Verslag van een commissiedebat : Verslag van een commissiedebat, gehouden op 12 maart 2026, over Drugsbeleid
24 077 Drugbeleid
Nr. 569
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Vastgesteld 22 april 2026
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid en de vaste commissie voor Volksgezondheid,
Welzijn en Sport hebben op 12 maart 2026 overleg gevoerd met mevrouw Hermans, Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en de heer Van Weel, Minister van Justitie
en Veiligheid, over:
– de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 26 april 2024 inzake informatie
onderzoek experiment gesloten coffeeshopketen (Kamerstuk 24 077, nr. 541);
– de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 17 juni 2024 inzake stand
van zaken experiment gesloten coffeeshopketen en coffeeshopbeleid (Kamerstuk 24 077, nr. 545);
– de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 27 juni 2024 inzake beleidsreactie
op het WODC-onderzoek naar de mogelijkheden voor het monitoren van de gevolgen van
de toepassing van de Wet Damocles (Kamerstuk 34 763, nr. 21);
– de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 8 oktober 2024 inzake onderzoeksrapport
Internationale ontwikkelingen in cannabisbeleid voor recreatief gebruik (Kamerstuk
24 077, nr. 549);
– de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 10 december 2024 inzake voortgang
experiment gesloten coffeeshopketen en aanbieding onderzoeksrapport van de procesevaluatie
(Kamerstuk 24 077, nr. 550);
– de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 13 januari 2025 inzake beleidsreactie
op de evaluatie van de Wet drugs in het verkeer (Kamerstuk 32 859, nr. 19);
– de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 15 januari 2025 inzake onderzoeksrapport
Onderzoek Experiment Gesloten Coffeeshopketen. Rapportage nulmeting contaminantenanalyse
(Kamerstuk 24 077, nr. 551);
– de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 14 maart 2025 inzake ontwikkelingen
en voortgang experiment gesloten coffeeshopketen (Kamerstuk 24 077, nr. 553);
– de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 2 april 2025 inzake ontwikkelingen
en voortgang experiment gesloten coffeeshopketen (Kamerstuk 24 077, nr. 554);
– de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 2 oktober 2025 inzake rapport
Coffeeshops in Nederland 2024 (Kamerstuk 24 077, nr. 558).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, Eerdmans
De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Mohandis
De griffier van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, Burger
Voorzitter: Mutluer
Griffier: Nouse
Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Bikker, Tijs van den Brink, Claassen,
Diederik van Dijk, Faber, Martens-America, Mutluer en Sneller,
en mevrouw Hermans, Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en de heer Van
Weel, Minister van Justitie en Veiligheid.
Aanvang 10.00 uur.
De voorzitter:
Geachte collega's, geachte aanwezigen, ik wil jullie allen welkom heten. Ik weet dat
het heel gezellig is, maar ik stel voor dat we gewoon gaan beginnen met een interessant
debat over het drugsbeleid, dat de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid zo
direct gaat voeren. Wij hebben twee bewindspersonen in ons midden. Welkom, opnieuw,
Minister van Weel van Justitie en Veiligheid. U bent gemist op deze plek. We gaan
het u lastig maken de komende tijd. Ook welkom aan de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport, mevrouw Hermans, bij dit drugsdebat, vooral vanuit het zorgaspect
bezien.
We hebben hier volle bak in de zaal. Dat is meer dan normaal. We gaan zo meteen beginnen,
maar dat doen we niet voordat ik heb aangegeven dat de heer Claassen mevrouw Schilder
vervangt. De heer Claassen is geen lid van deze commissie, dus als jullie er toestemming
voor geven dat hij zo meteen zijn bijdrage kan doen, dan laten we dat toe. Ik zie
geen hele grote bezwaren, dus meneer Claassen, ook u mag uw bijdrage zo meteen gaan
doen.
We hebben tot 13.00 uur de tijd. We zijn best wel met een grote groep. Ook de voorzitter
gaat haar bijdrage leveren. We hebben maximaal drie interrupties in de eerste termijn.
Daarna kijken we verder. Ik stel voor dat we direct gaan beginnen. We hebben vier
minuten spreektijd per fractie. Mevrouw Faber, u heeft als eerste het woord.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ik ken de bewindspersonen wel, maar het is ons eerste debat,
dus ik verwelkom hen toch graag in onze commissie.
Voorzitter. Binnen de Europese Unie wordt er van de meeste soorten drugs nergens zo
veel drugs gebruikt als in ons kleine kikkerlandje. Als je drugs wilt gebruiken, is
Nederland the place to be. Overal zijn drugs te krijgen: in de steden, op het platteland.
Met één berichtje wordt het afgeleverd, wat je wilt en waar je wilt. Met het gedogen
van softdrugs wil men voorkomen dat softdrugsgebruikers in contact komen met het criminele
circuit en harddrugs. Men gaat er echter aan voorbij dat softdrugs gatewaydrugs zijn
naar de harddrugs. Des te gemakkelijker iets te verkrijgen is, des te makkelijker
wordt het gebruikt. Voor alles is wel een pilletje, snuifje of nog erger. Dit alles
tegen je geestelijke leegte, je onzekerheid of het gemis aan toekomstperspectief.
De maatschappij is complexer geworden. Een deel van de jongeren ziet geen toekomst.
Want waarom zou je gaan leren of werken als je toch geen huis krijgt? Het betreft
niet enkel jongeren, maar ook bijvoorbeeld mensen die na een echtscheiding op straat
belanden en geen sociaal vangnet hebben. Er is gewoon een groot gebrek aan huisvesting,
met als gevolg dakloosheid, wat weer een grotere kans geeft op drugsverslaving.
Voorzitter. Door al dat pleiten voor gedogen en legaliseren wordt het beeld gevormd
dat drugs er gewoon bij horen. Zelfs het Ministerie van Defensie overweegt af te stappen
van haar zerotolerancebeleid rond drugs. De overheid en diverse politieke partijen
normaliseren drugsgebruik. Dat gebruik lijkt dan oké, maar het is helemaal niet oké.
Het drugsgebruik onder jongeren tussen de 16 en 25 jaar oud is schrikbarend. Meer
dan de helft heeft bij het uitgaan xtc gebruikt, een op de drie cocaïne en bijna de
helft cannabis, waarmee geëxperimenteerd wordt in de gesloten coffeeshopketen. Hoe
zit het met het handhaven van het rookverbod in de coffeeshopketen? Wordt er gecontroleerd
of er alleen gereguleerde producten aanwezig zijn? Graag een reactie.
In tien jaar tijd is het aantal drugsdoden in Nederland verdrievoudigd. Drugsgebruik
is een symptoom van een ontwrichte samenleving. Vaak wordt er gedoogd als de zaak
al helemaal uit de hand is gelopen en politie en justitie het niet meer aankunnen.
Dan is de makkelijkste weg gedogen. Men zou zo ook meer capaciteit overhouden voor
de aanpak van harddrugs en criminaliteit. Maar ondertussen voedt het gedoogsysteem
het aantal harddrugsgebruikers. Men creëert zo een vicieuze cirkel. De beste manier
om drugs tegen te gaan, is de afzetmarkt weg te nemen. Gedogen en legaliseren passen
daar niet bij. Gedogen en experimenteren met een gesloten coffeeshopketen die onder
andere bevoorraad wordt met legaal geproduceerde cannabis, creëert juist een afzetmarkt.
Legaliseren verkleint ook het probleem niet. Een voorbeeld is de legalisering van
hennepteelt en recreatieve consumptie in onder andere Canada en de VS. Daar is illegale
overproductie ontstaan uit legale teelt. Drugs die oorspronkelijk bestemd waren voor
de lokale markt daar, komen vervolgens naar hier, dit middels illegale export. Dit
extra aanbod creëert een grotere markt.
De coalitie is voornemens om het bestaande gedoogbeleid voort te zetten. Dat kan nog
lollig worden, want D66 heeft ook ambities om harddrugs als xtc te legaliseren. Wordt
de productie dan ook gelegaliseerd? Dan wordt het interessant, want Europa kampt met
een tekort aan medicijnen, maar kan niet meer produceren door strakke milieuregels.
Is schade aan milieu veroorzaakt door drugs dan niet relevant? Heeft men dan liever
dat je verslaafd raakt dan dat je beter wordt? Gebruik van deze partydrugs – ik heb
het over xtc – is niet bepaald zonder risico. Het staat niet voor niets al op lijst I
van de Opiumwet.
Voorzitter. In Nederland hebben wij gewoon een drugsprobleem. Hoelang gaat dat wietexperiment
nog door? Hoe zit het met de evaluatie? Wordt het niet eens tijd om te stoppen met
het normaliseren van drugs?
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Een interruptie van mevrouw Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Je moet de vrolijke momenten in het leven altijd onmiddellijk markeren. Dit is er
zo een, want ik ben het van harte eens met collega Faber. Ik heb ook een vraag aan
haar. Binnenkort komt er een amendement in stemming waarmee we in de Justitiebegroting
dat wietexperiment zouden willen schrappen. Is zij van plan om dat te steunen?
Mevrouw Faber (PVV):
Dat moet ik wel met mijn fractie overleggen, maar ik sta er positief in. Maar het
is natuurlijk wel het standpunt van de hele fractie.
De voorzitter:
Ik zie verder geen andere interrupties. Dan gaan we door met de eerste termijn van
mevrouw Bikker van de ChristenUnie.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Nog altijd gaan in ons land mensenlevens, relaties en gezinnen
kapot door drugsgebruik, want achter het gebruik van pillen, poeders, joints en andere
verdovende middelen schuilt een wereld van nietsontziende criminaliteit, ondermijning,
verslaving en zelfs milieuproblemen, zoals mevrouw Faber terecht onder de aandacht
bracht. Dat is voor de ChristenUnie volstrekt onacceptabel. Dat vraagt om een stevige
aanpak, ook strafrechtelijk. Want als er serieuze journalistieke boeken geschreven
worden met als titel «Hoe Nederland een narcostaat werd», dan is het echt tijd om
wakker te worden. Er zijn grote gevolgen voor de volksgezondheid. Ik denk aan Vlissingen,
waar collega Grinwis vorige week prachtig campagne aan het voeren was met een aantal
jonge medewerkers, maar deze jonge medewerkers bij het uitstappen onmiddellijk werden
bevraagd of zij wat wilden kopen. Wat? De drugs flakka. Is de Minister daarvan op
de hoogte? Hoe ondersteunt hij gemeenten als Vlissingen hierbij? Of neem Ede, waar
jongerenwerkers van Youth for Christ de noodklok luiden, omdat steeds meer tieners
zogenaamde edibles nuttigen, snoepjes met cannabis erin. De verdovende invloed daarvan
is vaak nog groter dan bij een gewone joint en duurt veel langer. Deze jongerenwerkers
trekken aan de noodrem: stop hiermee! Kent de Minister de problematiek en wat doet
het kabinet hieraan?
Drugs gebruiken is bovendien niet vrijblijvend. Zonder vraag is er geen aanbod. Jouw
lijntje is zijn liquidatie. Jouw pilletje staat niet los van dumping van drugsafval
in een natuurgebied. Daarom heb ik een tijd terug een motie ingediend voor een landelijke
publiekscampagne om dat onder de aandacht te brengen. Wanneer kunnen we die campagne
verwachten? Is de Minister bereid om bij het voorbereiden daarvan gemeenten en studenten
– denk aan initiatieven als de Landelijke Kamer van Verenigingen, Lieve Mark, TIME
OUT en nog meer – actief daarbij te betrekken, zodat de krachtige, normerende boodschap
ook effectief bij de doelgroep belandt?
Voorzitter. Dan toch even over het wietexperiment, waardoor coffeeshops nu bevoorraad
worden en veel mensen in de stank zitten, maar waardoor wietkwekers telen onder overheidstoezicht.
De status quo wordt steeds een stukje verder opgerekt en drugsgebruik wordt verder
genormaliseerd. Daar komt nog iets bij, want de overheid zet zeer terecht in op rookpreventie.
Was het doel niet een rookvrije generatie? Hoe geloofwaardig is dat beleid als diezelfde
overheid nu met een goedkeuringsstempel van de Staat en allerlei subsidies de verkoop
van cannabis stimuleert? «Ceci n'est pas une pipe», heet het schilderij van René Magritte:
«dit is geen pijp». Zegt het kabinet in dezelfde geest: een joint is geen roken? Kan
de Minister mij uitleggen hoeveel schadelijke stoffen er nu geïnhaleerd worden bij
het nuttigen – om het woord «roken» dan maar te vermijden – van een joint? Is dat
meer of minder dan bij een sigaret? Als het meer is, is het kabinetsbeleid dan niet
uitermate inconsistent en is het vanuit het preventiebeleid dan niet een eerste stap
om cannabisgebruik gewoon niet meer te gedogen? Zou dat niet veel verstandiger zijn,
in plaats van het te faciliteren?
