Verslag van een wetgevingsoverleg : Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 2 februari 2026, over water
36 800 J Vaststelling van de begrotingsstaat van het Deltafonds voor het jaar 2026
Nr. 27
VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Vastgesteld 26 maart 2026
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft op 2 februari 2026 overleg
gevoerd met de heer Tieman, Minister van Infrastructuur en Waterstaat, over:
− het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaat van het Deltafonds voor het jaar
2026 (Kamerstuk 36 800-J);
− de brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 19 september 2025 inzake
negende voortgangsrapportage Noordzeeoverleg (Kamerstuk 33 450, nr. 135);
− de brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 16 september 2025 inzake
kabinetsreactie op het Deltaprogramma 2026 (Kamerstuk 36 800-J, nr. 3);
− de brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 30 oktober 2025 inzake
wateroverlast door grootschalige extreme regen (Kamerstuk 27 625, nr. 721);
− de brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 13 oktober 2025 inzake
28ste voortgangsrapportage Tweede Hoogwaterbeschermingsprogramma (Kamerstuk 32 698, nr. 93);
− de brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 13 november 2025 inzake
heruitgave rapport Ruimte voor zeespiegelstijging (Kamerstuk 36 800-J, nr. 5);
− de brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 10 december 2025 inzake
rapport «Drinkwaterkwaliteit 2024» en beoordeling bedrijfsverslagen drinkwaterbedrijven
2024 (Kamerstuk 27 625, nr. 729);
− de brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 8 januari 2026 inzake
zesde voortgangsrapportage pfas Zeeland (Kamerstuk 35 334, nr. 423);
− de brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 22 december 2025 inzake
uitkomsten van het traject naar aanleiding van de motie van het lid Hagen over juridische
mogelijkheden om pfas-schade in de Westerschelde te verhalen op 3M (Kamerstuk 30 175, nr. 402) (Kamerstuk 35 334, nr. 422);
− de brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 19 december 2025 inzake
rapport Mariene Strategie (deel 1) over beoordeling Noordzee, goede milieutoestand
en milieudoelen (Kamerstuk 33 450, nr. 137);
− de brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 8 januari 2026 inzake
tiende voortgangsrapportage Noordzeeoverleg (Kamerstuk 33 450, nr. 138);
− de brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 23 januari 2026 inzake
rapport «Onveiligheid door extreme regen» van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV)
(Kamerstuk 27 625, nr. 734);
− de brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 23 januari 2026 inzake
beantwoording vragen commissie over de kabinetsreactie op het Deltaprogramma 2026
(Kamerstuk 36 800-J, nr. 3) (Kamerstuk 36 800-J, nr. 7);
− de brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 23 januari 2026 inzake
toezegging gedaan tijdens het commissiedebat Water van 24 september 2025, over officiële
zwemwaterlocaties (Kamerstuk 27 625, nr. 733);
− de brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 27 januari 2026 inzake
stand van zaken op verschillende onderwerpen binnen het waterveiligheidsdomein (Kamerstuk
32 698, nr. 94);
− de brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 26 januari 2026 inzake
reactie op verzoek commissie over ambtelijke adviezen en stukken die gebruikt zijn
in de voorbereiding van en besluitvorming over het achtste actieprogramma Nitraatrichtlijn
(Kamerstuk 33 037, nr. 638);
− de brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 27 januari 2026 inzake
stand van zaken en ontwikkelingen die betrekking hebben op het waterdomein (Kamerstuk
27 625, nr. 735).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de commissie, Huizenga
De griffier van de commissie, Schukkink
Voorzitter: Bromet
Griffier: Meedendorp
Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Boelsma-Hoekstra, Bromet, Grinwis, Heutink,
Kostić, Van der Plas, Schutz en Vellinga-Beemsterboer,
en de heer Tieman, Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Aanvang 10.00 uur.
De voorzitter:
Dames en heren. Het is 10.00 uur, dus we gaan stipt op tijd beginnen. Dit is het wetgevingsoverleg
Water van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat. Ik heet de Minister
van Infrastructuur en Waterstaat, de heer Tieman, en zijn ondersteuning van harte
welkom in dit debat, evenals de woordvoerders. Misschien komen er zo meteen nog een
paar binnendruppelen. We hebben tot 17.00 uur in de planning staan voor dit wetgevingsoverleg,
maar wellicht kan het wat sneller. Dat gaan we zien. Ik ben zelf ook woordvoerder
en zal helemaal aan het eind namens GroenLinks-PvdA het woord voeren, want er was
geen andere voorzitter beschikbaar.
Ik wil voorstellen om de interrupties als volgt te doen: vier losse interrupties.
Als een interruptie langer duurt dan 30 seconden, wil ik ’m graag rekenen voor twee,
maar duurt die korter dan 30 seconden, dan is die gratis. Dat verlevendigt het debat
en ging in de andere commissies waar ik de afgelopen weken voorgezeten heb, hartstikke
goed. Het dwingt de Kamerleden om korte vragen te stellen, maar dan kun je ook wel
een heleboel vragen.
We houden de sprekersvolgorde van de begroting aan, dus dat gaat op grootte, omdat
we op dit moment geen oppositie en coalitie hebben. De heer Grinwis zit vooraan en
de ChristenUnie is helemaal niet de grootste partij ...
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Nog niet!
De voorzitter:
... maar hij heeft een bruiloft vanmiddag en dat is natuurlijk ook hartstikke belangrijk.
Hij heeft het verzoek gedaan, en dat wil ik even aan de commissie voorleggen, om als
eerste te mogen spreken, zodat hij daarna kan afreizen naar het feest.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Ik wens de heer Grinwis heel erg veel plezier en natuurlijk mag hij als eerste.
De voorzitter:
Namens ons allemaal. Maar nu eerst het belangrijke: water en ons land. De heer Grinwis
heeft het woord.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank, en ook dank aan mijn collega’s. Ik denk dat ik ’m rond elf uur peer.
Ik beluister dus nog wel een paar bijdrages, maar niet allemaal.
Water: dat gaat over een existentiële materie. Het is mooi om daar vandaag bij stil
te staan, zeker de dag na gisteren, de herdenking van de Watersnoodramp. «Van na de
ramp blijven» staat eigenlijk centraal op zo’n dag, en dat is geen vanzelfsprekendheid.
Gisteren stond men in tal van plaatsen in het zuidwesten van ons land, bijvoorbeeld
in Ouwerkerk en Oude-Tonge, stil bij de Watersnoodramp van 1953. «Van na de ramp blijven»
is de missie waarmee we in 2010 het Deltaprogramma hebben opgestart: een volgende
watersnoodramp voor blijven, anders gezegd.
2026 is een belangrijk jaar in deze missie, want dit jaar herijken we, heractualiseren
en concretiseren we in het Deltaprogramma de deltabeslissingen uit 2014. Ik hoop op
beslissingen met visie en lef, bijvoorbeeld als het gaat om Rijnmond-Drechtsteden,
in samenhang met de komst van de Derde Maasvlakte en Delta21. Op welke wijze wordt
de Kamer daarin meegenomen, is mijn vraag. Is het niet een idee om dit voorjaar met
de deltacommissaris en de nieuwe bewindspersoon op werkbezoek te gaan als commissie,
om ons goed te prepareren op deze beslissingen? Dat is eigenlijk meer een procedurevoorstel
dan een vraag.
Deze herijking zal leiden tot ruimtelijke keuzes en nieuwe noodzakelijke investeringen,
terwijl er nu al in het Deltafonds te weinig middelen zijn voor de uitvoering van
het Deltaprogramma tot en met 2039 en dus ook geëxtrapoleerd tot 2050. In dit kader
biedt de budgettaire bijlage bij het coalitieakkoord ook weinig hoop. Sowieso is er
veel te weinig uitgetrokken voor infrastructuur om geloofwaardig de bestaande opgaven
op te kunnen pakken, maar ook binnen de wel uitgetrokken middelen heb ik geen euro
kunnen ontdekken voor urgente projecten zoals de vervanging van het gemaal IJmuiden
à 1,2 miljard en de spuimiddelen in de Afsluitduik.
Hoort het gemaal IJmuiden bij de prioritaire infrastructuurprojecten waar geld voor
is uitgetrokken? Maar waarom wordt Zuidasdok dan wel genoemd en IJmuiden niet? Of
gaat het deel van de structurele plak voor beheer en onderhoud, bijvoorbeeld 100 à
200 miljoen per jaar, naar het Deltafonds? Wat is, gelezen de budgettaire bijlage
bij het coalitieakkoord, volgens de Minister een verstandige verdeling? Gegeven de
daarin aangegeven budgettaire kaders lijkt die verdeling namelijk nog open te liggen.
Voorzitter. Soms ben ik bang dat we op het gebied van waterveiligheid te zelfgenoegzaam
zijn geworden. Zo duurt de uitvoering van projecten uit het Hoogwaterbeschermingsprogramma,
HWBP, te lang. Vorig jaar diende ik daarover een motie in, Kamerstuk 27 625, nr. 711. Ik lees in de brief van vorige week dat er met de herijking invulling is gegeven
aan deze motie, maar is dat echt zo? Ik las niets over de in de motie gevraagde verkenning
om de doorlooptijd van projecten te verkorten. Op welke wijze zijn bijvoorbeeld de
waterbouwers betrokken bij de beschreven herijking? Is het niet te veel een intern
proces geweest? Is in de herijking inhoudelijk het principe «scherp beoordelen, robuust
versterken» voldoende verankerd? Deskundigen hebben er terecht op gewezen dat er op
dit moment niet scherp beoordeeld wordt en dat daarvoor wijzigingen nodig zijn in
de manier van werken bij het HWBP. Wil de Minister hierop ingaan?
Voorzitter. Ruimte voor de Rivier 2.0 gaat erg veel over de rivier, maar weinig over
ruimte. Zo komt het in ieder geval op mij over. Is er al zicht op concrete ruimtelijke
projecten met dijkverleggingen? Zo ja, welke? En over hoeveel kilometer dijkverlegging
hebben we het dan? Welke bypasses, zoals het Reevediep bij Kampen, kunnen we tegemoetzien?
Welke plekken langs onze grote rivieren lenen zich daar goed voor volgens deze Minister?
Voorzitter. Zoetwater en woningbouw. Hoe staat het eigenlijk met de uitvoering van
de motie-Grinwis/Peter de Groot (36 600-J, nr. 23)? In vervolg op deze motie is het project Waterfront bij Lelystad weer losgetrokken,
maar geldt dat inmiddels ook voor Nieuw Monnickendam? De ambtsvoorganger van deze
Minister zou daarmee aan de slag gaan, ook al hadden zijn ambtelijke adviseurs daar
niet zo heel veel zin in. Hoe het ook zij, de Kamer staat erop. De vaak ingebrachte
zoetwatertegenargumenten zijn zo marginaal dat ze nauwelijks serieus te nemen zijn.
Waar de zoetwaterzorgen wél veel serieuzer genomen moeten worden dan nu gebeurt, is
in het zuidwesten des lands. Hoe staat het met het overleg met de provincies Zeeland
en Zuid-Holland en met de gemeenten Schouwen-Duiveland en Goeree-Overflakkee over
de toekomst van het Grevelingenmeer? Liggen beide opties op tafel bij de Minister,
namelijk zowel een tweede doorlaatmiddel in de Brouwersdam als een verzoeting van
het Grevelingenmeer? Hoe en met wie wil IenW de afweging gaan maken? Vooralsnog zie
ik overigens nog geen geld in het Deltafonds, voor welke optie dan ook. Deelt de Minister
die constatering?
Dan kom ik bij drinkwater. Ik constateer dat de Minister in reactie op de KRW-inbreukprocedure
overweegt om onttrekkingsvergunningen periodiek te gaan herzien, terwijl er in de
komende paar jaar juist 100 miljoen kubieke meter extra te vergunnen capaciteit nodig
is voor drinkwaterbedrijven. Is dat nou wel zo verstandig zolang we een achterstand
hebben in de beschikbaarheid van drinkwaterbronnen? Als de Minister dit voornemen
zou doorzetten, kwalificeren onttrekkingsvergunningen zich dan als zaak c.q. als dwingende
reden van groot openbaar belang? Wat kan de Minister op dit punt toezeggen om onze
zorgen weg te nemen? Drinkwaterbedrijven moeten kunnen blijven investeren. Daartoe
wordt de WACC – dat is een financiële term – enigszins verruimd. Deze verruiming tot
en met 2027 is echter nog geen structurele oplossing. Welke structurele oplossing
stelt de Minister voor?
Naast zorgen voor meer drinkwaterbronnen, hebben we ook gewoon zuiniger om te gaan
met drinkwater. Hoe staat het in dit kader met de uitvoering van de aangenomen motie-Grinwis/Stoffer
(27 625, nr. 677)? Wanneer wordt het Drinkwaterbesluit aangepast? Wordt de Kamer daarover geïnformeerd?
Graag een toezegging op dit punt. Nu extrapoleert de Minister wel heel makkelijk de
aanbeveling van het RIVM om het Bouwbesluit niet aan te passen naar het dan ook maar
niet aanpassen van het Drinkwaterbesluit. Dat betekent dat de Minister het risicomijdende
advies van het RIVM ook nog eens risicomijdend interpreteert. Dat vind ik echt te
makkelijk en onwenselijk.
Voorzitter. Ik beschouw de motie-Grinwis/Stoffer dan ook niet als afgedaan. Misschien
wil de griffier daar een notitie van maken, want de Minister ziet de motie wél als
afgedaan, schrijft hij in zijn brief. In de motie vragen wij echter om aanpassing
van het Drinkwaterbesluit. Dat kan prima, gelezen het advies van het RIVM. De Minister
heeft dat dus gewoon te doen, wat mij betreft. Ik krijg graag de toezegging dat hij
zijn afdoening heroverweegt en het Drinkwaterbesluit alsnog aanpast. Wat in Vlaanderen
kan, kan hier ook. Ik word zo langzamerhand gallisch van formuleringen als «het kan
niet uitgesloten worden dat», zoals ik nu ook weer tegenkwam in de RIVM-verkenning.
Als dat de interpretatie wordt van het voorzorgsprincipe, kunnen we beter stoppen
met ademhalen. Voor je het weet, adem je iets onwelgevalligs in. Ik zou de Minister
willen zeggen: het kan wél. Verder herhaal ik de steun van de ChristenUnie voor een
nationaal lozingsverbod voor pfas.
Voorzitter. Dan kom ik bij mijn laatste onderwerp: waterkwaliteit. Veel collega’s
gaan daar volgens mij een veel groter deel van hun bijdrage aan besteden, vandaar
dat ik de afweging heb durven maken om daar aan het eind pas wat over te zeggen. Ik
heb het met name over het opgeschorte achtste actieprogramma Nitraatrichtlijn. Hoe
staat het met de uitvoering van de volgende onderdelen uit het dictum van de motie
(33 037, nr. 631) die ik hierover ingediend heb? In de motie verzoek ik de regering namelijk onderwijl
in overleg te gaan met de waterschappen over een heldere en voor ieder navolgbare
aanwijzing van de aandachtsgebieden. Ook verzoek ik in de motie de regering conform
de motie-Vedder c.s. de ingroei naar doelsturing, zoals beschreven in het concept-achtste
actieprogramma, onverdroten voort te zetten, zodat er geen tijd verloren gaat en agrariërs,
onder andere in de aandachtsgebieden, komend jaar op perceelniveau het stikstofbodemoverschot
kunnen gaan meten. Welke acties zijn er reeds uitgevoerd? Welke acties moeten er nog
ondernomen worden om de aanpassing van de aandachtsgebieden en de gevraagde doelsturing
in het najaar door te voeren? Ik vraag daarnaar bij deze Minister omdat ik weet dat
hij en zijn ambtenaren weliswaar echt knokken voor onze waterkwaliteit, maar dat ze
ook wel een beetje dwarslagen bij doelsturing. Ze vonden de positieve consequentie
van doelsturing, namelijk het toekennen van een hogere gebruiksnorm als de situatie
in het grondwater goed is, niet passen bij het verslechteringsverbod. Dat is toch
wel een wat bizarre interpretatie, vind ik. De Kamer vindt dat ook, in ruime meerderheid.
Graag een geruststellende reactie.
Wat is in het kader van het achtste actieprogramma Nitraatrichtlijn de reactie van
het kabinet op de brief van Eurocommissaris Roswall? Zij acht aanscherpingen nodig.
Welke aanscherpingen heeft de Minister voor ogen? Met deze vraag besluit ik mijn eerste
en enige termijn in dit WGO.
De voorzitter:
Dank u wel. U blijft nog heel even om te luisteren naar de inbreng van ... O, u heeft
een interruptie van de heer Heutink.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Als de heer Grinwis over de KRW begint, ben ik wel heel benieuwd wat voor advies hij
aan de Minister heeft om te voorkomen dat Nederland op een waterslot terecht gaat
komen, natuurlijk naast het uitvoeren van de plannen om de kwaliteit van drinkwater
te verbeteren.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Daar heb ik niet gelijk een heel sluitend antwoord op. Ik denk dat het goed is om
onderscheid te maken tussen wat wij in Nederland aan vervuilende stoffen toevoegen
en wat meer natuurlijk in het systeem zit via onze buurlanden dan wel qua nalevering
uit de bodem. Denk aan naleverende fosfaatbodems en zoute kwel. Ook vind ik het verstandig
om beter te meten. Ik bedoel dat je niet alleen het uitlaatwater dat je als waterschap
hebt ingelaten, meet, maar ook het inlaatwater. Dan stapel je niet ongemerkt opgaven
bij bepaalde actoren, zoals boeren, terwijl die opgaven er niet horen te zijn. Als
je dat beter voor elkaar gaat boksen en beter onderscheid gaat maken tussen beïnvloedbare
en niet-beïnvloedbare zaken, denk ik dat je een sterkere casus opbouwt. Op de beïnvloedbare
zaken moet je dan namelijk echt gaan leveren. Dan kun je naar Brussel, ook al geldt
het «one out, all out»-principe, waar we allemaal, of in ieder geval veel van ons,
onze bedenkingen bij hebben. Dan moet je echt een goed verhaal hebben. Nu is het wat
diffuus, omdat niet helder is of we genoeg doen qua beïnvloedbare zaken en omdat we
straks misschien afgerekend worden op iets wat we niet hebben gedaan aan niet-beïnvloedbare
zaken. Dit is een beetje een technisch antwoord, maar hierin zit volgens mij de basis
om uit de klem te komen.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Het probleem daarbij is dat we nog maar een jaar hebben. Meneer Grinwis heeft gelijk
als het gaat over het meten, maar moeten we niet ook een noodscenario voorbereiden
voor het geval we tegen de muur aan het botsen zijn? Alles lijkt er nu op dat we tegen
die muur gaan aanbotsen als het gaat om de afrekening van de Europese Commissie.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Volgens mij zijn we al vanaf 2005 bezig met de implementatie van de Kaderrichtlijn
Water. Ik mag er toch van uitgaan dat er op het ministerie en bij de waterschappen
veel scenario’s klaarliggen voor het geval dat het allemaal wat minder goed wordt.
Maar we horen graag de reactie van de Minister. We gaan ons toch niet zo laten verrassen
als in 2019, met stikstof, lijkt mij. We zijn toen verrast door de Raad van State.
Als dat wel het geval is, hebben we collectief zitten slapen.
De voorzitter:
Dat leidt tot een interruptie van mevrouw Van der Plas van de BBB.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik heb een korte vraag aan de heer Grinwis. Vindt hij dat er versoepelingen zouden
moeten komen voor gebieden waarin het beter gaat met de waterkwaliteit of de waterkwaliteit
op orde is?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ja, daar ben ik het in principe mee eens. Ik vind dat het met name via de band van
doelsturing zal moeten gebeuren. Generiek kun je zeggen: in gebieden waarin het beter
gaat met het water kun je ruimere gebruiksnormen toepassen. Maar je hebt ook gebieden
waar dat niet op gebiedsniveau is vast te stellen, zoals aandachtsgebieden. Ik vind
dat je als agrariër op basis van het stikstofoverschot in je bodem, nadat er geoogst
is, via doelsturing concreet moet kunnen aantonen hoe het ervoor staat met die bodem
en dat er bijna geen risico is dat er iets uitspoelt en afspoelt. Dan mag er ook een
hogere gebruiksnorm gaan gelden. Ik denk dus dat dit vooral via de band van doelsturing
zal moeten gebeuren. Daar maakte ik een opmerking over. Daarbij vind ik het tegenargument
van een verslechteringsverbod een onjuiste interpretatie van het verslechteringsverbod.
Dat zou ik echt zeer onwelgevallig vinden, want dan kunnen we niks meer. In generieke
zin kun je iets ruimer zijn waar het beter gaat in ons land. Tegelijkertijd vind ik
wel dat we moeten oppassen dat we niet onze milieugebruiksruimte iedere keer maximaal
tegen de rand gaan opvullen. We moeten er wel over nadenken dat we dat op een robuuste
en volhoudbare wijze doen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Het achtste actieprogramma gaf die mogelijkheid natuurlijk, maar dankzij een motie
van de heer Grinwis is het achtste actieprogramma aan het volgende kabinet gelaten.
Over het volgende kabinet gesproken: ziet de heer Grinwis met dit nieuwe kabinet mogelijkheden
voor de toekomst van de boeren, dus dat ze inderdaad versoepelingen krijgen? Hoe optimistisch
is hij daarover?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Even een correctie: het is niet door mijn motie dat het achtste actieprogramma er
niet is. Mevrouw Van der Plas weet als geen ander dat men er in het kabinet van z’n
lang zal ze levensdagen niet uit was gekomen, voor de kerst niet en na de kerst niet.
Het achtste actieprogramma zou sowieso, met of zonder motie, nu niet zijn ingevoerd.
Dat even ter heel duidelijke correctie.
Het is maar goed dat mijn motie er ligt, omdat die niet alleen een nee-boodschap gaf,
maar ook een ja-boodschap, namelijk: word het eens over de duiding van de data die
onder de actualisatie van de aandachtsgebieden ligt. En ten tweede: ga onverdroten
voort met doelsturing, omdat juist dat van belang is voor agrariërs die aantoonbaar
schoon werken en nu worden afgestraft voor vervuiling die zij niet veroorzaken. Dat
staat in de motie. Die is heel breed gesteund, van links tot rechts. Waarom zou ik
dan op voorhand de nieuwe bewindspersonen gaan wantrouwen dat ze daar niks mee zouden
doen?
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik doelde eigenlijk op het coalitieakkoord dat er nu is gekomen. Ik vroeg me af hoe
de ChristenUnie daarnaar kijkt als het gaat om eventuele versoepelingen voor boeren
als bijvoorbeeld de waterkwaliteit op orde is of als het op andere manieren goed gaat.
Of voorziet de heer Grinwis dat straks alles juist nog strenger wordt en er nooit
meer een versoepeling kan komen?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dank voor deze vraag. Dat is een beetje koffiedik kijken. Ik snap de zorg die ik in
de vraag van mevrouw Van der Plas hoor doorklinken. Ik vind het een vrij technocratisch
stuk, zoals het is opgeschreven in het coalitieakkoord. Het nadeel van technocratische
zinnen is dat je ze heel terughoudend kunt interpreteren. Daarom noemde ik bewust
het voorbeeld van doelsturing. Daar is een strijd tussen, laten we zeggen, ambtelijk
IenW en ambtelijk LVVN. Je kunt met deze tekst uit het coalitieakkoord twee kanten
uit. Ik zal er in ieder geval voor waken dat de politieke uitspraak die we hier als
Kamer hebben gedaan over doelsturing wordt uitgevoerd. Dat betekent dus dat je je
niet moet opsluiten in dogma’s die in de praktijk niet werken. Tegelijkertijd wil
ik voorkomen dat je vanuit een soort van wantrouwen elke maatregel maar tegenhoudt.
Ik ga hier dus – hoe zal ik het zeggen? – hopelijk met genoeg kennis van zaken en
pragmatisch in. Maar ik wil niet dat dit coalitieakkoord ertoe leidt dat er alleen
maar aanscherpingen zouden zijn, terwijl er gebieden zijn waar je een ruimere stikstofgebruiksnorm
zou kunnen hanteren, temeer omdat de huidige stikstofgebruiksnorm soms tot een soort
verschraling zal gaan leiden, ver onder het landbouwkundig optimum, wat de facto ook
weer slecht kan uitwerken voor bodemkwaliteit en uitspoeling. Daar kan ik niet het
laatste woord over zeggen, maar ik ga daar wel scherp op letten. De huidige technocratische
teksten zijn nog te vaag om nu al te zeggen of er voor de boeren enorm lijden dreigt
of dat het fantastisch wordt. Daar kunnen we nu volgens mij nog geen goede uitspraak
over doen.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Collega Grinwis is fan van doelsturing; dat weet ik. Maar staat hij ook open voor
oprechte verbeterpunten en aandachtspunten vanuit ambtenaren, juristen en onze eigen
kennisinstellingen als het gaat om doelsturing?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ja, als vanzelf. Ik doe niet anders. Sterker, al mijn gedachtes over doelsturing komen
niet alleen uit de praktijk, van praktijkbezoeken aan boeren die al daarmee werken
of experimenteren, Koeien & Kansenbedrijven en wat niet al, of onderzoeksboerderijen
van de Wageningen Universiteit. Het komt ook uit de wetenschappelijke rapporten, onder
andere van diezelfde Wageningen Universiteit. Als het goed is, dan weet collega Kostić
dat. Want de moties die ik hierover heb ingediend, staan vol met die verwijzingen.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik hoor mijn collega namelijk vooral zeggen «voer die doelsturing uit, no matter what,
en verzand niet te veel in die ambtelijke commentaren», terwijl de ambtenaren terecht
wijzen op juridische bezwaren en onze kennisinstellingen wijzen op het probleem dat
er straks meer handhaving nodig is.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dat er meer handhaving nodig is bij zo’n individueler spoor, geef ik gelijk toe. Het
is geen reden om het niet te doen, hè? Ik verwacht zelf dat in de toekomst, als we
doelsturing echt serieus nemen, er een soort keuzemenu wordt geboden: of je volgt
de duidelijke, eenduidige maar soms ook wat te rigide middelvoorschriften of je gaat
de uitdaging van doelsturing aan. Doelsturing zal veel vergen van veel agrariërs en
niet elke agrariër zal daarvoor kiezen. Eerlijk gezegd verwacht ik zo’n methode. Natuurlijk
moeten we goed luisteren naar juristen en naar andere adviseurs. Ik constateer tegelijkertijd
dat sommige praktijken in andere landen allang worden toegepast. Neem het concrete
voorbeeld dat in mijn motie staat over het achtste actieprogramma. Dat gaat over metingen
van het N-residu, het stikstofresidu in de bodem na de oogst. Dat gebeurt in Vlaanderen
allang en wij doen dat niet. In Vlaanderen blijkt dat het prima werkt en dat je op
basis daarvan kunt spelen met je stikstofgebruiksnorm. Waarom ga je dan op voorhand
doelsturing onmogelijk maken op basis van: ja, maar daarmee is niet helemaal afgedekt
dat de oppervlaktewaterkwaliteit niet negatief wordt beïnvloed? Deze benadering is
de dood in de pot. Daarmee duw je eigenlijk elk initiatief om de wereld beter te maken
bij voorbaat de grond in, en juist van die politiek ben ik niet.
De voorzitter:
Lid Kostić, pas op dat het niet een landbouwdebat wordt, want dat komt later. Het
gaat nog steeds over water.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik probeer gewoon te voorkomen dat we weer tegen een muur aanlopen omdat we overgeschakeld
zijn naar een nieuw systeem dat niet blijkt te werken. Mijn laatste vraag is of de
ChristenUnie met ons wil meewerken om meer geld vrij te maken voor toezicht en handhaving.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ja hoor, daar ben ik nooit te beroerd voor.
De voorzitter:
Dank. Dan is nu het woord aan D66, mevrouw Vellinga-Beemsterboer.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dank u wel, voorzitter. «Water, de rest komt later» leerde ik als kind. Dat was de
catchfrase van een campagne rondom brandwonden, maar die uitspraak past ook wel bij
vandaag. Zonder water geen leven. Het onderwerp water is breed, is voor mij redelijk
nieuw en gaat ons allemaal aan. Waterschappen, gemeentes, provincies en het Rijk hebben
samen de verantwoordelijkheid om te zorgen voor schoon water in de juiste hoeveelheden
en in een veilige omgeving.
Maar het fundament van onze waterhuishouding moet op de schop. Door klimaatverandering
klotst het water soms over de plinten, terwijl extreme droogte en vervuiling door
pfas de levering van schoon drinkwater onzeker maken. We zijn wereldwijd bekend als
de temmers van het water; denk aan Lely’s Flevoland, de Afsluitdijk en de Deltawerken.
Maar na de dreigende rivieroverstromingen van de jaren negentig leerden we met Ruimte
voor de Rivier dat we het water niet alleen moeten beheersen, maar ook de ruimte moeten
geven.
Nu staan we voor een nieuw hoofdstuk in onze watertraditie. We moeten niet alleen
temmen, maar ook aanpassen en meebewegen. D66 vliegt deze opgave met goede moed aan,
waarbij we vooruitkijken met drie principes. Eén. Kijk altijd naar het hele plaatje.
Twee. Wat er niet in gaat, hoeft er ook niet uit. Drie. Samenwerken betekent keuzes
maken. Ik heb mijn inbreng ingedeeld in drie categorieën: veiligheid, kwaliteit en
beschikbaarheid, net zoals velen van u, denk ik.
Veiligheid. Voor het gemaal bij IJmuiden is terecht al veel aandacht gevraagd. Dit
gemaal zorgt ervoor dat Utrechters en Amsterdammers droge voeten hebben, maar het
50 jaar oude fundament van dit gemaal begint scheurtjes te vertonen. De Minister gaf
aan dat het nu in de planfase zit en dat de verbouwing, met voorbereiding, aanbesteding
en realisatie zo’n tien jaar zal duren. Kan de Minister aangeven wat deze stappen
precies inhouden? Waar worden de knelpunten in het proces verwacht? Waarom is hier
tien jaar voor nodig? Hoeveel groter wordt het risico dat het gemaal niet functioneert
naarmate het besluit op zich laat wachten? Wat kan er gedaan worden om deze processen
te versnellen?
Niet alleen in IJmuiden knijpt het. Door het hele land heen hebben we een enorme opgave
als het gaat om het versterken en onderhouden van dijken. Hiervoor hebben we natuurlijk
het Hoogwaterbeschermingsprogramma, het HWBP.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik heb een vraag aan mijn collega over IJmuiden. Hoe moet ik de reeks uit het coalitieakkoord
interpreteren waarin staat dat er geld is voor beheer en onderhoud, structureel 500
miljoen, en voor prioritaire projecten? Is dat dan ook voor Deltafondsprojecten, zoals
het gemaal in IJmuiden? Dat is mij namelijk niet helder. Ik ben blij dat mijn collega
van D66 hier aandacht voor heeft, maar het komt er nu wel op aan. Er moet geld zijn
in het Deltafonds, heeft de Minister gezegd. Als dat er niet is, wordt het niet uitgevoerd.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
De heer Grinwis heeft gelijk: er moet wel geld voor zijn. Er moet ook eerst een plan
zijn. Daarom vraag ik hier ook naar. Zoals ik al zei: we hebben een enorme opgave
als het gaat om infrastructuur en instandhouding. Die opgave is zo groot dat we meerdere
kabinetsperiodes nodig zullen hebben om die helemaal te vervullen. We maken een duidelijke
afweging in het coalitieakkoord. We hebben aangegeven: we starten met die instandhoudingsopgave.
We maken afwegingen en een planning op basis van economische noodzaak. Ik denk dat
we van IJmuiden heel duidelijk kunnen zeggen, aangezien het Amsterdam en Utrecht drooghoudt,
dat daar een hele duidelijke economische noodzaak achter zit. Ik verwacht dus dat
IJmuiden hoog op ons prioriteitenlijstje zal staan. Maar daar moeten wij als Kamer
ook op letten, omdat we die prioriteitenlijst samen bepalen door het minderheidskabinet.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Het gemaal in IJmuiden zorgt ervoor dat 4 miljoen Nederlanders droge voeten houden.
De Minister heeft duidelijk gemaakt dat het tien jaar kost om het te bouwen. Er moet
nu een besluit worden genomen over dat geld, want we gaan naar de volgende fase, de
uitwerkingsfase. Kan ik het antwoord van collega Vellinga-Beemsterboer zo interpreteren
dat een deel van de plak die voor infrastructuur in het coalitieakkoord staat, ook
voor infrastructurele waterprojecten is?
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dat bedrag voor infrastructuur is inderdaad breed. Volgens mij worden waterwerken
daar concreet bij benoemd.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Heel kort, voorzitter. Ze worden niet benoemd, maar als ze bij dezen zijn benoemd
door collega Vellinga-Beemsterboer teken ik daar blind voor.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Het is volgens mij «infrastructuur en waterstaat».
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
We hebben het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Dat is geen papieren exercitie. Achter
de dijken wonen en werken mensen die maar al te goed weten wat een overstroming kan
aanrichten. Het verlagen van de dijknormering op Schiermonnikoog, en bijvoorbeeld
ook in het zuiden van Limburg, zoals de Minister in zijn brief van 27 januari heeft
aangekondigd, lijkt wat D66 betreft dan ook niet uit te leggen. Specifiek over de
situatie op Schiermonnikoog heb ik met collega’s De Hoop en Bromet afgelopen vrijdag
schriftelijke vragen gesteld. Ik zou nu graag al het volgende willen weten. Kan de
Minister aangeven op welke manier de afweging voor dijknormering precies wordt gemaakt
en hoe de afstemming met lokale overheden zoals gemeenten en waterschappen eruitziet?
Voorzitter. Van water in de zee gaan we naar water uit de lucht. Vorige week waarschuwde
de Onderzoeksraad voor Veiligheid dat we onvoldoende voorbereid zijn op extreme regenval.
In de steden in onze grensregio’s, zoals Enschede, Arnhem en Maastricht, zien we wijken
die zeer kwetsbaar zijn voor extreme regen. De deltacommissaris gaf twee weken terug
bij de technische briefing al aan dat we naast adaptatie ook moeten kijken naar acceptatie,
bijvoorbeeld door te accepteren dat er wateroverlast komt en dan te kijken hoe de
schade beperkt kan worden. Door klimaatverandering hebben we daarin geen keuze, denk
ik. Maar als, zoals het OVV-rapport schrijft, een eerstehulpziekenhuis niet meer bereikbaar
is of de elektriciteit uitvalt voor tienduizenden mensen, dan kunnen we dat natuurlijk
niet accepteren. Is de Minister het met mij eens dat alle kwetsbare gemeentes noodplannen
moeten hebben voor zulke overstromingen?
Daarnaast geeft de OVV ook een lijst met maatregelen die de Minister kan nemen in
de nationale aanpak, zoals een grotere rioolcapaciteit, informatie over grondwaterstanden
en het breder delen van stresstesten. Ik begrijp dat de Minister deze aanpak aan een
volgend kabinet laat, maar kan hij toezeggen de voorbereiding alvast in gang te zetten?
Kan hij ook ingaan op de rol van de Natuurherstelwet op dit thema? In de Natuurherstelwet
werken we aan meer groen in het bebouwde gebied. Ik hoor graag hoeveel geld we besparen
met een dergelijke toevoeging aan de stad vergeleken met andere waterveiligheidsmaatregelen.
Dan beschikbaarheid: van te veel water naar te weinig water. Volgens de Verenigde
Naties staan we wereldwijd in de rode cijfers. In Nederland zijn we nog niet zo ver,
maar het wordt wel tijd dat we onze accountantspet opzetten. We geven te veel en ongecontroleerd
water uit. Agrarische en industriële bedrijven gebruiken grote hoeveelheden zoet water
en ook in huis gaan we ervan uit dat het blauwe goud oneindig is en dat terwijl de
betaalrekening, regen en oppervlaktewater, leger en onvoorspelbaarder wordt. De spaarrekening,
het grondwater, gaat sneller leeg dan er geld in komt. Om te zorgen dat we in de zwarte
cijfers blijven, moeten we twee dingen doen: mitigatie en adaptatie, oftewel, minder
uitgeven en meer sparen. Vorige week, bij de Nacht van het Drinkwater, hoorden we
over goede voorbeelden uit Vlaanderen, waar urgentiegevoel, doorzettingsmacht en gerichte
acties hebben gezorgd voor veel minder watergebruik.
De bouwsector vraagt grijs water centraal op te nemen in het Bouwbesluit, zodat er
eenduidig en landsbrede steun is voor deze techniek. Collega Grinwis had het daar
ook al over. In Brabant worden proeven gedraaid met nieuwe zuiveringsinstallaties
die brak en zout water omtoveren tot drinkwater. Er kan dus heel veel. Kan de Minister
ingaan op de punten die ik hierboven benoem? Kan hij aangeven of iets het zo snel
mogelijk opschalen en uitrollen van deze dingen in de weg staat?
Voorzitter. Het is ook moeilijk om bij te houden wat je op je spaarrekening hebt staan
als je niet bijhoudt hoeveel eruit gaat. Op initiatief van D66 is er daarom gewerkt
aan een meldplicht voor grondwateronttrekkingen, maar die is nog steeds in uitvoering.
Hoe kan het dat het vijf jaar duurt voordat deze rond is? Klopt het dat de plicht
gaat gelden voor alle onttrekkingen?
Dan waterkwaliteit. In Utrecht en Amersfoort bleek onlangs hoe kwetsbaar we zijn toen
een kookadvies nodig was vanwege bacteriën, maar tegen de pfas in ons kraanwater helpt
koken niet. Ik ben daarom blij met het in het coalitieakkoord voorgenomen lozingsverbod.
Hoewel dit juridisch complex is, vraag ik de Minister of hij kan toezeggen nu al te
onderzoeken hoe we dit verbod concreet kunnen vormgeven.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dat lozingsverbod is al toegezegd. Het is al verkend. Het kan. Het kabinet heeft gezegd
dat het ermee komt. Kan D66 dat dus omarmen, zodat we meteen aan de slag kunnen gaan?
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Daar kan ik bevestigend op antwoorden. Er zal wellicht nog wat aanvullende informatie
nodig zijn, maar wij willen dat lozingsverbod heel graag.
De voorzitter:
Duidelijk. De heer Heutink heeft ook een vraag.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Ik hoor D66 net alvast om een toezegging vragen ten aanzien van het uitvoeren van
maatregelen die in het coalitieakkoord staan, maar feit is dat de coalitie 66 zetels
heeft. Ik zou D66 toch willen vragen om daar terughoudend mee te zijn, zodat wij hier
als Kamer er gezamenlijk nog wat van kunnen vinden, voordat zij al een voorschot neemt
op plannen waarvan het nog maar de vraag is of die werkelijkheid worden.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
We zitten hier als coalitie, maar ik zit hier ook als D66’er. In die zin ga ik over
mijn eigen woorden en daarna besluiten wij als Kamer met elkaar.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dank u wel. Buiten de deur is de situatie zorgwekkend. Bijna nergens voldoet ons water
aan de afgesproken kwaliteitseisen. De ecologische kwaliteit is zelfs verslechterd
door meststoffen, wat drinkwaterzuivering bemoeilijkt. Met de deadline voor de Kaderrichtlijn
Water in zicht verbaast het me hoe onoverzichtelijk de regels zijn. Bij diffuse bronnen,
zoals de landbouw, lopen voorschriften voor mest en bestrijdingsmiddelen vaak niet
in de pas met de waterkwaliteitsdoelen. Leuker kunnen we het niet maken, maar wel
makkelijker. Dus wat is de stand van zaken rond het harmoniseren van deze regels,
zodat ze elkaar niet langer in de wielen rijden? Is het toelatingsbeleid van het Ctgb
al in lijn me de KRW? Op welke punten wijken het zevende en achtste actieprogramma
Nitraatrichtlijn af van de KRW-doelen? Wat is er nodig om alle richtlijnen zo in te
richten dat de losse doelen elkaar niet in de wielen rijden?
Voorzitter. Ook de vergunningen van bedrijven die in het water lozen moeten KRW-proof
gemaakt worden. Als we die vergunningen op elkaar afstemmen, zorgen we ervoor dat
bedrijven kunnen blijven investeren in de toekomst. Dus kan de Minister toelichten
welke lessen er zijn geleerd uit de actualisatie tot nu toe om de vergunningen Kaderrichtlijn
Waterproof te maken? Hoe zouden we die actualisatie kunnen versnellen? We lezen namelijk
dat het Rijk flinke maatregelen heeft moeten treffen om de kennis over de vergunningverlening,
toezicht en handhaving, de VTH, op peil te houden en systemen te vernieuwen. Dat geldt
dan, neem ik aan, alleen voor VTH voor rijkswateren. Maar hoe zit het met de VTH-kennis
en -capaciteit buiten Rijkswaterstaat, die nodig zijn om een beeld te krijgen van
vergunningen buiten rijkswateren? Zijn die wel op peil?
Voorzitter. Ik begon er al mee: water, de rest komt later. Voor iedereen in dit land
is schoon en beschikbaar water een basisbehoefte. Laten we ervoor zorgen dat iedereen
hier ook op kan blijven rekenen.
De voorzitter:
Er is nog een vraag van het lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
D66 erkent terecht dat we in grote problemen komen als we de Kaderrichtlijn Water
niet halen en dat we niet op koers liggen. Welke maatregelen wil D66 daar zelf voor
nemen? Ik lees daar namelijk niets over terug in het coalitieakkoord.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dit is voor mij een vrij nieuw onderwerp, dus ik zit nog niet helemaal in de technische
details. Ik wil in ieder geval zeggen dat wij niet moeten verslappen en niet moeten
gaan afzwakken. We staan dus sterker als we laten zien dat we ons tot het uiterste
hebben ingespannen om de KRW-doelen te gaan halen; collega Grinwis zei dat net ook
al en die weet er veel meer van dan ik. Dat moet haalbaar zijn voor iedereen. Dat
moeten we ook met elkaar dragen. Het is een gezamenlijke opgave waarbij je niet tegen
één groep in de samenleving kan zeggen: lossen jullie het anders even voor ons op.
Maar je kan niet afzwakken, dus beste beentje voor en volle kracht vooruit.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dat klinkt goed, maar ik lees in het coalitieakkoord dat Nederland zich moet gaan
inzetten voor een «realistische richtlijn» en voor een «simplificatie» van de Kaderrichtlijn.
Dat duidt voor mij in ieder geval op afzwakking van de Kaderrichtlijn Water. Kan D66
die zin uit het coalitieakkoord toelichten?
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Goede vraag. Met een afzwakking gaan we niet wegkomen, maar we constateren wel dat
op dit moment met de Kaderrichtlijn Water verschillende regels echt tegen elkaar in
werken. We hebben dus een heel ingewikkeld speelveld gecreëerd met elkaar. Als we
zeggen dat er simplificatie moet komen, dan staat er dus ook dat die zaken beter op
elkaar afgestemd moeten worden. Over «realistisch» zei ik net eigenlijk al dat de
richtlijn uitgevoerd moet worden door heel veel mensen en door heel veel bedrijfstakken,
zowel industrieel als agrarisch. Dat betekent niet dat we een lagere ambitie hebben,
maar wel dat we kijken naar wat haalbaar is. We willen niet iets wat op papier klopt,
maar in de praktijk niet blijkt te werken.
