Verslag van een commissiedebat : Verslag van een commissiedebat, gehouden op 12 maart 2026, over BOA - stelsel
36 395 Wijziging van de Politiewet 2012 in verband met een delegatiegrondslag voor een algemene maatregel van bestuur over de bewapening en uitrusting van buitengewoon opsporingsambtenaren
Nr. 24
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Vastgesteld 20 april 2026
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft op 12 maart 2026 overleg gevoerd
met de heer Van Weel, Minister van Justitie en Veiligheid, over:
˗ de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 6 oktober 2025 inzake de
buitengewoon opsporingsambtenaar – een professionele partner met een eigenstandige
taak in de publieke ruimte (Kamerstuk 36 395, nr. 22);
˗ de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 2 maart 2026 inzake antwoorden
op vragen commissie over de brief inzake de buitengewoon opsporingsambtenaar – een
professionele partner met een eigenstandige taak in de publieke ruimte (Kamerstuk
36 395, nr. 22) (Kamerstuk 36 395, nr. 23).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de commissie, Eerdmans
De griffier van de commissie, Burger
Voorzitter: Van der Plas
Griffier: Van Tilburg
Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: El Abassi, Coenradie, Faber, Lammers,
Martens-America, Mathlouti, Mutluer, Van der Plas en Straatman,
en de heer Van Weel, Minister van Justitie en Veiligheid.
Aanvang 14.01 uur.
De voorzitter:
Goedemiddag, dames en heren. Welkom bij dit commissiedebat. Mag ik even de aandacht
van de leden? Welkom bij dit commissiedebat Boa-stelsel. De commissie heeft speciaal
verzocht om dit commissiedebat los te koppelen van het commissiedebat Politie. Ik
denk dat dat heel goed is. Hier op de publieke tribune zie ik een aantal groene boa's,
die onze buitengebieden beschermen. Ik denk dat het heel goed is om dit los te koppelen,
om de boa's de aandacht te geven die ze verdienen, omdat zij, in welk domein zij ook
werken, elke dag verantwoordelijk zijn voor het beschermen van onze samenleving, om
het zo maar te zeggen. Ik denk dat het goed is dat we daar ruim aandacht aan geven.
Dit commissiedebat duurt drie uur, tot 17.00 uur. Ik wil behalve de mensen op de publieke
tribune ook de mensen welkom heten die thuis de livestream volgen. Ik wil de leden
natuurlijk welkom heten. Dat zijn mevrouw Martens-America van de VVD, mevrouw Mutluer
van GroenLinks-PvdA, de heer Mathlouti van D66, mevrouw Straatman van het CDA, mevrouw
Faber van de PVV, mevrouw Coenradie van JA21 en mevrouw Lammers van Groep Markuszower.
Mijn naam is Caroline van der Plas. Ik zit deze vergadering vandaag voor, maar ik
zal zelf straks ook een bijdrage houden. Op dat moment geef ik het voorzitterschap
even over aan mevrouw Martens-America. Als het gaat om senioriteit, is zij het langst
lid van deze commissie. Dan zal ik zelf mijn bijdrage houden.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Voorzitter, ik vind dat heel vriendelijk, maar ik heb net mevrouw Mutluer becomplimenteerd
dat zij de nestor is van deze commissie, dus ik denk dat zij een nog betere kandidaat
zou zijn voor het voorzitterschap.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Nee joh, dat maakt helemaal niet uit.
De voorzitter:
Dat is voor mij ook helemaal prima. Het gaat erom dat ik de onafhankelijkheid van
de voorzitter kan bewaken als iemand anders het voorzitterschap even overneemt. Mevrouw
Mutluer is van harte welkom om het straks even van mij over te nemen.
Ik stel de leden voor om vier interrupties te doen en die kort en bondig te houden,
zodat we een goede discussie kunnen voeren. De leden hebben vier minuten spreektijd.
Dan rest mij als enige nog om natuurlijk ook de Minister en zijn staf welkom te heten.
Een groot aantal leden van de staf zijn ook buiten het zicht hard aan het werk om
dit commissiedebat in goede banen te leiden.
Bij dezen is deze vergadering dus geopend. Ik wil als eerste het woord geven aan mevrouw
Martens-America namens de VVD.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dank, voorzitter. Vandaag spreken we over boa's. Ik zie een groot aantal boa's hier
zitten. Hartelijk welkom en dank. Boa's spelen een ontzettend belangrijke rol, of
het nou in de binnenstad, een dorp of de natuur is. Als raadslid in Amsterdam heb
ik een aantal keer mogen meelopen met de boa's, onder andere op de Wallen. Ik was
echt diep onder de indruk van hoe zij zaken moeten oplossen met de middelen die ze
op dat moment van ons hebben gekregen. Nogmaals dank daarvoor. Ik heb gezien dat het
werk allesbehalve makkelijk is. Ik heb ook gezien hoe de interactie met bijvoorbeeld
de politie is. Ik heb gezien wat er allemaal beter moet. Ik hoop ook – dat is een
uitnodiging – dat eenieder die hier zit, mij weet te vinden. Ik ben nieuw hier, dus
ik hoor meer dan graag hoe wij jullie verder kunnen helpen.
Voorzitter. Juist daarom is het van belang dat we dit debat hier vandaag voeren. Gezien
de beperkte spreektijd beperk ik mij tot een tweetal onderwerpen. Dat zijn de groene
boa's en de neutraliteit van het uniform.
Voorzitter. De groene boa's spelen een cruciale rol bij het beschermen van onze natuurgebieden
en indirect ook ons. Zij controleren bijvoorbeeld op illegale afvaldumping en zijn
vaak als eerste ter plaatse bij grote drugsdumpingen in de natuur. Daardoor krijgen
zij helaas ook vaker direct te maken met georganiseerde criminaliteit. Dat baart mijn
fractie zorgen. Ik ben benieuwd wat op dit moment de stand van zaken is van bijvoorbeeld
het aanvragen van verdedigingsmiddelen zoals bodycams voor deze groene boa's die zij
nodig hebben bij het uitvoeren van hun werk. Op welke termijn gaat de Minister de
beleidsregels wijzigen, zodat de vereiste van de noodzaak van een geweldsmiddel wordt
gekoppeld aan de bevoegdheden en taken van een boa, in plaats van aan vastgestelde
situaties uit het verleden?
Ik vraag daarbij aan de Minister hoe ervoor gezorgd kan worden dat het toewijzen van
eventuele wapens en verdedigingsmiddelen in alle provincies gelijkloopt, om te voorkomen
dat er verschillen ontstaan tussen provincies en dus tussen de instrumenten die deze
boa's hebben. Hoe zit het wanneer de provincie een omgevingsdienst heeft aangewezen
en de omgevingsdienst, anders dan de provincie, niet overtuigd is wat betreft het
toewijzen van deze geweldsmiddelen? Kan de Minister dit delen met de Kamer? Daarnaast
wil ik de Minister vragen of en hoe het aanvraagsysteem voor vuurwapens voor groene
boa's kan worden vereenvoudigd, uiteraard zonder dat dit ten koste gaat van het zorgvuldige
proces en de veiligheid. Wat de VVD betreft staat de veiligheid van boa's voorop en
mag die nooit in het geding komen door georganiseerde criminaliteit.
Voorzitter. Een neutraal uniform. Dit is mijn tweede punt en een belangrijk punt,
want zichtbare religieuze uitingen staan steeds vaker ter discussie in verschillende
gemeenteraden. Wat de VVD betreft staat een uniform voor vertrouwen, gezag en neutraliteit.
Dat geldt dus voor alle uniformen. Dat is al geregeld voor de politie en voor militairen.
Wat ons betreft wordt dit ook geregeld voor boa's. Zichtbare religieuze uitingen,
zoals het dragen van een keppeltje, een kruisje of een hoofddoek, dragen wat de VVD
betreft niet bij aan het uitstralen van deze neutraliteit. Laat ik duidelijk zijn:
iedereen heeft het recht om te geloven wat hij of zij wil, maar mijn fractie staat
voor een seculiere samenleving, met een scheiding tussen kerk en staat of tussen moskee
en staat. We zullen dus wettelijk moeten verankeren dat een boa-uniform neutraal moet
zijn.
Mevrouw Faber (PVV):
Het doet me deugd dat de VVD pleit voor neutraliteit, ook voor onder andere de boa's
en de politie. Maar ik vind het volgende wel vreemd. Ik neem aan dat we daar geen
jarenlang proces van willen maken. We kunnen dat heel snel oplossen door de AMvB die
al klaarligt in de lucht te hangen, maar tot mijn grote spijt heeft de VVD daartegen
gestemd. Dan denk ik ook: hoe serieus bent u dan over die neutraliteit? Mijn voorstel
was destijds: «Laten we de AMvB in de lucht hangen. Dan gaan we werken aan een wetsvoorstel.
Dan is iedereen tevreden. Dan hebben we neutraliteit. Op lange termijn kunnen we het
wettelijk borgen.» Dat leek me de beste oplossing. Mijn vraag is dus: hoe serieus
bent u nu over die neutraliteit? Dat vraag ik u via de voorzitter.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ontzettend serieus. Wij zijn al begonnen met het schrijven van een wet. De reden waarom
we dat doen, is als volgt. Wat mevrouw Faber zegt, stemt mij ook wel positief, want
als ik nu ga tellen hoeveel zetels er voor neutraliteit van boa's zijn, dan denk ik
dat wij de 100 wel gaan halen. Dat is dus heel goed nieuws. Alleen, de Raad van State
heeft natuurlijk ook gezegd: regel dit niet met een algemene maatregel van bestuur;
regel dit wettelijk. Om het in één keer goed te doen, zijn wij begonnen met het schrijven
van een wet. Ik hoop dat die nog voor de zomer naar de Kamer kan komen.
Mevrouw Faber (PVV):
Alle respect voor de Raad van State, maar dat is een advies. Het is een advies. Dat
kan de bewindspersoon naast zich neerleggen. We hebben een seculiere staat, dus we
hadden ook een goede reden om dat naast ons neer te leggen. Je komt de Raad van State
al tegemoet door het in een wetsvoorstel te gieten.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog, mevrouw Martens-America.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik hoorde niet direct een vraag, maar ik wil uiteraard wel reageren op mevrouw Faber.
Mevrouw Faber heeft het recht om ervoor te kiezen om te zeggen: mijn fractie vindt
het advies van de Raad van State niet belangrijk.
Mevrouw Faber (PVV):
Dat heb ik niet gezegd.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Nee, ik zei: «kan ervoor kiezen om». Dat zei ik letterlijk.
De voorzitter:
Mevrouw Faber, liever niet buiten de microfoon.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dat zei ik letterlijk, mevrouw Faber. Laten we dat ophelderen. Mijn fractie heeft
ervoor gekozen om te zeggen: dan schrijven we de wet. Ik zou graag met zo veel mogelijk
mensen hier aan tafel die handschoen oppakken. Dat willen we zo snel mogelijk doen.
Wij kiezen ervoor om het advies van de Raad van State in dezen wel te volgen.
De voorzitter:
Inmiddels is de heer El Abassi van DENK ook aangeschoven, zeg ik even snel. Mevrouw
Coenradie heeft nog een interruptie.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ook wij kijken reikhalzend uit naar een wet. Ik ben wel even benieuwd in hoeverre
er door de VVD-collega uitgezocht is in hoeverre we, voordat de wet naar de Kamer
en mogelijk ook naar de Eerste Kamer toe gaat, iets kunnen bedenken om te voorkomen
dat er net na de gemeenteraadsverkiezingen coalities gesmeed worden en er misschien
toch afspraken worden gemaakt die hier haaks op staan. Hoe kijkt de VVD daartegen
aan? Is er een mogelijkheid tot een experimenteel iets of zijn er andere wegen die
we daarin kunnen bewandelen?
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik denk dat dat een hele goede vraag is. Ik heb zelf zeven jaar in de gemeenteraad
van Amsterdam mogen zitten. Daar zijn natuurlijk al meerdere voorstellen aangenomen
om dit wél toe te staan. Ik denk dat mevrouw Coenradie dit heel terecht aankaart.
Hoe voorkom je een lappendeken, dus dat in elke gemeente wat anders wordt uitgevoerd?
Ik zou heel graag samen willen kijken wat we daaraan kunnen doen. Mijn zorg is de
volgende. Dat is de reden waarom we ervoor hebben gekozen om het advies van de Raad
van State in dezen wel te volgen. Laten we het in één keer goed doen. Laten we een
goede wet schrijven. Laten we dat wel zo snel mogelijk doen, maar laten we het in
één keer goed doen. Als mevrouw Coenradie ideeën heeft om te kijken wat we voor die
tijd al zouden kunnen doen, wil ik daar graag samen met haar naar kijken. Het lastige
is natuurlijk dat dit alleen middels een wet is op te lossen, want het gaat natuurlijk
over het verschil in bevoegdheid tussen de gemeente en deze Minister. Als u ideeën
heeft, zeg ik via de voorzitter, hoor ik die echt heel graag.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik denk dat dat zeker goed is, dus op dat aanbod ga ik zeker in. Het is misschien
niet zo'n chique manier, maar wellicht kan de Minister in zijn antwoord aangeven of
daar wegen voor zijn voordat er überhaupt over deze wet in de Kamers gesproken wordt.
De voorzitter:
Dank u wel.
De heer Mathlouti (D66):
Ik heb een vraag aan mevrouw Coenradie naar aanleiding van haar interruptie.
De voorzitter:
Sorry, in een commissiedebat kunt u alleen de spreker interrumperen. Maar u kunt uw
interruptie natuurlijk wel bewaren voor straks, als mevrouw Coenradie aan de beurt
is voor haar inbreng.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dan ga ik afronden. De heer Van Dijk van de SGP heeft, gezien het geringe aantal zetels
dat zijn partij op dit moment heeft, mij gevraagd om een aantal vragen te stellen
aan de Minister, omdat hij hier zelf niet bij kan zijn. Ik houd het kort. Gaat de
Minister kijken naar uitbreiding van de bevoegdheid van groene boa's? Hoe voorkomt
de Minister dat ov-boa's op indirecte, oneigenlijke manier toch met steeds meer taken
worden opgezadeld, doordat meer verantwoordelijkheden naar ov-bedrijven worden toegeschoven?
Dat waren de vragen namens de heer Van Dijk.
Dank u wel. Volgens mij zag ik nog een interruptie voor mij.
De voorzitter:
Dat klopt. Uw inbreng was mooi binnen de tijd. Er is een interruptie van de heer El
Abassi.
De heer El Abassi (DENK):
Ik zou de VVD willen vragen waarom zij het vooral belangrijk vindt wat de uiterlijke
kenmerken van een boa zijn, in plaats van de handelingen van een boa.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dat is een hele mooie vraag, dus ik ben oprecht blij dat ik die vraag krijg. Ik ben
lid van een liberale partij en wij geloven principieel in de scheiding van kerk en
staat, of moskee en staat in dezen. Het heeft voor ons dus twee redenen. Enerzijds
is een uniform neutraal. Daar hoort geen enkele religieuze uiting bij, welke dan ook.
Je ziet het bijvoorbeeld ook in Amsterdam, bij de grote incidenten die daar de afgelopen
jaren hebben plaatsgevonden. Ik durf er oprecht vraagtekens bij te plaatsen als boa's
met een keppeltje of hoofddoek worden afgestuurd op die incidenten, want in hoeverre
helpt dat? Ik weet niet of ik dat de dames en heren in kwestie zou durven aandoen.
Anderzijds is er het punt waar ik mee begon. Ik geloof principieel dat religie geen
enkele rol mag spelen bij het dragen van een uniform. Privé uiteraard wel; iedereen
mag geloven wat hij of zij wil. Je mag ook werken bij de politie. Je mag werken als
boa, maar niet in uniform op straat, wanneer je er in je leven voor hebt gekozen om
een religieuze uiting te dragen.
De heer El Abassi (DENK):
Mevrouw Martens-America weet dat het niet waar is dat een uniform alleen neutraal
is op het moment dat de vrouw geen hoofddoek draagt. Er zijn scheidsrechters met hoofddoeken;
die hebben ook uniformen aan. Er zijn politieagenten in het buitenland met een hoofddoek.
Er zijn boa's in het buitenland met een hoofddoek; die zijn ook gewoon neutraal. Dat
klopt dus niet. Ik vroeg mevrouw Martens-America waarom ze uiterlijke kenmerken wel
belangrijk vindt en handelingen niet. Ik heb namelijk een motie ingediend waarin ik
heb gevraagd om politiemedewerkers die in de afgelopen vijf jaar veroordeeld zijn
voor discriminatie, racisme of intimidatie, niet aan te nemen bij de politie. Die
mensen zijn namelijk niet neutraal. Dat is gebleken. Die zijn door de rechter veroordeeld.
Waarom mogen die wel aangenomen worden bij de politie en een vrouw met een hoofddoek
die niets gedaan heeft niet? Dat zou ik de VVD nog een keer willen vragen.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Naar mijn gevoel gooit de heer El Abassi twee verschillende zaken op één hoop, maar
ik ga toch een poging doen om antwoord te geven op de vraag, want hij stelt een serieuze
vraag. Met die motie ben ik niet bekend, dus daar ga ik even naar kijken. Ik vind
het een legitiem punt. Als je gedragingen aantoonbaar, inclusief een veroordeling,
hebben geleid tot de gedachte dat jij wellicht niet objectief kunt handelen, vind
ik dat een zeer interessante vraag. Daar ga ik dus even naar kijken. Daarnaast heb
ik niet het gevoel dat ik mij moet verantwoorden of verontschuldigen voor het feit
dat ik geloof in een seculiere staat. Ik zal er dus alles aan doen om te zorgen dat
religie bij uniformen geen factor zal zijn.