Voorzitter. In het coalitieakkoord staan maatregelen die de ChristenUnie op zich prima
kan ondersteunen. Er wordt gesproken over het denormaliseren van harddrugsgebruik,
de aanpak van handel en verkoop en het verplichten van grote festivals om een drugspreventieplan
op te stellen. Maar is dat eigenlijk wel genoeg om de maatschappelijke schade die
drugs veroorzaken, te voorkomen? Ik bedoel: moeten we gewoon niet alles op alles zetten
om te voorkomen dat jongeren afglijden in criminaliteit en verslaving? Moeten we scholen
niet helpen aan persoonlijke begeleiding, een passend zorgaanbod en vooral aan een
stevige aanpak?
Voorzitter, ik rond af. Stop met het naïeve gedoogbeleid. Implementeer een blowverbod
in de publieke ruimte, zodat we niet meer in die verschrikkelijke stank hoeven te
zitten. Maak in ieder geval als eerste stap een einde aan wiettoerisme door een ingezetenencriterium.
Bovenal: vergroot alsjeblieft de politiecapaciteit en pluk drugscriminelen helemaal
kaal, want misdaad moet niet lonen. Dus panden, boten, auto's, sieraden en wat dies
meer zij: afpakken en veilen.
Voorzitter. De ChristenUnie staat voor een samenleving waarin bescherming van gezondheid,
van veiligheid en van gezinnen centraal staat. Dat vraagt om duidelijke keuzes en
consistent beleid. Ik hoor graag de reactie van de beide bewindspersonen.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. Ik zie verder geen vragen, dus ik ga verder met de heer
Tijs van den Brink van het CDA. We wachten even op de bel, wat een minuut duurt, en
dan kunt u uw bijdrage starten.
Meneer Van den Brink, aan u het woord.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Als je een tijdje grasduint in de drugsmonitor
die het Trimbos-instituut onlangs weer heeft uitgebracht, kan het bijna niet anders
of je schrikt je rot. Zo verging het mij althans. Wat natuurlijk het meest in het
oog springt is dat het aantal drugsdoden in tien jaar tijd is verdrievoudigd. Inmiddels
overlijdt er iedere dag iemand aan drugs. In 2024 overleden er 378 mensen aantoonbaar
door drugsgebruik. Ook bij de diverse verslavingen slaat de schrik je om het hart.
Meer dan 10.000 mensen zaten in 2024 in een verslavingsinstelling vanwege cannabisgebruik.
Dat zijn mensen die in die tijd niet naar hun werk konden, niet hun opleiding konden
volgen, die gewoon vet in de problemen zitten vanwege middelen. Bij cocaïne zien we
hetzelfde beeld. Maar liefst ruim 8.000 mensen moesten in 2024 worden behandeld vanwege
een cocaïneverslaving. Het aantal verslaafden is natuurlijk nog veel groter, want
niet iedereen die verslaafd is, belandt in een kliniek.
Voorzitter. Voor iedereen die de drugsmonitor serieus ter harte neemt, is het duidelijk:
we hebben een groot probleem, dat ook groter is dan in veel andere landen in Europa.
Op vrijwel alle drugs scoren we slechter dan het gemiddelde van Europa. We zijn de
pillenslikkers en de snuifduiven van dit continent geworden. Ik wil van de Minister
graag horen of hij mijn waarneming deelt dat we een groot probleem hebben en of hij
ook de urgentie voelt om alles eraan te doen om drugsgebruik in ons land te denormaliseren.
Het gaat om levens van vaak jonge mensen. Tienduizenden mensen gebruiken zo veel drugs
dat het ten koste gaat van hun ontwikkeling. We moeten wat het CDA betreft met z'n
allen aan de bak om deze trend te keren. De grootste zorg op dit moment zijn synthetische
drugs en nieuwe psychoactieve stoffen, zoals bij de Funcapszaak. Het OM suggereert
dat door de pillen van die website tientallen mensen zijn omgekomen. Tientallen! Dat
zijn veel meer slachtoffers dan van een ramp die we allemaal nog goed in ons geheugen
hebben: de vuurwerkramp. Daar zijn helaas 23 mensen overleden. Zo groot als de schok
toen was, zo weinig deining lijkt er nu te zijn. Mijn vraag aan de Minister: is de
huidige stofgroepenbenadering voldoende om nieuwe synthetische drugs snel en effectief
te verbieden? Sinds 1 juli 2025 zijn drie stofgroepen verboden. Ik heb begrepen dat
er nog vier van die stofgroepen bestaan. Overweegt u ook een verbod daarop en wat
kunnen we verder doen om te voorkomen dat meer mensen slachtoffer worden van dit soort
drugs?
Dan ga ik naar het wietexperiment, voorzitter. U weet dat mijn partij geen fan is
van dit experiment. Wel hebben wij onze handtekening onder het regeerakkoord gezet
en wij zijn goed voor onze handtekening. Onze zorg is dat als je wiet reguleert, het
nog normaler wordt om te gebruiken. Bij verslavingsinstellingen is mij uitgelegd dat
als een drug gemakkelijk beschikbaar, maatschappelijk geaccepteerd en goedkoop is,
er alle reden is om te vrezen dat het gebruik ervan toeneemt. Dat zouden wij zeer
betreuren. We betwijfelen ook dat regulering leidt tot minder criminaliteit. Het rapport
Cannabislegalisering in Canada van het Platform Drugs van de Nederlandse politie,
dat onder leiding van Pieter Tops is geschreven, stemt wat dat betreft ook niet hoopvol.
Illegale en criminele activiteiten zijn niet verdwenen. Legalisering heeft de criminele
markt zelfs nieuwe mogelijkheden gegeven en Canada in sommige opzichten aantrekkelijker
gemaakt voor criminele cannabisactiviteiten. Dat merken wij hier ook. Uit de antwoorden
van de Minister van Justitie op mijn Kamervragen blijkt dat de hoeveelheid onderschepte
cannabis spectaculair is gestegen, van een kleine 4.000 kilo in 2023 naar ruim 65.000 kilo
vorig jaar. Vermoedelijk is een flink deel daarvan afkomstig uit Canada. Mijn vraag
aan de Minister is: moeten we vrezen dat dit ook gaat gebeuren met legaal in Nederland
geteelde cannabis?
Voorzitter. U hoort het: wat mij betreft proberen we het gebruik van drugs in ons
land de komende jaren te denormaliseren. Daar is alle reden toe. Het is dan ook goed
nieuws dat in het coalitieakkoord is afgesproken dat grote festivals worden verplicht
een drugspreventieplan te maken. Ook zijn we er blij mee dat mensen die worden veroordeeld
voor het overtreden van de Opiumwet vaker een educatieve maatregel krijgen opgelegd,
als onderdeel van hun straf. Aanvullend daarop: op dit moment is het zo dat gemeenten
verplicht zijn een integraal Preventie- en handhavingsplan alcohol op te stellen.
De ontwikkelingen waar we vandaag over praten, zijn wat mij betreft een goede reden
om ook drugs op te nemen in dat integraal preventieplan. Is de Minister daartoe bereid?
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. Ik zie een interruptie van mevrouw Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Mooi om te zien hoe bevlogen collega Van den Brink is in het bestrijden van drugsgebruik.
Hij vindt dat drugsgebruik niet normaal moet worden. Ik zag vanmorgen een mooi filmpje
daarover dat hij had opgenomen. Ik hoop vooral dat het veel mensen bereikt die denken
dat het allemaal wel meevalt met de schade. Ik zat nog even het coalitieakkoord door
te bladeren en eigenlijk zou je, als de signalen zo alarmerend zijn, stevige maatregelen
verwachten. Laat ik de vraag open stellen: welke stevige maatregelen ziet collega
Van den Brink zelf nu in het coalitieakkoord staan?
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik heb er een paar genoemd: het drugspreventieplan bij festivals en de educatieve
maatregel bij overtreding van de Opiumwet. Verder kan het voor u geen geheim zijn
dat wij graag verder hadden willen gaan. We zitten echter in een coalitie waarin we
afspraken hebben gemaakt. Wij zijn blij met de toon in het coalitieakkoord als het
gaat om harddrugs. Als wij nog meer zetels zouden halen, zouden we graag een paar
stappen verder gaan.
De voorzitter:
Mevrouw Bikker, met haar laatste interruptie.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voor mij hangt dat niet van je aantal zetels af. Met drie zetels kun je echt het nodige
bereiken, als je maar een meerderheid haalt. Dat moet dus zeker gelden met de vele
zetels van het CDA.
Dan heb ik toch een vraag. We zien dat de cannabisproblematiek enorm toeneemt in ons
land, maar er toch wel wordt gekozen voor een wietexperiment; u kunt trouwens voor
een prachtig amendement stemmen om dat te stoppen, maar dat terzijde. Drugscriminelen
vinden, eigenlijk vanuit risicoberekening, dat straffen rondom cannabis in Nederland
niet zo hoog zijn, dus gaan ze er lekker mee door. Is het voor collega Van den Brink
dan in ieder geval een overweging om te kijken naar de gevangenisstraffen, oftewel
de strafmaat? Zo weten criminelen dat als zij wiet illegaal produceren, binnenhalen
of er wat dan ook mee doen, ze stevig bestraft worden. Zo zijn we niet weer het lachertje
van Europa, waar alle snuifduiven graag naartoe vliegen.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik ben graag bereid om naar uw voorstellen daarover te kijken. Het is misschien wel
goed om ook even te zeggen dat zowel uw partij als die van mevrouw Faber in een coalitie
hebben gezeten waarin het wietexperiment bestond. Het is zelfs begonnen toen wij samen
in een kabinet zaten. Dit zijn de feiten. Ja, mevrouw Faber, u zat ook in een kabinet
waar dat gewoon aan de orde was. We zijn dus met z'n allen schuldig en we moeten met
z'n allen proberen het terug te dringen.
De voorzitter:
Omdat mevrouw Faber direct wordt aangesproken, geef ik haar als eerste het woord,
hoewel de heer Claassen eigenlijk eerder was.
Mevrouw Faber (PVV):
U kunt toch niet ontkennen, zeg ik via de voorzitter, dat ik er in ieder geval wel
voor pleit om de grenzen te sluiten.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Voor mensen of voor drugs?
Mevrouw Faber (PVV):
Voor alles natuurlijk, want dan pak je ook de drugskoeriers. Op het moment dat je
strenger controleert aan de grenzen, is er altijd bijvangst, altijd van verdovende
middelen. Dat hebben we ook gezien. Ik heb ook bij mijn werkbezoeken gezien dat het
bij de bijvangst vaak verdovende middelen betrof. Het was dus niet zo dat we helemaal
niks deden; indirect konden we toch nog wel het een en ander doen.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Volgens mij hebben onze autoriteiten helemaal geen gesloten grenzen nodig om drugs
bij de grenzen tegen te houden.
De voorzitter:
Heeft u nog een interruptie?
Mevrouw Faber (PVV):
Het klopt wel. Voor een deel kan je dus een heleboel bij de havens onderscheppen,
maar onze Duitse collega's onderscheppen toch een heleboel aan de grens, dus het zet
zeker wel zoden aan de dijk.
De voorzitter:
Waarvan akte. Ik zie dat meneer Claassen een interruptie heeft.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Het betoog van de heer Van den Brink komt een beetje op mij over als Pontius Pilatus
die zijn handen wast in onschuld, doordat hij zegt: we hebben de handtekening gezet
en er staan wat maatregelen in waarmee we kunnen vergoelijken dat het beleid op, in
dit geval, softdrugs gewoon kan blijven bestaan. Ik vind dat heel erg vreemd, want
het CDA is, net als D66, een groot pleitbezorger van antirookbeleid, dus leefstijlpreventie.
Ik kan het niet rijmen dat je de handtekening zet onder het drugsbeleid dat nu in
het akkoord staat, terwijl je fundamenteel een probleem hebt met drugs en je fundamenteel
iets wilt doen aan leefstijl. Dan komt het op mij over als zoeken naar een compromis.
Ik vind het een heel slecht compromis. Ik ben benieuwd wat meneer Van den Brink ervan
vindt.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik heb gezegd dat het niet in ons verkiezingsprogramma stond. Daar heeft het nooit
in gestaan. Ook in het laatste verkiezingsprogramma stond weer dat wij er niet enthousiast
over zijn. Tegelijkertijd leven we in een coalitieland en moeten we deals met elkaar
sluiten. Dat is in het verleden gebeurd. Wij vinden ook dat als je je handtekening
zet je daarvoor moet staan. Misschien is het ook nog wel goed om te zeggen dat het
volgens mij van groot belang is hoe we dit debat met elkaar voeren. Als wij in onze
woorden met elkaar uitstralen dat drugsbeleid heel normaal is, normaliseer je het
daarmee ook. Dat heeft dus niet te maken met Pontius Pilatus, maar ik kies deze toon
heel bewust om tegen alle mensen in de samenleving die hiernaar kijken aan te geven
dat het niet normaal is als je drugs gebruikt. Doe het niet. Stop ermee, als je effe
kan.
