dat dat
de richting is die het CDA op wil. Is het CDA bereid om met ons mee te denken over
hoe we hier een concrete kortetermijnoplossing voor kunnen vinden voor de biologische
boeren?
De heer Lohman (CDA):
Ik kan in ieder geval ...
De voorzitter:
De heer Lohman.
De heer Lohman (CDA):
Sorry, voorzitter. Ik kan in ieder geval benadrukken dat wij als CDA de biologische
landbouw heel belangrijk vinden. Ik wil dus zeker meedenken over hoe we ervoor kunnen
zorgen dat we de ambitie die de overheid heeft om het biologische areaal te vergroten
ook daadwerkelijk mogelijk gaan maken. Daar hebben we afgelopen week natuurlijk ook
op meegestemd. Dit is volgens mij niet zozeer een probleem van de biologische boer
of de gangbare boer an sich. Er zijn veel biologische boeren die stoppen; dat hoor
ik ook. Dat heeft helaas ook vaak met marktomstandigheden te maken. Ik zie eigenlijk
daar ook meer een rol voor de overheid, om te kijken hoe we meer aan die vraagkant
kunnen gaan werken. Ik kan nu dus niet heel specifiek antwoord geven op dit beeldvraagstuk,
maar ik wil zeker met u nadenken over wat we daar extra in zouden kunnen betekenen,
want nogmaals, ik vind de biologische landbouw een heel belangrijk onderdeel van de
transitie.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Lohman. Dan kijk ik naar mevrouw Den Hollander voor haar inbreng
in de eerste termijn.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Ook van mijn kant uiteraard felicitaties voor uw benoeming.
Voorzitter. Wij zouden als VVD-fractie enkele aandachtspunten willen meegeven aan
het kabinet voor de Landbouw- en Visserijraad die binnenkort plaatsvindt. We zouden
willen starten met een blokje over de Nederlandse vissers. In de Raad zal gesproken
worden over de oneerlijke concurrentie bij de makreelvangst tussen EU-vissers en vissers
uit andere Europese, niet-EU-landen. Als VVD vinden wij dat visserij duurzaam moet
zijn, bij voorkeur gebaseerd op wetenschappelijk advies. Tegelijkertijd mag dit er
niet toe leiden dat Nederlandse vissers worden benadeeld door oneerlijke concurrentie.
De huidige afspraken lijken erop neer te komen dat niet-EU-landen meer ruimte krijgen
en Nederlandse vissers juist te maken hebben met strengere regels, terwijl Nederlandse
vissers juist bereidheid tonen om te verduurzamen, bijvoorbeeld via innovaties zoals
pulsvisserij. Deze ontwikkelingen worden al bemoeilijkt door Brusselse regelgeving.
Extra beperkingen maken het voor hen nog lastiger. Het is daarom van belang dat Brussel
ervoor zorgt dat duurzaamheid en eerlijke concurrentie hand in hand gaan. Ik zou daarom
de volgende vragen willen stellen aan de Staatssecretaris. Hoe gaat u de Europese
plannen beoordelen om de visserijsector uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te maken?
Wat betekent het concreet voor de Nederlandse kottervloot?
De VVD is voorstander van emissievrije en emissiearme technologieën. Wij denken dat
hiermee een bijdrage kan worden geleverd aan een sterkere concurrentiepositie ten
opzichte van visserij buiten de EU. Mijn vervolgvraag aan de Staatssecretaris is dan
ook hoe we ervoor kunnen zorgen dat deze innovaties op korte termijn beschikbaar,
realistisch en financieel haalbaar worden voor de Nederlandse vissers.
Voorzitter. Het tweede onderwerp dat we willen belichten is de toekomst van de landbouw
en het GLB. Voor de VVD is het essentieel dat boeren kunnen rekenen op een stabiel
en toekomstbestendig inkomen. Hoewel er stappen worden gezet, onder andere via gemeenschappelijk
landbouwbeleid en maatregelen tegen oneerlijke handelspraktijken, blijkt de praktijk
nog altijd weerbarstig. Boeren hebben te maken met grote inkomensschommelingen en
een ongelijk speelveld binnen de keten. Daarom zou ik de Minister willen vragen hoe
hij de eerste resultaten van de Europese visie voor landbouw en voedsel ziet en op
welke onderdelen hij vindt dat er versnelling nodig is.
Er wordt ingezet op nieuwe verdienmodellen en op de generatiewisseling. Dat is cruciaal,
want zonder jonge boeren is er geen toekomst voor de sector. Tegelijkertijd blijven
toegang tot land, kapitaal en innovatie belangrijke knelpunten. Hoe gaat de Minister
zich binnen Europa inzetten om deze barrières daadwerkelijk te verkleinen en het ondernemerschap
in de landbouw te versterken? Gaat de Minister ervoor pleiten dat er in het GLB meer
ruimte komt voor de eco-regeling? Dat laat zien dat deze regeling ervoor zorgt dat
maatschappelijk gewenste ontwikkelingen gestimuleerd worden, zoals kruidenrijk grasland
en minder inzet van gewasbescherming en kunstmest. Naast de eco-regeling moet er ook
aandacht komen voor het inzetten van innovatieve technieken op het land om de bedrijfsvoering
te moderniseren. Is de Staatssecretaris bereid om in Brussel te pleiten voor bevordering
van deze ontwikkelingen?
Gezien de tijd ga ik eerst eventjes naar de Food and Feed Safety Omnibus, want morgen
vindt over dit onderwerp een rondetafelgesprek plaats. De zienswijzen die onze fractie
bereiken over dit onderwerp lopen sterk uiteen. Sommige partijen zien het als beleid
dat het makkelijk maakt om schadelijke en chemische bestrijdingsmiddelen op de markt
te brengen en te houden, terwijl andere partijen het voorstel juist zien als een methode
om risicogestuurd te kunnen beoordelen en als iets dat kansen biedt op snellere toelating
van nieuwe middelen met minder milieu-impact. Kan de Staatssecretaris zijn eerste
indruk van de Food and Feed Safety Omnibus delen met de Kamer? Is de Minister bereid
om zich in Europees verband in te zetten voor een risicogebaseerde herbeoordeling
mits het beschermingsniveau voor mens, dier en milieu gelijk blijft?
Ten aanzien van de handel zien wij dat er recent op Europees niveau stappen zijn gezet
om de positie van boeren in de voedselketen te versterken, onder meer via afspraken
over contracten en strengere regels tegen oneerlijke handelspraktijken. Dit sluit
aan bij de inzet van de VVD om boeren een eerlijker aandeel in de keten te geven.
Tegelijkertijd blijft de vraag hoe deze maatregelen in de praktijk zullen uitpakken.
Hoe beoordeelt de Minister deze ontwikkelingen en wat zijn naar verwachting de concrete
gevolgen voor Nederlandse boeren?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Den Hollander. Dan is het woord aan het lid Kostić van de Partij
voor de Dieren. Gaat uw gang.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dank, voorzitter, en ook felicitaties vanuit mijn kant.
Ik begin met het Omnibusvoorstel van de Europese Commissie, waarmee de wetgeving ten
aanzien van landbouwgif ernstig wordt afgezwakt. Dit terwijl er steeds meer zorgen
zijn over landbouwgif en we zo snel mogelijk naar een gifvrije landbouw toe willen
gaan, omdat dat in het belang is van de gezondheid van mens, dier, natuur en milieu,
maar ook zeker van de boeren.
Daarom is het stuitend dat juist de biologische boeren, die al het goede voorbeeld
geven, er de dupe van zijn dat er nog zo veel chemisch gif wordt gespoten. Zojuist
vroeg ik het CDA om samen tot een oplossing te komen voor biologische boeren die nu
moeten betalen voor het feit dat er veel landbouwgif van de buren op hun erf terechtkomt.
Biologische boeren dragen nu de lasten. Dat kan toch niet de bedoeling zijn? Daarom
vraag ik de Staatssecretaris of hij kan aangeven hoe hij dit gaat oplossen en de biologische
boeren beter gaat beschermen.
Vorig jaar nam de Kamer nog een hele duidelijke motie aan om met klem te pleiten tegen
voorstellen die de status quo wat betreft de toelating van chemische en risicovolle
middelen verzwakken. Erkent de Staatssecretaris dat hij, in lijn met deze motie, moet
pleiten tegen het Omnibusvoorstel? Kan hij aangeven hoe hij dit aanpakt?
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Dit punt sluit aan op wat het lid Kostić net zei. Ziet het lid Kostić het risicogestuurd
herbeoordelen ook als een kans om middelen die negatief in de aandacht komen, juist
eerder te kunnen herbeoordelen?
Kamerlid Kostić (PvdD):
De discussie over bestrijdingsmiddelen en landbouwgif is natuurlijk al een langlopende
discussie. We lopen er steeds tegenaan dat het altijd een beetje rommelen in de marges
blijft, terwijl we allemaal weten dat het eigenlijk absurd is dat we gif spuiten op
ons eten en dat dit uiteindelijk overal in onze omgeving terechtkomt. We moeten dus
toe naar een ander landbouwsysteem. Dat is onze prioriteit. Ik begrijp dat de VVD
daarin een andere prioriteit heeft, maar volgens mij moeten we onze kostbare publieke
middelen juist inzetten om de transitie in de landbouw te bewerkstelligen; dat moet
dus zonder chemisch gif.
De voorzitter:
Mevrouw Den Hollander heeft een vervolgvraag.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik bestrijd dat wij een ander einddoel in beeld hebben. Vooralsnog heb ik dat niet
kunnen ontdekken, misschien alleen ten aanzien van de marsroute. Wij willen juist
de snellere toelating van groene middelen mogelijk maken. Daar is die Food and Feed
Safety Omnibus een prachtig instrument voor. Deelt lid Kostić dat met ons?
Kamerlid Kostić (PvdD):
Nee, dat deel ik zeker niet. Het Omnibusvoorstel is op dit moment een afzwakking van
de bescherming van gezondheid en milieu. We weten ook – dat heeft het Ctgb ook aangegeven
– dat de huidige manier van toelating onvoldoende is om het milieu goed te beschermen.
De stapelings- en cocktaileffecten en allerlei andere risico's worden onvoldoende
meegenomen. Het is dus echt niet aan de orde om nu verder de kant van afzwakking en
versoepeling op te gaan, zeker als je kijkt naar hoe dit nu in het land leeft; mensen
maken zich ernstige zorgen. Volgens mij hebben wij hierin een verantwoordelijkheid
als Kamer. Zoals ik net al zei tegen de Staatssecretaris, ligt er gewoon een aangenomen
motie die vraagt om tegen het Omnibusvoorstel in deze vorm te pleiten.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Onder andere FNV en de Parkinsonalliantie Nederland waarschuwen voor de schadelijke
gevolgen van het Omnibuspakket voor de volksgezondheid en de natuur. Deelt de Staatssecretaris
deze zorgen?
Bij de herbeoordeling van landbouwgif zien we dat producenten doelbewust onvolledige
dossiers aanleveren, waardoor procedures worden vertraagd of compleet vastlopen. Ondertussen
blijft het gif gewoon op de markt. Het Europese Hof van Justitie is daar helder over:
er moet worden gecontroleerd of producenten dit soort vertragingen veroorzaken door
bewust onvolledige dossiers in te dienen. Kan de Staatssecretaris aangeven hoe deze
uitspraak van het Europese Hof wordt verwerkt in het Omnibusvoorstel?
Vertragingen bij EFSA en het Ctgb ontstaan mede doordat de producenten half werk aanleveren.
Dat kost veel geld. Deelt de Staatssecretaris dat de rekening moet worden neergelegd
waar die hoort, namelijk bij de gifproducenten? Welke maatregelen overweegt de Staatssecretaris
om dit structureel aan te pakken? Is de Staatssecretaris bereid om het beoordelingsproces
meteen stop te zetten zonder kans op verlenging als een dossier niet op orde is? Want
waarom zouden we blijven meebewegen met partijen die de regels niet serieus nemen?
Over gif gesproken: er wordt volop schadelijke pfas in landbouwgif verwerkt. De schade
is enorm en daar betaalt de belastingbetaler nu voor. Gezien het feit dat dit kabinet
de gevaren van pfas erkent en een verbod op pfas wil, zou het logisch zijn dat de
Staatssecretaris zich ook inzet voor een nationaal en Europees verbod op pfas in bestrijdingsmiddelen,
anders komt het alsnog overal terecht.
De heer Lohman (CDA):
We hadden een discussie over wat voor soort landbouwsysteem we, of in ieder geval
het CDA en in dit geval de Partij voor de Dieren, voor ons zien. Ik denk dat we het
erover eens zijn dat er heel grote veranderingen nodig zijn. Er is iets waar we het
wellicht niet helemaal over eens zijn en ik ben benieuwd hoe u daarnaar kijkt. U heeft
het een aantal keer gehad over een landbouwsysteem zonder het gebruik van gif. Ik
wil vragen wat uw toekomstbeeld dan is. Hoe ziet een landbouwsysteem zonder chemisch
gif – dat is volgens u iets anders dan niet-chemisch gif – eruit? Kunt u daarop reflecteren?
Kamerlid Kostić (PvdD):
Zeker. Ik denk dat we daar heel veel ervaring mee hebben in Nederland maar zeker ook
buiten Nederland, namelijk in de biologische landbouw. Die laat het goede voorbeeld
zien. Ik denk dan: we hebben zo veel jaar ervaring hiermee, dus waarom zou je die
niet veel meer kunnen opschalen en uiteindelijk ook als standaard willen inzetten?
Er wordt te veel gedacht in onmogelijkheden. Het zou allemaal te marginaal zijn en
er zou onvoldoende balans in zitten. Maar dat komt ook doordat we het eerlijke verhaal
niet vertellen. We zeggen niet: jongens, eigenlijk is het niet heel goed voor de omgeving
dat we zo veel chemisch gif gebruiken; eigenlijk is biologisch gewoon veel beter.
We zeggen: we hebben de beste landbouw ter wereld; eigenlijk is alles goed genoeg.
Dan is er heel weinig prikkel, ook voor een consument met voldoende geld, om te kiezen
voor biologisch. Het begint ook in de communicatie. Je verwacht ook van de Staatssecretaris
en de Minister dat ze heel duidelijk aangeven dat biologisch de richting is die we
op zouden willen. Het gangbare systeem op dit moment – met de beste bedoelingen van
de boeren, want die kunnen er niks aan doen dat ze daarin vastzitten – is eigenlijk
gewoon niet houdbaar.
De heer Lohman (CDA):
Twee korte vervolgvragen. Begrijp ik goed dat u zegt dat een biologische landbouw
het haalbare en wenselijke eindbeeld is voor de Partij voor de Dieren? Dat is vraag
een. Vraag twee is ... Mag dat, voorzitter? Omdat we van dezelfde partij zijn? Nee,
grapje. Omdat ik nieuw ben! Wij zien een ontwikkeling naar minder impact op het milieu,
op het gebied van milieugebruikspunten, waarbij het onderscheid tussen synthetisch
en niet-synthetisch minder van belang is, maar het gaat om de vraag: wat doet dit
voor de staat van de natuur? Zou u daarover willen meedenken, even als teruguitnodiging
na het gesprek van hiervoor?
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik denk heel graag overal over mee, maar onze ervaring door de jaren heen is dat biologische
landbouw gewoon goed werkt voor de omgeving. Daarin kun je ook nog veel verbeteringen
inzetten, maar dat is wel iets waarmee we al superveel ervaring hebben opgedaan en
wat al de positieve resultaten oplevert die we nodig hebben. Tegelijkertijd hebben
we ook een beweging gezien van allemaal vage greenwashingbegrippen als «natuurinclusief»,
«On the way to PlanetProof» en dat soort dingen, die veel te veel vaagheid met zich
meebrengen en dus de kans op greenwashing geven. Daar willen we voor waken. Wij denken:
als je weet dat je een sterk merk hebt, biologisch, dat ook internationaal wordt erkend,
waarom zou je dan niet daarop doorontwikkelen? Dat zijn we al die biologische boeren
volgens mij ook allang verschuldigd. Ik zou, als het daarover gaat, willen meedenken
en me niet zo willen laten afleiden door andere manieren, waarvan ik denk dat het
risico is dat we toch weer in die groep van greenwashing gaan zitten, met alle respect.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Kan de Staatssecretaris toezeggen in Europa te pleiten voor een verbod op pfas, ook
in bestrijdingsmiddelen, en daarvoor bondgenoten te zoeken, bijvoorbeeld in Denemarken?
Voorzitter. Dan over de dieren. Nederland heeft gelukkig de vreselijke bontindustrie
verboden, net zoals bijna elk ander land in de EU. Zo zie je ook dat een maatregel
die wij in Nederland doorvoeren, ertoe kan leiden dat meer landen volgen – zeg ik
ook even tegen de VVD. Maar nu staan we voor een beslissend moment in de EU. De Europese
Commissie is met het onzalige plan gekomen om geen verbod in te stellen maar met dierenwelzijnsaanpassingen
te komen, terwijl we uit onderzoek weten dat de bontindustrie op geen enkele manier
diervriendelijk kan zijn en er ook geen draagvlak is in Europa. Is de Staatssecretaris
bereid om de Europese Commissaris op zeer korte termijn op te roepen om niet met aanpassingen,
maar met een verbod te komen? Is hij bereid om Oostenrijk te steunen, dat een officieel
verzoek wil indienen bij de Europese Commissie om met een Europees bontverbod te komen,
maar daarvoor steun van andere lidstaten nodig heeft?
Voorzitter, tot slot. De Europese Commissie kwam met de belofte om in 2023 met wetgeving
te komen om eindelijk te verbieden dat dieren in kooien worden gehouden, maar die
belofte is niet nagekomen. Nog altijd leven meer dan 300 miljoen dieren per jaar een
kort en ellendig leven tussen stalen stangen of in krappe kooien. Is de Staatssecretaris
bereid om zich actief in te zetten, zodat hier eindelijk een einde aan komt, en om
zijn inzet zo snel mogelijk per brief terug te koppelen aan de Kamer?
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank het lid Kostić. Ik maak direct even van de gelegenheid gebruik om de heer
Jansen van de PVV welkom te heten, net als mevrouw Van der Plas van de BBB en de heer
Van Duijvenvoorde van Forum voor Democratie. De heer Van Duijvenvoorde is geen officieel
lid van deze commissie. Staat u het hem toe om het woord te voeren hier? Ik zie geen
onoverkomelijke bezwaren, dus welkom aan hem. Dan geef ik het woord aan de heer Jansen.
De heer Chris Jansen (PVV):
Dank, voorzitter. Natuurlijk ook van mijn zijde felicitaties met uw eervolle benoeming,
zeg ik dan.