De voorzitter:
Tot slot.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik ben een beetje op zoek naar daadwerkelijke maatregelen, want we hebben al 25 jaar
de tijd gehad om de Kaderrichtlijn Waterdoelen te gaan halen. Als je dus nu spreekt
over «realistisch», dan heb je gewoon als Nederland je huiswerk niet gedaan, denk
ik. Kan D66 één concrete maatregel noemen, bijvoorbeeld een nationaal dan wel Europees
verbod op pfas in bestrijdingsmiddelen, waar we ons samen voor kunnen inzetten?
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
D66 wil dat verbod heel erg graag. Dat blijven wij ook graag willen. Met betrekking
tot wat u zegt over het niet doen van huiswerk: ja, we zitten heel dicht voor de deadline,
dus dat is een juiste conclusie. Dat betekent nu dus nachtjes doorhalen en heel hard
aan de slag.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
We zitten inderdaad heel erg dicht bij de deadline. Die deadline is 22 december 2027.
Dan is het onbegrijpelijk dat ik aan de ene kant hoor dat we haast moeten maken, vaart
moeten maken en niet moeten verslappen, maar dat er tegelijkertijd in het coalitieakkoord
pas vanaf 2028, als het te laat is, 250 miljoen over twee jaar verspreid wordt vrijgemaakt
om iets te gaan doen met de waterkwaliteit. Dus mijn vraag is: is dat niet een beetje
mosterd na de maaltijd? Moet dat niet veel sneller?
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dat dit snel moet, is een gegeven. Er staat na 2028 geld voor gereserveerd, omdat
we ook dan nog met de kwaliteit van water aan de slag moeten. Dat staat onder KRW
genoemd. Maar dat betekent niet dat we de komende twee jaar niks doen.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Dan vraag ik mij af of D66 de urgentie ziet van het probleem waar we tegenaan gaan
lopen. We krijgen straks vergunningen niet meer rond en we kunnen straks geen woningen
meer bouwen, dus ook niet de 10.000 woningen die D66 onder andere beloofd heeft. Zijn
we dan niet te laat met dat geld, vraag ik aan D66. Moeten we daar niet sneller wat
mee doen om te zorgen dat we straks nog vergunningen kunnen afgeven, woningen kunnen
bouwen, nieuwe waterbronnen kunnen slaan, noem het maar op. Moet dat niet eerder?
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Ik kan alleen maar herhalen wat ik al heb gezegd: er staat geld voor gereserveerd.
Dat blijft meerdere jaren nodig. Ook de komende jaren is er geld voor nodig. We gaan
niet wachten tot 2028 voor we dingen gaan doen.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Tot slot. Blijkbaar gaat D66 wel wachten tot 2028 voordat er wat gaat gebeuren, want
er is pas vanaf 2028 geld gereserveerd. Mijn vraag – ik hoop dat ik daar dan gewoon
een antwoord op krijg – is dus nogmaals: snapt D66 de urgentie? Als D66 de urgentie
snapt, waarom is er dan voor gekozen om pas in 2028 geld vrij te maken en niet al
volgend jaar of, sterker nog, dit jaar bij de Voorjaarsnota?
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Het coalitieakkoord is natuurlijk niet de enige begroting. Ook in de huidige begroting
staat geld gereserveerd. Ik denk dat de coalitiebegroting, de volgende begroting,
laat zien dat we na 2027 ook niet stoppen met het nemen van maatregelen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
In het coalitieakkoord staat het uitvoeren van de Natuurherstelverordening. Er is
een impactanalyse gemaakt en er is berekend dat dat 76 miljard gaat kosten. Hoe gaat
D66 dit uitvoeren? Want het staat wel echt keihard in het coalitieakkoord.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dit is een vrij technische vraag. Mevrouw Van der Plas, zou u de vraag nog een keer
kunnen herhalen?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Zeker. In het coalitieakkoord staat keihard: we voeren de Natuurherstelverordening
uit. Eerder is gebleken uit een impactanalyse dat, als je dat helemaal wil uitvoeren,
dat 76 miljard gaat kosten. Ik ben benieuwd hoe D66 dat geld bij elkaar gaat halen.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dank u wel, nu begrijp ik ’m. De Natuurherstelverordening is een verordening. Dat
is een afspraak die we met elkaar hebben gemaakt. Daar gaan we niet onderuit komen.
Die is ook hartstikke nodig. Dat kost geld, maar dat levert ook geld op. Volgens de
berekeningen die zijn gemaakt, kost het inderdaad 76 miljard. Ik heb het absolute
bedrag even niet scherp, maar uit m’n hoofd levert het ongeveer het dubbele op. Daarmee
kun je dat financieren. Daar hebben we dan ook allemaal voordeel bij.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Het is nog maar de vraag wat dit gaat opleveren. In de Natuurherstelverordening staat
ook, als we het bijvoorbeeld hebben over hittestress, dat het ook voor steden gaat
gelden. Dat betekent dat er minder ruimte komt voor woningbouw, voor de infrastructuur
en voor de aanleg van bedrijventerreinen, omdat er veel meer groen in de stad moet
komen. Hoe gaat dat geld opleveren? Wat zijn daarvan de gevolgen, vraag ik aan mevrouw
Vellinga-Beemsterboer.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Ik denk dat iedereen heel graag in een groene leefomgeving woont. Dat draagt bij aan
gezondheid en welzijn. We zien dat al op ontzettend veel plekken in het land. Ik heb
zelf in een gemeenteraad gezeten in Friesland. Daar hebben we ontzettend mooie maatregelen
kunnen nemen in de vorm van geveltuinen en het NK Tegelwippen. Daarmee kun je heel
laagdrempelig heel veel winst boeken, omdat mensen zelf ook heel gericht iets kunnen
doen. We zoeken naar grote en kleine maatregelen. Ik denk over het algemeen dat dat
juist winst oplevert. Ja, dat is ruimtelijk een nieuwe uitdaging. Maar dit is ook
precies het vraagstuk dat voorligt. Als we blijven denken zoals we deden en blijven
bouwen zoals we bouwden, dan is dat heel ingewikkeld. Ik zat een paar weken geleden
bijvoorbeeld met de Vereniging van Waterbouwers om tafel. Die kregen glimmende oogjes
toen we hierover praatten. Zij zeggen: we kunnen zo ontzettend veel meer dan we nu
al doen ten aanzien van klimaat- en wateradaptief bouwen. Ik zie daar dus hele mooi
nieuwe mogelijkheden in op een manier die heel erg past bij Nederland: we bewegen
mee met het water en we gaan nieuwe dingen uitproberen op het moment dat die nodig
zijn.
De voorzitter:
Was u al klaar met uw betoog? Dat was zo. Dan gaan we over naar de heer Schutz van
de VVD.
De heer Schutz (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Waterbeleid raakt aan veiligheid, beschikbaarheid, leefbaarheid
en economische zekerheid. De VVD wil vooruit met waterbeleid; realistisch, gedragen,
voelbaar en voorspelbaar. Ik ben blij dat er een nieuw regeerakkoord is en dat we
aan waterbeleid blijven werken, onder andere aan waterveiligheid, de beschikbaarheid
van water en drinkwater, de uitvoering van het Deltaprogramma en de herijking van
de deltabeslissingen.
Over waterveiligheid. Ten aanzien van de langetermijnopgave ...
De voorzitter:
Er is een interruptie van de heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voor ik vertrek, wil ik gelijk op het begin inhaken. De heer Schutz citeert allemaal
mooie zinnen uit het coalitieakkoord. Valt hij de interpretatie van collega Vellinga-Beemsterboer
bij dat de reeks voor beheer en onderhoud en ontsluiting van woningbouwlocaties –
dat is regeltje acht en misschien ook wel regeltje negen in de budgettaire bijlage
– ook slaan op Waterstaat, op bijvoorbeeld het vernieuwen van het gemaal bij IJmuiden?
De heer Schutz (VVD):
Dat zijn van die interpretaties. Ik begrijp de vraag wel. Het regeerakkoord is een
kader. Dat kader moet nadere invulling krijgen. En die nadere invulling gaan we krijgen
van een nieuw kabinet. Daar zou ik het voor nu eigenlijk bij willen laten. Ik wil
niet al toezeggingen doen voor deelbudgetten voor specifieke dingen, terwijl wij –
dat wil ik er richting de heer Grinwis aan toevoegen – samen die motie hebben ingediend
over IJmuiden. De prioriteit en ernst staan ons zeer voor ogen, maar we hebben vele
keuzes te maken, en niet alleen deze. Daarom zeg ik: laten we naar aanleiding van
het regeerakkoord even afwachten wat er aan nadere invulling komt en dan kunnen we
het hebben over wat wel en wat niet en wat wanneer.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Juist omdat we samen die motie hebben ingediend en omdat we weten hoe belangrijk het
is om het gemaal bij IJmuiden op tijd – dat is eigenlijk nu – te gaan vervangen, stel
ik deze vraag. Het is namelijk belangrijker dat we droge voeten houden, voordat we
welke weg dan ook aanleggen. Want wat heb je aan een overstroomde weg? Het valt me
dan wel op dat collega Schutz minder dapper is dan collega Vellinga-Beemsterboer,
die gewoon zegt: het is Infrastructuur én Waterstaat. Als je in de begroting kijkt
naar het Mobiliteitsfonds en Deltafonds, dan zou je op z’n minst verwachten dat 100–150
miljoen van die plak voor het Deltafonds is. Waarom bevestigt meneer Schutz dat niet
gewoon eenvoudig? Hij als coalitiepartner moet namelijk richting geven aan het kabinet.
Het kabinet kan met deze onduidelijke regel in de budgettaire bijlage onvoldoende
uit de voeten, volgens mij.
De heer Schutz (VVD):
«Dapperheid» is iets anders dan meneer Grinwis geven wat hij vraagt. Met andere woorden:
ik denk dat de dapperheid hier juist schuilt in een zorgvuldige afweging. Ik gaf net
al aan richting de heer Grinwis dat IJmuiden mij scherp voor ogen staat. Ik ben het
niet vergeten. Alleen het hoeft niet allemaal ineens vandaag, meneer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Heel kort. Dat begrijp ik niet. Het gemaal bij IJmuiden heeft de Minister een- en
andermaal toegelicht. De heer Schutz is die toelichting bijgevallen. De situatie is
zeer urgent. De faalkans stijgt bij wijze van spreken per dag. Daar kun je dus niet
mee wachten. Dat is dus echt urgenter dan bijvoorbeeld het project Zuidasdok, dat
wel met naam en toenaam in de budgettaire bijlage staat genoemd. Ik hoop dat het nieuwe
kabinet vooral luistert naar de reactie van collega Vellinga-Beemsterboer en dat meneer
Schutz gedurende dit debat zijn been nog bijtrekt, alleen ik ga dat hier niet meer
live meemaken.
De heer Schutz (VVD):
Er zit geen licht tussen de urgentie die meneer Grinwis voelt of die ik voel. Ik wil
het alleen wel in de volgorde der dingen doen. Het is niet dat we tot het einde van
het jaar wachten met een nieuwe kabinetsploeg. Er is al een datum geprikt. Met andere
woorden: als er straks een nieuwe man of vrouw zit die met prioriteit naar die verdeling
zal kijken en ons daarin aandacht zal geven, dan hebben we daar, denk ik, redelijk
snel duidelijkheid over. Ook daarbij zullen we natuurlijk duiden dat IJmuiden best
wel een belangrijk project is. Maar als u mij vandaag vraagt «meneer Schutz, wilt
u net als mijn collega alvast toegeven aan wat ik vraag», dan bent u iets te vroeg.
Maar ik begrijp u wel.
De voorzitter:
De heer Heutink heeft ook een vraag.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Ik wil de meneer Schutz feliciteren met het sluiten van het coalitieakkoord met zijn
partners. En dat begint al goed, want ik zie dat D66 inmiddels een hap heeft genomen
uit de 1,5 miljard voor infrastructuur als het gaat om het gemaal van IJmuiden. Ik
ben heel erg benieuwd wat de VVD daarvan vindt. Hebben we nu al oorlog in de nieuwe
coalitie? Ik ben dus heel erg benieuwd hoe de VVD hierop reflecteert naar aanleiding
van de uitspraken van D66.
De heer Schutz (VVD):
Ik kijk zo even naar rechts. We hebben geen oorlog. Net als in het vorige antwoord
zeg ik dat ik het echt wel met vorige sprekers eens ben dat IJmuiden urgent is. Alleen,
wel in de juiste volgorde. Als ik naar rechts kijk, vraag ... Er wordt ook al geknikt!
Er zit dus geen licht tussen.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Dus concreet: van die 1,5 miljard wordt specifiek geld gereserveerd voor het gemaal
van IJmuiden. Klopt dat? Is dat wat we straks kunnen verwachten? Of zijn dit alleen
mooie woorden?
De heer Schutz (VVD):
Hetzelfde antwoord als ik heb gegeven aan de heer Grinwis: vandaag niet. Dat zijn
geen mooie woorden. Maar wel: in de juiste volgorde der dingen alstublieft.
De voorzitter:
Nu kunt u verdergaan met uw betoog.
De heer Schutz (VVD):
Fijn. Dank u. Over waterveiligheid. Ten aanzien van de langetermijnopgave betreffende
de zeespiegelstijging zijn binnen het Deltaprogramma verschillende varianten als antwoord
op zeespiegelstijging verkend. Voor de VVD is essentieel dat scenario’s niet alleen
technisch haalbaar en veilig zijn, maar ook maatschappelijk en economisch realistisch
zijn en voor Nederlanders behoorlijk en uitlegbaar zijn. Recent is scenariovariant
Meegroeien toegevoegd. De uitwerking van onderzoek zou laten zien dat meegroeien onder
voorwaarden haalbaar én uitvoerbaar is. Maar tegen welke prijs? Enerzijds lees ik
dat de meest kansrijke bouwstenen verschillende varianten van meegroeilandschappen
zijn, waarbij dijken in combinatie met meegroeiende voorlanden zorgen voor waterveiligheid.
Maar in variant 1 op pagina 32 van Ruimte voor zeespiegelstijging lees ik ook dat
het weghalen van de huidige, in het verleden met belastinggeld bekostigde primaire
waterkeringen een serieuze optie is. Ook bij variant 2 lijkt dit aan de orde. Het
meegroeiscenario wordt de laatste tijd nogal gepromoot, mede ook met het oog op ecologische
koppeleffecten. Verbreding van focus ten koste van een boel ruimte, zo lees ik: ten
koste van ruimte voor woningbouw, landbouwgrond en infrastructuur.
Hoe gaat de Minister borgen dat mensen in die gebieden, onder andere op de Wadden
en in de zuidwestelijke delta en alles daartussen, worden meegenomen en zich veilig
blijven voelen? Met 1953 in gedachten worden mensen er best zenuwachtig van. Gisteren
nog is die ramp op veel plaatsen in Nederland herdacht. Zelf was ik in Ouwerkerk.
Oud-collega Jacqueline van den Hil, die ik daar trof, opperde hier eerder om dit nationaal
te herdenken in dit huis. Wellicht vanaf 2028, wanneer het 75 jaar geleden is. Dat
zou als stip op de horizon een goed aanknopingspunt voor het goede thematische gesprek
over zeespiegelstijging en varianten kunnen zijn. Ikzelf begrijp de zorgen van die
mensen wel. Immers, hoe kunnen we straks met zekerheid zeggen dat meegroeiresultaten
sterker zijn en vooral sterk genoeg zijn? En wat en hoe in de tussentijd? Graag een
reactie van de Minister.
De aanwas van voldoende sediment gaat decennia duren, zo begrijp ik. Hoe zeker is
de bescherming van meegroeien, vergeleken met die van waterbouwkundige oplossingen,
die we eerder wel vooraf konden ontwerpen en doorrekenen? En wat betekent dit voor
de recent afgeronde dijkophogingen en het project dat nog under construction is in
den lande? Alle andere hoofdstukken die we vandaag bespreken, zouden die dan achterhaald
zijn? Gelukkig hoeven we vandaag nog niet te kiezen. Maar er moet nog wel heel wat
water door de Nieuwe Maas, het Haringvliet, de Oosterschelde en de Westerschelde voordat
de VVD hier comfortabel mee is.
Op pagina 33 van het Deltaprogrammarapport staat dat er uit een technisch inhoudelijk
onderzoek door Deltares volgt dat voor een aantal dijktrajecten een minder strenge
norm kan worden overwogen, onder andere op de Waddeneilanden en in de Maasvallei.
Hoe beschermen we mensen daar? Ik vraag ook hier om zorgvuldigheid, dus «overleg met»
en niet «overleg over» en behoorlijke uitlegbaarheid van toekomstige besluitvorming.
Dat geldt ook voor zoetwaterverdeling en beschikbaarheid aan de eindjes van onze rivieren
en kanalen, dus aan de randen van Nederland. Wil de Minister toezeggen deze zorgen
nadrukkelijk in zijn overdrachtsdossier aan zijn opvolger mee te geven?
Dan over drinkwater. Drinkwaterbedrijven maken zich zorgen over de lange doorlooptijden
van vergunningen voor waterwinning. Dat raakt direct aan de beschikbaarheid en de
leveringszekerheid van water. Waar zitten volgens de Minister de knelpunten en wat
er is er nodig om procedures samen met provincies en drinkwaterbedrijven te versnellen?
Ik begrijp dat er wordt gewerkt aan wetgeving om vergunningen voor grondwateronttrekkingen
voor de openbare drinkwatervoorziening tijdelijk te maken en periodiek te herzien.
Aan de Minister wil ik vragen of het klopt dat dit geen Europese verplichting is maar
een nationale keuze. Hoe wordt voorkomen dat dit ten koste gaat van de zekerheid van
voldoende drinkwater? De Minister heeft aan oud-collega Verkuijlen toegezegd te onderzoeken
in hoeverre bepaalde sectoren voor hun bedrijfsprocessen afhankelijk zijn van de waterkwaliteit
van drinkwater. Mijn vraag aan de Minister is wat de stand van zaken van dit onderzoek
is en wanneer de Kamer de resultaten ontvangt. Daarnaast zou, tevens als toezegging,
inzicht worden gegeven in de effecten van het verlagen van de maximale temperatuur
waaronder koelwater mag worden geloosd. Ook daarvan hoor ik graag de stand van zaken.
Wordt daarbij ook gekeken naar de continuïteit van bedrijfsprocessen en de concurrentiepositie
van het Nederlandse bedrijfsleven?
Ten slotte over de KRW. De Minister sprak in het recente tweeminutendebat over een
eindspurt. Voor de zekerheid: ik vermoed dat hij doelde op het KRW-impulsprogramma.
Zo ja, dan vraag ik de Minister om voor de zomer een Kamerbrief te sturen waarin wordt
uiteengezet welk resultaat dit tot dan toe heeft gehad, wat de Minister voor de dan
resterende tijd nog ziet gebeuren en wat daarvan realistisch gezien nog te verwachten
is. Er is momenteel sprake van rechtsonzekerheid, omdat ondernemers niet weten waar
ze straks aan toe zijn. Rijkswaterstaat is druk bezig met het actualiseren van de
vergunningen om ze KRW-proof te maken. welke lessen kunnen we nu al trekken? Na de
eindspurt ziet de VVD uit naar de evaluatie van de KRW. Daarbij moeten we ook kijken
naar hoe het in de ons omringende landen werkte en is ervaren. De KRW moet begrijpelijk
zijn en er is behoefte aan simplificatie, met haalbare doelen waarbij rekening wordt
gehouden met het feit dat Nederlandse gebiedsdelen aan het eind van het Europese rivierennet
liggen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. En de KRW is de Kaderrichtlijn Water. De heer Heutink.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
We zijn dus al sinds 2005 bezig met die hele Kaderrichtlijn Water. En nu, anderhalf
jaar voor de deadline, komen we blijkbaar tot de conclusies dat we moeten simplificeren.
Dat hoor ik de VVD en D66 zeggen. Komt de coalitie daar niet een beetje laat mee?
Is de VVD niet bang dat we zo meteen tegen die muur aan gaan botsen?
De heer Schutz (VVD):
Ik kan hier dingen natuurlijk niet eerder opperen dan vanaf het moment ik Kamerlid
ben. Ik doe dat dus vandaag maar, en ik reageer op interessante informatie die de
Minister in het laatste tweeminutendebat gaf. Het is hartstikke goed dat we de schouders
eronder zetten en de eindspurt maken. De vraag die de heer Heutink mij stelt is best
een interessante, want wat heeft híj de afgelopen periode gedaan om dit te versnellen,
toen hij nog in de PVV zat en met ons in de regering zat?
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Dat is heel duidelijk. Ik heb het kabinet keer op keer gewaarschuwd, en dat ga ik
zo meteen weer doen, dat we in een juridisch moeras verzanden als we niet opletten.
En dan kunnen we gaan simplificeren tot we een ons wegen, maar feit is dat die deadline
eraan komt en dat we daarmee zo meteen een heel groot probleem hebben. Ik vraag het
dus nogmaals aan de VVD. Het is allemaal leuk hoor, het terugblikken en het «wat heeft
die-en-die gezegd?», maar ik wil gewoon van de VVD weten hoe zij het kabinet gaat
aansporen om bijvoorbeeld in ieder geval een noodplan klaar te hebben liggen zodat
we straks nog woningen kunnen bouwen en infrastructuur kunnen aanleggen.
De heer Schutz (VVD):
Die simplificatie ziet natuurlijk op de periode erna. Het is overigens een Europese
richtlijn, dus die kunnen we niet in ons eentje simplificeren. Het is vooral het inzetten
van die eindspurt. Dat is wat we moeten doen. We moeten zo veel mogelijk effect ressorteren
en inderdaad die vergunningen tegen het licht houden, zoals Rijkswaterstaat nu al
doet, zodat we voorkomen dat we oplopen tegen die spreekwoordelijke watermuur, waar
u het overigens terecht over heeft. Maar we zitten waar we zitten. We kunnen alleen
maar meer doen van wat we al doen, maar we kunnen wel vaststellen dat de kaders en
de regels die we nu hebben als onderlegger voor ons handelen, een beetje complex zijn.
Daarbij kun je je afvragen of al die complexe regels ons nou dichter bij het doel
hebben gebracht. De simplificatie ziet dus vooral op de toekomst, op hoe we het voorbij
de datum van 2027 waar u het over heeft, voor onszelf een stuk makkelijker kunnen
maken. En daarbij past echt wel dat we aan Brussel aangeven hoe we het hier ervaren,
want de ervaringen die wij hier in Nederland hebben, hebben we niet alleen hier in
Nederland. Dat is een breder gedragen gevoel. Daar past een evaluatie bij en een simplificatie,
met simpele regels die makkelijker uitvoerbaar zijn.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Heutink.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Ik kom een heel eind mee met de VVD, laten we eerlijk zijn, en ik ben ook blij dat
de VVD de terechte zorgen zegt te delen die wij hebben als het gaat om die deadline.
Maar ik ben wel heel erg benieuwd wat we dan moeten doen. Wat is het verzoek van de
VVD aan het kabinet om ons in ieder geval voor te bereiden op het scenario dat het
gewoon misgaat? De VVD moet er toch over hebben nagedacht dat de kans reëel is dat
het zo meteen gewoon wel misgaat?
De heer Schutz (VVD):
Ik hoop dat het niet misgaat. Ik moet zeggen dat in hetzelfde tweeminutendebat de
mededeling van de Minister dat niet alleen «one out, all out» bepalend is, maar dat
ook de mate waarin je niet all out bent, bijdraagt in de uiteindelijke analyse en
de situatie waarmee je van doen hebt. Wat de Minister nu doet met een eindspurt en
met betrekking tot het KRW-proof maken van die vergunningen, is denk ik de juiste
reflex. Dat is de juiste handeling om dat maximaal te voorkomen. Het is juist ook
daarom, omdat ik mij daar ook zorgen over maak, dat ik vraag wat het resultaat is
waar wij in de zomer staan, als we feitelijk nog anderhalf jaar hebben. Ik begreep
dat we nu al op 80% zitten. Dat is een generiek percentage dat ook weer in specifieke
kaders valt uit te drukken. Toen ik vroeger thuiskwam met een 8, was mijn vader best
tevreden. Het vervelende is alleen dat we hier een 10 moeten hebben, willen we KRW-proof
zijn. Daar ben ik in geïnteresseerd. Het enige wat we nu kunnen doen, is zo veel mogelijk
de schouders eronder zetten, erover in gesprek zijn met elkaar en als de wiedeweerga
die vergunningen tegen het licht houden.
Kamerlid Kostić (PvdD):
We weten uit eerdere onderzoeken dat de eerdere plannen om de Kaderrichtlijn Water
te halen niet voldoende waren. Alle VVD-kabinetten faalden daarin. Ook dit kabinet
zal met z’n nieuwe maatregelen daarin falen, tenzij er extra geld vrijkomt en er extra
maatregelen komen. Ik vraag mij af wat de VVD nog meer wil bovenop wat het kabinet
al voorstelt om de doelen van de Kaderrichtlijn Water wel te halen.
De heer Schutz (VVD):
Ik heb net al aangegeven dat de VVD zich kan vinden in de eindspurt en in het herzien
of herijken van die vergunningen. Als u een goed idee heeft waarmee we in die eindspurt
een extra slag kunnen maken, dan hoor ik dat heel graag. Maar voor ons zit het ’m
vooral in het systeem en in de complexiteit die we over 2027 heen echt anders moeten
adresseren. Als we dan namelijk niet alle doelen halen, en daar heeft het inderdaad
alle schijn van, dan moeten de consequenties daarvan wel dragelijk blijven, zowel
voor het natuurherstel als voor de waterkwaliteit als voor de economische functies.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Als het gaat om concrete maatregelen, dan weten we dat er flinke stappen moeten worden
gezet op het aanpakken van mest, voor hervormingen in de landbouw en ter beperking
van landbouwgif. Dat moet op korte termijn gebeuren, dus voor 2027. Is de VVD bereid
om daarin te bewegen, en zo ja, op welke manier?
De heer Schutz (VVD):
Ik denk dat de VVD ten aanzien van waterkwaliteit en mest heel duidelijk is geweest
voor de kerst. Ik weet niet of aanvullende maatregelen op zo’n korte termijn het effect
hebben waar het lid Kostić op hoopt, en ik met haar. Met andere woorden: laten we
dat soort zaken zeker uitzoeken, maar ik zeg daar niet nu meteen al ja op en ik houd
het bij mijn eerdere antwoord. Dank u wel.
De voorzitter:
Lid Kostić, tot slot.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dan hoor ik de VVD wel zeggen dat ze de doelen willen halen, maar zie ik ze niet de
juiste maatregelen nemen om die doelen in 2027 te halen. Ik ga toch die poging wagen
met mijn moties. Hopelijk kunnen we elkaar vinden. Mijn laatste vraag is: de VVD zegt
dat ze tot simplificatie willen overgaan na 2027, realistische doelen, maar gaat de
VVD waarborgen dat dat geen afbreuk gaat doen aan de waterkwaliteit en onze leefomgeving?
En hoe gaan ze dat dan doen?
De heer Schutz (VVD):
Hoe gaan wij dat waarborgen? Dat is nou juist wat je in een evaluatie moet doen. Daar
had ik het net ook over. U vraagt mij vandaag om antwoorden van later. Daar laat ik
me niet op vastpinnen. Waterkwaliteit is echter ook voor de VVD van belang, omdat
we heel goed weten dat Europese regelgeving ons wel bij de kuif zal nemen als die
niet op orde is. Maar we kunnen ook wel vaststellen dat de complexiteit van de regels
die we tot op heden hebben, ons niet heeft geholpen. U noemt dat «het falen van VVD-kabinetten»;
dat mag zo zijn. Het is echter niet voor niks dat men niet alleen in Nederland nog
achterloopt, maar ook in de rest van Europa. Dan kun je je afvragen: waren die doelen
en de complexiteit van de regels wel de juiste middelen om te bewerkstelligen wat
we met z’n allen voor ogen hebben? Daarom zegt de VVD, net als D66, die daar net ook
iets over zei, en vast ook andere partijen: simplificatie en realisme. Wat kan wél?
Wat is überhaupt haalbaar? Dat is een belangrijk uitgangspunt. Dat hoort bij een evaluatie.
Pas daarna hebben we het over maatregelen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Niks is haalbaar binnen alle regels en doelen waar we ons aan hebben gecommitteerd.
We hebben de Kaderrichtlijn Water en de Vogel- en Habitatrichtlijn, er zijn allemaal
Natura 2000-gebieden en dan is er ook nog eens een keer de Natuurherstelverordening,
die gewoon gaat betekenen dat wij onszelf nog verder hebben vastgeklemd in een gejuridificeerde
wereld. Ik wil aan de heer Schutz vragen: hoeveel rechtszaken van activistische organisaties
verwacht de heer Schutz als de Natuurherstelverordening er straks is?
De voorzitter:
Dit zijn twee interrupties.
De heer Schutz (VVD):
Ja, hoeveel rechtszaken verwacht ik? Ik ben jurist, maar geen tovenaar, dus mijn voorspelling
heeft geen enkele waarde in dit debat, denk ik. Het lijkt me niet irreëel dat de kans
bestaat dat er rechtszaken zullen zijn, kijkend naar het stikstofdossier.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik voorspel u dat er heel veel rechtszaken gaan komen, want er is weer iets nieuws
om rechtszaken mee aan te spannen. Laatste vraag aan de heer Schutz. In de Natuurherstelverordening
staat bijvoorbeeld dat Brussel dwingend gaat voorschrijven aan gemeenten hoeveel bomen
zij moeten hebben. Vindt de heer Schutz dat Brussel zich daarmee moet bemoeien?
De voorzitter:
Bomen zijn geen wateronderwerp, maar de heer Schutz mag reageren.
De heer Schutz (VVD):
Twee zaken daarover. Een verordening is in zichzelf al dwingend; daar kunnen we als
Nederlandse overheid weinig aan doen. De Natuurherstelverordening is aangenomen, en
daarmee geldt die voor ons. In mijn vorige rol, voor 12 november, toen ik geïnstalleerd
werd als Kamerlid, heb ik daarover informatiebijeenkomsten bijgewoond, waarbij nadrukkelijk
werd aangegeven dat dat niet dwingend werd voorgeschreven. U heeft het vast ergens
zien staan, maar ik heb die specifieke zin niet scherp voor ogen. We zullen goed in
overleg moeten gaan, want we kunnen in Nederland niet overal bomen kwijt.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog. Of was u al klaar?
De heer Schutz (VVD):
Sorry, ik moest even de administratie bijwerken. Ik was klaar.
De voorzitter:
Goed zo; dank u wel. Dan is nu het woord aan mevrouw Boelsma-Hoekstra van het CDA.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Toen ik de portefeuilleverdeling binnen het CDA kreeg, was
ik behoorlijk ingenomen met mijn portefeuille, met daarin IenW, maritiem, visserij,
Binnenlandse Zaken en, last but not least, water en bodem. Het is een portefeuille
waarin het gaat over verbindingen, over de medeoverheden en over het genieten van
werken en recreëren op het water, dus over de maritieme sector, de visserij en het
toerisme of gewoon je eigen vrijetijdsbesteding. Door me namens de CDA-fractie bezig
te houden met de verschillende deelgebieden zie ik de samenhang, maar ook de uitdagingen.
Vandaag gaat het debat specifiek over water, al weiden we wel een beetje uit, en de
uitdagingen die spelen op het gebied van beschikbaarheid, kwaliteit en overtollig
water; daar hebben we het net al even over gehad.
Voordat ik inga op mijn inzet met betrekking tot water voor de komende vier jaar,
wil ik u meenemen naar de regio waar ik vandaan kom, namelijk het Friese merengebied,
in het zuidwesten van Fryslân, in de gemeente De Fryske Marren. Het is een gebied
waar toeristen genieten van de mooie meren, vaarten en kanalen, waar uitdagingen liggen
in het veenweidegebied en waar zandgronden vanuit het mooie Gaasterlân het veenweidegebied
doorkruisen. Het is een gemeente met veel landbouwbedrijven, recreatie en natuur,
die natuurlijk grenst aan onze belangrijkste zoetwatervoorziening: het IJsselmeer.
Zo heeft elk Kamerlid zijn of haar eigen associatie en ervaringen met water. Ik zou
via u, voorzitter, tegen de Minister willen zeggen: doe er uw voordeel mee. Ervaringen
uit de praktijk kunnen helpen bij het duiden en oplossen van de uitdagingen die er
op het gebied van water zijn, en die zijn er. We hebben het Watermanifest van de waterschappen
en Vewin kunnen lezen. We krijgen nog een debat over de Wadden, waar ook het nodige
speelt. VNO-NCW en de landbouwsector zijn gebaat bij een goed plan om op een realistische
manier de waterkwaliteit te verbeteren.
Ik wil beginnen met onze positie als Nederland. Deze is uniek. We leven in een delta.
Al decennialang wordt door onze waterbouwers en technologische kennis weerstand geboden
aan hoog water. Internationaal houden we vaarwegen op peil met onze baggeraars. En
als schepen losgetrokken moeten worden, zijn Nederlandse bedrijven aan zet. Zo hebben
we als Nederland ook een Hoogwaterbeschermingsprogramma en het programma Ruimte voor
de Rivier. Voor het CDA zijn dit belangrijke programma’s, die in samenwerking met
de waterschappen moeten worden opgepakt.
Recent bereikten ons signalen dat de normen voor dijkverzwaring zijn aangepast; daar
is eerder aan gerefereerd. Daar heb ik een aantal concrete vragen over als het gaat
om Schiermonnikoog. Is de Minister bekend met de grote zorgen die na dit besluit zijn
ontstaan op Schiermonnikoog en bij Wetterskip Fryslân in verband met de onveiligheid
achter de dijken en de grote gevolgen voor een eiland bij een overstroming? Zou de
Minister kunnen toezeggen de afspraken na te komen om de norm die nu wordt voorgesteld,
namelijk één keer per 100 jaar een overstroming, niet toe te passen en in overleg
met het eiland en de overheden te komen tot een acceptabele norm?
Vanuit de waterbouwers is er ook nog een vraag met betrekking tot het Hoogwaterbeschermingsprogramma.
Ik sluit mij aan bij de vragen die de heer Grinwis heeft gesteld.
Ten tweede deelt het CDA de zorgen van de waterschappen en de drinkwaterbedrijven
als het gaat om waterkwaliteit. We zien dat er al veel stappen zijn gezet. Als CDA
willen we inzetten op ontwikkelingen die van onderop komen, want daar zitten de energie
en de kennis.
Wat betreft pfas – daar is eerder ook al over gesproken – wil ik een vervolgvraag
stellen naar aanleiding van de vraag van collega Zwinkels in het IenW-debat. Als voorbeeld
werd daarin de vervuiling bij Vliegbasis Leeuwarden genoemd. De reactie van de Staatssecretaris
was: de vervuiler betaalt. De vervolgvraag is wie aan de lat staat als het gaat om
de vervolgkosten buiten de hekken van de vervuiler.
Ten tweede noem ik de verplichting voor de beroeps- en recreatievaart met betrekking
tot lozing van vuil water aan wal. Dit is ook al aan de orde geweest in het commissiedebat
Maritiem. Eigenlijk zou ik van de Minister graag de toezegging willen dat de verzegeling
dit jaar geregeld wordt. Volgens mij is dat in het commissiedebat Maritiem al door
de regels door gezegd, maar ik zou heel graag een toezegging willen.
Dan het medicijnafval. Veel medicijnen kunnen door de bestaande waterzuiveringen niet
uit het rioolwater worden gehaald. Ik ben op bezoek geweest en hoorde dat dit een
groot aandachtspunt is. Ze komen in het oppervlaktewater terecht. Even voor uw beeld:
per jaar verdwijnt er 190 ton medicijnresten in het oppervlaktewater. Even ter vergelijking:
voor bestrijdingsmiddelen is dit 14 ton. Welke actie zet de Minister op het verminderen
van medicijnafval in ons water? Is er al actie gezet op het laten bijdragen van producenten
aan grote rioolwaterzuiveringsinstallaties, waarbij innovatieve technologie wordt
toegepast voor het verwijderen van medicijnresten?
De voorzitter:
Lid Kostić heeft een vraag.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik meen uit de woorden van mijn collega op te maken dat zij zich ook zorgen maakt
over het feit dat steeds meer kosten worden voor pfas-vervuiling worden afgewenteld
op de belastingbetaler en dat ook medeoverheden daarmee worstelen. De Partij voor
de Dieren heeft een idee om in ieder geval een vorm van pfas-taks te onderzoeken,
waarmee we bedrijven kunnen stimuleren pfas-vrij te produceren. Het geld dat met de
pfas-taks wordt opgehaald, kunnen we in een potje stoppen waarmee we de vervuiling
kunnen aanpakken. Daarmee kunnen we het «de vervuiler betaalt»-principe garanderen.
Is het CDA in ieder geval bereid om mee te denken over een verkenning daarvan?
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Dit is voor mij helemaal nieuw. Ik zou zeggen: wanneer u met dat idee komt, laat het
dan aan ons zien. Dan beoordelen we of het werkbaar is of niet.
Volgens mij was ik gebleven bij drugsafval en waterkwaliteit. Regelmatig valt mij
de mond open wanneer ik hoor dat er door onderzoek in het riool ontdekt wordt hoeveel
drugs er in een bepaalde regio gebruikt worden. De verwondering zit ’m dan met name
in de betreffende regio en de hoeveelheid. Ik hoop dat ze in een andere commissie
werk maken van het terugdringen van drugsgebruik, wat het CDA betreft liever gisteren
dan vandaag, maar we hebben het in deze commissie over water en de kwaliteit daarvan.
Kan de Minister schetsen wat ervoor nodig is om deze afvalbron niet in het oppervlaktewater
te krijgen?
Elk gesprek dat ik voer over waterkwaliteit, wekt eenzelfde type vraag op. Of het
nu gaat over de waterwinbedrijven of bijvoorbeeld de waterbouwers, de vraag is: geef
ons de mogelijkheid ons werk te doen en voorkom onmogelijke regelgeving. Een voorbeeld
is een baggerbedrijf dat er kortstondig voor kan zorgen dat de waterkwaliteit door
beroering van de boden verslechtert. We weten dat dit valt onder de nieuwe uitzondering
in Europa, maar hoe implementeer je deze versoepeling in Nederland? Hoe zorg je dat
het zo geïmplementeerd wordt dat er geen vertraging bij projecten optreedt? Graag
een reflectie van de Minister.
Voorzitter. Mijn laatste punt gaat over de beschikbaarheid van water. Het betreft
de beschikbaarheid van drinkwater, maar ook van zoet water voor het laten groeien
van onze gewassen. We lezen en horen de zorgen van onze deltacommissaris. Met betrekking
tot de beschikbaarheid heb ik de volgende opmerking. In mijn lagereschooltijd was
er een campagne om water te besparen. Ik kan me de stickers nog voor de geest halen.
Tegenwoordig is alles in onze keukens in stijl, maar in die tijd kon je nog een sticker
in een keuken of op een wc-tegeltje plakken. Volgens mij stond er een waterdruppel
of een kraan op, met de tekst «water is van iedereen», «denk aan je toekomst», «douche
kort» of «laat de kraan niet lopen». Ik heb gelezen dat we nu ook midden in zo’n campagne
zitten, maar ik hoor en lees niets. Een sticker op de designtegeltjes hoeft van mij
niet, maar er zijn toch voldoende manieren om hier aandacht voor te vragen? Kan de
Minister toezeggen om meer werk te maken van deze campagne? Ik las dat er begin 2026
actie op wordt gezet, dus ik ga het in de gaten houden.
Mijn tweede punt is de lastige vergunningverlening in verband met de bezwaarprocedure
bij de uitbreiding van drinkwaterbedrijven. Zou de Minister hier een reflectie op
kunnen geven en in kaart kunnen brengen hoe eindeloze bezwaarprocedures ingeperkt
zouden kunnen worden?
Dan het laatste bij dit punt. Wat is het mooi dat ze toch weer een stap naar voren
zetten. Brabant Water is al bezig om te onderzoeken hoe we drinkwater kunnen produceren
uit brak water. Dat is een prachtig voorbeeld van onderop met oog voor de grote opgave.
Als derde de zoetwatervoorziening.
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, heeft de heer Heutink een vraag.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Ik vind het wel mooi: het CDA dat de Minister vraagt om stickers te plakken en campagnes
uit te voeren. Dat is natuurlijk een leuk idee, maar het is zinloos. Kijk bijvoorbeeld
naar de campagne Spitsmijden. Dat is ook zo’n succesverhaal geweest. Denkt het CDA
niet dat opnieuw een campagne allemaal wel leuk is, maar dat dat gewoon weggegooid
geld is en dat we dat geld beter kunnen investeren in echte maatregelen?
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik vind dit een heel mooie vraag. Toen die stickers er waren ... Van mij hoeven die
stickers niet. Het mag ook op een andere manier. Ik zei al dat het niet zo in deze
tijd past. Inmiddels ben ik iets ouder. Ik zei «in mijn jeugd». Dat is een tijdje
geleden – ik zal u niet precies vertellen hoelang geleden – maar ik weet het nog precies,
dus het heeft wel indruk gemaakt. Je moet dat in deze tijdsgeest zien en daar een
campagne op maken. Maar ik zie en hoor helemaal niks, meneer Heutink. Het begint toch
bij de basis? Ik zei weleens, als voorbeeldje: toen mijn kinderen klein waren, was
ik heel enthousiast om die badjes maar te vullen met kraanwater. Dat doe je gewoon
gedachteloos. Maar als je denkt aan dit soort voorbeelden en je weet hoeveel tekorten
er op ons pad komen, zou ik er maar aandacht voor vragen.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Het CDA trapt blijkbaar in het frame dat er een tekort is aan water. Maar snapt het
CDA dan niet dat we als de wiedeweerga nieuwe waterwinbronnen moeten gaan aanleggen
en dat de vergunningstermijnen daarvoor drastisch moeten worden ingekort, dat dat
de manier is waarop we meer drinkwater kunnen genereren? Dan hoeft het CDA als gezinspartij
de mensen die hun zwembadje willen vullen met normaal water hun dat niet af te pakken.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik pak niks af, hoor. Dat valt reuze mee. Alleen, u wilde uw interruptie plegen, en
toen heeft u, denk ik, het tweede deel van mijn verhaal niet gehoord. Dat is wel een
beetje jammer. Volgens mij ging het daarin over de procedures en over de bezwaarprocedure
als er nieuwe drinkwaterlocaties moesten komen. Volgens mij is het een en-enverhaal
en kunnen ze beide. Maar het zou zonde zijn als we niet met z’n allen een beetje secuurder
met water omgaan om te voorkomen dat, mocht het toch niet lukken met die procedures,
we een tekort aan drinkwater krijgen. Voordat ik hier kwam als Kamerlid, ben ik op
bezoek geweest bij het waterwinbedrijf. Ik ben geschrokken van hoe het er in de toekomst
uit zou kunnen zien.
De voorzitter:
Tot slot, de heer Heutink.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Natuurlijk moeten we allemaal een beetje opletten met wat we doen. Helemaal mee eens!
Maar wat ik hoop en eigenlijk ook verwacht van het CDA is dat ze de vrijheid van de
mensen niet gaan inperken, dus dat ze de mensen met rust laten en niet met allerlei
maatregelen gaan dwingen om maar te bezuinigen. Ik hoop niet dat dat een route is
die het CDA wil gaan bewandelen.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Toen ik jong was, heb ik dat nooit als dwangmatig ervaren. Het is een stukje bewustwording.