De voorzitter:
De voorzitter heeft ook een interruptie, dus ik vraag mevrouw Faber om even mijn rol
over te nemen.
Voorzitter: Faber
De voorzitter:
Aan u het woord dan, mevrouw Mutluer.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik heb uiteraard kennisgenomen van het opiniestuk van collega Van den Brink. De mensen
uit de praktijk zeiden: de heer Van den Brink deed heel erg aan cherrypicking door
een aantal feiten te gebruiken om een punt te maken en hij haalt verschillende begrippen
door elkaar, namelijk «legalisering», «regulering» en «normalisering». Ik zou een
eerste reactie van de heer Van den Brink daarover wensen te hebben.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Zou u dan uw vraag iets preciezer kunnen formuleren?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik geef een aantal voorbeelden. De heer Van den Brink sprak in zijn opiniestuk nadrukkelijk
over de gevaren van drugsgebruik, maar we zien in de praktijk dat er door alcoholgebruik
veel meer doden vallen, terwijl we dat natuurlijk in onze praktijk hebben genormaliseerd.
Om Canada als voorbeeld te nemen waar legalisering problemen zou veroorzaken: inmiddels
blijkt ook dat daar ongeveer 80% van de cannabis legaal wordt verkocht, waardoor een
groot deel van de markt aan de georganiseerde misdaad – dan hebben we het over miljarden
– is onttrokken. Dat is kritiek vanuit de buitenwereld. Er zijn een paar voorbeelden.
Vandaar dat ik vraag om een reactie van de heer Van den Brink.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik denk dat als wij vandaag de dag zouden moeten besluiten om alcohol te legaliseren,
we daar met z'n allen nog eens even heel goed over na zouden denken, dus als het slecht
gaat met alcoholgebruik, wil dat niet zeggen dat we daarom ook maar meer aan drugs
moeten gaan doen. Over Canada heb ik vooral het rapport Cannabislegalisering in Canada
gelezen, gemaakt door de Nederlandse politie onder leiding van Pieter Tops. Die zegt
dat de criminaliteit daar helemaal niet minder is geworden en trouwens het gebruik
ook niet. Er zullen vast meer onderzoekers bezig geweest zijn. Er zijn vast meer onderzoeken
te vinden. Ik vind het een overtuigend rapport. Dat sterkt mij alleen maar in de mening
dat we in ieder geval heel goed moeten nadenken voordat we echt overgaan tot regulering.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Tot slot gebruik ik met alle liefde mijn laatste interruptie als woordvoerder voor
de heer Van den Brink. Die gaat over het stukje gezondheid en de gezondheidsaspecten.
Ik hoor de heer Van den Brink in zijn bijdrage nadrukkelijk ingaan op de schade die
jongeren kunnen ondervinden door het gebruik van drugs. Er zijn organisaties, zoals
Mainline, die daar ondersteuning aan bieden. Na 36 jaar gaat Mainline stoppen, omdat
de subsidie wordt stopgezet. Collega Sneller heeft vorig jaar via een amendement getracht
om Mainline nog een jaar in leven te houden. Dat lukte. Dit jaar heeft GroenLinks-PvdA
een amendement. Mijn vraag aan de heer Van den Brink is: als hij zijn mond vol heeft
van gezondheid en gezondheidsaspecten, hoe rijmt hij dat dan met het geen geld ter
beschikking stellen aan organisaties zoals Mainline, die daar zorg voor kunnen dragen?
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik heb in Nieuwsuur een mooie reportage gezien over het werk van Mainline. Die raakte
mij. Ik kan u zeggen dat iedereen die naast mensen die in de shit zitten gaat staan
om ze te helpen, onze warme sympathie heeft. Dat geldt dus ook in dit geval. Toen
ik vervolgens even op de website van Mainline ging zoeken naar waar ze precies voor
staan, schrok ik wel. Daar staat gewoon letterlijk dat als je wil beginnen met chemsex,
zij je kunnen supporten. Dat staat ideologisch zo ver van ons af, dat ik weinig voel
voor het subsidiëren van deze organisatie.
Voorzitter: Mutluer
De voorzitter:
Ik neem het voorzitterschap weer over, want ik heb geen interrupties meer. Ik ga dus
door naar collega Sneller voor zijn eerste termijn.
De heer Sneller (D66):
Dank u wel, voorzitter. Hartelijk welkom aan de Minister van VWS in de commissie voor
Justitie. Ik had haar de eerste plek gegund bij een drugsdebat, omdat ik denk dat
het doel van drugsbeleid uiteindelijk het beperken van gezondheidsschade is. Het bevorderen
van de openbare orde is daar ook een belangrijk doel van. Het staat voor mij ook symbool
voor de scheefgroei tussen de repressieve en de preventieve aanpak. In opdracht van
het Ministerie van Justitie is eerder onderzocht wat onze drugsbestrijding aan de
repressieve kant kost. Als je dat vergelijkt met wat er aan de preventieve kant, of
de verslavingszorgkant, wordt uitgegeven – ik heb eerder genoemd dat die factor 100
tot 1 staat – is dat volgens mij nogal scheef. Daar worden de uitkomsten voor de volksgezondheid,
maar ook voor de veiligheid, niet beter van.
De Nationaal Rapporteur Verslavingen schreef in oktober een mooi opiniestuk in Trouw.
Die zei: «We weten dat een repressieve aanpak niets oplost. Het stigmatiseren van
kwetsbare mensen is contraproductief. Wat werkt, is een pragmatische benadering gericht
op schadebeperking en maatschappelijk herstel.» Dat gaat natuurlijk met name om de
kwetsbare doelgroepen die onder andere ten prooi vallen aan flakka, zoals mevrouw
Bikker terecht noemde, en ook aan de synthetische opioïden, die door collega Van den
Brink werden genoemd. Hij besluit zijn pleidooi eigenlijk met een oproep: «De geschiedenis
leert dat een succesvolle aanpak tijd, moed en samenwerking vergt. Voor de politiek
ligt hier een kans: ontwikkel samen met gemeenten een plan van aanpak dat voortbouwt
op bewezen effectieve strategieën en inspeelt op de actualiteit. Dat spaart levens
en kosten.»
Misschien mag ik dat gebruiken als haakje om een reactie te vragen, maar ook om de
Minister van VWS te vragen wat dieper in te gaan op de doden, die door de heer Van
den Brink terecht werden genoemd, door synthetische opioïden. Het Trimbos-instituut
heeft vorig jaar namelijk een preparedness scan uitgevoerd. Oftewel: zijn we nou goed
voorbereid op een crisis die we al langer zien aankomen? Die crisis manifesteerde
zich al eerder in de Verenigde Staten en in Canada, vooral ook door eerder voorgeschreven
medicatie en de nasleep daarvan. Dat zien we eigenlijk in de preparedness scan ook.
Het Trimbos-instituut zegt: «Er lijkt op dit moment geen wijdverspreid aanbod te zijn
van niet-voorgeschreven synthetische opioïden voor recreatief gebruik.» Maar het zegt
ook: «Er is een actieve markt voor niet-voorgeschreven pijnmedicatie. Dat betreft
met name legaal geproduceerde pijnmedicatie, maar ook namaakvarianten worden gesignaleerd.»
Dan gaat het over een miljoen Nederlanders die opioïden voorgeschreven krijgen. Meer
dan een derde van die mensen die een sterkwerkend opioïde voorgeschreven krijgen,
blijft deze langdurig gebruiken. Ik zou ook een wat diepere analyse willen horen over
waar het nou vandaan komt. Neem Funcaps, is het beeld daar nou van dat het gaat om
partypillenkopers of om mensen die hierin zijn vervallen na pijnmedicatie? Volgens
mij valt een groot deel namelijk in de laatste categorie. Ik denk dat dat een teken
is dat we dieper moeten inzoomen op wie de gebruikers zijn. We hebben het vaak generaliserend
over drugsgebruikers. Dan hebben we het over degene die hartje zomer legaal verkregen
psychedelica van de smartshop gebruikt en daar verder niemand mee lastigvalt of degene
die door collega Van den Brink Zuidassnuiver of snuifduif wordt genoemd. Het gaat
dan echter ook om degene die alcohol of tabak consumeert, want dat staat in de Nationale
Drug Monitor. Dat vind ik fascinerend. Het vorige kabinet schreef dat een ruime meerderheid
van de bevolking geen drugs gebruikt, terwijl de Nationale Drug Monitor aangeeft dat
76,8% weleens drinkt. Ook daarvan denk ik: laten we inzoomen op die drugs, op welke
verschillende drugs er zijn, op hoe schadelijk ze zijn en op hoe verslavend ze zijn.
Laten we ook kijken naar wat de reden is dat mensen ze gebruiken, want dat is heel
divers. Ik denk dat we door die realistischere analyse tot effectiever drugsbeleid
kunnen komen.
De voorzitter:
U heeft een interruptie, vandaar dat ik naar de microfoon ging, van de heer Diederik
van Dijk.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik hoor in het betoog van de heer Sneller heel veel nuance, inzoomen en uitleg. Mijn
concrete vraag aan de heer Sneller is of hij, of D66 erkent dat Nederland kampt met
een immens drugsprobleem.
De heer Sneller (D66):
Ik probeerde juist dat soort generaliserende statements, waar iedereen iets anders
onder verstaat, te vermijden. Er zijn veel problemen met drugs in Nederland.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dat zie ik dan maar als een bevestigend antwoord. Het is hier al vaker gewisseld,
maar in de afgelopen tien jaar hebben we een verdrievoudiging van het aantal drugsdoden
en duizenden mensen in de verslaving gezien. Als dit zou gebeuren in het verkeer,
dus een verdrievoudiging van het aantal verkeersdoden, dan zou D66 waarschijnlijk
op zijn achterste benen staan en zeggen dat het helemaal misgaat, dat we dat niet
kunnen accepteren en dat we dat moeten aanpakken. Zo'n verontruste opstelling over
wat er gaande is, mis ik tot nu toe in het betoog van de heer Sneller.
De heer Sneller (D66):
Dan heeft de heer Van den Brink, sorry, de heer Van Dijk mijn betoog toch niet helemaal
goed begrepen. De heer Van den Brink heeft het wel goed begrepen. De heer Van Dijk
heeft dan niet goed geluisterd volgens mij. Ik heb juist ook eerder schriftelijke
vragen gesteld over synthetische opioïden en de fentanylcrisis, die al werd aangekondigd.
In België waren daar al signalen van. Het Trimbos-instituut gaf daar al signalen over
af. Stichting Mainline zag dat dit in de haarvaten van de samenleving ook in opkomst
was. We zagen het in de Verenigde Staten en Canada gebeuren. Ik heb toen aan het kabinet
gevraagd of wij daarop voorbereid waren. De harm-reductionaanpak is juist cruciaal
om te voorkomen dat die mensen overlijden. Dit weekend schreef Michelle van Tongerloo,
straatarts in Rotterdam, over Carla. Zij werd geslagen door haar man en hij verkruimelde
ook heroïne in haar sigaretten. Je ziet dat met fentanyl hetzelfde gebeurt; het wordt
versneden met andere drugs, waardoor mensen verslaafd worden gemaakt. We moeten daar
een goede aanpak voor hebben.
Ik neem alleen een andere afslag. Dat zou trouwens ook zo zijn bij de verkeersdiscussie
waar de heer Van den Brink, sorry, de heer Van Dijk ... Wij kennen elkaar toch redelijk
goed, maar ik verwar u op de een of andere manier. Ik neem dus uiteindelijk wel een
andere afslag als het gaat om wat nou de effectiefste aanpak is. Ik sluit me daarin
aan bij wat de Nationaal Rapporteur Verslavingen zegt: laten we kijken naar wat werkt.
Als dat betekent dat we voor bijvoorbeeld het verkeer strenger moeten straffen en
de boetes moeten verhogen, dan ga ik daar graag in mee met de heer Van Dijk. Als dat
betekent dat we wegen anders moeten inrichten of maximumsnelheden moeten aanpassen,
dan ga ik daar ook in mee. Volgens mij moeten we ook bij het drugsbeleid een wat nuchterdere
discussie voeren over wat het beste werkt.
De voorzitter:
Dit is uw laatste interruptie, meneer Van Dijk.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank voor de reactie van de heer Sneller. Ik vraag me oprecht af of het een andere
afslag is. Is er geen sprake van een heel ander vertrekpunt? Zou, gezien de feiten,
het vertrekpunt niet moeten zijn dat drugs niet normaal zijn? Het maakt zo veel schade:
het leidt tot doden en verslaving, het verwoest levens. Ik kan dan niet begrijpen
dat D66 blijkbaar – dat hoorde ik ook uit de woorden van de heer Van den Brink – zo
heeft dwarsgelegen om te komen tot strengere maatregelen op drugsgebied. Er is dus
voor mij geen sprake van een andere afslag, maar van het vertrekpunt. Drugs zijn niet
normaal. Wanneer gaat D66 dat in de breedte uitdragen?