Voorzitter. De agrarische sector is de hoeksteen van onze Nederlandse voedselzekerheid
en een sector waar we als land absoluut trots op mogen en moeten zijn. Voor de PVV
staat één ding voorop: onze boeren en vissers moeten kunnen blijven produceren zonder
verstikt te worden door Brusselse regelzucht, resulterend in een kabinetsbeleid gebaseerd
op volkomen onrealistische klimaatideologieën. We bespreken vandaag de voortgang van
de Europese visie op landbouw en voedsel, een jaar na de presentatie. De Europese
Commissie schermt met termen als «eerlijke beloning» en «minder regeldruk». Maar wat
merkt de boer daar in de praktijk van? Wat de PVV betreft is het een jaar vol loze
beloften. We zien dat de sector nog steeds worstelt met complexe regelgeving en een
relatief laag inkomen. Mijn vraag aan de Minister is dan ook: hoe kan hij beweren
dat er sprake is van vereenvoudiging, terwijl boeren dagelijks uren kwijt zijn aan
administratieve verplichtingen die enkel bedoeld lijken om hen te controleren en te
straffen in plaats van te faciliteren?
Daarnaast maakt de PVV zich grote zorgen over de geluiden vanuit de Wetenschappelijke
EU-Klimaatraad. Er wordt gepleit voor het belasten van landbouwemissies en het dwingen
van burgers om minder vlees te eten. Dat is voor ons onacceptabel. Keuzevrijheid staat
wat ons betreft voorop. Mijn vraag is: kan de Minister garanderen dat hij zich in
Brussel met hand en tand zal verzetten tegen elke vorm van een vleestaks of extra
lastenverzwaring voor onze veehouders en, zo nee, waarom niet?
Voorzitter. Er wordt gesproken door het Europees Parlement over een verhoging van
het gemeenschappelijk landbouwbeleidbudget naar 427 miljard euro, om de inflatie op
te vangen. Hoewel steun voor boeren essentieel is om de klappen op te vangen, vraagt
de PVV zich wel af hoeveel van dit geld daadwerkelijk bij de boer op het erf terechtkomt
en hoeveel er blijft hangen in de Brusselse bureaucratie en groenetransitieprojecten.
We weten allemaal dat de ngo's altijd prima raad weten met het verbrassen van dit
soort bedragen. Wat de PVV betreft mag onze voedselzekerheid niet worden opgeofferd
aan de digitale en groene transities waar de Commissie zo op hamert. Kijkend naar
onze visserij kunnen we wel stellen dat de energietransitie bij onze vissers als een
molensteen om de nek hangt. De PVV kijkt met argusogen naar de plannen voor een klimaatneutrale
visserij in 2050. De kottervloot is al tot op het bot gesaneerd en in dit tempo is
het de vraag of we in 2050 überhaupt nog wel een visserijsector hebben in Nederland.
De technologie voor emissievrije schepen is nog lang niet uitontwikkeld en de investeringsrisico's
zijn gigantisch. Is de Minister het met de PVV eens dat we onze vissers niet de afgrond
in moeten duwen met onhaalbare routekaarten en klimaatdoelen en hoe gaat hij dit voorkomen?
Daarnaast vragen we ons af hoe de Minister de concurrentiepositie van onze vissers
beschermt tegenover landen buiten de EU die maling hebben aan deze dure Europese hobby's.
Positief is het voorlopige akkoord dat bepaalde vleesbenamingen uitsluitend voor echt
vlees mogen worden gebruikt. De PVV heeft altijd gepleit voor eerlijkheid. Een burger
is van vlees en niet van soja.
Afrondend, voorzitter.
De voorzitter:
Ja, rondt u af. Dan ga ik daarna het woord geven aan mevrouw Vellinga-Beemsterboer.
De heer Chris Jansen (PVV):
Afrondend. De PVV kiest voor de boer en de visser. Geen extra belastingen op uitstoot,
geen gedwongen krimp van de veestapel en geen onrealistische klimaatdoelen voor de
visserij. Wij verwachten van deze Minister een harde vuist in Brussel voor onze eigen
Nederlandse voedselproducenten.
Dank u wel.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Er is onduidelijkheid bij mij naar aanleiding van wat ik de heer Jansen eerder in
zijn betoog hoorde zeggen, namelijk dat we minder regels nodig hebben vanuit Brussel.
Nu hoorde ik hem daarnet toch ook zeggen dat we meer regels nodig hebben als het gaat
om namen voor vlees. Ik snap niet helemaal hoe ik die twee met elkaar moet rijmen.
Zijn dat nou niet juist extra betuttelende regels?
De heer Chris Jansen (PVV):
Ik dank mijn collega voor deze vraag. Het gaat niet om regels maar om duidelijkheid.
Vlees is vlees. Soja is geen vlees. Zo simpel is het. Wat ons betreft gaan we met
de benamingen op deze wijze daarmee om.
De voorzitter:
U heeft nog een interruptie van mevrouw Den Hollander.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik vraag me af of de heer Jansen het niet vreselijk betuttelend vindt om hier zo ingewikkeld
over te doen. Ik denk: wat maakt het mij nou uit of dat ding een burger heet, want
ik weet als consument toch wel wat ik koop? Vindt de heer Jansen het niet erg neerbuigend
richting de Nederlandse consument om hier zo'n punt van te maken?
De heer Chris Jansen (PVV):
Nee, integendeel. Ik ben afgelopen maandag samen met andere collega's op werkbezoek
geweest bij De Vegetarische Slager. Daar hebben we hier ook over gesproken. Daar werd
ook voorgesteld om de producten nu niet gescheiden in de schappen van de supermarkt
te leggen. Voorgesteld werd om die producten juist door elkaar heen neer te zetten.
Dan loop je dus het risico dat mensen die niet goed opletten of die, zoals in mijn
geval, hun bril niet op hebben, een product pakken dat achteraf gezien niet dierlijk
maar plantaardig blijkt te zijn. Ik vind het dus niet betuttelend, maar juist hulpvaardig
naar de mensen toe.
De voorzitter:
Er is een vervolgvraag van mevrouw Den Hollander.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Hoe erg zou het dan zijn als zo'n consument per ongeluk een sojaburger eet in plaats
van een vleesburger? Is dat dan een groot probleem voor die consument? Wat denkt u,
meneer Jansen?
De heer Chris Jansen (PVV):
Ik mag hopen dat het geen probleem is voor de consumenten. Ik denk alleen dat de consument
datgene wenst te ontvangen wat hij graag wil. Als een klant kiest voor dierlijk, dan
kiest hij voor een stuk vlees. Kiest hij voor plantaardig, dan gaat hij voor de variant.
De voorzitter:
Heeft u nog een vervolgvraag, mevrouw Vellinga-Beemsterboer?
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Zonder het al te ingewikkeld te willen maken, heb ik toch nog een vraag aan de heer
Jansen. Wat nou als het half om half is?
De voorzitter:
We zijn in de percentages beland, meneer Jansen.
De heer Chris Jansen (PVV):
Percentages zijn altijd goed. Het gaat mij heel simpel om het volgende. Zolang de
klant de keuze heeft, de vrije keuze, tussen dierlijk, plantaardig of een tussenvorm,
hoeveel procent dan ook, vind ik het prima. Alleen, wees daar eerlijk over! Communiceer
er duidelijk over! Ik loop nu alvast vooruit op een eventuele andere vraag: ga ook
niet met de prijs lopen spelen, in die zin dat je dierlijke producten duurder gaat
maken om plantaardige producten interessanter te maken. Op het moment dat je een gelijk
speelveld wilt, moet je aan andere knoppen draaien, maar niet aan die knop.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Vindt de PVV dat we ook pindakaas moeten verbieden, als naam, omdat daar geen kaas
in zit?
De heer Chris Jansen (PVV):
Ik zou het niet durven om de naam van zo'n oud-Hollands product als pindakaas te willen
veranderen. Die naam is gekozen; dat is pindakaas. Dat is voor iedereen een begrip.
Sommige mensen, zoals sporters, zijn er heel groot van geworden.
De voorzitter:
Volgens mij zijn we toe aan de termijn van mevrouw Vellinga-Beemsterboer.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dank u wel, voorzitter. Bij de Landbouw- en Visserijraad staan veel thema's op de
agenda. Ik kan ze nooit allemaal langsgaan, maar ik heb er twee uit gepakt. Ik maak
het gelijk heel ingewikkeld, want ik ga de Minister een tegenovergestelde opdracht
meegeven. Afgelopen december is er een motie aangenomen van onder andere D66 over
de benaming van vegetarische producten. Die motie draagt het kabinet op om zich te
verzetten tegen het wetsvoorstel van de Commissie om vleesachtige productnamen te
verbieden. Ik wil deze aangenomen motie graag nog even extra onder de aandacht van
de Minister brengen, omdat we op dit moment links en rechts bezig zijn met allerlei
vereenvoudigingen van Europese regels. Dat benadrukt eigenlijk nog meer hoe onnodig,
ondoelmatig en neerbuigend dit wetsvoorstel is. Mijn vraag aan de Minister is dus
of hij een meerderheid voor het tegenhouden van het wetsvoorstel ziet ontstaan. Ik
wens de Minister heel veel succes in de discussie hierover.
Dan de visserij. De visserij is een betekenisvolle sector voor Nederland, zowel in
maatschappelijk en cultuurhistorisch opzicht als voor de voedselvoorziening. We hebben
in Nederland niet één soort visserij, maar heel veel verschillende ondernemers die
op hun eigen manier het water op of in gaan. Dat is niet zonder uitdagingen. De Noordzee
wordt drukker, de natuur is kwetsbaar en de bedrijfsvoering kan onzeker zijn, door
heel veel verschillende factoren. Daarom is het belangrijk dat Europees visserijbeleid
en nationaal visserijbeleid goed aansluiten bij de uitdagingen van deze sector. Daarvoor
zijn drie dingen cruciaal: een gezonde natuur, koppelkansen in het ruimtegebruik en
een langetermijnperspectief. Zonder een gezonde natuur hebben we überhaupt geen vis.
Zonder juridische zekerheid kan geen visser investeringen doen. Daarom moeten we beschermde
natuur echt beschermen, door de bodem zo veel mogelijk met rust te laten en goede
afspraken te maken over waar wel en niet gevist kan worden. We moeten kansen koppelen.
Bij de begroting had ik het er al over dat medegebruik van bijvoorbeeld windparken
veel kansen biedt voor nieuwere methodes van voedselproductie. Als we met de sector
en belangenorganisaties afspraken maken voor de lange termijn, biedt dat perspectief
voor de toekomst.
Voorzitter. Dat brengt mij – het kwam al eerder voorbij – bij het gemeenschappelijk
visserijbeleid, het GVB. Net als bij het landbouwbeleid is het op zich logisch dat
het eens in de zoveel tijd wordt geëvalueerd en dat het waar nodig een update krijgt.
Maar wat D66 betreft is het nadrukkelijk niet de bedoeling dat het GVB wordt afgezwakt
of afgewaardeerd. Juist het goed implementeren van het GVB is volgens het Europees
Milieuagentschap cruciaal om onze visstanden weer op orde te brengen. Kan de Staatssecretaris
dus toezeggen dat hij niet meegaat in het afzwakken van het GVB? Kan hij toelichten
welke stappen hij gaat zetten om het GVB in Nederland en met onze Europese buren volledig
te implementeren? Kan de Staatssecretaris ook toelichten wat zijn inzet wordt op het
bevorderen van de aquacultuurinitiatieven die we in Nederland hebben? Wat hoopt hij
hiervan terug te zien in de 2040-visie voor visserij en aquacultuur, die in het derde
kwartaal van dit jaar uitkomt?
Voorzitter. Ten slotte het Ocean Pact, waar het GVB onderdeel van is. Dat komt in
het vierde kwartaal. Daarom wordt heel veel beleid dat te maken heeft met de zee,
visserij en de kust, gebundeld. Daardoor kunnen we de zee en alles wat daarmee samenhangt
beter beschermen en versterken. Wat D66 betreft is het Ocean Pact een uitgelezen kans
om niet alleen Europees maar ook nationaal samenhangend beleid te voeren dat inzet
op natuurherstel, het bevorderen van duurzame visserij en aquacultuur, en het versterken
van kust- en eilandgemeenschappen. Met welke ambitie gaan de Staatssecretaris en de
Minister maandag het gesprek over het Ocean Pact aan? Welke input zal er vanuit Nederland
in worden gebracht? En kan daarbij specifiek worden ingegaan op het versterken van
kust- en eilandgemeenschappen en het inperken van bodemberoerende visserij?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Vellinga-Beemsterboer. U heeft een interruptie van de heer Jansen.
De heer Chris Jansen (PVV):
Als ik het CDA zo hoor, ben ik benieuwd naar het volgende. Excuus, ik bedoel D66.
Is D66 van mening dat wij boven op Europees beleid, of eventueel zelfs boven op wereldafspraken,
ook nog een nationale kop moeten zetten die het lastiger maakt voor onze boeren en
onze visserij? Of zegt D66: laten we vooral in de pas blijven lopen en geen extra
stappen zetten die niet noodzakelijk zijn?
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Het is goed dat de heer Jansen dit even vraagt. Het is goed om dat, als het onduidelijk
was, even toe te lichten. U heeft mij niet horen pleiten voor nationale koppen. Waar
u mij voor hoort pleiten, is dat wij ons houden aan de afspraken. Het is namelijk
aan alle kanten duidelijk dat het volledig uitvoeren van de afspraken die er nu al
staan, niet méér maar zeker ook niet minder, in ieders voordeel gaat werken. Als wij
dat gemeenschappelijke visserijbeleid goed gaan uitvoeren – aan alle kanten is duidelijk
dat dat tot nu toe nog niet is gebeurd – hebben we daar allemaal voordeel van. Dan
gaat de visstand omhoog en wordt de bedrijfsvoering aantrekkelijker. Dit werkt dus.
Dat wordt aan alle kanten bewezen. Daar pleiten wij dus voor. Laten wij dit volledig
uitvoeren, laten we ons houden aan die afspraken en laten we daar volledig onze schouders
onder zetten.
De heer Chris Jansen (PVV):
Mijn collega zegt: het werkt. Maar het werkt dus niet. We moeten ook nog geduld hebben.
Hoelang hebben we dan nog geduld, als het aan D66 ligt?
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
«Het werkt niet.» Dat is niet te zeggen en is ook niet waar. Het werkt niet, omdat
we het nog niet hebben uitgevoerd. We hebben ons hier tot nu toe nog niet volledig
aan gehouden. Als wij ons er wel aan gaan houden, gaat het wel werken; alle onderzoeken
wijzen dat uit en iedereen adviseert dat. Laten we daar dus mee beginnen. Laten we
beginnen de afspraken uit te voeren zoals we die op goede gronden hebben gemaakt.
Dan gaat het werken.
De voorzitter:
Meneer Jansen, een korte vervolgvraag.
De heer Chris Jansen (PVV):
Het nadeel van de EU is natuurlijk dat er heel veel landen bij zijn aangesloten en
dat elk land zijn eigen tempo hanteert of het gewoon klakkeloos naast zich neerlegt.
Mijn vraagt aan D66 blijft dus: hoe gaan we daarmee om op het moment dat Nederlandse
boeren of vissers worden geconfronteerd met een ongelijk speelveld omdat men er in
andere landen later mee komt of het gewoon niet doet?
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dat is het mooie van Europese samenwerking: die afspraken gelden voor ons en ook voor
hen. Precies om die reden vroeg ik de Minister daarnet om onze buren ook aan die afspraken
te houden, want het is samen uit, samen thuis in de Europese Unie.
De voorzitter:
Veel dank. U heeft nog een vraag, van het lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Hoeveel interrupties heb ik nog?
De voorzitter:
U heeft er nog twee.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Oké, top. Waar ik bij D66 een beetje van in de war raak, is het volgende. Aan de ene
kant staat in het coalitieakkoord: we omarmen al de Omnibusvoorstellen. In onze ogen
vormen die Omnibusvoorstellen echt een enorm gevaar voor ons milieu en onze gezondheid.
Aan de andere kant is er een motie van onder andere D66, die zegt: ga niet mee in
dit Omnibusvoorstel rondom de afzwakking van de regels voor landbouwgif. Herhaalt
D66 vandaag de boodschap «verzet je tegen deze vorm van het Omnibusvoorstel, bescherm
onze gezondheid en ons milieu, en zorg ervoor dat er geen afzwakking komt van de regels
rondom landbouwgif en de toelating daarvan» richting de Staatssecretaris?
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Wij staan voor een vereenvoudiging. Veel van de Omnibusvoorstellen hebben dat als
basisdoelstelling. We gaan heel veel ingewikkelde regelgeving, die elkaar soms tegenwerkt,
vereenvoudigen. Maar ik ben het met het lid Kostić eens dat dat natuurlijk niet moet
leiden tot afzwakking. Dat is iets om heel scherp op te letten. Daarom geef ik vandaag
aan de Staatssecretaris en de Minister mee: «Wees hier heel scherp op. Vereenvoudiging:
ja, hartstikke fijn. Afzwakking: nee.»
De voorzitter:
Dan ga ik naar mevrouw Bromet. O, sorry. Er is nog een korte vervolgvraag van het
lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik ben dan wel benieuwd hoe D66 daarop gaat toetsen en er uiteindelijk voor gaat zorgen
dat het er niet komt als we wel te ver gaan.
Dan mijn laatste vraag, over de bontindustrie. Is D66 het met ons eens dat we ons
er in Europa echt voor moeten blijven inzetten om een einde te maken aan de bontindustrie
in plaats van dat we inzetten op slappe regelgeving rondom zogenaamd dierenwelzijn?
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Ja.
De voorzitter:
Dat is mooi kort! Er is nog een interruptie, van mevrouw Bromet.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Nog even over de motie over de Omnibus, die ik met een collega van mevrouw Vellinga-Beemsterboer,
mevrouw Podt, heb ingediend. Daarin hebben wij de regering verzocht om met een kopgroep
van andere EU-lidstaten in Brussel te pleiten voor voorstellen die de toelating van
laagrisicomiddelen bevorderen en met klem te pleiten tegen voorstellen die de status
quo op de toelating van chemische en risicovolle middelen verzwakken. Is dat iets
waar D66 nog steeds voor staat? Of is dat standpunt verlaten?
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Daar staan we nog steeds voor. U zegt terecht: het was de motie-Podt/Bromet. Ik was
bang dat ik qua tijd niet uit zou komen, dus ik had het iets ingekort, maar die was
inderdaad van ons beiden. Daar staan we voor.
De voorzitter:
Mevrouw Bromet, volgens mij bent u toe aan uw eerste termijn.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Het is goed om hier een keer met elkaar het debat te voeren.
Dit is de eerste keer dat we met het nieuwe kabinet de inbreng voor de Landbouw- en
Visserijraad bespreken. Meestal doen we dat schriftelijk, maar er gebeurt van alles
op zee en in Brussel, dus het is goed om het ook eens live te bespreken.
GroenLinks-PvdA verwacht dat dit kabinet een sterke groene stempel zet op de Europese
onderhandeling. Immers, zonder gezonde zee is er geen vis en zonder gezonde bodem
en goede waterkwaliteit heeft de landbouw geen toekomst. Maar ik kijk wel met een
schuin oog naar wat er nu in Brussel gebeurt. Er liggen allemaal Omnibuswetten voor
ons klaar, zogenaamd om de regeldruk te verlagen. Wij maken ons daar wel zorgen over.