De heer El Abassi (DENK):
Dat laatste ben ik met mevrouw Martens eens: religie zou geen factor moeten zijn bij
het uitoefenen van je beroep. Dat speelt ook niet bij boa's, zoals het ook niet speelt
bij scheidsrechters, boa's in het buitenland et cetera et cetera. Daarom gaat het
mij juist om het handelen. Op het moment dat je anders handelt, dus niet neutraal
handelt, moet je wel aangepakt worden. Ik blijf het vreemd vinden dat als ik een motie
indien waarin het om het handelen gaat en zeg dat je dat ambt dan niet moet kunnen
uitoefenen, de VVD dan tegenstemt. Dat vind ik jammer.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik heb geen vraag gehoord. Zoals ik eerder heb gezegd, ben ik niet bekend met die
motie. Het lijkt mij een hele serieuze motie, dus ik zou die straks in de schorsing
ook wel graag zien. Het lijkt mij niet essentieel voor het debat dat wij hier nu voeren
of voor het punt dat ik aanhaal over het uniform. Het dragen van een religieuze uiting
is een vrije keuze, zoals het ook een vrije keuze is om te kiezen voor een beroep
waarin je een uniform draagt. Dat is geen verplichting. Dat mag. Je mag werken met
een religieuze uiting, met een keppeltje of met een hoofddoek, bij de politie, als
boa. Wat de VVD betreft is dat wanneer je kiest voor een uniform niet aan de orde.
Dat geldt voor elke religie.
De voorzitter:
Dank u wel. Was u aan het einde van uw betoog? Ja. Dan geef ik het woord aan mevrouw
Mutluer van de PvdA.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Allereerst mijn grote waardering voor ...
De voorzitter:
Excuses, mevrouw Mutluer spreekt namens GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dat maakt helemaal niet uit. We gaan opnieuw beginnen.
Allereerst mijn enorme waardering voor de inzet van onze buitengewoon opsporingsambtenaren.
Vaak zeggen we: de politie zorgt voor veiligheid en boa's zorgen voor leefbaarheid.
De praktijk is echter veel weerbarstiger. Ik ben er blij mee dat het ons is gelukt
om het hele boa-stelsel vandaag apart te behandelen in plaats van dat te doen tijdens
een politiedebat, want dat verdienen de boa's.
GroenLinks-PvdA vindt het belangrijk dat de herziening niet blijft steken, zeg ik
in alle eerlijkheid, in een administratieve operatie. We zien namelijk een vervaging
tussen de politie- en boa-taken, juist ook doordat de politie onder grote druk staat.
Dan kun je niet zeggen: boa's moeten meer opvangen, maar dat moeten ze wel doen zonder
de bevoegdheden, uitrusting, ondersteuning en informatiepositie die daarbij horen.
Voorzitter. Mijn fractie maakt zich in dat licht al langer zorgen over de groene boa's.
Op werkbezoeken hebben we gezien hoe groot hun betrokkenheid bij onze natuur is, maar
ook hoe gevaarlijk hun werk soms is. Zij kunnen worden geconfronteerd met stroperij,
ondermijning en georganiseerde drugscriminaliteit. In the heat of the moment kunnen
zij niet altijd terugvallen op directe politiebijstand. Dan helpt het niet als de
Minister in zijn beantwoording eigenlijk zegt: als een boa niet formeel is aangewezen
door de gedeputeerde staten van de provincie voor het controleren op bijvoorbeeld
gewapende stroperij, kan er ook geen grond voor het dragen van een vuurwapen zijn,
ook al kan de boa die situatie in de praktijk wel degelijk tegenkomen. Dat vind ik
echt een bureaucratische benadering, want de praktijk trekt zich weinig aan van functiebeschrijvingen.
Een boswachter die in een afgelegen gebied oog in oog staat met een gewapende crimineel
heeft niets aan de constatering dat dit op papier net buiten zijn formele taak valt.
Mijn vraag aan de Minister is dus: erkent hij dat de toekenning van geweldsmiddelen
niet mag verzanden in een systeem waarin de papieren werkelijkheid boa's in de echte
wereld onnodig kwetsbaar maakt en erkent hij dat ze afhankelijk zijn van de provincie?
Is hij bereid om met de groene boa's zelf opnieuw te kijken naar de uitvoerbaarheid
van de procedures en de rol van Justis? Omgekeerd zeg ik ook dat er ingezet moet worden
op de professionalisering van communicatie, de-escalatie en het toepassen van bewapening
bij groene boa's.
Dit wringt overigens ook bij de NS-boa's. Zij krijgen te maken met agressie, geweld
en mensen met onbegrepen gedrag. De NS heeft gezegd: wij willen niet dat onze boa's
steeds verder in de richting van arrestantenvervoer en aanhoudingsafhandeling worden
geduwd, omdat dat ten koste gaat van hun primaire taak, namelijk de veiligheid in
de trein en op het station. En wat zegt de Minister dan? Ja, de werkgevers, de politie
en het bevoegd gezag moeten daar lokaal maar afspraken over maken. Maar daarmee weten
heel veel NS-boa's nog steeds niet waar ze aan toe zijn. Tegelijkertijd zeg ik dat
ik ook wel weer hele mooie dingen zie, zoals in Utrecht, waar bepaalde interventiemedewerkers,
de boa's, mensen met onbegrepen gedrag op een passende manier opvangen. Dat vind ik
heel waardevol. Wat mij betreft wordt dat ook uitgerold. Ga dus samen met NS-boa's
kijken wat nodig is.
Dan de informatiepositie. De Minister erkent gelukkig dat boa's als volwaardig partner
binnen de politiefunctie hun werk veilig en adequaat moeten kunnen doen, maar dan
moet de toegang tot identificatie-informatie echt op orde komen. De toegang tot het
rijbewijzenregister is weer doorgeschoven, ondanks eerdere moties van onze hand. Ook
de verdere toegang tot systemen als de SKDB en de BVV zit voor boa's nog in verkenningen,
juridische trajecten en wetswijzigingen. Mijn vraag is: wanneer komt die toegang er
nou en wat gaan de boa's daarvan merken?
Tot slot, voorzitter. PTSS is een onderwerp dat ik heel belangrijk vind, ook in het
licht van brandweer en politie. Wij hebben gezegd: ga dat landelijk erkennen. Dat
geldt wat mij betreft ook voor de boa's. Daar wil ik graag een reactie van de Minister
op. Hetzelfde geldt voor de financiering en de onafhankelijke klachtenbehandeling.
Onze oproep, en dan rond ik af, is: stuur boa's niet met een kluitje in het riet.
Zij zijn een volwaardige partner en verdienen alle steun van onze zijde.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Straatman heeft een interruptie. Ik weet niet wie er eerder was.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik heb een vraag aan mevrouw Mutluer over PTSS. In het nieuwe boa-stelsel zien we
dat heel veel van de nazorg primair geregeld is bij de werkgever, waardoor het heel
afhankelijk is van de werkgever welke keuzes er wat betreft nazorg worden gemaakt.
Hoe kijkt zij naar de inbedding van PTSS, en nazorg in brede zin, in het nieuwe bestel?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dat vind ik een uitstekende vraag van mijn collega. Ik ben heel blij dat ik samen
met haar optrek met onze initiatiefnota om een PTSS-instituut voor alle geüniformeerde
beroepen in het leven te roepen. In dat kader vind ik dan ook dat de boa's die met
verschillende werkgevers te maken hebben, duidelijkheid moeten krijgen. Nu is het
namelijk primair de verantwoordelijkheid van de werkgever. Dat kan verschillen. Je
ziet dat de boa's op dit moment publieke taken vervullen in een steeds grimmigere
omgeving. Dan kun je niet volstaan met handreikingen en richtlijnen. Ik vind dat PTSS
bij de boa's ook gewoon landelijk erkend moet worden, net als bij de brandweer inmiddels,
dankzij ons, het geval is. Ik vind dat er gewoon hulp, ondersteuning en financiering
moeten komen. Het moet niet van je werkgever afhangen welke ondersteuning en hulp
je krijgt. Wat mij betreft wordt dat dus nader geregeld. Ik hoop dat de Minister daar
straks ook een antwoord op kan geven.
De voorzitter:
Dat was voldoende? Er zijn geen andere interrupties? Dan geef ik het woord aan de
heer Mathlouti, die spreekt namens D66.
De heer Mathlouti (D66):
Dank, voorzitter. Mijn eerste debat in deze commissie gaat direct over onze mensen
op straat. Het gaat over de boa's, die we allemaal kennen uit onze wijken, stations
en winkelstraten. Het zijn mensen die zich er keihard voor inzetten en er dagelijks
voor zorgen dat onze leefomgeving heel schoon en vooral veilig blijft. Zij zijn ook
vaak de eerste die te maken krijgen met frustratie richting de overheid. Dat is geen
makkelijke positie. Ik wil ze daar allereerst graag voor bedanken. Ik sluit me aan
bij de woorden van de eerdere sprekers.
Voorzitter. Het nieuwe boa-stelsel. Er worden een aantal goede stappen gezet om het
werk van de boa verder te professionaliseren. Ik lees in de brief dat het terugbrengen
van het aantal domeinen van zes naar twee onder andere zorgt voor meer duidelijkheid.
Ook de verbeterde toegang tot informatiesystemen juichen wij toe. We lezen bijvoorbeeld
dat de boa's toegang krijgen tot het rijbewijsregister en het kentekenregister. Dat
is een goede eerste stap. Dat geldt helaas nog niet voor de toegang tot onder andere
de strafrechtketendatabank. We lezen dat hier een verkenning over loopt, maar wat
is hier de status van, vraag ik de Minister. Als je verantwoordelijkheid draagt op
straat, moet je ook over de juiste informatie beschikken en daar gegrond naar kunnen
handelen. Gelukkig zetten we daar in ieder geval een eerste goede stap toe.
Voorzitter. Naast complimenten heb ik ook een aantal zorgen. Zo verschuift het directe
toezicht, van politie en OM naar de werkgevers zelf. Ik begrijp dat dit in de basis
voor zowel de politie als het OM praktisch kan zijn, maar tegelijkertijd krijgen boa's
in het nieuwe stelsel ook veel meer bevoegdheden. Juist daarom vind ik dat we scherp
mogen zijn op het toezicht. Zie ook de zorgen van de Nationale ombudsman hierover.
Voor zowel de boa als de burger moet helder zijn wie er controleert en waar je terechtkunt
als er echt iets misgaat. De Minister geeft in zijn brief aan dat de nadere uitwerking
plaatsvindt, maar misschien kan hij daar al iets over zeggen.
Voorzitter. Dan wil ik het hebben over nazorg. We weten dat het werk van de boa lichamelijk,
maar vaak ook emotioneel, zwaar kan zijn. Het geweld waarmee zij te maken krijgen,
is niet mals. Werkgevers worden ook nadrukkelijk verantwoordelijk voor de nazorg.
Ik denk dat dat in de basis een goede zet is. Daarin schuilt misschien wel het risico
dat de ene boa beter wordt beschermd dan de andere. Mijn vraag aan de Minister is
dan ook: hoe zorgen we ervoor dat alle boa's gelijke bescherming krijgen wanneer ze
die nodig hebben? Hoe wordt de kwaliteit daarvan geborgd? Zal de Minister daar vanaf
het eerste moment actief op toezien, bijvoorbeeld door werkgevers actief te vragen
naar hun opbouw van de nazorg? Ik lees nu namelijk vooral dat het initiatief wat betreft
verantwoording en monitoring op het gebied van nazorg vooral bij de werkgevers wordt
neergelegd. Kan dat initiatief ook bij de Minister zelf komen te liggen?
Voorzitter. Dan de Wet seksuele misdrijven. Mijn collega Van der Werf heeft hier eerder
verzocht om alle boa's handelingsbevoegd te maken onder die wet. We weten namelijk
uit de praktijk dat straatintimidatie veel voorkomt op plekken waar boa's een belangrijke
rol vervullen, zoals stations, uitgaansgebieden en drukke winkelstraten. De Minister
geeft in de stukken aan dat de evaluatie binnenkort verwacht wordt. Kan hij aangeven
wanneer deze komt en hoe snel hij verwacht dat boa's landelijk onder deze bevoegdheid
kunnen vallen?
Voorzitter, tot slot. In Noord-Holland loopt momenteel een pilot waarin politie en
boa's op meldkamerniveau nauw met elkaar samenwerken, onder meer via een aparte handhavingstafel.
Uit die pilot lezen we dat dat zorgt voor betere informatie-uitwisseling, meer gecoördineerde
aansturing en een effectieve inzet van zowel politie als handhaving. Hoe kijkt de
Minister naar deze pilot? Is hij eventueel bereid om te verkennen hoe de lessen hieruit
breder kunnen worden getrokken en landelijk kunnen worden ondersteund?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik ben blij dat mijn collega ook de straatintimidatie aanhaalt. Per 1 januari 2024
geldt de Wet seksuele misdrijven en is straatintimidatie strafbaar. Alleen blijkt
handhaving complex te zijn, omdat de boa's geen bevoegdheden hebben. Daarover hadden
wij inderdaad, in samenwerking met D66, een motie ingediend. Het duurt mij te lang.
Deelt mijn collega onze mening dat het allemaal te lang duurt, ook de pilots en de
evaluatie? Voordat het daadwerkelijk uitgerold wordt, leven we in 2027 en 2028. Vindt
mijn collega ook dat de Minister hier vaart mee moet maken en veel eerder naar de
Kamer moet komen om te regelen dat straatintimidatie in alle gemeenten door de boa's,
onder hun bevoegdheid, wordt opgepakt?
De heer Mathlouti (D66):
De behoefte aan snelheid is ook de achtergrond van mijn vraag. Tegelijkertijd kan
ik me voorstellen dat je dit zorgvuldig moet doen. Ik heb begrepen dat er een eerste
pilot is geweest met een klein aantal gemeenten, waarvan de bevindingen nog niet voldoende
waren om te zeggen: we gaan het breder uitrollen. Daar was een verdere proef voor
nodig. Ik ben heel erg benieuwd wanneer we daar de resultaten van krijgen. Hoe eerder
hoe beter, maar het moet ook zorgvuldig.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. We gaan door naar mevrouw Straatman. Zij spreekt namens
het CDA.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Boa's vervullen een cruciale rol in onze publieke ruimte.
Ze dragen bij aan de leefbaarheid, de veiligheid en het gezag van de overheid op straat.
Dat doen boa's in steeds moeilijkere omstandigheden, want ook voor hen, net als voor
veel hulpverleners en personen met een publieke taak, verhardt het werk: van geweldsuitbarstingen
op straat of in de trein tot confrontaties met drugscriminelen in de natuur. Het CDA
staat voor de veiligheid van boa's en alle personen met een publieke taak. Wij zullen
ons blijven inzetten om die veiligheid te verbeteren. Daarbij past ook een nieuw boa-stelsel.
Het CDA heeft daar nog wel een aantal vragen over.
Allereerst over de uitrusting. In het nieuwe stelsel is de werkgever aan zet om een
verzoek te doen tot toekenning van aanvullende uitrusting en geweldsmiddelen. De adviesrol
van de politie verdwijnt. Dat is geen kleine verandering, want dat vraagt veel van
werkgevers. Voor het CDA is het belangrijk dat de rechtsgelijkheid wordt geborgd.
Wij begrijpen dat er maatwerk nodig is voor de diverse taken van boa's, maar binnen
die diversiteit moeten gelijke gevallen ook gelijk uitgerust worden. Het kan namelijk
niet zo zijn dat een boa met een soortgelijk takenpakket in gemeente a wel een korte
wapenstok of pepperspray krijgt en in gemeente b niet, puur afhankelijk van de willekeurige
inschatting van verschillende werkgevers. Hoe borgt de Minister eenheid in diversiteit?
Meer specifiek over de uitrusting van groene boa's in de handhaving van stroperij.
De Minister schrijft dat inmiddels de kou uit de lucht zou zijn en dat bij alle provincies
duidelijk is dat aanwijzingen van boa's voor de handhaving zijn belegd bij de gedeputeerde
staten van provincies. Maar is dat wel zo? De provincies waarbij hierover onduidelijkheid
zou bestaan, zouden momenteel bezig zijn met aanwijzingsbesluiten. Kan de Minister
aangeven hoe het ervoor staat met die aanwijzingsbesluiten? Zijn die inmiddels in
alle provincies genomen? Zo nee, wat gaat de Minister dan doen voor de groene boa's
die nog met een bevoegdheidsvacuüm te maken hebben?
Voorzitter. Dan over het onafhankelijk toezicht. In het nieuwe stelsel verliezen politie
en OM hun directe toezichthoudende rol en krijgen werkgevers een primaire verantwoordelijkheid
in het toezicht. Tegelijkertijd schrijft de Minister dat het gebruik van geweldsmiddelen
altijd gebeurt onder het gezag van het Openbaar Ministerie. Hoe verhouden die twee
waarheden zich tot elkaar? Welke toezichthoudende rol van het OM blijft bestaan en
welke verdwijnt? Voor het CDA is het belangrijk dat in het nieuwe bestel de onafhankelijkheid
van het toezicht geborgd blijft. Hoe gaat de Minister dit inregelen als de primaire
toezichttaak bij de wetgever intern wordt ingeregeld?