Volgens mij kan er toch niemand op tegen zijn om bewuster om te gaan met iets wat
heel belangrijk is voor een inwoner van Nederland. Volgens mij kun je daar nooit op
tegen zijn.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Volgens mij was ik bij de zoetwatervoorziening. Dan grijp ik weer even terug op mijn
praktijkervaring als wethouder. Onze gemeente lag op de bodem van de Friese badkuip.
U kent vast het plaatje van de badkuip, met aan de ene kant de hoge zandgronden die
aan het verdrogen zijn en aan de andere kant de verzilting van de kleigronden. In
datzelfde plaatje wordt de oplossing geschetst, namelijk in de veengronden slootpeilverhoging
realiseren zodat er via het grondwater tegendruk komt richting de zand- en de kleigronden.
Hierdoor blijft er meer water voor de zandgronden beschikbaar en vindt de verzilting
minder snel plaats.
Voorzitter. Ik ben zeker geen ontkenner van dit fenomeen, maar in deze hele oplossingsrichting,
ook beschreven in het Deltaprogramma, mis ik samenwerking met de landeigenaren: de
boeren en de TBO’s. In Fryslân mocht ik meewerken aan het Veenweideprogramma. Helaas
verdwenen de transitiegelden NPLG bij het aantreden van het huidige demissionaire
kabinet. Stel dat deze middelen wel beschikbaar waren gebleven in deze regeerperiode,
dan hadden er mooie stappen gezet kunnen worden, bijvoorbeeld in het Veenweideprogramma
samen met de boeren, de natuur, provincie, waterschappen en gemeenten. Er was dan
wel één belangrijk uitgangspunt: het heeft alleen kans van slagen wanneer de praktijkkennis
van de grondbezitters – lees: boeren en TBO’s – zwaar meeweegt bij de besluiten die
je neemt. Dat betekent dat ook proeven, bodemgesteldheid en alternatieve oplossingsrichtingen
geborgd moeten worden. Water laat zich namelijk niet sturen. Daarom heb ik de volgende
vraag aan de Minister. Is de Minister het met mij eens dat juist de kennis van de
grondgebruikers als input gebruikt moet worden om tot oplossingen te komen? Ik hoor
graag een reactie.
Afrondend. We staan voor grote opgaven op het gebied van water, zowel financieel als
op het gebied van kwaliteit, beschikbaarheid en klimaatadaptatie. Laten we in deze
periode samen de schouders eronder zetten. Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Heutink van de Groep Markuszower.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Dank, voorzitter. Bij ieder nieuw debat over het water wordt het weer iets spannender,
want ieder nieuw debat betekent een stap dichter bij de deadline van de doelen van
de Kaderrichtlijn Water van 22 december 2027. Elke keer als we opnieuw een debat hebben
over het water, begin ik mij meer en meer zorgen te maken, niet zozeer over de kwaliteit
van ons water als wel over de gigantische consequenties. Nederland zit straks met
een megagroot probleem. Het waterslot komt eraan, en ik waarschuw al jaren voor de
consequenties. Als u denkt dat het stikstofdrama al erg was, dan heb ik echt slecht
nieuws voor u, want de consequenties van het niet halen van de Kaderrichtlijn Water
zullen nog veel en veel groter zijn. Ongeveer 20% van het hele oppervlak van Nederland
bestaat uit water, dus reken er maar op dat alles en iedereen de gevolgen gaat ondervinden
van het niet halen van de Kaderrichtlijn Water. Werkelijk alles zal geraakt worden
door het aanstaande waterslot.
Voorzitter. Natuurlijk willen wij ook dat ons water schoon is en natuurlijk zijn wij
voor het verbeteren van de waterkwaliteit, maar we moeten wel een beetje realistisch
blijven met elkaar. Om maar een heel simpel voorbeeld te noemen: in een klein dorpje
in Twente stroomt vanuit Duitsland water Nederland in via de grensoverschrijdende
rivier die de Dinkel heet. Zodra je langs de Dinkel loopt richting Duitsland en de
grens oversteekt, dan zijn de waarden helemaal top. Dan is er helemaal niks aan de
hand. Maar zodra je weer terugloopt langs dat water, de Nederlandse grens over, wordt
precies datzelfde water afgekeurd. Aan de ene kant is het prima, maar aan de andere
kant zorgt precies datzelfde water ervoor dat we onszelf opnieuw in een stikstofcrisis
wanen. Mijn vraag aan de Minister is: wanneer gaan we iets doen aan de nationaal vastgestelde
normen binnen de Kaderrichtlijn Water? Wat heeft de Minister concreet nodig, van ons
als Kamer of van andere partijen en medeoverheden, om dit te bewerkstelligen? Ik weet
dat we één keer in de zoveel tijd de nationale normen kunnen herzien. Daar hoor ik
dus graag meer over.
Ik zie dat meneer Schutz een vraag heeft.
De heer Schutz (VVD):
Meneer Heutink, is het antwoord hierop dan niet dat dat juist een fantastisch voorbeeld
is van simplificatie, van regels afstemmen en misschien wat schrappen?
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Als «simplificatie» dat betekent, kunnen we elkaar helemaal vinden. Dan hoop ik dat
ik samen met meneer Schutz misschien een aantal voorstellen kan indienen om de nationale
normen te versoepelen. Daarmee ga ik heel graag met hem aan de slag. Dat is een mooie
stap, denk ik.
Voorzitter, ik ga verder, want volgens mij zijn de vragen beantwoord. Ik weet dat
dit WGO over veel meer mag gaan dan alleen de waterkwaliteit en de Kaderrichtlijn
Water, maar ik ga het vandaag toch alleen daarover hebben, want de tijd dringt. We
hebben nog iets meer dan een jaar. We moeten in actie komen, want anders hebben we
straks – ik zei het net al – een heel groot probleem. In al die jaren dat ik debatten
heb gevoerd over de waterkwaliteit – en ik volg dit dossier nog langer dan dat – staat
de teller nog steeds op nul: nul oppervlaktewateren voldoen op dit moment aan de Europese
normen ten aanzien van waterkwaliteit. Dat is al jaren zo. Tuurlijk zien wij dat de
Minister trots rapporteert dat het doelbereik wat groter is geworden. Ik hoorde net:
richting de 80%. Ik geloof ook echt dat er vooruitgang wordt geboekt. Ik zie ook echt
dat mensen daar hard mee aan de slag zijn; dat moet ook. Echter, de realiteit is dat
we op dit moment op alle wateren in Nederland worden afgekeurd. We halen nog steeds
een onvoldoende. Ik hoorde iemand net al zeggen: we halen nu een 8. Maar zelfs een
8 is bij de Europese Commissie een onvoldoende. Dat is precies waar de schoen wringt.
Dat is het «one out, all out»-principe. Ook dat zeg ik niet voor de eerste keer.
Heel eerlijk – dat zeg ik ook tegen de Minister – schrok ik me rot toen ik de brief
van de Minister las over de kwaliteit, niet zozeer omdat er hele schokkende dingen
in stonden, maar omdat het leek en lijkt alsof hij de onrust een beetje de kop aan
het indrukken is. De Minister schrijft in zijn brief: «De Commissie rekent landen
overigens niet af op het resultaat van de waterkwaliteit op basis van het «one out,
all out»-principe. Dat geldt ook voor de eigen vergunningverlening. Daarbij wordt
de toestand van de afzonderlijke parameters als vertrekpunt genomen.» Als dit geen
complete onzin is, is het op z’n minst erg misleidend. Allereerst is de Kaderrichtlijn
Water gebouwd rondom het «one out, all out»-principe. Dit principe is juridisch bindend
en verankerd in de richtlijn van de Europese Unie. De herziene Kaderrichtlijn Water
verandert daar helemaal niets aan. Deze voegt alleen een nieuwe meetmethode toe als
presentatie. Sterker nog, de Minister noemde zelfs «one out, all out» een wijze van
presenteren, terwijl het gewoon een juridisch bindend middel is. Maar de juridische
consequenties van het feitelijk niet halen van de Kaderrichtlijn Water zullen dus
gewoon blijven bestaan. Het «one out, all out»-principe is hier. Zolang we niet samen
met andere landen om tafel gaan om dit dwangmiddel van tafel te krijgen, zal het hier
ook blijven.
Voorzitter. Ik wil graag een antwoord van de Minister op de vraag of een water, in
het scenario dat één stof niet voldoet, wordt goedgekeurd binnen de KRW en of er dan
vergunningen kunnen worden afgegeven, uiteraard met inachtneming van het Wezerarrest
van het Europese Hof uit 2015 en de daaropvolgende jurisprudentie uit de zaak bij
het Hof van Justitie van de EU uit 2022. Dit Wezerarrest is namelijk van wezenlijk
belang als het gaat om het afgeven van vergunningen. Dit Wezerarrest is eigenlijk
niets minder dan het verslechteringsverbod. Met andere woorden, als er dus een activiteit
vergund moet worden, waardoor de waterkwaliteit er mogelijk op achteruit kan gaan,
is het: zeg maar toedeledokie tegen je vergunning. Dat klinkt nu al als het stikstofdrama,
om iedereen maar even te helpen herinneren. Ik weet niet of Minister Tieman dit herkent,
maar een van zijn voorgangers schreef in 2022 over datzelfde Wezerarrest dat Rijkswaterstaat
concludeert dat het arrest projecten bij waterschappen kan raken, met risico voor
doorlooptijd en de kosten van projecten, vergunningverlening en onderhoud. Dat klinkt
al heel erg ingewikkeld.
Voorzitter. Ik ga het even concreet samenvatten en dan hoop ik dat de urgentie duidelijk
is. We hebben een Europese richtlijn die ons uiteindelijk zal gaan afrekenen op de
kwaliteit van ons water. Meer dan 100.000 parameters in ons water moeten zich in goede
toestand bevinden. Per oppervlaktewater – dat zijn er meer dan 700 – zijn dat er gemiddeld
zo’n 140 die zich stuk voor stuk, een voor een, allemaal in goede toestand moeten
bevinden. Als één stof niet voldoet in een specifiek water, dan wordt dit waterlichaam
afgekeurd, omdat het «one out, all out»-principe nog steeds juridisch bindend is.
Mochten alle maatregelen dan toch, wonder boven wonder, hebben geholpen, dan hebben
we bij dat water nog steeds te maken met het verslechteringsverbod, waardoor vergunningen
een groot probleem kunnen gaan worden. Als je denkt dat dit alles is: we hanteren
dus ook nog eens strengere normen dan onze buurlanden. Ben ik dan de enige die ziet
dat we frontaal op een muur aan het afstormen zijn en dat dit gewoon helemaal misgaat?
Ik zie mevrouw Van der Plas nee schudden. Het is goed nieuws dat ik niet alleen sta
in dit verhaal.
Voorzitter. Mijn vraag aan de Minister is heel erg simpel. Is er al een noodscenario?
Ligt er nu, zoals ik eerder heb gevraagd, een concreet plan van aanpak om te voorkomen
dat Nederland opnieuw in een stikstofcrisis belandt? Liggen er al voorstellen op tafel
om de normen te versoepelen? Hebben we per oppervlaktewater tot in de kleinste details
in kaart wat er moet gebeuren op het moment dat een water wordt afgekeurd binnen de
Kaderrichtlijn Water? Zijn alle juridische uitzonderingsprocedures per oppervlaktewater,
per parameter, met alle na-ijleffecten, tot in detail in kaart? Hebben we zicht op
de effecten van de vergunningverlening, de consequenties voor het bouwen van woningen
en de aanleg van nieuwe infrastructuur? Ik kan zo nog duizend van dit soort vragen
verzinnen. Dat komt doordat we gewoon geen antwoord hebben op alle vragen. Ik hoop
wel dat het zo duidelijk is. Het was een klein lesje Kaderrichtlijn Water voor al
mijn nieuwe collega’s. Maar ik hoop dat dat Minister, ondanks zijn inzet en alle medewerkers
die zich inspannen voor het verbeteren van de waterkwaliteit, nu toch echt eens aan
de slag gaat om deze ramp in wording te voorkomen. Dat is namelijk wat het gaat worden.
Tot slot een paar woorden richting de Minister. Ik wil de Minister bedanken voor zijn
inzet op dit waterdossier. Ik verwacht dat dit zijn laatste waterdebat is in deze
Kamer. Heel veel dank voor de inspanningen. Ik wens de nieuwe Minister van Infrastructuur
en Waterstaat – misschien zit hij hier wel aan deze tafel; we gaan het meemaken –
alvast heel erg veel sterkte met dit ontzettend complexe, maar toch heel erg belangrijke
dossier. Het zal niet makkelijk zijn, maar we moeten wel aan de slag, want we moeten
als de wiedeweerga nieuwe woningen, nieuwe infrastructuur en nieuwe drinkwaterbronnen
gaan aanslaan.
Dank u wel.
De voorzitter:
Lid Kostić heeft een vraag.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ja, ik heb toch een vraag. Ik heb mijn collega in eerdere debatten op dit punt uitgedaagd.
Los van die specifieke doelen – die zetten we even opzij – weten we dat het niet heel
goed gaat met de kwaliteit van onze wateren. Het kost dus het waterbedrijf steeds
meer geld om het water te zuiveren. Dat komt uiteindelijk op het bordje van de gewone
burger, van de belastingbetaler, van de kiezer van mijn collega. Mijn concrete vraag
aan mijn collega is dus welke stappen hij wil zetten om juist te voorkomen dat het
water verder vervuild wordt. Kan hij daar drie voorbeelden van noemen?
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Ik ga niet drie voorbeelden geven omdat het lid Kostić dat zo graag wil, en ook geen
twee. Ik ga het even heel simpel uitleggen. Feit is dat we een heel actieplan hebben
om de waterkwaliteit te verbeteren en om de doelen van de Kaderrichtlijn Water te
halen. Ik heb in het coalitieakkoord gelezen dat er 250 miljoen per jaar wordt gereserveerd
om nog wat meer te doen. Dat is overigens veel te laat. En we moeten wat gaan doen
aan de lozingen. Daar ben ik het mee eens, want het water moet gewoon schoon zijn.
Zoals ik net in mijn bijdrage al heb gezegd: ook wij vinden dat het water schoner
moet worden. Gaan we daarin zo ver als de Partij voor de Dieren, zodat we daarmee
ook een groot economisch probleem over ons afroepen? Nee. Dat gaan we niet doen. We
gaan weloverwogen bekijken wat we kunnen doen en wat de effecten daarvan zijn voordat
we overgaan tot zo’n stap. Maar feit is: het water moet schoner. Er zijn plannen.
Daar wil ik het eigenlijk bij laten.
De voorzitter:
Tot slot, lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik voel een beetje ongemak bij mijn collega. Vindt mijn collega de plannen die er
nu liggen dan goed genoeg?
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Als de plannen goed genoeg waren geweest, had ik geen noodkreet geuit over het al
dan niet halen van de Kaderrichtlijn Water. Als de plannen goed genoeg waren geweest,
dan hadden we in 2027 de doelen van de Kaderrichtlijn Water gehaald. Dan hadden we
nu niet 80% doelbereik gehad, maar dan hadden we nu op z’n minst al in de buurt van
95% moeten zitten, willen we het over anderhalf jaar halen. Dan hebben we weliswaar
nog na-ijleffecten en wat uitzonderingsgronden waar we wat mee kunnen, maar de vraag
is of we dat überhaupt voldoende in kaart hebben en of we straks dan niet gewoon te
laat zijn. Mijn vrees is oprecht dat we straks te laat zijn en dat we, net als bij
de stikstofcrisis, dit allemaal weer laten gebeuren; ik hoop dat iedereen hier dat
ook echt in zijn oren gaat knopen. Wat hebben we dan? Dan kunnen we nog niks. Dan
kunnen we allemaal mooie plannen gaan verzinnen met elkaar, maar dan houdt het gewoon
op. Dan kunnen we beter naar huis gaan, want dan zijn we gewoon te laat.
De voorzitter:
Dan is het woord aan mevrouw Van der Plas, BBB.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Voorzitter, dank u wel. Water is van levensbelang voor mens, natuur, economie en de
voedselproductie. BBB hecht daarom groot belang aan schoon en voldoende water, maar
wel op een manier die eerlijk, uitvoerbaar en proportioneel is. Waterbeleid moet bijdragen
aan daadwerkelijke verbetering van de waterkwaliteit en aan het beschikbaar houden
van voldoende water, niet aan het verder vastzetten van Nederland en ook niet aan
het eenzijdig afschuiven van problemen op boeren en andere gebruikers van het landelijk
gebied. BBB maakt zich daar namelijk grote zorgen over, want we zien dat de waterkwaliteit
de afgelopen jaren steeds vaker wordt ingezet als een nieuw juridisch slot, boven
op stikstof, natuur en klimaat. De optelsom van al deze dossiers dreigt onhoudbaar
te worden. BBB wil voorkomen dat waterbeleid verwordt tot een nieuw generiek afrekeningsinstrument
waarbij vooral de landbouw wordt aangesproken, terwijl andere bronnen en de internationale
context structureel onvoldoende worden meegewogen.
Voorzitter. Uit diverse rapportages blijkt dat de waterkwaliteit in Nederland op onderdelen
daadwerkelijk verbetert. Tegelijkertijd liggen er nog grote opgaven. Dat ontkent BBB
niet. Ons baart echter zorgen dat in het beleid de nadruk vrijwel automatisch en eenzijdig
komt te liggen op nutriënten uit de landbouw, terwijl andere aantoonbaar relevante
bronnen structureel onderbelicht blijven. Zo weten we dat een aanzienlijk deel van
de nutriënten en de chemische belasting van het oppervlaktewater afkomstig is van
riooloverstorten bij piekbuien, verouderde rioolwaterzuiveringsinstallaties, industriële
lozingen, historische vervuiling in de bodem en waterbodems, medicijnresten en stoffen
zoals pfas. Daarnaast speelt zwerfafval een steeds grotere rol. Ook de buitenlandse
aanvoer via grote rivieren als de Rijn, de Maas, de Schelde en de Eems, maar ook via
de kleinere wateren, is van grote betekenis. Dat zijn rivieren waar Nederland zelf
nauwelijks invloed op heeft, maar waarop sectoren wel volledig worden afgerekend.
Uit een herberekening die recent is gepubliceerd, blijkt bovendien dat het aandeel
van de landbouw in de totale nutriëntenbelasting van het water structureel lager ligt
dan jarenlang is aangenomen. Op basis van geactualiseerde cijfers blijkt dat eerdere
ramingen het landbouwaandeel fors hebben overschat, terwijl andere bronnen onvoldoende
zijn meegenomen.
Dat beeld wordt versterkt door de gang van zaken rond de zogenaamde met nutriënten
verontreinigde gebieden. Eind 2023 publiceerde het Ministerie van Landbouw onder leiding
van het vorige kabinet een kaart met deze gebieden. Die kaart oogstte heel veel kritiek,
en terecht. De kaart was namelijk gebaseerd op een bronnenanalyse uit 2016, die op
haar beurt weer was gebaseerd op data uit de periode 2010–2013. Met een rekenmodel
– daar gaan we weer met de modellenwerkelijkheid – werd toen vastgesteld welk aandeel
van de stikstofbelasting aan welke bron kon worden toegerekend. Daarbij werd ongeveer
40% van de stikstof toegeschreven aan bemesting vanuit de landbouw. De huidige landbouwminister
heeft vervolgens terecht aangekondigd deze kaart te vervangen door een nieuwe kaart
met aandachtsgebieden, in samenhang met het achtste actieprogramma Nitraatrichtlijn.
Voor die nieuwe kaart is de bronnenanalyse recent geactualiseerd. En wat blijkt? Het
berekende landbouwaandeel in de stikstofbelasting is duidelijk flink verminderd. Dat
is geen detail; dat is echt een fundamenteel andere werkelijkheid.
Toch heeft de Kamer vorige maand deze actualisatie, en daarmee eerlijker beleid gebaseerd
op betere cijfers, tegengehouden. Dat betekent dat boeren op dit moment te maken hebben
met watermaatregelen die zijn gebaseerd op aannames en cijfers waarvan inmiddels bekend
is dat ze niet kloppen. Dat is niet alleen politiek heel ongelukkig; dat is ook inhoudelijk
heel kwalijk en dan druk ik me nog licht uit. Kan het kabinet bevestigen dat uit een
geactualiseerde bronnenanalyse blijkt dat het landbouwaandeel in de nutriëntenbelasting
veel lager ligt dan eerder werd aangenomen? Kan het kabinet aangeven of het beleid,
de regels en de verplichtingen waar boeren nu mee te maken hebben anders zouden zijn
geweest als vanaf het begin met deze juiste cijfers was gerekend? Wat was er nu anders
geweest in welk gebied als bij de aanwijzing actuele data gebruikt waren? Welke consequenties
verbindt het kabinet hieraan voor het huidige waterbeleid en de lopende maatregelen?
Voorzitter. Ook officiële rapportages van onder meer Rijkswaterstaat en Deltares laten
zien dat in grote rivieren een aanzienlijk deel van de stikstof- en fosforbelasting
afkomstig is uit het buitenland. Voor de Rijn en de Maas gaat het om substantiële
percentages die via Duitsland en België ons watersysteem binnenkomen. Toch verdwijnen
deze bijdragen in de beleidskeuzes vaak naar de achtergrond of worden ze toegerekend
aan de landbouw, waardoor nationale sectoren volledig worden aangesproken op het niet
behalen van de doelen. BBB mist in het huidige waterbeleid een echte bronaanpak. Niet
alles wat in het water zit, komt van het land. Niet alles wat van het land komt, komt
van de boeren. Niet alles wat Nederland meet, is door Nederland veroorzaakt. Toch
worden maatregelen vaak generiek opgelegd aan één sector, zonder dat helder is welk
probleem daar nou precies mee wordt opgelost. Kan het kabinet aangeven hoe wordt geborgd
dat onjuiste of verouderde aannames over bronbijdragen, waaronder de overschatting
van het landbouwaandeel in de nutriëntenbelasting, niet doorwerken in vergunningverlening,
handhaving en rechterlijke toetsing onder de Kaderrichtlijn Water? Hoe wordt voorkomen
dat individuele boeren juridisch worden aangesproken op milieuproblemen waarvan de
oorzaak aantoonbaar breder is of deels buiten Nederland ontstaat?
Voorzitter. Het achtste actieprogramma Nitraatrichtlijn bevatte een duidelijke koerswijziging
ten opzichte van eerdere actieprogramma’s. Voor het eerst werd niet automatisch gekozen
voor verdere aanscherping, maar werd expliciet gekeken naar verlichtingen daar waar
dat aantoonbaar mogelijk was. Het achtste actieprogramma markeerde daarmee een noodzakelijke
omslag: weg van die steeds nieuwe generieke maatregelen en juist koers zetten richting
maatwerk en differentiatie. BBB vindt dat een verstandige koers, want we moeten stoppen
met het telkens opleggen van nieuwe verplichtingen terwijl eerdere maatregelen nog
niet eens goed zijn geëvalueerd. Zoals eerder benoemd, is het aandeel van de landbouw
in de nutriëntenbelasting lange tijd overschat geweest. Tegelijkertijd weten we nog
onvoldoende of de maatregelen uit het zevende actieprogramma überhaupt het beoogde
effect hebben gehad op de waterkwaliteit. Het is dan ook niet uitlegbaar om nieuwe
verplichtingen op te leggen terwijl de effectiviteit van bestaand beleid nog niet
is vastgesteld. Ik vind dat een gemiste kans.
Voorzitter. Een andere gemiste kans is het feit dat Nederland nog steeds het volledige
grondgebied aanwijst als kwetsbare zone. Al jarenlang wijst Nederland het hele grondgebied
aan als kwetsbare zone onder de Nitraatrichtlijn, alsof elk gebied hetzelfde is, alsof
overal dezelfde problemen spelen en alsof maatwerk niet bestaat. Maar dit beeld klopt
niet. Dat staat nu ook gewoon zwart-op-wit. Het CDM-advies – CDM staat voor de Commissie
van Deskundigen Meststoffenwet – laat zien dat in klei- en veengebieden de nitraatconcentratie
in het grondwater al jaren onder de norm ligt. De waterkwaliteit is daar op orde.
Dat is geen verwachting, dat is geen model: dat is een feit. Tegelijkertijd lezen
we in datzelfde rapport dat de bijdrage van deze gebieden aan de nutriëntenbelasting
van Noordzee zeer beperkt is. Het grootste deel van die belasting komt uit het buitenland.
Extra nationale maatregelen in deze gebieden leveren dus nauwelijks milieuwinst op,
maar hebben wel enorme gevolgen voor boeren en de ruimte om te ondernemen, maar ook
voor onze voedselvoorziening.
Dan wordt vaak gewezen op eutrofiëring, oftewel vermesting. Maar ook daar is het beeld
genuanceerder dan soms wordt geschetst. De CDM geeft aan dat het in klei- en veengebieden
voor een groot deel gaat om een mógelijk risico, niet om een vastgesteld en actueel
probleem. En toch worden op basis van die risico-inschattingen generieke maatregelen
opgelegd. Dat is gewoon niet proportioneel, zeker niet al je kijkt naar wat allemaal
al geregeld is. We hebben mestnormen, we hebben gebruiksnormen, we hebben fosfaatrechten.
Daarbovenop komen nog de maatregelen uit de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel,
die de stikstofemissies naar de lucht verder gaan beperken. Die samenhang zien we
nauwelijks terug in de afwegingen.
Voorzitter. Europa verplicht Nederland om het hele land als kwetsbare zone aan te
wijzen. De ruimte is er om het anders te doen. Andere lidstaten maken daar ook gebruik
van. Als de waterkwaliteit het toelaat – en dat laat deze hier toe – dan is het onze
verantwoordelijkheid om die ruimte ook daadwerkelijk te benutten. Daar komt bij dat
het beleid steeds meer inzet op doelsturing; dat betekent dat je individuele bedrijven
kunt aanspreken waar dat nodig is, in plaats van hele gebieden collectief te bestraffen.
De doelsturing is slimmer, rechtvaardiger en effectiever. Is de Minister het daarmee
eens?
Voorzitter. De conclusie voor de BBB is helder. De ruimte is er juridisch en inhoudelijk
en de onderbouwing ligt op tafel. We zijn het dan aan Nederland en aan onze boeren
verplicht om niet te blijven hangen in oude reflexen, maar dit in gang te zetten.
Zo kan in klei- en veengebieden dan meer dierlijke mest, en daardoor minder kunstmest,
gebruikt worden in de landbouw. Nú is de tijd. BBB heeft dit toen in het hoofdlijnenakkoord
laten zetten en het gegeven dat er nu een nieuw kabinet komt, mag deze inzet niet
stoppen. We moeten nu handelen. Wijs niet langer Nederland aan als kwetsbare zone.
Doe dat zo snel mogelijk.
Voorzitter. De Nitraatrichtlijn is niet het enige Europees kader waarmee Nederland
te maken heeft. Ook de Kaderrichtlijn Water is uit Europa afkomstig, maar ook hier
geldt dat de uitwerking daarvan sterk per lidstaat verschilt. Nederland lijkt structureel
te kiezen voor een strengere, juridisch meer risicomijdende interpretatie dan onze
buurlanden. Dat leidt tot scheve concurrentieverhoudingen en onnodige nationale koppen.
En nationale koppen zijn extra Nederlandse regels op bestaand Europees beleid. BBB
ziet grote verschillen in normstelling en beoordeling tussen Nederland, België en
Duitsland. In Vlaanderen en Noordrijn-Westfalen worden andere drempelwaarden gehanteerd,
andere meetpunten gebruikt en vaker gewerkt met trendmatige beoordeling in plaats
van absolute normoverschrijding.
Een illustratief voorbeeld zien we bij de grensoverschrijdende wateren met Duitsland.
Mijn voorganger, de heer Heutink, heeft het hier ook al over gehad. Neem bijvoorbeeld
de Dinkel. Op meerdere plekken wordt eenzelfde rivier of beek aan de Duitse zijde
beoordeeld als voldoende of goed, terwijl datzelfde water direct na de grens aan Nederlandse
zijde als matig of slecht wordt aangemerkt en daarmee rood kleurt op de kaart. Ik
lach er een beetje bij, maar het is eigenlijk te zot voor woorden. Dat is ook waarom
ik lach. Ik denk echt: waar zijn we in hémelsnaam mee bezig hier? Het water wordt
niet slechter aan de grens, maar de norm verandert, de interpretatie verandert, de
juridische gevolgen veranderen. De fysieke waterkwaliteit blijft gelijk, maar de Nederlandse
beoordeling maakt het verschil. Dat verschil komt uiteindelijk volledig terecht bij
de Nederlandse boeren en bedrijven. Kan het kabinet bevestigen dat deze verschillen
in classificatie en normstelling zich voordoen aan de grens met Duitsland? Kan het
kabinet alsjeblieft uitleggen waarom Nederland ervoor kiest om binnen de Europese
bandbreedte strenger te zijn dan onze buurlanden, met alle juridische en economische
gevolgen van dien?
Voorzitter. Dan de manier waarop Nederland rapporteert aan Brussel. BBB heeft daar
ook wel vraagtekens bij. We zien namelijk dat Nederland zich structureel slechter
presenteert dan nodig. Dat begint bij de normstelling en eindigt bij de rapportage
richting de Europese Commissie. In Nederland werken waterschappen met zogeheten maatlatnormen,
die zijn ontwikkeld door het kenniscentrum voor waterschappen, STOWA. Die normen zijn
bedoeld als ecologisch onderbouwde richtwaarden binnen de Kaderrichtlijn Water. Deze
maatlatten bieden expliciet ruimte om normen te corrigeren voor natuurlijke achtergrondconcentraties,
zoals kwel op veenbodems, bodemsamenstelling en geochemische omstandigheden. Die ruimte
ís er Europees ook. De Europese Commissie staat toe dat normen worden aangepast wanneer
overschrijdingen aantoonbaar het gevolg zijn van natuurlijke oorzaken en dus niet
van menselijke belasting. Toch zien we dat deze ruimte in Nederland onvoldoende wordt
benut. In plaats van normen te corrigeren voor de natuurlijke achtergrondvervuiling
worden overschrijdingen vaak volledig administratief toegerekend aan menselijke bronnen
en, jawel, in de praktijk vrijwel altijd aan de landbouw. Daarmee ontstaat er een
vertekend beeld, zowel nationaal als richting Brussel. Dat beeld wordt vervolgens
leidend in Europese rapportages, derogatiebesluiten en aanvullende opgaven. Ik zou
graag hierop een reactie willen van de Minister.
Voorzitter. We zien in Europese rapportages dat stoffen als zink, arseen, aluminium,
kobalt, seleen en zilver belangrijke redenen zijn waarom waterlichamen als «niet voldoende»
worden beoordeeld, terwijl bekend is dat deze stoffen in veel gebieden van nature
voorkomen, bijvoorbeeld door kwel of bodemchemie. Als die natuurlijke bijdrage niet
wordt gecorrigeerd, dan ontstaat er een vals negatief beeld van de waterkwaliteit.
En dat heeft gevolgen. Dan lijkt het alsof Nederland structureel faalt op de Kaderrichtlijn
Water, terwijl een deel van die overschrijdingen simpelweg niet maakbaar is. BBB vindt
dat Nederland hiermee zijn eigen problemen vergroot, want als wij richting Brussel
rapporteren zonder correctie voor natuurlijke oorzaken, zetten we onszelf klem en
volgen er extra opgaven, strengere eisen en verdere juridische druk, terwijl de feitelijke
milieuwinst gewoon ontbreekt.
Kan de Minister toelichten waarom Nederland bij de rapportage aan Brussel onvoldoende
gebruikmaakt van de mogelijkheid om normen te corrigeren voor natuurlijke achtergrondbelasting,
terwijl die ruimte er expliciet wel is? Is het kabinet bereid om alle waterschappen
te verplichten om expliciet te onderbouwen of correctie voor natuurlijke bronnen nodig
is bij stikstof, fosfor en metalen, en om waar dat het geval is ook daadwerkelijk
maatlatnormen toe te passen? En is het kabinet bereid om in beeld te brengen waar
in Nederland overschrijdingen van de Kaderrichtlijn Waternormen aantoonbaar het gevolg
zijn van natuurlijke oorzaken, zodat we richting Brussel een eerlijk en feitelijk
beeld geven in plaats van een structureel te negatief beeld?
De voorzitter:
Er is een interruptie van de VVD. De heer Schutz.
De heer Schutz (VVD):
Een vraag aan mevrouw Van der Plas. Ik snap haar betoog. Ik hoor het aan. Maar we
zitten hier vandaag voor het onderwerp waterkwaliteit. Althans, het gaat over water,
waar waterkwaliteit onderdeel van is. Waterkwaliteit en de Nitraatrichtlijn hebben
elkaar voor de kerst heel dicht geraakt. Dus ik snap het op zich best. Alleen, als
het gaat om de Nitraatrichtlijn, hebben we het over een ander departement, over LVVN.
Is de consequentie dat we de discussie die we voor kerst gevoerd hebben, hier nu over
gaan doen? Wat is de strekking van wat u eigenlijk vraagt?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik denk dat mijn vragen heel duidelijk zijn. Die heb ik net allemaal gesteld. De Minister
van Landbouw heeft met de Nitraatrichtlijn te maken, zeker. Maar de Nitraatrichtlijn
en waterkwaliteit lopen door elkaar heen, die lopen gewoon door twee ministeries heen.
Dat is de reden waarom ik hier die vragen stel aan deze Minister. Voor mij is het
belangrijkste dat we dit kromme beleid gaan stoppen. We moeten bezig zijn met de bigger
picture, de grote lijn. Volgens mij moeten we niet gaan dimdammen over de vraag of
het de Minister van LVVN of de Minister van IenW is die hier antwoord op moet geven.
Daar gaat het helemaal niet om. We zetten ons hele land op slot. Ons hele land zit
op slot. Ik heb hier heel veel voorbeelden genoemd van wat wij als Nederland zouden
kunnen doen, maar wat gewoon niet gebeurt. Ik hoorde de heer Schutz net zeggen: ik
wil wel samen optrekken om te kijken of we het allemaal kunnen simplificeren. Nou,
ik heb dat hier gevraagd. Dus ik nodig de heer Schutz graag uit.
De voorzitter:
Dank u wel. Meneer Schutz heeft een vervolgvraag.
De heer Schutz (VVD):
Ik vroeg het omdat er natuurlijk wel moties zijn ingediend, die ook zijn aangenomen,
met als gevolg dat met name het nieuwe kabinet ermee aan de slag moet. De vragen die
u stelt, zijn helder. Ik begrijp ook wel waarom u die vragen stelt. Het zijn geen
onduidelijke vragen, maar mijn vraag aan u is wel: gaan we de discussie in het landbouwdebat
van voor de kerst hier nu overdoen of laten we dit aan het volgende kabinet over?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nou, de Kamer heeft gezegd dat het aan het nieuwe kabinet overgelaten moet worden,
en wij hebben natuurlijk tegen die motie gestemd. Het achtste actieprogramma is nog
steeds heel streng, hè, maar daar zaten wel versoepelingen in voor gebieden waarvoor
dat mogelijk was. We hebben onszelf gewoon opnieuw op achterstand gezet, juist met
wat ik hier allemaal genoemd heb, dus al die dingen die al kunnen. Dus ja, ik ga dat
hier weer aan de orde stellen, maar feit is dat de motie een meerderheid had in de
Tweede Kamer. BBB heeft ertegen gestemd en helaas is die motie toch aangenomen.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Een klein puntje van orde: de LVVN-minister zou hier gewoon zijn op uitnodiging van
de Kamer, juist omdat we die Minister vragen wilden stellen omdat de landbouw zo’n
knelpunt is bij oplossingen voor water. Ik zou de Kamerleden dus willen oproepen om
elkaar hierin niet verder te beperken. De Minister heeft gewoon geweigerd om hiernaartoe
te komen, en deze Minister heeft toegezegd om in haar plaats de vragen te beantwoorden.
De voorzitter:
Dan is er ook een vraag van mevrouw Vellinga-Beemsterboer.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Een kleine verduidelijkende vraag. Mevrouw Van der Plas triggert mij even met de opmerking
over the bigger picture. Ik heb een vraag, op het risico af dat we het debat gaan
overdoen, want dat is niet mijn bedoeling. U zegt aan de ene kant dat heel veel nog
niet duidelijk is en dat heel veel nog niet getest is, maar u vraagt aan de andere
kant wel om verruiming. Dat werkt wel twee kanten op. Mijn zorg zit in het volgende.
Hoe zorgen we ervoor dat we ook langetermijnperspectief gaan waarborgen en niet te
snel in ogenschijnlijke verruimingsmogelijkheden stappen?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Wat ik hier zonet allemaal opnoemde, is gewoon allemaal concreet. Dat is gewoon concreet.
Vorige week bleek bij de technische briefing dat 83% van onze wateren gewoon voldoet.
En niet alles wat van het land komt, komt van de landbouw. Dat is ook gezegd. Ook
komt niet alles wat hier in het water zit uit Nederland. Wij pleiten er gewoon voor
om maatwerkbeleid te voeren, zodat we niet ons hele land op slot zetten. Echt, ik
kan er gewoon niet bij dat andere partijen dat niet zien. Er wordt gewerkt met modellen
en met zo’n kaartje – ik heb dat zonet in mijn tekst ook al genoemd – dat uiteindelijk
gewoon bijgesteld is omdat er voor de huidige situatie data werden gebruikt uit 2010
en 2013. Uiteindelijk is dat bijgesteld. Wij willen toch gewoon goed beleid voor onze
mensen in Nederland? We willen toch beleid dat uitvoerbaar en haalbaar is en recht
doet aan degenen waar het om gaat? In dit geval zijn dat boeren, maar het gaat bijvoorbeeld
ook om industriële bedrijven. We moeten toch gewoon zorgen dat we goed beleid hebben?
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Nee, daar kunnen we elkaar helemaal in vinden, maar juist daarom vraag ik het. Hoe
zorgen we ervoor dat het langetermijnbeleid dan ook goed is? U zegt terecht dat die
modellen verouderd zijn. Ik zou geen enkele industrie, of het nou de agrarische sector
of de industriële sector is, nu willen opzadelen met richtlijnen die we over twee
jaar weer moeten veranderen. Ik ben benieuwd naar de plannen van mevrouw Van der Plas
daarvoor.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
We hoeven helemaal niks te veranderen, want de Europese Commissie vraagt een aantal
dingen niet van ons. Die doen wij zelf. Wij zeggen zelf «we gaan het allemaal nóg
strenger doen» of «we gaan het op déze manier doen». Er zijn landen die dat niet doen.
Ik noemde zonet het voorbeeld van de Dinkel. Aan de andere kant van de grens is de
waterkwaliteit goed, omdat ze daar met andere normen werken, en aan onze kant is de
waterkwaliteit slecht. Dat is juist het punt. Het is ook niet zo dat er verouderde
modellen worden gebruikt. Er worden verouderde data gebruikt, die vervolgens in modellen
worden gezet. Dat is het grote probleem.
De voorzitter:
Mevrouw Boelsma heeft ook een vraag.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik waardeer de bevlogenheid van mevrouw Van der Plas. Er zijn veel moties door de
Kamer ingediend en er is in december geconstateerd dat de ministeries er onderling
niet uitkwamen, waardoor het achtste actieprogramma er niet is gekomen. Wat is uw
reflectie daarop vanuit uw partij, de BBB, die op dat moment met twee bewindspersonen
aan zet was?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat vind ik vanzelfsprekend heel erg jammer, en dat had ook niet gehoeven. Het achtste
actieprogramma had gewoon door gemoeten. Dat had voor heel veel boeren ... Dat zeg
ik: het achtste actieprogramma was geen versoepelingsprogramma; daar zaten zeker aanscherpingen
in. Voor plekken waarop het kon, zaten er versoepelingen in. Mijn grote zorg is dat
die versoepelingen er straks niet gaan komen, terwijl dat wel gewoon kan.
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Vindt u het wel mooi dat door de motie-Grinwis de doelsturing is gered?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Doelsturing staat gewoon in het hoofdlijnenakkoord. Dat is er door de Ministeriële
Commissie Economie en Natuurherstel gewoon in gezet. Er is dus helemaal geen sprake
van dat dat «gered» is. Dat is gewoon beleid dat wij gingen uitvoeren. Ik hoop dat
dat onder een volgend kabinet in stand kan blijven. Niet iedereen is daar even gelukkig
mee. Voor een aantal boeren zitten er misschien ook wel wat haken en ogen aan. Ik
snap dat boeren zich daar op sommige punten zorgen over maken, maar doelsturing betekent
wel dat je de boer aan de knoppen zet. Dat is voor ons belangrijk. In plaats van dat
de overheid zegt «dit en dat moet je doen om stikstof te reduceren», zit de boer nu
zelf aan de knoppen en kan die, op de manier die het beste bij hem past, voldoen aan
het reduceren van stikstof. Nog even los van het feit dat de stikstofproblemen hier
in Nederland worden veroorzaakt door de stikstofwet en door wurgende extra regelgeving,
maar dat terzijde.
De voorzitter:
Was u al klaar met uw betoog, mevrouw Van der Plas?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nee, voorzitter. Nog lang niet.
De voorzitter:
Vervolgt u alstublieft uw betoog.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Voorzitter. Daarbij komt een tweede fundamenteel punt waar BBB vraagtekens bij zet,
namelijk de diepte en locatie waarop wij meten. In Nederland worden nitraat en grondwater
vaak gemeten vlak onder de wortelzone, soms op slechts 50 centimeter onder het maaiveld.
Dat is precies de zone waar tijdelijke uitspoeling kan optreden, bijvoorbeeld direct
na bemesting of bij hevige neerslag. Maar dat is niet de plek waar het grondwater
wordt gewonnen voor drinkwater en het is ook niet de plek waar de Kaderrichtlijn Water
primair over gaat als het gaat om de bescherming van strategische grondwatervoorraden.
Nitraat is bovendien een stof waar van alles mee gebeurt in de bodem. Het breekt af,
wordt vastgelegd of wordt omgezet naar mate het dieper in de bodem komt, afhankelijk
weer van het bodemtype, de beschikbaarheid van zuurstof en microbiologische processen.
Door uitsluitend ondiep te meten, ontstaat er een momentopname die weinig zegt over
de kwaliteit van het grondwater op grotere diepte, waar drinkwater wordt gewonnen
en waar de langetermijnrisico’s relevant zijn. BBB vindt het daarom problematisch
dat op basis van ondiepe metingen zware conclusies worden getrokken over de algehele
staat van het grondwater, en dat hier vergaande beleidsopgaven aan worden gekoppeld.
In Europese rapportages over derogatie en grondwaterkwaliteit is bovendien te zien
dat Nederland zelf richting Brussel rapporteert dat het grondwater op grotere diepte
lang niet overal even slecht is. Dat roept de vraag op waarom nationaal beleid wel
wordt gebaseerd op deze meest ongunstige meetpunten. Kan het kabinet toelichten waarom
Nederland ervoor kiest om primair te sturen op metingen vlak onder de wortelzone,
terwijl bekend is dat deze metingen niet representatief zijn voor drinkwaterwinningen
en diepe grondwaterlichamen? Is het kabinet bereid om bij de beoordeling en rapportage
van de grondwaterkwaliteit structureel onderscheid te maken tussen ondiep grondwater
en diep grondwater, en om beleidsconclusies primair te baseren op die lagen waar daadwerkelijke
risico’s voor drinkwater en ecosysteem bestaan? En kan het kabinet bevestigen dat
het meten op grotere diepte, waar drinkwater wordt gewonnen, in veel gevallen een
beduidend gunstiger beeld laat zien dan nu in het nationale beleid wordt geschetst?