We staan allemaal voor duidelijke regels, maar regels slopen die niet voor niets zijn
ingevoerd, is geen doel op zich. Sterker nog, het maakt soms meer kapot dan het ons
waard is. Het maakt van onze Europese afspraken een schietschijf waar iedereen, samen
met de lobby, zijn plasje over wil doen. Kwetsbaar dus en een reden voor GroenLinks-PvdA
voor een heleboel vragen.
Welke prioriteiten stelt dit nieuwe kabinet in de onderhandelingen over het gemeenschappelijk
landbouwbeleid? Zijn die anders dan de prioriteiten van het vorige kabinet? Hoe kijkt
de Minister naar de herziening van het gemeenschappelijk landbouwbeleid? Is hij het
met mij eens dat publiek geld altijd ten goede moet komen aan publieke en juridisch
bindende doelen? Hoe trekken de Minister en de Staatssecretaris op met het Ministerie
van Infrastructuur en Waterstaat, dat voor een gezonde bodem en waterkwaliteit moet
zorgen? Hoe is IenW bij de voorbereiding van deze Raad betrokken geweest? Hoe kijkt
het nieuwe kabinet naar het gemeenschappelijk visserijbeleid?
Een vraag over de Omnibus over voedsel: kunt u heel concreet maken hoe u met het nieuwe
kabinet de motie-Podt/Bromet, waar het net al even over ging, gaat uitvoeren? Die
motie vraagt dus om tegen voorstellen te zijn die meer chemische stoffen toelaten.]
Voorzitter. De opa van mijn man was visser in Katwijk, Krijn van der Plas – vast familie
van mevrouw Van der Plas – dus ook nog wat opmerkingen over visserijonderwerpen, te
beginnen met het briefje van de voorganger van de Minister, Rummenie, die in zijn
laatste week het polderoverleg in de vuilnisbak gooide, terwijl afgesproken is dat
het kabinet samen met het Noordzeeoverleg bepaalt welke gebieden in de zee moeten
worden gevrijwaard van bodemberoerende visserij. In 2030 moet dat 15% van de Noordzee
zijn, maar 1,2% van dit gebied is nog niet ingevuld. De heer Rummenie sloeg het advies
van het Noordzeeoverleg af en schaarde zich achter het voorstel van de vissers. Dat
is niet hoe wij de omgang met de polder voor ons zien. Het kabinet moet de polder
serieus nemen. Kan de Minister laten weten of hij het advies uit oktober van het Noordzeeoverleg
steunt? Is hij van plan om het besluit van zijn voorganger terug te draaien? Wanneer
horen we dat?
Voorzitter. Over de actualiteit van visserijonderwerpen: een heleboel vissers varen
nu niet uit vanwege de brandstofprijzen. Slechts enkele kotters in Nederland zijn
verduurzaamd, maar er is wel een subsidie van 40% beschikbaar: € 550.000 per vaartuig.
Hoe staat het met die subsidiepot?
Dan de visfraude door Rusland. In Het Financieele Dagblad lazen we begin maart dat
er sprake is van visfraude door de Russische vloot. Met behulp van de Nederlandse
reder Seatrade zou illegaal gevangen vis uit overbeviste regio's alsnog op de Europese
markt belanden. Dat vinden wij onacceptabel. Hierdoor spekken we als Europese consumenten
de oorlogskas van Poetin. GroenLinks-PvdA verwacht een heldere veroordeling door dit
kabinet. Hoe reageert het kabinet op het bericht van Het Financieele Dagblad? Zijn
de bewindspersonen bereid om deze vorm van visfraude te veroordelen? Hoe gaan zij
dit aanpakken? Kunnen zij in de Landbouw- en Visserijraad pleiten voor het dichten
van dit geitenpaadje, zodat de Russische Federatie de zee niet meer kan overbevissen
en hun illegaal gevangen vis niet meer in onze schappen ligt?
Tot zover.
De voorzitter:
Ik dank mevrouw Bromet en ik zie dat mevrouw Van der Plas van de BBB een vraag heeft.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Vorige week werd ik al mevrouw Bromet genoemd in een debat en nu hoor ik dat we misschien,
weliswaar aangetrouwd, DNA delen. Het wordt best een beetje eng, moet ik zeggen ...
Ik deel al DNA met Martien Meiland – 1%, zo is een keer uitgezocht – en daar komt
misschien de familie Bromet nog bij. Mijn stamboom wordt dus heel bijzonder. Maar
daar gaat deze interruptie natuurlijk niet over. Mevrouw Bromet zei in het begin van
haar betoog dat publiek geld ook naar publieke doelen moet. Vindt mevrouw Bromet dat
voedselproductie een publiek doel is?
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Als je kijkt naar de geschiedenis van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, dan moet
je vaststellen dat na de Tweede Wereldoorlog de voedselvoorziening een van de primaire
doelen is geweest bij het verstrekken van landbouwsubsidies. Vandaag de dag is de
aardappelprijs inmiddels onder de nul euro gedaald en is er een overschot aan voedsel,
terwijl we hele grote milieuproblemen hebben. Ik vind dat voedselvoorziening zeker
prioriteit moet krijgen, maar wel altijd binnen de milieugrenzen, dus zonder de natuur
aan te tasten, met respect voor de afspraken die in Parijs zijn gemaakt over klimaatverandering
en met respect voor de afspraken die in Europa gemaakt zijn over waterkwaliteit. Dat
gaat nog niet helemaal goed. Daar kunnen wij als overheid best bij helpen en dat doen
we wat GroenLinks-PvdA betreft met de Europese landbouwsubsidies, maar wel altijd
in die combinatie, dus voedselproductie met bescherming van het milieu.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Een lang antwoord, maar ik mag hier hopelijk uit opmaken dat voedselproductie een
publiek doel is. We kunnen zo veel natuur hebben als we willen, maar met een lege
maag gaat niemand wandelen in de natuur. Dan ga je op zoek naar voedsel. Even over
de landbouwsubsidies. Nederland betaalt jaarlijks ongeveer 7,5 miljard euro aan de
EU-begroting en ongeveer 30% daarvan gaat naar het landbouwbeleid. Dat betekent dat
Nederland grofweg 2 tot 2,5 miljard per jaar bijdraagt, terwijl Nederlandse boeren
ongeveer 870 miljoen per jaar ontvangen. Er wordt altijd gedaan alsof boeren zo veel
steun krijgen, maar eigenlijk valt dat wel mee, ook ...
De voorzitter:
Komt u tot een vraag.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Sorry. In de staatjes staat Nederland qua inkomenssteun helemaal onderaan ten opzichte
van andere landen. Weet mevrouw Bromet dat?
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik mag hopen dat mevrouw Van der Plas ook inziet dat het juist voor de landbouw van
groot belang is dat wij samenwerken in de Europese Unie en dat wij het niet op eigen
houtje doen als het kleine Nederland. Als daar anders over gedacht wordt, dan verschillen
wij daarover van mening. Ik vind het best dat publiek geld, geld van u en mij, van
ons allemaal, uitgegeven wordt aan inkomensondersteuning, maar als het een inkomen
wordt, is het een ander verhaal. Dat heb ik niet zelf bedacht. Mijn verre voorganger,
Frank Futselaar van SP, zei altijd: € 80.000 per jaar inkomenssteun is geen inkomenssteun
maar een inkomen. Als daar tegenover staat dat er een heleboel maatschappelijke doelen
worden bereikt op het gebied van natuur, water en klimaat, dan wil ik daar best voor
openstaan. Ik ben niet bereid om nu met een meetlint te gaan kijken hoeveel wij afdragen
als Nederland en hoeveel wij daarvoor terugkrijgen. Dat past niet bij de solidaire
gedachte die GroenLinks-PvdA altijd hoog in het vaandel heeft.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Van der Plas, nog een korte vervolgvraag.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nou ja, een korte constatering. Nederlandse boeren krijgen 10% van hun inkomen uit
subsidies, dus dat is geen inkomen. Dat kun je nauwelijks een inkomen noemen.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Dat is een gemiddelde. Voor sommige boeren is het veel meer en voor andere veel minder.
Er zijn heel veel bedrijfsgroepen in Nederland die helemaal geen subsidie krijgen
en ook maatschappelijke doelen nastreven, dus ik zou zeggen: tel je zegeningen.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik ga naar de heer Jansen van de PVV.
De heer Chris Jansen (PVV):
Mijn vraag aan mevrouw Bromet van GroenLinks-PvdA gaat over de pulskorvisserij, die
een innovatieve ontwikkeling was. Nederland nam daarin het voortouw. Pulskorvisserij
is goed als je kijkt naar de bodemberoering en het brandstofverbruik. Ik hoorde mevrouw
Bromet net zeggen dat veel vissers niet kunnen uitvaren vanwege de gestegen brandstofprijzen.
Staat mevrouw Bromet dan ook achter het pleidooi dat wij hebben gehouden tijdens de
begroting vorige week om pulskorvisserij weer hoog op de agenda te zetten bij de Europese
Unie?
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Pulskorvisserij is ook zo'n dossier waar Nederland gewoon een potje van heeft gemaakt.
Wij hebben afspraken gemaakt met Europa over proeven daarmee. Nederland is alle grenzen
van die afspraken te buiten gegaan. Dat heeft geleid tot heel veel irritatie bij andere
landen. Uiteindelijk is de hele pulskorvisserij daarmee de nek omgedraaid. Het gaat
erom dat je als Nederland niet de brutaliteit hebt om alle afspraken naast je neer
te leggen en gewoon maar te doen wat goed is voor jou, maar dat je kijkt naar wat
goed is voor het geheel. Daarmee heb je ook respect voor bijvoorbeeld de kleine vissers
in Frankrijk, die zich hier het slachtoffer van voelden. Het is dus niet altijd alleen
maar eigen belang eerst. Ik vind het jammer dat dit experiment daarmee helemaal van
tafel is gegooid. Dat is dus te wijten aan voorgaande kabinetten die meer ruimte hebben
genomen dan nodig was. Als dat niet was gebeurd, was er misschien nu nog een gangbare
vorm van visserij geweest, niet alleen voor Nederland, maar misschien ook wel voor
andere landen.
De heer Chris Jansen (PVV):
Ik ben blij dat mevrouw Bromet zegt dat ze gehoopt had dat het anders was. Dat deel
ik met mevrouw Bromet. De waarheid ligt natuurlijk wel iets anders. Frankrijk had
namelijk helemaal geen geld om te investeren in een eigen vloot gebaseerd op pulskor.
Zij hebben toentertijd de deal gesloten met een aantal Oost-Europese landen dat Frankrijk
die zou steunen op het gebied van landbouw op het moment dat die landen tegen de pulskorvisserij
zouden stemmen. Dat is de waarheid. Ik denk dat mevrouw Bromet nog even goed moet
nalezen hoe zij dat heeft beleefd, want dat is volgens mij precies de officiële manier
geweest waarop de pulskorvisserij op dat moment de nek is omgedraaid.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Je kan wijzen naar andere landen. Die zullen ook heus weleens wat doen wat je niet
bevalt, maar ik vind dat je altijd allereerst moet wijzen naar jezelf. Nederland heeft
hier gewoon een hele slechte beurt gemaakt. Daar hebben wij invloed op. Het is ontzettend
jammer dat het zo gegaan is.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Mevrouw Bromet heeft natuurlijk gelijk dat Nederland er een potje van heeft gemaakt.
We hebben dat helemaal verkeerd aangepakt. We zijn veel te enthousiast gaan vissen.
Dat is het verleden. Is mevrouw Bromet van mening dat we ons moeten inzetten om in
de toekomst opnieuw zo'n innovatieve technologie te implementeren in de visserij,
ook al hebben we dat in het verleden verkeerd aangepakt?
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik vind dat je daar best gesprekken over kan voeren in Europa, maar dat je allereerst
hand in eigen boezem moet steken, ook om te laten zien dat het je spijt, zodat je
weer de gunfactor krijgt. Dat geldt niet alleen voor dit dossier, maar ook voor een
heleboel andere dossiers in Nederland waarbij er altijd heel makkelijk is geroepen:
we doen het gewoon of we slaan met de vuist op tafel. Daardoor ontvangt Europa Nederland
toch niet heel enthousiast. Het is een mooie taak voor de nieuwe Minister om daar
de relaties te herstellen en ook weer vertrouwen te geven. Dat is dus niet alleen
nemen, maar dat is soms ook iets geven. Dat is de solidaire gedachte waar ik het net
over had.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Ik onderschrijf deze nieuwe taak voor de Minister om het in Europa weer goed te maken
voor de pulsvisserij.
De voorzitter:
Akkoord. Dan ga ik naar mevrouw Van der Plas voor haar eerste termijn.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel, voorzitter. We leven in enorm onzekere tijden. Oorlog laat ons op dit
moment zien wat afhankelijkheid betekent. Aan de pomp en op de energierekening schieten
prijzen omhoog, zonder dat we hier grip op hebben. Dat risico moeten we niet willen
voor voedsel. Het is onbegrijpelijk dat onze voedselproductie in Nederland wordt afgeschaald.
Voorzitter. Ik zal het mestprobleem nog een keer helder uitleggen. Boeren mogen per
hectare een vaste hoeveelheid stikstof gebruiken. Dat zijn de gebruiksnormen. Die
liggen al onder het niveau van de optimale opbrengst. Die normen veranderen niet zonder
derogatie. Intussen verschralen de bodems massaal. De bron van stikstof verandert
wel. Dat is minder dierlijke mest, maar meer kunstmest. Ik heb het over kunstmest
gemaakt met gas, dat we importeren. We ruilen hier in Nederland onze eigen waardevolle
grondstoffen in voor de afhankelijkheid van het buitenland. Ik kan het niet uitleggen
en niemand in Nederland snapt dit. Er wordt gezegd dat dit nodig is voor de waterkwaliteit,
maar het beeld is veel genuanceerder. In grote delen van Nederland zijn er nauwelijks
overschrijdingen en problemen zijn vaak lokaal en oppervlakkig. Toch wordt Nederland
over één kam geschoren.
Waarom wijst de Minister geen gebieden aan waar wel met meer dierlijke mest gewerkt
kan worden? Kan de Minister voor de eerstvolgende Landbouw- en Visserijraad een diversepunt,
een agendapunt aan het einde van een vergadering dat niet op de formele agenda stond,
aandragen over onze Europese afhankelijkheid van kunstmest door de gedwongen beperking
van het gebruik van dierlijke mest? Kan de Minister tot slot vol inzetten op het terugkrijgen
van derogatie, zodat we minder afhankelijk gaan worden van kunstmest en dus van gas?
Wat kan de Minister nog meer doen om onze agrarische sectoren te helpen nu door de
oorlog in het Midden-Oosten alle kosten oplopen?
In Europa zien we nu gelukkig een andere beweging dan in Nederland. Het Europees Parlement
kiest voor innovatie, kringlopen en het benutten van dierlijke mest en niet voor gedwongen
krimp. Afgelopen week heeft het Europees Parlement een rapport aangenomen dat deze
koers bevestigt. Dat rapport komt mede van de hand van Jessika van Leeuwen, Europarlementariër
van de BBB. Tegelijkertijd investeren landen als Roemenië miljoenen euro's Europees
belastinggeld om hun veestapel uit te breiden en hun voedselproductie te versterken.
Waar Nederland krimpt, wordt er in Oost-Europa op kosten van de Nederlandse belastingbetaler
uitgebreid. Kan de Minister dit verklaren? Kan de Minister in Europa het gesprek aangaan
over de opschaling van de productie in Oost-Europa ten koste van onze eigen boeren?
Voorzitter, ik kom bij de visserij. Europa zet in op een klimaatneutrale visserijsector
in 2050, maar als we doorgaan met het afbreken van onze eigen sector, blijft er straks
alleen nog maar importvis over; die is echt niet duurzamer dan onze eigen vis. De
helft van onze vissers ligt nu al aan de kant vanwege de sterk gestegen brandstofprijzen.
Als de pulsvisserij niet onterecht was verboden, dan hadden deze vissers nog gewoon
kunnen blijven vissen. Waar blijft de steun voor onze vissers vanwege de sterk gestegen
brandstofprijzen? Onze eigen nationale voedselvoorziening komt zo in gevaar.
Ik ben bijna klaar. Zou ik het even mogen afmaken?
De voorzitter:
Als u nog twee, drie zinnen heeft, mag dat. Daarna gaan we naar mevrouw Bromet.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik heb nog een halve pagina met grote, 18 punts-, letters.
Voorzitter. We hebben hier een prachtige visserijsector en een duurzaam product, maar
door beleid eten we straks alleen nog maar vis van de andere kant van de wereld en
zijn onze visserijgemeenschappen na eeuwen verdwenen. Dat is echt niet uit te leggen.
Waar blijft onze strategische voedselautonomie? Wat gaat de Staatssecretaris specifiek
doen om onze vissers te helpen, zeker nu de diesel zo duur is geworden? Gaat hij in
Europa pleiten voor noodmaatregelen? En, tot slot, gaat de Staatssecretaris zich er
ook zo snel mogelijk voor inzetten om het pulsverbod terug te draaien? Wil de Staatssecretaris
dan de toezegging doen om álles in het werk te stellen om onze visserij te steunen
met noodmaatregelen?
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan ga ik naar mevrouw Bromet, voor haar vraag aan mevrouw Van der
Plas.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Als je nu een elektrische auto en zonnepanelen hebt, dan rijd je gratis. Als je een
visserskotter hebt die je helemaal hebt aangepast aan de klimaatdoelen, dan heb je
helemaal geen probleem met de gestegen brandstofprijzen. Hoe kijkt mevrouw Van der
Plas in het licht van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen van andere landen
naar die verduurzaming? Zolang je afhankelijk blijft van olie voor je schip, blijf
je namelijk ook afhankelijk van dit soort fluctuaties op de wereldmarkt.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Begrijp ik nou goed dat mevrouw Bromet pleit voor elektrische kotters? Ik ben dan
benieuwd waar op zee die laadpalen staan.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Er zijn voorbeelden van gedeeltelijk elektrische kotters die 90% minder brandstofverbruik
hebben. Dat zijn echt de koplopers in de sector. Ik heb net ook al verteld dat er
subsidies beschikbaar zijn tot 40%, € 550.000, van de financiering. Dat zou mevrouw
Van der Plas toch moeten aanspreken? Dit is de tweede energiecrisis en er zullen misschien
nog wel vele volgen. Waarom zou je je afhankelijk maken van regimes in het Midden-Oosten,
van Amerika en van Rusland als je het gewoon zelf kan opwekken met zon en wind?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Wij gaan Nederland niet volplempen met zonnepanelen en windmolenparken. Dat lijkt
mij geen goed idee. Ik hoor mevrouw Bromet ook zeggen dat het gratis is om elektrisch
te rijden, maar volgens mij moet je daar gewoon voor betalen. Dat is volgens mij niet
gratis. Wat betreft het afhankelijk maken, zou ik willen vragen aan mevrouw Bromet,
die, net als ik, zo'n fan is van je onafhankelijk maken, waarom we ons dan afhankelijk
laten maken van kunstmest? Waarom heeft iedereen hier in de Kamer, met uitzondering
van een paar partijen, gezegd dat het echt geen goed idee is om derogatie af te schaffen
en dat we er keihard voor moeten strijden om die derogatie te behouden? Wij ruilen
nu een volledig organisch product, namelijk dierlijke mest, in voor kunstmest. Ik
zou mevrouw Bromet graag aan mijn zijde vinden om ervoor te zorgen dat wij weer meer
stikstof uit dierlijke mest op ons land kunnen brengen. Ik heb net al gezegd dat de
bodems op dit moment massaal verschralen.