De heer Sneller (D66):
Het gaat volgens mij juist wel over een andere afslag. In het rapport van de Staatscommissie
MDMA, dat de heer Van Dijk ook heeft gelezen, staat op pagina 127 een heel mooie grafiek
die gaat over hoe je de schade van drugs en andere stoffen zo goed mogelijk kan beperken.
Dat is niet door ze helemaal vrij te geven en het is zeker ook niet door ze helemaal
illegaal te maken. Ik heb dat eerder ook betoogd: in dat geval krijg je straatdealers,
die ook in landen met de meest repressieve drugswetten gewoon actief zijn. Dan zijn
er geen minimumleeftijd, geen voorlichting, geen doorverwijzing naar de verslavingszorg
en geen maximumhoeveelheden. Misschien zijn er nog veel strengere manieren om drugs
te reguleren en dat lijkt me ook gepast voor sommige soorten drugs, maar dit zijn
allemaal dingen die je wel kan bereiken met coffeeshopbeleid, als die coffeeshops
gewoon gesloten worden als ze verkopen aan mensen onder de 18. Ik heb het eerder aangehaald:
dat beleid wordt strak gecontroleerd door burgemeesters en in verschillende monitoren
over de coffeeshopmarkt in Nederland. Er is niet één coffeeshop gesloten wegens verkoop
aan minderjarigen. Laten we wat mij betreft dus vooral kijken naar hoe we het strikt
kunnen reguleren, want dat is uiteindelijk voor zowel de gezondheidskant als de veiligheidskant
de beste aanpak.
De voorzitter:
De heer Van den Brink voor zijn eerste interruptie.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Fijn om te horen dat meneer Sneller net als wij zijn uiterste best wil doen om het
aantal verslaafden terug te dringen; daar ben ik blij mee. Ik hoorde u ook iets zeggen
over de plannen van gemeenten. Ik heb net gevraagd of de Minister het een goed idee
zou vinden om bij dat integraal preventie- en handhavingsplan voor alcohol ook teksten
op te nemen over drugs. Zou u daarvoor zijn?
De heer Sneller (D66):
Ik vind dat helemaal geen gek idee. Ik heb eerder ook in een debat met het kabinet
aangehaald dat juist de verslavingsinstellingen inderdaad vaak kampen met wachtlijsten,
maar ook met gebrekkige financiering. We geven ze verplichtingen, maar in andere debatten
in de commissie voor Binnenlandse Zaken zeggen we dan: geen taken zonder knaken. Laten
we er dus inderdaad voor zorgen ... Ik zie dat mevrouw Bikker dit amendement gaat
steunen of indienen. Ze steekt haar duim op, zeg ik even for the record. Als wij zeggen
dat we die preventieve aanpak graag serieus willen optuigen, dan heb ik gewezen op
de scheefgroei met de bestedingen aan representatieve middelen, maar ben ik er helemaal
voor om dat van gemeenten te vragen, als we ze ook in staat stellen om dat vervolgens
uit te voeren.
De voorzitter:
Helder. U was niet klaar met uw betoog, toch? Gaat u verder.
De heer Sneller (D66):
Tijdens het debat over het lachgasverbod heb ik een motie ingediend, die ook is aangenomen,
om te kijken hoe we kunnen komen tot snellere en gerichtere regulering. In 2015 kwam
lachgas voor het eerst op de radar bij het CAM, het Coördinatiepunt Assessment en
Monitoring nieuwe drugs en de risicobeoordeling daarvan. Het duurde heel lang voor
we iets konden doen, want dan moeten de schade en de overlast zo groot zijn geworden
dat we het op een drugslijst kunnen zetten. Ik was daartegen, maar dat heeft de meerderheid
wel besloten. Ik denk, en dat heb ik toen ook betoogd, dat als je daar in 2016 als
kabinet een aantal maatregelen tegen had willen nemen – volumebeperking qua verkoop,
een minimumleeftijd invoeren – je 150 stemmen voor had gehad. Daarmee had je heel
veel schade kunnen voorkomen. Ik ben benieuwd hoe het zit met de uitwerking van die
motie.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. Dan ga ik nu verder met de heer Claassen voor zijn eerste
termijn.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Voorzitter. Dan weer een ander geluid. Al jaren houden we een systeem in stand waarin
de verkoop van cannabis wordt toegestaan in coffeeshops, terwijl de productie en groothandel
strafbaar zijn. Dat noemen we «pragmatisch», maar eigenlijk klopt het gewoon niet.
We verbieden iets en staan het tegelijkertijd toe. We zeggen dat drugs schadelijk
zijn, maar zorgen er wel voor dat ze op veel plekken eenvoudig verkrijgbaar zijn.
Dat is geen duidelijk beleid. Dat is een compromis waar niemand echt tevreden mee
kan zijn. Daar waar het kabinet met de vinger wijst over roken, een suikertaks en
wat dies meer zij in het kader van leefstijl, kan ik het standpunt ten aanzien van
softdrugs totaal niet plaatsen. Kan de Minister dat wél uitleggen? Ik bedoel in dit
geval de Minister van VWS.
Met het experiment van de gesloten coffeeshopketen probeert het kabinet die tegenstrijdigheid
te repareren door de keten te reguleren. Wat ons betreft wordt het probleem daarmee
niet opgelost. Het gedoogbeleid wordt niet teruggedraaid; het wordt juist verder vastgezet
in beleid. De overheid wordt daarmee niet minder, maar meer betrokken bij het organiseren
van een markt voor cannabis. Daarnaast moeten we niet doen alsof cannabis op zichzelf
staat. In veel gevallen is het de eerste stap richting zwaardere middelen. Vrijwel
iedereen die later drugs gebruikt, is ooit begonnen met softdrugs. Dat betekent niet
dat iedere jongere die een joint rookt automatisch overstapt op een lijntje coke,
maar we zien wel dat cannabis de drempel kan verlagen. Daar is meneer Sneller het
volgens mij niet mee eens.
De voorzitter:
Ik denk dat hij het daar inderdaad niet mee eens is. Dat gaat u nu horen, want hij
gebruikt nu zijn interruptie.
De heer Sneller (D66):
Ik geloof dat het Bolkestein was die ooit zei: elke harddrugsgebruiker is ooit begonnen
met babymelk. Oftewel, het is een beetje een gek argument.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Wat is babymelk? Bedoelt u moedermelk, of borstvoeding?
De heer Sneller (D66):
Melk voor baby's. Ik zal u de details besparen, maar je hebt ook poeders waarmee je
babymelk kunt maken.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Maar dat is dan toch geen «babymelk»?
De heer Sneller (D66):
De heer Claassen mixt nog steeds elke ochtend poeders met water om melk te drinken.
De voorzitter:
Meneer Sneller, gaat u door.
De heer Sneller (D66):
Wat is nou het standpunt van de groep Markuszower op dit punt? Hij zegt dat het gedoogbeleid
wordt voortgezet. Wat mij betreft wordt het gedoogbeleid juist niet voortgezet. In
het kader van het experiment wordt er juist voor gezorgd dat criminelen niet meer
aan de achterkant geld kunnen verdienen aan drugsteelt. Er wordt dus juist voor gezorgd
dat we het uit hun handen slaan. Wat zegt de heer Claassen nou? Zegt hij dat alle
coffeeshops dicht moeten of zegt hij iets anders?
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Het liefst alle coffeeshops dicht, maar we weten dat dat eigenlijk een onhaalbare
kaart is. Ik zal herhalen wat ik tweeëneenhalf jaar geleden tegen de heer Sneller
zei in een plenair debat over die wietproef, namelijk: er moet in ieder geval geen
coffeeshop meer bij komen. Ook moeten we kijken waar de coffeeshops zich bevinden.
Als ze zich binnen een straal van 100 of 200 meter van een basisschool of middelbare
school bevinden, dan moeten ze daar weg. Als dat betekent dat een heleboel coffeeshops
moeten verdwijnen, omdat ze zich binnen die cirkel bevinden, dan is dat maar zo.
De heer Sneller (D66):
Dan is dus de ideale situatie, zoals de heer Claassen die schetst, dat we pak ’m beet
200 coffeeshops overhouden en dat de criminelen die deze coffeeshops bevoorraden gewoon
elk jaar hun zwarte geld kunnen blijven verdienen. Vervolgens moeten we daar dan een
harde aanpak op inzetten, maar laten we via de achterdeur van de coffeeshops nog steeds
honderden miljoenen per jaar het criminele circuit in stromen.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ja, maar ook in de leefwereld van D66 zal dat beeld dat u net schetst blijven bestaan.
Dat verandert niet. Of we nu gaan legaliseren of niet: die handel blijft bestaan.
Ik woon in een grensregio, op vijf minuten van Duitsland en tien minuten van België,
en ik geef het u te doen, meneer Sneller. Wij gaan het hier legaliseren, dus dat worden
winstpakkers. Koeriers van over de grens worden winstpakkers. Men zal het van over
de grens hier komen ophalen. Dat komt dan niet legaal binnen, maar wel via tussenpersonen.
Uw leefwereld is dan misschien wat te rooskleurig. In mijn leefwereld verandert het
helemaal niks aan het drugsgebruik onder jongeren. Sterker nog, wellicht zal het nog
veel erger worden.
De heer Sneller (D66):
Het enige waar niks aan verandert, is wat mij betreft de voorkant, namelijk de verkoop
door coffeeshops. Daar verandert helemaal niks aan, niet in het gesloten coffeeshopexperiment,
maar ook niet in de regulering die ik voorsta. Wat er verandert, is dat er aan de
achterkant geen geld meer wordt verdiend door criminelen, zoals nu het geval is. De
koeriers waar de heer Claassen het over heeft, kunnen nu ook als ze dat zouden willen
aan de voorkant maximaal 5 gram kopen. Dat gebeurt niet. Er zal in ieder geval geen
verandering komen als je het reguleert. Het argument van de heer Claassen snijdt dus
absoluut geen hout.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Mijn argument snijdt wel hout.
De voorzitter:
U heeft geen interrupties meer, dus dat was het. Ik zou zeggen: meneer Claassen, gaat
u door met uw bijdrage.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik had een lijntje gezet waar ik was gebleven in mijn bijdrage.
Hoe normaler het wordt, hoe kleiner de stap naar meer. Dat risico moeten we niet onderschatten.
Het experiment wordt vaak verdedigd met de belofte dat het de criminaliteit zal terugdringen;
dat heeft u net ook gehoord. Dat klinkt aantrekkelijk, maar de werkelijkheid is minder
eenvoudig. Criminele netwerken verdwijnen niet zomaar omdat de overheid een deel van
de markt overneemt. Ze zoeken andere routes, andere middelen en andere inkomstenbronnen.
Kunt u een voorbeeld geven van een crimineel netwerk dat is verdwenen sinds de inwerkingtreding
van het gedoogbeleid van het experiment? Ik niet. Ondertussen zien we dat het experiment
zelf al te maken heeft met leveringsproblemen, discussies over de kwaliteit en uitzonderingen
in de handhaving. Dat maakt het eerlijk gezegd moeilijk om te geloven dat deze markt
zo maakbaar is als wordt voorgesteld.
Wat me misschien nog het meest zorgen baart, is het signaal dat wij afgeven. We steken
veel geld in preventie en vertellen jongeren dat drugsgebruik schadelijk is, maar
tegelijkertijd zijn er honderden coffeeshops waar cannabis legaal wordt verkocht.
Dat verhaal is niet geloofwaardig, en jongeren merken die tegenstrijdigheid feilloos
op. Daarmee wordt het hele preventie-idee, waar dit kabinet zo veel in wil investeren,
overboord gegooid.
Wij kiezen daarom voor helderheid. Als iets schadelijk is, moeten we het niet normaliseren.
Als iets verboden is, moeten we het niet via een omweg faciliteren. Natuurlijk moeten
we investeren in preventie en verslavingszorg. Natuurlijk moeten we georganiseerde
criminaliteit hard aanpakken. Maar dat is iets anders dan het door de overheid organiseren
van een cannabismarkt.