Voorzitter. Ik ga nu even in op iets anders wat ook met water te maken heeft. Nederland
behoort wereldwijd tot de top in de maritieme sector. Daar moeten we echt trots op
zijn. Die positie is het resultaat van een eeuwenlange opbouw van kennis en kunde,
van vakmanschap en van investeringen in de toekomst, van generatie op generatie. Wij
weten dat de Minister als voormalig maritiem officier een heel groot hart heeft voor
de maritieme sector en dat hij zich daar keihard voor inzet. Die koppositie is echter
allesbehalve vanzelfsprekend. De sector staat onder toenemende druk door oneerlijke
internationale concurrentie en geopolitieke spanningen. Juist daarom zijn duidelijk
en consistent beleid en een langetermijnstrategie die rust en duidelijkheid biedt
aan de sector en inzet op structurele investeringen in onze maritieme infrastructuur
cruciaal.
De scheepsbouw- en reparatiewerven zijn daarbij van strategisch belang. Als ze verdwijnen,
komen ze niet terug. Dat raakt niet alleen onze havens en onze werkgelegenheid, maar
ook onze nationale veiligheid. Het aandeel van de Nederlandse vloot in de wereldhandel
loopt al terug. Het verdwijnen van werven zal die ontwikkeling alleen maar versnellen.
Is de Minister bereid om scheeps- en reparatiewerven expliciet op te nemen in een
nationale havenstrategie?
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, ik ga even een punt van orde maken, want dit is geen onderwerp
van het debat. Artikel 8.15 van het Reglement van Orde stelt dat we echt bij het onderwerp
moeten blijven. Dit onderwerp hoort niet bij dit WGO Water, dus ik weet niet of u
nog veel heeft, maar liever niet.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dan ga ik met iets anders verder. Wat wel degelijk met water te maken heeft, zijn
de problemen rond de watertaxi van Ameland. Nu de Minister voornemens is om de vaarsnelheid
in de nacht voor de watertaxi’s te verhogen ...
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, ik ga u weer even onderbreken. Dat doe ik niet om u af te kappen,
maar omdat dit onderwerp op donderdag 12 februari op de agenda van het commissiedebat
Wadden staat. Bewaar die tekst dus liever voor dan, want dan kunnen de anderen ook
met u meediscussiëren. Dan hebben zij zich namelijk ook voorbereid.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik heb dit onderwerp meegenomen omdat ik meen dat de Minister volgende week maandag
een bezoek gaat brengen aan Ameland. Dat is weliswaar voor het debat, maar ik wil
hem hier eigenlijk graag nog wat meegeven voor het bezoek dat hij gaat brengen aan
de Wadden. Volgens mij bestaat er over de watertaxi wel brede consensus, dus is dat
hier geen onderwerp van grote discussie.
De voorzitter:
Nee, dat klopt. Sterker nog, het is vorige week aan de orde geweest, bij het commissiedebat
Maritiem. Toen zijn er ook aanbevelingen meegegeven aan de Minister. Dus én dat is
geweest én dat komt nog. Ik zou u echt willen verzoeken om u te houden aan het onderwerp
van deze vergadering. Die staat weliswaar tot 17.00 uur ingepland, maar dat is geen
uitnodiging om eindeloos allerlei onderwerpen erbij te halen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nee, dat klopt. Dan wil ik daar één vraag over stellen. Mocht die al gesteld zijn:
ik zat toen in een ander debat, dus ik was daar niet bij. Ik heb begrepen dat er een
ecologische toets gaat komen. Ik zou graag willen weten waar die ecologische toets
uit gaat bestaan. Als die vraag al beantwoord is, hoor ik dat graag, want dan ga ik
dat in de Handelingen opzoeken.
De heer Schutz (VVD):
Als antwoord, om mevrouw Van der Plas gerust te stellen: ik heb een toezegging gevraagd
en ook gekregen van deze Minister dat hij de ecologische toets als een maatwerkvraag
neerlegt bij de Minister van LVVN.
De voorzitter:
Dat ter verduidelijking. Mevrouw Van der Plas, gaat u verder met uw betoog.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik ga verder.
Voorzitter. Wij zijn positief over het akkoord in Brussel om de waterkwaliteit niet
langer uitsluitend te beoordelen volgens het «one out, all out»-principe, maar om
ruimte te bieden voor een aanvullende methodologie die vooruitgang ook zichtbaar maakt.
Tegelijkertijd is het voor BBB van groot belang dat deze nieuwe aanpak niet alleen
maar op papier bestaat. Kan de Minister aangeven wanneer deze methodologie wordt geïmplementeerd,
hoe die er concreet uit gaat zien en wat die betekent voor de Nederlandse praktijk?
BBB vindt het essentieel dat zichtbaar wordt waar daadwerkelijk verbeteringen worden
gerealiseerd, zodat beleid eerlijker en realistischer kan worden ingezet. In de Miljoenennota
is 294 miljoen euro beschikbaar gesteld voor waterkwaliteitsmaatregelen, waaronder
het aanleggen van nessen en vispassages, specifiek ten aanzien van de problematiek
rondom de rivierkreeft. Mijn vraag is of in dit kader ook de moties-Van der Plas zijn
meegenomen, zowel als het gaat om het verder in kaart brengen van de problematiek
als om de oproep aan waterbeheerders om waterbarrières voor de paling ook aan te pakken.
Dan nog even over de Kaderrichtlijn Water. Ik wil het een en ander nog wel benadrukken.
We kennen inmiddels de uitzonderingsmogelijkheden: doelfasering, doelverlaging, overmacht
en groot maatschappelijk belang, aangevuld met de in het afgelopen najaar in Brussel
besloten uitbreidingen. Kan de Minister aangeven hoe deze uitzonderingen in de praktijk
worden toegepast en hoe wordt voorkomen dat waterbeheerders klem komen te zitten tussen
de juridische verplichtingen en de maatschappelijke realiteit?
Voorzitter. Dan het Hoogwaterbeschermingsprogramma. De alliantie van het Rijk en de
waterschappen werkt al tien jaar samen. Er is veel bereikt, maar we zien ook dat de
kosten harder stijgen dan de inflatie, dat mijlpalen niet altijd worden gehaald en
dat doelmatigheidsprikkels niet altijd effectief zijn. Welke concrete verbeteringen
ziet de Minister om dit programma beheersbaar, doelmatig en solidair te houden richting
2050?
Dan het Grevelingenmeer. Dat is een complex dossier, met grote belangen en de zeespiegelstijging
in het vooruitzicht. Er liggen drie toekomstrichtingen op tafel: een doorlaatmiddel
in de Brouwersdam, verzoeting van het meer of het volledig weghalen van de dam. BBB
wil realistisch én constructief zijn. Daarom stellen wij voor om voorafgaand aan het
commissiedebat Water in juni een rondetafelgesprek hierover te organiseren, waarin
de experts van de drie richtingen worden gehoord. Maar dat gaan we in de procedurevergadering
doen.
Voorzitter. Als we het hebben over de toekomst van onze delta, dan hebben we het over
de toekomst van Zeeland. Laat ik daar namens BBB volstrekt helder over zijn: Zeeland
mag niet verzouten, maar moet verzoeten. In het rapport Ruimte voor zeespiegelstijging
2 wordt steeds vaker gesproken over het accepteren van verzilting in de Zuidwestelijke
Delta. BBB verzet zich hiertegen. Verzilting betekent verlies van landbouwgrond, problemen
met drinkwater en het verdwijnen van bestaanszekerheid. Een provincie die structureel
verzilt, wordt onleefbaar. Nederland is groot geworden door water te beheersen, niet
door het op te geven. Verzilting is geen natuurwet, maar een beleidskeuze. Mijn vraag
aan de Minister is dan ook of hij bereid is om vast te houden aan een koers waarin
verzoeting, zoetwaterbeschikbaarheid en leefbaarheid van Zeeland centraal blijven
staan. Waar ik Zeeland noem, noem ik ook de andere provincies die met verzilting te
maken hebben, waaronder Groningen.
Dank u wel, voorzitter. Ik hou het hierbij. Dank voor uw opmerkingen. We gaan de tweede
termijn vol goede moed tegemoet, hoop ik.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan lid Kostić van de Partij voor de Dieren.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dank, voorzitter. Voldoende schoon water is geen luxe, maar een absolute basisvoorwaarde
voor ons bestaan. Het is onmisbaar voor natuur, gezondheid en onze economie. Zonder
schoon water geen biodiversiteit, geen voedselproductie, geen ruimte voor nieuwe woningen
en geen gezonde leefomgeving. Juist daarom is de Europese Kaderrichtlijn Water zo
cruciaal. Deze richtlijn, al afgesproken in 2000, zorgt ervoor dat het schoonhouden
van het water in Europa geen vrijblijvende belofte is en vormt een noodzakelijke stok
achter de deur voor de lidstaten. We hebben dus meer dan 25 jaar geleden afgesproken
dat ons water een goede ecologische en chemische kwaliteit moet hebben. Nederland
heeft eerdere deadlines niet gehaald en dreigt nu de uiterste deadline, 2027, wederom
niet te halen, omdat opeenvolgende kabinetten geen echte maatregelen durfden te nemen
en steeds problemen doorschoven naar de volgende generaties. Steeds opnieuw werden
vervuilende industrie, intensieve landbouw en veehouderij ontzien. Het resultaat is
dat Nederland behoort tot de slechtst presterende landen in Europa als het gaat om
waterkwaliteit, terwijl we een van de rijkste landen ter wereld zijn.
Voorzitter. Als student begon ik weleens pas de avond voor mijn tentamen met studeren,
terwijl ik maanden daarvoor de tijd had. De avond ervoor voelde het dan altijd alsof
ik onredelijk veel stof tot mij moest nemen. Zo gaan volwassen politici hier nog steeds
om met afspraken rondom water. Ze stellen prima haalbare doelen, maar beginnen telkens
te laat en doen te weinig. Als de deadline nadert, doen we alsof de doelen onrealistisch
zijn, terwijl we simpelweg te lang hebben gewacht met ons huiswerk. Dat is ook een
beetje mijn vrees bij het coalitieakkoord en het betoog van de VVD. We moeten stoppen
ons te gedragen als studenten. Het is tijd om te stoppen met de reflex om vervuilende
bedrijven te beschermen, om elke keer maar aan de afspraken rommelen omdat je niet
op tijd aan je huiswerk bent begonnen. Die reflex zorgt ervoor dat de maatschappelijke
kosten steeds hoger worden en de burger en jongere generaties de rekening krijgen.
Ik maak me enorm zorgen om die zinnen in het coalitieakkoord van het CDA, D66 en de
VVD, die gaan over het maken van realistische doelen en simplificatie. Ze gaan over
het willen instrueren van handhavers om niet te streng te handhaven, terwijl we uit
verschillende rapporten weten dat we in het verleden juist niet streng genoeg hebben
gehandhaafd – zie ook het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid – waardoor
er onnodig veel schade is aangericht aan het milieu en aan de gezondheid van onze
burgers. Er staan zinnen in over het klakkeloos omarmen van de rigoureuze afzwakking
van de milieuregels via Omnibuswetgeving in Europa, ingegeven door de lobby van rijke,
grote vervuilers. Ik maak me daar echt zorgen over, want ik wil samenwerken om eindelijk
stappen te zetten om onze waterkwaliteit te beschermen, om die enorme maatschappelijke
kosten te vermijden en om niet de rekening door te schuiven naar de toekomstige generaties.
Maar het coalitieakkoord stelt me nog niet gerust.
Vervuilende bedrijven hebben decennia de tijd gehad om zich zo aan te passen dat ze
schoner kunnen produceren. Door vast te houden aan de Kaderrichtlijn Water nemen we
misschien wel afscheid van sommige vervuilers, maar creëren we ook juist ruimte voor
innovatieve, toekomstbestendige bedrijven die wél zorgvuldig kunnen omgaan met ons
water. Zo bouwen we aan een gezonde leefomgeving, aan een écht eerlijk Europees speelveld
voor toekomstbestendige ondernemers en aan een economie die met zorg omgaat met ons
kostbaarste goed, ons water. Maar we zien ook in deze begroting geen trendbreuk met
de onverantwoord lakse bedrijfsvoering op het gebied van water. Waterproblemen worden
nog steeds doorgeschoven. De Partij voor de Dieren waarschuwt al zeker zeven jaar
voor een watercrisis, een stikstofcrisis 2.0, omdat er niet op tijd wordt ingegrepen
met verplichtende instrumenten.
Het zorgwekkende is eigenlijk ook ... Kijk, ik heb de VVD ook om een reflectie gevraagd.
Niet dat ik alle schuld op de VVD wil schuiven; dat is zeker niet mijn bedoeling.
Maar het is fijn als er een reflectie wordt gegeven. Dan weet ik dat we proberen van
het verleden te leren. Nog zorgwekkender is dat ook het kabinet, de Minister, nog
geen reflectie heeft getoond over de in het verleden gemaakte stappen. De partijen
aan de knoppen, de Minister, we hebben allemaal de rapporten gelezen en de evaluaties
gezien over ons pad richting het halen van de doelen uit de Kaderrichtlijn Water.
Elke keer was de conclusie hetzelfde. «Jullie doen te weinig. Er moeten veel meer
verplichtende maatregelen komen. Regel dat de wet- en regelgeving rondom mest en bestrijdingsmiddelen
KRW-proof worden. Maak de vergunningen tijdelijk. Trek de vergunningen voor lozingen
en onttrekkingen die bijdragen aan het overschrijden van de Kaderrichtlijn Water in.
Zet strengere regels in voor landbouwgif. Krimp het aantal dieren in de veehouderij.»
Dat zijn allemaal aanbevelingen die gewoon niet zijn opgevolgd. Dan kun je gewoon
zeggen: «Inderdaad. We hebben gewoon weggekeken. We hadden het lef niet. We hebben
gefaald. Prima, maar we gaan het nu wel doen. Het wordt even pittig. We gaan mensen
helpen om die transitie in te gaan.» Maar erken op z’n minst dat je al die aanbevelingen
genegeerd hebt. Doe niet alsof we al die tijd niet wisten wat we moesten doen. Wij
zouden die reflectie willen horen van partijen.
Als ik kijk naar het budget voor het halen van de Kaderrichtlijn Water, zie ik geen
extra budget om die doelen alsnog te halen, terwijl ik hier wel de urgentie hoor.
Ik vraag me af wat er dan precies gebeurt. We hebben bij de begroting IenW gemerkt
dat de VVD van het al magere budget nog een paar miljoen af wil snoepen door die miljoenen
te verschuiven naar de luchtvaart. Deze Minister laat dat gewoon gebeuren. De Minister
komt uit de waterwereld, weet ik, dus hij kent de enorme problemen. Dan is mijn vraag:
schaamt hij zich niet ergens een beetje dat hij deel uitmaakt van een kabinet dat
echte oplossingen voor water heeft geblokkeerd en problemen heeft verergerd? Dit is
waarschijnlijk het laatste debat van de Minister. Ik vraag de Minister om zijn hart
voor water te laten spreken en te vertellen wat hij eigenlijk echt nog graag had willen
doen om de problemen op te lossen, maar waarvoor hij de ruimte niet kreeg van de BBB.
Voorzitter. Uit op ons verzoek naar buiten gekomen interne stukken blijkt een schrikbarend
wanbeleid van het Ministerie van LVVN onder leiding van Minister van Landbouw Wiersma.
Het staat nu zwart op wit, voor iedereen te lezen, hoe de Minister van Landbouw verstandig
beleid om ons water schoon te krijgen en te houden heeft tegengewerkt. Is dat de reden
dat ze hier vandaag niet durft te verschijnen, vraag ik me af. IenW-ambtenaren proberen
in de stukken het Ministerie van Landbouw steeds op de feiten te wijzen dat wat Landbouw
doet niet tot verbetering maar zelfs tot verslechtering van waterkwaliteit gaat leiden.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik begrijp de vraag niet helemaal. Aan wie stelt het lid Kostić nou de vraag waarom
de Minister van LVVN hier niet is, daar eigenlijk gelijk een soort van suggestiviteit
onder zettend? Sowieso gaat het kabinet over zijn eigen afvaardiging, zeggen we altijd.
Als de Minister andere belangrijke afspraken heeft, dan kan ze ook zeggen dat ze hier
niet bij kan zijn. Wat is nou precies het doel van deze vraag, vraag ik me af.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Elke Minister, elke bewindspersoon heeft natuurlijk het volste recht om niet naar
de Kamer te komen, maar de Minister van Landbouw was wel met een reden uitgenodigd
door de Kamer, tot twee keer toe. Ze heeft juist zo’n belangrijke rol gespeeld om
geen verdere stappen te nemen, wat misschien zelfs tot verslechtering van onze waterdoelen
heeft geleid. Ik weet niet hoe de rest van de leden hierin zit, maar ik had haar hier
graag verder op bevraagd. Uit de stukken blijkt echt een schrikbarend wanbeleid van
het Ministerie van LVVN, dat een soort nietes-wellesspelletje speelde met het Ministerie van Water. Dat baart me enorme zorgen. Ik vind
het echt jammer dat ze hier niet is komen opdagen.
De voorzitter:
De heer Heutink heeft een vraag. O, eerst mevrouw Van der Plas nog even ... Een punt
van orde van de heer Heutink.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
We hebben bij meerderheid besloten dat de Minister van Landbouw niet uitgenodigd hoeft
te worden. In de commissie hebben we het daarover gehad. Het feit dat één lid dit
nu wil doen, betekent dat daar geen meerderheid voor is. Dit is dus een oeverloze
discussie ...
De voorzitter:
Nee, even ter onderbreking. Dit klopt niet. De commissie heeft juist per brief verzocht
om de Minister wel aanwezig te laten zijn. U bent daar misschien niet van op de hoogte,
maar dat is aan de orde. Mevrouw Van der Plas had nog een vervolgvraag.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Elk Kamerlid gaat natuurlijk over zijn eigen woorden. Dat bestrijd ik ook niet. Ik
vind het alleen een beetje gek dat dan hier met allerlei suggestieve opmerkingen erbij
wordt gezegd dat de Minister weigert te komen: zou het dan misschien kunnen omdat
zus of zo? Het lid Kostić kan gewoon naar het ministerie bellen of de Minister andere
afspraken had en kan dat gewoon op de achtergrond doen. Ik vind het eerlijk gezegd
niet zo’n fijne manier om een Minister te benaderen.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog. Dit was geen vraag.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Een heel korte reactie. Mevrouw Van der Plas kan van alles vinden, maar de Minister
is uitgenodigd en ik spreek alleen maar uit wat ik lees in de stukken over de manier
waarop het ministerie en de Minister van Landbouw de Minister van Water hebben tegengewerkt.
Ik heb gezegd dat ik het jammer vind dat ze alsnog heeft geweigerd. Ze heeft een brief
naar de Kamer gezegd en eigenlijk gezegd: ik kom niet, want het debat is eigenlijk
al geweest en de Kamer heeft tegen mij gezegd dat ik niets rond de Nitraatrichtlijn
hoef te doen. Alsof dat het enige debat is! Ik wil gewoon dat ze zich verantwoordt
voor de manier waarop ze is omgegaan met dit dossier, terwijl ze zo’n fundamentele
sleutel is voor de problemen rondom water. Dat is het enige.
Ik had het over wat de IenW-ambtenaren schrijven richting het Ministerie van Landbouw.
Ze noemen de uitspraken van het Ministerie van Landbouw zelfs misleidend en vreemd,
wijzen het Ministerie van Landbouw op onjuiste vergelijkingen en het gaat zo maar
door. Hoe kon de Minister van Water dit laten gebeuren, vraag ik hem. Wat moet er
volgens hem veranderen qua verantwoordelijkheden en rollen om te voorkomen dat er
in de toekomst weer een Minister van Landbouw is of op een ander dossier zoals industrie
die het werk van de Minister van Water onmogelijk maakt? Laten we helder zijn: met
het zevende en achtste actieprogramma Nitraatrichtlijn gaan we de doelen van de Kaderrichtlijn
Water niet halen. Dat wist men en dat blijkt ook uit de stukken. Dit is geen onwetendheid;
het is bewust beleid.
Voorzitter. De Kamer is aan zet. Hoe langer we wachten, hoe groter de problemen worden
en hoe hoger de kosten. Er zijn jaarlijks miljarden aan maatschappelijke en economische
kosten verbonden aan het niet voldoende aanpakken van waterproblemen, zoals waterkwaliteit,
droogte, overstromingsrisico’s en verontreiniging. Die kosten dreigen op te lopen
als straks ook de woningbouw verder vastloopt. Maar integrale bescherming van water
en natuur helpt de economie juist, en is de enige manier om het land van het slot
te halen. Dit maakt de afweging rondom begrotingsbesluiten zoals meer of minder geld
naar oplossingen van waterproblemen niet alleen een financiële keuze voor de korte
termijn, maar ook een afweging met financiële gevolgen voor de langere termijn, die
nu niet direct zichtbaar zijn in de begroting. Erkent de Minister dat?
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Ik zou toch graag de Partij voor de Dieren even met beide voetjes op deze vloer willen
zetten met de volgende vraag. We hebben nog anderhalf jaar de tijd voordat we die
Kaderrichtlijn Water gehaald moeten hebben. Hoeveel meer kunnen we nu nog doen? Hoeveel
meer vraagt de Partij voor de Dieren nog van alles en iedereen voordat ze eindelijk
tot de conclusie komt dat we het niet gaan halen en dat we ons dus moeten voorbereiden
op een noodscenario, zodat we wel die woningbouw kunnen realiseren zonder dat het
al onze mensen gaat raken?
Kamerlid Kostić (PvdD):
Als ik als student de nacht voor mijn tentamen moest studeren en erachter kwam dat
het wel heel veel stof was, ging ik keihard sturen en bikkelde ik de hele nacht door
om uiteindelijk hopelijk een positief resultaat te halen. Dat is ook wat ik van dit
kabinet en vooral van deze Kamer verwacht. Tegelijkertijd, als we het hebben over
noodscenario’s ... Die noodscenario’s moeten we inzetten om juist die stappen te kunnen
maken, dus om het gebruik van landbouwgif zo snel mogelijk verder te beperken, het
aantal dieren in de veehouderij verder te beperken. Dat zijn de stappen die we moeten
zetten, omdat die uiteindelijk vooral veel waarde en geld opleveren voor onze maatschappij,
in plaats van dat we geld verspillen aan allerlei juridische procedures, trucjes en
foefjes, met als resultaat een stikstofdebacle waarin iedereen uiteindelijk weer tegen
een muur aan gaat lopen.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Natuurlijk moeten we zo veel mogelijk doen om die weg te blijven volgen. Maar om even
terug te komen op schooltermen: de Europese Commissie verwacht geen voldoende na een
avond blokken; die verwacht gewoon een 10. Zonder 10 gaan we het gewoon niet halen
en hebben we een groot probleem. Dus ja, we moeten zeker dat spoor volgen en ons water
schoner maken. Maar de Partij voor de Dieren kan toch niet wegkijken van het feit
dat we op zijn minst een ander spoor moeten vormgeven dat ons behoedt voor een nieuw
stikstofprobleem?
Kamerlid Kostić (PvdD):
We gaan weer naar de systematiek van de beoordeling van de Europese Commissie. Die
is helemaal niet zo streng als mijn collega doet voorkomen. We hebben gewoon heel
lang geleden die afspraak gemaakt. We hebben normen voor onszelf gekozen die echt
wel redelijk waren. Nogmaals, nu is het vijf voor twaalf en vinden we het opeens allemaal
heel moeilijk. Ik ga niet in op die systematiek, want dat leidt af van wat er echt
moet gaan gebeuren: het aantal dieren in de veehouderij moet omlaag, landbouwgif moet
aan banden, pfas moeten worden aangepakt, de lozingsvergunningen moeten worden aangepast.
Dat kan allemaal nu gebeuren. Ik snap dat mijn collega het wil hebben over allerlei
systemen en metingen. We kennen de trucjes om het uit te stellen. Maar die leiden
tot alleen maar meer kosten voor de burgers.
De heer Schutz (VVD):
Ik wil iets zeggen over de metafoor van de avond voor je tentamen leren. Het pleidooi
van de VVD was niet evalueren voordat we de eindspurt afronden, maar juist daarna.
In het betoog van de heer Heutink hoorde ik een voorbeeld over de Dinkel, waarbij
je in het Nederlandse deel kennelijk aan een mooi water loopt dat niet aan de doelen
voldoet, terwijl hetzelfde water net over de grens volgens de normen die daar gelden
wel gewoon een 10 oplevert. U zegt dat dit hele realistische normen zijn, maar ik
denk dat dit een heel sprekend voorbeeld is waarin een simplificatie na de evaluatie
achteraf ons misschien tot de conclusie brengt: hm, misschien moeten we het wat integraler
bekijken. Dat zal er in het ene geval toe leiden dat de norm omhoog moet, en in een
ander geval dat een norm eenvoudiger gesimplificeerd kan worden. Het frame dat coalitiepartijen
alleen maar bezig zijn met trucjes en dingen willen uitstellen, zoals we altijd al
hebben gedaan, omdat ze niet op tijd hun huiswerk doen, doet gewoon geen recht aan
het standpunt dat we hier innemen. Dat is namelijk een eindspurt inzetten en eruit
halen wat we eruit kunnen halen, maar ook realistisch zijn en verwachten dat het geen
10 is. Daar gaan we wel onze stinkende best voor doen, maar wel met het oogmerk om
aan het eind te kijken of die regels realistisch waren, zoals u stelt. In het voorbeeld
van de Dinkel is het evident dat dat niet het geval is.
De voorzitter:
Dat waren twee interrupties.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik snap nog steeds niet wat de VVD hiermee wil bereiken. Het was niet alleen een verwijt
aan de coalitiepartijen. Ik weet ook dat er voldoende coalitiepartijen zijn die hun
best doen of misschien willen doen. Ik wilde een reflectie van sommige partijen. We
hebben namelijk nogal wat steken laten vallen. Dat moet de VVD toch erkennen? Het
stelt me dan toch teleur dat de VVD zich hier weer op de systematiek probeert te focussen.
Het gaat helemaal niet om het halen van een zesje of een tien. Je moet je afspraken
nakomen. Die worden niet nagekomen. Er is in 2023 door de Partij voor de Dieren en
GroenLinks-PvdA een motie ingediend om inderdaad die vergunningen aan te pakken en
desnoods in te trekken, als we de Kaderrichtlijn Water dreigden te overschrijden.
Dat zou uiterlijk in 2026 moeten zijn gebeurd. Daar heeft de VVD voor gestemd. Dus
ik hoop vooral in de VVD weer een partner te vinden met betrekking tot dat soort maatregelen
in plaats van dat we onze tijd verspillen aan weer kissebissen over de methodieken,
de metingen, en zo van: o, wat is het oneerlijk, want in het buitenland is het anders,
ladidadida. Het zijn afleidingsmanoeuvres. Dit is het meest veedichte land ter wereld.
We moeten gewoon stoppen met vervuilen.
De voorzitter:
Was u bijna klaar met uw betoog?
Kamerlid Kostić (PvdD):
Nee.
De voorzitter:
Nou, maak het snel af.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Nog vijf minuten.
De voorzitter:
Ja, goed.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik wil nog wat vragen stellen en wat concrete suggesties doen. Ik was vooral benieuwd
of de Minister erkent dat als je nu op korte termijn financiële keuzes maakt met betrekking
tot wel of niet investeren in waterkwaliteit en hoeveel dan, dat op langere termijn
gevolgen heeft, ook financieel gezien. Erkent hij dat als we tijdig extra investeren
in het oplossen van waterproblemen, de investeringen zichzelf terug kunnen verdienen,
doordat we de kosten van te weinig doen vermijden? Erkent hij dat als we tijdig voldoende
investeren, we juist voorkomen dat de rekening van de maatschappelijke kosten wordt
neergelegd bij de jongere generatie? Kan de Minister toezeggen dat de Kamer voortaan
bij de begroting een expliciete toelichting zal krijgen op hoe de verwachte maatschappelijke
kosten van waterproblemen zijn meegewogen in de gemaakte begrotingskeuzes rondom water,
zodat we weten welke echte kosten we wel of niet doorschuiven naar de volgende generatie?
Voorzitter. Ik heb al een aantal maatregelen genoemd, maar de core is: pak die problemen
nou in samenhang aan. De problemen rondom stikstof, natuur, klimaat, gezondheid, dierenwelzijn
en water hebben namelijk allemaal met elkaar te maken. Ga dus niet verkokerd te werk,
maar zorg ervoor dat je zo veel mogelijk in samenhang gaat aanpakken, zodat je win-winsituaties
krijgt. Kan de Minister bevestigen dat zo’n samenhangende aanpak inderdaad nodig is
en dat we daar zo snel mogelijk meer mee moeten doen?
Twee. Verspil geen energie en geld aan het proberen om bestaande afspraken rondom
water af te zwakken of aan het met trucjes wegkomen met het niet naleven van afspraken.
Zet alles op alles om alsnog de Kaderrichtlijn Water te halen. Dat kan door bijvoorbeeld
PBL-adviezen op te volgen die aangeven dat je het gebruik van landbouwgif in bufferzones
aan banden zou kunnen leggen. Is de Minister bereid PBL-adviezen te verwerken in verder
beleid en worden dus in beleid rondom zonering ook de problemen rondom water betrokken?
De Rli pleitte voor aantoonbare reductie van nutriënten via het afbouwen van dierrechten,
dus het beperken van de hoeveelheid dieren die dierhouders mogen houden. Waarom zijn
deze stappen niet genomen? Is de Minister daartoe alsnog bereid? De Rli adviseerde
ook het expliciet bindend worden van KDW-doelen in wetten met betrekking tot bijvoorbeeld
het meststoffenbeleid en het beleid rondom bestrijdingsmiddelen. Wordt dat de komende
tijd ook geregeld? Zo ja, wanneer?
Ten derde, waterbesparingsdoelen. Dat is een beetje hetzelfde verhaal als de waterkwaliteit:
de doelen die we onszelf hebben gesteld zijn al te laag voor wat nodig is, maar zelfs
die doelen dreigen we niet te halen. De Algemene Rekenkamer concludeerde dat Nederland
een dringend probleem heeft met betrekking tot de beschikbaarheid van drinkwater,
wat bedrijvigheid en woningbouw op slot zet. Er zijn partijen die een aantal nieuwe
steden willen bouwen, maar we hebben eigenlijk geen water om al die nieuwe steden
en huizen van water te voorzien. We moeten dus nu serieus aan de slag met waterbesparing
en de grootste verbruikers aanpakken. De Minister erkende na de conclusies van de
Algemene Rekenkamer dat het doel van drinkwaterbesparing met de huidige maatregelen
niet zou worden gehaald en dat er naast onderzoek concrete beleidsinstrumenten moeten
worden ingezet. Welke maatregelen heeft hij sindsdien extra ingezet en welke raadt
hij nog aan aan het nieuwe kabinet om daadwerkelijk te doen wat nodig is volgens experts?
Het vierde punt is de actualisatie van de vergunningen. De Minister schrijft in een
brief naar aanleiding van de inbreukprocedure van de Europese Commissie en naar aanleiding
van een motie van GroenLinks, Partij voor de Dieren en D66 dat hij regelgeving in
voorbereiding heeft om de regulering van lozingen en onttrekkingen van grond- en oppervlaktewater
te regelen. Met de nieuwe regel zouden we het met enige frequentie actualiseren van
vergunningen voor wateronttrekking en lozing verplichten. Ook komt er een vergunningsplicht
voor wateronttrekkingen die op grond van de Kaderrichtlijn Water verplicht zijn. Dit
zijn natuurlijk stappen die al veel eerder genomen hadden moeten worden. Onze motie,
waar de Minister ook naar verwijst in die brief, vroeg de regering om voor 2026 alle
onttrekkingen en vervuilingsbronnen die bijdragen aan de overschrijding van KRW-normen
via het intrekken en beperken van vergunningen zodanig uit te voeren dat het halen
van de normen in 2027 wordt gegarandeerd. Dat is eigenlijk nog steeds niet gebeurd.
Maar het is goed dat de Minister nu eindelijk de vergunningen tijdelijk wil maken.
Mijn vraag is: welke termijn hanteert hij daarvoor? Voormalig Minister Madlener wilde
een wetsvoorstel indienen om de lozingsvergunningen maximaal twaalf jaar geldig te
maken. Experts en waterschappen wezen erop dat die periode al niet in balans was met
de termijnen van de stroomgebiedbeheerplannen, die elke zes jaar opnieuw de doelen
en maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit bepalen. Kan de Minister
dus een toelichting geven op welke termijnen gaan gelden?
Als laatste. Een van de grootste problemen met water blijft toch pfas. De schade is
heel groot. We zien dat uiteindelijk veel kosten terechtkomen bij de belastingbetaler.
De Partij voor de Dieren stelt daarom voor om een vorm van een pfas-taks in ieder
geval te verkennen. Zo stimuleren we bedrijven zonder pfas te werken en zorgen we
ervoor dat de vervuiler eerlijk betaalt voor de schade die pfas aanricht. Wil de Minister
voordat hij vertrekt in ieder geval opdracht geven om een vorm van zo’n pfas-taks
onafhankelijk te laten verkennen?
Als het gaat om een pfas-lozingsverbod is het goed dat dit kabinet met een vorm van
het lozingsverbod komt. Ik was benieuwd hoe het ermee staat en wanneer het precies
komt; het zou in het eerste kwartaal komen. We zien ondertussen wel dat bedrijven,
zoals CFS in Limburg, nu nog vergunningen krijgen of dreigen te krijgen om gigantische
hoeveelheden pfas te lozen. Waterbedrijven, waterschappen en onze eigen toezichthouder
ILT adviseren om zo’n vergunning niet af te geven, maar dat dreigt dus alsnog te gebeuren.
Mij is altijd verteld dat bij nieuwe vergunningsaanvragen ook rekening moet worden
gehouden met aankomende wet- en regelgeving. Als we met z’n allen constateren dat
er al te veel pfas in ons bloed zit en dat we minder pfas tot geen pfas in onze leefomgeving
willen hebben en als er een lozingsverbod aan zit te komen, is de Minister dan bereid
om een signaal te geven aan medeoverheden om in ieder geval voorlopig geen nieuwe
grote en langdurige pfas-vergunningen af te geven totdat er duidelijkheid komt over
die lozingsvergunningen? Het rijmt namelijk gewoon niet met elkaar dat bedrijven nu
nog enorme vergunningen kunnen krijgen om veel pfas te lozen, terwijl we met z’n allen
zeggen dat het niet de goede kant op gaat en dat we het juist moeten verminderen.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
In het uitvloeisel van het coalitieakkoord staan bedrijven, als het allemaal doorgaat,
zo meteen flink aan de lat om miljarden te moeten ophoesten; we moeten er overigens
nog stevig koffie over drinken, zeg ik tegen de toekomstige coalitiepartijen, want
ik hoop niet dat het doorgaat. Nou wil de Partij voor de Dieren opnieuw een taks invoeren,
een zogenaamde pfas-taks. Mijn vraag aan het lid Kostić is: wat kunnen we nog vragen
van al die bedrijven, want het houdt toch ergens een keer op hoeveel belasting we
nog kunnen heffen bij al die mensen, al die burgers en al die bedrijven?
De voorzitter:
Dat waren twee interrupties.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Mijn vraag aan mijn collega is: wat kan mijn collega nog vragen aan de burgers? Hoeveel
moeten burgers nog ophoesten om te betalen voor de vervuiling die wordt veroorzaakt
door bedrijven die zich niet op tijd hebben aangepast? Nogmaals, er zijn genoeg welwillende
bedrijven, die de juiste kant op willen. Denk aan bedrijven die al pfas-vrij kunnen
produceren. Die bedrijven moet je belonen. Die bedrijven moet je ruimte geven. Dan
kan zo’n pfas-taks juist innovatie aanjagen. Die zorgt er juist voor dat we ermee
ophouden dat de rekening steeds op het bordje komt van de gewone burger, van onze
kiezers. Dat is eigenlijk gewoon een eerlijker verhaal. Ik ben voorzichtig. Ik ben
de naarste niet. Ik heb het alleen maar over een verkenning. Dan kunnen we samen bekijken
wat het eventueel zou kunnen opleveren. Als het een heel slecht idee blijkt te zijn,
dan kan ik daar natuurlijk altijd op terugkomen.
De voorzitter:
Bent u klaar met uw betoog?
Kamerlid Kostić (PvdD):
Nog een laatste punt over pfas. Ik vind de volgende situatie echt heel raar. We zetten
als Nederland nu in op een Europees pfas-verbod. Dat is supergoed. Daar moeten we
ook aan vast blijven houden. Maar tegelijkertijd stijgt het gebruik van pfas in bestrijdingsmiddelen
in Nederland enorm en vormt het een steeds groter probleem. Dit betekent dat, als
dit niet stopt, pfas straks alsnog via bestrijdingsmiddelen door het hele land wordt
verspreid en in onze bodem, ons water en ons voedsel terechtkomt. Als ik het kabinet
vraag om een consistent pfas-beleid en om samen met landen als Denemarken op te trekken
zodat een verbod op pfas in bestrijdingsmiddelen ook in Europa kan worden geregeld,
zegt het kabinet dat er al een toetsingssysteem bestaat voor bestrijdingsmiddelen.
Maar dat systeem neemt onvoldoende de cumulatieve effecten van pfas op gezondheid
en water mee. Dus wij zullen weer een voorstel doen aan de Kamer en aan het nieuwe
kabinet om het kabinet op pad te sturen om te pleiten voor een Europees verbod op
pfas-bestrijdingsmiddelen en om snel werk te maken van een nationaal verbod, in lijn
met dat van Denemarken. Want als Denemarken het kan, dan kunnen wij het ook. Op herbeoordeling
en onderzoek wachten, is onnodig verlies van tijd.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik wil het voorzitterschap graag even overdragen aan mevrouw Van der Plas.
Voorzitter: Van der Plas
De voorzitter:
Ik geef het woord aan mevrouw Bromet namens de fractie van GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Het is eigenlijk een beetje raar dat we op dit moment een
debat voeren met een kabinet dat op weg is naar de uitgang terwijl er nog een nieuw
kabinet gevormd moet worden en er al wel een regeerakkoord ligt, maar we nog niet
precies weten wat de uitwerking daarvan is. Maar er is evengoed genoeg te bespreken.
Ik vond het eigenlijk wel leuk dat de woordvoerder van het CDA, mevrouw Boelsma-Hoekstra,
begon over wat wij allemaal zelf meenemen en dat de Minister daar zijn voordeel mee
kan doen. Ik woon in de gemeente Waterland, dus dat is al een pluspuntje. Ik moest
ook denken aan een hele grote rampenoefening die ik als wethouder gedaan heb op het
Markermeer. Dat was echt heel indrukwekkend. Het leger werd ingezet en dat oefen je
dan helemaal realtime. Dan zie je hoe groot de bedreigingen zijn en voor welke enorme
dilemma’s je komt te staan als de waterveiligheid in het geding is. In dat kader maak
ik me grote zorgen over de tekorten in de budgetten voor onderhoud en vervanging van
de infrastructuur. Dat zien we ook bij het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Het gaat
om 9 miljard. Het gaat gelukkig om minder geld dan bij infra, maar met een stijgende
zeespiegel en steeds extremer weer is dat niet minder ernstig. De heer Grinwis had
het daar net ook al over.
Net als bij infra wil de Kamer dat de bouwproductie overeind blijf door meer projecten
in opdracht te geven zodat, ook bij vertraging in de planning van een paar programma’s,
de productie op gang blijft en er geen geld blijft liggen. Overprogrammering dus.
Maar deze Minister heeft het omgekeerde gedaan. Hij heeft geld weggehaald, zodat er
bij het bestaande programma tekorten ontstaan. In de rekensom is dat ook overprogrammering,
namelijk meer programmeren dan waar je geld voor hebt, maar we bereiken het tegenovergestelde
van wat we wilden. Ik vond de discussie tussen D66 en VVD over de beschikbaarheid
van gelden voor de Zeesluis IJmuiden daar ook kenmerkend voor. Die zeesluis moet vernieuw
worden. Daar is haast bij. Maar we weten nog niet hoe de nieuwe coalitie dit gaat
betalen en of het betaald gaat worden. De wens om meer te doen met minder geld, heeft
kennelijk geleid tot een afwaardering van het vereiste beschermingsniveau van veel
gebieden. Er waren collega’s die begonnen over de Waddeneilanden, maar het speelt
ook langs de rivieren. Samen met de bewoners van de eilanden maken wij ons daar hele
grote zorgen over. We hebben daar samen met D66 vorige week ook vragen over gesteld.
Klopt het dat het strikt boekhoudkundig is, teruggeredeneerd naar de kans op overlijden
en andere factoren, zoals de vraag hoe we de Waddeneilanden kunnen evacueren tijdens
de storm van de eeuw? Of is het een afweging tussen kosten nu en schade straks als
het bewoonde deel van de eilanden is vernietigd, vraag ik aan de Minister.
We werken nu beter samen met Duitsland op het gebied van hoogwaterbescherming en extreme
neerslag. Maar wordt in onze modellen nu beter meegenomen dat Duitsland zijn dijken
gaat versterken? Want een deel van onze indirecte bescherming zat in de onvrijwillige
waterberging door overstromingen in Duitsland. Hoe hoog wordt de piek hier als Duitsland
dat aanpakt? Zit dat in de modellen en normen, en zijn we daarop voorbereid?
Er zijn websites waarop je kunt zien of je bij een overstroming op eenhoog moet gaan
zitten of op zolder. Ik heb vandaag nog even gekeken hoe dat bij mij zat. Ik heb geen
verdieping waar ik veilig kan zitten. Ik denk dat een heel groot deel van Nederland
zich niet bewust is van wat ze moeten doen bij een ramp. Ik zou eigenlijk wel willen
weten wat er per huishouden of per postcode nodig is en wat je moet doen. Moet je
afwachten? Moet je vluchten? Waar moet je heen? Niemand weet dat. Op de website «hoe
hoog staat mijn water» heb ik even gekeken. Er staat dan: u hoort het nog van de veiligheidsregio.
Dat is wel een heel vaag advies, zeker als de stroom uitgevallen is. Ik zou eigenlijk
veel meer bewustwording willen hebben bij mensen over waar ze naartoe moeten gaan
als er een overstroming is.
Het zittende kabinet kon of wilde niet kiezen tussen bouwen waar de vraag is en bouwen
waar het veilig is. Tot welke onveilige keuzes heeft het loslaten van water en bodem
sturend geleid, vraag ik aan de Minister.
Afgelopen week bepaalde de rechter dat Nederland niet aan zijn zorgplicht voldoet
richting onze Caribische eilanden, klimaatverandering en extreem weer. Ik zou daar
graag een reactie op willen van de Minister.