De voorzitter:
U bent door uw interrupties heen, mevrouw Bromet. Helaas. We zullen het dus nooit
weten, of misschien wel, maar dan een andere keer of in de tweede termijn.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
We gaan naar de familieverjaardag binnenkort. Dan hebben we het er nog wel over.
De voorzitter:
Nou, ik wou net zeggen: dat wordt nog gezellig. Ondertussen ga ik naar de laatste
spreker van deze middag, in ieder geval in deze termijn. Dat is de heer Van Duijvenvoorde
van Forum voor Democratie. Ga uw gang.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Het is een beetje wennen om in dezelfde rij te zitten. Ik weet niet goed waar ik naartoe
moet kijken terwijl ik praat, maar dat komt vast goed.
Voorzitter. Nederland is een land van de zee. Aan het einde van de zeventiende eeuw
zijn we daar misschien iets te veel op gericht geweest, maar over het algemeen was
het onze kracht. Van het verkennen van de wereld, langs de Kaap naar Indië om handel
te drijven, tot de Urker, Volendammer en Katwijker die vis ving om onze bevolking
te voeden en om ermee te handelen. Die traditie staat vandaag onder druk. Waar de
Europese Unie de pulsvisserij slechts een kort bestaan heeft gegund – dat wordt in
de toekomst beter, hopen we – staat nu ook de visserij in brede zin onder druk, met
name de makreelvissers.
Voorzitter. In een periode van sterke groei van de makreelpopulatie – ik geef even
een korte geschiedenis – verschoof ook het leefgebied van de makreel. De vis trok
naar wateren waar hij voorheen nauwelijks voorkwam, dicht bij de kusten van Noorwegen,
IJsland en verder. Dat zij dus op makreel gingen vissen, werd geaccepteerd, maar die
populatie daalde weer en trok zich terug. Voor deze landen was hij inmiddels een belangrijke
inkomstenbron geworden die zij niet zomaar gewonnen gaven. Daar ligt de kern van het
conflict dat ik nu even ter sprake wil brengen. Om die spanning te beheersen worden
er internationale afspraken gemaakt over hoeveel er gevangen mag worden. Het wetenschappelijk
instituut ICES adviseert daarbij over de totale toegestane vangst, het zogeheten TAC.
ICES werkt daarbij met bandbreedtes en onzekerheidsmarges in de populatieschatting.
Binnen die bandbreedte kun je conservatiever of minder conservatief rekenen.
Voorzitter. In de huidige situatie heeft de ICES voor meerdere scenario's de totale
toegestane vangst van makreel uitgewerkt. De EU kiest daarbij voor het negatiefste
scenario, wat neerkomt op een krimp van de TAC van ongeveer 70%. Tegelijkertijd hanteren
Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, IJsland en verder een minder negatief scenario,
met een krimp van 48%. Voor de Nederlandse vissers betekent dit concreet een quotumbeperking
van circa 69%. Daarmee ontstaat een fundamenteel ongelijk speelveld. Kotters, vissers,
de verwerkende industrie, de scheepsbouw en hele kustgemeenschappen worden hierdoor
geraakt. De Europese visserij wordt aanzienlijk zwaarder beperkt dan de concurrentie
buiten de Unie.
Het probleem zit ’m echter niet alleen in de omvang van de vangst, want tegelijkertijd
staat de verdeling onder druk. Deze verdeling van vangstrechten is historisch gegroeid.
Op basis daarvan heeft de EU een aandeel van ongeveer 23% in de makreelvangst. Wat
zien we nu? Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, IJsland en de Faeröer hebben in onderlinge
afspraak inmiddels 80% van de vangst naar zich toe getrokken. Daarmee blijft nog slechts
20% over voor onder andere de EU, Groenland en Rusland, dat natuurlijk ook veel meer
vist dan is afgesproken. De EU heeft dus recht op 23% voor zichzelf en moet nu 20%
delen met andere landen. De EU daalt feitelijk onder haar historische aandeel, terwijl
andere landen daar ruim boven gaan zitten. De visserij wordt niet alleen zwaarder
beperkt, maar krijgt ook nog eens een kleiner deel van de overgebleven vangst. Als
vissers en bedrijven jarenlang hebben geïnvesteerd op basis van die historische rechten,
als complete kustgemeenschappen daarop zijn ingericht, mag je verwachten dat de EU
die positie ook verdedigt. Maar op 5 en 6 maart is er opnieuw overleg geweest, voorgezeten
door de EU, en wederom was dat zonder resultaat.
Ik ga afronden. Er zijn drie dingen nodig, maar ik ga gewoon gelijk naar mijn vragen
toe, want die zijn het belangrijkst. Is de Staatssecretaris bereid zich in Brussel
in te zetten voor bijstelling naar het minder negatieve scenario? Is hij bereid vast
te houden aan het historische aandeel van 23%? Is hij bereid, als andere landen dat
blijven blokkeren, om ook zwaardere maatregelen te overwegen? Zo ja, welke? Zo nee,
waarom niet? Nederlandse vissers hebben de afgelopen jaren al meer dan genoeg moeten
inleveren. Nu is het moment om hun positie daadwerkelijk te verdedigen. Handhaaf dat
historische aandeel, zorg voor een gelijk speelveld en voorkom dat de Europese visserij
opnieuw eenzijdig de rekening betaalt.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van Duijvenvoorde. Ik kijk even naar mevrouw Den Hollander, want
zij had een vraag aan u.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik was benieuwd of de heer Van Duijvenvoorde deelt met de VVD dat het belangrijk is
dat we als EU-landen gezamenlijk optrekken tegen de belangen van andere landen.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Ik denk dat dat niet universeel is, maar in sommige concrete gevallen kan dat belangrijk
zijn. Ik denk dat het nu belangrijk is dat wij onze belangen verdedigen in de EU en
dat de EU onze belangen verdedigt tegenover landen die niet bij de EU horen. Dat kan
soms noodzakelijk zijn.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Klopt dan mijn veronderstelling niet dat de partij van de heer Van Duijvenvoorde eigenlijk
überhaupt tegen de EU als instituut is en daarom hier ook vraagtekens bij zou moeten
zetten?
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Ik denk dat er nu twee discussies door elkaar gaan lopen. We hebben een politiek-filosofische
discussie over het fundament van de EU en wat we daarvan vinden. Ik ga daar heel graag
met mevrouw Den Hollander over in discussie, maar voor nu is dit gewoon het speelveld
dat er is. Dit is de werkelijkheid en de politieke situatie waar we mee te maken hebben.
Daarbinnen maken we op dit moment gebruik van de mogelijkheden van de EU om de Nederlandse
rederijen te verdedigen.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Den Hollander, over de Visserijraad en niet over de politieke filosofie
van de partijen hier aan tafel.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik wilde juist constateren dat het goed is om te horen dat het belang van de EU hier
gedeeld wordt, ondanks een andere politiek-filosofische inzet. Dank u wel.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Vooral het belang van onze rederijen wordt gedeeld.
De voorzitter:
Goed. Ik kijk nog even de kring rond. Er zijn geen verdere interrupties. O, toch nog
eentje van mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nou, ik heb geen interruptie op de heer Van Duijvenvoorde. Ik ben u in mijn inbreng
vergeten te feliciteren met het voorzitterschap. Ik vind dat altijd wel zo netjes
om te doen. Het kwam een beetje doordat ik wat later binnenkwam, maar bij dezen.
De voorzitter:
Heel hartelijk dank.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Nu kom ik natuurlijk enorm onaardig over, maar dit is ook de eerste keer dat ik een
nieuwe voorzitter heb. Van harte gefeliciteerd met het voorzitterschap.
De voorzitter:
Ik dacht al: waar blijft de felicitatie van de heer Van Duijvenvoorde? Nee hoor, het
is u vergeven. Van harte welkom. Ik kijk even naar de bewindspersonen. U heeft heel
wat gehoord: een uur en tien minuten spreektekst en een heel aantal vragen. Hoeveel
tijd denkt u nodig te hebben? Een halfuur? Ja? 15.35 uur it is. Ik zie u graag om
15.35 uur terug voor de beantwoording van de eerste termijn van de zijde van de regering.
De vergadering wordt van 15.11 uur tot 15.35 uur geschorst.
De voorzitter:
Beste mensen, het is 15.37 uur, dus we gaan rap beginnen aan de eerste termijn van
de Minister. Ik ga beide bewindspersonen vragen de inleiding beknopt te houden en
zo snel mogelijk over te gaan tot de beantwoording van de vragen. Ik vraag u ook om
mij even te vertellen met hoeveel en welke blokjes u werkt, zodat de leden van de
commissie dat mee kunnen krijgen, weten waar we zo ongeveer zitten in de routeplanning
en kunnen bepalen of ze een interruptie moeten plegen of niet.
Ik kijk even naar de leden van de commissie. U heeft wederom vier interrupties. Interrupties
korter dan 30 seconden gelden niet en interrupties langer dan 30 seconden tellen dubbel.
Volgens mij hebben we het scoreboekje dan weer compleet. U heeft straks een minuut
en twintig seconden, maar dat is pas voor zo meteen.
Ik kijk eerst naar de Minister.
De heer Chris Jansen (PVV):
Voorzitter, mag ik één vraag stellen?
De voorzitter:
Zeker.
De heer Chris Jansen (PVV):
Gaat het bij die interruptie om één interruptie van 30 seconden in één termijn of
gaat het om de drie termijnen bij elkaar opgeteld?
De voorzitter:
Nee, bij elke vraag die u stelt, laten we een timer meelopen. Als het korter dan 30
seconden is, telt het niet en als het langer is, telt het dubbel. Op het moment dat
u de microfoon aanzet, of dat nou bij een vervolgvraag is of niet, gaat de teller
lopen en hou ik u strak in de gaten, meneer Jansen. Akkoord? Goed.
Dan gaan we naar de Minister.
Minister Van Essen:
Het lijkt zo bijna een spelshow, voorzitter. Ik heb vier blokjes. Ik heb een heel
korte inleidende spreektekst waarin ik wat inga op het GLB en generatievernieuwing,
waar wat vragen over zijn gesteld. Dan ga ik in op de vragen over de visie op landbouw
en voedsel van de Europese Commissie. Daarna heb ik nog een blokje met wat overige
vragen.
Staatssecretaris Erkens:
Om het compleet te maken: ik heb een nog kortere inleiding dan de Minister, het blokje
gewasbescherming, het blokje visserij en dan een blokje overig, waar onder andere
de eiwitstrategie en de vleesbenamingen in zitten.
Minister Van Essen:
Voorzitter, gaan we timen wie de kortste inleiding heeft? Door een aantal commissieleden
werd het al gezegd, maar de aanstaande Landbouw- en Visserijraad, op 30 maart, is
voor de Staatssecretaris en voor mijzelf de eerste kennismaking met Brussel. Wij willen
als kabinet ook graag weer een constructieve en leidende rol gaan spelen in de EU,
om zo samen tot bestendige oplossingen en keuzes te komen voor de landbouwsector,
de visserijsector en de natuur. Op een aantal Europese dossiers, met name waar ze
op het snijvlak zitten van landbouw, natuur en ruimtelijke ordening, heeft Nederland
de laatste jaren onvoldoende de stappen genomen die het moest nemen. De Europese Commissie
heeft ook meermaals aangegeven van Nederland te verwachten dat het zich aan afspraken
en wettelijke verplichtingen zal houden.
Daarom zie ik het ook als belangrijke opgave voor mij om de relaties met de Europese
Commissie te verbeteren. Ik zie er enorm naar uit om zondagavond al met de Staatssecretaris
richting Brussel te gaan en kennis te maken met onze collega-ministers van de EU-lidstaten.
We gaan ook kennismaken met Eurocommissaris Roswall en Eurocommissaris Hansen voor
Landbouw. We zetten in de EU in op een toekomstbestendige landbouw-, tuinbouw- en
visserijsector, een sterke natuur en biodiversiteit en een innovatief voedselsysteem.
Voorzitter. Het is positief dat de landbouwvisie op de agenda van deze Raad staat.
Daar werd al een paar keer naar gevraagd. De visie biedt wat ons betreft verdere kansen
voor het versterken van de positie van de boer, voor het stimuleren van jonge boeren
– daaraan werd ook al gerefereerd – en het borgen van voedselzekerheid. Om op deze
onderwerpen ook stappen te kunnen zetten, is innovatie essentieel. Dat geeft de Commissie
ook aan in deze visie. Ik zie het als mijn taak om bruggen te bouwen tussen lidstaten
die ver uit elkaar liggen, zodat we samen tot een mooi Europees landbouw- en natuurbeleid
komen. We gaan dan ook coalities smeden met andere lidstaten en we gaan, zoals ik
zei, in gesprek met Eurocommissarissen, met de rapporteurs van LVVN-dossiers in het
Europees Parlement en met relevante Europarlementariërs.
Voorzitter, dat was mijn blokje inleiding. Dan ga ik nu verder met de vragen over
het GLB en generatievernieuwing.
De voorzitter:
Maar niet dan nadat u een aantal vragen beantwoord heeft. Ik begin bij mevrouw Van
der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De oude mantra is weer terug: Brussel is boos op ons omdat we ons niet aan de afspraken
houden. Dat hebben we hier in de afgelopen jaren heel vaak gehoord, behalve in de
periode dat we zelf in het kabinet zaten. Wij maken gewoon zelf afspraken die boven
Europese wetgeving uitgaan en die gewoon onhaalbaar en onuitvoerbaar zijn. Dan zegt
Brussel: ja, jullie hebben zelf gezegd dat je dat zou doen en nou doe je het niet,
dus zoek het nu maar lekker uit. Ik zeg het even plat. Weet de Minister dat?
Minister Van Essen:
Dat is een manier waarop je het neer kunt zetten. Ik heb bedoeld te zeggen: als je
geeft, kun je ook af en toe wat nemen. Ik denk dat Nederland daar een andere houding
en een andere rol in zal moeten aannemen. Als we laten zien wat onze plannen zijn
– daar hebben we vorige week een lang debat over gehad – kunnen we van Brussel ook
wat vragen. Dan kunnen we van Brussel vragen om af en toe flexibiliteit te tonen en
bij voorstellen af en toe meer met Nederland mee te denken. Dat zie ik als mijn rol.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Vindt de Minister niet dat wij onszelf gewoon wurgen met onze eigen regel- en wetgeving
en dat wij het onszelf dus moeilijk maken?
Minister Van Essen:
Nee, ik denk dat we niet voor niets gezamenlijke regels en visies hebben in Brussel.
Ik zie dat als een versterking, ook voor Nederland.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Er stond van de week in het nieuws iets over Eurocommissaris Hansen die de mestregelgeving
wil aanpakken. Is de Minister daarvan op de hoogte en gaat hij daar ook over in gesprek
met de Eurocommissaris?
Minister Van Essen:
Eurocommissaris Hansen is een van de belangrijkste figuren die ik wil ontmoeten, waar
ik kennis mee wil maken. Ik wil daar uitstralen dat wij plannen hebben om de waterkwaliteit
en dergelijke te verbeteren. Ik wil dus wat laten zien van Nederland. Ik zal dan ook
vragen hoe hij dit artikel inschat en hoe hij naar Nederland kijkt als we ons weer
van die goede kant laten zien.
De heer Chris Jansen (PVV):
Dan is de vervolgvraag natuurlijk: gaat de Minister dan ook weer pleiten voor een
derogatiemaatregel, die ons enorm kan helpen?
Minister Van Essen:
Dat is inderdaad een discussie die de heer Jansen en ik vorige week ook hebben gehad.
Mevrouw Van der Plas heeft er net ook nog naar gevraagd. Daar kom ik zo dus nog even
op terug.
Dan ga ik verder met het GLB en generatievernieuwing. De heer Lohman stelde een aantal
vragen over het nieuwe GLB, generatievernieuwing en de ruimte die we hebben voor invulling.
In algemene zin beoordeel ik de plannen van de Commissie, ook die voor generatievernieuwing,
als positief. Ik zie ook dat zij dat een belangrijke prioriteit vinden. Ook ik zet
mij in voor een toekomstig GLB waarin juist bedrijfsopvolging en generatievernieuwing
een topprioriteit zijn. Ik verwelkom de strategie van de Europese Commissie op dit
punt, omdat generatievernieuwing ook de voedselzekerheid en de vitaliteit van het
platteland op de lange termijn garandeert. Daarom steun ik de oproep om voldoende
GLB-budget vrij te maken voor jonge boeren en te streven naar die 6%. Daar is het
in het begrotingsdebat ook over gegaan. We geven daar zelf ook echt positieve invulling
aan met vestigingssteun. Bij mijn werkbezoek in Ommen heb ik gehoord dat jonge boeren
daar echt wat hebben aan die € 80.000.
Er werd ook gevraagd naar de risico's. Risico's zijn hoge overnamesommen en hoge kosten
voor jonge boeren in het eerste jaar na bedrijfsovername. Dat zie ik wel echt als
een drempel. Het streven naar die 6% en wat we daarvoor doen, moeten we daarin dus
meenemen. Dat moeten we ook onderdeel maken van onze regionale partnerschapsplannen.
Dan ga ik naar de vraag van mevrouw Den Hollander over de ruimte voor de eco-regeling.
Ik wil het toekomstig GLB zo veel mogelijk doelgericht inzetten. Dat is deels ook
een antwoord op andere vragen, denk ik. Daar waar Europese middelen het verschil kunnen
maken, wil ik ze daar ook voor gebruiken. Dan denk ik ook aan de eco-regeling. Ik
noem ook nog even de motie-Holman, die in de Kamer is ingediend, over het meenemen
en meekrijgen van collega's in Europa in het uitgeven van een groter deel van het
GLB aan bijvoorbeeld zo'n eco-regeling. Die breng ik graag nog even in herinnering.
Dat is juist omdat we boeren beter willen kunnen belonen voor de diensten die zij
leveren voor natuur, milieu, klimaat en ondersteuning bij de grote opgaven die we
hebben.
Dan kom ik bij de vraag van de heer Jansen over het toekomstig GLB. De vraag was hoeveel
geld er daadwerkelijk bij de boeren terechtkomt. Het is geen geheim dat wij ons in
willen zetten voor een efficiënte en zo goed mogelijke inzet van die Europese middelen.