Voorzitter. Dan de lastendruk voor werkgevers. Zij krijgen zwaardere verantwoordelijkheden
op het gebied van opleiding, permanente educatie, screening, nazorg en toezicht. Wat
betekent dit concreet voor kleine gemeenten en particuliere werkgevers? Hoe voorkomt
de Minister dat deze lastenverzwaring de inzet van boa's voor kleine gemeenten moeilijker
maakt?
Dan nazorg, waar ik zojuist al wat over zei. De Minister wijst in de beantwoording
van de schriftelijke vragen op de richtlijnen en de aanstelling van een veiligheidsadviseur.
Dit maakt nazorg nog steeds afhankelijk van de keuzes van de individuele werkgevers.
PTSS wordt voor boa's ook nog niet erkend als beroepsziekte. Het CDA heeft in de initiatiefnota
over PTSS het belang benadrukt van uniformiteit en een centraal meldpunt. Hoe gaat
de Minister deze uniformiteit inbedden in dit nieuwe stelsel?
Voorzitter, ik rond zo af, maar eerst nog iets over de informatiepositie. De Minister
zet goede stappen voor de verbetering van de informatiepositie voor boa's, maar legt
daarbij de focus op publieke boa's. Wat gaat de Minister doen om de informatievoorziening
voor private boa's, met name private groene boa's, te verbeteren? In dat kader heb
ik ook nog een vraag over de toegang van ov-boa's tot de strafrechtketendatabank – dat
is een hele mond vol. Mijn collega's van IenW horen telkens dat dat nog niet lukt
omdat het vastloopt bij JenV. Klopt dat? Kan de Minister dat verder toelichten?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Straatman. Dan gaan we naar de bijdrage van mevrouw Faber namens
de PVV.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Het werk van de boa en de politie liggen in elkaars verlengde.
Waarom zouden we de boa dan niet opnemen in de politieorganisatie? Volgens de Minister
is hier geen draagvlak voor. De politie zou onder andere niet over voldoende financiën
beschikken. Maar bij overdracht van de boa kan dat toch samen met de bijbehorende
middelen? Hoezo is er een risico dat de lokale verankering dan minder zou worden?
De politie is toch ook gecentraliseerd? Insinueert de Minister dat de politie niet
lokaal betrokken is?
In plaats van tot centralisering gaat de Minister over tot decentralisering. Het stelsel
wordt hervormd naar een gelaagd model, waarin de rol van de werkgever groter wordt.
Het toezicht verschuift van politie en OM naar de werkgever, die de grote verantwoordelijkheid
van de verstrekking van geweldsmiddelen krijgt. De werkgever kan de Minister vragen
om geweldsmiddelen toe te kennen. De werkgevers zijn primair verantwoordelijk voor
het juiste gebruik daarvan. Staat de werkgever sterk genoeg in zijn schoenen om de
geweldsmiddelen daadwerkelijk in te zetten? De kans is groot dat werkgevers worden
bedolven onder een klachtenregen, daar zij ook een laagdrempelige klachtenprocedure
dienen op te tuigen. Daarbij komt nog dat het daadwerkelijke gebruik van deze bevoegdheid
geschiedt onder het gezag en de verantwoordelijkheid van het OM. Zo veel verschillende
partijen werkt het verschuilen achter elkaar in de hand. Hoeveel grip houdt de Minister
hier nog op? Kortom, een groot deel van de verantwoordelijkheid en de kosten worden
belegd bij de werkgevers. Dit zal bijvoorbeeld de prijs voor een treinkaartje nog
verder opdrijven. Dit komt in feite door een falende overheid.
Voorzitter. Het trainen en toetsen van boa's valt officieel onder de verantwoordelijkheid
van hun werkgevers. Echter, veel werkgevers hebben dit uitbesteed aan de Politieacademie,
die de hercertificering wil afbouwen, waardoor de boa's hun bevoegdheid dreigen te
verliezen. De Politieacademie zou een inhaalslag organiseren. Wat is de status hiervan?
Waarom laten we de BOA Academie de hercertificering niet overnemen van de Politieacademie?
Weliswaar kunnen werkgevers eigen gecertificeerde toetsers inzetten, maar dan moeten
toetsers wel in vaste dienst zijn bij de werkgever en dat is niet altijd het geval.
Is het een idee om de hertoetsing eenmaal in de twee jaar plaats te laten vinden in
plaats van ieder jaar? Graag een reactie van de Minister.
Voorzitter. Groene boa's struinen tijdens nacht en ontij door de bossen en lopen regelmatig
tegen illegale stropers aan, dikwijls met een jachtgeweer. Daarom is de groene boa
uitgerust met een vuurwapen. Nu is er nogal wat gesteggel over dit wapen. Het is «use
it or lose it». Het oordeel kan zijn: als er niet voldoende incidenten zijn, heb je
het kennelijk niet nodig. Terwijl zelfs de rechter stelt dat het, als je belast bent
met de handhaving van onder andere wildstroperij, aannemelijk is dat je met een vuurwapen
geconfronteerd kan worden. De Minister geeft aan het beleid dusdanig aan te passen
dat niet het aantal processen-verbaal, maar de rol en taak van de boa leidend zullen
zijn in de afweging voor het toekennen van geweldsmiddelen, maar wanneer laat de Minister
dit eindelijk in werking treden?
Voorzitter. Op basis van de Omgevingswet ligt de toekenning van het vuurwapen bij
de gedeputeerde staten. Dat is eigenlijk wel vreemd, want de provincie kan alleen
bestuurlijk handhaven en de boa's handhaven strafrechtelijk. Stroperij is een economisch
delict, dat onder het strafrecht valt. Dat is dus een hele vreemde constructie. De
ene provincie kent het wapen wel toe en de andere weer niet, met als gevolg dat stropers
zich verplaatsen naar het gebied met de minste pakkans. Waarom wordt dit niet landelijk
geregeld? Is het IPO al in actie gekomen, zoals afgesproken? Graag hoor ik over de
status hiervan.
Voorzitter. Zoals de Minister al eerder aangaf, is het huidige boa-stelsel complex.
Het geweldsmonopolie ligt primair bij de Staat. Nu wordt het versnipperd in diverse
lagen. Dit is het tegenovergestelde van de wens van de Kamer. Is de Minister bereid
om bij nader inzien toch over te gaan tot centralisatie?
Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Faber. U bent ook mooi binnen de tijd gebleven. Dan gaan we over
naar mevrouw Coenradie van JA21.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter. Boa's spelen een steeds belangrijkere rol in de handhaving van regels
in onze publieke ruimte, of dat nu is in het openbaar vervoer, natuurgebieden of onze
steden en dorpen. Daarom is het goed dat we vandaag spreken over de toekomst van het
boa-stelsel. Als we meer van boa's vragen, moeten we ook eerlijk kijken naar de randvoorwaarden
waaronder zij hun werk doen.
Laat ik beginnen bij het openbaar vervoer. Uit cijfers van vervoerders blijkt dat
agressie en geweld tegen medewerkers een hardnekkig probleem blijft. De NS registreerde
in 2024 meer dan 1.000 incidenten met agressie tegen het personeel, waarbij in honderden
gevallen zelfs sprake was van fysiek geweld en letsel. Juist medewerkers met een handhavende
taak, zoals ov-boa's, krijgen hier relatief vaak mee te maken. Tegelijkertijd horen
wij vanuit OV-NL dat er in de praktijk wel degelijk sprake is van een verschuiving
van taken richting vervoerders, bijvoorbeeld bij arrestantenvervoer en aanvullende
toezichts- en verantwoordingsverplichtingen. De Minister stelt dat daarvan geen sprake
is. Kan de Minister reflecteren op dit verschil in beeldvorming? Is hij bereid om
hierover met de sector in gesprek te gaan, zodat duidelijkheid ontstaat over verwachtingen
en verantwoordelijkheden?
Dan de samenwerking tussen de politie en de ov-boa's. In de beantwoording lezen we
dat afspraken over aanhouding en verdere afhandeling op stations iets is tussen de
lokale gezagen, de politie en de boa-werkgever. Tegelijk schrijft de Minister dat
voor een organisatie als de NS samenwerkingsafspraken juist zo veel mogelijk landelijk
moeten worden ingevuld. Dat laatste lijkt mij logisch, maar wat wordt het nou precies?
Moet een landelijke vervoerder straks langs ieder lokaal gezag om afspraken te maken
over arrestaties op stations of gaan we toe naar uniforme, landelijke afspraken?
Daarnaast zien we in de praktijk verschillen in de samenwerking tussen politie en
ov-boa's, mede door uiteenlopende concessie-eisen van regionale overheden. Dat kan
leiden tot onduidelijkheid over taken en verantwoordelijkheden. Is de Minister bereid
te bezien of er meer landelijke afspraken nodig zijn om meer uniformiteit te creëren?
Voorzitter. Wij steunen het verzoek om ov-boa's onder passende waarborgen toegang
te geven tot de Basis Voorziening Vreemdelingen, de strafrechtketendatabank en het
rijbewijsregister. In de praktijk komen handhavers regelmatig situaties tegen waarin
de identiteit van personen niet direct kan worden vastgesteld. Toegang tot deze registers
kan bijdragen aan snellere en effectievere handhaving. Is de Minister bereid dit met
prioriteit te regelen?
Voorzitter. In de stukken lezen we ook dat veel zaken lokaal geregeld moeten worden,
terwijl boa's zich bij gewelds- of hoogrisicosituaties moeten terugtrekken. Dat klinkt
logisch op papier, maar in de praktijk kan dat ingewikkelder zijn, bijvoorbeeld in
buitengebieden, waar politieondersteuning langer op zich laat wachten. Deelt de Minister
de zorg dat boa's hierdoor soms in situaties terechtkomen waarin terugtrekken niet
altijd eenvoudig is? Hoe gaan we daar verantwoord mee om?
Tot slot de randvoorwaarden voor boa's zelf. Wij horen nog altijd zorgwekkende signalen
dat door capaciteitsproblemen bij de Politieacademie niet alle boa's met geweldsmiddelen
tijdig kunnen worden getoetst. Daarbij horen we dat politiepersoneel vaak voorrang
krijgt bij toetsing, waardoor boa's langer moeten wachten. Hoe staat het met de werkgroep
die een inhaalslag moest organiseren? In het licht van arbeidskracht wil ik de Minister
ook vragen om te kijken naar de frequentie van toetsing. Zou het niet verstandig zijn
om dit bijvoorbeeld eens per twee jaar te doen in plaats van jaarlijks, zodat operationele
capaciteit behouden blijft? De vakbond heeft voorgesteld om te kijken naar een aparte
boa-academie voor toetsing, onder toezicht van het ministerie. Hoe kijkt de Minister
naar dat voorstel?
Tot slot de her- en bijscholing. Boa's in verschillende disciplines doen heel ander
werk, van ov-handhaving tot natuurtoezicht. Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat
her- en bijscholing meer kunnen worden toegesneden op de specifieke functie van een
boa?
Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Coenradie. Dan gaan we over naar mevrouw Lammers van Groep Markuszower.
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Dank u wel, voorzitter. Boa's staan dagelijks in de frontlinie, in het openbaar vervoer,
op straat en in wijken waar agressie en intimidatie steeds normaler lijken te worden.
De cijfers liegen er dan ook niet om. Het werd net al even genoemd: alleen al de NS
meldde in 2024 al meer dan 1.000 ernstige agressie-incidenten tegen medewerkers, waarvan
336 gevallen van lichamelijk geweld en 338 letselgevallen. Dit is de realiteit waarin
onze boa's moeten werken. Daar moet hard tegen worden opgetreden. Sinds 23 februari
loopt er bij de NS een pilot waarin 75 NS-boa's worden opgeleid om een korte wapenstok
te dragen. Die wapenstok is keihard nodig voor alle boa's. Daarom wil mijn fractie
dat deze pilot zo snel mogelijk wordt afgerond en dat de korte wapenstok landelijk
beschikbaar komt voor alle boa's.
Daarnaast hoor ik uit het veld een ander knelpunt. Boa's werken nog steeds met versnipperde
registratiesystemen. Daardoor weten collega's vaak niet wat er speelt. Geef boa's
één landelijk systeem waarin incidenten direct kunnen worden geregistreerd en gedeeld,
zodat sneller kan worden opgetreden. Kan de Minister hierop reageren?
Voorzitter. Dan een ander belangrijk punt voor onze fractie. Politie en boa's dienen
in beginsel neutraal over straat te gaan. Daar is een Kamermeerderheid voor. Ik wil
hier wel een kanttekening bij plaatsen. We moeten niet vergeten waar we vandaan komen.
We waren altijd een christelijk land en wat onze fractie betreft moet Nederland haar
joods-christelijke normen en waarden verdedigen. Laten we dus niet alle religies over
één kam scheren. Joden en christenen leggen hun religie niet op aan anderen. Bij de
islam zien we dit echter voortdurend, net als afgelopen maandag bij de iftarschorsing.
De discussie over neutraliteit gaat dan ook over de opdringerigheid van de islam.
Daarom wil Groep Markuszower wel een verbod op religieuze uitingen bij boa's, maar
moet er wat ons betreft daarna wel worden nagedacht over coulance voor joods-christelijke
symbolen.
Het vorige kabinet wilde het verbod op religieuze uitingen via een AMvB regelen. De
Raad van State was kritisch, maar het kan en het mag, en het is vooral de snelste
route. Mijn vraag is dus ...
De voorzitter:
Mevrouw Lammers, er is een interruptie. Stelt u uw vraag en daarna krijgt u een interruptie
van mevrouw Straatman.
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Dus mijn vraag is: waar blijft het verbod en voor welke datum gaat de Minister dit
regelen?
Mevrouw Straatman (CDA):
Volgens mij staat in onze Grondwet dat iedereen gelijk is. Volgens mij staat er ook
vrijheid van godsdienst in. Dus mijn oprechte vraag aan mevrouw Lammers is als volgt.
Óf u bent voor een verbod op religieuze uitingen – daar kan ik me heel veel goede
argumenten bij voorstellen – of u bent daartegen. Kunt u uitleggen hoe u binnen de
kaders van onze Grondwet mensen met een islamitische achtergrond wilt verbieden om
een hoofddoek te dragen, maar coulance wilt betrachten voor anderen?
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Zoals ik net heb benoemd, is onze fractie van mening dat Nederland gebaseerd is op
joods-christelijke normen en waarden. Die willen wij behouden. Daarom vinden wij dat
er daarvoor coulance moet zijn.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik leid hieruit af dat u dus voor een grondwetswijziging bent wat betreft de vrijheid
van godsdienst, want dat is de enige manier waarop u dit zou kunnen inregelen. Ik
denk overigens dat dat ook niet kan, maar laten we dat dan ook wel helder hebben.
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Ik hoor niet echt een vraag.
De voorzitter:
Oké, u gaat daar zelf over. Mevrouw Lammers, zou u even uw microfoon willen uitzetten?
Er is namelijk een interruptie van mevrouw Martens-America.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik wil dat verbod ook. Daarom ben ik zelf begonnen met het schrijven van een wet.
Daar had mevrouw Lammers zelf ook voor kunnen kiezen in plaats van voor het wijzen
naar anderen. Ik wil eigenlijk wel voortborduren op de vraag die net gesteld is. Hoe
zou u dat doen?
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Daar zijn allerlei manieren voor. Je kan bijvoorbeeld zeggen dat je daar niet op gaat
handhaven. Als iemand een klein kruisje wil dragen, zou je kunnen zeggen: we handhaven
daar niet op.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik heb geen antwoord gehad op de vraag. Nogmaals, wij vinden volgens mij allebei dat
er een verbod moet komen op religieuze uitingen, maar mevrouw Lammers roept zaken
die wettelijk gezien niet mogelijk zijn, ook niet middels een wijziging. Ik ben zelf
wel een beetje van de tak die vindt dat als je hier hele grote stoere praat hebt,
je het zelf moet regelen of in ieder geval één, twee of drie opties moet noemen voor
hoe je dit wilt regelen. Laten we hier nou niet een wedstrijd doen wie het strengste
is. Ik ga die wet zelf schrijven. Ik neem aan dat mevrouw Lammers daar dan straks
voor stemt. Oké, laat ik het dan makkelijk maken. Als dat voorligt, welke wet zou
u dan willen aanpassen, middels een amendement of weet ik veel, om wat u hier roept
daadwerkelijk te realiseren?
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Dat hoeft niet per se via een wet of een amendement. Je kan ook gewoon afspreken dat
als iemand een klein kruisje draagt, je daar niet op gaat handhaven.
De voorzitter:
Dan zag ik nog een interruptie van de heer Mathlouti.
De heer Mathlouti (D66):
Mevrouw Lammers had het over de joods-christelijke waarden. Kan zij duiden wat die
waarden dan precies zijn?
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Ik denk dat die in de Grondwet staan.
De heer El Abassi (DENK):
Dat is heel vreemd. Mevrouw Lammers, die zelf de Grondwet wil wijzigen, verwijst nu
naar de Grondwet. Mevrouw Lammers is in ieder geval eerlijk, maar volgens mij is wel
heel duidelijk dat mevrouw Lammers op dit moment discrimineert. Ze zegt namelijk:
de ene religieuze uiting wel en de andere niet. Ze gaat zelfs zo ver dat ze de Grondwet
wil wijzigingen. Dit is precies het voorbeeld dat ik hier eigenlijk wil benoemen,
namelijk: gaat het nou om uiterlijke kenmerken, zoals een vrouw met een hoofddoek
die niet discrimineert? En mag mijn collega mevrouw Lammers, die hier gewoon in de
Kamer aan het discrimineren is, straks wel bij de boa's werken? Mijn vraag aan mevrouw
Lammers is: vindt zij dit terecht?