Voorzitter. We willen voorkomen dat het experiment, zonder dat we daar principiële
keuzes over maken, langzaam uitgroeit tot vast beleid. Voor ons moet het ook mogelijk
zijn om te zeggen: dit is niet de richting die we op willen. We moeten niet verder
op de glijdende schaal van normalisering, maar terug naar een duidelijk en consequent
verhaal.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Diederik van Dijk; uw vier minuten gaan nu in.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Nederland stond te snuiven van trots na het hoge aantal plakken
op de Winterspelen in Italië. Waar een klein land groot in kan zijn. Helaas zijn er
ook titels die je met het schaamrood op de kaken moet slikken: Europees kampioen productie
van de drug MDMA, eenzame koploper xtc-gebruik onder jongvolwassenen en nota bene
producent van gecertificeerde staatswiet. Tegen deze achtergrond is de toon van het
coalitieakkoord ontnuchterend. Het kabinet wil een nuchter beleid; dat klinkt toch
een beetje als «maak je niet té druk». Waarom geen zwaailichten en sirenes om van
onze pariastatus in Europa af te komen?
Voorzitter. Eerst over het wietexperiment. Het woord «Staatsblad» krijgt bij deze
gereguleerde cannabiskwekerijen een wrange bijsmaak. Er is al behoorlijk gerommeld
met de voorwaarden om dit ideologische speeltje in de benen te houden. Kunnen we ervan
op aan dat het daarmee nu afgelopen is? Wanneer krijgt de Kamer het afbouwpad voor
dit experiment?
Voorzitter. De strijd tegen drugshandel vraagt vasthoudendheid en creativiteit, zowel
in Nederland als daarbuiten. Ik noem drie punten. Er lijkt in de productie al een
paar jaar een verschuiving gaande van het zuiden naar het noorden van Nederland. Gelukkig
waren er recent weer successen met het oprollen van drugslabs in Friesland. Kunnen
deze regio's maximaal hun voordeel doen met eerdere praktijkervaring die bijvoorbeeld
in Brabant is opgedaan? Hoe worden kennis en ervaring uitgewisseld? Het tweede punt
is dat Europol in januari het belang benadrukte van betere inlichtingen en meer toezicht
op zee om nieuwe vormen van smokkel te bestrijden. Neemt het kabinet extra inzet op
middelen en mogelijkheden mee in de plannen voor de Kustwacht, voor Defensie en voor
de veiligheidsdiensten? Het derde punt is de motie van SGP en VVD over het wettelijk
regelen van een schadevergoeding voor saneringskosten van drugsdumpingen. Die motie
is vorig jaar aangenomen. Hoe staat het met de uitvoering daarvan?
Voorzitter. De illegale verkoop van drugs eist inmiddels veel slachtoffers. Wat volgens
kopers onschuldig kan lijken, blijkt zelfs dodelijk te kunnen eindigen. In sommige
gevallen waren de problemen met webshops al jaren bekend. De Minister van VWS wees
er in de schriftelijke antwoorden op dat het voor de inspectie niet eenvoudig is om
te beoordelen welke wetgeving bij een bepaald type medicijn van toepassing is. Onderzoek
naar zogenoemde grensvlakproducten is tijdrovend. Experts wijzen er echter op dat
handhaving veel sneller mogelijk is door de verboden reclame en het verkopen zonder
vergunning centraal te stellen. Wil de Minister uitdrukkelijk ook dit perspectief
bekijken om de handhaving en vervolging te kunnen verbeteren?
Voorzitter. Tot slot preventie en voorlichting. De coalitie wil grote festivals verplichten
een drugspreventieplan te maken. Dat is een goed voornemen. Wordt in de uitwerking
ook de handhaving meegenomen? Wat zijn bijvoorbeeld de consequenties als de organisatoren
bezit van en handel in drugs te gemakkelijk laten gebeuren? Het kabinet overweegt
een voortzetting van de voorlichtingscampagne Drugs raakt ons allemaal. Dat is goed,
maar de SGP ziet ook dat er meer aandacht moet uitgaan naar specifieke doelgroepen
waarover grote zorgen bestaan. Vorig jaar bleek uit een onderzoek onder studenten
in studentenhuizen dat in het voorgaande jaar meer dan de helft MDMA gebruikte en
vier op de tien cocaïne! Dit zijn bijzonder zorgelijke cijfers en dit vraagt om een
gerichte aanpak. Inmiddels is er vanuit studentenorganisaties contact met de Ministeries
van VWS, OCW en JenV over een plan om huisoudsten te trainen. Gaat de Minister met
zijn collega's zorgen voor voldoende financiële middelen hiervoor?
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Ook mijn dank. Ik zie dat de collega's geen vragen hebben, dus ik ga naar mevrouw
Martens-America voor haar bijdrage.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Goed dat dit debat sinds lange tijd weer op de agenda staat.
Alle voorgangers gehoord hebbend, is het volgens mij belangrijk dat we dit debat hier
blijven voeren. Drugsgebruik, -bezit en -handel hebben vele negatieve gevolgen voor
onze samenleving. We weten dat achter de handel in drugs zware criminaliteit schuilgaat,
met geweld, liquidaties en ondermijning als gevolg. Te vaak zijn de gevolgen van drugscriminaliteit
in ons dagelijks leven zichtbaar. Denk bijvoorbeeld aan alle panden in Amsterdam die
elke keer dat er drugs worden gevonden, door de burgemeester worden gesloten. Ook
zien we dat het gedoogbeleid rondom softdrugs al jaren onduidelijkheid oproept. Daarom
is het goed dat afgelopen jaar de experimenteerfase van het wietexperiment is gestart
om te onderzoeken of het huidige beleid nog wel voldoende werkt.
Voorzitter. Ik wil in mijn bijdrage vandaag graag stilstaan bij drie punten. Ik begin
bij het wietexperiment. Wat mijn partij betreft is het goed dat de experimenteerfase
van het wietexperiment afgelopen jaar eindelijk van start is gegaan. Het experiment
moet inzicht geven in hoe de gesloten keten van productie, distributie en verkoop
van cannabis zou moeten werken. Ik wacht de eerste resultaten met veel belangstelling
af. Ik ben ook benieuwd welke conclusies daaruit zouden kunnen en moeten worden getrokken.
Ik zou de Minister willen vragen hoe wordt gemeten of dit experiment daadwerkelijk
leidt tot minder criminaliteit en illegale handel in cannabis. Hoe voorkomen we dat
de Staat wiet produceert terwijl criminelen nog steeds hun gang kunnen gaan? Daarnaast
zien we de laatste tijd hoe criminelen proberen misbruik te maken van dit experiment.
Zo was er onlangs op klaarlichte dag een overval op een legale wietkwekerij in Hellevoetsluis,
waar midden op de dag nog meerdere mensen aanwezig waren. Ik wil de Minister vragen
hoe dit experiment veilig zou kunnen verlopen en welke extra maatregelen er genomen
kunnen worden om ervoor te zorgen dat de deelnemers van dit experiment en de medewerkers
te allen tijde veilig blijven. Voor de VVD is de veiligheid van deze medewerkers namelijk
het allerbelangrijkst.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik ben benieuwd welke drie KPI's, welke meetbare resultaten, doorslaggevend zijn om
te zeggen dat de wietproef is geslaagd.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Extra dank voor deze vraag. Als je de overstap van het bedrijfsleven naar de politiek
maakt, hoor je het woord «KPI's» eigenlijk nooit meer, dus ik ben heel blij dat we
het daar vandaag over hebben. Dit is ook mijn vraag aan de Minister. Dat heb ik net
letterlijk gevraagd aan de Minister. Op basis van welke variabelen zeggen we uiteindelijk
dat het experiment geslaagd is of niet? Wat de VVD betreft is het aspect van de veiligheid
van de medewerkers, van mensen die daar in de buurt wonen et cetera, het allerbelangrijkst.
De voorzitter:
Uw laatste interruptie.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dat is wel apart. In mijn vorige leven werkte ik niet in het bedrijfsleven, maar we
werkten wel met KPI's. Daar werd je op afgerekend. Als je een proef ging doen, stelde
je aan de voorkant drie, vier, vijf of tien KPI's vast waarop je ging meten. Als daar
niet aan werd voldaan, was een proef niet gelukt. Maar hierbij weten we het dus gewoon
niet. Is er dan wel sprake van een proef, van een experiment waarbij je hardop gaat
meten? De VVD weet het niet en volgens mij weet het kabinet het ook niet. Ik zie dus
uit naar de antwoorden van de Minister op de vraag waar we op gaan meten.
De voorzitter:
Mevrouw Martens-America, volgens mij kunt u door.
Mevrouw Martens-America (VVD):
De heer Claassen is iets te snel. Ik heb net letterlijk in mijn tekst aangegeven dat
ik benieuwd ben welke variabelen de Minister gaat gebruiken om te oordelen of het
geslaagd is of niet. De heer Claassen en ik zitten aan dezelfde kant van deze tafel.
Wij vragen de bewindspersonen hoe zij dat gaan controleren. We stellen dus dezelfde
vragen. Volgens mij is het verschil tussen de heer Claassen en mij niet zo groot op
dit moment.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dat klopt.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Fijn. Is de Minister het met de VVD eens dat deelname aan dit experiment moet worden
geschorst wanneer de fysieke veiligheid van deze medewerkers niet langer gegarandeerd
kan worden?
Dan de designerdrugs onder jongeren. De afgelopen jaren is het drugsgebruik onder
jongeren toegenomen. Dat is zorgelijk, zoals hier al meerdere keren is aangekaart.
We zien dat onbekende en nieuwe designerdrugs in rap tempo bekend zijn geworden onder
jongeren. Hier zit vaak een groot verdienmodel achter voor dealers en meerdere criminele
netwerken. Ik ben benieuwd welke stappen de Minister nog verder kan en zal nemen om
het verdienmodel van deze criminelen verder aan te pakken. Ook ben ik benieuwd hoe
we meer grip gaan krijgen op de snelheid waarmee deze designerdrugs worden verspreid
op de markt. De snelheid waarmee nieuwe soorten drugs als 2-MMC, 3-MMC, 2C-I en 4-MFP
op de markt komen is wat mij betreft zorgelijk.
Voorzitter. Grote festivals moeten wat dit huidige kabinet betreft binnenkort een
drugspreventieplan gaan opstellen. Ik ben benieuwd of de Minister hier al meer over
met de Kamer kan delen. Hoe moet het plan ervoor zorgen dat festivals daadwerkelijk
beter kunnen gaan handhaven op drugsgebruik? Hoe gaat de Minister zorgen dat zo'n
drugspreventieplan geen papieren tijger wordt, maar ook daadwerkelijk effect gaat
hebben? Hoe wil de Minister daarbij tegelijkertijd onnodige regeldruk voor festivalorganisaties
voorkomen? Hoe gaan we zorgen dat dit daadwerkelijk effect gaat hebben?
Tot slot, voorzitter, de Rotterdamse voorlichtingscampagne. Drugsgebruik heeft veel
negatieve gevolgen voor de samenleving. Ik benoemde het al aan het begin van mijn
bijdrage: achter de handel in drugs gaat veel criminaliteit schuil. De gemeente Rotterdam
is daarom een campagne gestart die drugsgebruikers confronteert met de gevolgen van
hun eigen gedrag, namelijk: jouw lijntje, zijn liquidatie. Ik zou de Minister willen
vragen wat de stand van zaken is van de uitvoering van de motie-Michon-Derkzen/Bikker
over het opzetten van een soortgelijke landelijke actie. Welke mogelijkheden ziet
de Minister om deze Rotterdamse campagne als voorbeeld verder uit te rollen?
Dank u wel.
De voorzitter:
Ook mijn dank. Ik stel voor dat mevrouw Faber weer even mijn rol oppakt. Dan kan ik
ook een bijdrage leveren.
Voorzitter: Faber
De voorzitter:
Mevrouw Mutluer, gaat uw gang.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dank. Allereerst merk ik op dat ik het fijn vind dat vandaag naast de Minister van
JenV de Minister van VWS is aangeschoven. Hoe verschillend wij ook denken over drugs
en drugsgebruik, iedereen is het erover eens dat goede voorlichting over risico's
essentieel is. Wij gaan de risico's van drugsgebruik niet relativeren, maar hetzelfde
geldt voor genotsmiddelen zoals alcohol en tabak. De huidige benadering is uiteindelijk
het resultaat van een sociale constructie waarin het paradoxaal genoeg gemakkelijker
is om de slijterij leeg te kopen dan een coffeeshop binnen te lopen.
Wij willen dit debat niet laten leiden door morele oordelen, maar door afwegingen
waarin zowel individuele als maatschappelijke belangen worden meegenomen. Inmiddels
weten we dat zo'n 60% van de Nederlandse bevolking de voordelen van een verstandiger
beleid ziet. Tegelijkertijd moeten we constateren dat de Nederlandse aanpak internationaal
is ingehaald. Hoe verhouden wij ons bijvoorbeeld tot landen om ons heen, zoals Duitsland,
waar sinds 2024 de teelt, het bezit en het recreatief gebruik van cannabis zijn gelegaliseerd?
Wat betekent dat eigenlijk voor onze positie?