Dan waterkwaliteit. Nog steeds voldoet ons oppervlaktewater vrijwel nergens aan de
normen voor de Kaderrichtlijn Water. Op dat punt is er ook amper verbetering. De Minister
schrijft dat het doelbereik is gestegen naar 83%, maar – dat heb ik ook bij de briefing
over het achtste actieprogramma Nitraatrichtlijn gevraagd – 99% van onze wateren,
of eigenlijk 100%, zijn te vies en ecologisch niet gezond, en daarom afgekeurd. We
krijgen van Europa geen punten voor onze inzet; we moeten voldoen aan de vastgestelde
doelen. Dan kun je, zoals ik verschillende sprekers hoor doen, verschillende structuren
gaan betwijfelen – dat hebben we ook gezien bij het pleidooi om de derogatie weer
opnieuw te verlenen – maar we hebben zelf deze afspraken 25 jaar geleden gemaakt.
We moeten ons daar gewoon aan houden. Dat is de inzet van GroenLinks-PvdA in ieder
geval.
Ik wil de Minister bedanken voor de toelichting op de uitzonderingsgronden voor de
Kaderrichtlijn Water. Hoeveel procent van de 100% van onze wateren die nu voldoen,
zouden een uitzondering kunnen krijgen omdat de vervuiling uit het buitenland komt
of omdat er rivierkreeften zitten? Hoeveel kleiner is ons juridische probleem geworden
door hierop te focussen, in plaats van op fosfaat en nitraat, op bestrijdingsmiddelen
of industriële lozingen?
Anderhalf jaar geleden startte Brussel een inbreukprocedure tegen Nederland, omdat
we nog steeds vergunningen aan de industrie geven om oneindig giftige stoffen te lozen.
Ik vroeg in een motie om de ongereguleerde wateronttrekking aan te pakken. Sindsdien
is vooral gesproken met iedereen, maar is de wet niet gewijzigd. Hadden we de meeste
van deze onttrekkingen en lozingen ook niet via een AMvB kunnen aanpakken? Wat was
er dan nu al beter geweest? Waarom is dat niet gedaan? Waarom leidt de route van de
Minister tot verbeteringen? Hoe staat het met de inbreukprocedure?
Het achtste actieprogramma Nitraat had moeten leiden tot een nieuwe derogatie. Dat
is mislukt. Dat hadden wij als GroenLinks-PvdA ook al jaren geleden voorspeld. Het
leidt namelijk niet tot minder mestvervuiling en Europa heeft geen vertrouwen meer
in Nederland. De belofte was dat alle wet- en regelgeving, dus ook voor mest en landbouwgif,
Kaderrichtlijn Waterproof zou worden. Waarom is dat nog steeds niet het geval? Hoe
kan het dat we nu één jaar voor de deadline nog steeds meer vervuiling toestaan dan
is toegestaan? Het kabinet heeft zich ook hier vooral hard gemaakt om uitzonderingen
te krijgen op het verslechteringsverbod. Er zijn een handvol situaties waarbij waterwerken
aangepakt moeten worden. Dat leidt dan tot een tijdelijke verslechtering en dat is
onvermijdelijk. Welke garanties krijgen we dat dit niet misbruikt wordt om gewoon
niets te doen, of zelfs om dingen nog erger te maken met vage beloftes over de toekomst?
De Minister schrijft dat ons water zo vervuild is met zeer zorgwekkende stoffen dat
voor een aanzienlijk deel van de rioolwaterzuiveringsinstallaties een vierdetrapzuivering
noodzakelijk wordt om ons drinkwater te beschermen. Wie gaat dat eigenlijk betalen?
De vervuilers of de burgers?
De Minister wil mijn verzoek om grijs water bij nieuwbouw toe te passen, niet inwilligen.
Ik heb voorgaande sprekers daar ook al over gehoord. Maar wat dan wel? Als we werk
willen maken van waterverspilling, moeten we toch ook echt beginnen bij nieuwbouw.
Voorzitter. In Amersfoort moesten mensen wekenlang uit flessen drinken omdat het water
te vervuild was. Voor mijn gevoel hebben we steeds meer van dit soort incidenten.
Zijn het incidenten? Hoe kwetsbaar is onze drinkwatervoorziening voor besmetting en
vervuiling – we hebben het in deze Kamer al vaak gehad over milieudelicten – maar
ook voor sabotage? We zitten in een veranderende wereld. Hoe kwetsbaar zijn we eigenlijk?
Is het leidingennet zo ingericht dat we snel straten of wijken kunnen isoleren, desnoods
met de hand? Zijn er omleidingen en mogelijkheden om water van elders tegen te kunnen
houden of hebben we het in alle drang naar efficiency minimaal ingericht, zodat er
geen marge meer is voor het geval er iets misgaat? Want is zes flessen water in je
noodpakket nou het antwoord op een kwetsbaar systeem? Of moeten we ook denken aan
collectieve waterzuiveringsinstallaties waarin we in tijden van nood regenwater kunnen
zuiveren en waar mensen terechtkunnen als hun zes flessen water op zijn? Het lijkt
me een vraag die heel belangrijk is als het gaat over weerbaarheid.
Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Bromet. Ik zie geen interrupties, dus ik geef het voorzitterschap
weer aan u over.
Voorzitter: Bromet
De voorzitter:
Dank u wel. Het is nu 12.45 uur. Ik wou tot 13.45 uur schorsen voor de lunch en voor
de beantwoording van de Minister. Daarna komen we weer terug in deze zaal.
De vergadering wordt van 12.45 uur tot 13.48 uur geschorst.
De voorzitter:
De Minister is weer terug en de Kamerleden ook, dus we gaan nu verder met de eerste
termijn van de Minister. Misschien kan de Minister even aangeven in welke blokjes
hij de vragen gaat beantwoorden.
Minister Tieman:
Dank u wel, voorzitter. Ik heb een aantal blokjes gemaakt naar aanleiding van de vragen,
en dat waren er heel wat. Ik wil beginnen met zoet water en drinkwater. Dat is één
blokje. Dan wateroverlast en klimaatadaptatie, waterveiligheid, Kaderrichtlijn Water,
waterkwaliteit en dan overige.
De voorzitter:
Excuus, is het vierde blokje Kaderrichtlijn Water én kwaliteit? Of is kwaliteit een
ander blokje?
Minister Tieman:
Dat is hetzelfde.
De voorzitter:
O, dat is hetzelfde. We hebben dus een blokje zoet water, een blokje wateroverlast,
een blokje waterveiligheid, een blokje Kaderrichtlijn Water/kwaliteit en een blokje
overige. Gaat uw gang.
Minister Tieman:
Dank u wel. Dan begin ik bij een vraag van u, voorzitter. Die heeft te maken met grijs
water en de aanpassingen daarvoor. Daar is ook over gesproken. Als we echt werk willen
maken van waterverspilling, zouden we daarmee toch echt moeten beginnen bij nieuwbouw.
Dit is ook een onderwerp dat mij na ligt. Het gaat om 130 liter per persoon per dag.
Als je dat op een andere manier zou kunnen invullen, zou je daarmee een enorme stap
kunnen maken. Weet dat we het hemelwater nu eigenlijk al kunnen gebruiken voor toiletdoorspoeling.
Dat is zo’n 33 liter, zeg ik uit mijn hoofd. Dat zou nog meer kunnen worden. Daar
hebben we een rapport over laten opstellen door het RIVM. Daar heb ik ook een afdronk
van gegeven. Dat betekent niet dat ik op mijn handen ga zitten. Wij gaan de aanbevelingen
van het RIVM opvolgen en we gaan pilots draaien. Het bouwbedrijf Heijmans doet op
dit moment al een vijftal projecten. Daarna komen we weer bij u terug om te kijken
hoe dat nou precies zit en hoe we de zaken waar het RIVM nu het een en ander over
gezegd heeft – bijvoorbeeld de NEN-normering of het toezicht door de ILT op de foutaansluitingen,
want daar zit echt het risico – goed kunnen controleren alvorens we naar een bouwbesluit
gaan.
Het betekent dus niet dat we niets gaan doen. Ik zie dit eigenlijk als een tussenstap
om dat vervolgens – gelijke monniken, gelijke kappen – in te kunnen kapselen. Dat
zou mijn argumentatie zijn. Maar wij hebben zo’n rapportage ook niet voor niets laten
maken. Wij lopen nu de aanbevelingen na en komen dan ook weer bij u terug. Dat zou
mijn aanvliegroute zijn om het een en ander te doen. Volledige steun dus voor extra
pilots. Weet ook dat we binnen de MIA/VAMIL-regeling, de milieu-investeringsaftrekregeling van 155 miljoen euro, het een en ander opgenomen hebben. Dit onderwerp
gaat dus zeker niet weg. We hebben gewoon net wat meer nodig om die foutaansluitingen,
die ook in Vlaanderen een issue zijn, net wat beter onder controle te krijgen. Dus
hier gaat u het nog vaker over hebben.
De voorzitter:
Een vraag van mevrouw Vellinga-Beemsterboer. We doen weer hetzelfde: vier interrupties
en als je langer dan 30 seconden een vraag stelt, dan telt die voor twee. Vragen korter
dan 30 seconden zijn gratis.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Kan de Minister aangeven wat we van Vlaanderen kunnen leren en hier dus niet meer
in een pilotproject hoeven te stoppen, en hoeveel vertraging dit mogelijk gaat opleveren?
We hebben immers ook een enorme bouwopgave waarin we dit volgens mij heel graag juist
in mee willen nemen, zo snel mogelijk.
Minister Tieman:
Laten we nog even goed kijken wat we kunnen leren van Vlaanderen. We hebben overleg.
Weet ook dat ik diezelfde vraag twee jaar geleden in een vorige functie van mij ook
stelde. Veel steun dus van de kant van het ministerie om hier stappen te gaan zetten.
Alleen hebben we ook te maken met een aantal veiligheidszaken, die we nu uitlopen.
Zoals ik het nu heb neergezet, gaan wij hierin binnen twee jaar een nieuwe weging
maken. Dat is op dit moment de lijn. Als u zegt «we willen dat eerder doen», moet
ik echt even terugkijken wat die vers-van-de-persaanbevelingen zijn en of we daarop kunnen versnellen.
Op dit moment is het een cyclus van twee jaar om die afweging om het in een bouwbesluit
op te nemen ... Dit kabinet heeft net met STOER een poging gedaan om de kosten naar
beneden te brengen. Wij praten hier grosso modo over € 10.000. Maar dan kijken we
ook weer of het een goede investering is voor de toekomst. Laten we dus die kostendiscussie
even voor wat die is. Dan is dit even de tijdslijn en hebben wij huiswerk te doen
en nemen wij u mee. Ik wil dan ook niet zeggen: we gaan het over twee jaar weer hier
in de Kamer bespreken. Maar geef ons even wat tijd om die aanbevelingen van het RIVM
ter harte te nemen en daar ook meters op te maken en vorm te geven aan die pilots.
Ik noemde net een pilot met Heijmans, maar het mag van mij breder. Zo wil ik echt
gaan opschalen.
Nu er een toezegging van mijn kant ligt om binnen een jaar terug te komen met in ieder
geval hoe wij zaken voor ons zien, is dat wellicht een wat overzichtelijker tijdslimiet.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Minister Tieman:
Dan heb ik daarmee ook meteen de vraag van de heer Grinwis beantwoord.
De heer Grinwis – niet meer hier aanwezig maar vanmorgen wel – vroeg mij om te komen
met structurele oplossingen voor de noodzakelijke investeringen van drinkwaterbedrijven.
We hadden het over de WACC. Er is nu een wetsvoorstel in consultatie dat de consument
beschermt, terwijl de mogelijkheden voor de investeringsruimte van drinkwaterbedrijven
worden vergroot. De komende maanden zal IenW de effecten van de beoogde maatregelen
doorrekenen. Ik heb er alle vertrouwen in dat deze maatregelen wel een structurele
oplossing zullen gaan bieden. Mocht dit toch niet voldoende zijn, dan kijken we naar
aanvullende maatregelen. Het is voor IenW belangrijk dat de noodzakelijke investeringen
in de drinkwaterinfrastructuur plaatsvinden. Dat zeg ik ook tegen de leden van Vewin,
hier aanwezig op de tribune. Het is uiteraard een belangrijk onderwerp. Het is aan
een nieuw kabinet om het voorstel bij de Kamer in te dienen.
De heer Grinwis en de heer Schutz vroegen: «De Minister overweegt in reactie op de
inbreukprocedure aangaande de Kaderrichtlijn Water om de onttrekkingsvergunningen
periodiek te gaan herzien. Is dat nou wel zo verstandig?» Laat ik vooropstellen: we
doen dit echt voor het drinkwater. Ik zie echter ook de zorgen over het drinkwater.
Naar aanleiding van de inbreukprocedure van de Europese Commissie werken we aan een
voorstel. Ik weet niet of ik dat nog naar de Kamer ga brengen. Ik denk het niet; het
volgende kabinet zal dat gaan doen. Er zal ook echt een consultatie zijn. We gaan
het spreekwoordelijke net letterlijk ophalen. Daarin nemen we de diverse tijdslimieten
mee voor wanneer iets aan de best beschikbare technologie moet gaan voldoen.
Bij het voorstel introduceren we ook een periodieke heroverweging. Ik denk dat het
echt een enorme piketpaal zal gaan zijn om het bedrijfsleven de best beschikbare techniek
te laten neerzetten, zonder het hier weg te pesten; laat dat ook helder zijn. Daar
zou je ook een financieel instrumentarium tegenover kunnen zetten; denk bijvoorbeeld
aan de MIA/VAMIL-lijst, waar ik het net over had. Dat zal in consultatie gaan. Daarna
zal het ook nog in de ministerraad besproken moeten worden. Zo hebben we een heel
rijtje aan dingen die nog gaan plaatsvinden. Na verwerking van de zienswijzen zal
het wetsvoorstel ingediend gaan worden, maar dat is dus niet op korte termijn. Het
is echter wel de eerste stap om zoiets te gaan doen. We nemen hierin ook de verontrustende
signalen mee die ik heb gekregen. Ook zijn we in overleg met de drinkwaterbedrijven.
Het is ook een afweging om drinkwaterbedrijven uit te zonderen, maar wanneer je dat
nu zou doen, komt een hoogheemraadschap vervolgens een uitzondering bepleiten voor
de vergunningen die daar zijn. De volgende in de rij is weer een ander bedrijf. Daar
moet je op een gegeven moment wel een keuze in gaan maken. Ik stel voor dat we eerst
de internetconsultatie ingaan en ons goed laten informeren en dat we in gesprek blijven
met de drinkwaterbedrijven om de zorgen daar verder te adresseren.
De heer Schutz (VVD):
Maar is dit omdat het Europees verplicht is, of omdat we zelf nationaal die keuze
maken, met name met het oog op de zekerheid van voldoende drinkwater?
Minister Tieman:
Het is onze keuze om de Europese verplichting zo in te vullen. Wat dat betreft zeilen
we met zoiets wat scherper aan de wind. Een aantal landen heeft het niet, maar er
wordt hier geen Europees punt gemaakt. Het is onze invulling om naar de best beschikbare
technieken te gaan in plaats van de milieuvergunningen tot einde levensduur te houden.
De heer Schutz (VVD):
Het is dus een nationale kop. Willen we die?
Minister Tieman:
We nemen mee in de internetconsultatie of dat proportioneel is of niet. Andere landen
hebben het ook, maar niet allemaal. Het wordt niet vanuit Europa verplicht gesteld.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Het wordt niet vanuit Europa verplicht gesteld. Waarom doen we het dan? Waarom zetten
we nou elke keer weer die nationale koppen boven op bestaand Europees beleid? We hebben
gezien dat we ons compleet vastzetten in wetgeving.
Minister Tieman:
Wij doen dit om toch een stap te kunnen gaan zetten op het gebied van waterkwaliteit,
maar het is op dit moment nog in internetconsultatie. We zijn het net aan het ophalen.
De tijdslijnen die genoemd gaan worden, moeten ook proportioneel zijn. Je moet een
vergunning echter wel kunnen herzien om de best beschikbare technieken neer te kunnen
gaan zetten. Op dit moment geldt: einde levensduur. Dan heb je niet met prikkels te
maken, wat in andere lidstaten misschien wel zo is. Het is een gedachtegang om een
stap te gaan zetten richting de 100.000 doelen waar we het net over hadden, maar het
moet wel proportioneel.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik word hier gewoon een beetje moedeloos van. We zitten met een historie van allemaal
extra regelgeving. We zetten ons compleet vast. Activistische groeperingen zien allemaal
redenen om naar de rechter te stappen. Er volgen allemaal rechterlijke uitspraken.
Ik word er echt moedeloos van dat dit beleid kennelijk gewoon doorgaat en dat we niet
zeggen: we zetten gewoon een streep onder de nationale koppen en we doen gewoon wat
nodig is voor Europa en verder niets. Dit wordt één grote ellende in Nederland. Dat
is het overigens al.
De voorzitter:
Dat was geen vraag. De heer Heutink heeft een vraag.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Ik wil even op doorgaan op die nationale koppen. We zien waar we nu in beland zijn.
Ik wil de Minister vragen om een toezegging. Ik wil graag hebben dat hij toezegt dat
er geen nieuwe nationale koppen op beleid komen en dat er alles op alles wordt gezet
om nationale koppen te schrappen. Of hij dat nou gaat doen of zijn opvolger, maakt
niet zo heel veel uit. Dat was al de inzet van het kabinet-Schoof, en dat moet ook
de inzet blijven. Ik wil daar graag een toezegging op van de Minister.
Minister Tieman:
Het is geen nationale kop. Het is volgens ons de beste manier om invulling te geven
aan de Europese richtlijn. Er zijn ook andere manieren om het te doen, maar dit is
in onze optiek de juiste. We willen ook gewoon het gesprek verder aangaan. We voeren
hier al heel veel gesprekken over met het bedrijfsleven, met VNO-NCW, MKB-Nederland
en Vewin, om te bekijken wat mogelijk is. De internetconsultatie is bedoeld om het
net op te halen. Als er zaken neergezet kunnen worden, voeren we daarover het gesprek
met elkaar.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Dit is een hele creatieve manier om iets niet een nationale kop te noemen. Ik heb
volgens mij een hele concrete vraag gesteld, namelijk of de Minister bereid is om
toe te zeggen om geen nieuwe nationale koppen boven op bestaand Europees beleid te
zetten en bestaande nationale koppen zo veel mogelijk te schrappen. Ik vraag volgens
mij om een hele concrete toezegging. Ik zou daar graag een antwoord op hebben van
de Minister.
Minister Tieman:
Dan is het antwoord «nee», heer Heutink. Ik geef u geen toezegging.
De heer Schutz (VVD):
Stel dat het een nationale kop is. U had het over andere manieren om het doel te bereiken.
De heer Heutink schetste een voorbeeld. Waarom zoekt men in dat voorbeeld het conflict
op met regels en toepassingsmogelijkheden als er ook andere mogelijkheden openstaan?
Dan zou ik de consultatie veel breder doen en vooral aan drinkwaterbedrijven vragen
wat zij de weg vinden om dit doel te bereiken. Dat is anders dan drinkwaterbedrijven
feitelijk voor de bus te gooien en ze straks een enorme investeringslast op zich te
laten nemen.
De voorzitter:
Dit waren twee interrupties.
Minister Tieman:
We nemen dat mee, heer Schutz. We zijn in overleg met de drinkwaterbedrijven. Het
zijn data die mogelijk genoemd gaan worden. Weet dat het aan mijn opvolger is, aan
het volgende kabinet, om dit neer te zetten en het gesprek verder aan te gaan. Of
de soep dan ook zo heet gegeten wordt, is vers twee. Het moet nog naar de ministerraad.
Dit is wat er in voorbereiding is. Een volgend kabinet kan zeggen: wij gaan dit niet
doen. Maar ik ga die stap nu niet zetten. Wij zijn op dit moment gewoon nog het een
en ander aan het voorbereiden voor een mogelijk gesprek met de markt. Daarna komt
het in de ministerraad.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Op pagina 29 van het nieuwe coalitieakkoord staat: onze ambitie blijft om onnodige
nationale koppen op Europese regels te schrappen. Gaat de Minister nu zelfs in tegen
het nieuwe coalitieakkoord? Het hoofdlijnenakkoord heeft dit ook al gemeld en het
blijkt dat deze Minister daar ook tegen ingaat.
Minister Tieman:
Dat is niet het geval, mevrouw Van der Plas.
De voorzitter:
Ik denk dat we dit nu uitgebreid bediscussieerd hebben, meneer Heutink. Ik heb de
Minister een paar keer horen zeggen: het is geen nationale kop. De Kamer zegt: het
is wel een nationale kop. Nou, dan gaan we er nog even op door.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
De vraag is of de Minister nu en in de toekomst nationale koppen gaat schrappen en
nu in ieder geval wil zorgen dat er niet nog een bij komt. Mevrouw Van der Plas wijst
er net terecht op dat in het hoofdlijnenakkoord en in het regeerprogramma waar deze
Minister zich aan gecommitteerd heeft nadrukkelijk staat dat we nationale koppen gaan
schrappen en dat we er in ieder geval geen meer bij doen. In het nieuwe coalitieakkoord,
waar deze Minister zich niet aan verbonden heeft, zal dat waarschijnlijk ook staan,
begrijp ik van mevrouw Van der Plas. Mijn vraag is dus de volgende. Als de Minister
zo duidelijk zegt «ik ga niet toezeggen aan de heer Heutink dat ik de nationale koppen
niet ga schrappen», wat doet hij dan met zijn regeerprogramma? Waarom wijkt hij daar
dan van af?
De voorzitter:
Twee interrupties.
Minister Tieman:
Ik kijk naar proportionaliteit van het een en ander. Dat houden we in ons achterhoofd
in de gesprekken die we met het bedrijfsleven voeren, die dit zo meteen ook gaan uitvoeren,
om te kijken wat er mogelijk is. We vragen niet om onmogelijkheden, maar dat zal ook
allemaal uit die internetconsultatie gaan blijken. Daar zullen allemaal zienswijzen
in naar voren komen. Daar wordt u ook in meegenomen. Dan wordt het naar de ministerraad
meegenomen, die de handtekeningen gezet heeft onder wat mevrouw Van der Plas net genoemd
heeft. Zo wordt die weging gemaakt.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Minister Tieman:
Dank u wel. Mevrouw Vellinga-Beemsterboer van D66 vroeg: hoe kan het vijf jaar duren
om een meldplicht te introduceren voor grondwateronttrekkingen? Veel waterschappen
hanteren al een meldplicht voor grondwateronttrekkingen. De introductie van een landelijke
meldplicht hangt samen met een breder pakket van voorgenomen wetswijzigingen die voortvloeien
uit de inbreukprocedure van de KRW. Het gaat daarbij ook om aanvullende vergunningsverplichtingen
en om regels die voorschrijven dat toestemmingen regelmatig geactualiseerd worden.
Het opstellen en afstemmen van het totaalpakket vergde de nodige tijd. Daar lopen
we dus wel iets uit de tijd ten aanzien van wat we dachten, omdat het net wat meer
werk is. Het gaat daarbij ook om de gevallen waarvoor precies een meldplicht geldt,
want het moet ook uitvoerbaar zijn. Naar verwachting gaat het ontwerpvoorstel in maart,
volgende maand dus, in consultatie en wordt het wetsvoorstel later dit jaar naar uw
Kamer gestuurd.
De heer Grinwis vroeg: hoe staat het met het overleg over het Grevelingenmeer, met
de provincies Zeeland en Zuid-Holland en met de gemeente Schouwen-Duiveland? Liggen
beide opties op tafel bij de Minister, dus die van verzoeting en die van een tweede
doorlaatmiddel bij de Brouwersdam? Ik deel uw zorgen over de Deltawerken. Juist daarom
werken wij als Rijk samen met de regionale overheden aan een veilige, gezonde en aantrekkelijke
Zuidwestelijke Delta. Zoals afgesproken in het vorige debat met uw Kamer, hebben we
een Gebiedsoverleg Zuidwestelijke Delta. Daarbij hebben we ook het gesprek over de
Grevelingen gevoerd. De conclusie hieruit is dat een zoet Grevelingen geen oplossing
is, noch voor de korte termijn, noch voor de middellange termijn. In dit overleg is
door de partners, dus echt de regio, brede steun uitgesproken voor het maken van een
doorlaatmiddel. Dat is dus de andere optie. We moeten wel zeggen dat we daar op dit
moment geen financiën voor hebben. Ik heb ook het nieuwe regeerakkoord bekeken; daar
moet u nog een keer goed naar gaan kijken, om te zien wat we nu precies onder het
Mobiliteitsfonds en het Deltafonds zetten. Dan zou je dat kunnen doen. Het Deltafonds
heeft op dit moment onvoldoende financiële middelen voor zo’n doorlaatmiddel.
De heer Grinwis: hoe staat het met de uitvoering van de motie over project Nieuw Monnickendam
(36 600-J, nr. 23)? De directeur-generaal, die naast mij zit, is naar Monnickendam getogen en heeft
daar een goed overleg gevoerd. Wat betreft Nieuw Monnickendam: op 12 september heeft
dat gesprek plaatsgevonden, samen met het Ministerie van VRO. Er is constructief overleg
geweest. De eigendomssituatie is wel complex, maar de gemeente Waterland – dat is
waar u woont, voorzitter – beraadt zich op het project. Daar is nu een eerste zet
te voorzien.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra vroeg naar de watervoorziening, NPLG en het Veenweideprogramma.
Is de Minister het met mij eens dat juist de kennis van de grondgebruikers als input
gebruikt moet worden om tot oplossingen te komen? Zelf komende uit het waterschap,
denk ik dat dat een goed gremium is. Luistert u ook vooral naar die 21 waterschappen.
Mevrouw Boelsma, heel veel peilbesluiten zouden daar ook genomen kunnen worden. Dat
ligt ook daar. De agrariërs zitten in de verenigde vergaderingen van die waterschappen
en hebben daar ook geborgde zetels. Het advies om hun kennis daar op tafel te leggen
nemen we uiteraard ter harte.
Mevrouw Van der ...
De voorzitter:
Er is een interruptie van mevrouw Boelsma-Hoekstra. Al die «oes»!
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ja, het is wat. Kom je uit Fryslân en dan heb je zo’n achternaam. De vraag is op zich
wel beantwoord, maar ik bedoelde ook de kennis vanuit de grondgebruikers – lees: TBO’s
en agrariërs – en de validering van proeven die daar worden gedaan, want dat miste
ik nog weleens. Daar zou je ook gebruik van kunnen maken.
Minister Tieman:
Ja, we nemen dat ook mee. Maar het is ook echt bij de provincie, waar ik dan vervolgens
gesprekken mee heb – anders ben ik wel met heel veel partijen in gesprek – over hoe
we dat dan het beste kunnen inregelen. Ik heb net een hele ronde KRW gedaan met de
gedeputeerden. Die consulteren vervolgens zelf weer de waterschappen, waar dan ook
de agrarische stem naar voren moet komen.
Mevrouw Van der Plas vraagt: is de Minister bereid vast te houden aan een koers waarin
verzoeting, zoetwaterbeschikbaarheid en leefbaarheid in Zeeland centraal staan? Ik
maak toch nog even een algemene opmerking. Ik heb wel zoetwater nodig om het vervolgens
te kunnen verdelen. Verzilting is op termijn toch enigszins onafwendbaar, kijkende
naar de zeespiegelstijging en naar het gebrek aan dat zoetwater. Dat geldt niet alleen
voor Zeeland, maar eigenlijk langs de gehele Nederlandse kust. Rijk en regio in de
Zuidwestelijke Delta zijn zich hier ook bewust van. Daarom hebben we ook een project,
het uitvoeringsproject Elke druppel telt. Ik heb zelf de Zuidwestelijke Delta gewezen
op de mogelijkheden om financiële steun te krijgen voor toch een vierde trap van een
rwzi als je dat water bij wijze van spreken zou willen gebruiken. Er zijn niet voldoende
middelen voor alle 21 waterschappen en alle 315 waterzuiveringen, maar ik heb dit
echt onder de aandacht gebracht om hier toch eens naar te gaan kijken. Wij gaan ook
het programma Zoetwater herijken en dat advies komt dit jaar naar uw Kamer toe. De
uitwerking ervan laat ik wel aan een volgend kabinet. Op korte termijn is het opvangen
van regenwater en het behoud van zoetwaterlenzen het belangrijkste in Zeeland, in
combinatie met zo’n waterzuiveringsinstallatie voor de wat minder lange termijn, om
dat water te gaan hergebruiken.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Wat is het herijken van het zoetwaterbeleid? Kan de Minister daar alvast een beetje
inzicht in geven? Want herijken kan zowel de goede als de verkeerde kant opgaan.
Minister Tieman:
Dat is het Deltaprogramma Zoetwater, dat daarover adviseert. Daar komen ook adviezen
van naar voren. Nieuwe inzichten, Elke druppel telt, best practices, pilots die daar
gedraaid worden binnen bestaande subsidiabele gremia; zo geven we daar vorm aan.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik hoor veel ambtelijke taal. Veel wijzer word ik daar niet van. Nederland staat bekend
om de strijd tegen het water, al eeuwen. Ik proef in het antwoord van de Minister
toch een beetje: verzilting gaat nou eenmaal gebeuren en daar moeten we ons bij neerleggen.
Waarom blijven we niet strijden tegen het water, in dit geval ten gunste van zoetwater?
Minister Tieman:
Daar blijven we hier ook tegen strijden. We zien wel een tendens komen dat het allemaal
wel uitdagender wordt. Vandaar dat we ook allerlei projecten en studies hebben neergezet.
Meebewegen is er daar één van. Meegroeien is er nu laatst bij gekomen. Maar wat dan
precies de juiste strategie is, is nog te bezien. We hebben ook havenactiviteiten.
Als je meegroeit naar buiten toe, moet het niet zo zijn dat de Rotterdamse haven of
de haven van Harlingen bij wijze van spreken niet meer toegankelijk is. Zo maken we
wel een stap ten aanzien van de reportages die nu zijn opgesteld. Maar er moet nog
wel een beleidskeuze worden gemaakt: wat gaan we nu doen, wanneer en wat gaat het
kosten?
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik wil de Minister en zeker ook de ambtenaren van het ministerie er wel even op wijzen
dat zowel Zeeland als Groningen de groentetuinen van Nederland zijn. Vele mensen in
de wereld worden daardoor gevoed. De pootgoedaardappelsector kan met het pootgoed
bijvoorbeeld alleen al 800 miljoen mensen in de wereld voeden, door daarvoor pootgoedmateriaal
ter beschikking te stellen. Ik wil heel erg benadrukken dat dat belang echt bovenaan
moet staan, ook vanwege onze weerbaarheid qua voedselzekerheid.
De voorzitter:
Dat waren twee interrupties. We spreken hier de Minister aan, niet de ambtenaren.
Minister Tieman:
De boodschap is duidelijk. Vandaar ook de rwzi-optie, maar er zijn ook andere zaken.
De rwzi-optie is een van de opties. We moeten hier wel voldoende zoet water houden.
Het wordt wel een uitdaging. Die uitdaging gaan we aan, met elkaar. We nemen iedereen
mee in wat we gaan doen ten aanzien van zowel waterveiligheid als de zoetwaterstrategie.
We doen niet voor niks «elke druppel telt». We nemen u absoluut mee in wat er gebeurt,
bijvoorbeeld in het Volkerak-Zoommeer. We zijn continu bezig met studies. Maar om
nu bij het Pannerdensch Kanaal een regelwerk te maken ... Dat gaat niet helemaal tot
aan Zuidwest-Nederland. Dat is ook het probleem. Ik heb wel zoetwater nodig om daar
een verdeelsleutel te maken. We moeten het dus echt in de regio gaan zoeken met elkaar
om dat hemelwater veel beter te benutten en op te slaan voor een langere periode.
Het verdampt ook. Dat zijn de punten: Groningen, maar ook Zuidwest-Nederland, gelet
op de weerbaarheid van de voedselvoorziening die in deze regio plaatsvindt.
Mevrouw Van der Plas vroeg: wil de Minister voor 25 juni een rondetafelgesprek met
technische experts organiseren?
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas heeft in de vergadering al gezegd dat ze dit voorstel ging doen
bij de procedurevergadering. Daar hoeft u dus niet op te reageren.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat klopt. Ik heb gezegd dat ik dat zelf ga aanvragen. Die vraag is dus al beantwoord.
Minister Tieman:
Heel goed.
Mevrouw Bromet: incident Amersfoort met kookadvies kraanwater. Zijn het incidenten?
Hoe kwetsbaar is onze drinkwatervoorziening voor besmetting en vervuiling? Het aantal
meldingen is niet hoger dan in het verleden, maar wel het aantal grootschalige kookadviezen.
Drinkwaterbedrijven reageren goed op de incidenten en nemen direct maatregelen om
de volksgezondheid te beschermen. De ILT, de inspectie, zal de incidenten ook evalueren.
We volgen het op de voet. We zien ook wel signalen vanuit Vewin komen op het gebied
van waterkwaliteit. De uitdaging is dus wel groot. Vandaar dat we ook in dit geval
zeer zorgvuldig moeten omgaan met de waterkwaliteit. Die heeft namelijk ook effect
op de drinkwatervoorziening. Met alle investeringen die deze sector moet gaan maken ...
We hebben wat meer ruimte gegeven. Maar dit is volgens mij precies de reden waarom
we dit allemaal doen. We moeten toch scherper aan de wind varen binnen wat er mogelijk
is, want we willen ook niet het bedrijfsleven wegjagen. We moeten de juiste set maatregelen
op de mat leggen.
Mevrouw Bromet: sabotage, de weerbaarheid van de drinkwatervoorziening. Waar staan
we voor? Is het leidingstelsel zo ingericht dat we snel straten of wijken kunnen isoleren,
desnoods met de hand? Door de geopolitieke situatie neemt het aantal dreigingen toe,
ook voor de drinkwatervoorziening. Diverse drinkwaterbedrijven zijn hiermee bezig.
We hebben ook een landelijke aftrap gedaan op het gebied van weerbaarheid. De oefeningen
waar u het net over had, zijn ook allemaal momenten waarbij je met de andere partijen,
in de nabijheid van je toeleveranciers, stappen kunt gaan zetten. Maar op grond van
de Drinkwaterwet bereidt de drinkwatersector zich hierop voor. De sector stelt met
behulp van verstoringsrisicoanalyses leveringsplannen op. De ILT ziet daarop toe.
We zijn nu ook begonnen met het spoor, met de heer Christophe van der Maat. We gaan
langs alle kritieke sectoren van de ILT om op een hoger niveau te komen. Zelf ben
ik wel voorstander van grootschalige oefeningen, want daar komen ook weer zaken in
naar voren. Iedereen is ermee bezig. We hebben een aantal goede sessies gehad. Dit
is continu werk in uitvoering.
Mevrouw Bromet, ik ga verder met uw vraag: moeten we voor onze weerbaarheid ook denken
aan de collectieve waterzuiveringsinstallaties waar we regenwater in tijden van nood
kunnen zuiveren? Dat doen de drinkwaterbedrijven al. Op grond van de Drinkwaterwet
bereiden de drinkwaterbedrijven zich hierop voor. Laatst hebben we een video met de
directeur van Dunea gedeeld via de socialmediakanalen van het ministerie. De fossiele
brandstof voor de generatoren is toereikend voor een lengte van twee of drie weken.
Dat varieert per bedrijf. Je hebt dan ook wel een vervolgplanning nodig. Diverse waterschappen,
zoals Delfland en Hollandse Delta, zijn aan het bekijken wat de strategie is. Moet
je niet wat zaken gezamenlijk inkopen? Wellicht gaat het om een strategische plek
voor die extra brandstof voor die generatoren. Drinkwaterbedrijven zijn onze collectieve
waterzuiveringen. Zij zijn als beste in staat om te zorgen voor veilig drinkwater.
Daarbij wordt ook gekeken naar zo’n verdeelpunt voor wijken en op centrale punten.
Daar kunnen burgers dan ook water gaan halen.
Het lid Kostić is hier nu niet aanwezig, maar had een vraag over de conclusie van
de Algemene Rekenkamer dat het doel van de drinkwaterbesparing met de huidige maatregelen
niet gerealiseerd gaat worden. Zij vroeg welke maatregelen ik heb ingezet en welke
ik het volgende kabinet aanraad. Wij hebben niet stilgezeten. Denk aan de uitvoering
van het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing. Er wordt met heel veel partners
bijvoorbeeld veel energie gestoken in 20% reductie voor bedrijven. De deadline is
wel 2035. Als ik terugkijk op de afgelopen twee jaar uitvoering, zie ik mooie stappen,
zoals de lancering van Levenmetwater.nl, maar ook pilots, bewust bouwen en waterscans
bij bedrijven. Het uitvoeren van die waterscans gaat veelal via de brancheverenigingen.
In dit geval is dat de VEMW. Er moeten nog wel stappen gezet worden. We zijn er nog
niet. We hebben het advies, de rapportage, van de Algemene Rekenkamer gezien en voor
de zomer zal ik u informeren over wat we allemaal gaan doen hieromtrent. We hebben
een extra workshop gehouden om elkaar op de hoogte te houden. Voor de zomer kom ik
met additionele informatie richting uw Kamer.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra vroeg: kan de Minister toezeggen meer werk te gaan maken
van de campagne over drinkwaterbesparing? Je zou bijna zeggen: we gaan het potje voor
spitsmijden hier neerzetten, want het moet wel zin hebben. Dat ben ik helemaal met
de heer Heutink eens. Op het moment dat we geen zoden aan de dijk zetten, moet je
ook een conclusie trekken. Hier gaan we wel mee beginnen. We doen dat samen met de
drinkwaterbedrijven. Dat zullen we ook gaan evalueren. Er moeten wel meters gemaakt
worden, want als het voor de bühne is of als het niet werkt, doen we met overheidsgeld
de verkeerde zaken. We gaan de nationale publiekscampagne drinkwaterbesparing met
alle betrokken partijen doen.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik ben even ... «Verbijsterd» is een beetje overdreven, maar ik hoor helemaal geen
enthousiasme bij de Minister. Dat is toch wel een teleurstelling. Ik heb in mijn bijdrage
geschetst hoeveel impact het heeft. Toevallig hadden we het er tijdens de lunch nog
over; meerdere mensen hebben die impact tijdens hun jeugd gevoeld. Als u aan de voorkant
al zegt «het moet wel zin hebben», dan weet ik dat het aan de achterkant niet gaat
slagen. Dus ik zou zeggen: zet ’m op! Of: geef het door!
Minister Tieman:
Dan interpreteert u mijn woorden wellicht verkeerd, maar ik ben wel van «meten is
weten». We gaan er vol enthousiasme in. Ik had twee jaar geleden de 130 liter per
persoon per dag en hoe die zich verdelen over de wasmachine et cetera, wat minder
op mijn netvlies. Die bewustwording is alleen maar goed. We gaan hier met heel veel
experts en veel enthousiasme naar kijken, maar er komt ook een moment van evaluatie,
zoals we dat bij alle publieke campagnes doen. Daarop moet wel tractie komen. Dat
kun je nog een tweede kans geven, maar uiteindelijk geldt: meten is weten.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Hoe gaat de Minister er dan voor zorgen dat ik niet straks na afloop van een campagne
opnieuw schriftelijke vragen moet stellen omdat het weer een fiasco was, we drie ton
verder zijn en we daarmee dus van de regen in de drup zijn gekomen? Hoe gaat de Minister
dat dan voorkomen?
Minister Tieman:
Door een goede campagne te voeren. Dat is één ding. Maar ik wil ook echt wel de evaluatie
daarna doen. We gaan er dus met goed enthousiasme in, maar als we met alle kennis
en kunde geen tractie weten te maken – «betutteling» is wellicht een woord – en het
heeft wel zin, dan heb je het niet nodig. Maar kijkende naar de 20% in 2035 en kijkende
naar het potentieel, is dit wel iets waar we onze schouders onder gaan zetten met
relatief weinig geld.
De voorzitter:
De campagneslogan is er alvast.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
«Van de regen in de drup.» Ik had ’m zelf kunnen verzinnen, voorzitter. Kijk, het
gaat wel weer over belastinggeld. Ik weet natuurlijk niet hoeveel geld eraan gespendeerd
gaat worden – misschien kan de Minister dat nog zeggen – maar als we vooraf niet weten
of het effect heeft, we er wel weer opnieuw belastinggeld tegenaan smijten en dan
achteraf moeten gaan kijken of het zinvol is geweest, dan is dat volgens mij not the
way to go. Volgens mij moeten we zeker weten dat het effect gaat hebben. Anders moet
je het gewoon niet doen. Dan kunnen we dat geld, denk ik, beter besteden aan andere
dingen die ook heel erg belangrijk zijn.
Minister Tieman:
Ik ga u wat meer informatie doen toekomen over deze campagne, ook kijkende naar het
spitsmijden – ik weet dat het behoorlijk in the picture is gekomen – en over de argumentatie
hierachter. Laten we met elkaar echter scherp zijn op dit soort campagnes, want als
het geen zin heeft, moeten we die niet te lang door laten gaan. Maar wij gaan niet
iets beginnen als we aan de voorkant al weten dat het geen zin heeft. Daarin ga ik
helemaal mee met mevrouw Boelsma-Hoekstra. Ik geef u wat meer informatie. Ik hou u
ook op de hoogte van dit soort campagnes. Dat is dan niet over een jaar of twee. Het
moet wel wat tractie hebben. We gaan aan de voorkant, met de brief die ik u doe toekomen,
al wat meer informatie geven over wat onze uitgangspunten waren. Dan worden we met
elkaar veel enthousiaster.
De voorzitter:
Kan u voor de toezeggingenlijst aangeven wanneer die brief komt?
Minister Tieman:
Die kan ik u binnen een maand doen toekomen.
De voorzitter:
Mevrouw ... Boelsma-Hoekstra. Ik blijf maar ... Ik moet oefenen, maar u krijgt het
woord.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Waarschijnlijk went het wel!
Dank voor die toezegging. Ik denk dat de kosten wel voor de baten gaan, dus ik zie
dit wel als een heel zinvolle campagne. Ik hoop dus dat het enthousiasme dat ik probeer
over te brengen ook bij u overgebracht wordt. U zei al dat het daar landt.
Minister Tieman:
Helder.
De voorzitter:
Vervolgt u de beantwoording.
Minister Tieman:
We waren bij mevrouw Boelsma-Hoekstra. Zou de Minister in kaart kunnen brengen hoe
we de eindeloze bezwaarprocedures kunnen inperken? Ik kijk ook nog heel even naar
het rapport van Wennink. Daarin worden ook adviezen gegeven over de bezwaarprocedures
en daarin wordt gesteld dat die eigenlijk gelimiteerd zouden moeten gaan worden. Ik
laat het ook aan de volgende club om die zaken verder handen en voeten te gaan geven,
maar daarin staan wel beperkingen ten aanzien van de bezwaarprocedures genoemd. Het
realiseren van een drinkwaterwinning heeft potentieel een grote invloed op de leefomgeving.
Op grond van de Algemene wet bestuursrecht staan besluiten open voor beroep en bezwaar,
dus daar hebben we het nu wel mee te doen met elkaar. Dit biedt zeker ook versnellingsmogelijkheden.
In Brabant en Overijssel wordt nu gewerkt aan de inzet van projectbesluiten. Er wordt
ook gewerkt aan een rapportage van het Actieprogramma beschikbaarheid waterbronnen.