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Ja, volgens mij is het geen discriminatie. Zoals ik net ook al een aantal keren heb
gezegd, is onze fractie van mening dat de joods-christelijke normen beschermd moeten
worden. De islam staat haaks op die joods-christelijke normen. Daarom vinden wij dus
dat er neutraliteit moet zijn, maar dat er wel coulance moet zijn voor bijvoorbeeld
het dragen van een kruisje.
Mevrouw Faber (PVV):
De inhoudelijke discussie laat ik even voor wat die is, maar wat ik wel zorgelijk
vind, is dat hier een volksvertegenwoordiger aanwezig is die zegt: dan gaan we niet
handhaven. Dan heeft mevrouw Lammers het over het niet handhaven van de wet. Dat vind
ik toch wel een zorgelijke uiting, want dan zet je dus wel de democratische rechtsstaat
op de helling. Hoe ziet mevrouw Lammers dat? Is ze het ermee eens dat ze op deze manier
in feite de wet aan haar laars lapt? Als we toch niet gaan handhaven, kunnen we de
wetten wel overboord gooien. Dit kan toch gewoon niet als Tweede Kamerlid?
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Nee hoor. Nee, ik bedoel alleen te zeggen dat op het moment dat er iemand is die een
klein kruisje wil dragen dat half onder haar kleding valt of iets dergelijks, wij
daar geen halszaak van moeten maken.
De voorzitter:
Oké. Vervolgt u uw betoog.
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Hoe gaat de Minister optreden tegen gemeentebestuurders zoals burgemeester Halsema
in Amsterdam, die al heeft gezegd dat zij weigert om het verbod uit te voeren?
Ten slotte, voorzitter. Het kabinet noemt bodycams als onderdeel van een meer gestandaardiseerde
uitrusting. Vorige jaar is er bij de NS een pilot geweest met bodycams. Nu hoorden
we in het rondetafelgesprek van afgelopen woensdag dat er opnieuw een pilot komt voor
het opspelden van die bodycams. Dat is tamelijk bizar, want die pilot is er al geweest.
Kan de Minister uitleggen waar we nu eigenlijk mee bezig zijn? Wat is er dan überhaupt
gedaan bij die pilot vorig jaar? Kan de Minister garanderen dat die bodycams zo snel
mogelijk beschikbaar komen? Graag een reactie daarop.
Daarnaast wil ik nog zeggen: veel respect en waardering voor onze boa's. Zij verdienen
alle middelen en steun van ons om hun taak goed te kunnen uitvoeren. Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. We gaan naar de bijdrage van de voorlaatste spreker,
de heer El Abassi, namens DENK.
De heer El Abassi (DENK):
Voorzitter, dank. Ondanks dat mijn maag redelijk leeg is op dit moment, ben ik misselijk
geworden van een aantal woorden die hier in de Kamer helaas gebezigd worden. Joods-christelijke
normen wel, islam niet, een keppeltje wel, een hoofddoek niet: ik kan niet anders
constateren dan dat dat keiharde discriminatie is in dit huis. De mensen die dit soort
uitingen doen, zouden verboden moeten worden bij de boa's, niet de onschuldige vrouwen
met een hoofddoek.
Terwijl we hier spreken over hoe we Nederland veiliger kunnen maken, hoe we boa's
beter kunnen ondersteunen en hoe we het personeelstekort in de handhaving kunnen aanpakken,
besteden partijen tijd aan de discussie over kleding. Eerlijk gezegd vind ik dat een
zeer vreemde prioriteit. We hebben in veel gemeenten een tekort aan boa's. Gemeenten
zoeken naar mensen die dit belangrijke werk willen doen. In sommige wijken helpt het
juist als handhavers een afspiegeling zijn van de samenleving en herkenbaar zijn voor
de mensen die ze aanspreken. Dan is het toch minstens opmerkelijk dat wij tegelijkertijd
nadenken over regels die deze mensen juist uitsluiten.
De voorzitter:
U heeft een interruptie van mevrouw Martens-America.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Nog los van de woorden van de heer El Abassi, zijn wij hier natuurlijk ook om fundamentele,
principiële discussies te vormen, bijvoorbeeld als het gaat om de definitie van een
«neutraal uniform». Maar als we het hebben over «randzaken», «niet urgent» of «niet
groots», waar de heer El Abassi op doelt als het gaat over welke kledingvoorschriften
van belang zijn voor boa's, hoe duidt hij zelf dan de show die zij afgelopen weken
zelf hebben opgevoerd rondom de schorsing voor de iftar?
De heer El Abassi (DENK):
Als ik terugdenk aan de gebeurtenissen rondom de iftar ... Dat is een totaal ander
onderwerp, maar ik ga de vraag wel beantwoorden, voorzitter – met liefde, zelfs. Als
ik erop terugkijk hoe mijn collega heel vriendelijk, volgens het proces, via de voorzitter,
niet vroeg om een nieuwe pauze in te lassen, niks ten koste van extra tijd, maar gewoon
de vraag heeft gesteld of de schorsing een kwartier eerder kon uit collegialiteit,
zodat hij kon eten, dus een kwartier eerder in plaats van een kwartier later ... Dan
moet de VVD, en zeker ook een aantal andere partijen, echt in de spiegel kijken waarom
ze hier zo'n drama van maken. Een kwartier eerder schorsen. We zijn daardoor niet
een kwartier later klaar. Het is uit collegialiteit. Bovendien hebben partijen er
niks over gezegd, en maken ze er achteraf een hele heisa van. Ik vind het verschrikkelijk
en schandalig dat dit gebeurt in dit huis.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik wil de leden er wel op wijzen dat dit niet is waar dit debat over gaat.
Ik wil de leden dan ook verzoeken om het bij de interrupties te houden bij de boa's,
want zij verdienen de aandacht die ze verdienen. We gaan dus geen zijsporen nemen,
maar ik wilde de heer El Abassi wel de gelegenheid geven om hierop te reageren. Gaat
u verder.
De heer El Abassi (DENK):
Dank dat u mij daartoe de gelegenheid heeft geboden.
Het is toch opmerkelijk dat we tegelijkertijd nadenken over regels die deze mensen
juist uitsluiten. Het debat wordt vaak gevoerd over de neutraliteit van het uniform,
maar neutraliteit zit niet in een kledingstuk. Neutraliteit zit in gedrag, in professionaliteit
en in de manier waarop iemand de functie uitoefent. Een boa zonder hoofddoek die zich
niet neutraal gedraagt, mag blijkbaar wel werken, maar een vrouw met een hoofddoek
die haar werk volledig professioneel en onpartijdig doet, zou dat niet mogen. Dat
is totaal niet uit te leggen.
Als we deze redenering doortrekken, waar stopt het dan? Moeten we dan ook zeggen dat
een scheidsrechter niet neutraal kan zijn met een hoofddoek, of een docent, of een
arts in een ziekenhuis, of agenten in landen zoals het Verenigd Koninkrijk of Canada?
In al die beroepen verwachten we professionaliteit en onpartijdigheid, en daarbij
worden mensen beoordeeld op hun gedrag, niet op hun uiterlijk. Wij vinden dat we moeten
focussen op wat echt telt, namelijk goede handhaving, voldoende personeel en vertrouwen
tussen burgers en overheid en niet op het uitsluiten van vrouwen met een hoofddoek.
Voorzitter. Mijn moeder draagt een hoofddoek. Mijn zussen dragen een hoofddoek. Ik
heb nichten die een hoofddoek dragen. Heel veel vrouwen die ik ken, dragen een hoofddoek.
Het zijn vrouwen die werken, studeren, zorgen voor hun familie en zich dagelijks inzetten
voor de samenleving. We hebben hier in dit huis zelfs collega's met een hoofddoek.
Daarom zeg ik dit heel, heel duidelijk: ik pik het van niemand dat vrouwen met hoofddoek
worden weggezet of geframed als «minder neutraal». Neutraliteit zit niet in een kledingstuk.
Neutraliteit zit in gedrag, in professionaliteit en in hoe iemand zijn functie uitvoert.
Deze vrouwen handelen neutraler en rechtvaardiger dan menig politicus in deze zaal.
Ze verdienen respect en gelijke kansen, geen uitsluiting en framing.
Voorzitter. Dan toch over de boa's. We zien een ontwikkeling die DENK grote zorgen
baart. Binnen het boa-stelsel wordt steeds vaker gesproken over de uitbreiding van
bevoegdheden en zelfs over extra bewapening. Dat lijkt misschien een praktische oplossing,
maar we moeten ons realiseren wat hier eigenlijk gebeurt. Stap voor stap schuiven
we het geweldsmonopolie steeds verder op. Laat één ding duidelijk zijn: boa's doen
belangrijk werk en krijgen helaas soms ook te maken met agressie. Zij verdienen bescherming
en ondersteuning. Maar de oplossing kan toch niet zijn dat we steeds meer geweldsmiddelen
de straat op sturen? De Wetenschappelijke Adviesraad Politie heeft hier juist nadrukkelijk
voor gewaarschuwd. In haar advies stelt de raad dat geweldsbevoegdheden alleen mogen
worden uitgebreid wanneer dat echt noodzakelijk is, en dat het geweldsmonopolie in
de kern bij de politie hoort te liggen.
Voorzitter, ik kort het een stuk in. Wat mij betreft is de vraag: wie draagt straks
de politieke verantwoordelijkheid? Neemt de Minister het advies van de Wetenschappelijke
Adviesraad Politie serieus of kiest hij voor een koers vanuit de onderbuik, waarbij
steeds meer handhavers worden bewapend en het geweldsmonopolie langzaam maar zeker
verwatert?
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer El Abassi. Er is een interruptie van mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik wil toch nog even op die hoofddoek terugkomen. Meneer El Abassi geeft aan dat neutraliteit
gaat om gedrag. Maar het dragen van een hoofddoek ís gedrag. Dat valt daar gewoon
onder. Het is gewoon lariekoek. Hij kan wel zeggen: ik pik het allemaal van niemand.
Nou, ik zal u één ding zeggen, zeg ik via de voorzitter: ik pik het nooit dat Nederland
geïslamiseerd wordt, en zeker niet door partijen als de uwe.
De voorzitter:
Ik geef de heer El Abassi de gelegenheid om te reageren, maar dit is geen islamdebat;
dit is een debat over het boa-stelsel.
De heer El Abassi (DENK):
Mijn collega naast mij vindt het dragen van een keppeltje geen gedrag en vindt het
dragen van een kruisje kennelijk ook geen gedrag. Zo zie je dat daar in dit huis onderscheid
in wordt gemaakt. Als mevrouw Faber het heeft over gedrag, dan zou ik mevrouw Faber
willen vragen wat zij van écht gedrag vindt. Wat vindt zij ervan als er personen zijn
in dit huis die vinden dat er meer of minder Joden moeten zijn, die vinden dat er
meer of minder Marokkanen moeten zijn? Ik zou de PVV willen aangeven: kijk in de spiegel.
Volgens mij is de persoon die de PVV dan in de spiegel ziet juist de persoon die niet
aangenomen mag worden als boa. Doe dat, in plaats van wijzen naar vrouwen met een
hoofddoek die helemaal niks verkeerd gedaan hebben, mevrouw Faber, zou ik willen zeggen
via de voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat doen we. Mevrouw Faber had ook geen interrupties meer. U bent erdoorheen.
Mevrouw Faber, u mag via de microfoon praten. Als u een persoonlijk feit wil maken,
kan dat altijd.
Mevrouw Faber (PVV):
Dit is een persoonlijk feit, maar ach, ik laat meneer El Abassi maar in zijn wereld.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Coenradie heeft nog een interruptie op de heer El Abassi.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ja, een interruptie, of misschien wel een punt van orde. Weet je, u gaf het als voorzitter
net ook aan. De boa's verwachten, denk ik, echt een boa-debat. Zo stond het overigens
ook in mijn agenda. Er wordt hier een punt aangehaald door de VVD, want het gaat hier
natuurlijk ook over de neutraliteit van de boa, maar als we niet uitkijken, hebben
we hier opeens een islamdebat. Daar heb ik wel moeite mee, dus ik zou toch even via
de voorzitter richting de commissieleden willen zeggen: laten we dat pad nou niet
opgaan. Ik vind dat echt niet oké. Laten we het hier nou echt hebben over de boa,
de inzet, het stelsel et cetera, gewoon alles wat hier in de convocatie staat.
De voorzitter:
Mevrouw Coenradie, dank u wel. Ik ben het daarmee eens. Daarom gaf ik het net ook
aan. Als er vragen worden gesteld, wil ik leden wel zo veel mogelijk de ruimte geven
voor een debat, maar ik ben het met u eens. Het gaat hier over het boa-stelsel. Een
onderdeel daarvan is de uniformen en de neutraliteit. Wat dat betreft is het ook prima
om daar vragen over te stellen, maar we gaan dit debat niet alle kanten op laten schieten.
Dat doet geen recht aan de boa's in Nederland en ook niet aan de mensen die hiernaartoe
zijn gekomen om dit debat te volgen. Laten we het gewoon echt bij het onderwerp houden.
Meneer El Abassi, u heeft geen interrupties meer, maar u mag altijd een persoonlijk
feit maken. Maar ik zou zeggen: laten we gewoon teruggaan naar de orde van dit debat.
Dat gezegd hebbende wil ik het voorzitterschap overgeven aan de nestor van deze commissie,
mevrouw Mutluer, zodat ik mijn eigen inbreng in dit debat ook kan doen.
Voorzitter: Mutluer
De voorzitter:
Gelukkig hoef ik niet zo veel te doen, behalve mevrouw Van der Plas het woord geven
voor haar eerste termijn.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Elke dag worden in Nederland conducteurs en boa's in het openbaar
vervoer mishandeld, bespuugd, beledigd en uitgescholden. Elke dag. Het wordt hoog
tijd dat we nu eindelijk eens een keer – wij, hier, in de Kamer – gaan opstaan en
deze mensen daadwerkelijk gaan helpen. Zij missen onze rugdekking. Tijdens een recent
bezoek aan de NS, met conducteurs en medewerkers van de afdeling veiligheid en service,
liet een van hen mij een filmpje zien van een volledig doorgesnoven man die haar bedreigde.
Dat staat letterlijk op beeld. Er waren getuigen. En wat zei het Openbaar Ministerie?
«Deze aangifte gaan we seponeren, want er is onvoldoende bewijs.» Gelukkig startte
zij een artikel 12-procedure en kreeg ze een jaar later toch haar gelijk. Gisteren
tijdens het rondetafelgesprek over veiligheid in het openbaar vervoer hoorden we soortgelijke
verhalen. Conducteurs, boa's: ze vragen niet veel van ons. Ze willen maar een ding:
rugdekking, van hun leiding en van ons. Ik hoor regelmatig dat het OM aangiftes van
boa's en conducteurs seponeert. Kan de Minister de Kamer een overzicht geven van de
zaken die de laatste vijf jaar zijn geseponeerd, en waarom? Kan hij ook aangeven hoeveel
aangiftes tot een veroordeling hebben geleid? Ik ontvang graag een overzicht op alle
boa-domeinen.
Voorzitter. Er zijn landelijke afspraken gemaakt over een stevige aanpak van geweld
tegen mensen met een publieke taak, de Eenduidige Landelijke Afspraken. Ik vraag me
af hoe het met de uitwerking daarvan staat. Er zou dit voorjaar een evaluatie komen.
Wanneer krijgen we die? Kan de Minister nu al wat delen uit die evaluatie?
Voorzitter. Ik heb diep respect voor boa's en conducteurs die zwaar mishandeld worden,
maar al snel hun werk in de bus, de trein, op straat of in het bos of buitengebied
weer oppakken, maar van respect eet je geen brood; dat snap ik ook. In deze Kamer
zijn meerdere moties aangenomen om er daadwerkelijk iets aan te doen, onder andere
een motie van BBB en VVD voor minimumstraffen bij geweld tegen hulpverleners. Dat
is dus ook geweld tegen boa's. Daarom vraag ik de Minister: hoe staat het met de uitvoering
van die motie?
Dan ga ik naar de toegang tot de informatie. Boa's smeken al jaren om toegang tot
systemen om te checken of iemands identiteit wel klopt. Boa's mogen naar iemands ID-bewijs
vragen en mensen bekeuren of in de boeien slaan. Ze mogen echter niet in de bestaande
systemen checken of de identiteit wel klopt en of iemand al eerder in de fout is gegaan.
Identiteitsvaststelling is nodig voor een effectief lik-op-stukbeleid, dossieropbouw
en een persoonsgerichte aanpak vanuit de overheid. Dat is nog steeds niet goed geregeld.
Vaak moeten boa's lang wachten totdat de politie er is, die de identiteitscheck wél
mag doen. Dit lange wachten leidt vaak tot escalatie en geweld tegen de boa. De algemene
maatregel van bestuur, de AMvB, die het rijbewijzenregister beschikbaar maakt voor
boa's is weliswaar een goede stap, maar niet de heilige graal. De personen waar boa's
mee te maken krijgen, hebben in veel gevallen namelijk helemaal geen rijbewijs. Waarom
is de toegang tot de strafrechtketendatabank, de SKDB, en het vreemdelingenregister
er nog steeds niet? Is het misschien mogelijk om een pasfoto aan de databank van de
Gemeentelijke Basisadministratie te koppelen? Wie houdt dit steeds tegen?