Het streven van dit kabinet, maar ook dat van voorgaande kabinetten, is altijd geweest
om de uitvoeringskosten die daarmee gepaard gaan zo laag mogelijk te houden, zodat
het geld uiteindelijk echt kan landen op het boerenerf en zodat een zo groot mogelijk
deel daarvan terechtkomt bij boeren en andere begunstigden, zoals terreinbeherende
organisaties en andere groepen op het platteland.
De heer Chris Jansen (PVV):
Een hele korte interruptie. Heeft de Minister dan ook een streefbedrag? Welk deel
van die totale 427 miljard wil hij binnenhalen namens Nederland?
Minister Van Essen:
Ik heb geen streefbedrag, maar ik heb tijdens mijn werkbezoek van deze week gezien
dat bijvoorbeeld BoerenNatuur dit soort gelden ontzettend efficiënt weg kan zetten.
Dat doen zij met een eigen systeem. Ik vind het heel erg mooi om de ervaringen van
collectieven, die dit soort ontwikkelingen blijkbaar heel efficiënt kunnen uitvoeren,
mee te nemen en die als ze geschikt zijn ook aan mijn collega's in Brussel te laten
zien.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Jansen.
De heer Chris Jansen (PVV):
Dat snap ik, maar wij zijn nettobetaler. Een van de grootste klachten is altijd dat
wij meer wegbrengen dan terughalen. Hoe gaat de Minister dit anders doen dan zijn
voorgangers, waardoor we uiteindelijk netto meer overhouden voor onze sector?
Minister Van Essen:
Dat is geen streven van dit kabinet. Het streven van dit kabinet is om te zorgen voor
een modern MFK en dus ook een moderne vormgeving van de regionale partnerschapsplannen,
waarbij er oog is voor modernisering. Het is niet het doel van het kabinet om zo veel
mogelijk geld naar Nederland te halen en ontevreden te zijn met hoe we het nu doen.
Wat dit kabinet wil, is de manier waarop de gelden nu naar ons toe komen, moderniseren
en ook scherp zijn op onze afdracht.
De voorzitter:
Vervolgt u uw beantwoording, Minister.
Minister Van Essen:
Dan kom ik op de vraag van mevrouw Bromet over de prioriteiten van dit nieuwe kabinet
in de onderhandelingen over het nieuwe GLB. Ze vroeg of die anders zijn dan die van
het vorige kabinet. We blijven van mening dat het GLB moet bijdragen aan een weerbare
en economisch toekomstbestendige sector en dat we publieke gelden daar moeten inzetten
waar ze het meeste verschil kunnen maken. Wat mij betreft is dat bij zaken die door
de markt onvoldoende worden beloond. Dan denk ik aan natuur en milieu. De Kamer en
de commissie zullen zien dat ik daar meer op in zal zetten om in lijn met de motie-Holman,
zoals ik net aangaf, meer doelen te belonen die natuur en milieu ondersteunen.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
De discussie gaat dan heel vaak over de hectarepremie, dus gewoon geld omdat je grond
hebt, of een tegenprestatie. Ik begrijp uit het antwoord van de Minister dat het om
dat laatste zal gaan.
Minister Van Essen:
Ja, dat is mijn focus, maar ik wil ook de balans bewaren met hoe andere lidstaten
dat doen. Als zij daar heel veel aandacht voor hebben en heel veel geld inzetten voor
inkomenssteun, moeten we daar gewag van maken. Maar mijn doel is om Europese collega's
ervan te overtuigen dat juist het belonen van doelen die niet door de markt worden
beloond, maximale prioriteit heeft.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Bromet.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik begrijp dat voor de inzet van de Minister in Brussel, maar voor het nationaal plan
in Nederland, dat gemaakt en geïmplementeerd zal moeten worden, gelden dus wel die
milieudoelen?
Minister Van Essen:
Dat is inderdaad mijn focus. Daarbij wil ik in het achterhoofd houden hoe andere landen
het doen, maar mijn focus is om de prestaties die door de markt onvoldoende worden
beloond, in ons eigen programma zo veel mogelijk terug te laten komen.
Dan nog een vraag van mevrouw Bromet. Ze vroeg hoe we kijken naar de herziening van
het GLB en of ik het met haar eens ben dat publiek geld altijd ten goede moet komen
aan publieke doelen. Daar heb ik net al enigszins op proberen te antwoorden. Wat mij
betreft is dat zo en moeten publieke gelden ook voor publieke doelen in aanmerking
komen.
Dan ga ik naar het blokje visie op landbouw en voedsel. Mevrouw Den Hollander vroeg
wat de eerste resultaten zijn van de Europese visie op voedsel en landbouw en op welke
onderwerpen ik vind dat versnelling nodig is. Ik had net al aangegeven dat ik de eerste
resultaten van die visie positief vind. Ik heb ook begrepen uit de verslagen van vorige
schriftelijke LVR-rondes hier dat ook de commissie daar positief over is. Het is wat
mij betreft belangrijk om de ogen op de bal te houden en ervoor te zorgen dat er voldoende
aandacht blijft voor innovatie als onderliggende pijler van de visie. Het is wat mij
betreft essentieel voor een weerbare en toekomstbestendige agrofoodsector.
Er werd net ook al even genoemd dat generatievernieuwing een belangrijke pijler is.
Daar blijf ik ook oog voor houden. Het vraagt een forse inzet om de bedrijven en het
platteland toekomstbestendig te houden. Er is ook aandacht voor het versterken van
de positie van de boer in de keten. Daar hebben we vorige week ook het een en ander
over gewisseld in het begrotingsdebat. Dat blijft van groot belang. Ik zie dat de
Europese Commissie richting deze zomer nog met een herziening komt van de Richtlijn
oneerlijke handelspraktijken. Mevrouw Den Hollander vroeg mij om aandacht daarvoor
te hebben en dat neem ik mee.
Mevrouw Den Hollander vroeg hoe we binnen die visie barrières voor de toegang tot
kapitaal, grond en innovatie verkleinen om ondernemerschap te kunnen versterken. Ik
denk dat onze land- en tuinbouw bekendstaat om zijn sterke en innovatieve ondernemerschap.
Ik ben het met mevrouw Den Hollander eens dat de beschikbaarheid van kapitaal en het
kunnen toepassen van innovaties van groot belang zijn en blijven. Ik kijk in Europa
nadrukkelijk naar innovatieregelingen bij de uitvoering van deze visie. Ik zet me
ervoor in dat ondernemers gestimuleerd worden om tot vernieuwing en ontwikkeling van
hun bedrijf te blijven komen. Ik vind het belangrijk dat we binnen het GLB niet alleen
kijken naar subsidies, maar juist ook naar financieringsmogelijkheden voor de punten
die mevrouw Den Hollander noemt, zoals de toegang tot kapitaal en grond. We doen dat
nationaal al met het Groenfonds. Ik vind het belangrijk om dat binnen het GLB een
duidelijke plek te geven.
Dan kom ik bij het blokje overige vragen. Mevrouw Van der Plas vroeg naar de gebieden
met dierlijke mest. Het is eenieder bekend dat we vanuit de Nitraatrichtlijn een norm
hebben van 170 kilo stikstof per hectare. In Nederland zijn alle gebieden aangewezen.
De Commissie van Deskundigen Meststoffenwet heeft een advies uitgebracht over hoe
we dat in het volgende actieprogramma zouden moeten meenemen. Daar ging het vorige
week ook al heel even over. Daar treffen we op dit moment de voorbereidingen voor.
Dat wil ik zorgvuldig doen en daarbij betrek ik juist de aanbeveling om in specifieke
gebieden of het gehele grondgebied te kijken naar aanwijzingen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik zou de Minister graag willen vragen of hij de historie wil lezen van de totstandkoming
van die 170 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare. Even kort gezegd: dat
aantal kilo's is ooit in Frankrijk bedacht. Daar zit helemaal geen wetenschap achter.
Ik zou de Minister willen vragen om dat even te lezen en om daar ofwel in de tweede
termijn ofwel in een volgend debat over stikstof en mestbeleid op terug te komen.
Minister Van Essen:
Ik wil daar in een volgend debat gerust op terugkomen, zeker als mevrouw Van der Plas
interessante stukken of lectuur voor mij heeft. Ik zie dat andere landen andere normen
hebben en dat wij die eerder ook hadden. Ik wil nogmaals benadrukken dat die andere
landen aan de Europese Commissie hebben laten zien dat ze vooruitgang hebben geboekt
op het gebied van waterkwaliteit en dergelijke. Maar als mevrouw Van der Plas voor
mij bepaalde lectuur heeft, dan wil ik die graag meenemen en dan zal ik daar in het
volgende debat op terugkomen bij haar.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik hoorde de Minister belangrijke Eurocommissarissen noemen, maar ik mis er eentje:
de Eurocommissaris voor Dierenwelzijn, de heer Várhelyi. Wordt er ook met hem gesproken?
Want dat is wel belangrijk.
Minister Van Essen:
Het antwoord is: ja, maar niet door mij. Daar zal de Staatssecretaris zo misschien
verder op ingaan. Ik begrijp dat u dat belang aanstipt.
Ik ga nog even verder met de vragen van mevrouw Van der Plas over de afhankelijkheid
van kunstmest. Ik zie, net als mevrouw Van der Plas, dat kunstmest een groot negatief
effect heeft rondom het gebruik van fossiele brandstoffen. Ik vind het belangrijk
om stevig in te zetten op de vooruitgang en het kunnen gebruiken van gerecyclede of
circulaire meststoffen, bijvoorbeeld via de opschaling van RENURE. Dat heeft mijn
voorganger ook gedaan. Nederland heeft net de notificatie uitgestuurd waardoor het
op korte termijn gebruikt kan worden, zodat de mest die er nu is en afgevoerd moet
worden, weer gebruikt kan worden en als vervanging kan dienen voor kunstmest. Ik vind
het belangrijk om ook op die innovatie in te zetten, om op die manier minder afhankelijk
te worden van het gebruik van kunstmest.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Kunstmest is ook vervuilender voor de waterkwaliteit dan het gebruik van dierlijke
mest. Mijn vraag aan de Minister is: kent hij het rapport van Herman de Boer van de
Wageningen Universiteit?
Minister Van Essen:
Ja, dat rapport kennen we. Ik hoor wat mevrouw Van der Plas zegt over wat kunstmest
doet voor het gebruik van fossiele brandstoffen en voor de waterkwaliteit, wat juist
een hele grote opgave is. Ik benadruk nogmaals dat het heel goed is dat ook het vorige
kabinet vol heeft ingezet op het mogen gebruiken van circulaire principes, zoals bij
RENURE. Dat vind ik belangrijk en daar gaan wij ook volop mee door.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Landen die goud, lithium, olie of andere grondstoffen hebben waar de wereld om vraagt,
zullen daar nooit afstand van doen. Wij hebben in Nederland een hele waardevolle grondstof,
namelijk dierlijke mest. Vindt de Minister het niet raar dat wij onze waardevolle
grondstoffen verkwanselen ten behoeve van kunstmest? Wat wil de Minister gaan doen
om RENURE hier zo snel mogelijk geïmplementeerd te krijgen?
Minister Van Essen:
Wat betreft dat laatste: nadat de notificatie is goedgekeurd, gaan we snel nationale
wetgeving invoeren, juist omdat dat een grote prioriteit is. Ik hoor mevrouw Van der
Plas zeggen dat dierlijke mest versus kunstmest voor- en nadelen heeft. Maar ik wil
ook benadrukken dat we als Nederland echt een grote opgave hebben om de negatieve
gevolgen van die grote hoeveelheid dierlijke mest te verminderen. Dat is een belangrijke
opgave voor mij.
Er wordt strak getimed, hoor ik.
De voorzitter:
Time flies when you are having fun!
Minister Van Essen:
We hebben nog kansen genoeg om elkaar te bevragen in de komende debatten.
De voorzitter:
Zo is het. De Minister gaat gauw door.
Minister Van Essen:
Bij het begrotingsdebat was ik lang aan de beurt, dus de heer Erkens en ik wisselen
het een beetje af.
Ik ga verder met de vraag van mevrouw Bromet over de bodembescherming binnen het Noordzeeakkoord
en over de overleggen die hebben plaatsgevonden over de 1,2%. In mijn kennismakingsronde
met alle mensen die bij het Noordzeeakkoord betrokken zijn, ben ik er nadrukkelijk
op gewezen dat dit een gevoelig punt is. Ik heb met hen afgesproken dat ik mij hierin
ga verdiepen en dat ik het besluit wil bekijken om te zien of ik me daarin kan vinden.
Ik ben het met mevrouw Bromet eens dat juist zo'n Noordzeeoverleg ontzettend waardevol
is. Als ik het goed zeg, heeft u op 16 juni een debat over de visserij. Ik zal hier
dan op terugkomen met een antwoord. Dat was een concrete vraag.
Voorzitter. Er is nog gevraagd hoe ik samenwerk met IenW. Ik heb mijn eerste overleg
in week een of aan het begin van week twee gehad met de heer Karremans, de Minister
van IenW. Dat was het bestuurlijk overleg over de Kaderrichtlijn Water, met de provincies
en de waterschappen. We kregen complimenten van de medeoverheden over hoe we samen
optrekken, zowel in wat we zeggen als in hoe we de boel voorbereiden. Ik kan dus in
algemene zin zeggen dat er nauw wordt samengewerkt met het Ministerie van IenW, zeker
op het gebied van de waterkwaliteit. Dat geldt ook voor het achtste ap. Dat staat
ook centraal in dat overleg.
De voorzitter:
Mevrouw Bromet wil daar meer over weten.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Zijn de Minister en zijn collega Karremans nog steeds van plan om de doelen van de
Kaderrichtlijn Water te gaan halen?
Minister Van Essen:
Ja, die motie is door uw Kamer aangenomen bij het niet aannemen van het achtste ap
eind vorig jaar. Dat waren volgens mij de moties van het lid Kostić en de heer Grinwis.
Die beide moties betrekken we bij het opstellen van het achtste actieprogramma. Die
moties zijn wat mij betreft duidelijk. Ik ben nog iets vergeten te zeggen wat ook
interessant is. De heer Karremans en ik willen Eurocommissaris Roswall beiden ontvangen
als zij naar Nederland komt, juist om een signaal af te geven. Dat was volgens mij
de laatste vraag. O nee, ik heb hier nog een nieuw mapje. Het is geen apart blokje,
voorzitter. De vraag was of ik me kan verzetten tegen de vleestaks. De Europese Commissie
bereidt in Brussel zowel een eiwitstrategie als een veeteeltstrategie voor. Dat wijst
op het belang van deze sectoren voor de autonomie en voedselvoorziening in de EU.
Naast de vleestaks vroeg de heer Jansen of er een extra lastenverzwaring komt voor
onze veehouders. Lastenverzwaring is niet het uitgangspunt. Innovatie en vernieuwing
zullen het uitgangspunt zijn, zoals ik net ook al aangaf. Dat wordt mijn inzet. Op
dit moment liggen er ook geen concrete voorstellen in Brussel voor een EU-brede vleestaks.
Het zijn ook primair nationale bevoegdheden.
De heer Chris Jansen (PVV):
Dan toch een kleine vraag. Lastenverzwaring is niet de intentie – dat snap ik – maar
hoe gaat de Minister het dan voorkomen op het moment dat het toch op tafel komt?
Minister Van Essen:
Het zijn onze eigen bevoegdheden. Zowel de Staatssecretarissen als ik hebben het op
dit moment niet op onze bureaus liggen. Dan is het op dit moment ook niet aan de orde.
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
De heer Chris Jansen (PVV):
Dan toch de daaropvolgende vraag. Welk belang gaat dan voor, het EU-belang of het
Nederlandse belang?
Minister Van Essen:
Zowel in Brussel als bij ons ligt dit niet op tafel. Ik zie dus geen tegenstelling
tussen ons belang en het EU-belang. Als we er zelf over gaan, maakt dat het ook mooi
makkelijk.
De heer Lohman (CDA):
Een duidelijk verhaal over vleestaks. Er wordt ook weleens gesproken over een bredere
vorm van prijsprikkels om gewenste consumptie te supporten. Bent u bereid om in de
EU te pleiten voor pilots of samenwerkingen rondom bijvoorbeeld true pricing?
Minister Van Essen:
True value en true pricing zijn een taal die ik ook bij maatschappelijke en commerciële
partijen zie. Het is een initiatief om breder te steunen. Waar dat kan, wil ik dat
ook inbrengen. Qua ketenaansprakelijkheid maakt dit voor anderen namelijk heel veel
duidelijk. Ik wil het dus gerust meenemen. Ik moet nog even kijken of het op deze
agenda past. Anders doe ik het op een ander gezet tijdstip.
De voorzitter:
Volgens mij kunnen we dan over naar de beantwoording door de Staatssecretaris. Aan
u het woord, Staatssecretaris.
Staatssecretaris Erkens:
Dank u, voorzitter. Ook namens mij gefeliciteerd met uw voorzitterschap. Ik begreep
dat het een Noord-Koreaanse uitslag was! Dat kan alleen maar veel goeds beloven voor
deze periode. Ik snap ook dat de portefeuilleverdeling door al het geswitch tussen
de Minister en mij verwarrend kan zijn voor de Kamerleden. We zullen dus proberen
om niet elk debat met z'n tweeën te doen. Dan wordt het een stuk eenvoudiger, denk
ik – vooral voor mij!
Zoals de Minister al aangaf, zullen we tijdens de LVR in Brussel gezamenlijk kennismaken
met een aantal Eurocommissarissen en collega-ministers. We hebben ook een aantal losse
afspraken. Het lid Kostić vroeg daar net naar. We hebben onder anderen een afspraak
met Várhelyi, van Gezondheid en Dierenwelzijn, en Kadis, van Visserij en Oceanen.
Die zal ik ook nog spreken in mijn bezoek aan Brussel. Ik kijk erg uit naar de samenwerking
met de collega's uit andere landen. Ook ik wil werken aan een goede relatie, om de
Nederlandse belangen en prioriteiten te realiseren, onder andere op het gebied van
gewasbescherming, innovatie, dierenwelzijn en visserij.
In het bijzonder wordt er bij deze Raad gesproken over de energietransitie in de visserij
en de agricultuursector. Dat is een kans om te werken aan een toekomstbestendige sector.
Tegelijkertijd zullen we de discussie ook voeren in het licht van de hoge energieprijzen.
Ik zal in het blokje visserij nog ingaan op het standpunt van het kabinet daarover.
De blokjes zijn gewasbescherming, visserij en overig. Ik zal beginnen met gewasbescherming,
want dat is het grootste mapje. Het is nog goed om te weten dat er over het BNC-fiche
een schriftelijk overleg is gevoerd. Dat zal op korte termijn naar de Kamer gestuurd
worden. Het vergt veel afstemming met andere departementen en het gaat richting de
40 pagina's aan beantwoording. Op die manier krijgt u nog veel vragen terug.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Heb ik nou niet opgelet of is er geen blokje dierenwelzijn?