De knelpunten bij vergunningverlening worden hierin ook meegenomen. Deze worden in
het BO, Bestuurlijk Overleg, Water van 4 april vastgelegd. Ik kan u toezeggen deze
te delen met de Kamer.
De heer Schutz: wat is de stand van zaken van de toezegging om te onderzoeken welke
sectoren afhankelijk zijn van drinkwater en wanneer ontvangt de Kamer deze resultaten?
Het is belangrijk dat bedrijven die drinkwater nodig hebben dit ook geleverd krijgen.
Het motto blijft: het juiste water voor het juiste gebruik. Heeft iedereen drinkwater
nodig, of zouden bedrijven ook een demiwaterregeling kunnen treffen, al dan niet met
voorzuivering op eigen terrein, of is het gewoon makkelijk dat je drinkwater gebruikt?
Is het al eens goed onderzocht? Sinds de zomer van 2024 zijn de drinkwaterbedrijven
bezig met het in kaart brengen van de zakelijke afnemers. Er wordt in kaart gebracht
hoe deze te typeren zijn, hoeveel water ze gebruiken en of ze ook daadwerkelijk drinkwater
nodig hebben. De drinkwaterbedrijven beschikken als enige over die gegevens, maar
het is toch wat lastiger dan we dachten. Ik overleg daarover met de sector. Wanneer
er meer gegevens beschikbaar zijn, kunnen we pas een volgende stap zetten. Ik heb
even geen tijdlijn, maar kijkende naar de eerdere deadline, zijn we hier wel druk
mee bezig. Ik hou het op zo’n zes maanden, waarna we in hier in ieder geval over rapporteren.
Als het tot niks leidt, weet u dat in ieder geval ook. Maar we moeten die scherpte
met elkaar zoeken. Ik noem 20% in 2035, zodat ook investeringen in demiwater in plaats
van drinkwater gedaan kunnen worden. Daar heb ik de sector wel bij nodig. We zijn
ermee bezig.
De voorzitter:
De heer Heutink heeft een vraag.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Hoe verhoudt zich dat dan tot de leveringsplicht vanuit de Waterwet richting drinkwaterbedrijven?
Minister Tieman:
Het gaat hier om de bedrijven die het echt nodig hebben. Het zijn bedrijven die wellicht
een demiwatermogelijkheid hebben maar die nu gewoon drinkwater gebruiken omdat de
infrastructuur er ligt of omdat het makkelijk is. Maar op het moment dat het verplicht
is volgens de Drinkwaterwet, zie ik eigenlijk geen handelingsperspectief om daaraan
te gaan tornen qua veiligheid. Het moet wel allemaal in dat plaatje passen.
De heer Schutz (VVD):
Duidelijk antwoord van de Minister. Een vervolgvraag: kan hij iets zeggen over de
aard van de complexiteit van datgene waar hij tegenaan is gelopen? Waar hangt het
op?
Minister Tieman:
Ik kom daar in de tweede termijn op terug.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
De Drinkwaterwet stelt dat drinkwaterbedrijven de primaire taak hebben om voldoende
drinkwater van goede kwaliteit te leveren aan consumenten en andere afnemers. Dat
is dat brede begrip. Andere afnemers kunnen dus ook bedrijven zijn. Ik snap het uitgangspunt,
maar als we dit doen, komt dat dan niet op gespannen voet te staan met dit uitgangspunt
in de Drinkwaterwet?
Minister Tieman:
Dat ga ik wel vermijden. Het is nu echt laaghangend fruit: welk bedrijf kunnen we,
zonder dat we inbreuk maken op die wet, ertoe verleiden om over te stappen op een
andere vorm? Dat gaat dan om bedrijven die geen waterkwaliteit van die hoogte nodig
hebben maar waarbij bijvoorbeeld demiwater mogelijk is. We hebben nu ook een groot
project in Emmen, De Ultieme Waterfabriek. Daar is een heel consortium waaronder het
bedrijfsleven, Royal Haskoning et cetera, bezig om te kijken wat we nog zouden kunnen
doen. Want soms kun je met een additionele zuivering toch op een demiwaterniveau komen
zonder dat je op het niveau van drinkwater hoeft te komen. Ik denk dan niet aan de
voedsel- en drankenindustrie. Daar is in mijn optiek geen discussie over. Het gaat
ook echt om de besparingen daarna, een ander type water en het hele palet. Maar we
hebben wel te maken met voedselveiligheid. Daar gaan we niet aan tornen.
De voorzitter:
Zit u nog steeds in het blokje zoet water, of is het bijna klaar?
Minister Tieman:
Nog twee en dan ga ik naar de volgende. De heer Schutz vroeg: waar zitten volgens
de Minister de knelpunten? Wat is er nodig om de procedures samen met de provincies
te versnellen? Het proces van plan tot oplevering van nieuwe drinkwaterwinning kost
inderdaad veel tijd. In de voortgangsrapportage van het Actieprogramma beschikbaarheid
drinkwaterbronnen, die in het Bestuurlijk Overleg Water van 4 april wordt besproken,
zullen de knelpunten bij de vergunningverlening aan de orde komen en ook de mogelijkheden
om die op te lossen. Er zijn verschillende knelpunten, zoals stikstofruimte of een
afweging van andere belangen. Ik kan u toezeggen dat deze rapportage met de Kamer
gedeeld gaat worden.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer vroeg wat voor maatregelen de Minister neemt om brakwaterwinning
of ontzilting mogelijk te maken. U had het ook over een voorbeeld van Brabant Water.
Ik ben bekend met het voorbeeld om van brak water zoet water te maken, in dit geval
drinkwater. Er zijn diverse plekken waar drinkwaterbedrijven proeven uitvoeren op
het gebied van ontzilting. Als onderdeel van het NWP is het voornemen om het gehele
hoofdwatersysteem een drinkwaterfunctie te geven. Daarnaast is het ook nodig om een
aanpassing van het Besluit kwaliteit leefomgeving te realiseren. Dat is nu geënt op
een situatie waarin je drinkwater maakt van zoet water. Dat is dan zo’n knelpunt.
Als we dat beslechten, heb je meer handelingsperspectief wanneer het niet om zoet
water gaat. We hebben hier ook ervaring mee op de eilanden.
Tot zover dit kopje.
De voorzitter:
Dank u wel. Dit waren de vragen over zoetwater. Als niemand daar vragen over heeft,
kunnen we door naar het volgende kopje, namelijk wateroverlast. O, meneer Schutz heeft
nog een vraag.
De heer Schutz (VVD):
Zit koelwater in varia?
Minister Tieman:
Daar kom ik op terug.
De voorzitter:
Koelwater komt nog. Wateroverlast.
Minister Tieman:
De heer Grinwis had het over het gemaal IJmuiden. Ik heb u een brief doen toekomen,
ook met een bandbreedte van de kosten, gewoon om look en feel te geven zonder dat
we ons daarmee op achterstand zetten voor de komende aanbesteding. Wat die komende
aanbesteding betreft hebben we wel ook het pleidooi van mevrouw Vellinga voor die
additionele middelen nodig in de documentatie die ik ook gezien heb. Laat daar geen
misverstand over zijn, want we praten over enorme bedragen. We praten ook over een
tijdspanne. Mij wordt gevraagd wat daar te lezen is. Op dit moment ga ik ervan uit
dat die 1,1 miljard ook te realiseren is vanuit zowel het Deltafonds als het Mobiliteitsfonds,
want anders hebben wij onvoldoende middelen voor het gemaal IJmuiden. We gaan natuurlijk
ook nog goed kijken naar de financiering. Ik heb de heer Verdaas, onze deltacommissaris,
ook meegegeven om creatief te kijken naar alternatieve bekostiging, maar dit zijn
wel enorme bedragen. De druk op het Deltafonds is gewoon groot. En dan heb ik het
nog niet eens over dezelfde investering die we ook in de Afsluitdijk zouden moeten
gaan doen. Dat zijn de twee hoofdthema’s op het gebied van de veiligheid, die daar
op gespannen voet met elkaar staan.
Ik zie op dit moment geen mogelijkheden om dit te versnellen. De heer Grinwis meldde
dit ook. We hebben een projectbesluit, we hebben een planfase, we hebben een aanbesteding,
we hebben milieuvergunningen. Stel dat het geld vandaag op mijn rekening zou staan,
dan heb ik tien jaar nodig. Dat zijn gewoon de doorlooptijden. Daar ligt het niet
aan en ook niet aan de hoeveelheid mensen die hierop zitten. We zijn op dit moment
nog bezig met een tweetal varianten. We begonnen met tien varianten. We zijn bezig
met de waterschappen, die hier nauw bij betrokken zijn; ik denk dat we daar misschien
ook nog een beroep op gaan doen voor een stukje bekostiging. Die gesprekken lopen
allemaal nog, maar het is een complex verhaal, want de winkel is open, terwijl we
straks ook gaan verbouwen. We kunnen het spuigemaal niet uitzetten; daar zitten 4 miljoen
mensen achter. Qua importantie is hier dus geen discussie over. De zaken komen allemaal
uit 1940. Het is dus ook logisch dat het einde van de levensduur in zicht komt. Dat
is dus mijn antwoord op die vraag, ook van mevrouw Vellinga-Beemsterboer, ten aanzien
van versnelling.
Extreme regen: is de Minister het ermee eens dat alle kwetsbare gemeenten noodplannen
moeten hebben voor zulke overstromingen? Gemeenten werken zelf aan lokale stresstesten
en de risicodialogen. Het is aan de veiligheidsregio en de inliggende gemeenten om
zich voor te bereiden op de mogelijke risico’s. Na de extreme bui in Enschede in 2024
zien we ook dat we nog veel meer van dit soort wijken hebben. Ik zal contact opnemen
met mijn collega van Justitie en Veiligheid. We betrekken dit ook bij de Nationale
Aanpak Wateroverlast, die we aan het einde van 2026 zullen opleveren.
Mevrouw Vellinga: «Daarnaast benoemt de OVV, de Onderzoeksraad voor Veiligheid, ook
een lijst maatregelen die de Minister kan nemen in een nationale aanpak, zoals de
grotere rioolcapaciteit, informatie over grondwaterstanden et cetera. Ik begrijp dat
de Minister deze aanpak aan een volgend kabinet laat, maar kan hij ook alvast toezeggen
dat er een voorbereiding in gang is gezet?» Die toezegging kan ik doen. De voorbereidingen
zijn in volle gang gezet. In de Kamerbrief over wateroverlast van november 2025 ben
ik ingegaan op de effecten van een grootschalige regenbui en de lopende acties tegen
wateroverlast. Het komende jaar wordt er gewerkt aan het verder in kaart brengen van
de gevolgen van extreme regen. Dat was ook aangekondigd in de brief. We zijn daarmee
bezig met de waterschappen, met het IPO en met de VNG. Eind 2026 laat ik de resultaten
van die Nationale Aanpak Wateroverlast aan de Kamer zien.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer: wat is de rol van de Natuurherstelwet in het tegengaan
van wateroverlast en hoeveel geld besparen we met groene maatregelen? Dit jaar wordt
onder leiding van LVVN een natuurplan opgesteld. Het onderdeel bebouwd gebied wordt
door het Ministerie van VRO uitgewerkt. Er wordt dus wel samengewerkt in dit geval.
Op dit moment zijn er nog weinig kwantitatieve gegevens over een mogelijke besparing
te melden. Er is wel bekend dat de natuurinclusieve oplossingen lokaal kosteneffectief
kunnen zijn door hun meervoudige baten. Wordt vervolgd, zou ik zeggen.
Mevrouw Bromet vroeg: wat is de reactie van de Minister op de uitspraak van Greenpeace
in Bonaire? Er is vandaag een brief naar u onderweg vanuit het kabinet. Dat is niet
al meteen een hele duiding. Die laten we over aan het volgende kabinet. Maar dit geeft
u al wel wat informatie over een aantal zaken: mitigatie, klimaatadaptatie. Het eiland
ligt laag. Dat is een behoorlijke opgave. We hebben met elkaar vorige week een scherpe
uitspraak gezien. Dit gaat nog heel wat voer voor discussie opleveren. Eerst zijn
wij bezig met de nadere en zorgvuldige bestudering van de uitspraak.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Heeft de Minister op Twitter het draadje gezien van de Volkskrantjournalist Maarten
Keulemans over deze uitspraak?
Minister Tieman:
Dat heb ik nog niet tot mij genomen, mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dan wil ik de Minister verzoeken dat toch te doen en daar in de tweede termijn op
terug te komen. Deze journalist stelt namelijk hele goede vraagtekens bij deze uitspraak.
Minister Tieman:
Dat zal ik doen. Weet dat de kabinetsreactie geen duiding is. Die is echt aan het
volgende kabinet, maar ik neem tot nu toe alles mee. Die brief is, wat ik net heb
begrepen, onderweg naar u. Die is er al, hoor ik van de griffier.
De voorzitter:
De brief is er al, dus die kunt u lezen. Mevrouw Van der Plas, u wilt dat de Minister
het Twitterdraadje gaat lezen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja, dit is een wetenschapsjournalist. We hebben de wetenschap altijd hoog in het vaandel
staan. Ik zou dat inderdaad graag willen. Kortgezegd is zijn conclusie: «Wat. Een.
Broddelwerk». Ik wil wel graag een reactie van de Minister.
Minister Tieman:
Ik zal het Twitterdraadje gaan lezen, mevrouw Van der Plas.
De voorzitter:
Zit u nog steeds in het blokje ...
Minister Tieman:
Waterveiligheid.
De voorzitter:
Nou, kijk. We gaan overstappen van het blokje wateroverlast naar waterveiligheid.
Minister Tieman:
De heer Grinwis vroeg hoe de motie tot verkenning van het verkorten van de doorlooptijd
van de projecten is ingevuld. Op welke wijze zijn de waterbouwers betrokken bij de
herijking? Is het tot nu toe niet te veel een intern proces geweest? Versnelling van
onze waterveiligheidsprojecten is een terecht punt van de heer Grinwis. Zelf was ik
eerder deze week aanwezig bij de Meanderende Maas om ook juist over die versnelling
te praten. De uitvoering gaat goed. We zitten echt in de planfase daarvoor, waar je
toch een aantal zaken zou kunnen neerzetten. Dat is ook behoorlijk complex. Vorige
week woensdag was dat werkbezoek.
De uitwerking van deze thema’s worden gedaan in afstemming met de Taskforce Deltatechnologie.
Hierin zitten zowel de NLingenieurs, de Vereniging van Waterbouwers, als Bouwend Nederland,
om toch die versnelling te gaan realiseren. Zelf denk ik dat het project Meanderende
Maas een goed voorbeeld is van alles, waaronder verschillende waterschappen, bij elkaar
te betrekken bij een enorm project en daar dan ook echt het net op te gaan halen met
een evaluatie. Waar zou het nog sneller kunnen? Ik denk zelf dat daar nog echt wel
wat stappen te maken zijn. Zo draagt het verruimen van een fastlane – Engelse terminologie
– de vereenvoudiging van het projectbegeleiding en het maken van projectafspraken
aan de voorkant bij aan de reductie van bureaucratie. Maar hoe wij de milieuwetgeving
af en toe ingeregeld hebben, is wel een behoorlijk complexe puzzel. Vandaar dat ik
om dit soort projecten te kunnen versnellen, ook echt stappen moet gaan maken met
het advies van Wennink, zonder afbreuk te doen aan bepaalde momenten van inspraak
uiteraard.
De voorzitter:
Er is een interruptie van mevrouw Boelsma-Hoekstra.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Dank u wel, het gaat steeds beter. Hoor ik de Minister goed dat hij eigenlijk zegt
dat de waterbouwers en andere sectoren nog steeds betrokken worden bij de uitvoering?
Dat is een feit?
Minister Tieman:
Ja, dat is een feit. Ik heb ook de presentatie van afgelopen week even meegenomen.
Als je wilt versnellen, versnel dan in het voortraject. Dat is in dit geval, en ik
denk ook bij heel veel andere projecten, grondverwerving. Een grondbank, ja. Ik noem
ook projectbesluiten en vergunningen. Over het vergunningsproces en wat daar nog in
het vat zit, had ik het zonet nog in het kader van de heer Wennink. En zorg voor een
sterke projectorganisatie die adaptief kan werken. Timmer niet alles aan de voorkant
dicht. Dat zijn een aantal lessen die voor dit soort projecten geleerd zijn van Meanderende
Maas. Wij hebben zelf ook een portfolioaanpak, met treintjesvorming, en een tweefasenaanpak.
Het zijn allemaal manieren om het sneller en efficiënter te kunnen doen met elkaar.
Dit is in mijn optiek gewoon de nieuwe manier van werken, die je gewoon moet toepassen.
Anders loop je enorm uit de tijd en ook uit de kosten.
Dan de heer Grinwis, die zei dat hoogwaterbeschermingsprojecten scherper beoordeeld
moeten worden. Wat voor wijzigingen zijn daarvoor nodig en wil de Minister hierop
ingaan? Beheerders van waterkeringen beoordelen periodiek in hoeverre de dijktrajecten
voldoen aan de normen. Dat zijn de waterschappen en Rijkswaterstaat, en niet het HWBP.
Zij hebben een rol zodra een project versterkt wordt. Het leidende principe is inderdaad:
scherp beoordelen en robuust versterken. Het beoordelen wordt nu continu gemonitord
en verbeterd en is daarmee continu in ontwikkeling. Momenteel verken ik ook of een
adviesteam kan helpen bij het scherper maken van deze beoordelingen. Daarnaast zijn
er een aantal acties opgenomen in de bestuurlijke afspraken over de herijking van
het Hoogwaterbeschermingsprogramma, die ervoor zorgen dat projecten scherper in het
HWBP komen. Denk daarbij aan het scherper maken van de scope voordat het in een project
komt, bijvoorbeeld via een ingangstoets.
De heer Grinwis vroeg ook of er al zicht is op de concrete ruimte voor projecten met
dijkverleggingen. Ruimte voor de Rivier werkt dit jaar toe naar twee besluiten. Het
ene is een besluit om maatregelen te treffen om te voorkomen dat de rivierbodem nog
verder daalt. Dit gaat met name in op de aanleg van een meergeulensysteem op de Waal.
Hiervoor is ruimte nodig. Daarnaast worden dit jaar ook voorstellen voorbereid voor
het ruimtelijk reserveren van bepaalde gebieden. Daarbij brengen we in kaart in welke
delen van de rivier dijkterugleggingen en een bypass nodig zijn. We zijn ook met de
medeoverheden bezig om hieraan vorm te geven.
Mevrouw Vellinga en de heer Schutz vroegen naar de normaanpassingen. Dat is een belangrijk
thema. We hebben hier te maken met een proces dat al een tijd in gang is gezet en
met een overlijdensrisico van 1 op 100.000. Dat is in heel Nederland hetzelfde. We
hebben ook te maken met meerlaagse veiligheid. Hierbij is Deltares, maar is ook de
deltacommissaris, niet over één nacht ijs gegaan. Ik heb ze betrokken bij de situatie
ten aanzien van de eilanden. Die gesprekken zijn nog niet klaar. Ik heb een tweetal
gesprekken gevoerd. Een van die gesprekken was in Lemmer, met het waterschap in kwestie
maar ook met de gedeputeerde en de vertegenwoordiger van het eiland. Het andere gesprek
was in Den Haag. Die normering wil ik ten aanzien van de berekeningen die zijn toegepast
op die 1 op 100.000 niet laten verschillen per regio. Ik zie wel ruimte in bijvoorbeeld
die meerlaagse veiligheid, de evacuatie en de samenredzaamheid om op het eiland te
blijven. Dit is zo gekomen nadat we een evacuatiefractie anders hebben ingezien naar
aanleiding van additionele kennis en kunde, om vooral op het eiland te blijven, in
een hoger gelegen gebied. Over die samenredzaamheid is het laatste woord nog niet
gezegd, maar aan die normeringen zou ik niet willen gaan tornen. Ik zou die niet bijvoorbeeld
in Limburg willen laten verschillen van de Randstad.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dit raakt mij heel erg. Tot drie maanden geleden was ik wethouder op een eiland, en
was het verhaal altijd: op het moment dat er een grote overstroming is, moeten wij
het een hele tijd met elkaar redden. Ik hoor de Minister nu toch een aantal dingen
door elkaar gooien. Hij heeft het over samenredzaamheid, over zelfredzaamheid. Die
plannen zijn nog helemaal niet klaar, hoor ik, en toch besluit hij al tot een verlaging
van de dijknormering, wat met name voor Schiermonnikoog – de bestuurders en raadsleden
van Schiermonnikoog zitten hier op de tribune, net als mensen van het Wetterskip –
hele negatieve gevolgen heeft. De Minister overweegt dit voor een aantal plekken in
Nederland, maar we lezen in zijn brief dat hij het alleen voor de Waddeneilanden al
definitief heeft gemaakt. Ik begrijp niet hoe dit zit. Er moeten nog plannen gemaakt
worden voor de meerlaagse veiligheid, zoals hij zegt. Dan lijkt het mij niet verantwoord
om de dijknormen al naar beneden te gooien.
De voorzitter:
Dat telt als twee interrupties.
Minister Tieman:
Ik kom hier in tweede termijn op terug, mevrouw Vellinga.
De heer Schutz (VVD):
Ik heb een vraag in het verlengde hiervan. Ik heb in de eerste termijn gevraagd om
vooral te overleggen met de mensen zelf. U gaf aan dat u al bestuurlijk overleg had
met het Wetterskip, maar spreek ook vooral met de mensen daar. Daar wordt gesproken
over verticaal evacueren. Verticaal evacueren is geen beleidskeuze, maar een uiterste
noodgreep. Ik ben gisteren in Ouwerkerk geweest. Daar ging het in 1953 heel vaak mis.
Mensen zijn daar toen onderkoeld van hun huis afgewaaid, in het water terechtgekomen
en overleden. Die maatstaven moeten voor iemand op Schiermonnikoog hetzelfde zijn
als voor iemand in Limburg, bij mij in Zeeland of waar dan ook. Ga dus alstublieft
in gesprek met die mensen om hen mee te nemen en heroverweeg dan samen hoe deze route
aan te vliegen.
Minister Tieman:
Ik neem dat ook mee in tweede termijn.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik wil hier even op aansluiten. Ik had in eerste termijn gevraagd om een toezegging
om dit niet toe te passen. Nou, die geeft u dus niet, als ik het zo beluister. Wat
mij zorgen baart, is ... Ik begon mijn betoog met te zeggen: maak gebruik van de kennis
en kunde van ons als Kamerleden in de regio’s. Mijn buurman en buurvrouw zeiden het
net echter ook al: er is ook heel veel kennis en kunde op het eiland, dus maak daar
gebruik van. Er zijn al investeringen gedaan. Dat punt is nog niet aan bod geweest.
Ik zou heel graag van de Minister willen horen hoe het proces verloopt. Komt het ter
inzage? Is het een ministerieel besluit? Zijn wij dan uit beeld? Of schets ik het
zo verkeerd?
De voorzitter:
Twee interrupties.
Minister Tieman:
Ten aanzien van de laatste vraag: het gaat in dit geval om een ministerieel besluit,
dus dan is het alleen de Minister die hier een besluit over neemt.
De voorzitter:
Vervolgt u uw beantwoording.
Minister Tieman:
De heer Schutz vroeg hoe je de robuustheid van het meegroeien meet in vergelijking
met de waterbouwkundige oplossingen voor wat betreft waterveiligheid. Maatregelen
voor waterveiligheid worden altijd vooraf ontworpen: naturebased, technisch of combinaties
daarvan. Maatregelen moeten wel voldoen aan de wettelijke veiligheidsnormen. Ze worden
daar vooraf ook op getoetst. Hierbij wordt gebruikgemaakt van wetenschappelijke modellen,
instrumenten en handleidingen. Na afronding van het rapport over de zeespiegelstijging,
medio 2026, dus dit jaar, worden de mogelijke keuzes in ons beleid verder uitgewerkt.
We hebben nu een viertal varianten en daar worden dan mogelijke keuzes bij neergezet.
Meegroeien is een van de vier mogelijkheden. U wordt dus nog nader geïnformeerd over
hoe dit proces verdergaat nadat het rapport over de zeespiegelstijging medio dit jaar
is afgerond.
Mevrouw Van der Plas vroeg: welke concrete verbeteringen ziet de Minister om het Hoogwaterbeschermingsprogramma
beheersbaar, doelmatig en solidair te houden richting 2050? Ik ben heel blij dat de
bestuurlijke afspraken rondom de herijking zijn gemaakt. We zetten in op een betere
sturing door meer regie op de programmering van het Hoogwaterbeschermingsprogramma.
Deze afspraken worden in 2026 uitgewerkt bij de waterprogramma’s, met de waterschappen
en de programmadirectie Hoogwaterbeschermingsprogramma.
Mevrouw Bromet vroeg hoe de ontwikkelingen in Duitsland worden meegenomen in het Nederlandse
waterveiligheidsbeleid. Dat doen we samen met de rivierencommissie en in de bilaterale,
regionale grensoverschrijdende overleggen. In de afvoerstatistiek voor het berekenen
van de benodigde dijkhoogtes en de sterktes wordt rekening gehouden met de dijkversterkingen
in Duitsland. In Nederland wordt dus rekening gehouden met de dijkversterkingen. Door
middel van onderzoek naar dijkversterking, normering en retentiemaatregelen houden
wij zicht op de ontwikkelingen bij onze buren, die ook van effect zijn voor ons. Op
3 december jongstleden heeft Nederland een nieuwe samenwerkingsovereenkomst met de
Arbeitsgruppe Hochwasser van Noordrijn-Westfalen getekend. Dat is een bilateraal samenwerkingsverband
gericht op de waterveiligheid in het grensgebied van de Rijn.
De voorzitter:
Ik zie u een ander mapje pakken, dus volgens mij gaan we nu naar de Kaderrichtlijn
Water.
Minister Tieman:
Dat klopt.
Ik ga hier eerst toch een paar punten neerzetten. Ik kom dan uit bij de heer Heutink,
die ik de laatste jaren zeer actief op dit dossier heb zien spreken, en een paar punten
waar ik toch ook wel in beweging ben gekomen. Maar ik zet eerst kort en krachtig het
algemene verhaal neer. Schoon en gezond water gaat mij aan het hart en ik ben blij
dat u hier in de Kamer zo veel aandacht heeft voor de waterkwaliteit. U heeft veel
vragen gesteld en voordat ik die allemaal ga beantwoorden, wil ik kort nog wat anders
zeggen.
Ik ben blij dat we met alle waterbeheerders zo hard aan waterkwaliteit werken. Wijzelf,
maar ook de provincies, de waterschappen en de gemeenten, nemen steeds meer maatregelen
voor schoner water. We zijn bezig met een eindsprint richting 22 december 2027. We
richten ons daarbij op het tijdig herzien van vergunningen, aanlegmaatregelen, zoals
die om oevers natuurvriendelijker te maken, en het aanleggen van vispassages.
Dat is op stoom. We behalen ongeveer zo rond de 83%, zoals u ook heeft kunnen vernemen
in de technische briefing van vorige week dinsdag of woensdag. Ik weet het niet meer
exact, maar daar heeft u kunnen zien hoe die naald in beweging is. Maar het neemt
niet weg dat we die eindsprint, ook al gaan we nu echt springen, niet gaan halen.
Laat dat helder en uitgesproken zijn door mij. Als we die 100% niet halen, kunnen
we toch nog wel voldoen aan de Kaderrichtlijn Water door ons te beroepen op de legitieme
uitzondering. Ik kom daar zo meteen nog heel eventjes op terug naar aanleiding van
wat de heer Heutink daar net over heeft gezegd. Ik denk dan bijvoorbeeld aan vervuiling
die uit het buitenland komt. We zijn voortdurend in gesprek met de Europese Commissie
over de voortgang bij de Kaderrichtlijn Water. Tot slot, de Kaderrichtlijn Water is
behoorlijk technisch en daarom heeft u ook een sessie gekregen.
Mevrouw Kostić is nu weg, maar voordat ik bij de heer Heutink aankom, wil ik afsluiten
door stil te staan bij haar opmerking dat deze Minister eigenlijk weinig heeft gedaan.
Ik heb me dat namelijk toch wel aangetrokken. Ze is er nu niet, maar ik ga haar binnenkort
blij maken met wat we gedaan hebben aan vislood. Afijn, dan wilde ik even meegeven.
U heeft in het verleden namelijk heel wat uren over vislood gesproken en met name
mevrouw Kostić heeft zich daar hard voor gemaakt.
De heer Heutink noemde een aantal zaken die de laatste jaren de revue zijn gepasseerd
en daardoor ben ik in ieder geval wel scherper geworden op een aantal zaken. Maar
ik merkte dat de heer Heutink, wellicht door de campagnewerkzaamheden, bij een aantal
zaken toch weer wat verder weg is gekomen van het onderwerp. Het is heel goed dat
hij er nu weer in duikt, maar hij is nog wel een beetje roestig en dan met name bij
het «one out, all out»-principe. Ik ga u daarover daarom nog het een en ander duidelijk
maken in een brief, want ik wil eigenlijk dat we na drie jaar debatteren over het
«one out, all out»-principe wat duidelijkheid krijgen. Wat betekent dit nou precies?
Want anders heeft u het hier de komende drie jaar weer over.
Mevrouw de voorzitter, als ik het even mag afmaken, noem ik nog een paar andere zaken.
De heer Heutink had ook iets kunnen zeggen over die 32 miljoen euro subsidie voor
rwzi’s om de nutriënten naar beneden te krijgen, of de tweefasenaanpak die ik net
heb genoemd, of de uitvoeringsregeling voor het Besluit kwaliteit leefomgeving. Maar
hij had ook de extra uitzonderingsgronden kunnen noemen, die u terecht heeft aangekaart
en waar wij vervolgens ook op hebben geacteerd. Dat zijn allemaal zaken die we gedaan
hebben. En dan is er ook nog die 135 miljoen euro voor UPPWATER om pfas aan te pakken.
Dat zijn allemaal voorbeelden.
Er zijn nog een paar punten waarop we de scherpte de komende tijd echt nog wat moeten
gaan opvoeren. Dat betreft de uitzonderingsregelingen. Hoe goed hebben we die nu allemaal
in zicht? Met die 83% van de 100.000 doelen kom je een eind, maar we zijn ook bezig
met bekijken wat je er allemaal af kunt gaan halen, waaronder de buitenlandbelasting.
Dat zijn legitieme zaken. Ik wil niet de risico’s bagatelliseren die er zijn. U heeft
ook het rapport van de landsadvocaat gekregen, zij het onder embargo, want het is
vertrouwelijk. Ik zie best nog wat handelingsperspectief en dan komen we zo meteen
in de fase dat we ons echt moeten gaan wapenen voor juridische procedures. Dat is
bij de waterschappen en bij de gemeenten nu volop in gang. Ik heb een ronde gemaakt.
Ik heb een accent willen zetten om die naald nog even in beweging te brengen.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Nou wordt het helemaal mooi: dat een Minister een Kamerlid uitmaakt voor «roestig»
hebben we nog niet eerder meegemaakt. Maar goed, natuurlijk zijn er stappen gezet
op de KRW. En natuurlijk is het doelbereik 83%, maar onderschat mijn kennis niet,
zeg ik tegen de Minister, want de wijze van presenteren ... De optie die er nu naast
is gelegd door de Europese Commissie gaat specifiek in op parameters waardoor je beter
zicht hebt op wat nu de stand van zaken in het water is. Dat begrijp ik helemaal.
Dat is hartstikke fijn en leuk om te weten waar je staat.
Voorzitter, ik ga gewoon twee interrupties gebruiken; maakt u zich maar geen zorgen.
Maar feit is ook dat het juridisch bindend zijn van «one out, all out» nog steeds
als een paal boven water staat in de KRW. Die hele KRW is gestoeld op «one out, all
out». Feit is ook dat de Minister nu al zegt dat we ons mogelijk moeten voorbereiden
op juridische stappen. Dat betekent dat er ergens een haakje aan zit waarop we worden
afgerekend. De Minister kan dus wel zeggen «het is een manier van presenteren en Heutink
is vanwege de campagne een tijdje weggeweest en hij is een beetje roestig» ... Nou,
voorzitter, ik wil voorkomen dat we zo meteen in een nieuwe stikstofcrisis gaan belanden
en daarom al die woningen niet kunnen gaan bouwen, dat we al die infrastructuur niet
kunnen gaan aanleggen en dat we geen nieuwe drinkwaterbronnen kunnen gaan slaan. Ik
mag dan misschien een beetje roestig zijn, voorzitter, maar ik wil niet dat Nederland
kapotgaat en ik hoop dat de Minister dat met mij deelt.
De voorzitter:
Uw interrupties zijn nu op.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Mooi.
Minister Tieman:
Dat deel ik met de heer Heutink; laat dat ook duidelijk zijn. Het is goed dat u die
scherpte erin hebt gebracht, want dat heeft ook bij het ministerie een aantal zaken
in beweging gebracht, om ook de andere signalen vanuit de commissie niet tekort te
doen.
Ik begin met de vragen die de heer Heutink heeft gesteld. Veel vragen gingen over
de Kaderrichtlijn Water. Hij zei ook dat het juridisch een puinhoop gaat worden. Ik
kan u zeggen dat we de juridische risico’s in beeld hebben. Daarover zitten we op
één lijn met andere overheden en ook met kennisinstellingen. De lijn is dat we niet
tegen een generiek waterslot gaan aanlopen. Dat is ook duidelijk uiteengezet in het
rapport van de landsadvocaat, dat afgelopen zomer vertrouwelijk met uw Kamer is gedeeld.
Ik heb het hier ook uitgeprint liggen, voor mijn oog.
De voorzitter:
Alles gaat via de voorzitter en de microfoon. Gaat u verder.
Minister Tieman:
Zeker. Daar hebben we daadwerkelijke risico’s gezien en we doen al het mogelijke om
die te mitigeren, door ons optimaal voor te bereiden op de inzet van de uitzonderingsmogelijkheden.
Zonder dat ik daarbij de eindsprint tekort wil doen, want dat is ook een signaal dat
ik van onder anderen u, voorzitter, heb gehoord de laatste jaren, evenals van het
lid Kostić en van uw commissie. Laat ik het gewoon op die manier beantwoorden. Bij
het daarin een juiste balans zoeken hoort ook dat wij alle mogelijke maatregelen voor
de waterkwaliteit echt nemen, bijvoorbeeld in de landbouw. Hierbij geldt het Wezerarrest.
We moeten aan alle doelen voldoen. Dat is logisch, want die doelen geven aan welke
bescherming er nodig is. Het «one out, all out»-principe is een methode om per waterlichaam
het totaalbeeld te laten zien: voldoen we aan alle doelen? Bij de verantwoording naar
de Europese Commissie en bij onze eigen vergunningverlening wordt per parameter gekeken.
Als een waterlichaam alleen out is vanwege zink, dan heeft dat bijvoorbeeld geen gevolgen
voor de lozing van koper. Dat is ook in lijn met het Wezerarrest. Het is dus niet
zo dat het «one out, all out»-principe ervoor zorgt dat we geen vergunningen meer
kunnen afgeven. Afijn, ik kom hier verder nog op terug. Dan weet u dat. Ik heb een
brief toegezegd over het «one out, all out»-principe.
De voorzitter:
Wanneer kan de commissie die brief tegemoetzien?
Minister Tieman:
Binnen nu en een maand.
De voorzitter:
Die brief komt binnen een maand. Dan nog even over het rapport van de landsadvocaat,
waar meneer Heutink een vraag over had: dat ligt ter inzage bij de griffie, dus dat
kunt u daar inzien.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Ik hoor de Minister daar nu wel dingen over zeggen, dus ik weet niet of dat dan helemaal
goed gaat.
Minister Tieman:
Het feit dat het er is, is met de Kamer gedeeld.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas had een vraag. Of is ze die vergeten?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nee, ik was even aan het nadenken over het laatste. De juridische risico’s zijn in
beeld, maar beseft de Minister dat wij constant in juridische risico’s zitten omdat
wij onszelf wurgen met wetgeving?
Minister Tieman:
Dat besef ik. Ik citeer heel even uit het volgende regeerakkoord: «Het kabinet spreekt
de ambitie uit om de waterkwaliteit structureel te verbeteren. Daarbij moet wel de
Kaderrichtlijn Water herzien worden. Nederland wil inzetten op een vereenvoudiging
van de richtlijn.»
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat is prachtig om te horen. Dan ga ik ervan uit dat de vereenvoudiging van die regels
ook gaat betekenen ... Daar komt de Minister misschien nog op terug in zijn beantwoording
van alle vragen die ik heb gesteld.
Minister Tieman:
Ik kom daarop terug.
Het lid Kostić vroeg: «Het is goed dat de Minister de vergunningen tijdelijk wil maken.
Welke termijn gaat de Minister hiervoor hanteren?» Hier heb ik het net al over gehad:
het zal niet meer in deze kabinetsperiode ter inzage gelegd gaan worden of de internetconsultatie
ingaan.
Mevrouw Bromet vroeg: «De wet is nog steeds niet gewijzigd om vergunningen aan te
kunnen pakken. Hadden we dat niet ook via een algemene maatregel van bestuur kunnen
doen in plaats van via het Besluit kwaliteit leefomgeving? Waarom is dat nog niet
gedaan? Waarom leidt de route van de Minister tot verbeteringen? Hoe staat het met
de inbreukprocedure?» Naar aanleiding van de inbreukprocedure en diverse Kamermoties
wordt er nu gewerkt aan een integraal pakket wijzingen, dat in maart in consultatie
zal gaan. Het gaat daarbij om wijzigingen van zowel de wet als de AMvB’s. Dat is juridisch
nodig. Dit samenhangende pakket geeft bevoegde gezagen straks veel meer grip op lozingen
en onttrekkingen.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra vroeg: «Hoe implementeren we de nieuwe uitzondering voor
het verplaatsen van verontreiniging, zoals dat gebeurt bij baggeren, waar we nu ook
ruimte voor hebben gekregen? Hoe zorgen we dat er in de praktijk geen vertragingen
optreden bij projecten?» Naar verwachting worden de nieuwe uitzonderingen in april
dit jaar van kracht. We hebben hard voor die uitzonderingen gestreden in Brussel.
Pas na de implementatie hiervan in de Nederlandse wet- en regelgeving zijn ze beschikbaar
voor bedrijven. Bij de implementatie gaat het niet alleen om de verankering in regelgeving,
maar zorgen we ook voor een praktisch toetsingskader. De uiterste implementatiedatum
is 21 december 2027. Daarbij is nauwelijks versnelling mogelijk, maar we maken haast,
in de hoop dat we toch iets eerder klaar kunnen zijn.
Mevrouw Bromet vroeg: is er een garantie dat de ruimte om tijdelijke achteruitgang
toe te staan niet misbruikt wordt? Het is fijn dat de tijdelijke effecten bij projecten
niet onnodig streng worden beoordeeld, maar daar zijn wel veel voorwaarden aan verbonden,
om misbruik te voorkomen. Een voorbeeld van zo’n voorwaarde is dat het achteraf met
monitoring wordt gecontroleerd.
De voorzitter:
Zie ik u bewegen met mapjes, Minister?
Minister Tieman:
Ja, maar dat is nog hetzelfde mapje, voorzitter. Het is een mapje in een mapje.
Ik ga naar de vragen van mevrouw Van der Plas. Dat is een behoorlijke stapel. Zij
vroeg: hoe staat het met de uitvoering van de motie over de aandachtsgebieden (33 037, nr. 631) en de motie-Vedder? Het oppakken van deze moties is aan LVVN. Ik ben zeker niet
tegen doelsturing; laat dat helder zijn. IenW is voor doelsturing. IenW werkt al lang
samen met de agrarische sector in het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer en gaat uit
van de creativiteit van agrarische ondernemers om met eigen maatwerk aan doelen te
voldoen. De uitwerking van de doelsturingssystematiek, zoals beoogd met het ingroeipad
naar doelsturing, zal dan ook worden voortgezet, zodat dit najaar gestart kan worden
met metingen. Want meten is weten. De vorm van het systeem van doelsturing is aan
het volgende kabinet, ook wat betreft de Kaderrichtlijn Water. Ik heb net het een
en ander geciteerd. Vereenvoudiging staat duidelijk bovenaan, waar doelsturing dan
ook onderdeel van is. Conform de motie-Grinwis moet doelsturing passen bij zowel de
Nitraatrichtlijn als bij de Kaderrichtlijn Water.
De heer Grinwis vroeg: «Wat is in het kader van het achtste NAP de reactie van het
kabinet op de brief van Eurocommissaris Roswall? Zij achtte aanscherpingen nodig.
Welke aanscherpingen heeft de Minister voor ogen?» De reactie op de brief van mevrouw
Roswall is primair aan de Minister van LVVN. De brief van de Eurocommissaris is helder:
er zijn aanscherpingen nodig ten opzichte van de voorstellen voor volgend jaar. Maar
weet ook dat de Kamer het achtste NAP heeft doorgeschoven naar het volgende kabinet.
Dat geldt dus ook voor de eventuele aanscherpingen die nodig zijn. Ik zie in de media
ook dat er discussie is over data die gebruikt worden. Ik wil het volgende team meegeven
dat er over die data geen discussie meer zou moeten plaatsvinden. Die data moeten
duidelijk zijn. Je kunt namelijk niet praten over oplossingen als de data discutabel
zijn. De schone opdracht is om dat duidelijk te hebben.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer vroeg: wat is de stand van zaken rond het harmoniseren
van de regels, zodat de Kaderrichtlijn Water en de Nitraatrichtlijn elkaar niet langer
in de wielen rijden? Het is echt een integrale aanpak. Vanaf het begin werkt LVVN
samen met IenW aan het halen van de eindstreep. De eindstreep is het achtste NAP,
hoe die er dan ook uit mag zien. We nemen elkaar echt mee in de onderzoeksuitvragen
en de kaders. Daar hebben we procesafspraken over gemaakt. Mijn inschatting is dat
LVVN en IenW nog best wat huiswerk met elkaar te verrichten hebben om in een tijdspanne
van zes maanden tot een jaar een achtste NAP aan u te kunnen presenteren. Dat is echt
integraal. Dan heeft iedereen daar duidelijkheid over. We zullen alle bronnen tot
ons nemen en u er verder bij betrekken, maar het is aan het nieuwe team. Dit is wat
ik meegeef in mijn overdrachtsdossier: doe het integraal, met elkaar. Dan betrekken
we daar uiteraard ook de Europese Commissie bij, zodat we het goed op de rit hebben.
Ik heb het dan zowel over LVVN als over IenW; dat is dus gezamenlijk.
Is het toelatingsbeleid van het Ctgb al in lijn met de Kaderrichtlijn Water? Dat vroeg
mevrouw Vellinga-Beemsterboer. Voor de gewasbeschermingsmiddelen werkt LVVN samen
met IenW en het Ctgb aan een methodiek waarmee het Ctgb de toelating in overeenstemming
kan brengen met de Kaderrichtlijn Water. Deze methodiek is naar verwachting begin
2027 gereed. Conform de motie-Grinwis wordt toegewerkt naar een achtste actieprogramma
in lijn met de nutriënten. De keuzes daarbij zijn aan een nieuw kabinet. Het Ctgb
is bezig met het opschalen van de herzieningen. Lid Kostić is er niet, maar ook voor
pfas wordt een herziening gedaan. Oftewel: het water zit helemaal in de toelatingsmethodiek
die meegenomen gaat worden.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Begin 2027 – dan ga ik toch even op de lijn van de heer Heutink verder – klinkt angstig
dicht bij de deadline. Zijn er nog mogelijkheden om dit te versnellen?