«Het kan wél!», roept de Minister-President ons steeds toe. Ik zou dus zeggen: eindelijk
een keer aan de slag ermee. Wat kan er wel voor een landelijke uitrol van samenwerking
tussen ov-boa's en het Real Time Intelligence Center, het RTIC, van de politie? Het
is van belang om in één systeem persoonsgegevens te registreren of uit te wisselen
tussen politie en boa. Nu doet iedereen dat in een eigen systeem. Geef alsjeblieft
nou eindelijk eens toegang tot systemen waarmee een ov-boa persoonsgegevens kan vaststellen.
Dan hoeft de politie er ook niet meer bij te komen. Dat ontlast ook hun werk en vermindert
agressie. Kan de Minister toezeggen dat dit wordt geregeld voor boa's? Zo ja, wanneer
is het eindelijk zover?
Tot slot, voorzitter. Heel kort. Er is veel gezegd over de groene boa's. Ik sluit
mij helemaal aan bij de vragen die hierover gesteld zijn. De groene boa's beschermen
onze buitengebieden en worden geconfronteerd met georganiseerde criminaliteit. Er
is een groot tekort. Ik wil de Minister vragen of hij bereid is om samen met de provincies
om tafel te gaan om te zorgen voor structurele financiering en voldoende capaciteit
voor de groene boa's.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik geef het voorzitterschap weer terug aan mevrouw Van der Plas.
Voorzitter: Van der Plas
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de Kamer.
We gaan straks verder met de beantwoording door de Minister. Hoeveel tijd heeft u
nodig? 25 minuten, hoor ik. Dan zijn we hier om 15.30 uur dus weer terug. Dank u wel
alvast. Tot straks, zeg ik tegen de mensen op de tribune.
De vergadering wordt van 15.06 uur tot 15.28 uur geschorst.
De voorzitter:
Beter luisteren naar de voorzitter, wordt hier gezegd. Dat vind ik een heel goed plan.
We zijn weer terug, na een korte schorsing na de eerste termijn van de Kamer, waarin
de leden hun inbreng hebben geleverd en hun vragen hebben gesteld. Ik wil de Minister
graag het woord geven om de vragen te beantwoorden. Kunt u aangeven of u blokjes heeft
en zo ja, welke blokjes dat dan zijn?
Minister Van Weel:
Zeker heb ik blokjes, voorzitter. Na een korte inleidende tekst heb ik een blokje
over de neutrale uitstraling van het uniform. Laten we daarmee beginnen. Dan heb ik
een blokje over de informatiepositie en de registers, daarna het ov, dan de geweldsmiddelen
en vervolgens de verantwoordelijkheden van werkgevers en het toezicht. Ik eindig met
andere belangrijke zaken. Dat zijn de kopjes.
Dan begin ik nu, met uw welnemen, met mijn inleidende tekst.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de leden. Ik wil voorstellen dat de Minister een blokje met vragen
afrondt en dat we daarna de interrupties doen, voor de soepelheid van het debat. Dan
geef ik de Minister het woord.
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. Ik ben blij dat we vandaag met elkaar van gedachten wisselen over
de boa. Allereerst zeg ik vriendelijk gedag tegen alle boa's die in het publiek zitten,
maar via de camera ook tegen alle boa's die het debat op afstand volgen, en ook tegen
degenen die het debat niet volgen. Dat begrijp ik hartstikke goed, want die zijn waarschijnlijk
bezig met hun heel belangrijke werk, maar ook hun wens ik het allerbeste.
De boa heeft een onmisbare en belangrijke rol in het leefbaar en veilig houden van
onze wijken, het openbaar vervoer en onze natuurgebieden. Zij zijn onze oren en ogen
bij het handhaven van de kleine norm en specialistische wet- en regelgeving. Het huidige
boa-stelsel bestaat nu ongeveer vijftien jaar. In die vijftien jaar is de boa-functie
verder geprofessionaliseerd en zijn er steeds meer taken en bevoegdheden bij gekomen.
Ook onze samenleving en de vraag naar veiligheid zijn in die vijftien jaar veranderd.
Het boa-stelsel was daar tot op heden onvoldoende in meegegroeid. Dat zorgde voor
een aantal concrete en principiële knelpunten in het huidige stelsel, waardoor het
noodzakelijk was om dat tegen het licht te houden.
Over een aantal van deze knelpunten heb ik in een vorige capaciteit vaker met uw Kamer
van gedachten gewisseld. Zo zijn de bevoegdheden en taken van de boa al vaker onderwerp
van gesprek geweest en hebben we het regelmatig met elkaar gehad over de uitrusting
van en de geweldsmiddelen voor boa's, bijvoorbeeld het vuurwapen voor de groene boa.
Ook kost het vaststellen van de identiteit van een verdachte op dit moment veel tijd
voor zowel de boa als de politie. Daarom werken we aan toegang tot de systemen voor
boa's, zodat ze vaker zelfstandig kunnen overgaan tot identificatie als de situatie
daarom vraagt. Dit is ook opgenomen in het coalitieakkoord. Ik kom later nog terug
op de individuele registers en de vraag wanneer we de toegang daartoe voor elkaar
gaan krijgen.
Het algemene uitgangspunt bij de boa-beschouwing is geweest dat boa's over een stevig,
toekomstbestendig stelsel moeten beschikken. Daarbij is er bewust voor gekozen om
het bestel te optimaliseren door te behouden wat nu wel goed werkt en verbeteringen
aan te brengen waar dat nodig is. Het afgelopen jaar is samen met belanghebbenden
uit het boa-veld een intensief traject doorlopen om te komen tot een ontwikkelrichting
voor het nieuwe boa-stelsel. Dat heeft geleid tot de richting en aanpassingen die
mijn voorganger in de brief van 2 oktober uiteen heeft gezet. Met de in die brief
voorgestelde wijzigingen zetten we een belangrijke stap naar een toekomstbestendig
stelsel. We versterken de legitimiteit van boa's, we vergroten hun slagkracht en we
dragen bij aan een leefbare en veilige samenleving.
Voorzitter. Een nieuw stelsel implementeren kost tijd. Ik vind het belangrijk om dit
zorgvuldig en in goede afstemming met alle belanghebbenden te doen. Zoals u weet,
hebben we in Nederland meer dan 20.000 boa's, werkzaam voor ongeveer 600 verschillende
werkgevers. Ik streef ernaar om het stelsel in 2028 volledig geïmplementeerd te hebben.
Waar mogelijk zullen we deelonderwerpen die eerder klaar zijn, ook al eerder in werking
laten treden. Zo kan ik zeggen dat de beleidsregels op het gebied van geweldsmiddelen
binnenkort als eerste stap worden aangepast. Hierin koppel ik onder meer de noodzaak
voor de toekenning van geweldsmiddelen aan de taak van de boa. De bepaling om met
situaties en incidenten uit het verleden de noodzaak aan te tonen, de zogenaamde kan-bepaling,
waar we het zo vaak over hebben gehad, laat ik daarmee volledig vervallen voor alle
boa's. Die beleidsregels zijn vandaag gepubliceerd in de Staatscourant. Ze worden
op 1 mei van kracht. Ik denk dat we daarmee een belangrijke stap hebben gezet in het
dossier dat hier in uw Kamer al zo lang heeft gezorgd voor irritatie, en niet alleen
bij u, maar natuurlijk ook bij de boa's die daar het slachtoffer van waren.
Ook zijn we samen met het Ministerie van IenW bezig met het openstellen van het rijbewijzenregister
voor boa's, zodat ze vaker de identiteit van een verdachte kunnen vaststellen, en
gaan we, zoals is vastgelegd in het coalitieakkoord, werken aan de toegang tot de
Basis Voorziening Vreemdelingen en de strafrechtketendatabank; die laatste is wel
wat lastiger, maar daar kom ik straks nog op terug. We zijn dus volop aan de slag.
Dat moet ook, want er is nog een heleboel te doen. Natuurlijk zullen de diverse partijen
en belanghebbenden uit het boa-veld bij het hele vervolgtraject worden betrokken.
Ik kijk er ook naar uit om dat gesprek verder aan te gaan met u, bijvoorbeeld over
deelonderwerpen als toezicht, opleiding en training, en certificering. Die onderwerpen
komen vandaag ook langs. Dit is een traject, een stelsel, in ontwikkeling. Daar kijk
ik naar uit.
Dit was mijn inleiding, voorzitter.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de leden om te zien of hier vragen over zijn. Nee. Dan kunt u aan
het volgende blokje beginnen.
Minister Van Weel:
Ja. Dat is voor mij een kort blokje, over de neutraliteit van het boa-uniform. U weet
dat ik een traject in gang had gezet om dat te regelen per AMvB en niet per wet. Wij
vonden namelijk dat dat kon voor deze maatregel, vanwege de snelheid die ermee gemoeid
was. De Raad van State heeft daar een negatief advies over gegeven en meent dat dit
met een wetswijziging moet worden geregeld, omdat het raakt aan de grondrechten. U
heeft ook het coalitieakkoord gelezen. Daarin is niks opgenomen over de neutraliteit
van het boa-uniform. Dat betekent dat ik voornamelijk ga kijken naar wat uw Kamer
verwacht en hoe uw Kamer daarmee verder wil omgaan. Ik heb al gehoord dat er voornemens
bestaan voor een initiatiefwet. Als dat de route is die de Kamer wenst te bewandelen,
zullen we daar uiteraard van harte behulpzaam bij zijn.
De heer El Abassi (DENK):
Voorzitter, dank. O, sorry.
De voorzitter:
De heer El Abassi krijgt het woord voor een vraag aan de Minister.
De heer El Abassi (DENK):
Sorry, voorzitter; ik was iets te snel. De Minister geeft aan hierin naar de Kamer
te luisteren. Ik zou hem willen vragen of er ook gekeken wordt naar de mensen in het
veld. Zijn er signalen dat werken met een hoofddoek op niet neutraal is? Misschien
kan de Minister dat aangeven.
Minister Van Weel:
Ik heb in een vorige periode deze AMvB naar voren gebracht en in behandeling gebracht
omdat ik ervan overtuigd was dat de neutraliteit van het boa-uniform van grote waarde
is. Die AMvB-route is doodgelopen, zoals gezegd. In het coalitieakkoord zijn er geen
afspraken over gemaakt. Dat betekent dat ik allereerst wil luisteren naar uw Kamer.
Ik heb zelf niet de behoefte om nog een keer de ronde langs het veld te maken. We
zullen zien. Als er een wetswijziging vanuit de Kamer komt, zal die alle trajecten
weer doorlopen, inclusief een consultatie. Dan kan iedereen, waaronder dus mensen
uit het veld, burgers en belangenorganisaties, input geven voor het conceptwetsvoorstel
dat er dan ligt. Dat is de route die we dan bewandelen.
De voorzitter:
Ik wil vier interrupties per persoon voorstellen. Als we goed binnen de tijd blijven,
kunnen we daar misschien enige verbreding in zoeken, maar ik vraag dan ook van de
leden om de vragen kort en bondig te houden; dan heeft u meer kans op meer interrupties.
De heer El Abassi (DENK):
Ik stel die vraag ook omdat ik me oprecht afvraag hoe we hier ineens op komen; althans,
hoe in dit geval de Minister hierop komt. In steden als Amsterdam lopen relatief veel
vrouwen met een hoofddoek rond. Heeft de Minister het gevoel dat Amsterdam niet zit
te wachten op vrouwen met een hoofddoek als boa? Vertrouwen mensen die niet? Waar
komt die twijfel over de neutraliteit vandaan? Is daar onderzoek naar gedaan, of is
het een onderbuikgevoel uit de Kamer?
Minister Van Weel:
Eén. Die discussie hebben we eerder gevoerd. Het moge duidelijk zijn wat toen mijn
afweging is geweest. Daarom heb ik toen dat traject ingezet. Twee. Zoals ik heb gezegd,
is het nu aan uw Kamer om dit dossier verder op te pakken. Ik hoef verder geen uitgebreide
verhandelingen met u te voeren over wat ik daar al dan niet van vind. In de kern – laat
ik het omwille van de discussie kort houden – geldt voor mij dat een uniform een uniform
is en daarmee niet van religieuze uitingen zou moeten worden voorzien, dan wel daarmee
zou moeten worden aangevuld.
De heer El Abassi (DENK):
Daarom stel ik die vraag ook. Ik snap het oprecht niet. Een uniform van een arts is
ook een uniform en een uniform van een scheidsrechter is ook een uniform. Van die
mensen verwachten we ook dat ze neutraal zijn en integer handelen. Ik wil de Minister
dus nog een keer vragen: is dit een onderbuikgevoel of komt dit naar voren uit wetenschappelijk
onderzoek? Kan de Minister onderbouwen waarom hij vindt dat het de veiligheid van
Nederland ten goede komt om vrouwen met een boa te verbieden om te werken als boa?
De voorzitter:
De heer El Abassi zei «vrouwen met een boa», maar hij bedoelt natuurlijk «vrouwen
met een hoofddoek».
Minister Van Weel:
Dat is omdat het hier gaat om het geweldsmonopolie van de Staat. Het gaat hier om
handhaving, om Vrouwe Justitia en om haar uitvoerders. Niet voor niets is Vrouwe Justitia
blind. Daarom is neutraliteit, juist in dit soort beroepen, wat mij betreft essentieel.
Ik ga echt niet tot een vergelijk met u komen, zeg ik via de voorzitter tegen de heer
El Abassi, maar dat hoeft ook niet. De Kamer is nu aan zet en ik zal volgen wat de
Kamer voorstelt.
De voorzitter:
Meneer El Abassi, dit is uw laatste interruptie.
De heer El Abassi (DENK):
Ja, dan maak ik mijn interrupties maar meteen op.
Dat vind ik jammer. We hebben hier inderdaad vaker het debat over gevoerd, maar we
hebben het nooit over het waarom gehad. Ik snap oprecht niet waarom, behalve dat ik
van collega's hoor dat het er niet uitziet en dat we een onderscheid moeten maken
tussen keppeltje en niet-keppeltje. We weten allemaal dat dit ooit is ontstaan door
een PVV-motie waarin het ging om vrouwen met een hoofddoek. Er zijn verschillende
artikelen over geschreven door deskundigen, de Raad van State heeft hier iets van
gevonden en het College voor de Rechten van de Mens heeft hier iets van gevonden.
Ik snap niet waarom de Minister hieraan vasthoudt en keer op keer wil tegenhouden
dat vrouwen met een hoofddoek in dit soort beroepen aan de slag gaan, terwijl zij
ons kunnen helpen met het beveiligen van de stad, terwijl er heel weinig mensen zijn
die überhaupt voor dit soort beroepen solliciteren. Ik hoop dat de Minister ons dit
toch een keer wil uitleggen.
Minister Van Weel:
Dat laatste moet ik even ontkrachten. Dit is absoluut geen beroep waar mensen niet
voor solliciteren. Ik moet zeggen dat de aantrekkelijkheid van het werk als boa zich
op een alltime high bevindt. We moeten echt af van het idee dat dit banen zijn die
mensen niet zouden willen. Ik ken inmiddels heel veel voorbeelden van politieagenten
die overstappen naar een boa-werkgever of omgekeerd. Dat is nou juist de volwassenwording
van het boa-bestel waar we het vandaag over hebben. Dat idee wil ik dus wegnemen.
Het gaat helemaal niet verkeerd met de werving van boa's. Verder denk ik dat alles
hierover gezegd is en ik daar niets aan hoef toe te voegen.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Een heel klein puntje van orde, want de samenvatting van de heer El Abassi over de
vraag waar de discussie van vandaag vandaan komt, is feitelijk onjuist. Hij zegt dat
de discussie voortkomt uit de behoefte van de PVV om hoofddoeken te verbieden. De
VVD heeft aangekondigd wettelijk te willen verankeren dat uniformen van boa's neutraal
zijn. Voor mijn fractie geldt dat dit voor elke religie het geval moet zijn; daar
maken wij geen onderscheid in. Laat ik dat hier even heel duidelijk vermelden.
De voorzitter:
Dit was niet echt een punt van orde, maar het is een slimme manier om nog iets tegen
de heer El Abassi te zeggen. Uw punt is gemaakt. Omdat u de heer El Abassi heeft aangesproken,
geef ik hem de gelegenheid om hierop te reageren.
De heer El Abassi (DENK):
Volgens mij heb ik gewoon gezegd dat het ooit begonnen is met een motie van de PVV,
van de heer Markuszower, zeg ik uit mijn hoofd, die destijds nog van de PVV was. Die
motie heeft het ook gehaald in de Kamer. Daarna kwam er inderdaad een VVD-motie overheen,
waarin het iets anders was geformuleerd, maar de bedoeling, de strekking, is gewoon – dat
hoor ik terug bij andere Kamerleden, ook bij het Kamerlid hier naast mij – om vrouwen
met een hoofddoek te weren als boa. Dat blijft mijn standpunt.
De voorzitter:
Dan maken we nu een einde aan deze discussie, want de eerste termijn van de Kamer,
waarin u met elkaar kon debatteren over elkaars standpunten, is geweest. Ik wil de
Minister de gelegenheid geven om door te gaan naar het volgende blokje. Dat gaat over – ik
moet even m'n bril opzetten, mensen – de informatiepositie en de registers.