Staatssecretaris Erkens:
In het blokje overig zitten de vragen over dierenwelzijn. Die vragen kwamen alleen
van u, lid Kostić. Het was geen volledig blokje, maar het is wel het prominente onderwerp
in dat blokje. Bewaar vooral een aantal interrupties voor het einde, zou ik zeggen!
De voorzitter is daar heel streng op.
Over de Omnibuswetten – ik noem de Food and Feed Omnibus – zijn een paar vragen gesteld,
onder anderen door de leden Kostić en Bromet, alsook andere Kamerleden. Bij mijn inzet
op het voorstel leg ik prioriteit op het versimpelen van regelgeving waar dat kan.
Daarbij moet de veiligheid voor mens, dier en milieu behouden blijven. Dat is ook
conform het BNC-fiche dat we naar uw Kamer gestuurd hebben. Het Omnibusvoorstel voor
de veiligheid van voedsel en diervoeder is een breed voorstel. Er zit veel in. De
nadruk ligt wel op gewasbescherming.
Hierover heeft de Kamer inderdaad een motie aangenomen. Die is ook meegenomen in het
BNC-fiche. De genoemde motie, de motie-Podt/Bromet, verzoekt de regering om met een
kopgroep in Brussel te pleiten voor voorstellen die de toelating van laagrisicomiddelen
bevorderen, maar met klem te pleiten tegen voorstellen die de status quo op de toelating
van chemische middelen, en met name risicovolle middelen, verzwakken. Heel concreet
voeren we deze motie uit door actief tekstvoorstellen aan te dragen die de toelating
van laagrisicomiddelen bevorderen. Aan de andere kant dragen we op dit moment voorstellen
aan die de veiligheid van het nieuwe herbeoordelingssysteem voor werkzame stoffen
waarborgen en die daarmee tenminste de status quo van het beschermingsniveau zouden
moeten behouden. Op die manier voeren we de motie uit.
Daarmee pleiten we niet tegen het complete voorstel, maar proberen we in het proces
met andere lidstaten en verbondjes op dat vlak het voorstel te verbeteren. Daarnaast
hebben we hierover contact met andere lidstaten. Dat zal ik in de komende Landbouw-
en Visserijraad wederom oppakken met collega-lidstaten die ik daar spreek.
De voorzitter:
Ik ga eerst naar het lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
De cruciale vraag is hoe de Staatssecretaris en het kabinet borgen dat er inderdaad
geen extra schade van milieu en gezondheid optreedt. Hoe wordt dat getoetst?
Staatssecretaris Erkens:
Ik heb een heel blokje met beantwoordingen. Ik zou daar eerst doorheen kunnen lopen.
Hopelijk zijn een aantal van de interrupties daarmee beantwoord en als dat niet zo
is ... Zo bent u ook niet uw interrupties kwijt.
Voorzitter, ik ga er snel doorheen. Er zijn een aantal vragen gesteld.
De voorzitter:
Ik ga toch eerst even naar mevrouw Bromet, want zij had ook nog een vraag.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik hou hem onder de 30 seconden. Ik vind het tot nu toe een schimmig verhaal, dus
ik hoop dat er zo meteen inderdaad wat concretere antwoorden komen.
De voorzitter:
Dan gaat de Staatssecretaris vooral verder.
Staatssecretaris Erkens:
Dat gaan we zien, mevrouw Bromet. Er komt sowieso een schriftelijk overleg met heel
veel detail, van bijna 40 pagina's. Dan wordt het hopelijk een stuk minder schimmig
voor de Kamerleden.
Voorzitter. Ik kreeg een vraag van mevrouw Den Hollander over de eerste indruk. We
zijn blij met het initiatief om regelgeving te versimpelen. Dat is ook hard nodig
om competitief te blijven. Tegelijkertijd willen we daarbij wel het belang van de
veiligheid van mens, dier en milieu waarborgen.
Mevrouw Den Hollander had ook een vraag over het zich op Europees niveau inzetten
voor een risicogebaseerde herbeoordeling, mits het beschermingsniveau gelijk blijft.
Ik begrijp goed dat de Commissie heeft gekeken naar het opnieuw inrichten van de herbeoordelingen
van werkzame stoffen van gewasbeschermingsmiddelen. Het huidige systeem is gewoon
vastgelopen en zorgt voor enorm lange wachttijden. Het remt daarmee ook innovatie
in de toelating van nieuwe werkzame stoffen, ook de duurzame variant. De voorgestelde
risicogestuurde herbeoordeling is dus een mooie eerste aanzet. Er zijn wel nog aanvullende
waarborgen nodig, om het systeem transparanter, uitvoerbaar en veiliger te kunnen
maken. Daarover gaan de tekstvoorstellen die we nu aan het doen zijn en die ik net
noemde ook. Een risicogestuurd systeem kan er namelijk voor zorgen dat zaken inderdaad
sneller goedgekeurd worden. De inrichting van het risicogestuurde systeem bepaalt
natuurlijk wel of er voldoende waarborgen in zitten. Hoe vaak herbeoordeel je het?
Wat voor eisen stel je bij het systeem? Waar baseer je de risicosturing op?
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Hartelijk dank voor uw antwoord over de herbeoordeling, Staatssecretaris. In aansluiting
daarop: hoe kijkt de Staatssecretaris naar het uitfaseren van stoffen die niet meer
toegelaten zijn?
Staatssecretaris Erkens:
Dat gebeurt op dit moment op basis van de wetenschap. Een heleboel stoffen worden
van tijd tot tijd opnieuw getoetst op basis van het huidige wetenschappelijke onderzoek
dat bekend is. Dat doen we vooral vanuit Europa. Op het gebied van middelen kijken
we daar in Nederland naar vanuit de Ctgb. Het is op dit moment ook niet een van de
inzetten die we bij het Omnibusvoorstel hebben. Het gaat nu echt om het herbeoordelingssysteem
dat we hebben, om het risicogestuurd zijn en om de vraag hoe we ervoor zorgen dat
de waarborgen ingebouwd worden.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Aanvullend. Erkent de Staatssecretaris enerzijds dat het heel belangrijk is om die
uitfasering door te zetten? Je wil stoffen die niet veilig zijn, natuurlijk niet gebruiken.
Erkent hij anderzijds dat er ook een risico aan kleeft dat je bepaalde ziekten niet
meer kunt bestrijden? Hoe weegt u dat, Staatssecretaris?
Staatssecretaris Erkens:
Nogmaals, een groot deel wordt gewogen op Europees niveau. Daar brengen we onze inbreng
op. Daarbij kunnen we zeggen dat het beschermingsniveau in het risicogestuurde herbeoordelingssysteem
behouden moet blijven. Dat is ook de inzet met die tekstvoorstellen. Daarnaast willen
we het bijhouden op basis van de laatste stand van de wetenschap. We zien namelijk
dat de wetenschap voortschrijdt en nieuwe risico's identificeert. In die voorstellen
wordt dan ook gewogen hoeveel tijd er is voor de overgangsperiode om van een stof
te kunnen overstappen op wat anders. Dat is inderdaad een spanningsveld in dit dossier.
Aan de ene kant is gewasbescherming noodzakelijk om de oogst en de teelt te beschermen.
Dan moet er iets in het middelenpakket zitten om de stof te kunnen vervangen. Tegelijkertijd
willen we nadelige effecten de komende jaren wel met elkaar verminderen.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Den Hollander.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Tot slot. We zijn in Nederland druk bezig met een convenant. De Staatssecretaris is
ook hard aan het werk om dat nog voor de zomer enige vorm en inhoud te geven. Wordt
in Europa ook besproken hoe we dat in Nederland gaan doen? Gaan andere landen dat
op een soortgelijke wijze aanvliegen?
Staatssecretaris Erkens:
Op dit moment hebben we het nog niet meegenomen in Europa. Ik vind het wel een goed
voorstel, dus we kunnen het in die gesprekken meenemen. Dat is het mooie van het convenant
en het Ctgb op dit vlak. Europa beoordeelt met name de stoffen. Op dat vlak proberen
we het voorstel dus zo goed als mogelijk te versterken. Tegelijkertijd zouden we,
als het voorstel aangenomen zou worden en als we ontevreden zijn met de resultaten
die op dat vlak uit Europa komen, met het Ctgb, maar ook met het nationale convenant,
natuurlijk nog aanvullende waarborgen in Nederland kunnen kiezen.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Staatssecretaris Erkens:
Ja, voorzitter. Een aantal vragen heb ik al beantwoord. Specifieke vragen van het
lid Kostić gingen nog over maatregelen die we nemen om een aantal zorgen serieus en
structureel op te pakken, onder andere vanuit milieuorganisaties. Een draaide daarbij
om aanvragers die zelf verantwoordelijk blijven voor herbeoordelingen van dossiers.
Dat blijft zo. Dat vinden we van belang.
Voorzitter. Dan zijn er nog een aantal vragen over pfas.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Mijn concrete vraag hierover is nog niet beantwoord. Misschien kan de Staatssecretaris
kijken of daar iets meer over staat in zijn papieren.
Staatssecretaris Erkens:
Ik heb nog vragen van het lid Kostić over vertragingen door halfwerkproducenten en
waar de rekening neergelegd wordt. Die komt er nog aan. Ik heb nog vragen over gewasbeschermingsmiddelen
en drift naar biologische boeren. Eigenlijk alle vragen die ik nog heb, zijn van het
lid Kostić.
De voorzitter:
Ik hoor dat er nog een hele hoop antwoorden aankomen.
Staatssecretaris Erkens:
Dit hele stapeltje is nog voor het lid Kostić.
De voorzitter:
Kijkt u eens aan!
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik had nog een vraag over het Europees Hof: hoe wordt de uitspraak daarvan meegenomen
in het Omnibusvoorstel?
De voorzitter:
Wellicht kan de Staatssecretaris dat meenemen.
Staatssecretaris Erkens:
Ja, voorzitter. Het zit er allemaal in. Zal ik ze gewoon even doorlopen?
De voorzitter:
Het zit er allemaal in. De Staatssecretaris gaat heel gauw verder met de beantwoording
van de vragen.
Staatssecretaris Erkens:
Het is een flinke stapel, voorzitter.
De vraag over halfwerkproducenten. «Deelt de Staatssecretaris de mening dat de rekening
moet worden neergelegd waar dat hoort?». Daar staat bij: «gifproducenten». Ik zou
zeggen: gewasbeschermingsmiddelproducenten. Ik vind het wat dat betreft in dit dossier
van belang dat we toewerken naar hetzelfde doel, namelijk het laten afnemen van de
schadelijke effecten. Tegelijkertijd moeten we de gewasbeschermingsmiddelen die wel
nodig zijn en die steeds minder schadelijk worden, met elkaar blijven uitleggen. Ik
vind het hierbij belangrijk dat herbeoordelingen van werkzame stoffen goed en tijdig
worden afgerond. Dat aanvragers wellicht doelbewust dossiers traineren, kan niet.
Ik ben blij dat de Europese Commissie heeft aangekondigd om hier meer aandacht aan
te geven en geen tijdelijke verlenging van de goedkeuring aan lidstaten voor te leggen
wanneer een aanvrager niet levert wat verwacht mag worden.
Voorzitter. Dan de vragen over drift, het overwaaien van chemisch-synthetische gewasbeschermingsmiddelen
naar een biologisch areaal. Welke maatregelen gaan wij nemen om dat te voorkomen?
Het probleem is bekend. We nemen het ook serieus. We zijn in gesprek met diverse partijen
om er een oplossing voor te vinden. Het is lastig om dit op heel korte termijn in
één keer te kunnen oplossen, maar het heeft zeker aandacht. We zullen het daarom ook
in het convenant betrekken. We zullen daarover in de brief van voor de zomer misschien
de eerste richtingen delen richting de Kamer. Zo weet u naar welke oplossingsrichting
we kijken.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dat laatste is goed, maar de boeren zitten nu al met de problemen, onder andere door
hoge kosten. Het lijkt me dus goed dat het kabinet hier een prioriteit van maakt.
Ik zou een richting willen geven. Misschien kunnen we kijken of we de gifproducenten
wat meer kunnen laten meebetalen, om de biologische boeren te vergoeden voor de schade,
in ieder geval op de korte termijn.
Staatssecretaris Erkens:
Ik ben bereid om hier met prioriteit naar te kijken. Ik snap dat het voor de biologische
boeren en sector heel moeilijk uitlegbaar is. Je moet namelijk voldoen aan een aantal
voorwaarden. Dan krijg je dit nieuws. Dat is allesbehalve wenselijk. Ik ga in de komende
twee weken bij het Ctgb langs. Ik zal het daar ook bespreekbaar maken en kijken wat
de oplossingen kunnen zijn. Ik kom er dan op terug in de Kamerbrief over het convenant.
De voorzitter:
Een korte vervolgvraag van het lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik snap even niet waarom het Ctgb hierbij betrokken moet worden. Het gaat erom dat
landbouwgif terechtkomt bij biologische boeren. Die moeten voor de schade betalen.
Volgens mij moet de Minister de oplossing dus zoeken in het voorkomen ervan dan wel
het vergoeden van biologische boeren. Dat over het Ctgb snap ik nog niet.
Staatssecretaris Erkens:
Het Ctgb gaat over de verschillende oplossingsrichtingen die mogelijk zouden kunnen
zijn in welke gewasbescherming ingezet wordt naast de percelen, over wat voor driftreducerende
technieken er mogelijk zijn et cetera. Het is dus wel een onderdeel van de puzzel,
zou ik zeggen.
Dan ga ik door, voorzitter. We zien dat producenten bij herbeoordeling doelbewust
onvolledige dossiers aanleveren, waardoor procedures worden vertraagd. Het Europese
Hof van Justitie heeft daar een uitspraak over gedaan, zoals lid Kostić aangaf. Er
moet worden gecontroleerd of dit is gebeurd. De vraag was: kan de Staatssecretaris
aangeven hoe de uitspraak van het Europese Hof wordt gebruikt in het Omnibusvoorstel?
Ik vind het belangrijk dat herbeoordelingsdossiers goed en tijdig worden afgehandeld.
Zoals ik al eerder zei, vind ik het niet kunnen dat er wat dat betreft getraineerd
wordt. De Europese Commissie heeft dus toegezegd om hierop toe te zien en dus inderdaad
geen tijdelijke verlengingen voor stoffen te geven als aanvragers niet hebben gedaan
wat van hen verwacht mag worden. Dat nemen zij dus ook mee in de voorstellen die besproken
worden. Hierin steunen wij de Europese Commissie. Dit betreft de Europese beoordeling
van dossiers. Het is daarmee een Europese aangelegenheid, maar de Commissie heeft
daarvoor wat ons betreft een goed voorstel gedaan. Binnen het Omnibusvoorstel zijn
wij voorstander van heldere verplichtingen voor aanvragers, zodat de partijen ook
weten wat er van hen verwacht mag worden.
Voorzitter, de laatste vraag gaat over pfas in bestrijdingsmiddelen: kan de Staatssecretaris
toezeggen te pleiten voor een verbod op pfas in bestrijdingsmiddelen en daarvoor bondgenoten
zoeken, bijvoorbeeld Denemarken? Het verbod op pfas-houdende stoffen is in het coalitieakkoord
breed bedoeld. Daar zetten we ook op in. We zijn al begonnen met kijken naar het verminderen
van de impact bij gewasbeschermingsmiddelen, omdat daar ook wetenschappelijke aanleiding
voor is. We vinden het belangrijk dat gewasbeschermingsmiddelen alleen mogen worden
toegepast wanneer dat veilig kan. Dit geldt voor alle stoffen die onder de pfas-definitie
vallen. Iedere stof wordt individueel bekeken. Nederland heeft hier in Europa ook
nadrukkelijk voor gepleit. We pleiten nu niet voor een algeheel verbod in gewasbescherming
– dat pakken we in den brede op; vooral de collega vanuit IenW gaat daarmee aan de
slag – maar bij twijfels zal het Ctgb elke stof of elk middel opnieuw bekijken. Zo
heeft het Ctgb aangekondigd om 46 pfas-middelen opnieuw te beoordelen op basis van
de wetenschappelijke informatie uit Denemarken, die ons ook bekend is. De Kamer is
hierover geïnformeerd. Ik zal uw Kamer ook informeren over de uitkomsten van de herbeoordeling
zodra die bekend zijn.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
De pfas, die overal zit en waardoor je geen eitjes meer van je eigen kippen kan eten,
is zeer zorgelijk. Op welke termijn kunnen we hier besluiten over verwachten? Elke
dag dat we langer wachten, wordt er namelijk meer pfas over ons land uitgestrooid
en verspreid.
Staatssecretaris Erkens:
Ik stel voor dat ik in tweede termijn terugkom op de tijdlijn, want dit ligt bij de
collega van IenW. Die planning heb ik nu niet scherp. Ik heb wel aangegeven dat we
vanuit LVVN niet stil gaan zitten, dus bij wetenschappelijk bewijs voor de schadelijkheid
kijkt het Ctgb ernaar. Daarover zullen we u informeren. We zullen kijken of we voor
de tweede termijn vanuit IenW te horen krijgen wat ongeveer de tijdlijnen zijn.
De voorzitter:
Als we een tweede termijn willen, moeten we wel een klein beetje opschieten, zowel
aan de vragenkant als wat betreft de compactheid van de antwoorden van de Staatssecretaris.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Het gaat erom dat het kabinet een uitgebreid pfas-verbod wil, omdat het per definitie
niet goed is. Het mankement is dat het verbod op pfas in bestrijdingsmiddelen mist.
Mijn concrete vraag is dus of het kabinet bereid is om met bijvoorbeeld Denemarken
op te trekken om daar een verbod voor in te stellen?
Staatssecretaris Erkens:
We zetten ons dus in op een breder verbod in Europa op het gebied van pfas. Dat ligt
bij de collega van IenW, maar ik probeerde net aan te geven dat de situatie in Denemarken
ook vanuit Nederland gevolgd wordt, dat we contact hebben met de collega's en dat
aan de hand daarvan 46 stoffen die mogelijk schadelijk zijn, al herbeoordeeld worden.
We gaan er dus mee aan de slag, maar het bredere traject ligt bij IenW.
De voorzitter:
Volgens mij kunt u beginnen aan het blokje visserij.
Staatssecretaris Erkens:
Het blokje visserij is ook vrij uitgebreid.
De voorzitter:
Wellicht kunt u het herhalen van de vragen overslaan.
Staatssecretaris Erkens:
De helft van de vragen overslaan? Dan krijg ik die via interrupties terug, voorzitter.
De voorzitter:
Het herhalen, niet de helft.
Staatssecretaris Erkens:
Dat zal ik voorkomen, voorzitter.