Minister Tieman:
Dat kan niet veel sneller, mevrouw Vellinga.
De heer Schutz vroeg naar handelingsperspectief rondom de Kaderrichtlijn Water: de
Minister sprak recent in het tweeminutendebat over een eindspurt, en ik vermoed dat
hij doelde op het KRW-programma. Dat klopt. De Kamer zal voorafgaand aan het commissiedebat
Water van 25 juni aanstaande weer een Kaderrichtlijn Water-brief ontvangen, net als
ik u heb doen toekomen in juni vorig jaar, met dat handelingsperspectief en de acties,
maar ook met de vraag of we die naald wat dichter krijgen of niet. Proportionaliteit
zal er ook een onderdeel van uitmaken. In die brief zal ook ingegaan worden op de
periode na 2027 en de inzet die dan ook zal plaatsvinden. Denk bijvoorbeeld aan na-ijleffecten
en aan een Europese richtlijn voor stedelijk afvalwater voor de 315 waterzuiveringen,
die op dit moment 16% – u heeft de taartgrafiek in de brief gekregen – uitmaken van
de emissies.
De heer Schutz (VVD):
Ik verzoek om een kleine precisering. De Minister zegt iets over de inzet na 2027,
maar ik zou in die brief ook graag zien wat er tussen vandaag en de brief en vanaf
de brief tot het eind van de resterende termijn als handelingsperspectief is benut
en eventueel nog te benutten is.
Minister Tieman:
Dat zal meegenomen worden in de brief.
Mevrouw Van der Plas vroeg: kan het kabinet toelichten waarom Nederland ervoor kiest
om primair te sturen op metingen vlak onder de wortelzone, terwijl bekend is dat deze
metingen niet representatief zijn voor drinkwaterwinning en diepe grondwaterlichamen?
We sturen op metingen onder de wortelzone, omdat kwaliteit in die zone de toekomstige
kwaliteit van grondwater in diepere lagen bepaalt. Dit komt doordat vervuiling zich
langzaam en onomkeerbaar naar het diepere grondwater verplaatst. Daarbij komen onder
invloed van nitraat in het diepere grondwater stoffen zoals metalen vrij, waardoor
de kwaliteit van dat water als bron van drinkwater verslechtert. Met de nitraatnorm
uit de EU-Nitraatrichtlijn sturen we dus op de kwaliteit van het ondiepe en het diepe
grondwater, zodat het geschikt is en blijft voor waterproductie.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik wil de Minister vragen om het deel van mijn inbreng dat hierover gaat nog een keer
te lezen en dan de vraag gewoon concreet te beantwoorden.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas vindt het niet concreet genoeg.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik wil het nog wel even herhalen.
Minister Tieman:
Ik kom in tweede termijn nog terug met een concreter antwoord, mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas: kan het kabinet bevestigen dat uit geactualiseerde bronnenanalyse
blijkt dat het landbouwaandeel in de nutriëntenbelasting veel lager ligt dan eerder
werd aangenomen? Ik kan u meegeven dat er op dit moment veel discussie plaatsvindt
over wat er meegenomen gaat worden. Dat zijn die data waar ik het net over had. Maar
weet ook: in die bronnenanalyse is de glastuinbouw nog niet meegenomen. In die bronnenanalyse
is de stikstof vanuit de lucht die voor een deel is toe te wijzen ook niet meegenomen.
Het aandeel van de verschoningen, van de investeringen, van zo’n rwzi zijn ook nog
niet meegenomen. Met andere woorden: ik ben benieuwd wat die extra analyse, waar we
nu mee bezig zijn, gaat opleveren. Daarover zijn LVVN en IenW op dit moment ambtelijk
in overleg om uiteindelijk te komen tot een achtste NAP, wat aan het volgende kabinet
is overgelaten. Ik zie in de media diverse grafieken voorbijkomen. We gaan ook het
gesprek aan met een aantal auteurs van die brieven om in ieder geval appels met appels
te vergelijken. Maar op dit moment hebben wij toch wel wat zorgen over de aannames
die er zijn gedaan om tot die conclusie te komen. De WUR, het PBL en de beide ministeries
zullen daarbij betrokken zijn om in ieder geval duidelijkheid te krijgen over die
data. Het aandeel landbouw bij de binnenlandse bronnen is op dit moment, conform de
data die ik ook in de brief heb gedeeld, zo’n 50% voor het oppervlaktewater. Als dat
anders is, dan komt dat vanzelf naar boven als u informatie heeft. Maar wij willen
iedereen betrekken bij het komen tot een betere dataset, indien dat nodig is.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik heb daar een aantal voorbeelden van genoemd in mijn spreektekst. De Minister zegt:
als het uiteindelijk allemaal niet zo blijkt te zijn, dan kunnen we het altijd nog
aanpassen; dat zeg ik eventjes platgeslagen. Maar dan is het voor heel veel boeren
wel te laat. Erkent de Minister dat?
Minister Tieman:
Als dat het geval zou zijn, zou ik dat zeker erkennen. Op dit moment heb ik geen informatie
waaruit blijkt dat die wijziging terecht is.
De voorzitter:
Vervolgt u uw beantwoording.
Minister Tieman:
Mevrouw Van der Plas vraagt: kan het kabinet aangeven of het beleid, de regels en
de verplichtingen waar boeren nu mee te maken hebben anders zouden zijn geweest, als
vanaf het begin met de juiste cijfers was gerekend? Daar hadden we net over. Het beleid,
de regelgeving en de verplichtingen worden gebaseerd op gegevens uit onder andere
afspoeling bij de nutriënten afkomstig uit de landbouw, zoals deze bij de kennisinstituten
beschikbaar zijn. Het achtste NAP is door het kabinet niet vastgesteld. Besluitvorming
wordt overgelaten aan een volgend kabinet. Wij werken op dit moment met LVVN aan de
processen, ook het huiswerk wat we nog nodig hebben ten aanzien van additionele meetgegevens
en het challengen van bepaalde modellen om in ieder geval een goede dataset op tafel
te hebben. Daarbij zal de aangehaalde bronnenanalyse 2025 opnieuw bekeken worden.
Tot die tijd is de regelgeving gebaseerd op de eerdere analyse.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik zou toch willen vragen om het beleid dan gewoon even on hold te zetten, omdat er
nieuwe gegevens bekend zijn.
Minister Tieman:
Het beleid van het zevende NAP is op dit moment van toepassing.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja, dit is dus het hele probleem met het doorschuiven van het achtste actieprogramma.
Dit is dus het probleem, want hier zaten wel wat versoepelingen in. Er zijn nieuwe
gegevens bekend. Het oude beleid is gebaseerd op data uit 2010–2013 en voldoet dus
totaal niet meer.
Minister Tieman:
Mevrouw Van der Plas, mijn handen zijn gebonden door de uitspraak van de motie.
Mevrouw Van der Plas heeft nog een vraag gesteld: welke consequenties verbindt het
kabinet hieraan voor de huidige waterkwaliteit en de lopende maatregelen? Ik gaf aan
dat het zevende actieprogramma op tafel blijft liggen. Wij werken op dit moment wel
al echt aan dat proces zodat de nieuwe lichting hier meteen mee aan de slag kan gaan.
Er zitten natuurlijk ook een aantal zaken die voor verbetering vatbaar zijn. Je moet
er dus niet een al te lange tijd overheen laten gaan, ook kijkende naar de uitspraken
van de Europese Commissie hierover. Men kijkt echt reikhalzend uit naar dat achtste
actieprogramma, in welke vorm het er dan ook zal zijn. De Minister van LVVN heeft
op 19 december aan u kenbaar gemaakt dat het achtste actieprogramma naar voren geschoven
wordt; daar heb ik het net over gehad. Volgens de signalen die ik krijg gaat dat geen
jaren duren. Je wil zo snel mogelijk een volgende stap zetten, maar duidelijkheid
over data is wel van cruciaal belang.
Mevrouw Van der Plas: kan het kabinet aangeven hoe er geborgd wordt dat onjuiste of
verouderde aannames bij bronbijdragen, waaronder de overschatting van het landbouwaandeel
in de nutriëntenbelasting, niet doorwerken in vergunningverlening? In de voorbereiding
wordt gewerkt aan de gezamenlijke onderzoeksopdracht van beide ministeries, in overleg
met de waterschappen. Ik heb van de week nog een Bestuurlijk Overleg Kaderrichtlijn
Water, omdat hier ... Ik ga volop door om hier in ieder geval duidelijkheid over te
krijgen. Ik wil de waterschappen, omdat er zo meteen ook vanuit een met nutriënten
verontreinigd gebied naar een aandachtsgebied gestapt zal worden, ook duidelijkheid
geven over hoe dat proces er verder uit gaat zien. Wij stellen het dus verder niet
vast. Maar dat proces en de betrokkenheid van stakeholders, zoals IPO, VNG, waterschappen
en noem maar op ... Het moet wel duidelijk zijn. Dat proces tussen LVVN en alle andere
partijen moet helder zijn.
Mevrouw Van der Plas: hoe wordt voorkomen dat individuele boeren juridisch worden
aangesproken op milieuproblemen waarvan de oorzaak breder ligt of zelfs deels buiten
Nederland ontstaat? Elke partij die invloed heeft op de waterkwaliteit wordt aangesproken
op zijn deel, dus ook de agrarische sector en de industriesector. Bij de Kaderrichtlijn
Water en de Nitraatrichtlijn stellen we doelen die Nederland moet halen om tot de
gewenste verbetering van de waterkwaliteit te komen. De Kaderrichtlijn Water bevat
echter wel een uitzondering die kan worden gebruikt en die wij ook gaan gebruiken
als doelen niet gehaald worden vanwege de vervuiling uit het buitenland. Ook daarvoor
geldt: meten is weten, zodat wij precies de juiste delta hebben om dat ervanaf te
halen, zodat wij daarvoor niet aan de lat staan. Wat er vanuit het buitenland binnenkomt,
halen wij dus van die 100.000 doelen af, net als de invasieve exoot. Op dit moment
zijn we allerlei parameters scherp aan het maken, om met een open vizier bij de Europese
Commissie te kunnen aangeven waarom wij die 100.000 doelen niet bereiken, namelijk
vanwege de vracht vanuit het buitenland.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Een korte interruptie: de Minister gaf aan dat door die motie de achtste Nitraatrichtlijn
er niet is, maar volgens mij was de aanleiding dat jullie er onderling niet uitkwamen.
Ik wil de framing dat het puur door de motie komt dus wel even wegnemen.
Minister Tieman:
Wij waren op dat moment ook nog bezig, tot het laatste moment. Ik heb hier het lijstje
voor me. Er waren nog best wel wat belangrijke zaken die we aan het bediscussiëren
waren met elkaar. Tot zover mijn antwoord.
Mevrouw Van der Plas: waarom kiest Nederland ervoor om binnen de Europese bandbreedte
strenger te zijn dan onze buurlanden, met alle juridische en economische gevolgen
van dien? De norm voor stikstof in grondwater is Europees vastgesteld. Die is in alle
landen gelijk. Deze norm is gebaseerd op de geschiktheid van grondwater voor de voorbereiding
van drinkwater. De normen voor oppervlaktewater zijn gebaseerd op de bescherming van
planten en vissen. Omdat er binnen Europa verschillen zijn tussen de voorkomende planten
en vissen kunnen ook de normen voor stikstof en fosfor verschillen. Nederland en Duitsland
hanteren voor de bescherming van planten en vissen vrijwel dezelfde normen voor stikstof
en fosfor. Ik heb natuurlijk ook het voorbeeld gezien van de aangehaalde rivier. Hierover
gaan we ook verder in gesprek. Dat is echt een voorbeeld dat al sinds jaar en dag
gebruikt wordt en dat ook bijzonder is. Daar moet actie op worden gezet. Maar als
wij alle Duitse normen over zouden nemen, bij wijze van spreken, zou het nog strenger
worden in Nederland. Dat is de informatie die ik tot mij krijg ten aanzien van de
Duitse normeringen.
Mevrouw Van der Plas: kan het kabinet toelichten waarom Nederland bij de rapportage
aan Brussel onvoldoende gebruikmaakt van de mogelijkheid om normen te corrigeren voor
natuurlijke achtergrondbelasting, terwijl die ruimte er expliciet zou zijn? Waar het
aan de orde is, maken we er gebruik van, zowel bij de vaststelling van de normen als
bij de beoordeling of aan de normen is voldaan, houden waterbeheerders rekening met
natuurlijke achtergrondconcentraties. Nieuwe gebiedskennis wordt continu benut. Momenteel
wordt door de waterschappen nog nauwkeuriger dan in het verleden in beeld gebracht
hoe groot die achtergrondconcentraties zijn, zodat hiermee rekening kan worden gehouden
in de doelafleiding voor de Kaderrichtlijn Water. Ik heb er alle vertrouwen in dat
waterschappen en de provincies dat doen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Niet alle waterschappen doen dat. Punt. Daar kan de Minister vertrouwen in hebben,
maar dat gebeurt niet.
Minister Tieman:
Dan zal ik dat deze week nog met de waterschappen bespreken. Ik zit met ze bij het
Bestuurlijk Overleg Kaderrichtlijn Water. We gaan vinken wie dat wel doet en wie dat
niet doet. Die bestuurlijke opgave ligt daar namelijk wel.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Zou de Minister over dat gesprek willen terugkoppelen via een brief?
Minister Tieman:
Ja. Dat is een toezegging.
De voorzitter:
Dan moet ik wel weten wanneer die brief gestuurd wordt.
Minister Tieman:
Houdt u het op drie weken. Dan heeft u die brief met de terugkoppeling.
De voorzitter:
Dank u wel. Zijn we al bijna bij het blokje overig?
Minister Tieman:
Voorzitter, ik neem een weekje extra, want er is nog een reces. U krijgt het binnen
een maand.
De voorzitter:
Bent u bijna bij het blokje overig?
Minister Tieman:
Ik heb hier nog heel wat vragen liggen, voorzitter.
De voorzitter:
Kunt u iets meer turbo erop zetten? Ik ben bang dat we anders 17.00 uur niet halen.
Minister Tieman:
Mevrouw Van der Plas vroeg: is het kabinet bereid om alle waterschappen te verplichten
expliciet te onderbouwen of correctie van natuurlijke bronnen nodig is bij stikstof,
fosfor en metalen, en waar dat het geval is, ook daadwerkelijk de maatlatnormen toe
te passen? De waterbeheerders zijn prima in staat om dit zorgvuldig te doen. Daar
hoef ik geen verplichting voor op te leggen. Het Rijk helpt waterschappen en provincies
met handreikingen bij het opstellen van regionale doelen.
Mevrouw Van der Plas vroeg: is het kabinet bereid om in beeld te brengen waar in Nederland
overschrijdingen van de normen van de Kaderrichtlijn Water aantoonbaar het gevolg
zijn van natuurlijke oorzaken? Ja, waar dat aan de orde is, zullen we dat zeker doen.
In die gevallen zullen we een beroep doen op de gelegitimeerde uitzonderingen van
de Kaderrichtlijn Water. Daarmee geven we een eerlijk en feitelijk beeld in de stroomgebiedbeheerplannen.
Is het kabinet bereid om bij de beoordeling en rapportage van de grondwaterkwaliteit
structureel onderscheid te maken tussen ondiep grondwater en diep grondwater, en om
beleidsconclusies primair te baseren op die lagen waar daadwerkelijke risico’s voor
drinkwater en ecosysteem bestaan? Dat doen wij al. Bij de verantwoording van de Nitraatrichtlijn
wordt gerapporteerd over ondiep en diep grondwater, zodat we tijdig maatregelen treffen
tegen verdere verspreiding van stoffen naar drinkwaterbronnen in het diepere grondwater
en we daadwerkelijke risico’s voor drinkwater voorkomen.
Mevrouw Van der Plas vroeg: kan het kabinet bevestigen dat het meten op grotere diepte,
daar waar drinkwater wordt gewonnen, in veel gevallen een beduidend gunstiger beeld
laat zien dan nu in het nationale beleid wordt geschetst? Het klopt dat meten op grotere
diepte een ander beeld geeft dan bij ondiepe metingen. Metingen in het bovenste grondwater
zijn noodzakelijk om vervuiling tijdig te signaleren en verspreiding naar het diepere
grondwater te voorkomen.
De voorzitter:
Ik begin het idee te krijgen dat we dit antwoord nu al drie keer gehoord hebben, dus
ik zou u willen verzoeken om even efficiënt te antwoorden.
Minister Tieman:
Mevrouw Van der Plas vroeg naar het «one out, all out»-principe. U krijgt een brief
over hoe dat precies zit, hoe wij daarmee omgaan, en hoe dat geborgd is.
Ik kijk even wat mevrouw Van der Plas zei over waterkwaliteitsmaatregelen en moties.
Die vraag heb ik al gehad.
Kan de Minister aangeven hoe uitzonderingen op de Kaderrichtlijn Water in praktijk
worden toegepast? Die vraag heb ik ook gehad. Dat geldt ook voor het achtste NAP.
Dan kom ik toch nog even op de vraag over de Dinkel van de heer Heutink. Dat was een
terechte vraag. Gezien de media-aandacht die we daarvoor zagen, zal ik hierop zo goed
mogelijk antwoord geven. De Dinkel is een regionaal water. Waterschappen geven aan
welke status een regionaal water heeft. Dat is natuurlijk sterk veranderend of kunstmatig.
Vervolgens passen zij doelen aan op basis van specifieke omstandigheden. Daarna stellen
provincies de status en de doelen vast. Daar waar er verschillen zijn, gaan Rijk en
regio met Duitsland in gesprek. Laten we dit als actiepunt opnemen, zodat we de Dinkel,
waar de heer Heutink het volgens mij ook al wat jaren over heeft, gewoon bij de hoorns
vatten. Wat zegt u, meneer Heutink? U zegt: de eerste keer. Oké. Het is een toezegging
aan de Kamer om dat binnen nu en zes maanden gewoon geduid te hebben en waar er mogelijke
oplossingen zijn met het waterschap de Dinkel tot het verleden te laten behoren.
De voorzitter:
Dat hoop ik niet!
Minister Tieman:
In positieve zin bedoel ik het in ieder geval, voor de uitlegbaarheid, voorzitter.
Dit zijn behoorlijke LVVN-vragen van de Partij voor de Dieren, van Kostić. De Rli
pleitte voor het beperken van dierenrechten. Waarom zijn deze stappen niet genomen?
Ben ik daar alsnog toe bereid? Dit is een vraag die onder de verantwoordelijkheid
van de Minister van LVVN valt. Ik ...
De voorzitter:
Punt, lijkt mij dan.
Minister Tieman:
Ik laat die vraag daar even, voorzitter.
Mevrouw Bromet: is de Minister bereid de PBL-adviezen te verwerken in beleid en die
dus in het beleid rondom de zonering en de problemen rondom water te betrekken? Ja,
ik betrek de adviezen van het PBL bij mijn beleidskeuzen. Specifiek voor de zonering
langs waterlopen in relatie tot landbouw doe ik dit in overleg met het Ministerie
van LVVN.
Mevrouw Bromet: moeten voor de stroomgebiedsbeheerplannen elk jaar opnieuw de doelen
en maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit bepaald worden? De stroomgebiedsbeheerplannen
worden iedere zes jaar bekeken en geactualiseerd, conform de termijnen die volgen
uit de Kaderrichtlijn Water. Dat zal niet veranderen.
Mevrouw Bromet: waarom is alle wet- en regelgeving, dus ook voor mest en landbouwgif
– «gewasbeschermingsmiddelen», het is maar hoe je het uitlegt – en de Kaderrichtlijn
Water nog niet waterproof? Nou, we hebben te maken met verschillende Europese richtlijnen.
Die proberen we zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen. Zo werken we aan de toelating
van gewasbeschermingsmiddelen in het water die passen bij de Kaderrichtlijn Waternormen.
Dan heb ik hier nog vragen in hetzelfde blokje, Kaderrichtlijn Water. Lozing en VTH.
Ik zal het snel doen, voorzitter.
Vellinga-Beemsterboer: hoe zouden we een pfas-lozingsverbod concreet kunnen vormgeven?
Op 21 juli is de Kamer erover geïnformeerd dat een volledig pfas-lozingsverbod niet
wenselijk is, aangezien dit belangrijke sectoren in de maatschappij stil zou leggen.
Dit zijn bijvoorbeeld de drinkwaterwinning en het grondverzet. Een alternatief is
om te kijken naar een gedeeltelijk pfas-lozingsverbod, gericht op specifieke sectoren
of op activiteiten met een hoge pfas-uitstoot. Dat heb ik ook toegezegd. Op dit moment
verken ik hoe zo’n gedeeltelijk pfas-verbod vormgegeven zou kunnen worden. Conform
mijn eerdere toezegging aan de Kamer zal u in het eerste kwartaal van 2026 geïnformeerd
worden over de voortgang van deze verkenning.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra: wie staat er aan de lat als het gaat om de vervolgkosten
voor de pfas-vervuiling bij de Leeuwarder vliegbasis, buiten de hekken van de vervuiler?
Ik ben bekend met de pfas-vervuiling in Leeuwarden. Daar is een hele vervelende situatie
ontstaan voor de inwoners aldaar. De gemeente Leeuwarden is het bevoegd gezag en gaat
over de beoordeling van de verantwoordelijkheid voor de vervuiling. Het principe «de
vervuiler betaalt» geldt voor de gehele verontreiniging die door een partij veroorzaakt
wordt. Hoever die verantwoordelijkheid per geval reikt, is ter beoordeling van het
bevoegd gezag, maar is in principe niet gebonden aan een terreinafbakening.
Lid Kostić: wil de Minister voordat hij vertrekt in ieder geval opdracht geven om
een vorm van een pfas-taks onafhankelijk te laten verkennen? Ik snap uw gedachte over
een pfas-taks. Ik vind het op zich een interessant gedachtegoed. De vraag is wel wat
het toevoegt aan de Europese restrictie en aan een mogelijk lozingsverbod. Ik leg
dit echt even bij een nieuw kabinet, lid Kostić. U vraagt nogal wat. Maar houd het
gedachtegoed vast voor een volgend kabinet of uw eigenlijk wetenschappelijk bureau
om stappen te maken om het iets concreter te maken.
Het lid Kostić vroeg: is de Minister bereid om een signaal te geven aan de medeoverheden
om in ieder geval voorlopig geen langdurige pfas-vergunningen af te geven. Dan kom
je toch ook weer op de basis van de wettelijke kaders. Het bevoegd gezag moet een
aanvraag beoordelen. Ik ben dat niet. De ILT heeft daarin wel een rol. Die kaart hebben
ze ook getrokken. We zien een reductie. We praten nog steeds over kilo’s. Dus zo moet
ik uw vraag beoordelen. Het is aan het bevoegd gezag, maar er zijn behoorlijk wat
signalen afgegeven richting dat bevoegd gezag.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Ik moest hier even op kauwen. Hoe staat de Minister tegenover een netto lozingsverbod?
U noemt terecht een aantal sectoren waarin een algeheel lozingsverbod heel moeilijk
is. Bij een netto lozingsverbod meet je of er niet meer is toegevoegd aan het water
in het proces.
Minister Tieman:
Daar kijk ik positief naar. Dat nemen we ook mee. In de verkenning die ik in Q1 ga
sturen – dat heb ik het lid Kostić toegezegd – zal die netto-aanpak opgenomen zijn.
Dat is ons denkproces hierover.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik snap dat de Minister niet zomaar ingrijpt bij andere overheden, maar er komt een
gedeeltelijk lozingsverbod aan. Het gaat om het lozen van een enorme hoeveelheid pfas
in Limburg. Dan is een gesprek tussen de Minister en de overheid daar toch heel logisch?
Vindt de Minister dat ook?
Minister Tieman:
Ik heb nu mijn handen te vol aan Chemours om dit er ook nog bij te doen. Ik laat het
aan het volgende kabinet om hier verder invulling aan te geven. Ik denk ook dat het
interessant is wat er uit Chemours is gekomen met onze contacten aldaar. Dat kan mogelijk
gedupliceerd worden in Weert, in Limburg; dat zeg ik even uit mijn hoofd. Maar op
dit moment richten wij ons echt even op het gesprek met Chemours alvorens ik hier
als dubbeldemissionair Minister een toezegging doe hierover. We zijn echt met de verkenning
bezig. Ik kom daar ook bij u op terug.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dat is goed om te horen. De Minister begint over Chemours. Dat is dus het probleem.
CFS zou een vergunning krijgen die vergelijkbaar is met die van Chemours als het gaat
om het lozen van pfas. Je wil dat op de een of andere manier voorkomen. Maar goed,
volgens mij is de boodschap van de Minister duidelijk: dit is eigenlijk niet helemaal
hoe je het zou willen.
Minister Tieman:
Dan ga ik naar een antwoord op de vraag van mevrouw Vellinga-Beemsterboer en de heer
Schutz. Rijkswaterstaat is druk bezig met actualiseren. De cijfers heeft u in de brief
kunnen zien. Ze vroegen of ik het kan versnellen. Het heeft de hoogste prioriteit,
zoals u weet. Eind 2027 zijn de KRW-relevante vergunningen geactualiseerd. Rijkswaterstaat
zal deze vergunningen daarna periodiek blijven actualiseren. Een verdere versnelling
is op dit moment gewoon niet mogelijk. Het is ook echt heel specifiek werk. Als u
nog mensen in een bepaald vakgebied wil neerzetten: we hebben hier echt te maken met
specialisten.
De heer Schutz (VVD):
De vraag van mij was niet «versnellen», maar vooral «wat leren we ervan». Dat mag
wat mij betreft komen te staan in de brief die u al eerder heeft toegezegd, die in
juni ongeveer zal komen.
Minister Tieman:
Dat is een prima voorstel.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer vroeg: hoe zit het met de VTH-kennis en de capaciteit
buiten Rijkswaterstaat die nodig is? Ik ben continu in overleg. Ik heb net weer een
hele ronde gedaan met gedeputeerden. Op 3 maart hebben we een landelijke VTH-bijeenkomst.
Die zal hier in de regio plaatsvinden. Dat is op 2 maart. De heer Jansen, de Staatssecretaris,
heeft met het IPO, de VNG en de Unie van Waterschappen in – dat zeg ik uit mijn hoofd
– februari vorig jaar een impuls gegeven met een bedrag, maar een structurele versterking
is nodig om zowel de kennis als de kunde daar verder op orde te brengen conform het
rapport-Van Aartsen, dat destijds is uitgebracht. Dit wordt dus vervolgd. Het heeft
de aandacht van de gedeputeerden en van de omgevingsdiensten. Dit is wel een proces
waar we met elkaar de schouders nog verder onder moeten gaan zetten. Ook hier zijn
financiële middelen nodig om dit verder te versterken. Zo’n symposium is dus een eerste
stap. Daar gaan we ook een intentieovereenkomst met elkaar aan. Nou ja, «intentieovereenkomst» ...
We proberen het in ieder geval allemaal ook wat meer te formaliseren, zodat dit niet
alleen bij bijeenkomsten blijft maar we elkaar ook vasthouden op dit onderwerp.
De heer Schutz: wat zijn de gevolgen van het verlagen van de maximale temperatuur
van koelwater en wat doet dit voor de bedrijven? Zowel de continuïteit en de concurrentiepositie
van de bedrijven als de leveringszekerheid en de verduurzaming van de energiesector
zijn belangrijk. We hebben botsproeven die we meenemen in de planMER, de milieueffectrapportage.
Over de opzet en de resultaten ben ik in gesprek met zowel de sector, in dit geval
met VEMW, en de Ministers van Economische Zaken en KGG. Op deze manier wil ik breed
inzicht krijgen in de effecten van die koelwaterlozingen, met daarbij toch een temperatuuraspect.
Zodra ik hier meer over weet, zal ik u hierover informeren. Dat zal rond de zomer
zijn.
De voorzitter:
De heer Schutz. O nee, hij is tevreden.
Minister Tieman:
Mevrouw Boelsma-Hoekstra noemde als tweede de verplichting voor beroeps- en recreatievaart
in het CDNI-verdrag, het Scheepsafvalstoffenverdrag. Voor de beroepsvaart zetten we
voor de kleine passagiersschepen in op twee stromen: voldoende afgiftepunten en het
faciliteren van de ontwikkeling van een boordzuiveringsinstallatie. De maatregel van
zo’n zuiveringsinstallatie is dit jaar ook opgenomen in de milieulijst van de milieu-investeringsaftrekregeling,
die in december is gepresenteerd. Dat gaat om 155 miljoen euro en maakt die installatie
25% goedkoper. Ik heb goede hoop dat de huidige maatregelen zullen leiden tot een
succesvolle implementatie. Indien deze maatregelen niet effectief blijken te zijn,
komt een verzegelingsplicht in beeld. Administratieve lasten zijn dan wel een punt
van zorg. Dat willen we ook weer niet. Voor de pleziervaart is een verzegelingsplicht
onderzocht. Partijen hebben echter moeten concluderen dat deze pas effectief handhaafbaar
is bij een registratieplicht van vaartuigen. Die hebben we op dit moment niet.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra vroeg naar medicijnresten in oppervlaktewater. De door u
genoemde cijfers zijn helemaal correct. Ik werk op meerdere fronten aan de aanpak
van de medicijnresten in rioolwater. Het RIVM heeft in het verleden ook een aantal
sessies gedaan. We zien ook dat ziekenhuizen, bijvoorbeeld het ziekenhuis in Delft,
het Pharmafilter weer geactualiseerd hebben, maar de herziene Richtlijn stedelijk
afvalwater verplicht Nederland om op zo veel mogelijk rioolwaterzuiveringsinstallaties,
315 stuks, een aanvullende zuiveringstrap te bouwen. Dat kost natuurlijk ook allemaal
geld. Daar hebben wij een subsidieregeling voor in het leven geroepen. Daar zullen
we niet alle 315 zuiveringsinstallaties mee kunnen bedienen. Nogmaals een oproep:
er is nog wat geld beschikbaar. Dat zeg ik hier tegen de waterschapsbeheerders in
de call of via het scherm. Dien uw subsidieaanvraag dus in. Die subsidie is opengesteld
en die gaan we op een gegeven moment ook weer sluiten. Dan is zij niet meer beschikbaar.
Daarnaast werk ik met zo veel mogelijk partijen aan de Ketenaanpak Medicijnresten
uit Water om die medicijnresten te verminderen. Denk bijvoorbeeld aan een plaszak
of aan bepaalde medicijnen, zonder dat ik hier op de stoel van een dokter wil gaan
zitten. Er zijn, zonder merknamen te noemen, een aantal ontstekingsremmers, zoals
paracetamol en ibuprofen. De ene doet wat meer in het aquatische domein dan de ander.
Dat is ook een stukje voorlichting. Dat is ook een stukje voorlichting. Zo zijn we
met elkaar bezig. Bepaalde zuiveringsinstallaties gaan nu al richting zo’n vierde
trap en halen die medicijnresten er dus al uit. Dat zijn nog niet alle 315. Uit mijn
hoofd gezegd hebben nu op dit moment een stuk of veertien die stap gemaakt.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, ik heb een vraag. Wilt u even het voorzitterschap overnemen?
Voorzitter: Van der Plas
De voorzitter:
Ik geef het woord aan mevrouw Bromet namens de fractie van GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik had over die vierde trap de vraag gesteld: wie gaat dat betalen? Is dat de vervuiler
of de burger? Ik hoor de Minister over subsidieregelingen, maar dat betekent dus dat
de burger betaalt.
Minister Tieman:
Ik kan daar nog wel iets extra’s over vertellen. De Europese Richtlijn stedelijk afvalwater
heeft een producentenverplichting opgebracht. We kunnen erover discussiëren waar dat
uiteindelijk terecht gaat komen en wanneer een producent dat moet gaan betalen. Maar
daar is nog wel wat discussie over. Daar is ook een juridische discussie over. Die
wordt op dit moment gevoerd in Brussel. Ik heb daar nog even geen laatste informatie
over, maar dat betekent wel dat daar een verdeelsleutel moet gaan plaatsvinden, opgebracht
door de producenten van de medicijnen, om dat dan weer terug te brengen. Ik heb nog
niet de informatie of dat een nationale verdeelsleutel gaat worden, of dat dat per
verkocht product gaat worden. Maar die informatie zit er wel in. Daar zullen we dus
ook invulling aan moeten gaan geven.
Ik zou ook het volgende antwoord kunnen geven. Wij hebben als Rijk een subsidieregeling
ingesteld voor de waterschappen. Dat is uiteindelijk 32 miljoen euro. Dat zal dan
wel via de waterschapsbelasting lopen. De producentenverantwoordelijkheid moet nog
ingevuld worden. Er is voor bedrijven ook nog een coëfficiënt. Afijn, een aantal zaken
moet u zien. Ik stel voor dat we uw Kamer informeren zodra er wat te melden is over
de verdeelsleutel voor de Europese Richtlijn stedelijk afvalwater. Dat zal dan wel
iets heel groots zijn. Dat zal ook het een en ander betekenen voor hoe wij dat in
het Rijk moeten gaan verdisconteren naar de 315 zuiveringen toe.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel.
Voorzitter: Bromet
De voorzitter:
Ik neem het voorzitterschap weer terug. Vraagje: zijn we al bijna bij blokje overig?
Ik begin namelijk echt een beetje zenuwachtig te worden met het oog op de tijd.
Minister Tieman:
We zijn er bijna, voorzitter. Ik heb nog twee vragen.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra vroeg naar drugsafval: kan de Minister schetsen wat er nodig
is om deze afvalbron niet meer in het oppervlaktewater te krijgen? Ja, geen drugs
gebruiken. Dat is het makkelijkste antwoord. Ik heb net het medicijnverhaal verteld.
We zetten samen met het Openbaar Ministerie in op de opsporing van drugsproductie.
Dat is ook een belangrijke bron door de illegale lozingen. We hebben nu wel wat successen
gehad om die ondermijning et cetera toch verder neer te zetten, zoals ik uit de media
haal. Het heeft de aandacht. Maar als ik af en toe zie hoeveel drugs er is, dan is
het misschien ook wel water naar de zee dragen.
Mevrouw Bromet vroeg: wie gaat de vierde trap van de zuivering van rioolwater betalen.
Daar heb ik net antwoord op gegeven.
Dan heb ik nog het blokje overig. Daarna kan ik terugkomen op een aantal zaken.
De heer Grinwis zei: ik hoop dit jaar op deltabeslissingen met lef. Op welke wijze
wordt de Kamer daarin meegenomen? Is het niet een idee om dit voorjaar als commissie
met de bewindspersoon op werkbezoek te gaan met de deltacommissaris? Het Deltaprogramma
2027 met daarin de resultaten van de herijking wordt op Prinsjesdag 2026 aangeboden.
Dat is al een groot moment, denk ik. In het gesprek met de vaste commissie I&W en
VRO heeft de deltacommissaris aangeboden mee te gaan op werkbezoek. De uitnodiging
zal met positief advies aan de nieuwe bewindspersoon worden voorgelegd.
Mevrouw Van der Plas vroeg: waar gaat de ecologische toets voor de passende beoordeling
van de watertaxi Ameland uit bestaan? We hebben te maken met een Natura 2000-gebied,
want anders had ik mogelijk nu al handelingsperspectief gehad, dat ik nu pas in een
latere fase heb. Dan heb je pas wat meer ruimte voor een pilot. Maar ik heb ook al
het een en ander gezegd tegen de heer Schutz over het in overleg treden over wat er
nog mogelijk is. U moet denken aan een passende beoordeling van de geluidseffecten
en de additionele uitstoot voor zo’n Natura 2000-gebied. We hebben met elkaar nogal
wat regels verzonnen voor die Natura 2000-gebieden, waaraan we samen met LVVN moeten
voldoen.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan kijk ik in de richting van de Kamerleden om te zien of er nog vragen
over zijn. De heer Schutz steekt zijn vinger op. O, hij is klaar. Het lid Kostić heeft
wel een vraag.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Misschien heb ik het gemist, maar mijn vraag gaat erover dat de Minister komt met
wet- en regelgeving die zorgt dat de vergunningen voor een bepaalde tijd worden afgegeven.
Hij heeft het in zijn brief over een bepaalde frequentie waarmee dit geactualiseerd
zou moeten worden, maar aan welke frequentie denkt hij daarbij? Voor ons zou het namelijk
logisch zijn om aan te sluiten bij de bestaande beleidscycli in de stroomgebiedbeheerplannen.
Minister Tieman:
Wij zitten op dit moment te denken aan tien jaar voor een herziening en een beziening
van de vergunningen.
De voorzitter:
Lid Kostić, tot slot.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik heb hierover een motie klaarliggen en ik hoopte dat die niet nodig was. Waarom
tien jaar in plaats van zes jaar? Die zes jaar zou immers logischer zijn om aan te
sluiten bij bestaande beleidscycli.
Minister Tieman:
Dat moet ik even nagaan, lid Kostić.
De voorzitter:
We gaan beginnen met de tweede termijn van de Kamer en ... O, mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja, nog over de watertaxi. Er ligt al enige tijd een motie-Pierik, die de regering
verzoekt om binnen zes weken een oplossing te presenteren voor de watertaxi’s van
en naar Ameland. Die termijn is reeds lang overschreden en ik zou wel graag de toezegging
krijgen dat die oplossing er nu heel snel komt. Daarbij hou ik nu maar even de maximale
termijn van zes weken aan, maar ik wil dit het liefst sneller, want deze termijn is
al ver overschreden.
Minister Tieman:
Mevrouw Van der Plas, ik ga in gesprek met LVVN. Op dit moment is juni het eerste
moment waarop ik in een uitzonderingspositie iets ministerieels zou kunnen doen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Er ligt gewoon een aangenomen motie. 147 Kamerleden hebben hier destijds voor gestemd,
en dan praat ik al over maanden geleden. Ik wil gewoon dat er snel haast gemaakt wordt
met die watertaxi. We praten hier al jaren over, dus ik wil toch graag de toezegging
dat deze oplossing zo snel mogelijk gepresenteerd wordt aan de Tweede Kamer. De Minister
gaat ook naar Ameland toe en er lopen al heel veel gesprekken, dus het is niet alsof
het wiel opnieuw uitgevonden moet worden. Volgens mij kan dit dus vrij snel.
Minister Tieman:
Ik kom hierop terug in het Waddendebat, dat op korte termijn zal plaatsvinden.
De voorzitter:
Oké, dan gaan we nu echt van start met de tweede termijn van de Kamer. Als eerste
krijgt daarvoor het woord mevrouw Vellinga-Beemsterboer.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb nog een aantal puntjes die ik in de tweede termijn
graag nog even zou willen aanraken. Sowieso bedank ik de Minister voor het uitgebreide
antwoord.
Ik ben heel blij met de toezegging van de Minister om de vaart erin te zetten rond
grijs water. Graag benadruk ik nogmaals dat hij vooral niet moet gaan testen en pilotten
wat bij onze zuiderburen al is getest en gepilot.
Dan grondwateronttrekking. Ik wil nog extra navragen of de Minister daarbij doelt
op alle onttrekkingen. Krijgen we dus inzicht in alle onttrekkingen, en in ieder geval
die met een meldplicht? In de brief wordt ook geschreven over een meldplicht voor
kleine onttrekkingen, maar uit het antwoord van de Minister werd mij zonet niet helemaal
duidelijk of alle onttrekkingen worden bedoeld. Daar zou ik dus heel graag een toezegging
op willen krijgen.
Dan de KRW en de afstemming van regelgeving. De Minister geeft terecht aan dat daar
nog fiks wat huiswerk voor te doen is en dat daarvoor een integrale aanpak tussen
LVVN en IenW nodig is. Ik ben blij de Minister dit zo stevig te horen zeggen. Ik ben
wat minder tevreden over het antwoord over vergunningen die al KRW-proof zijn. De
Minister heeft een brief toegezegd. Ik wil hem vragen om in die brief heel goed in
te gaan op het KRW-proof maken van de vergunningen. Ik had hier ook een motie voor
klaarliggen, maar voor de rest ben ik eigenlijk wel heel tevreden met het antwoord
van de Minister, dus die motie laat ik even achterwege.
Over twee andere punten heb ik nog wel een motie. Ik begin met de noodplannen van
gemeentes. Ik ben blij dat dit punt goed op het netvlies staat en dat de Minister
benadrukt dat er zowel een nationale als een lokale verantwoordelijkheid ligt, maar
ik ben me er ook van bewust dat de OVV zegt dat de plannen die er nu liggen met name
op lokaal niveau, vaak kleinschalig, nog relatief informeel en weinig concreet zijn.
Ik hoor de Minister zeggen: het heeft onze aandacht. Ik wil hier echter graag een
motie over indienen om hem een steuntje in de rug te geven en te zorgen dat hier wat
druk op komt. Ik kijk heel even naar de voorzitter. Wat is het gebruik? Zal ik die
motie nu voorlezen of zal ik beide moties aan het einde voorlezen? Nu, begrijp ik.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Onderzoeksraad voor Veiligheid waarschuwt dat Nederland onvoldoende
voorbereid is op extreme regenval, met name in kwetsbare wijken en grensregio’s;
overwegende dat vitale functies, zoals eerstehulpziekenhuizen en de elektriciteitsvoorziening,
bij extreme wateroverlast te allen tijde gewaarborgd moeten blijven;
van mening dat acceptatie van wateroverlast nooit mag leiden tot het uitvallen van
kritieke infrastructuur;
verzoekt de regering om in overleg met de koepels van gemeenten en waterschappen te
borgen dat alle kwetsbare gemeenten uiterlijk in 2027 beschikken over geactualiseerde
noodplannen die specifiek gericht zijn op het operationeel houden van vitale functies
bij extreme regenval,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vellinga-Beemsterboer.
Zij krijgt nr. 8 (36 800-J).
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dan had ik als laatste nog een punt over de dijknormering; u verwachtte vast wel dat
ik daarop terug zou komen. Ik hoor aan alle kanten aan het antwoord van de Minister
dat er nog heel veel onduidelijk is. Er ligt nog geen goed plan voor meerlaagse veiligheid.
Er ligt nog geen plan waarin duidelijk wordt wat er dan wel door zou kunnen wat betreft
het project van 1EILAUN. De gesprekken zijn nog niet klaar, zegt de Minister. Tegelijkertijd
geeft hij aan dat hij één lijn wil trekken met de rest van Nederland. Nu ben ik de
eerste die zal toegeven dat overstromingen overal verschrikkelijk zijn, maar de eilanden
zijn wat dat betreft niet hetzelfde als de rest van Nederland. Het is moeilijk om
daar één lijn in te trekken. De eilanden zijn sowieso natuurlijk heel bijzonder. Ze
hebben een klein aantal inwoners, maar er komen veel toeristen. Dat is iets waar je
rekening mee moet houden.