Minister Van Weel:
Dat vind ik een ontzettend belangrijk punt. Ik ben zelf in Utrecht geweest, waar ik
heb meegelopen met boa's die mij hun verhaal vertelden: als je iemand een proces-verbaal
wilt geven voor door rood fietsen in de spits, op weg naar zijn of haar werk, en diegene
geen ID-bewijs bij zich heeft, moet je die persoon vervolgens tot drie kwartier ophouden
voordat er uiteindelijk een politieagent komt, die natuurlijk ook niet zit te wachten
op dit soort taken, om de identiteit van die persoon vast te kunnen stellen. Ik vind
het een wonder dat het dan blijft bij een proces-verbaal voor door rood rijden, want
ik kan me voorstellen dat de irritatie enorm oploopt op deze manier. Dat moeten we
boa's niet aandoen. Ik ben dus vanaf het begin zeer gemotiveerd geweest om dat voor
elkaar te krijgen. De toegang tot het rijbewijzenregister moet uiteindelijk door het
Ministerie van IenW worden geaccordeerd, maar we liggen echt op koers – dat is het
goede nieuws – om dit vanaf april in ieder geval voor de publieke boa's al mogelijk
te maken. Hopelijk kan het dan later dit jaar via een AMvB ook mogelijk worden gemaakt
voor de private boa's. Ik denk dat daarmee een eerste belangrijke stap wordt gezet.
Ja, er is een workaroundpilot in Rotterdam. Dat werd ook genoemd door mevrouw Coenradie.
Zoals mijn voorganger, denk ik, ook met uw Kamer heeft gewisseld, zitten daar wel
juridische haken en ogen aan. We laten die pilot nu wel doorlopen, maar die heeft
onvoldoende juridische basis om hem breder uit te rollen. Daarom willen we er eerst
aan werken om wel die juridische basis te creëren, en dan kunnen we dat verder doorzetten.
De Minister van AenM gaat over de BVV. Die Minister kende ik tot voor kort zeer goed.
Inmiddels moeten we daar de banden weer wat aanhalen, maar ik weet zeker dat we eruit
gaan komen om ook daar zo snel mogelijk een traject op te zetten om dat mogelijk te
gaan maken ...
De voorzitter:
Ik wil u heel even onderbreken, als u het niet erg vindt. We werken in de Kamer heel
vaak met afkortingen die voor ons allemaal bekend zijn. Ik zou u willen vragen om,
als u een afkorting gebruikt, ook even te zeggen wat die betekent.
Minister Van Weel:
De boa hoef ik niet uit te leggen, hè?
De voorzitter:
Die hoeft u niet uit te leggen, nee.
Minister Van Weel:
We hebben het over registers. Naast het rijbewijsregister is er een Basis Voorziening
Vreemdelingen. Dat is een database waarin de identiteit van vreemdelingen is vastgelegd.
Die valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Asiel en Migratie. We hebben
ook een strafrechtketendatabank. Die valt onder het Ministerie van Justitie en Veiligheid,
maar dan wel onder de Staatssecretaris. Ze staan niet voor niks genoemd in het coalitieakkoord;
dat is juist omdat we het belang erkennen van een deugdelijke toegang daartoe. Ik
zal dus ook zo snel mogelijk trajecten opzetten om zowel voor die Basis Voorziening
Vreemdelingen als voor de strafrechtketendatabank te kijken hoe we daar de noodzakelijke
stappen kunnen zetten. Voor de strafrechtketendatabase zijn we al in de fase van het
zogeheten beleidskompas. Daarbij inventariseren we welk probleem we willen oplossen
en hoe we dat het beste kunnen doen. Daarmee wil ik dus wel ontkrachten dat de toegang
vastloopt omdat er onwil zou bestaan binnen mijn ministerie of elders. Dat voel ik
niet. Ik deel wel de frustratie dat het lang heeft geduurd om bij het rijbewijsregister
die toegang te krijgen, maar ik zal er zelf bovenop zitten om te zorgen dat dit inderdaad
spoedig ter hand wordt genomen voor die zaken waar ik zelf over ga.
Er was ook nog een vraag van mevrouw Lammers, namelijk of we niet kunnen werken met
één landelijk registratiesysteem voor alle boa's. Zij vroeg of ik ervoor kan zorgen
dat dat systeem er komt en ook wordt geïmplementeerd. Ik zou daar zeker schoonheid
in zien, maar in de huidige verdeling van verantwoordelijkheden is het aan werkgevers
om zelf hun eigen registratiesysteem vast te leggen. Boa's mogen op basis van de Wet
politiegegevens wel politiegegevens met elkaar delen. De juridische mogelijkheid om
dat te doen, bestaat dus wel. Ik kan me echt voorstellen dat één systeem dat positief
zou beïnvloeden, maar dat heeft natuurlijk hele grote financiële consequenties. Bovendien
gaat dat dan over die 600 werkgevers heen. Ik zie het dus voor deze doorontwikkeling
van het stelsel niet als een hele haalbare kaart om op te nemen. Dat neemt niet weg
dat ik natuurlijk wel snap wat de gedachte daarachter is.
Wat gaan we dan doen voor de private en de groene boa's als het gaat om informatievoorziening?
Dat was een vraag van mevrouw Straatman. Iedere boa moet voor zijn eigen specifieke
taak natuurlijk kunnen beschikken over een goede informatiepositie. Daarom is het
ook van belang om die informatie die behulpzaam kan zijn om een persoon te identificeren
voor iedereen, zowel publiek als privaat als groen als anders, beschikbaar te maken.
Er zijn wel wat uitdagingen als het gaat om de groene boa's uit domein 2. De grote
versnipperdheid in het werkgeversveld speelt hier parten. Dat maakt de zorgvuldige
toegang en het toezicht daarop heel moeilijk, omdat je dus zit met werkgevers met
slechts enkele boa's, waarvoor je het toezicht dat noodzakelijk is voor toegang onafhankelijk
moet inbrengen. Daarom doen we dit stapsgewijs en noemde ik dat het rijbewijsregister
vanaf april in ieder geval toegankelijk is voor de publieke boa's. We werken ernaar
dat die tegen het einde van het jaar ook toegankelijk is voor de private boa's, waaronder
de groene boa's, zoals is genoemd.
Dan een vraag van mevrouw Van der Plas, of het mogelijk is om een pasfoto aan de databank
van de GBA toe te voegen. Ik weet niet of u het wel voluit had geschreven, maar de
GBA is de Gemeentelijke Basisadministratie. Dat is niet mogelijk. Het implementeren
van een centraal register zou in verhouding tot de verbetering van de identiteitsvaststelling
niet proportioneel zijn, vanwege potentiële privacyinbreuken en de gevoeligheid van
de gegevens. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft destijds, in december 2022, negatief
geadviseerd over dit voorstel.
Voorzitter. Dat was wat ik had over de informatiepositie.
De voorzitter:
Dan kijk ik even naar de leden: zijn hier vragen over? Nee, dat is niet het geval.
Dan kunt u door naar het volgende blokje. Dat gaat over het openbaar vervoer.
Minister Van Weel:
Ja. Oftewel: het ov.
De voorzitter:
Het ov.
Minister Van Weel:
Ik heb het vermoeden dat deze nog een paar keer terugkomt in dit debat, voorzitter.
Mevrouw Martens vroeg: verschuiven er op basis van de ontwikkelrichting nu nog meer
taken van de politie naar de boa's in het ov; krijgen bedrijven meer taken op dat
gebied? Dat is niet wat er in de brief over de ontwikkeling van het stelsel staat.
We willen juist duidelijkheid verschaffen over de eigen rol en de taak van de boa
binnen de politiefunctie en deze bestendigen. Maar er staat wel een uitgangspunt in:
we willen dat de boa zijn eigen werk zelfstandiger kan doen dan nu het geval is. Dat
is wat we de komende tijd met al die werkgevers moeten gaan bepalen. Wat betekent
dat nou? Wat heeft een boa nodig om minder afhankelijk te zijn van de politie voor
de uitvoering van zijn taken? Dat gaat niet over het verschuiven van verantwoordelijkheden,
maar meer over het in zijn kracht zetten van de boa, al dan niet met middelen, informatiesystemen,
communicatiesystemen en arrangementen tussen politie en boa's en door die op een betere
manier te regelen dan nu het geval is. Ik denk dat dat ook een hoop frustratie wegneemt.
Natuurlijk gaan we de ov-bedrijven daar ook bij betrekken.
De heer Mathlouti (D66):
Voorzitter?
De voorzitter:
We gaan even het blokje afmaken. Daarna komen de vragen.
Minister Van Weel:
Mevrouw Coenradie vroeg of de samenwerking tussen politie en ov-boa's meer uniform
kan worden geregeld. Op dit moment verschilt dat per locatie, soms per werkgever en
soms per stad of gemeente. Zoals gezegd zijn ze zo veel mogelijk complementair aan
elkaar. In die zin heb je dus vooral afspraken nodig over waar de overdracht van de
ene naar de andere functie ligt en over de verdeling die lokaal wordt afgesproken,
zodat ze allebei hun eigen taak kunnen doen. Daarbij is er wel noodzaak tot maatwerk.
Ik heb dat gezien in verschillende steden. Boa's worden voor verschillende zaken ingezet.
Er werd al gesproken over de interventie-boa's. Dat vind ik zelf ook een heel mooi
voorbeeld. Dat betreft een prangend probleem waar de politie nu ontzettend veel tijd
aan kwijt is. In Utrecht heb ik boa's gezien die zich voornamelijk bezighouden met
verslaafden op straat. Dat vereist dus duidelijke afspraken met de politie over wat
de boa's doen, wanneer je ze kunt bellen en wanneer iets wordt overgedragen.
In sommige gemeentes is ervoor gekozen om samen te gaan zitten in een meldkamer, omdat
eenduidige afbakening aan de voorkant moeilijker is en je dus vaker ter plekke per
incident moet kunnen bepalen of er een boa-team of de politie op af wordt gestuurd.
Dat vereist dan ook weer dat er iemand in de meldkamer zit die anders op straat zou
lopen. Zo denk ik dat er ontzettend veel best practices zijn die deels zijn afgeleid
van wat er lokaal werkt en deels zijn gericht op maximale efficiëntie. Ik denk niet
dat we dat landelijk heel strak moeten gaan vastleggen. In de ontwikkeling van het
stelsel wil ik wel kijken of we daar een soort guide van best practices van kunnen
maken. Middelgrote gemeentes die op dezelfde manier omgaan met boa's in de handhaving
kunnen daarmee dan leren van elkaar.
Mevrouw Lammers vroeg naar de pilot met de wapenstok van de NS. Zij vroeg wanneer
alle boa's van de NS een wapenstok krijgen. De NS is een pilot gestart waarin 75 boa's
zijn uitgerust een wapenstok. Het is nu aan de NS om naar de resultaten van die pilot
te kijken en op basis daarvan een besluit te nemen. Als de NS een wapenstok aanvraagt
voor al zijn boa's, zullen de politie en het OM daar een advies over geven en zal
ik daar een besluit over nemen. Ook daarbij zeg ik: er komen nieuwe beleidsregels,
dus we hebben niet meer te maken met de kan-bepaling en incidenten uit het verleden
als basis voor de toekomst. Het gaat echt om de taak. Daar geeft de pilot voldoende
inzicht in, denk ik.
Nog meer pilots, maar dan met bodycams. Er werd gevraagd waarom er zo veel rondes
met bodycams zijn. Het is voor boa's nu al mogelijk om bodycams te dragen. Dat hebben
wij geregeld met het Ministerie van SZW. Daar is geen enkele belemmering voor. Het
is nu echt aan de werkgevers van de boa's om te bepalen of ze hun boa's wel of niet
met een bodycam willen uitrusten. Van de NS heb ik begrepen dat het hierbij niet gaat
om een nieuwe pilot, maar om een gefaseerde uitrol van het gebruik van de bodycams
door toezichthouders. Daarbij worden de boa's van de NS toegerust met nieuwere, modernere
bodycams. Het is dus geen pilot, maar onderdeel van de invoering daarvan. Ik kom zo
nog terug op bodycams in zijn algemeenheid daar waar het gaat om de uitrusting van
boa's, want daar zegt het coalitieakkoord ook wat over.
Mevrouw Van der Plas vroeg naar het seponeren. Hoe vaak gebeurt dat? Er wordt in de
registratie geen onderscheid gemaakt naar specifieke beroepsgroepen, dus we kunnen
de boa's niet uit die cijfers lichten. De politie en het OM publiceren jaarlijks in
het voorjaar de cijfers over alle delicten tegen alle mensen met een publieke taak.
Ze nemen deze natuurlijk zeer ernstig en met voorrang op en bij zo'n 85% van de aangiftes
die zijn gedaan, leidt dat daadwerkelijk tot een strafvorderlijke reactie. Ik vind
dat eerlijk gezegd hoopvolle cijfers. Politie en OM nemen geweld tegen hulpverleners
in ieder geval serieus.
Dat brengt mij bij geweldsmiddelen en de rest van de uitrusting.
De voorzitter:
Dan ga ik eerst even kijken naar de leden. Ik zag dat in ieder geval de heer Mathlouti
een vraag heeft aan de Minister.
De heer Mathlouti (D66):
Die had ik aanvankelijk inderdaad. Die ging over de pilot in Noord-Holland waarin
politie en de boa's goed samenwerken in de meldkamer, maar daar heeft de Minister
eigenlijk al min of meer antwoord op gegeven. Hij had het over een vorm om best practices
te delen. Volgens mij is dat een goede start. Dingen die ergens goed werken, moet
je volgens mij breder faciliteren. Dus dat is in ieder geval een goed begin.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie nog een hand van mevrouw Mutluer.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij hoort het hierbij. Ik zou nog even in willen gaan op de zorgen die de
vervoersbedrijven hebben geuit ten aanzien van het arrestantenvervoer en de aanhoudingsafhandelingen.
Zij vinden dat dat niet bij hen hoort, maar bij de politie omdat zij met hun boa's
in het ov met name willen focussen op hun kerntaken. We weten dat de NS al eerder
afspraken heeft gemaakt met de politie over het arrestantenvervoer, juist omdat die
boa's vaak te voet of met de trein zijn en dat niet kunnen oppakken. Het nadrukkelijke
verzoek is om dat landelijk te verankeren. Ik wil daar toch een reactie op van de
Minister, temeer omdat wij eerder via een motie samen met collega Michon-Derkzen hebben
gepleit voor heel concrete samenwerkingsafspraken tussen politie en boa's voor al
die taken. Graag daar een reactie op.
Minister Van Weel:
Ik begrijp die wens en ik begrijp ook de wens van het ov. Het ov heeft een voor- of
een nadeel – het is maar hoe je het noemt – want dat rijdt door het hele land heen
en hoewel wij wel een landelijke politie hebben, is dat niet hoe we uiteindelijk de
inzet van de politie hebben belegd. Dat maakt het lastig om te bepalen – uiteindelijk
opereert de politie immers onder gezag van de burgemeester – hoe een burgemeester
de politie moet inzetten op het moment dat een trein met boa's en een arrestant door
zijn verantwoordelijkheidsgebied rijdt. Daar kan ik wettelijk niets afdwingen. Wat
ik wel kan doen, is ook hier weer – dan kijk ik naar de heer Mathlouti – kijken naar
best practices, want er zijn een aantal van dit soort afspraken gemaakt en er zijn
natuurlijk trajecten waarvan je weet dat het daarop vaker voorkomt dan op andere.
Daar komt de pilot ook vandaan die wel succesvol is geweest. Daarna kan je kijken
hoe je dat als een best practice ook door andere gezagen kan laten overnemen. Ik denk
dat dat ongeveer is hoever mijn macht daar reikt.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik ga hier een concrete toezegging uit proberen te halen, want dan hoef ik geen motie
in te dienen. Dat willen we natuurlijk niet meer. Tenminste, zo min mogelijk. Wat
zegt de Minister concreet? Uiteindelijk is hij verantwoordelijk en ik heb er heel
veel belang bij dat hij straks met de VNG of het Veiligheidsberaad in gesprek gaat,
dus ook met die lokale gezagen, om na te gaan hoezeer ze hier handen en voeten aan
kunnen geven, omdat je daarmee daadwerkelijk die boa's binnen het ov kunt ontlasten
zodat zij zich kunnen richten op hun kerntaken. Bent u daartoe bereid? Als dat afgedaan
kan worden met een toezegging, dan hoef ik dat niet via een motie af te dwingen, uiteraard
indien er een meerderheid is.
Minister Van Weel:
Als ik mevrouw Mutluer de moeite kan besparen om een motie in te dienen, dan zal ik
dat heel graag doen. Wat ik kan toezeggen, is dat we in ieder geval kijken naar best
practices op basis van de afspraken die er al zijn en om die dan vervolgens onder
de aandacht te brengen van de gezagen.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Is dit een interruptie? Wordt het gerekend als een interruptie als ik zeg dat het
niet zo bedoeld was?
De voorzitter:
Dat is een interruptie, ja.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Prima, ik ga ’m gewoon gebruiken en dan bewaar ik er nog eentje voor de groene boa's.
Hij mag iets steviger, beste Minister. Het mag veel steviger dan alleen maar onder
de aandacht brengen. Ik wil dat u gewoon actie onderneemt en dat het uiteindelijk
ook gewoon gebeurt. Kunt u de toezegging iets verstevigen?