In het coalitieakkoord wordt gesproken over «nuchter» beleid. Die kwinkslag gunnen
wij de minderheidscoalitie graag, al word je niet altijd high van het akkoord – dat
was een grapje! We zijn in ieder geval blij dat het wietexperiment de formatie heeft
overleefd. Een gesloten systeem van gecontroleerde productie, verkoop en consumptie
kan naar onze overtuiging zorgen voor een betrouwbaar product, maar ook voor het terugdringen
van georganiseerde criminaliteit. Maar ook kan het zorgen voor betere mogelijkheden
om consumenten te informeren. De laatste voortgangsbrief die wij bij deze agenda hadden,
dateert volgens mij van vorig jaar, 2025. Ik wil van de bewindspersonen weten wat
de laatste stand van zaken is, wat de knelpunten zijn, hoever we zijn. Er zijn toen
een aantal moties door ons ingediend over de telers, die onder andere binnen negen
maanden de ingebruiknameplicht moesten hebben. Ik wil gewoon weten waar we nu staan.
Voor het overige zien wij weinig samenhang in de drugsplannen van het kabinet. Wij
begrijpen de gedachte achter een drugspreventieplan, maar betekent dit ook dat het
testen van drugs daar onderdeel van kan zijn? In het verleden is het namelijk een
bewezen maatregel gebleken om gezondheidsschade te beperken.
De voorzitter:
Mevrouw Mutluer, u heeft een interruptie van mevrouw Martens-America.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dit is mijn eerste debat hier bij JenV, dus het is ook een beetje aftasten hoe iedereen
in de wedstrijd zit. Ik hoor mevrouw Mutluer zeggen dat GroenLinks-PvdA niet voornemens
is om een moreel oordeel te hebben over drugsgebruik. Tegelijkertijd hoor ik haar
meermaals aanhalen: ja, maar alcohol. Betekent dit dat voor GroenLinks-PvdA zolang
we het niet hebben over het al dan niet beperken van het gebruik van alcohol, we het
hier ook niet mogen hebben over het al dan niet beperken van harddrugsgebruik?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij heb ik dat mezelf niet horen zeggen. Ik denk dat het heel duidelijk is
hoe GroenLinks-PvdA in het spel zit. Wij willen met het wietteeltexperiment, waar
overigens de VVD volgens mij nog steeds voorstander van is, zien wat regulering kan
doen met de kwaliteit, met het goed informeren van consumenten, maar met name met
de aanpak van georganiseerde criminaliteit. Op dit moment hebben we er immers weinig
zicht op wat er gebeurt achter de deur. Het crimineel verdienvermogen is immens. Aan
de andere kant ben ik zelf geen voorstander van het aandragen van een schuldcomplex
voor de cokesnuiver, zeg ik maar even, omdat ik denk dat dit weinig effect zal hebben.
U haalde net Rotterdam aan. Wij hebben tegen die motie gestemd omdat het criminaliseren
van de drugsgebruiker in mijn beleving niet de oplossing is. Het aanpakken van de
drugskartels is dat wel, maar dat gebeurt in mijn beleving nog niet voldoende. We
zitten een beetje tussen de twee standpunten die vandaag verwoord zijn in.
De voorzitter:
U heeft nog een nadere interruptie? Ja. Gaat uw gang.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dank voor uw antwoord. U zei: volgens mij is ons standpunt helder. Voor mij was het
dat niet, dus het was een oprechte verhelderende vraag. U haalde natuurlijk meerdere
keren hier aan: ja, maar alcoholgebruik. Het is volgens mij dus op zich een logische
vraag. Maar begrijp ik het nou goed dat GroenLinks-PvdA dus sec van mening is dat
de aanvoer moet worden aangepakt en dat wij mensen die deze illegale harddrugs gebruiken,
waarvan de toevoer vaak door hele jonge, hele kwetsbare jongens gebeurt, niet bewust
hoeven te maken van het leed dat zij veroorzaken?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Zij veroorzaken niet het leed. De ondermijnende drugscriminelen zijn degenen die het
leed veroorzaken. Wat mij betreft gaan wij met name jongeren bewustmaken van de nadelige
effecten van drugs, met name harddrugs. Daar heeft u mij niks over horen zeggen. Sterker
nog, als collega Martens-America naar het verkiezingsprogramma van GroenLinks-PvdA
kijkt, ziet zij dat wij wel voor de regulering van softdrugs zijn, maar dat wij geen
uitspraken hebben gedaan over harddrugs. Dat onderscheid wens ik wel te maken tijdens
dit debat, zodat de collega van de VVD ook weet hoe wij in het spel staan.
Met uw permissie, voorzitter, ga ik verder met mijn bijdrage. Ik was gebleven bij
het onderdeel crimineel verdienvermogen. Voor mij blijft onduidelijk hoe de coalitie,
in dit geval ook de bewindspersoon, de criminele verdienmodellen daadwerkelijk wil
aanpakken. Ik vind dat JenV daar niet voldoende in is geslaagd de afgelopen tijd.
Hoe wil je voorkomen dat drugslabs in woonwijken blijven opduiken? In 2024 ging het
om 98 van de 167 ontmantelde laboratoria. Dat is best ernstig, want als er wat gebeurt,
zie ik al gewonden en misschien zelfs doden vallen in wijken. Dat vind ik heel heftig.
Recent zag ik ook een bericht in Het Parool dat een nieuwe vorm van cokesmokkel is
bedacht, waardoor men de cocaïne chemisch camoufleert. Als de drugs chemisch zijn
gecamoufleerd, zie je die niet tijdens het scannen van een container, ruiken de speurhonden
die niet en slaat bij een kleurtest het stofje niet meer blauw uit zoals bij cocaïne.
Alle controles die eerst wel werkten, lijken nu dus zinloos. Ik wil van de Minister
van JenV weten hoe hij hiermee wil omgaan.
Tot slot, en dan rond ik af, voorzitter, kom ik te spreken over MDMA. De staatscommissie
heeft tijdens een presentatie in de Kamer aangegeven dat MDMA kan worden gebruikt
voor mensen met PTSS. We weten allemaal dat wij brandweerlieden, politieagenten met
PTSS willen ondersteunen. Blijkbaar kan MDMA daar als vorm van therapie-assistent
bij helpen. Kunnen we daarmee een pilot starten?
Daarmee rond ik af.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dank u wel, mevrouw Mutluer, voor uw verhaal. U sprak aan het begin van uw betoog
een interessante zin uit over de verhouding tussen individuele belangen en maatschappelijke
belangen. Ik denk dat die zin best kernachtig is voor het hele drugsbeleid, waar we
nu over spreken. Want stel nou dat individuen daar inderdaad best veel plezier aan
beleven op sommige momenten, maar we tegelijkertijd de enorme maatschappelijke schade
zien. Hoe weegt u die twee dingen dan tegen elkaar af?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Door niet te zeggen dat we alles moeten verbieden. Dan zou ik alcoholgebruik namelijk
ook verbieden, gezien de schade die dat veroorzaakt in bijvoorbeeld relaties. U weet
dat we ons erg druk maken over intieme terreur. Verslaving maar ook alcoholgebruik
kan daar een negatief effect op hebben, en ook gewoon overlast veroorzaken. Maar ik
schiet niet in de reflex dat we daarom alles moeten verbieden. Aan de andere kant
werkt ons gedoogbeleid ten aanzien van drugs ook niet. Je zal dus wel iets moeten
bedenken waardoor je én criminelen kunt aanpakken, én het zodanig strikt kunt reguleren
dat minderjarigen er geen negatieve effecten van ondervinden en zij goed ondersteund
worden of bewust gemaakt worden van de neveneffecten. Ik ga dus niet zoals het CDA
roepen dat dan maar alles verboden moet worden, want daarmee los je het probleem in
mijn beleving niet op. We moeten hier op een andere wijze mee omgaan. Ik denk dat
het wietexperiment zal uitwijzen of dat werkt. Ik geloof daarin en ik ben blij dat
ook het CDA daarmee verder wil, om te kijken of het effectief is.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw uitgebreide antwoord, maar meneer Van den Brink had volgens mij
nóg een interruptie.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Zeker, die heb ik! Dat laatste, namelijk dat wij er graag mee door willen, is overigens
wel een heel welwillende interpretatie van wat ik zei over het wietexperiment. Dat
is niet het geval. Ik heb nog één andere vraag aan u. U had het ook over drugspreventie.
Ik heb de bewindslieden gevraagd of het mogelijk is om in de preventieplannen van
de gemeenten ook drugs te betrekken. Zo u daarvoor zijn?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dat kan, zeker. Laten we ook even de reactie van de Minister afwachten, maar nogmaals,
ik ben niet blind voor de neveneffecten van drugsgebruik, zeker onder jongeren. Ik
ben natuurlijk groot voorstander van het voorkomen van al die neveneffecten.
Daarmee heb ik mijn eigen bijdrage gehad. Dank u wel, mevrouw Faber. Ik neem het weer
over.
Voorzitter: Mutluer
De voorzitter:
Ik kijk naar de beide bewindspersonen. 25 minuten schorsen? Om 11.30 uur gaan we weer
beginnen, met dien verstande dat ik me wel realiseer dat we nog maar anderhalf uur
de tijd hebben om het debat te voeren, inclusief tweede termijn. Kom straks dus snel
weer naar beneden, dan beginnen we precies om 11.30 uur weer met het debat.
De vergadering wordt van 11.04 uur tot 11.32 uur geschorst.
De voorzitter:
Het is 11.30 uur geweest. Ik zie de Minister van VWS niet, maar het kabinet is er.
Minister van Weel, u bent het kabinet. Ik wilde zeggen «beleid», maar dat ga ik niet
zeggen. Ik ga wel beginnen. Dan zien we zo meteen de bewindspersoon van VWS verschijnen.
Gelet op de tijd lijkt het me handig dat de Minister van JenV even uitlegt welke mappen
hij heeft en dan direct de vragen beantwoordt. Het woord is aan u, Minister van Weel.
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. Het overgrote deel van de vragen was gericht aan de Minister van
VWS. Wat dat betreft had de heer Sneller in zijn inbreng in eerste termijn gelijk,
namelijk dat de Minister van VWS hier op de inhoud een zwaardere inbreng heeft. Maar
u bent mijn commissie of ik ben uw bewindspersoon, dus vandaar dat u eerst naar mij
moet luisteren.
Laat ik beginnen met te zeggen: het is goed om hier weer terug te zijn! Dit is weer
mijn eerste commissiedebat als Minister van Justitie en Veiligheid. Het is goed om
de dossiers weer tot me te nemen en te zien wat er gebeurd is in de zes maanden dat
ik niet op deze post zat. Hopelijk pak ik de draad weer op met nieuwe moed op basis
van een mooi, nieuw coalitieakkoord.
Voorzitter. Ik begin met een korte inleiding. Daarna beantwoord ik wat vragen over
het wietexperiment. Daarna ga ik in op drugscriminaliteit en vragen daarover. Ten
slotte spreek ik over de gevolgen van drugscriminaliteit.
De voorzitter:
Gelet op de tijd sta ik twee interrupties toe. Als ik denk dat het soepel gaat, kan
ik wat coulant zijn, maar voorlopig houd ik het op twee.
Minister Van Weel:
Voorzitter. Drugsgebruik kan grote schade opleveren voor de gezondheid met soms blijvende
gevolgen als verslaving of psychische problemen. Daarnaast draagt de vraag naar drugs
bij aan georganiseerde criminaliteit, inclusief alle ondermijnende en schadelijke
uitwerkingen daarvan, zoals explosies in woonwijken, fraude, corruptie, witwassen,
milieuschade en potentiële ontwrichting van onze democratie en de rechtsstaat met
nadelige effecten, niet alleen in Nederland, maar ook in andere landen. De Minister
van VWS en ik trekken hier dan ook nauw in op. De Minister van VWS zal in dit debat
specifiek ingaan op onder andere de preventie van drugsgebruik en haar verantwoordelijkheden
ten aanzien van het experiment gesloten coffeeshopketen. De Minister van VWS zal ook
ingaan op de vragen over Funcaps. Ik wil hier uiteraard wel graag mijn medeleven uiten
aan de slachteroffers, de familie en andere nabestaanden van de slachtoffers die gelinkt
zijn aan deze verschrikkelijke zaak.
Allereerst wil ik ingaan op het nieuwe coalitieakkoord. Ik wil benadrukken dat ook
dit kabinet de aanpak van ondermijnende drugscriminaliteit als een van de prioriteiten
beschouwt en daar ook een taskforce onder leiding van de Minister-President op heeft
gezet. Bij het denormaliseren van het gebruik van harddrugs pakken we de handel en
de verkoop aan. Ik wil oprecht dat mensen doordrongen raken van het feit dat drugsgebruik
niet normaal is en bijdraagt aan de instandhouding van een criminele industrie. We
zullen dat dit jaar ook uitdragen in een bewustwordingscampagne. Daar zal de Minister
van VWS zo meer over vertellen.