Verder zijn er twee hele praktische redenen. Evacuatie daar is moeilijk. De eilanden
zijn aangewezen op een stuk zelfredzaamheid op het moment dat er iets gebeurt. Naar
verwachting zullen weersomstandigheden er dan ook voor zorgen dat je niet heel snel
kunt evacueren. De tweede reden is dat een eventuele overstroming op de eilanden per
definitie een overstroming met zout water is, wat ontzettend veel schade toebrengt
aan de natuur en aan landbouwgrond. Alleen al deze twee praktische redenen zouden
voor mij reden zijn om in ieder geval heel voorzichtig te zijn met het aanpassen van
de dijknormering. Daarom heb ik hierover ook een motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Minister voornemens is de dijknormering voor onder andere Schiermonnikoog
en delen van Zuid-Limburg te verlagen;
overwegende dat de veiligheid van bewoners achter de dijken geen papieren exercitie
is en dat bij de normering van de Waddeneilanden onvoldoende rekening lijkt te worden
gehouden met specifieke factoren zoals de lange evacuatieduur en de impact van zout
water;
van mening dat het verlagen van veiligheidsnormen niet uitlegbaar is zolang een integrale
veiligheidsstrategie ontbreekt en er onvoldoende duidelijkheid is over alternatieve
beschermingsplannen zoals de uitvoering van onderdelen van het plan 1EILAUN;
verzoekt de regering te wachten met de voorgenomen herziening van de dijknormeringen,
totdat er uitgebreid is gesproken met de betrokken lokale bestuurders en waterschappen,
en er meer duidelijkheid is over de integrale veiligheidsstrategie en mogelijke alternatieve
plannen voor de bescherming van de eilanden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Vellinga-Beemsterboer, Boelsma-Hoekstra en
Bromet.
Zij krijgt nr. 9 (36 800-J).
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dat was ’m, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Schutz van de VVD.
De heer Schutz (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb vandaag van waterveiligheid eigenlijk mijn hoofdtopic
gemaakt. De herdenking van de Watersnoodramp gisteren viel dan ook in mijn voorbereiding
van dit overleg. Maar ook wat je vandaag ziet gebeuren in deze zaal en het feit dat
mensen vanuit Schiermonnikoog hierheen komen, laat wel zien dat dit wat met mensen
doet. Of het nou gaat om het weghalen of het schrijven over het weghalen van primaire
waterkeringen, mensen worden daar zenuwachtig van. Mevrouw Vellinga-Beemsterboer sprak
net over het aanpassen van de normering van dijken en dat is ook iets waar mensen
zenuwachtig van worden. Dat zijn ook de mensen die hier zitten. Mevrouw Van der Plas
sprak op haar beurt over verzilting in de Bollenstreek en Zeeland en dat is ook iets
waar mensen zenuwachtig van worden.
Met andere woorden, dit soort dingen moeten we niet alleen op papier zetten, maar
vooral ook in die gebieden bespreken. Ik weet dat in het Deltaprogramma verschillende
programmalijnen zitten, waarvan de Zuidwestelijke Delta er een is. Ik heb daar zelf
in een vorig leven aan meegedaan, maar dan wordt er toch vooral meegesproken door
stakeholders en beroepshalve verenigde partijen. Als het raakt aan het veiligheidsgevoel
van mensen, prevaleert niet in eerste instantie de ratio, maar het gevoel erbij. We
werpen onszelf in de toekomst dan ook terug in die discussie als we die mensen niet
voldoende meenemen. Met andere woorden, het loopt over verschillende sporen die op
verschillende momenten samenkomen.
Ik begrijp dat de dijknormeringen via een andere agenda lopen dan bijvoorbeeld de
vier scenariovarianten waar we het over hebben gehad. Ik heb het gekoppeld aan de
herdenking van de Watersnoodramp. Die is nu regionaal, maar als je die zou nationaliseren,
zou het wellicht een goed ankerpunt kunnen zijn om juist thematisch te spreken over
wat er in het verleden fout ging en wat we in de toekomst hopen te voorkomen. Dat
zou geborgd kunnen worden, zodat het een borging zou kunnen zijn voor dat gesprek.
Een vraag aan de Minister. Als er met Prinsjesdag een document ligt dat ons eigenlijk
dwingt om te kiezen, zijn we met zoiets veel te laat. Wat gaan we dan precies op Prinsjesdag
presenteren en hoe definitief is dat? En vooral: hebben we in die vier varianten voldoende
oog voor en voldoende gedragenheid in die gebieden waar misschien een moeilijk verhaal
te vertellen is? We gaan het daar hebben over meegroeien en misschien ook wel over
het weghalen van primaire waterwerken, werken die we ooit met belastinggeld hebben
bekostigd. Ik zeg «misschien», hè, want het is geen zekerheid. Maar ik voel wel mee
met de zorg die voortvloeit uit die berichten, of het nou de technische briefing van
de deltacommissaris is of de Kamerbrieven die in het convocaat zaten. Dit gaat al
wel wegen in mensen hun onderbuikgevoel. Ik wil daarom eigenlijk om meer vragen dan
het technische antwoord dat ik zo-even begrijpelijkerwijs van de Minister kreeg. Hij
zei namelijk: ja, daar gaan we later nog over spreken. We kunnen hier niet vroeg genoeg
mee beginnen. Dat zou dan ook mijn oproep zijn aan de Minister en ik hoop dat ik daar
straks een reactie op mag ontvangen, mevrouw de voorzitter.
De voorzitter:
U heeft geen moties?
De heer Schutz (VVD):
Nee.
De voorzitter:
Dan is nu het woord aan mevrouw Boelsma-Hoekstra van het CDA.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Dank u wel, voorzitter, en dank voor de beantwoording. Het viel mij op dat wij hier
toch wel een beetje een kruising tussen een IenW- en een LVVN-debat hebben. Ik vind
het dus wel heel netjes van de Minister dat hij het zo allemaal kan beantwoorden.
Ik heb op alle vragen mooie toezeggingen gekregen en ook daarvoor dank. De uitzondering
daarop is nog wel de dijknormering Schiermonnikoog. Daarom sta ik onder de motie van
mevrouw Vellinga. Ik wil daar nog één argument aan toevoegen, want wellicht zegt de
Minister daardoor «ik neem de motie over». Dat argument is dat er natuurlijk ook al
in is geïnvesteerd door het Wetterskip. Het zou dan ook een stukje kapitaalvernietiging
zijn. Ik wil dat er nog even aan toevoegen. Ik hoop dan dat we een positieve reactie
krijgen van de Minister, want als er zo veel mensen op de tribune zitten, moet de
Minister ook zien dat het heel belangrijk is. Daar wilde ik nog één argument aan toevoegen;
misschien neemt de Minister de motie dan over. Dat argument is dat er natuurlijk ook
al geïnvesteerd is door het Wetterskip Fryslân, dus het zou ook een stukje kapitaalvernietiging
zijn. Dat zou ik er ook nog even bij willen zeggen, en dan hopen we dat we een positieve
reactie van de Minister krijgen. Met zo veel mensen op de publieke tribune denk ik
dat de Minister ook ziet dat dit heel belangrijk is. Ik denk ook dat collega Vellinga
al geschetst heeft waarom het zo belangrijk is.
Tot zover, voorzitter. Ik heb dus geen extra moties. Dank.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan de heer Heutink van de Groep Markuszower.
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Dank, voorzitter. Het is goed om voor de Handelingen even te benoemen dat de Minister
geheel in stijl een das om heeft van zijn voormalige hoogheemraadschap, dus water
zit in z’n DNA. Dat siert hem. Ik zag z’n tweetje voorbijkomen en het is een mooie
das, dus ik dacht: ik ga dit toch even benoemen.
Dan heb ik twee moties, en als die nu geen oordeel Kamer krijgen, dan weet ik het
helemaal niet meer.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in het coalitieakkoord Aan de slag wordt voorgesteld om de implementatie
van de Kaderrichtlijn Water te simplificeren;
verzoekt de regering direct te starten met het versoepelen van de nationaal vastgestelde
normen van de Kaderrichtlijn Water,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Heutink en Stoffer.
Zij krijgt nr. 10 (36 800-J).
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Tegen de VVD zeg ik direct: dat wordt boter bij de vis, want daar hadden we net een
hele leuke discussie over. Ik kan me haast niet voorstellen dat de coalitie nu al
tegen het eigen coalitieakkoord gaat stemmen.
Dan mijn tweede motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat alle signalen erop wijzen dat de doelen uit de Kaderrichtlijn Water
niet gehaald zullen worden, met grote gevolgen voor vergunningverlening, woningbouw
en (water)infrastructuur;
verzoekt de regering een noodscenario KRW voor te bereiden teneinde niet in een nieuwe
stikstofcrisis te belanden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Heutink.
Zij krijgt nr. 11 (36 800-J).
Dank u wel. Een vraagje van de heer Schutz.
De heer Schutz (VVD):
Het zit ’m in het woordje «direct» en waar je simplificeert. We kunnen simplificeren
wat we willen, maar een simplificatie betreft natuurlijk de Kaderrichtlijn Water,
en dat is een Europese richtlijn. De gedachte snappen wij en daar roepen wij ook toe
op, maar «boter bij de vis» doet hier niet helemaal recht aan de situatie.
De voorzitter:
Ik ga deze discussie stoppen. Iedereen mag zelf beoordelen of die voor of tegen de
motie stemt. We gaan het zien bij de stemmingen. Nu is mevrouw Van der Plas aan de
beurt van de BBB.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Na de beantwoording door de Minister heb ik nog wel een aantal
vraagtekens bij de keuze om primair te meten in de wortelzone in het kader van de
Nitraatrichtlijn. BBB volgt de Minister niet – ik niet en mijn hele fractie ook niet,
heb ik inmiddels begrepen – in de redenering dat metingen op die diepte noodzakelijk
of doorslaggevend zijn om uitspraken te doen over de kwaliteit van het grondwater.
Onduidelijk blijft hoe daarbij rekening gehouden wordt met het gedrag van het nitraat
– daar heb ik het uitgebreid over gehad – zodra het uitspoelt richting het grondwater.
Nitraat verplaatst zich namelijk niet een-op-een, maar kan onderweg worden vastgelegd,
afgebroken of verdund. In hoeverre is dat proces bekend, onderbouwd en daadwerkelijk
meegenomen in de beoordeling en in beleidsconclusies? Ik stel de Minister dus nog
wat concrete vragen die hij in tweede termijn kan beantwoorden, maar ik stel hem ook
voor om de Kamer in een brief nader te informeren over de keuze voor die metingen
in de wortelzone binnen de uitvoering van de Nitraatrichtlijn en over de wijze waarop
het gedrag van nitraat tijdens uitspoeling richting het grondwater wordt meegewogen.
Dat scheelt weer wat tijd in de tweede termijn, denk ik. Als de Minister de vragen
die ik daarover in mijn inbreng heb gesteld en die ik hier nu weer neerleg, in een
brief wil beantwoorden, dan vind ik dat ook helemaal prima. Dan kan iedereen er duidelijk
en rustig naar kijken.
De voorzitter:
Ik zie de Minister knikken, dus dat gaat hij doen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Prima. Dan heb ik nog drie moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de Nitraatrichtlijn ruimte laat om niet het volledige nationale grondgebied
aan te wijzen als kwetsbare zone en dat andere lidstaten van deze ruimte gebruikmaken;
constaterende dat uit het CDM-advies blijkt dat de waterkwaliteit in klei- en veengebieden
structureel op orde is en dat de bijdrage van deze gebieden aan nutriëntenbelasting
beperkt is;
constaterende dat de mogelijke risico’s voor waterkwaliteit in deze gebieden grotendeels
betrekking hebben op risico-inschattingen en dat deze risico’s kunnen worden opgevangen
met bestaand en voorgenomen flankerend beleid, waaronder doelsturing en emissiereducerende
maatregelen;
overwegende dat een gebiedsgerichte benadering eerlijker en effectiever is dan generieke
aanwijzing van het gehele land als kwetsbare zone;
overwegende dat in het nieuwe coalitieakkoord staat dat de ambitie blijft om onnodige
nationale koppen op Europese regels te schrappen;
verzoekt de regering om klei- en veengebieden niet langer aan te wijzen als kwetsbare
zone onder de Nitraatrichtlijn en dit zo spoedig mogelijk in gang te zetten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 12 (36 800-J).
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik wil de afkorting CDM even uitleggen, want al die afkortingen zeggen mensen vaak
niets. CDM staat voor Commissie van Deskundigen Meststoffenwet.
Mijn tweede motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in het nieuwe coalitieakkoord is vastgelegd dat onnodige nationale
koppen op Europese regels moeten worden geschrapt en dat Europese richtlijnen en verordeningen
zo veel mogelijk een-op-een en tijdig worden geïmplementeerd;
overwegende dat nationale koppen en striktere interpretaties van Europese regelgeving
leiden tot extra regeldruk, hogere administratieve lasten en een ongelijk speelveld
voor Nederlandse ondernemers en sectoren ten opzichte van andere lidstaten;
verzoekt de regering om onverminderd uitvoering te blijven geven aan het actief schrappen
van nationale koppen op Europese regelgeving, en bij de implementatie en toepassing
van Europese regels structureel uit te gaan van een zo strikt mogelijke een-op-eenimplementatie,
en hierover de Kamer periodiek te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 13 (36 800-J).
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De laatste.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Kaderrichtlijn Water lidstaten expliciet ruimte biedt voor uitzonderingsgronden,
waaronder gefaseerde doelbereiking, natuurlijke omstandigheden, historische belasting
en grensoverschrijdende invloeden;
overwegende dat Nederland bij de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water geconfronteerd
wordt met een uitzonderlijke uitgangspositie, onder meer door historische belasting,
buitenlandse aanvoer van nutriënten en sterk veranderde en kunstmatige waterlichamen;
overwegende dat een strikte en maximale nationale invulling zonder volledig gebruik
te maken van deze uitzonderingsmogelijkheden kan leiden tot disproportionele maatregelen
en extra druk op sectoren zoals landbouw, industrie en regionale overheden;
verzoekt de regering om bij het realiseren van de doelen van de Kaderrichtlijn Water
maximaal en expliciet gebruik te maken van de uitzonderingsgronden en flexibiliteiten
die de richtlijn biedt, om deze uitzonderingen juridisch zorgvuldig en onderbouwd
toe te passen binnen de stroomgebiedbeheerplannen, en de Kamer te informeren over
de wijze waarop deze uitzonderingsgronden worden benut,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 14 (36 800-J).
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Tot zover het voorleesuurtje van mevrouw Van der Plas.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is nu het woord aan lid Kostić van de Partij voor de Dieren.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dank u wel. Ik heb in de tussentijd even via de tv moeten meekijken. Ik heb een aantal
toezeggingen gehoord, waarvoor dank. Ik ben nog wel benieuwd naar de doorbraak die
is bereikt op het gebied van vislood. Al met al, alles overwegende hebben we te maken
met afspraken en die dreigen we wederom niet te halen. We weten wat we daarvoor moeten
doen. De Rli heeft het bijvoorbeeld over meer dwingende maatregelen op het gebied
van bestrijdingsmiddelen en het inperken van de veestapel door onder andere iets te
doen aan de dierrechten. Dat zie ik allemaal nog niet gebeuren, dus ik heb een aantal
stimuleringsmoties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Kamer onder andere de motie-Bromet/Van Esch (2023) en de motie-Van
Ginneken/Tjeerd de Groot (2023) heeft aangenomen om onder andere alle relevante onttrekkingen
van water en alle relevante vervuilingsbronnen in kaart te brengen en een meldplicht
in te stellen;
constaterende dat de Minister nu door middel van meld-, meet- en registratieplichten
wil regelen dat er meer inzicht komt in kleinere onttrekkingen van grond- en oppervlaktewater;
constaterende dat nog niet duidelijk is hoe de ondergrens voor meldingen van grond-
en oppervlaktewateronttrekkingen precies bepaald wordt en of cumulatieve effecten
daarbij worden meegenomen;
verzoekt de regering om wetenschappers advies te laten geven over een passende ondergrens
voor meldingen van onttrekkingen van grond- en oppervlaktewater en daarbij de cumulatieve
effecten mee te laten nemen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kostić.
Zij krijgt nr. 15 (36 800-J).
Kamerlid Kostić (PvdD):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland na meer dan 25 jaar nog steeds de afspraken over waterkwaliteit
uit de Kaderrichtlijn Water niet heeft gehaald en de laatste deadline in 2027 is;
constaterende dat onze waterkwaliteit en natuur worden bedreigd door onder andere
het gebruik van bestrijdingsmiddelen en experts recent opnieuw de politiek hebben
opgeroepen om meer dwingende maatregelen op dit gebied te nemen;
constaterende dat volgens de Europese richtlijn over duurzaam gebruik pesticiden kwetsbare
gebieden zoals Natura 2000-gebieden en grondwaterbeschermingsgebieden moeten worden
beschermd tegen vervuiling door het gebruik van bestrijdingsmiddelen;
verzoekt de regering om zo snel mogelijk dit jaar extra maatregelen te nemen om Natura 2000-gebieden,
waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden te beschermen tegen de vervuiling
door het gebruik van bestrijdingsmiddelen, waarbij bijvoorbeeld wordt gekeken naar
beperkingen van de (niet-biologische) sierteelt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kostić.
Zij krijgt nr. 16 (36 800-J).
Kamerlid Kostić (PvdD):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de schade die pfas-vervuiling veroorzaakt in de honderden miljoenen
loopt en de gewone burger hier als belastingbetaler te vaak voor opdraait;
constaterende dat een vorm voor pfas-taks innovaties zou aanjagen, bedrijven zou kunnen
stimuleren om zonder pfas te werken en echt zou borgen dat de vervuiler betaalt door
de opbrengst te gebruiken om vervuilde plekken te saneren en de waterkwaliteit te
verbeteren;
verzoekt de regering om een vrijblijvende verkenning te doen naar de mogelijkheden
en de voor- en nadelen van het invoeren van een pfas-taks, en de Kamer hier zo snel
mogelijk over te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kostić.
Zij krijgt nr. 17 (36 800-J).
Kamerlid Kostić (PvdD):
Het is gewoon aan de nieuwe regering en de nieuwe Kamer om dat in ieder geval te verkennen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat uit onderzoek blijkt dat alle Nederlanders te veel pfas in hun bloed
hebben;
constaterende dat pfas in bestrijdingsmiddelen steeds meer worden gebruikt in Nederland,
makkelijker uitspoelen naar ons grondwater en daarmee onze drinkwaterbronnen bedreigen;
overwegende dat het kabinet terecht inzet op een pfas-verbod in Europa, maar dat als
er geen stop komt op pfas in bestrijdingsmiddelen, pfas alsnog door het hele land
zullen blijven worden verspreid, in onze bodem, ons water en ons voedsel;
constaterende dat het huidige toetsingssysteem voor bestrijdingsmiddelen onvoldoende
de (cumulatieve) effecten van pfas op gezondheid en water meeneemt;
constaterende dat in Denemarken sommige bestrijdingsmiddelen met pfas vanaf dit jaar
nationaal zijn verboden en dat Denemarken pleit voor een verbod op pfas in Europa;
verzoekt de regering om in Europa te pleiten voor een verbod op pfas-bestrijdingsmiddelen
en om daarin op te trekken met Denemarken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kostić.
Zij krijgt nr. 18 (36 800-J).
Kamerlid Kostić (PvdD):
Heb ik nog even tijd, voordat ik een Fabertje uithaal?
De voorzitter:
Nou, ja, u heeft tijd, maar schiet maar even op.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Oké. De laatste motie. Die kan ik dan iets rustiger voorlezen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat waterbeschikbaarheid in Nederland steeds verder onder druk komt
te staan en dit onder andere de woningbouw kan blokkeren;
constaterende dat de Algemene Rekenkamer concludeert dat Nederland eigen waterbesparingsdoelen
niet gaat halen en weinig vooruitgang boekt op het daadwerkelijk besparen van drinkwater
bij bedrijven;
constaterende dat het zakelijke drinkwaterverbruik de afgelopen jaren is gestegen
in plaats van gedaald, wat het behalen van de doelen in 2035 onzeker maakt;
constaterende dat de Minister na de conclusies van de Algemene Rekenkamer erkende
dat hij het doel voor drinkwaterbesparing met de huidige maatregelen niet zal halen
en dat er naast onderzoek extra concrete beleidsinstrumenten moeten worden ingezet;
verzoekt de regering om uiterlijk in de zomer met een voorstel te komen waarmee aantoonbaar
voldoende waterbesparing wordt gerealiseerd om de waterbeschikbaarheid in Nederland
op peil te houden, om daarbij de mogelijkheid te verkennen om bijvoorbeeld waterbesparing
voor grootverbruikers wettelijk te verplichten en om in vergunningsvoorwaarden beperkingen
over watergebruik op te nemen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kostić.
Zij krijgt nr. 19 (36 800-J).
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik wil daarbij vermelden dat ik natuurlijk altijd opensta voor wijzigingen van de
moties, maar de richting is volgens mij duidelijk.
De voorzitter:
Dank u wel. Misschien kunt u ’m een beetje korter maken, maar dat kan altijd. Mevrouw
Van der Plas, wilt u even het voorzitterschap overnemen?
Voorzitter: Van der Plas
De voorzitter:
Dat wil ik zeker. Mevrouw Bromet.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel. Ik heb zitten luisteren naar de Minister. Ik dacht: «Straks is hij weg.
Dan komt er een nieuwe Minister en dan kunnen we weer nieuwe vragen stellen. Misschien
komen er dan andere antwoorden.» Misschien heb ik het verkeerd begrepen, maar het
viel mij op dat de Minister zei: de angstscenario’s, die onder anderen de heer Heutink
voorspiegelt, over wat er gebeurt als we de Kaderrichtlijn Water niet halen, worden
geen waarheid. Hij deed daar heel erg luchtig over. Dat deed mij denken aan de vragen
die ik stelde aan achtereenvolgende Ministers van Landbouw – ik ben nu zevenenhalf
jaar Kamerlid – over het stoppen van de derogatie. Dat zou echt allemaal wel doorgaan.
Dat gingen ze allemaal regelen. Daar hoefde ik niet bang voor te zijn. Maar die derogatie
kwam maar niet.
Hetzelfde geldt voor de uitspraak over stikstof. GroenLinks-PvdA heeft jarenlang gezegd:
er moet iets gebeuren; de PAS deugt niet. GroenLinks heeft niet ingestemd met de PAS.
Voor heel veel mensen, heel veel bestuurders en heel veel ministeries kwam de uitspraak
van de rechter over de Programmatische Aanpak Stikstof als een verrassing. Zeven jaar
na dato hebben we nog steeds geen oplossing gevonden, terwijl die er gewoon is. Alleen,
daar heb je politieke daadkracht en durf voor nodig.
Hetzelfde geldt, denk ik, ook voor de Kaderrichtlijn Water. Ik deel de urgentie van
de heer Heutink, maar ik ga helemaal de andere kant op als het gaat om de oplossing.
Ik vind het namelijk heel goed dat we die afspraken hebben gemaakt. Nederlanders hebben
recht op schoon water, en de natuur al helemaal. Ik zou zeggen: maak er werk van.
Wij zullen met voorstellen blijven komen om dat voor elkaar te krijgen.
Ik heb drie moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat pfas een giftige forever chemical zijn en dat ze, eenmaal in het milieu,
nooit meer verdwijnen, accumuleren en voor altijd schadelijk zijn;
overwegende dat pfas-houdende bestrijdingsmiddelen een grote maar diffuse bron van
pfas zijn die in grote hoeveelheden over Nederland worden gespoten;
overwegende dat de Europese regels een nationaal verbod op pfas-houdende bestrijdingsmiddelen
toestaan en alternatieven beschikbaar zijn;
verzoekt de regering om op zo kort mogelijke termijn het gebruik van pfas-houdende
middelen in de landbouw te verbieden of via toepassingsregels onmogelijk te maken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bromet.
Zij krijgt nr. 20 (36 800-J).
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het kabinet-Schoof het principe «water en bodem sturend» heeft gedegradeerd
tot een vrijblijvend streven;
overwegende dat het PBL in zijn reflectie op de ontwerpNota Ruimte adviseert «water
en bodem sturend» weer het leidende principe voor de ruimtelijke ordening te maken;
verzoekt de regering om «water en bodem sturend» weer het leidende principe voor de
ruimtelijke ordening te maken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bromet.
Zij krijgt nr. 21 (36 800-J).
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Tot slot.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat Nederland laag gelegen is, de bodem daalt, de zeespiegel stijgt en
het weer extremer wordt;
overwegende dat natuurgeweld, oorlogsgeweld en ongelukken nooit volledig kunnen worden
uitgesloten;
overwegende dat websites als Atlas Leefomgeving of overstroomik.nl informatie geven
aan bewoners van risicogebieden, maar dat dit amper bekend is bij burgers;
verzoekt de regering om burgers individueel, per adres of postcode praktisch en duidelijk
te instrueren over wat hun risico’s zijn en wat ze moeten doen bij een ramp, zoals
een overstroming,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bromet.
Zij krijgt nr. 22 (36 800-J).
Dank u wel, mevrouw Bromet. Ik zie geen interrupties, dus ik geef het voorzitterschap
weer terug aan u.
Voorzitter: Bromet
De voorzitter:
Dank u wel. Dan kijk ik even of de Minister een schorsing nodig heeft. Dat is het
geval. Een kwartier vind ik echt te lang. Ik zeg dat omdat in de afgelopen periode
de gewoonte is ontstaan om steeds meer tijd te nemen voor de beantwoording van vragen
en het beoordelen van moties. Ik wil nu een kwartier geven, maar als ik meer naar
de toekomst kijk, denk ik dat een uur schorsen voor de beantwoording van vragen of
een kwartier voor de appreciatie van moties gewoon te lang is. Daar gaan we het in
het vervolg nog over hebben. Dan gaan we nu schorsen tot 16.35 uur.
De vergadering wordt van 16.21 uur tot 16.35 uur geschorst.
De voorzitter:
Ja, het is 16.35 uur en mevrouw Van der Plas komt binnenvallen. Ik wil het woord geven
aan de Minister voor de beantwoording van de vragen en het oordeel op de moties. Ga
uw gang.
Minister Tieman:
Dank u wel, voorzitter. De heer Schutz vroeg naar de scenario’s, de bouwstenen van
het beleid – meegroeien is daar onder andere één van – voor het kennisprogramma. Ik
neem dat mee in het kader van strategisch omgevingsmanagement, met die gevoeligheid
dat we daar echt wel oog voor hebben. Anders is het na Prinsjesdag heel kort dag.
We gaan dit nog veel verder uitwerken met keuzes, met onderbouwingen en met het betrekken
van de regio. Ik zal daar zo meteen ook nog wat dieper op ingaan bij de appreciatie
van de motie van mevrouw Vellinga.
Het lid Kostić vroeg naar een tienjaarscenario. Kortere termijnen leggen gewoon te
veel druk op de bedrijven. Dat is de argumentatie. Het gaat onder andere om administratieve
lasten. We zien het nu zelf ook met het doorspreken en beoordelen van al de milieuvergunningen.
Dat doe je niet even op een avond.
Dan wilde ik verdergaan met de appreciatie van de motie op stuk nr. 8 van mevrouw Vellinga-Beemsterboer over de Onderzoeksraad voor Veiligheid. Oordeel
Kamer.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Heeft de Minister wel in het vizier wat er gebeurt als we dat dan niet hebben? Welke
gevolgen gaat dat hebben? Wordt er dan gehandhaafd? Welke gevolgen heeft dat? Je vraagt
iets om het te borgen, maar dat betekent ook dat er een gevolg aan zit als we dat
niet hebben. Wat is dat gevolg dan als we het niet hebben?
Minister Tieman:
Hier zijn ook borgingen. Ik lees ’m zodanig dat het ook bij andere overheden zou kunnen.
We hebben hier niet alle verantwoordelijkheid. Ik ga in gesprek met die partijen en
ik doe dat ook binnen een bepaalde termijn. Maar het is niet zo dat ik er opeens aan
trek op het moment dat we iets zouden missen. Daar kom ik dan wel op terug. Ik wil
hier wel zo veel mogelijk meebewegen met de Kamer.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Mag ik het dan zo begrijpen dat deze motie oordeel Kamer krijgt met de interpretatie
die de Minister nu net geeft? Anders is het echt wel een strakke motie.
Minister Tieman:
Oké, dan doen we het op die manier.
De voorzitter:
Dan kijk ik even naar de indiener van de motie. Ja, die is akkoord. De motie op stuk
nr. 8: oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 9.
Minister Tieman:
Door het woordje «versoepelen» moet ik de motie ontraden. Sorry, ik heb het nu over
de motie-Heutink/Stoffer op stuk nr. 10. Wij zoeken nog even naar de motie op stuk nr. 9.
De voorzitter:
Oké, dan wachten we dat even af.
Minister Tieman:
De motie op stuk nr. 9 van Boelsma-Hoekstra en Bromet: oordeel Kamer.
De voorzitter:
Vellinga-Beemsterboer staat er ook nog bij. De motie op stuk nr. 9: oordeel Kamer. Kunt u nog even naar de motie op stuk nr. 10 gaan?
Minister Tieman:
De motie op stuk nr. 10: ontraden vanwege het woord «versoepelen». Versoepelen kan ik niet toezeggen, versimpelen
wel.
De voorzitter:
Meneer Heutink?
De heer Heutink (Groep Markuszower):
Dan maak ik er met uw welnemen «versimpelen» van.
Minister Tieman:
Oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 10 wordt gewijzigd. Het woord «versoepelen» wordt vervangen door «versimpelen» en de
motie krijgt oordeel Kamer.
De motie-Heutink/Stoffer (36 800-J, nr. 10) is in die zin gewijzigd dat zij thans luidt:
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in het coalitieakkoord Aan de slag wordt voorgesteld om de implementatie
van de Kaderrichtlijn Water te simplificeren;
verzoekt de regering direct te starten met het versimpelen van de nationaal vastgestelde
normen van de Kaderrichtlijn Water,
en gaat over tot de orde van de dag.
Zij krijgt nr. 23, was nr. 10 (36 800-J).
Minister Tieman:
De motie-Heutink op stuk nr. 11: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 11: oordeel Kamer.
Minister Tieman:
De motie op stuk nr. 12: ontijdig, achtste actieprogramma.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 12 is ontijdig. Er is een vraag van het lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Nog even over de motie op stuk nr. 10, want het ging wel heel snel. De Minister zei dat die met het woord «versimpelen»
oordeel Kamer krijgt, maar wat betekent versimpelen precies? Hoe wordt geborgd dat
de waterkwaliteit nog steeds voldoende wordt gewaarborgd?
Minister Tieman:
Ik sorteer hier al voor op het regeerakkoord, waar die teksten ook in staan. Dat moeten
we dan gaan invullen met elkaar: versimpelen, simpelere regels. We hebben net een
aantal voorbeelden gezien. Dat is wel iets wat we met elkaar moeten verkennen.
De voorzitter:
Ja, en die vragen kunt u aan een nieuwe bewindspersoon stellen. Ik ga nu echt door,
want ik wil om 17.00 uur klaar zijn. We waren gebleven bij de motie op stuk nr. 12, en daarover was het oordeel: ontijdig. Ik kijk of mevrouw Van der Plas de motie
wil aanhouden, ja of nee. Nee? Dan wordt het een ontraden motie. De motie op stuk
nr. 12 is ontraden.
Minister Tieman:
De motie op stuk nr. 13 over het schrappen van nationale koppen op Europese regelgeving: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 13: oordeel Kamer.
Minister Tieman:
De motie-Van der Plas op stuk nr. 14 over het benutten van de uitzonderingsgronden van de Kaderrichtlijn Water: oordeel
Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 14: oordeel Kamer.
Minister Tieman:
De motie op stuk nr. 15 van het lid Kostić: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 15: oordeel Kamer.
Minister Tieman:
De motie op stuk nr. 16 van het lid Kostić: ontijdig. Dit ligt echt bij LVVN.
De voorzitter:
Lid Kostić, wilt u de motie aanhouden, ja of nee?
Kamerlid Kostić (PvdD):
Nee, maar ik wil hier wel een punt van maken. Er is mij toegezegd door het Ministerie
van IenW dat zij namens de Minister van LVVN hier zouden antwoorden en dat de beantwoording
niet doorgeschoven zou worden. Ik kan dit eerlijk gezegd niet helemaal goed accepteren,
dus ik wil graag echt even ... Misschien moet de Minister de motie dan aan het oordeel
van de Kamer laten, maar dit kan niet.
Minister Tieman:
Ik heb zo veel mogelijk meebewogen bij de beantwoording, maar dit zijn moties die
beoordeeld worden. Ik heb dus het advies gekregen om dit echt niet aan te raken als
IenW-Minister. Ik snap wat u zegt, maar ik moet dit echt even zo doen, gelet op de
consequenties die het mogelijk kan hebben. Ik ben geen Minister van LVVN.
De voorzitter:
Wilt u de motie aanhouden of niet?
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik denk erover na, maar ik vind dit echt geen nette gang van zaken, gezien de afspraken
met ons als Kamer.
De voorzitter:
De Kamer kan altijd zelf een oordeel vellen, ook zonder een advies van het kabinet.
Dan zijn we bij de motie op stuk nr. 17.
Minister Tieman:
De motie op stuk nr. 17: ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 17: ontraden.
Minister Tieman:
De motie op stuk nr. 18: ontijdig.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 18: ontijdig.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Het is fijn als ik weet waarom. Ik vraag alleen maar om Europese inzet. Ik vraag niet
eens om een nationaal verbod in te stellen, maar om samen met Denemarken op te trekken.
Minister Tieman:
Het antwoord is hetzelfde als het antwoord dat ik net gaf: Minister van LVVN.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 18: ontraden.
Minister Tieman:
De motie op stuk nr. 19: ontraden. We zetten juist in op minder regels.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 19: ontraden.
Minister Tieman:
De motie op stuk nr. 20: ontijdig, LVVN.
De voorzitter:
Nog even overnieuw, hoor, want de moties zitten verkeerd om in het setje. Het gaat
dus om de motie op stuk nr. 20. Die motie krijgt het oordeel ontijdig.
Minister Tieman:
Dat klopt. De motie-Bromet op stuk nr. 21: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 21: oordeel Kamer.
Minister Tieman:
De motie-Bromet op stuk nr. 22: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 22 krijgt oordeel Kamer, mits ...
Minister Tieman:
Het spijt me. De motie krijgt oordeel Kamer, maar wel met een opmerking. U geeft aan
in uw motie dat het op adresniveau moet zijn, maar ik wil aan u vragen of het kan
per straat of per wijk, conform overstroomik.nl. Anders is het voor ons niet te doen.
Als het per straat of per wijk kan, krijgt de motie oordeel Kamer.
De voorzitter:
Ja. In de motie staat het woordje «of», dus het kan zeker ook op wijkniveau.
De heer Schutz (VVD):
Het gaat mij te snel. Ik vind de motie op stuk nr. 20 te veel op de motie op stuk nr. 22 lijken. Ik ben dus echt even het spoor bijster.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 20 lijkt helemaal niet op de motie op stuk nr. 22, hoor. Misschien ziet u het nummer niet goed. O, het gaat om het getalletje. De een-na-laatste
kopie in het setje is nr. 20, de laatste kopie is nr. 21 en vóór nr. 20 zit nr. 22. Excuus. Daarmee hebben we ... O, lid Kostić heeft een vraag.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ja, over de motie op stuk nr. 19. Het ging mij ook eventjes te snel. Kreeg die motie oordeel Kamer of werd die ontraden?
En als de motie is ontraden, waarom dan precies?
Minister Tieman:
We willen minder regels en deze zorgt voor meer regels.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Zo is de motie zeker niet bedoeld, want ik sluit hiermee eigenlijk aan bij de doelen
die het ministerie zelf ook heeft. De Algemene Rekenkamer zegt: we doen eigenlijk
te weinig om die doelen te halen. De motie is meer bedoeld om te kijken: wat kunnen
we nog doen om die doelen alsnog te halen? Dat hoeft niet met nieuwe regels. Ik ben
dus prima bereid om de motie nog aan te passen, want die is juist bedoeld om onszelf
aan onze eigen afspraken te houden.
Minister Tieman:
De laatste zin van uw motie is: voor grootgebruikers wettelijk verplicht te maken
en in vergunningsvoorwaarden beperkingen over watergebruik op te nemen.
De voorzitter:
Tot slot, lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik snap het wel. Er stond inderdaad «de mogelijkheid verkennen». Eigenlijk zegt de
Minister: die mogelijkheid willen we niet eens verkennen. Wat als ik die zin schrap
en alleen het eerste gedeelte van het dictum laat staan?
Minister Tieman:
Dan zou het kunnen, lid Kostić. Dan krijgt de motie oordeel Kamer.
De voorzitter:
Daarmee wordt de motie op stuk nr. 19 gewijzigd en krijgt die oordeel Kamer.
De motie-Kostić (36 800-J, nr. 19) is in die zin gewijzigd dat zij thans luidt:
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat waterbeschikbaarheid in Nederland steeds verder onder druk komt
te staan en dit onder andere de woningbouw kan blokkeren;
constaterende dat de Algemene Rekenkamer concludeert dat Nederland eigen waterbesparingsdoelen
niet gaat halen en weinig vooruitgang boekt op het daadwerkelijk besparen van drinkwater
bij bedrijven;
constaterende dat het zakelijke drinkwaterverbruik de afgelopen jaren is gestegen
in plaats van gedaald, wat het behalen van de doelen in 2035 onzeker maakt;
constaterende dat de Minister na de conclusies van de Algemene Rekenkamer erkende
dat hij het doel voor drinkwaterbesparing met de huidige maatregelen niet zal halen
en dat er naast onderzoek extra concrete beleidsinstrumenten moeten worden ingezet;
verzoekt de regering om uiterlijk in de zomer met een voorstel te komen waarmee aantoonbaar
voldoende waterbesparing wordt gerealiseerd om de waterbeschikbaarheid in Nederland
op peil te houden,
en gaat over tot de orde van de dag.
Zij krijgt nr. 24, was nr. 19 (36 800-J).
Dan wil ik overgaan tot het voorlezen van de toezeggingen.
− Eén. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat zegt toe de Kamer over een jaar
te informeren over hoe de aanbevelingen van het RIVM met betrekking tot het gebruik
van hemelwater en grijs water binnen de gebouwde omgeving worden opgevolgd in diverse
andere pilots.
− Twee. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat zal de Kamer binnen een maand schriftelijk
informeren over de geplande drinkwaterbesparingscampagne waarbij ook wordt ingegaan
op de kosten en evaluatie.
− Drie. Binnen een maand ontvangt de Kamer van het Ministerie van Infrastructuur en
Waterstaat een brief met nadere informatie over het «one out, all out»-principe uit
de Kaderrichtlijn Water.
− Vier. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat zal de Kamer voor het commissiedebat
Water van eind juni een brief over de Kaderrichtlijn Water sturen, waarin specifiek
wordt ingegaan op het handelingsperspectief tussen nu en de deadline eind december
2027, maar ook in de periode na 2027, en op wat er geleerd is van het actualiseren
van de onttrekkingsvergunningen.
− Vijf. Binnen een maand ontvangt de Kamer van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat
een schriftelijke terugkoppeling van zijn gesprek met de waterschappen in het Bestuurlijk
Overleg KRW.
− Zes. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat zal de Kamer binnen zes maanden
nader informeren over de stand van zaken met betrekking tot de Dinkel.
− Zeven. Rond de zomer zal de Minister van Infrastructuur en Waterstaat de Kamer schriftelijk
informeren over de effecten van koelwaterlozingen.
− Acht. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat zegt toe de openstaande vragen
van de BBB-fractie uit de eerste termijn per brief te beantwoorden.
Ik zie twee vingers. We beginnen even met het CDA.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Volgens mij zou er binnen een maand een rapport komen over die bezwaarprocedures en
daar zouden wij van op de hoogte worden gesteld. Het gaat over de drinkwaterbedrijven.
De voorzitter:
Ja, die voegen we toe.
De heer Schutz (VVD):
Ik had volgens mij ook een toezegging gekregen over de termijnen met betrekking tot
drinkwater en bedrijfsprocessen. Dat was ook gekoppeld aan een termijn. Daar had u
wat langer voor nodig, maar dat heeft u volgens mij wel toegezegd.
De voorzitter:
Even voor de Kamerleden: het is een toezegging als er een brief beloofd is met een
daaraan gekoppelde datum. Misschien kunt u nog even herhalen waarop u denkt een toezegging
gekregen te hebben.
De heer Schutz (VVD):
Dit gaat over de eerdere toezegging aan mijn voorganger, de heer Verkuijlen, over
drinkwater in bedrijfsprocessen. U zou nadere studie doen naar de bedrijven waarop
dat ziet. Dat was al een toezegging, maar volgens mij heeft u daaraan nu ook een bepaalde
termijn gekoppeld. Daarom is het een toezegging.
Minister Tieman:
Ja, dat klopt: zes maanden.
De voorzitter:
Zes maanden. Dan voegen we die ook toe aan de toezeggingen.
De heer Schutz (VVD):
Volgens mij heeft de Minister ook toegezegd om in juni terug te komen met een brief
over de Kaderrichtlijn Water en de effecten die de eindspurt tot dan toe heeft gehad.
De voorzitter:
Die heb ik net voorgelezen.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik besef net dat de Minister iets heeft gezegd over vislood en dat hij daar nog niet
op teruggekoppeld heeft. Kan de Minister nog even terugkoppelen op dat punt?
Minister Tieman:
Ik kom daar binnenkort op terug, lid Kostić, met een convenant en wat communicatie.
Ik denk dat het helemaal in het straatje van uw inspanningen zal zijn en dat we wat
scherper aan de wind gaan varen met de sector om toch alternatieven naar voren te
brengen ten behoeve van de waterkwaliteit.
De voorzitter:
Met deze verrassing sluiten wij dit wetgevingsoverleg Water af. Dank aan de Minister
voor de beantwoording van de vragen en aan zijn ondersteuning. Dank aan de Kamerleden.
Ik wilde al bijna hameren, maar de heer Schutz heeft nog een laatste opmerking.
De heer Schutz (VVD):
Nee, ik heb een vraag. De tekst van de motie op stuk nr. 19 is net gewijzigd. Die wijziging was niet voor iedereen aan deze tafel direct duidelijk.
Dat is wel belangrijk om de motie mee te kunnen nemen.
De voorzitter:
In de motie op stuk nr. 19 is de laatste zin gewijzigd. Die gaat over de wettelijke verplichting en het beperken
van vergunningsvoorwaarden. Die wordt geschrapt. Als u precies wilt weten wat de Minister
heeft gezegd, moet u dat even in de Handelingen terugzoeken.
Daarmee komen we bij het einde van deze vergadering. Dank aan het publiek voor de
belangstelling. Goede reis naar huis.
Sluiting 16.50 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.A. Huizenga, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
M. Schukkink, griffier
Stemmingsuitslagen
Aangenomen met handopsteken
| Fracties | Zetels | Voor/Tegen |
|---|---|---|
| D66 | 26 | Voor |
| VVD | 22 | Voor |
| GroenLinks-PvdA | 20 | Voor |
| PVV | 19 | Voor |
| CDA | 18 | Voor |
| JA21 | 9 | Voor |
| FVD | 7 | Tegen |
| Groep Markuszower | 7 | Voor |
| BBB | 3 | Voor |
| ChristenUnie | 3 | Voor |
| DENK | 3 | Voor |
| PvdD | 3 | Tegen |
| SGP | 3 | Voor |
| SP | 3 | Tegen |
| 50PLUS | 2 | Voor |
| Keijzer | 1 | Voor |
| Volt | 1 | Voor |
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.