Minister Van Weel:
Dat zou ik hier wel kunnen zeggen, maar dan heb ik vervolgens 342 burgemeesters aan
de lijn, die mij allemaal gaan vertellen dat ik daar niet over ga. Daar hebben ze
nog gelijk in ook, want wettelijk gezien hebben zij het gezag over de inzet van de
politie en ik niet. Ik ben de beheerder, samen met de korpschef. Vanuit mijn bevoegdheden
kan ik dus niet verder gaan dan de toezegging zoals ik die heb gedaan.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik voorzie een motie.
Minister Van Weel:
Het oordeel laat zich dan ook raden.
De voorzitter:
Tenzij er nog vragen zijn van de Kamer, gaat u nu verder met het blokje geweldsmiddelen.
Minister Van Weel:
Geweldsmiddelen. Ik denk dat er al heel veel aandacht is geweest voor de groene boa's
en het makkelijker maken van het verkrijgen van een vuurwapenvergunning. Ik ben oprecht
blij dat de beleidsregels nu gepubliceerd zijn, dat de kan-bepaling er nu uit is en
dat het enige wat nog telt voor de beoordeling van een vuurwapen, de taakomschrijving
van de boa is. Daar waar het gaat om de groene boa's, zeg ik: ja, inderdaad zijn de
provincies volgens de Omgevingswet het gezag dat die aanwijzingsbesluiten moet geven
over de taken van groene boa's. Een aantal van u heeft dat gememoreerd. We hebben
de provincies erop geattendeerd en zullen dat ook blijven doen.
Tot nu toe hebben drie provincies dat gedaan. Ik pak mijn aantekeningen er even bij.
Dat zijn Gelderland, Overijssel en Noord-Brabant. Ik moet wel zeggen dat daar ook
wel de bulk van de groene boa's zit, omdat daar natuurlijk de meeste natuurgebieden
zijn. Stropers kunnen natuurlijk altijd uitwijken naar Noord-Holland, maar daar zullen
ze weinig winst behalen. Ik denk dus dat we voor de korte termijn daarmee in ieder
geval dat gat hebben gedicht. Die provincies hebben ook daadwerkelijk alle groene
boa's de taak gegeven tegen gewapende stroperij. Daarmee worden de aanvraag van een
vuurwapen en de toekenning daarvan een stuk eenvoudiger. Ik zeg er wel bij dat het
uiteindelijk aan de werkgevers is, en die kunnen we niet dwingen, om uiteindelijk
ook de aanvraag te doen namens hun eigen boa's. Maar ten opzichte van waar we stonden,
is het een belangrijke stap voorwaarts, denk ik.
Dat geldt dus nu ook voor alle andere boa's en andere geweldsmiddelen. Ook daar is
de kan-bepaling en het aantal incidenten dat ze hebben meegemaakt in hun taak, niet
meer bepalend voor het feit of zij al dan niet de beschikking kunnen krijgen over
bijvoorbeeld een wapenstok. Ook dat is geen automatisme. Je kunt je voorstellen dat
als het om handhaving in een heel rustige buurt gaat, je veel liever zonder een wapenstok
rondloopt om een meer laagdrempelig contact te hebben met de omgeving dan in sommige
omgevingen, waarin die dreiging van gevaar, ook voor hun eigen persoon, veel hoger
is. We hebben het nu in ieder geval geüniformeerd aan de mogelijkhedenkant. Het is
aan de werkgever om het dan verder in te vullen.
Ik denk dat dit ook een antwoord is op de vraag van mevrouw Straatman over de uniformering
van die uitrusting. Ook in het nieuwe stelsel hebben we dus te maken met een basisuitrusting.
Daarbovenop komen die aanvullende geweldsmiddelen. Dat kan een wapenstok zijn of pepperspray.
Het is dan aan de werkgevers om dat naar aanleiding van de taken die ze geven aan
specifieke boa's aan te vragen en daar toestemming voor te verkrijgen. Uiteindelijk
is het dan de Dienst Justis, die namens mij een besluit neemt over die aanvragen.
Dat is nu ook al het geval. Het enige wat vervalt in de nieuwe situatie is de toezichtsrol
van het OM.
Mevrouw Coenradie vroeg nog of ik de toetsing voor geweldsmiddelen van een naar twee
jaar wil brengen. Laat ik vooropstellen dat ik de situatie die is ontstaan rond de
Politieacademie betreur. Ik snap de Politieacademie. Ook die moet roeien met de riemen
die zij heeft, maar dat mag uiteindelijk natuurlijk niet ten koste gaan van de toetsing
van boa's voor het gebruik van hun geweldsmiddelen. De inhaalslag die gedaan zou worden,
is gedaan, dus alle werkgevers die nog in 2025 hun medewerkers wilden laten toetsen,
hebben dat kunnen doen. In die zin was er begin dit jaar geen sprake van een achterstand,
maar de Politieacademie heeft wel gezegd dat zij daar in 2026 geen capaciteit voor
heeft. Ik ben dus inderdaad met een werkgroep bezig om te bekijken wat de beste manier
is om dat te doen. Is dat een boa-academie? Zijn dat private partijen die we in permanente
dienst hebben? Is dat toch via een omweg de Politieacademie, maar dan met compensatie?
Daar zijn we nog niet uit, maar we gaan zorgen dat we daar in ieder geval in de komende
maanden helderheid over krijgen, zodat we niet weer tegen dat probleem aanlopen. Vanwege
de impact en de toekenning van geweldsmiddelen en goed werkgeverschap wil ik niet
per se die termijn oprekken van een naar twee jaar. Ik wil veel liever regelen dat
we een jaar gewoon kunnen halen.
Dan houden we wat betreft de groene boa's één vraagstuk over en dat is door een aantal
van u genoemd. Wat nou als je in the middle of nowhere bent, je geen taak hebt met
betrekking tot gewapende stroperij en je iets tegenkomt waarbij er sprake is van een
gevaarzetting? Ik wil toch zeggen dat als het niet behoort tot de taakomschrijving
van de boa, het de bedoeling is dat de boa zich terugtrekt uit die situatie en hulp
roept. De strafrechtelijke vervolging van hetgeen wordt aangetroffen, heeft dan geen
prioriteit. De veiligheid van de boa heeft dan prioriteit. Dat an sich, dus het feit
dat je in de natuur kunt aanlopen tegen ondermijnende criminaliteit, is niet automatisch
een reden om een vuurwapen toe te kennen. Zoals gezegd, is de gewapende stroperij
dat wel, omdat het gewoon behoort tot de taak van de boa om die tegen te gaan. Daar
kan dan wel een vuurwapen bij horen. Dat wil ik voor de helderheid wel nog even hebben
neergelegd.
Voorzitter, ik heb er nog eentje. Nee, nog twee en dan ben ik aan het einde van het
blokje. De eerste is de vraag van de heer El Abassi, die vroeg naar de uitbreiding
van de bevoegdheden en de extra bewapening: verschuiven we niet het geweldsmonopolie
en hoe houden we daar grip en toezicht op? In eerste instantie zorgen de werkgevers
ervoor dat de boa's binnen de aan hen gegeven bevoegdheden opereren, maar elke inzet
van geweld wordt uiteindelijk beoordeeld door het OM. Dat bekijkt ook in elk individueel
geval van geweldsinzet of er noodzaak is tot strafvervolging. De ambtsinstructie is
leidend bij de inzet van geweldsmiddelen. Op basis van die ambtsinstructie is de boa
verplicht om bij de inzet van die middelen een geweldsmelding te doen bij de hulpofficier
van justitie. Voor het nieuwe bestel wordt samen met de werkgevers, de politie en
het OM verder uitgewerkt welke aanvullende waarborgen voor geweldsinzetten moeten
worden geregeld om dat ook in het nieuwe stelsel gewaarborgd te hebben.
Ten slotte kom ik op het aantal groene boa's in de buitengebieden. Daar ga ik niet
over, zeg ik tegen mevrouw Van der Plas. Dat is aan de boa-werkgevers zelf. Er is
op dit moment vanuit mijn ministerie wel een subsidie van 5 miljoen euro per jaar.
Verder is de collega van LVVN in the lead om te bekijken wat er vanuit het oogpunt
van natuurbescherming en natuurbeheer aanvullend nodig zou zijn aan groene boa's in
de buitengebieden.
O, ik heb hier ook nog een vraag over de bodycam. Excuses, het waren er toch drie.
Het is geen geweldsmiddel, maar hoe zit het met het uitrusten daarmee? In het coalitieakkoord
staat beschreven dat boa's en politieagenten die dat nodig hebben voor de uitvoering
van hun taak een bodycam krijgen, zodat ze veiliger kunnen werken. In het nieuwe boa-stelsel
is de bodycam al standaard onderdeel van de aanvullende uitrusting. Het is uiteindelijk
nog wel aan de werkgever om die in overleg met de boa al dan niet toe te kennen. Ik
ken ook boa's die absoluut niet zitten te wachten op een bodycam. Het hangt dus maar
helemaal af van de setting waarin je opereert of het van toegevoegde waarde is of
niet, maar de mogelijkheid is er en die wordt ook onderstreept in het akkoord.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie dat mevrouw Coenradie een vraag heeft. Daarna is mevrouw Faber
en dan mevrouw Straatman.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Heel fijn dat de Minister de komende tijd bekijkt hoe we ermee omgaan. Ik hoor dat
er in ieder geval nog meerdere mogelijkheden openstaan, zoals een boa-academie. We
weten ook nog niet of er een vervolg komt op dit commissiedebat – dat is namelijk
nu even besloten – en wanneer dat dan is. Is het, om toch een beetje de druk erop
te houden, mogelijk om binnen nu en drie maanden een brief te ontvangen over de stand
van zaken? Ik ben namelijk wel benieuwd naar de uitkomsten van deze hersenspinsels
en de openstaande mogelijkheden.
Minister Van Weel:
Ik stel voor om zo veel mogelijk dingen te clusteren. Ik waardeer dit aparte debat
over de boa's. Ik stel voor dat we bij het volgende halfjaarbericht politie een apart
hoofdstuk over de boa's toevoegen en dat we daarin een aantal van deze zaken benoemen.
Dan laten we het samenlopen, maar besteden we er wel expliciet aandacht aan.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik wil het nog even hebben over de toekenning van het vuurwapen door de gedeputeerde
staten. Ik heb in mijn eerste termijn al gezegd dat het wel een beetje vreemd is dat
dit bij de provincies ligt, omdat die alleen bestuurlijk kunnen handhaven. Klopt dit
allemaal wel? De boa's moeten namelijk strafrechtelijk handhaven. Ik vraag me af hoe
dat kan. Ik heb begrepen dat aan het IPO het verzoek is gedaan om dit te repareren
en om het weer onder de Wet natuurbescherming te laten vallen, zodat het hersteld
wordt. Wat is de status daarvan? Is daar iets van bekend bij de Minister? Klopt het
wel dat de gedeputeerde staten die toewijzing kunnen doen? Er gaan verschillende verhalen
rond, ook over Justis. Er zijn door de landsadvocaat adviezen gegeven, maar die worden
niet prijsgegeven. Het is een beetje een black box voor mij. Wellicht kan de Minister
dit toelichten. Het is ook prima als hij dat in een brief doet, maar ik wil daar wel
graag helderheid over hebben.
Minister Van Weel:
Ik denk dat u niet de enige bent die hierover enigszins verbaasd was. Dat waren wij
ook. De landsadvocaat heeft ons geadviseerd over hoe wij hiermee moeten omgaan. De
Omgevingswet is hier de schuldige. Ik weet niet of men tijdens de behandeling van
de Omgevingswet expliciet gekeken heeft naar dit zijeffect, maar daarin is aangewezen
dat de handhaving van de gewapende stroperij en het aanwijzen van de boa's die dit
als taak hebben, belegd is bij de provincies. Dat is natuurlijk niet het meest praktisch,
want dat betekent dat wij de provincies nu moeten opbellen om hen een aanwijzingsbesluit
te laten nemen zodat we uiteindelijk die dekking hebben. Dat is hoe de wet nu werkt.
Je zou dat vrij eenvoudig kunnen oplossen met een reparatiewet. Daar zullen we naar
kijken, samen met de nieuwe Minister van VRO, van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening. For the time being: zolang de provincies hun aanwijzingsbesluiten nemen – de
drie belangrijkste hebben dat gedaan – is het gerepareerd en is het verder niet onhelder.
We hebben nu gewoon een heldere juridische basis voor het optreden. Dat is nu het
geval voor Overijssel, Gelderland en Noord-Brabant.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik begrijp niet helemaal wat die reparatie inhoudt. Kunnen gedeputeerde staten die
toekenning geven? De Minister geeft aan dat drie provincies het geregeld hebben, namelijk
Gelderland, Overijssel en Noord-Brabant, maar volgens mij zijn er ook stropers actief
in Drenthe en andere provincies. U gaf het voorbeeld van Noord-Holland, maar volgens
mij stropen ze ook konijnen en hazen. Ik weet niet hoe dat zit.
Minister Van Weel:
Die reparatie zou eruit bestaan dat de domeinaanwijzing en de taken die daarin genoemd
worden, voldoende zijn. Dan kan ik die besluiten weer nemen als Minister en dan hoeft
er verder ook geen aanwijzing meer te komen vanuit de provinciale staten. Maar op
dit moment hebben we te maken met de Omgevingswet en is dat wél nodig. Het klopt dat
de stroperij niet alleen actief is in die drie belangrijkste provincies. Daarom zitten
we de andere provincies ook achter de broek om dat aanwijzingsbesluit zo snel mogelijk
te nemen.
Mevrouw Faber (PVV):
Wanneer is de Minister weer in staat om die aanwijzing te geven? Aan welke tijdspanne
moet ik dan denken? Worden we geïnformeerd op het moment dat dat weer kan?
Minister Van Weel:
Het is een wetswijziging. Nogmaals, op het moment dat de provincies die aanwijzingsbesluiten
hebben genomen, zijn we gedekt. Dan is er geen acute nood. Maar je zult wel een wetswijziging
moeten indienen op de Omgevingswet. Ik wil niet zeggen dat u beter weet dan ik hoelang
een wetstraject ongeveer in beslag neemt, maar u weet dat wel net zo goed als ik.
De voorzitter:
Mevrouw Faber, dit is uw laatste interruptie.
Mevrouw Faber (PVV):
Wanneer is de Minister bereid om er actief op in te zetten dat die reparatie eraan
komt? Bent u daar al over in gesprek? Want we moeten dat natuurlijk niet laten versloffen.
Er moet wel wat gebeuren. Wanneer wordt het nieuwe wetsvoorstel geïnitieerd?
Minister Van Weel:
Ik wil niks laten versloffen, maar mijn belangrijkste prioriteit is om er nu voor
te zorgen dat het geregeld is voor de boa's die er zijn. De weg om het nu geregeld
te krijgen, is via de provincies, omdat zij nu die bevoegdheid hebben. Daar ligt de
prioriteit nu. Daarnaast zal ik met de nieuwe Minister van VRO in overleg gaan, want
die moet uiteindelijk de wetswijziging indienen. Ik zal vragen of zij daartoe bereid
is en of dat samenvalt met andere reparaties aan de Omgevingswet die al aanstaande
zijn. Dan kan daar een wetstraject omheen worden gezet. Nogmaals, het is niet moeilijk,
maar het moet wel door alle stappen heen.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik wil op ditzelfde punt graag nog wat doorvragen. Het is goed als er een reparatiewet
komt, maar op dit moment hebben de boa's daar natuurlijk nog niets aan. In de beantwoording
van de vragen staat: «De provincies waarbij dit speelt, zijn momenteel de aanwijzingsbesluiten
aan het vormgeven.» Betekent dit dat de andere provincies waar dit ook speelt, buiten
de drie provincies die we zojuist genoemd hebben, dit in proces hebben? Of betekent
het dat zij gewoon nog bezig zijn met een juridische discussie en dat zij dus weigeren
om dit in proces te nemen?
Minister Van Weel:
Dank voor de verhelderende vraag. Niemand weigert. Het heeft hier te maken met processen.
Dat speelt ook bij die overige provincies.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dan heb ik één vervolgvraag. Wat kan de Minister doen om die processen te versnellen,
of in ieder geval om de provincies aan te zetten dit zo snel mogelijk te regelen?
Wat betekent dit concreet voor de boa's in die provincies nu? Zij handelen nu onbevoegd,
maar hebben wel een vuurwapen. Kunt u mij meenemen in wat die boa's nu moeten doen?
Zij hebben wel een vuurwapen, maar mogen dat niet gebruiken. Het is natuurlijk een
onwerkbare situatie. Wij hebben die situatie gecreëerd omdat er een juridische ruis
ontstaat, maar we moeten het voor die boa's wel goed inregelen.
Minister Van Weel:
Ik durf niet per se te zeggen of er nu gewapende boa's rondlopen buiten de drie provincies
die genoemd zijn. Ik kan daar wellicht in de tweede termijn op terugkomen. Ik zal
het u dan even laten weten. Nogmaals, de prioriteit is nu gericht op het hebben van
die aanwijzingsbesluiten. Dat is niet moeilijk, maar het moet wel even gebeuren.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie geen verdere vragen. U kunt dus overgaan tot het laatste blokje,
overige belangrijke vragen.
Minister Van Weel:
Dan begin ik met ...
De voorzitter:
O, excuses. Ik keek even verkeerd. Het is nog niet het laatste blokje; we hebben nog
het blokje verantwoordelijkheden werkgevers en toezicht.