Een effectieve aanpak van ondermijnende drugscriminaliteit is een brede aanpak, die
reikt van het voorkomen dat jongeren in de criminaliteit belanden of daar verder in
afglijden tot het bestraffen, waaronder de handhaving van de onlineverkoop van drugs.
Een belangrijke taak voor dit kabinet is het terugdringen van het aanbod van drugs,
om zo schade aan maatschappij en gezondheid te voorkomen. Een voorbeeld hiervan is
de Wet nieuwe psychoactieve stoffen, die per 1 juli 2025 van kracht is geworden, waarmee
we meer aan de voorkant komen in het kat- en muisspel met drugscriminelen, dat al
genoemd werd door onder anderen het lid Martens, inclusief de verschillende varianten.
Natuurlijk kan Nederland dit niet alleen. Een intensieve samenwerking met andere landen
en internationale partners is cruciaal. In dit kader vond vorige week de tiende editie
plaats van de Synthetic Drugs and Law Enforcement (Syndec II) conference. Drie dagen
lang zijn kennis en best practices met landen zoals Mexico, India en Senegal uitgewisseld
om zo gezamenlijk meer en betere handvatten te creëren voor de aanpak van synthetische
drugs. Daarmee geven we invulling aan de leidende rol van Nederland op het internationale
toneel. Dat geldt ook voor onze aanpak van de internationale drugssmokkel.
Voor softdrugs geldt een strak gereguleerd gedoogbeleid. Zoals gememoreerd door u
en vermeld in het coalitieakkoord, zetten we het experiment gesloten coffeeshopketen
voort om te bezien of de regulering van deze markt zich vertaalt in meer veiligheid
en gezondheid. Dat experiment is op 7 april 2025 de experimenteerfase ingegaan. Op
19 januari sprak mijn ambtsvoorganger met de burgemeesters van de deelnemende coffeeshop-
en teeltgemeenten. De hoofdlijn tot nu toe is positief. Alle tien de telers produceren
inmiddels voor de coffeeshops in de deelnemende gemeenten en het onderzoek naar het
experiment loopt. Er zijn op dit moment geen signalen van toenemende overlast als
gevolg van eventuele straathandel. De meeste coffeeshophouders zijn positief. De beschikbaarheid
is inmiddels verbeterd. Er zijn echter ook hobbels. Ook dat hoort bij een experiment
en juist die laten zien wat werkt en wat niet en waar moet worden bijgestuurd. Dat
was ook het doel van dit onderzoek; vandaar de looptijd van vier jaar. Gedurende vier
jaar kunnen we al die effecten in kaart brengen. Het onafhankelijke onderzoek in de
eerste fase van het WODC verwachten wij rond de zomer. Na de zomer komt het kabinet
met een eerste appreciatie over het eerste jaar van de experimenteerfase.
Verder ga ik in dit eerste blokje graag in op vragen die u had over het wietexperiment.
De voorzitter:
Er is toch al een interruptie van mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
De Minister geeft aan het aanbod van drugs terug te willen dringen. Dat is toch tegenstrijdig
met het voortzetten van het coffeeshopexperiment? In de beantwoording van de vragen
zien we dat als je de productie legaliseert – we zien ook wat er in Canada daaromtrent
gebeurt – er wel naar Europa wordt verscheept, ook naar ons land. Je kunt het wel
legaliseren, maar het vergroot ook het aanbod. Er zit dan toch een tegenstrijdigheid
tussen dit feit en wat de Minister beweert of aangeeft?
Minister Van Weel:
Mevrouw Faber had een vooruitziende blik, want mijn allereerste antwoord is het antwoord
op een vraag van de heer Van den Brink en die hangt samen met de vraag van mevrouw
Faber. Waarom onderscheppen wij nu zo veel cannabis vanuit Noord-Amerika, zowel uit
de Verenigde Staten als uit Canada? Is dat niet het risico dat we hier ook lopen met
de productie tijdens ons eigen experiment? Er zijn grote verschillen tussen die beide.
Bij het experiment in Nederland is er echt sprake van een gesloten keten. We weten
waar de telers zitten. We doen track and trace via het vervoer, dat is gereguleerd,
van de teler naar de afnemers, de coffeeshops van de deelnemende gemeenten. In die
keten weten we continu wat er geproduceerd wordt en hoe zich dat verhoudt tot de afname
van de coffeeshops. Dat gebeurt in Noord-Amerika niet. Daar is een veel vrijere vergunningsafgifte
voor teelt. Dat leidt uiteindelijk tot overproductie, waarvan nu sprake is. Bij overproductie
komen de criminele circuits al snel in beeld, want als de prijs in Noord-Amerika naar
beneden gaat, dan loont het dus om cannabis illegaal over de oceaan te verschepen.
Ik heb daar gisteren in mijn hernieuwde kennismaking met de Amerikaanse ambassadeur
aandacht voor gevraagd. Het voelt goed om als Nederland ook een keer Amerika te kunnen
aanspreken op de export van dit soort illegale producten naar Nederland in plaats
van dat we de boodschap altijd andersom ontvangen. Wij hebben dus aandacht voor dat
probleem. We denken niet dat het zich voor gaat doen in ons experiment, juist vanwege
de geslotenheid van de keten en het feit dat wij weten wat er geproduceerd wordt.
Er kan geen sprake zijn van overproductie die elders, in een nieuwe markt, zijn weg
vindt.
Hoelang gaat het nog door en hoe staat het met de evaluatie? Dat klinkt bijna als
een verzuchting, maar zo was de vraag niet per se bedoeld. Zoals ik zei, zijn we op
7 april 2025 van start gegaan. Het experiment loopt vier jaar in de experimenteerfase.
Dat is tot 2029. Zoals gezegd hoeven we niet vier jaar te wachten voordat we weten
wat de resultaten zijn. Elk jaar zal er een interim-onderzoek komen van het WODC.
Alle vragen die u daarbij had, zoals «dringt het de criminaliteit wat terug?», «leidt
het tot een grotere vraag?» en «leidt het tot meer straathandel?», worden in die evaluatie
meegenomen en gemeten door het WODC. Dat geeft ons hopelijk een beter beeld en betere
antwoorden op de vraag of we hier nou daadwerkelijk criminaliteit mee terugdringen
of dat we andere vormen van criminaliteit of verslaving in de hand werken. Het gaat
immers niet alleen om de criminele aspecten, maar ook om de effecten op de volksgezondheid.
Zoals gezegd, krijgt u na de zomer een appreciatie op dat eerste rapport.
Mevrouw Martens vroeg nog welke maatregelen we nemen om de veiligheid bij de teeltlocaties
te waarborgen. Moet je stoppen als de veiligheid op een gegeven moment in het geding
komt? De teeltlocaties moeten goed beveiligd zijn. Daar zijn enkele incidenten geweest,
zeker in de beginfase. Daarom is ook opgenomen dat ze moeten beschikken over een beveiligingsplan.
De Inspectie Justitie en Veiligheid ziet hierop toe en bekijkt of de veiligheid ook
echt op orde is. De IJV kan ook handhavend optreden op het moment dat telers zich
daar niet aan houden. Dat geldt overigens ook voor het transport. Dus ook dat kan
alleen maar gebeuren door gecertificeerde beveiligingsbedrijven, die daarvoor onder
inspectie staan.
Ik denk dat dat de vragen voor mij waren. Zoals gezegd heeft het experiment ook nog
een VWS-deel, maar dit waren de vragen in de sfeer van de handhaving en criminaliteit,
denk ik.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Als je misschien geen voorstander bent van het experiment, zoek je natuurlijk onderbouwing
om je argumenten kracht bij te zetten. Wat ik dan vind, is dat bij de wietproef de
kwaliteit van de producten ondermaats is, dat het leidt tot oneerlijke concurrentie
– verschillende coffeeshops hanteren verschillende prijzen en dat leidt tot concurrentie
– en dat de kwaliteit duidelijk nog steeds te laag is. Het is niet zo dat ik vind
dat het allemaal anders moet, maar ik geef even wat feiten weer. Er zijn nog steeds
productieproblemen. De Minister zei van niet, maar in Hellevoetsluis zijn er toch
meer dan 2.100 meldingen van overlast. In Westvoorne was er een dwangsom van 1 miljoen
en er dreigt een dwangsom van 3,5 miljoen aan te komen. Je kunt dan toch eigenlijk
nu al stellen dat die wietproef gedoemd is te mislukken? Kun je dan niet beter stoppen
of afbouwen? Denk aan het amendement van mevrouw Bikker. Ondanks dat die proef nu
loopt, verandert er niks op de zwarte markt. Kunnen we dan niet maar beter stoppen?
Kunt u de argumenten die ik geef misschien proberen te weerleggen?
De voorzitter:
Ik stel voor dat we onze vragen iets korter inleiden. Dit wordt dan uw laatste interruptie,
meneer Claassen.
Minister Van Weel:
Ik zal als rechtgeaarde liberaal niet zeggen dat het me niet een klein beetje goeddoet
dat dit kleine experiment van een centrale planeconomie zijn hiccups kent. Wat we
hier doen, is natuurlijk het opzetten van een volledig gesloten markt en dat gaat
met hiccups. We hebben in het begin problemen gehad met de kwaliteit en de omvang
van de productie, met telers die later online kwamen en met oneerlijke of onevenredige
distributie over de verschillende gemeenten. Maar naarmate het experiment langer loopt,
de telers hun productie op niveau krijgen en de coffeeshops gewend raken aan de producten
die er zijn en weten welke ze willen, zien we wel dat een groot aantal van dit soort
hobbels langzaam afneemt. Een van de meest hardnekkige was de productie van hasj.
Die bleef erg lang achter. De Marokkaanse zon schijnt toch een onmiskenbaar effect
op de kwaliteit van hasj te hebben – ik leer ook een heleboel – die hier moeilijk
reproduceerbaar is. Dit soort zaken komen allemaal naar boven in de experimenteerfase.
Daar is die ook voor. Ik denk dat we het even de tijd moeten geven – dat doen we niet
alleen om te bekijken wat ermee gebeurt, maar ook om betrouwbaar te zijn voor al die
actoren in die keten – om te bekijken of dit zich uiteindelijk vertaalt in de effecten
die bij de opzet hiervan waren beoogd. Ik zeg u oprecht: ik sta daar neutraal in.
Ik ben dus oprecht benieuwd naar de resultaten. Ik ben oprecht benieuwd naar of we
hiermee de doelstellingen die beoogd waren kunnen bereiken.
Wat betreft de zwarte markt ben ik ervan overtuigd dat we met de burgemeesters en
de deelnemende coffeeshops nu echt zijn gekomen tot een gesloten keten, waaraan ook
die coffeeshops zich houden, maar we hebben natuurlijk nog ontzettend veel andere
gemeenten en we hebben in Nederland nog ontzettend veel illegale productie, die ook
zijn weg nog vindt. Dit is dus echt een experiment op kleine schaal, waardoor je daar
voor Nederland nog weinig over kunt zeggen. Ik ben benieuwd naar de resultaten en
ik denk dat we daar meer van gaan zien.
Ten slotte de geuroverlast in Voorne aan Zee. Ja, die is hardnekkig. We zijn in overleg
met de burgemeester om te bekijken wat er mogelijk is.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik wil iets zeggen en proberen te voorkomen dat het telt als interruptie. Vindt de
Minister dat hij de vraag van mevrouw Martens heeft beantwoord over hoe hij aan het
einde van het experiment gaat toetsen of het experiment geslaagd is?
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dat is gewoon een interruptie. Ik bedoel: ik ben de moeilijkste niet, maar ...
De voorzitter:
Dit is een interruptie, meneer Van den Brink, waar wel een antwoord op komt.
Minister Van Weel:
Gedane zaken nemen geen keer. Het is nauwkeurig vastgelegd. Die onderzoekers gaan
op pad met een hele lijst aan parameters op basis waarvan wij uiteindelijk beoordelen
of dit experiment geslaagd is of niet. Dat is niet alleen maar de vraag of we die
keten op orde kunnen krijgen, maar ook welk effect het heeft op de criminaliteit en
welk effect het uiteindelijk heeft op de volksgezondheid: leidt het nou tot meer of
minder gebruik? Al die vragen – dat zijn er veel meer dan ik hier nu kan opnoemen
– worden daar absoluut in meegenomen. Het eindoordeel, dat we uiteindelijk gezamenlijk
met de Kamer in 2029 gaan vellen, gaat over het volgende: vinden we dat dit nadere
opvolging of uitfasering verdient? Dat zijn de twee vragen.
Dan een vraag gerelateerd aan drugscriminaliteit. Zoals gezegd, heb ik daarna nog
iets over de gevolgen van drugscriminaliteit. Die twee liggen in elkaars verlengde.