Er waren een aantal vragen over het gemeenschappelijk visserijbeleid, onder anderen
van de heer Lohman. Gaat de Minister zich inzetten voor de implementatie, zodat die
leidt tot zowel herstel als een reëel verdienmodel? Van alle aspecten vormen duurzaamheid
en sociaaleconomische aspecten de pijlers van het GVB. Duurzaam beheer van visbestanden
is gebaseerd op de zogeheten maximum sustainable yield, waardoor er in principe voldoende
vissen overblijven om als bestand voor de lange duur te overleven. Alleen het surplus
kan worden bevist. Tegelijkertijd is er oog voor het economische verdienvermogen van
vissers en het sociale belang van die gemeenschappen. Wij gaan ons dus ook inzetten
voor die pijlers van het gemeenschappelijk visserijbeleid.
De heer Lohman (CDA):
Ik heb een korte vraag ter verduidelijking. Kan ik daaruit opmaken dat u zich inzet
voor het versterken en het behoud van het GVB, en dat u niet meegaat in eventuele
versoepelingen daarin, zoals door sommige partijen wordt voorgesteld?
Staatssecretaris Erkens:
Het GVB bestaat nu al een heel tijdje. Er is nu inderdaad een ronde waarin lidstaten
kunnen aangeven wat er mogelijk verbeterd kan worden. Aan de hand daarvan zal de Commissie
in mei dit jaar, volgens mij, beslissen of er een herziening aankomt. Nederland staat
open voor een herziening, maar dat zou zijn vanuit de insteek om het te verbeteren,
omdat we een aantal knelpunten hebben gezien in de praktijk. We zien ook op het gebied
van verduurzaming dat bijvoorbeeld schepen die langer dan 24 meter zijn, niet mogen
meedoen met verduurzamingsmaatregelen. Er zitten dus ook gewoon een aantal zaken in
die we als Nederland verbeterd zouden willen zien. Als de Europese Commissie besluit
tot herziening, zullen we uw Kamer uiteraard tijdig informeren met een BNC-fiche,
zodat we over de inzet van Nederland van gedachten kunnen wisselen.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Staatssecretaris Erkens:
De heer Lohman vroeg ook naar de brandstoftransitie in de visserij. Zoals gesteld
in het coalitieakkoord zet het kabinet in op het toekomstbestendig maken van de visserij.
Een belangrijk onderdeel hiervan is het inperken van het brandstofverbruik van de
vaartuigen en het inzetten op innovatie. Hiervoor zullen we in 2026 twee subsidieregelingen
openstellen, waarmee de visserij- en de schepdiersector energie-efficiënte investeringen
kunnen doen in vissersvaartuigen. Het doel van de regelingen is het verbeteren van
de energie-efficiëntie en het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen. Hierbij
zetten we ons ook in om in de komende jaren innovatiesubsidies voor de visserij open
te stellen. Met die regelingen kunnen ook innovaties en onderzoeken gericht op verduurzaming
van vistuigen en -technieken worden ondersteund, waaronder netinnovaties. Dat valt
daar dus onder.
Voorzitter. Mevrouw Den Hollander vroeg naar de Europese plannen voor klimaatneutraliteit
op dit vlak en wat die betekenen voor de kottervloot. De stijgende brandstofprijzen
hebben nu al een enorme impact op de visserijsector. Ik zal daar dadelijk nog wat
langer op terugkomen. De energietransitie is op dit vlak van belang om het brandstofverbruik
te laten afnemen. De Europese Commissie is voornemens een roadmap voor de energietransitie
van de visserij en aquacultuur te publiceren, samen met een visie voor 2040. Zodra
deze plannen er zijn, zullen we de appreciatie daarvan wederom met de Kamer delen.
Daarnaast werk ik eraan de Nederlandse situatie onder de aandacht te brengen bij de
Europese Commissie. Hierbij vragen we bijvoorbeeld ook aandacht voor de belemmeringen
in het huidige steunkader, mocht Nederland inderdaad die stap zetten. Dat ga ik maandag
en dinsdag dus ook bij mijn collega's ter sprake brengen. Daarnaast werken we aan
twee subsidieregelingen, waarover ik al heb verteld.
Het is misschien nog handig om hierbij het volgende te zeggen over klimaatneutraliteit.
De heer Jansen had daar inderdaad ook nog vragen over. Hebben we dan nog een visserijsector
in 2050 en moet de focus niet meer liggen op de korte termijn? Er is op dit moment
nog geen volledig klimaatneutraal vaartuig voor de visserij. De sporen waarop we op
dat vlak inzetten, zijn aan de ene kant die van Europese innovatie om te komen tot
klimaatneutrale oplossingen. Aan de andere kant zal de focus van dit kabinet in de
komende jaren heel erg liggen op de energie-efficiëntie, om het brandstofverbruik
omlaag te kunnen brengen. Dat helpt met verduurzaming, maar helpt ook om ervoor te
zorgen dat we in de komende jaren steeds minder kwetsbaar worden voor hoge energieprijzen.
Voorzitter. Mevrouw Den Hollander had nog meer vragen over innovaties. Die heb ik
volgens mij net allemaal beantwoord bij de vragen van de heer Lohman, dus die sla
ik over. De vraag van de heer Jansen heb ik net ook beantwoord.
De heer Jansen had nog een vraag over de concurrentiepositie. Ik vind het gelijke
speelveld van de Nederlandse en Europese vissers hierin van groot belang, ook richting
derde landen. In de verschillende relevante internationale en Europese gremia, van
de Landbouw- en Visserijraad tot de werkgroepen, zet het kabinet zich hiervoor in.
Hierbij wil ik specifiek aandacht vragen voor de rol die de Russische Federatie speelt,
ook bij overbevissing op sommige vlakken. Ik kom daar dadelijk bij het onderwerp makreel
ook op terug. De inzet van het kabinet is erop gericht om aan de ene kant het verdienvermogen
van de Nederlandse visserijvloot te beschermen en aan de andere kant te kijken wat
voor acties er op dat vlak mogelijk zouden zijn. Dat is best wel complex – daar zullen
we dadelijk op ingaan – maar dat is iets wat ik zal meenemen naar de discussies die
maandag en dinsdag in Brussel plaatsvinden.
Dan de vragen van het lid Vellinga over het GVB. Daar heb ik inderdaad het een en
ander over verteld. Onze inzet zal daarbij niet zijn om het GVB af te zwakken op dit
vlak, maar inderdaad wel om te kijken naar verbeteringen. Dat gaat over de aanlandplicht,
die Nederland heeft geagendeerd, maar ook over verduurzaming. Ik noemde net de scheepslengte
van 24 meter. Wat dat betreft is er ook het niet kunnen subsidiëren van nieuwbouw
om echt te komen tot een nieuwe vloot. Er zijn dus een aantal zaken die zouden kunnen
helpen met de verduurzamingsagenda op dat vlak. Mocht er een voorstel komen, dan komt
er een BNC-fiche.
Voorzitter. Er zijn ook vragen gesteld over het implementeren van het huidige GVB.
Daar werken we samen met andere lidstaten aan. Mijn voorganger heeft samen met andere
lidstaten diverse punten ingebracht bij de Landbouw- en Visserijraad van 27 november
2025. Daarbij zijn ook aandachtspunten met de Europese Commissie gedeeld.
Voorzitter. Dan waren er vragen van het lid Vellinga over aquacultuur en mooie initiatieven
op dat vlak, die zij hoopt terug te zien in de visie voor 2040 voor visserij en aquacultuur.
Die komt in het derde kwartaal van dit jaar uit. Dat gaf het lid Vellinga ook aan.
De aquacultuursector in Nederland is belangrijk voor duurzame aquatische voedselproductie.
Ook bestaat aquacultuur in Nederland uit verschillende typen, zoals de kweek van schelpdieren
in open water en de viskweek in recirculatiesystemen. Voor het bevorderen van aquacultuurinitiatieven
zijn eerder al succesvol meerdere subsidieregelingen opengesteld. Deze zomer zullen
we een nieuwe regeling daarvoor openstellen. Daarnaast vind ik het belangrijk dat
aquacultuur een goede plek krijgt in de visie van 2040. Hiervoor hebben we inderdaad
ook aandacht in de uitvoeringsagenda die we samen met de sector ontwikkelen, geheten
De Nederlandse visie op voedsel uit zee en grote wateren. Spoedig, zodra die agenda
rond is, hoop ik u die te doen toekomen, zodat we daarover met elkaar in debat kunnen
gaan. Dat is een agenda die is opgesteld door de sector, samen met maatschappelijke
partijen en onder leiding van de heer Bisschop, van de SGP. Daar staan heel veel mooie
initiatieven op dit vlak in.
De heer Chris Jansen (PVV):
Ik heb een hele korte vraag. De Staatssecretaris zegt: we gaan met name inzetten op
brandstofbesparing. Dat snap ik. Dan is de vraag natuurlijk of de Staatssecretaris
in Brussel dan ook volle bak gaat op de pulskorvisserij, aangezien brandstofbesparing
daarbij ook een grote rol speelt.
Staatssecretaris Erkens:
Dat is een goed punt van de heer Jansen. Ik heb bij de begroting gezegd dat ik bereid
ben me daarvoor in te zetten. Ik denk sowieso, horende het debat hier in de Kamer,
dat dit een dossier is waarvan iedereen de voordelen zou kunnen zien. Pulskorvisserij
zorgt voor minder bodemberoering en zorgt ervoor dat het brandstofverbruik van de
kottervisserij bijna kan halveren. Ik ben dus zeker bereid om dat te agenderen, maar
ik denk dat het lid Bromet terecht aangaf dat we dat op een diplomatieke manier moeten
doen. Ik zou namelijk echt willen dat we hiervoor concreet deuren open kunnen krijgen.
Ik zal het ook proberen te agenderen in mijn bilaterale gesprekken met de collega's
daar.
De voorzitter:
Een korte vervolgvraag van de heer Jansen.
De heer Chris Jansen (PVV):
Waarop het mis is gegaan in het verleden, is dat wij Frankrijk zelfs tien kotters
hebben aangeboden, maar dat Frankrijk gewoon geen geld had om zijn vloot te moderniseren.
Dus hoe gaan we nou voorkomen dat we in dezelfde valkuil terechtkomen?
Staatssecretaris Erkens:
Dat betekent in dit geval dat ik het hierover moet hebben in het gesprek met de Franse
collega. Ik denk dat de Minister het net goed zei; het zal ook in het dossier van
visserij een kwestie van geven en nemen moeten zijn. Als wij ruimte gaan vragen van
een aantal lidstaten die hier volledig tegen waren, zullen ze andersom ook naar Nederland
kunnen kijken bij dossiers die voor hen van groter belang zijn. Op die manier zal
ik proberen de deur weer op een kiertje te krijgen. Er ligt hier een goede motie van
mevrouw Van der Plas en mevrouw Den Hollander met het verzoek om in ieder geval met
experimenten te kunnen beginnen. Daarmee starten zou het eerste houvast zijn voor
mij in die gesprekken. Daarbij wil ik wel benadrukken dat pulskorvisserij, ook gezien
de huidige energieprijzen, een hele mooie oplossing kan zijn voor de sector in de
komende jaren. Daar wil ik me dus zeker voor inzetten.
De voorzitter:
Vervolgt u uw beantwoording. O, u vervolgt niet uw beantwoording, want er is nog een
korte interruptie van mevrouw Vellinga.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Ik kom heel kort nog even terug op de implementatie van het GVB. U zegt terecht dat
u dat onder de aandacht gaat brengen, maar dat is voor mij nog wel wat vaag. Kunt
u nog iets meer uitweiden over hoe u dat gaat implementeren, ook met uw Europese partners,
meer dan het er alleen met elkaar over hebben?
Staatssecretaris Erkens:
Op dit moment roepen we dus op tot herziening van het GVB. Er zijn een aantal knelpunten
die volledige implementatie lastig maken. We hadden het net over de aanlandplicht
op dat vlak en er is nog een aantal andere knelpunten. Die hebben andere lidstaten
ook. Daarop leveren we nu dus gezamenlijk input. Tegelijkertijd zijn we natuurlijk
doorlopend met elkaar in gesprek over hoe we zo goed mogelijk kunnen voldoen aan de
gestelde voorwaarden.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Het is mij toch nog wel iets vaag. Zegt de Staatssecretaris nu: «Wij gaan dit volledig
implementeren; we gaan hier gewoon voor en we houden de rest daaraan»? Of zegt hij:
we streven ernaar?
Staatssecretaris Erkens:
Het GVB bestaat uit heel veel onderdelen. Het zou mij dan wel helpen om specifiek
te horen op welke onderdelen de zorgen op dit moment zitten, maar we streven er uiteraard
naar om het GVB te implementeren in Nederland. Nu loopt de mogelijkheid tot het leveren
van input voor wat er in de herziening mogelijk zou zijn, om het daarmee ook beter
implementeerbaar te maken. Ik heb net al de aanlandplicht genoemd. Het is gewoon complex
voor de visserij om daaraan te voldoen. Daar zitten ook nadelen aan. Tegelijkertijd
is er ook een aantal zaken dat andere lidstaten moeilijk vinden bij de implementatie
hiervan. Dat proberen we op die manier dus gewoon te verbeteren.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dit baart me zorgen. De Staatssecretaris heeft het namelijk vooral over de sector,
terwijl het hierbij ook heel erg gaat over de belangen van de natuur. Er is jarenlang
structureel sprake van overbevissing. Nederland speelt daar een grote rol in. De Europese
Unie heeft ons op de vingers getikt over de naleving van regels en het niet voldoen
aan voldoende viscontroles. Mijn vraag aan de Staatssecretaris is dus: welke rol ziet
hij zelf in het borgen van de belangen van de natuur hierbij? Dat geldt ook voor dierenwelzijn,
want vissen zijn helemaal niet beschermd, ondanks dat het ook gewoon dieren zijn met
gevoelens. Op welke manier gaat hij die borgen?
Staatssecretaris Erkens:
Op twee manieren. De eerste gaf ik net aan. Er zit een aantal zaken in het gemeenschappelijk
visserijbeleid dat gewoon heel moeilijk uitvoerbaar is in de praktijk. We leveren
nu dus input aan om het voorstel te verbeteren. Tegelijkertijd heeft het lid Kostić
gelijk: natuurbelangen spelen hier ook een rol in. Daarom trek ik ook samen op met
de Minister om daar de komende periode stappen op te kunnen zetten met elkaar.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Kan de Staatssecretaris misschien met een brief komen waarin hij ingaat op de staat
van de overbevissing, de rol van Nederland, de NVWA-signalen over fraude in de sector,
de tik op de vingers vanuit de Europese Commissie wat betreft de naleving van viscontroles
vanuit Nederland, en vooral ook wat de inzet van deze Staatssecretaris zal worden
voor natuur- en vissenwelzijn in combinatie met de andere belangen?
Staatssecretaris Erkens:
Ik kan toezeggen dat we in de brief voor het commissiedebat Visserij op deze punten
zullen ingaan. Dat zal ik dan uiteraard ook afstemmen met mijn collega, de Minister
die hier zit op het gebied van Natuur.
De voorzitter:
Goed. Gaat u verder met de beantwoording.
Staatssecretaris Erkens:
Voorzitter. Heel veel vragen hebben we nu al gehad. Dan waren er nog vragen van het
lid Bromet over de subsidiepot van € 550.000 voor duurzame vaartuigen, die niet optimaal
wordt benut. De beschreven subsidie is beschikbaar voor de verduurzaming van binnenvaartschepen
en niet voor visserijschepen. Er zal dit jaar dus wel een nieuwe innovatieregeling
opengesteld worden met nationale middelen, om het gat deels te dichten. Er komt dus
hopelijk grotendeels een oplossingsrichting voor aan. Met die regeling kunnen onder
meer visserijondernemers innovatieprojecten uitvoeren op dit vlak. Daarnaast komen
er investeringsregelingen voor energie-efficiëntie die worden opengesteld.
Voorzitter. Het lid Bromet had een vraag gesteld over het artikel in Het Financieele
Dagblad over het veroordelen van visfraude, hoe we dat aanpakken en hoe we het geitenpaadje
dichten. Laat ik beginnen met te benoemen dat wij inderdaad tegen elke vorm van illegale
visserij zijn en dat ons beleid erop is gericht dat te bestrijden. Ook als ik het
lees in de krant, voelt het gewoon heel ongemakkelijk, en dan druk ik me nog zachtjes
uit. Illegale visserijactiviteiten worden vastgesteld op basis van de Europese visserijwetgeving.
Er wordt dus op Europees of internationaal niveau besloten wanneer er sprake is van
illegale visserij. Er zijn hierbij duidelijke kaders die wij als Nederland moeten
hanteren om de illegale visserij tegen te gaan en te controleren.
De situatie met Rusland op dit vlak en in dit specifieke dossier is heel complex.
Vermeende illegale activiteiten en sanctiemaatregelen en wat daar wel of niet onder
valt, lopen hier namelijk door elkaar. Er is dus een heel grijs schemergebied in dit
dossier. Dat brengt ongemak met zich mee, omdat meer doen niet altijd effectief is
of ook andere gevolgen kan hebben. Er zijn dus op dit moment meerdere sancties en
andere maatregelen actief die de handel in Russische visserijproducten aan banden
leggen. We hebben een importverbod op het gebied van kaviaar en schelpdieren. Luxeproducten
vallen dus onder de sancties. Russische schepen mogen ook niet in Nederlandse havens
aanmeren. Sinds de periode die wordt beschreven in het artikel van Het Financieele
Dagblad hebben we aanvullende maatregelen getroffen die de visserij hierbij treffen,
ook in het kader van vermeende hybride dreigingen vanuit Rusland op dit vlak, onder
andere rondom de windparken op zee.
Ten aanzien van witvis geldt in verband met de wereldwijde voedselzekerheid geen algeheel
handelsverbod vanuit de Europese Unie. Het kabinet zet zich binnen de EU in voor effectieve
sancties en het tegengaan van de omzeiling van die maatregelen. Uitbreiding van die
sancties kan dus alleen maar in Europees verband worden besloten. We nemen wel ook
de activiteiten van die Russische vaartuigen mee in de risicobeoordeling van de NVWA.
Die producten controleren we ook altijd extra. Maar het blijft gewoon complex, omdat
voedselzekerheid niet onder het sanctieregime valt in Brussel.
De voorzitter:
Dat maakt wat los bij mevrouw Bromet.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Een lang antwoord. Ik had eigenlijk gevraagd om een heldere veroordeling, maar misschien
is dit antwoord een heldere veroordeling.
Staatssecretaris Erkens:
Ik gaf volgens mij aan het begin inderdaad aan dat we elke vorm van illegaliteit hierin
veroordelen. Als dat niet helder genoeg was, doe ik dat bij dezen ook nog in de bewoording
van mevrouw Bromet.
De voorzitter:
Heel goed. Vervolgt u uw betoog.