Minister Van Weel:
Ja, maar dat is niet een heel dik blokje. Laat ik daar dus doorheen gaan. Het blokje
met de andere belangrijke zaken is ietsje langer.
Mevrouw Straatman vroeg naar de verdwijnende rol van het Openbaar Ministerie als het
gaat om toezicht. Het klopt dat het OM in het nieuwe stelsel geen toezichthouder meer
is. Het heeft dus geen rol meer in de advisering over het toekennen van aanvullende
wapenuitrusting, en ook niet in het toezichthouden op de taakuitvoering door de boa.
Het OM blijft uiteraard wel het bevoegd gezag voor zover de boa gebruikmaakt van zijn
strafrechtelijke bevoegdheid of van de geweldsbevoegdheid die daaraan gekoppeld is.
Daarmee behoudt het, zoals ik net al tegen de heer El Abassi zei, ook een rol bij
de strafrechtelijke toetsing van incidenten, en uiteraard ook bij de kwaliteit van
de opsporing. We zijn nog bezig met de nadere uitwerking van het toezichtstelsel,
zeg ik ook tegen anderen. Daarbij zullen we hier ook rekening mee houden.
Het is de bedoeling dat in het nieuwe bestel de werkgever een onafhankelijke interne
toezichthouder aanstelt. Die houdt dan toezicht op de kwaliteit, integriteit, proportionaliteit
en rechtmatigheid van de taakuitvoering. Die onafhankelijke interne toezichthouder
wordt wettelijk verplicht, naar het voorbeeld van de functionaris gegevensbescherming,
zoals we die kennen binnen organisaties. Daarnaast komt er ook een tweede- en derdelijnstoezicht.
We komen later nog terug op hoe we dat precies vorm gaan geven. Dat gaan we samen
met het veld verder uitwerken.
Mevrouw Straatman vroeg nog wat het betekent voor de kleinere gemeentes en de kleinere
werkgevers van boa's. Professioneel werkgeverschap is een van de pijlers die we in
het nieuwe bestel naar voren willen laten komen. De verantwoordelijkheden die daarbij
horen, moeten voor iedereen gelden. Maar ik besef ook wel dat dat een grote impact
kan hebben op kleine werkgevers. We zullen de mogelijkheid voor samenwerking tussen
verschillende werkgevers bij het invullen van het toezicht dus behouden. Dan zou je
bijvoorbeeld regionaal kunnen kijken of een aantal gemeentes dat gezamenlijk kan doen,
om het meer behapbaar te houden en om meer schaalgrootte te creëren.
Mevrouw Straatman vroeg ook nog hoe het zit met de nazorg. Dat is een zaak van individuele
werkgevers, en zij vroeg of we het niet landelijk kunnen organiseren. Dat kan niet,
want die nazorg vloeit voort uit het werkgeverschap zoals dat in de Arbowet is vastgelegd.
De Arbowet verplicht werkgevers om een risico-inventarisatie en -evaluatie op te stellen
om arbeidsrisico's zoals geweld en agressie in kaart te brengen en maatregelen te
nemen om deze te beperken. Uiteindelijk ziet de Arbeidsinspectie dan weer toe op de
naleving van de Arbowet. Werkgevers moeten op basis daarvan bij incidenten, zoals
geweld op het werk, wat bij een boa ook kan gebeuren, zelf zorgen voor passende opvang
en nazorg.
In het verlengde daarvan ligt de PTSS-vraag, zoals die is genoemd. Uiteraard is het
van groot belang dat er goed wordt zorg gedragen voor boa's, ook daar waar sprake
is van PTSS, maar ook hier is het primair op basis van de wet aan de werkgevers om
een zorgstelsel in te richten. Dat is ook onderdeel van hun rechtspositie. Daarnaast
vindt er – anders kom ik weer bij best practices terecht – al uitwisseling van kennis
en ervaringen plaats tussen de werkgevers van verschillende beroepsgroepen over beroepsgerelateerde
gezondheidsklachten, waaronder natuurlijk ook PTSS.
Dat was het blokje toezicht en verantwoordelijkheden.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zag nog een vraag van mevrouw Mutluer.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
We hebben er een jaar voor gevochten om PTSS bij de brandweer landelijk te erkennen
als beroepsziekte en ik ben best bereid om dat gevecht ook voor de boa's aan te gaan.
Het antwoord «het is afhankelijk van de werkgevers» ken ik en herken ik van de voorgaande
Ministers. Ik neem daar geen genoegen mee, omdat elke werkgever daar op een andere
wijze mee omgaat. Ik vind dat we, zeker na zo'n boa-stelselherziening, alles op alles
moeten zetten om PTSS landelijk te erkennen. Is de Minister daartoe bereid? Zo niet,
dan zullen wij proberen, hopelijk in samenspraak en samenwerking met andere partijen,
om de Minister een andere weg – hoe zeg je dat netjes? – te laten bewandelen.
Minister Van Weel:
Ik hoorde het woord «motie» niet, maar ik voelde het wel ergens in doorklinken. Wat
ik wel wil doen, is in het volgende halfjaarbericht een paragraaf wijden aan PTSS
en hoe wij daartegenaan kijken. Dat helpt u dan misschien om te bepalen hoe ver dat
afligt van hoe u daartegenaan kijkt en wat dat verder nog vereist.
Dan nu de overige belangrijke zaken. Eerst de handelingsbevoegdheid van boa's onder
de Wet seksuele misdrijven. Ook daar heb ik in mijn vorige verleden met uw Kamer over
van gedachten gewisseld. We hebben toen gesteld dat we de pilot, hoewel die nog loopt,
willen openstellen voor meerdere gemeenten, voor zij die dat willen. De eerste resultaten
die ik terughoor van deze pilot zijn positief. In die zin verwacht ik dat we met de
evaluatie door kunnen stappen naar het creëren van een permanente bevoegdheid. Die
evaluatie wacht ik wel af. Die komt dit jaar rond de zomer. Tot die tijd verandert
er dus wat mij betreft niets aan de pilots die lopen. Na die tijd zal ik zorgen voor
een naadloze overgang van de pilot naar de permanente bevoegdheid. We gaan dus niet
ergens mee stoppen om dan vervolgens een bevoegdheid te creëren. Dat zal gewoon naadloos
in elkaar overlopen.
Al debatterend kom je toch al een heleboel onderwerpen tegen onderweg, blijkt in het
debat.
De Eenduidige Landelijke Afspraken. Mevrouw Van der Plas had daar nog een vraag over,
namelijk hoe het staat met de herziening daarvan. In april vorig jaar is de evaluatie
met een beleidsreactie naar uw Kamer toe gegaan. We werken nu aan de herziening van
de Eenduidige Landelijke Afspraken en ik verwacht dat die voor het zomerreces naar
uw Kamer toe kan komen.
Mevrouw Coenradie vroeg hoe je de her- en bijscholing meer kunt toespitsen op specifieke
functies, bijvoorbeeld het verschil tussen de groene boa en de ov-boa. Het nieuwe
puntensysteem voor permanente her- en bijscholing is erop gericht om ruimte te creëren
voor werkgevers om zelf de bijscholing te kiezen die zij nodig achten voor hun specifieke
werk, maar er is wel een evenwicht tussen die ruimte en het aantal zaken dat je landelijk
wilt voorschrijven. De kwaliteit van de processen-verbaal van boa's moet natuurlijk
gewoon een landelijke standaard kennen. Daar zit dus eenduidigheid achter. Dat geldt
ook voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering en de bijscholing die daarvoor nodig
is of het de-escalerend bejegenen van bepaalde groepen. Er komt dus een mix van centrale
en specifieke her- en bijscholing in dat puntensysteem.
Mevrouw Van der Plas vroeg nog naar de motie van BBB en VVD over minimumstraffen bij
geweld tegen hulpverleners. Er komt snel een brief aan. Ik hoop nog in april, zeg
ik tegen mevrouw Van der Plas.
Ik denk dat ik daarmee aan het einde van mijn eerste termijn ben.
De voorzitter:
Dan kijk ik even naar de leden om te zien of al de vragen die zij hebben gesteld,
ook zijn beantwoord door de Minister. Ik geef nog de gelegenheid voor een vraag aan
mevrouw Mutluer.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Eén vraag is niet beantwoord, voorzitter. Die ging over interventiemedewerkers op
stations om verward en onbegrepen gedrag op te pakken. Dat zijn vaak boa's. Ik weet
dat er in Utrecht een hele mooie pilot loopt. Mogelijk gaat Rotterdam die ook overnemen.
Eigenlijk zou je dat uit moeten rollen. Wellicht komt dat nog een keer terug bij het
debat over verward en onbegrepen gedrag, maar ik zou toch de Minister opnieuw willen
vragen om daar zijn eerste reflectie op te geven.
Minister Van Weel:
In een bijzin had ik ze al geprezen. Het is een van de specifieke boa-taken die mogelijk
navolging verdienen. Ik zal dit dus zeker inbrengen vanuit mijn verantwoordelijkheid
in het traject over verward gedrag, dat natuurlijk onder de leiding van de Minister
van BZK plaatsvindt.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu over naar de tweede termijn van de Kamer. Ik kijk even
wie van de tweede termijn gebruik wil maken. Dat is mevrouw Martens-America.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dank, voorzitter. Ik wil in ieder geval de Minister en zijn team bedanken voor alle
uitgebreide antwoorden. Ik wil graag een tweeminutendebat aanvragen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan ga ik naar mevrouw Mutluer.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ook mijn dank aan de Minister. Eén ding dat mij duidelijk is geworden uit dit debat
over het boa-stelsel, is dat wat er nu ligt, nog niet de optimale versie is, gelet
op alle brieven en positionpapers die wij hebben ontvangen. Mijn nadrukkelijke verzoek
aan deze Minister is om daar echt rekening mee te houden en dat te verwerken in het
nieuwe boa-stelsel, of het nou gaat om de groene boa's, hun uitrusting, hun bewapening
of de NS-boa's. Ik hoop en verwacht dat hij dat gaat doen. Wij beraden ons wel op
een aantal moties om deze Minister in ieder geval de goede weg op te sturen, want
dat is nu nog niet het geval. Dat gaan we meemaken bij het tweeminutendebat dat net
is aangevraagd.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan ga ik naar de heer Mathlouti.
De heer Mathlouti (D66):
Voorzitter, dank. Dank ook aan de Minister en zijn team voor de duidelijke beantwoording.
Ik vind het goed om een aantal dingen te horen en dat er stappen zijn gezet. We zijn
er nog niet, maar in ieder geval zijn er stappen gezet in het kader van toegang tot
informatie en de verschillende systemen. Ik zei in de eerste termijn dat de behoefte
om het sneller te doen er nog steeds is, maar de zorgvuldigheid en de juridische hobbels
zijn volgens mij heel logisch. Dat over dat stukje.
Ik denk dat ik nog even moet kauwen op het antwoord over de best practices, zoals
de Minister het noemde, op het gebied van samenwerking tussen politie en boa's. Het
delen van best practices en in welke vorm is voor mij nog even een vraag.
Verder vind ik het heel goed om het enthousiasme van de Minister te horen over de
pilot op het gebied van de Wet seksuele misdrijven. Goed dat hij daar kort na de resultaten
in ieder geval op door wil pakken. Dat zien we met belangstelling tegemoet.
Heel veel dank.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Straatman.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ook namens mij dank aan de Minister voor de beantwoording
van de vragen. Aan mijn kant is er nog één aanvullende vraag. Ik had het in mijn eerste
bijdrage over de toegang tot informatiesystemen van private boa's. De Minister gaf
aan dat hij verwacht dit later dit jaar te kunnen inregelen, maar dat er nog moeilijkheden
zijn met onafhankelijk toezicht. Ik vroeg me af of de Minister een doorkijkje kan
geven in hoe hij dit onafhankelijke toezicht wil inregelen, of hij daar al ideeën
bij heeft en of hij die kan delen. Het is namelijk belangrijk dat er voor publieke
en private boa's dezelfde rechten gelden, want ze hebben dezelfde eed afgelegd en
hebben dezelfde taak, dus ze moeten die taak ook op dezelfde manier kunnen uitoefenen.
Ik zou het zonde vinden als we op een later moment te lang doordiscussiëren over dat
onafhankelijke toezicht, waardoor dat ook weer vertraging oploopt.
Bij het aanwijzingsbesluit hebben we zojuist langdurig stilgestaan. Ik ga ervan uit
dat de achterblijvende provincies daar snel werk van maken en ook die urgentie voelen,
want het kan niet zo zijn dat de groene boa's de dupe worden van de juridische strijd
die gevoerd wordt.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u, voorzitter. Eerst wil ik de Minister natuurlijk bedanken voor zijn beantwoording.
Er is al een tweeminutendebat aangevraagd. Daar zal ik wat moties indienen ter aanmoediging
van de Minister.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Coenradie? Geen tweede termijn. Mevrouw Lammers.
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Nee, ik zou alleen graag de Minister willen bedanken voor zijn beantwoording van de
vragen.
De voorzitter:
De heer El Abassi.
De heer El Abassi (DENK):
Voorzitter. Er is inderdaad een tweeminutendebat aangevraagd. Dat zal ik gebruiken
voor een aantal moties ter aanmoediging of misschien ter ontmoediging.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan wil ik het voorzitterschap even overgeven aan mevrouw Mutluer.
Voorzitter: Mutluer
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, het woord is aan u voor uw tweede termijn.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel. Allereerst natuurlijk dank aan de Minister en zijn staf voor de beantwoording,
maar ik wil de tweede termijn meer gebruiken om al onze boa's in Nederland een hart
onder de riem te steken. Mensen beseffen te weinig dat zij ons land veilig houden,
dat zij mensen beschermen, dat zij ervoor zorgen dat mensen veilig in de trein kunnen
reizen en veilig op straat kunnen zijn. Ik vind dat soms door mensen van buitenaf
maar soms misschien ook hier of in het verleden hier – in deze commissie heb ik het
niet gehoord – een beeld van boa's wordt neergezet waar jullie last van hebben. Jullie
zorgen er wel voor dat wij elke avond gewoon weer veilig thuis kunnen komen. Ik zou
publieke figuren in Nederland die invloed hebben – influencers, zoals ze dat tegenwoordig
noemen – ook echt willen oproepen om op televisie voorzichtig te zijn en niet schamper
te doen over boa's. Dat verdienen jullie niet. Het getuigt van heel erg weinig respect,
maar ook van heel erg weinig kennis. Iedereen die een bepaald beeld heeft van boa's,
zou ik aanraden om even een weekje mee te lopen, te zien wat jullie dan meemaken en
vooral ook te zien wat jullie doen om ons land veilig te houden. Daar wil ik mijn
tweede termijn mee afsluiten.
Voorzitter: Van der Plas
De voorzitter:
Dan neem ik het voorzitterschap weer terug. Ik kijk naar de Minister: wil hij nog
op iets reageren? Er is één vraag gesteld door mevrouw Straatman over de toegang van
de private boa's tot de informatiesystemen.
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. Op die vraag kan ik een heel kort antwoord geven: we nemen in het
halfjaarbericht politie mee hoe we daartegen aankijken. Dat is nog tijdig, want we
beginnen nu in april met de publieke zaken en daarna komt de rest.
Laat mij ook nog een woord van dank uitspreken aan alle boa's, die inderdaad een cruciale
rol voor ons vervullen in de veiligheid in onze omgeving, in onze steden, in onze
straten, maar ook in onze natuurgebieden. Ze zijn niet meer weg te denken. Het is
ongelofelijk om te zien dat er binnen vijftien jaar – het is echt nog een jonge organisatie – in
de diversiteit ontzettend veel kracht in deze organisatie zit. Daar gaan we verder
aan bouwen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu de toezeggingen even doornemen, maar allereerst merk ik
op dat er een tweeminutendebat is aangevraagd, met als eerste spreker het lid Martens-America
van de VVD.
Ik loop de toezeggingen langs.
– Naar aanleiding van vragen van mevrouw Mutluer over het arrestantenvervoer gaat de
Minister kijken naar de best practices en brengt hij die onder de aandacht van de
lokale gezagen.
– Naar aanleiding van een vraag van mevrouw Coenradie zal de Minister in het volgende
halfjaarbericht politie een los hoofdstuk over de boa's opnemen.
– Naar aanleiding van vragen van mevrouw Mutluer zal de Minister in het volgende halfjaarbericht
ook een passage opnemen over PTSS, dat staat voor «posttraumatische stressstoornis».
– Naar aanleiding van vragen van mevrouw Van der Plas zal de Minister de Kamer voor
de zomer de brief over de herziening van de Eenduidige Landelijke Afspraken sturen.
Ik wil de Minister en zijn staf als voorzitter van dit commissiedebat nogmaals bedanken
voor de antwoorden. Ik wil de Kamerleden bedanken voor hun betrokkenheid en hun mooie
woorden over de boa's. Ik wil het publiek hier op de tribune heel erg bedanken voor
hun komst en het volgen van het debat. Dat geldt ook voor de mensen die dit thuis
hebben gevolgd. Ik dank de bodes voor de goede zorgen, de harde werkers op de achtergrond
die zorgen dat wij een goed debat kunnen voeren. Uiteraard ook dank aan de griffier
voor de ondersteuning.
Rest mij niets anders dan te zeggen: zorg goed voor elkaar, help elkaar, wees goed
voor elkaar, zie om naar elkaar en kom vooral veilig thuis. Dank u wel.
Sluiting 16.32 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
B.J. Eerdmans, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
M.C. Burger, griffier