Staatssecretaris Erkens:
Voorzitter. Dan had het lid Van der Plas vragen over steun voor de vissers. We hebben
ook vernomen dat de helft van de Nederlandse boomkorvissers niet de zee op is gegaan
omdat het niet rendabel is. Ik ga zelf vrijdag ook op bezoek bij een aantal van deze
boomkorvissers, om van hen te horen wat de impact ervan is op hun bedrijf. Het is
begrijpelijk dat deze omstandigheden voor vissers grote zorgen en onzekerheid met
zich meebrengen. Die signalen trekken we ons nadrukkelijk aan. We brengen op dit moment
de situatie in kaart en we bezien wat de impact is op de korte en lange termijn. Er
is nu ook een plenair debat gaande over de kabinetsbrede verkenning, met mogelijke
gerichte steunmaatregelen. Daarbij nemen we uiteraard ook specifiek de maatregelen
voor de visserij mee. Dat zijn wel lastige afwegingen, met name op juridisch vlak,
omdat er natuurlijk heel veel in Europese kaders vastligt. Mevrouw Van der Plas heeft
daarbij wel eerder aangegeven, ook bij de begroting – dat heb ik toegezegd – om dat
maandag en dinsdag in Brussel bespreekbaar te maken, en om aan de hand daarvan in
de terugkoppeling van de Landbouw- en Visserijraad de Kamer daarover te informeren,
zodat u ook over de aangehouden motie een besluit kan nemen.
De heer Chris Jansen (PVV):
Uiteindelijk zijn belastingen en accijnzen een Nederlandse aangelegenheid. Wij kunnen
daar wel degelijk als Nederlandse overheid anders in bewegen, zonder dat Europa ons
op de vingers gaat tikken. Kan de Staatssecretaris daar dan op reflecteren?
Staatssecretaris Erkens:
Veel van het visserijbeleid is vastgelegd op Europees niveau. Er zijn gewoon heel
veel regels op het gebied van staatssteun op dat vlak. Er zijn inderdaad wel manieren
om daar ruimte voor te creëren. Ik zie dit als volgt. Ik moet mijn huiswerk doen richting
Brussel en dat gesprek aangaan met de collega's. Het voelt natuurlijk ook heel wrang
dat wij gaan praten over de energietransitie en verduurzaming terwijl de helft van
de kottervisserij gewoon aan wal ligt.
De heer Chris Jansen (PVV):
Heel kort. Wij gaan toch zelf over accijnzen? Daar gaat de EU toch niet over? Daar
gaan wij over.
Staatssecretaris Erkens:
Nee, op het vlak van visserij is in ieder geval de diesel vrijgesteld. Dat geeft ook
aan dat er niet één oplossing is om verschillende sectoren die geraakt worden door
de hoge energieprijzen te helpen. De routes die er zouden kunnen zijn voor de visserij,
lopen op dit moment grotendeels via Brussel. Vandaar dat ik ook zeg: laat mij dit
gesprek aangaan; dan informeer ik de Kamer over de mogelijkheden die er zouden kunnen
zijn. Ik kan me niet voorstellen dat andere collega's op dit moment niet met hetzelfde
probleem zitten. Ik ga er dus ook niet van uit dat alleen Nederland die vraag zal
stellen in Brussel.
De voorzitter:
Akkoord. Gaat u verder.
Staatssecretaris Erkens:
Voorzitter. Ik ben al ingegaan op de pulskor. Mevrouw Van der Plas had er ook vragen
over. Dat wil ik inderdaad zeker agenderen. Ook gezien de bredere energieprijsvraagstukken
is er aanleiding om dit te agenderen bij de Europese collega's. Het kan namelijk voor
zowel onze vloot als buitenlandse vloten een deel van de oplossing zijn.
Voorzitter. Dan gaan we in op de vraag van de heer Van Duijvenvoorde over makreel.
Die gaf een mooie lofzang op de geschiedenis van de makreel en de scholen en de verplaatsing.
Heel specifiek ging het over een serieus onderwerp, een vraagstuk, namelijk de oneerlijke
verdeling en de omvang van de visserij en de makreelvangst in de Europese Unie. De
vragen gingen over of ik bereid ben om in Brussel in te zetten op bijsturing naar
niet het minst negatieve scenario, conform de andere staten die vissen op makreel,
en op het vasthouden aan het historische aandeel van 23%, zoals hij noemde. De andere
kuststaten hebben inderdaad de totale vangstmogelijkheden in hun akkoord hoger vastgesteld
dan het niveau waarop de zogeheten TAC, Total Allowable Catch, van de EU was gebaseerd.
Hierdoor was er geen gelijk speelveld meer voor onze rederijen.
Er ligt nu een voorstel op tafel, ook vanuit Europa, waarmee de EU zich aansluit bij
die TAC-hoogte van de andere kuststaten. Dat is onder andere ook op verzoek van Nederland
gebeurd. Dat is ook heel recent. Bij dezen. Daarmee steunen we dus ook het voorstel
voor een gelijk speelveld. Tegelijkertijd blijf ik het wel van belang vinden dat de
Commissie blijft inzetten op een alomvattend akkoord met die kuststaten, waarbij ook
afspraken over die verdeelsleutel gemaakt kunnen worden. Het historische aandeel in
het bestand zal daarbij voor mij ook centraal staan.
Tijdens de aankomende Landbouw- en Visserijraad zal ik dus ook aandacht vragen voor
de situatie van de makreel specifiek. Dit speelt bij een aantal andere lidstaten ook
heel duidelijk. Daarbij wil ik het volgende ook benadrukken. We hebben het eerder
gehad over de rol van de Russische vloot hierin. Een van de redenen waarom het slecht
gaat met de makreelstand is inderdaad dat Rusland hierin ver boven zijn aandeel gaat.
Ook dat zal ik agenderen in Brussel, om te kijken of daar stappen op mogelijk zijn,
in het belang van onze visserij en dat van de andere kuststaten die hierdoor getroffen
worden.
Voorzitter. Dan is dit mijn mapje overig. Ik denk dat dat vrij snel gaat, maar het
lid Kostić heeft nog interrupties en dierenwelzijn zit in dit kopje, dus ik laat het
aan u, voorzitter.
De voorzitter:
Ik maak even van de gelegenheid gebruik om te zeggen dat we echt tot maximaal 17.00
uur hebben. Dat betekent dus dat ik enige discipline van u allen verwacht.
Staatssecretaris Erkens:
Ik zal proberen het bondig te houden, voorzitter. Ik praat gewoon maar heel snel om
voor u binnen de tijd te blijven dit debat.
De heer Lohman vroeg: hoe gaat de Minister in de Raad sturen op een eiwitstrategie
die onze afhankelijkheid van import vermindert en niet alleen inzet op teelt maar
ook op industriële innovatie en consumptie? De Europese Commissie is voornemens om
later dit jaar met een voorstel te komen voor de Europese eiwitstrategie. Dat voorstel
gaan we nog beoordelen. We zullen de Kamer informeren over onze inzet hierop, maar
mijn inzet zou in den brede inderdaad zijn zoals de heer Lohman voorstelt.
De heer Lohman (CDA):
Kan ik daaruit opmaken dat het gaat over een aparte Europese eiwitstrategie, die dus
samenhangend is en waarbij al die dingen worden meegenomen in plaats van dat ze worden
opgeknipt in stukjes? Daar gaat u voor pleiten?
Staatssecretaris Erkens:
Ik zal daarvoor pleiten zodra de Europese eiwitstrategie eraan komt. Er komt dus een
nieuwe Europese eiwitstrategie, waarbij ik ervan uitga dat die in den brede zal zijn.
Zo niet, dan zal de Nederlandse inzet nog meegenomen kunnen worden.
Voorzitter. Dan de positie van de Raad inzake de vleesbenamingen, waar net ook een
leuk debat over gaande was. De stemming in de Raad over de wijzigingsverordening gemeenschappelijke
marktordening heeft afgelopen maandag al plaatsgevonden. Onderdeel daarvan zijn de
nieuwe regels over vleesbenamingen. Een gekwalificeerde meerderheid van de Raad heeft
dus al steun uitgesproken voor deze wijziging, waarmee die is aangenomen. Anderzijds
dient het Parlement de uitkomst van de triloog nog te bevestigen. Zoals in de geannoteerde
agenda staat, heb ik aangegeven dat Nederland tegen heeft gestemd, omdat wij geen
toegevoegde waarde zien in het stellen van regels over welk woord gebruikt mag worden.
Consumentenonderzoek toont ook aan dat consumenten hiervan niet in de war raken.
Voorzitter. Dan hebben we nog het verbod op bont. Dat was een punt van het lid Kostić.
Ja, we blijven ons inzetten voor een verbod op de productie en verkoop van bont van
pelsdieren. We zijn nog in afwachting van de reactie van de Commissie hierop. Ik hoop
dat de Commissie ook overgaat tot een verbod, want de tijd is er Europees echt rijp
voor. Veel lidstaten hebben er inderdaad al een verbod op, dus het is goed om dat
Europees te kunnen doen. Daarbij ben ik ook bereid om het in mijn gesprek met de Eurocommissaris
op te brengen. Ik wil nog een kleine slag om de arm houden over of ik de route van
Oostenrijk hierin steun, omdat dat een route is die mogelijk behoorlijk zwaar is om
in te zetten. Aangezien we net een discussie met elkaar gehad hebben over dat Brussel
geven en nemen is en dat relaties van belang zijn, hoop ik dat het lid Kostić mij
de ruimte wil geven om daar ook de wegingen te maken, omdat we als Nederland natuurlijk
een heel wensenlijstje hebben op dierenwelzijn. Ik wil de inschatting kunnen maken
of ik het hierop wil inzetten of dat ik het bilateraal met de Commissaris bespreekbaar
maak in mijn gesprek volgende week. Ik ga het hoe dan ook agenderen.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik snap wat de Staatssecretaris bedoelt. Je kunt het ook zien als een soort escalatieladder
voor als de Eurocommissaris niet meebeweegt. Hij staat niet bepaald bekend als een
groot dierenwelzijnsvoorstander, dus ik verwacht daar een stevig verhaal van de Staatssecretaris.
Ik wil wel dat de Staatssecretaris echt goed kijkt naar deze optie van Oostenrijk,
want 1,5 miljoen Europeanen hebben getekend voor een bontverbod in Europa. Hier wachten
we al jarenlang op. Europa laat te lang op zich wachten bij dierenwelzijnsvraagstukken,
dus ik zou zeggen: zet stevig in en ga mee met Oostenrijk als de Eurocommissaris niet
beweegt.
Staatssecretaris Erkens:
Ik ben ertoe bereid daar serieus naar te kijken. Ik hield net die slag om de arm omdat
we onder andere ook zitten met die Transportverordening, de verlaging van de maximumtemperaturen
voor transport en een aantal andere zaken die op de korte termijn ook zullen spelen.
Ik wil dus even de weging maken wat we op dat vlak als Nederland zo snel mogelijk
binnen kunnen krijgen en daar de inzet op richten. Maar het verbod op bont steunen
wij sowieso. Daar zullen we ons voor inzetten en dat zal ik volgende week ook meenemen
in Brussel.
Voorzitter. Ik heb nog de laatste vraag. Die stelt: is de Staatssecretaris bereid
zich actief in te zetten voor een einde aan de kleine kooien voor kippen en zijn inzet
zo snel mogelijk per brief terug te koppelen? In het kader van dierwaardige veehouderij
is onze inzet inderdaad gericht op het uitfaseren van die kooihuisvesting voor kippen.
Rond de zomer gaat inderdaad de AMvB in voorhang. We steunen vanuit Nederland dan
ook het End the Cage Age-initiatief. We zullen dit ook onderschrijven en inbrengen
vanuit Nederland in reactie op de publieke consultatie van de Europese Commissie van
eind afgelopen jaar. Wij gaan in Nederland sowieso naar uitfasering, via de AMvB.
Tegelijkertijd betekent dat dat als Europa daar ook op inzet, we zowel iets doen voor
dierenwelzijn als voor het gelijke speelveld van onze eigen pluimveehouders.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dat is heel goed om te horen. Zou de Staatssecretaris ook per brief actief willen
terugkoppelen over de inzet als hij naar Europa is gegaan? Hetzelfde geldt eigenlijk
als het gaat over bont. Ik ben heel benieuwd naar de resultaten van het gesprek met
de Eurocommissaris. Daar wil ik graag zo kort mogelijk na het gesprek een actieve
terugkoppeling over.
Staatssecretaris Erkens:
Dat lijkt me logisch.
De voorzitter:
Wat is voor de Staatssecretaris dan «zo kort mogelijk na het gesprek»?
Staatssecretaris Erkens:
Zodra we de terugkoppeling van de LVR naar de Kamer sturen. Dat is meestal vrij recent
en snel na het debat.
De voorzitter:
Mooi zo. Dan dank ik de Minister en de Staatssecretaris voor de beantwoording in eerste
termijn. O, u heeft nog een vraag van mevrouw Bromet.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, ik heb een punt van orde. We hebben nog een kwartier. Ik zou eigenlijk
willen voorstellen dat we een tweeminutendebat inplannen en de tweede termijn nu laten
zitten, als mijn collega's dat ook willen. Ik vind het best als de heer Lohman dan
de eerste spreker is. De antwoorden die we nog verwacht hadden in de tweede termijn
zouden we dan schriftelijk kunnen krijgen.
De voorzitter:
U bent mij net voor, want ik wilde net inventariseren wie van u behoefte heeft aan
een korte tweede termijn.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Deze opmerking had ik eigenlijk bewaard voor de tweede termijn. Ik wil nog één vraag
stellen over de Omnibus. De Staatssecretaris zou die eigenlijk nog beantwoorden. In
het begin had ik gevraagd hoe de Staatssecretaris toetst dat die Omnibus geen schade
aanricht aan natuur, milieu en gezondheid. Daar heb ik nog geen antwoord op gekregen.
Staatssecretaris Erkens:
Dat is omdat we nog de schriftelijke beantwoording gaan sturen over het Omnibusvoorstel
en we er daar vrij gedetailleerd op ingaan. Mijn voorstel zou zijn dat ik u daarop
in die korte schriftelijke beantwoording op hoofdlijnen een antwoord stuur, en dat
we daar in de schriftelijke beantwoording van het schriftelijk overleg uitgebreider
op terugkomen. Daar kom ik dus in tweevoud op terug.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Ik wil het voorstel van collega Bromet graag ondersteunen, maar ik heb een vraag gesteld
over het Ocean Pact. Daar heb ik nog geen antwoord op gekregen. Misschien heeft de
Staatssecretaris dat antwoord nog liggen; anders kan hij daar wellicht nog even schriftelijk
op terugkomen.
De voorzitter:
Is dat zo? Kunt u dat direct doen?
Staatssecretaris Erkens:
Dat kan ik direct doen. Het Ocean Pact staat nu niet op de agenda van de Landbouw-
en Visserijraad. Dat ligt bij de collega van IenW, dus we voorzien geen discussie
daarover op dit moment.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik heb nog een onbeantwoorde vraag aan de Minister. Mijn vraag was: kan de Minister
vóór de eerstvolgende Landbouw- en Visserijraad een diversenpunt aandragen over onze
Europese afhankelijkheid van kunstmest door de afgedwongen beperking van het gebruik
van dierlijke mest? Die vraag is volgens mij nog niet beantwoord.
De voorzitter:
Ik kijk tijdens dit geïmproviseerde veegrondje nog even naar de Minister om te zien
of hij daar nu antwoord op kan geven of dat dat op een later moment komt.
Minister Van Essen:
Daar kom ik nog even op terug. Ik wil even van de gelegenheid gebruikmaken om iets
te zeggen over de Omnibusvoorstellen. Wij hebben in het schriftelijk overleg voor
de Milieuraad aangegeven dat we niet wensen dat Omnibusvoorstellen op het gebied van
milieu, gezondheid en dergelijke verslechteringen inhouden. Op het moment dat u daarop
een standpunt wil waar ook LVVN bij betrokken is geweest, kunt u kijken naar de schriftelijke
antwoorden op de vragen over de recente Milieuraad.
De voorzitter:
Dat is een tip. Als laatste ga ik nog even naar het lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Wij lezen uiteraard heel goed de stukken. Het probleem is dat er niet wordt getoetst.
Je wil misschien willen dat het geen schade aanricht, maar bij ons weten wil Europa
daar geen toets op doen. Dus hoe gaat Nederland ervoor zorgen dat er daadwerkelijk
geen schade wordt aangericht door het Omnibusvoorstel? Alle seinen staan nu de verkeerde
richting op volgens de experts.
De voorzitter:
Met die vraag gaan we straks richting een tweeminutendebat. Volgens mij kunnen we
die conclusie trekken. Ik zag mevrouw Bromet daar als eerste het initiatief toe nemen
en ...
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, volgens mij is het de gewoonte dat de eerste spreker dat aanvraagt. Als
dat de heer Lohman is, vind ik dat prima.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de heer Lohman om te zien of hij inderdaad behoefte heeft aan een
tweeminutendebat. No pressure!
De heer Lohman (CDA):
Ik word opgevoed. Maar ik wil inderdaad graag een tweeminutendebat aanvragen.
De voorzitter:
Hartstikke goed. Dat betekent dat wij een tweeminutendebat gaan inplannen. Het tweeminutendebat
wordt morgen gehouden, hoor ik. Wat wilt u nog meer? U kunt dus morgen gezellig met
elkaar verder in gesprek.
Voordat wij dit debat afsluiten, loop ik nog even de toezeggingen langs.
− De Minister van LVVN zal zich verdiepen in het besluit inzake de 1,2% bodembescherming.
Dat volgt uit het Noordzeeakkoord. Hij zal de Kamer voor het commissiedebat Visserij
informeren of hij zich hierin kan vinden. Dat is een toezegging aan mevrouw Bromet
van GroenLinks-PvdA.
− De Kamer zal in de brief over het convenant gewasbeschermingsmiddelen, dat voor de
zomer aan de Kamer wordt gestuurd, terugkomen op het onderwerp «drift» en ingaan op
eventuele oplossingsrichtingen voor biologische boeren. Dat is een toezegging aan
het lid Kostić.
− De Staatssecretaris van LVVN zal in de brief die voor het commissiedebat Visserij
aan de Kamer wordt gestuurd, ingaan op overbevissing, signalen van de NVWA over fraude
in de sector, naleving, viscontroles en de inzet op natuur- en vissenwelzijn in relatie
tot andere belangen.
Dat is bijna een hele brief!
− De Staatssecretaris van LVVN zal de Kamer bij het verslag van de LVR informeren over
het gesprek met de Eurocommissaris.
Dat zijn de toezeggingen die ik heb opgeschreven. Mevrouw Kostić mist nog iets.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik zou dat laatste specifieker willen toespitsen met: «het gesprek met de Eurocommissaris
voor Dierenwelzijn over het verbod op bont en de kooi.»
De voorzitter:
Dat wordt toegevoegd en dat scheelt dan alweer. Hartstikke goed. Ik dank u allen voor
het goede gesprek en ik dank in het bijzonder de bewindspersonen voor hun aanwezigheid
en de beantwoording. Ik wens u verder een hele fijne middag en avond.
Sluiting 16.51 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
H.S. Steen, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
R.F. van Meetelen, voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken -
Mede ondertekenaar
R.P. Jansma, griffier