De heer Van Dijk had een vraag over Europol, dat stelt dat betere inlichtingen en
meer toezicht op zee nodig zijn om smokkel te bestrijden. Hebben we daarvoor extra
middelen, ook voor de Kustwacht en de veiligheidsdiensten? Ik was begin deze week
in Vlissingen. Zoals u weet, hebben we een aantal grote zaken gehad in Vlissingen,
onder andere een bulkbedrijf dat van de top naar beneden verdacht wordt van betrokkenheid
bij drugssmokkel. Ik hoorde daar van verschillende ondernemers hoe zij voorkomen dat
drugs bij hen op het terrein, op de schepen of in de havens een rol spelen. Dat is
een continu kat-en-muisspel. Een van de bulkverhandelaars daar zei dat er tot twee
jaar geleden regelmatig mensen kwamen die stelden dat ze bevriend waren met de kapitein
van het schip en dat ze graag het terrein op wilden. Dat gat hebben ze inmiddels gedicht
en dat zien ze dus niet meer gebeuren.
Maar we zien nog steeds dat de prijs van cocaïne hier niet heel erg fluctueert, dus
dat betekent dat het op een andere manier binnenkomt. Het gebeurt bijvoorbeeld via
de bananenhandel, waar deze week weer 400 kilo cocaïne is gevonden. Ook daar wordt
gekeken welk lek ze moeten dichten en hoe ze daar beter mee om kunnen gaan. De screening
van medewerkers wordt naar een steeds hoger niveau gebracht. Ik was in Vlissingen
omdat we in Rotterdam zien dat het aantal gepakte kilo's juist afneemt. Dat lijkt
te wijzen op een succes van de gecombineerde aanpak van alle diensten in de haven
van Rotterdam. Dat moeten we dus breder uitrollen, ook naar secundaire havens. Daar
zijn we in dit stadium ook mee bezig. We moeten het daarnaast uitrollen naar alle
sectoren die mogelijk een rol kunnen spelen in de logistieke keten.
Maar ook dan ben ik ervan overtuigd dat er weer nieuwe inventieve methodes worden
gevonden. Een daarvan is het overboord gooien van drugspakketten vanaf schepen voor
de kust, waarna ze met snelle bootjes vanaf de kust worden opgepikt. Dat is een risicovolle
procedure, ook voor drugshandelaars. Dat geldt zeker voor het snelstromende water
voor de Zeeuwse kust. We zien dat weer ietsje afnemen. Waarschijnlijk omdat het minder
aantrekkelijk is. Maar vervolgens moet je weer gaan denken aan kabels die aan schepen
worden gehangen. De mogelijkheden zijn eindeloos. Wat we hier nog niet zien, maar
wel in Zuid-Europa, is de inzet van onderzeeërs. Die hebben we voor onze kust nog
niet gezien, maar ook dat geeft geen garantie. Als er een nieuwe trend is, dan vind
je op een gegeven moment toch wat. Het korte antwoord is dus: ja, we monitoren continu
hoe de smokkelaars hun modus operandi veranderen en wat dat voor ons betekent, inclusief
voor de Kustwacht en voor onze inlichtingendiensten.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik ben heel blij met het fantastische werk dat onze Douane, onze Kustwacht en alle
andere betrokkenen doen. Ik ben mij bewust van het grote gevaar voor hen, ook op het
moment dat er een vangst wordt gedaan. Toen ik in Vlissingen was, was ik diep onder
de indruk van de toewijding waarmee dat werk gebeurt. Juist daarom maak ik mij zorgen.
Zolang Nederland bekendstaat als een land waar je je drugs makkelijk naartoe kan transporteren,
doen we met elkaar iets vreselijk verkeerd, ook richting de mensen die alles inzetten
om ons land veilig te houden. Is de Minister het met de ChristenUnie eens dat we aan
de ene kant stevig moeten doorgaan met de zeehavenaanpak en dat we aan de andere kant
ook telkens in het oog moeten houden hoe ons strafklimaat is, zodat de grote kartels
zullen denken «in Nederland kan je beter niet zijn» in plaats van «daar is het bedrijfsrisico
wel te overzien»? Voor de mensen die luisteren: «bedrijfsrisico» staat tussen aanhalingstekens,
want ik vind het gewoon dikke criminaliteit.
Minister Van Weel:
Met dat laatste ben ik het van harte eens. Ik heb een wetsvoorstel in de Eerste Kamer
liggen dat ik op korte termijn zal behandelen. Dat gaat over het verhogen van de straffen ...
O, ik hoor dat het nog in de Tweede Kamer ligt. Ik had gehoopt dat we al verder waren,
maar dat is niet het geval. In uw Kamer ga ik dat met verve verdedigen, want ik sta
erachter. Het is juist bedoeld om de straffen in lijn te brengen met de landen om
ons heen.
Ik maak me geen illusies dat onze delta waarmee we gezegend zijn en onze enorme logistieke
positie in Europa, die ontzettend veel doet voor onze economie in positieve zin, ook
altijd aantrekkelijk zullen blijven voor criminelen om in negatieve zin te gebruiken.
Wij hebben alleen al door onze ligging en onze infrastructuur inherent een groter
risico dan landen met een slechtere connectiviteit. Er zijn daarmee immers meer mogelijkheden.
Dat betekent dat wij harder ons best moeten doen, want ik wil als het gaat om drugshandel
zo'n positie niet hebben. Ik ben voorzichtig optimistisch dat we in staat zijn geweest
om in de haven van Rotterdam een aantal kwetsbare punten goed dicht te zetten.
Dat betekent niet dat het daarmee eindigt. We werken nu ook samen met Antwerpen, waar
de problematiek ongeveer gelijk is. De volgende stap zijn de secundaire havens, zoals
Vlissingen. Recent hoor je ook steeds vaker over Le Havre, waar nu ook vangsten worden
gedaan omdat het daar eenvoudiger zou zijn. We hebben een verschuiving gezien van
rechtstreeks naar Rotterdam naar aanlanding in West-Afrika, waarna de traditionele
smokkelroutes door de Sahel worden gebruikt richting het Iberisch Schiereiland. Ik
denk dat we inherent een heel aantrekkelijk land zijn, gewoon vanwege de enorme doorvoer
die we hebben. Dat geldt voor import én export, triest genoeg. We zijn immers ook
exporteur van drugs, niet alleen maar importeur of doorvoerder. Ik geloof ook niet
dat er niks aan te doen is. We moeten er volop op inzetten om die positie niet te
hebben.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank voor de uitvoerige uitleg van deze Minister over deze complexe problematiek met
de smokkel over zee en het kat-en-muisspel dat daar plaatsvindt. Juist in dat licht,
als we dit probleem zo serieus nemen en de grote risico's zien, heb ik de vraag of
dat ook extra middelen betekent voor de Kustwacht, Defensie en veiligheidsdiensten.
Het is, zoals de Minister zegt, natuurlijk niet alleen een probleem voor Nederland,
maar ook voor het hele achterland van Europa. Is het denkbaar om hiervoor bepaalde
EU-gelden in te zetten?
Minister Van Weel:
Ik ben enorm voorstander van het internationaliseren van dit probleem. In mijn vorige
periode heb ik dat al gedaan als Minister van Justitie en Veiligheid en daar ga ik
ook mee door. In juni, geloof ik, is er een volgende bijeenkomst van de kopgroep van
EU-landen tegen georganiseerde criminaliteit. Dat was een Nederlands initiatief. De
volgende meeting zal in Frankrijk zijn. In die kopgroep bespreken we juist dit soort
zaken: wat moet je nou in EU-verband aanpakken? Deze kopgroep bestaat uit zeven landen
– Zweden, Nederland, België, Spanje, Frankrijk, Italië en Duitsland – die allemaal
een probleem hebben vanwege de ligging aan de buitengrenzen. Wij zijn erbij gebaat
om bij de oplossingen zo veel mogelijk andere landen te betrekken die uiteindelijk
ook de afzetmarkt zijn voor deze middelen. Dat vertaalt zich in voorstellen van ons
aan de Commissie, waarna ze uiteindelijk landen in Europees drugsbeleid. Het kan daarbij
ook gaan om middelen.
Dan merkte de heer Van Dijk op dat we een verschuiving zien van de productie van synthetische
drugs van het zuiden van het land naar het noorden. Hij vroeg of we regionaal gebruikmaken
van elkaars kennis. Ja, de politie heeft verschillende gremia waarin landelijk expertise,
kennis en best practices worden uitgewisseld. Er is ook een concrete proeftuin: Syndru.
Dat staat natuurlijk voor «synthetische drugs». Die wordt op dit moment opgetuigd.
Daarin wordt een methode gebruikt waarbij de politie elk drugslab op dezelfde forensische
wijze onderzoekt, waar dan ook in Nederland. Uiteindelijk komt dat de strafrechtelijke
aanpak weer ten goede, omdat je daar dan meer eenheid in hebt. De Eenheid Noord is
een van de eenheden waar de uitrol als eerste start. De Politieacademie heeft ook
een verdiepende module voor synthetische drugs. Politieagenten uit alle eenheden kunnen
die module ook volgen. Het korte antwoord is dus: ja, dat nemen wij mee.
Mevrouw Mutluer vroeg: hoe kunnen we nou de criminele verdienmodellen aanpakken? Daarover
zouden we een apart commissiedebat kunnen voeren. Dat gaan we ook zeker doen, denk
ik. We hebben over een aantal weken ook nog een debat over ondermijning en daarin
zou ik iets dieper willen ingaan op de verdienmodellen, die ook continu veranderen.
Ook daar is sprake van een kat-en-muisspel. Op het moment dat je het ene lek hebt
gevonden, zal ongetwijfeld het volgende zich aandienen.
Een andere vraag, waar ik wel iets meer over wil zeggen, is: hoe voorkomen we nou
die drugslabs in de buurt? Ik wil wijzen op de campagne die nu loopt, Houd misdaad
uit je buurt; u heeft ’m ongetwijfeld gezien. Als er iets vreemds of verdachts is,
meld dit dan bij Meld Misdaad Anoniem, is de boodschap. De eerste keer dat we die
campagne draaiden, een jaar geleden, heeft dat geleid tot een toename in het aantal
meldingen bij Meld Misdaad Anoniem van 32%. De reden dat ik dit als een belangrijke
factor noem, is omdat mensen in de buurt vaak eigenlijk wel weten wat er speelt. Dat
is mij ook opgevallen in de Tarwewijk na de explosie. In het buurtcentrum zeiden mensen:
«Maar je zag daar altijd al 's nachts mensen naar binnen gaan. Er sliepen ook mensen
in de kelder.» Daar zitten de ogen. Die mensen wonen er namelijk naast en zien altijd
meer dan de politie kan zien. Dat mobiliseren, mensen het idee geven, het perspectief
bieden dat ze daarmee levensgevaarlijke misdaad hun buurt uit kunnen helpen, vind
ik een van de belangrijkste zaken die wij doen. Maar het is natuurlijk niet ter vervanging
van de taak die de politie heeft om deze criminaliteit op te sporen.
Dan designerdrugs en de snelheid waarmee die op de markt komen; mevrouw Martens noemde
het al. Ik denk dat we met de introductie van lijst IA echt een belangrijke stap hebben
gezet. Met het stofgroepenverbod dat we nu hebben, kunnen we ook veel sneller reageren
op doorontwikkeling door criminelen. Bijvoorbeeld van 2-MMC naar 3-MMC gaan kan dus
niet meer onder deze nieuwe wetgeving. Maar er komen natuurlijk elke keer nieuwe stofgroepen
op de markt en daarom zijn we nu ook bezig met een AMvB voor nitazenen, een van de
nieuwere drugs, waar we heel veel overlast van zien, ook hier in Nederland. Van fentanyl
zien we dat nog niet zozeer, maar wel van nitazenen in bredere zin. Hopelijk kan die
AMvB rond de zomer van kracht worden. Zo proberen we in ieder geval zo snel mogelijk
te reageren op nieuwe ontwikkelingen.
Mevrouw Mutluer vroeg naar een nieuwe vorm van cokesmokkel: het chemisch camoufleren
van coke. We hebben inderdaad aanwijzingen dat het op die manier Europa en dus ook
Nederland binnenkomt. Daarom heb ik geld beschikbaar gesteld voor een onderzoek hiernaar,
dat Chemtec Coca heet. Dat gebeurt in samenwerking met verschillende partijen, waaronder
de politie en het NFI. Deze partijen doen onderzoek naar de manieren waarop je chemisch
gecamoufleerde drugs alsnog kunt detecteren en vervolgens uit het materieel kunt extraheren.
Bijvoorbeeld het inwassen van coke in bijvoorbeeld kleding is nu een van de meest
geziene methodes. Dat is natuurlijk veel moeilijker te detecteren dan drugs in pakketjes.
De voorzitter:
Wanneer kunnen wij dat onderzoek verwachten?
Minister Van Weel:
Ik kom daarop terug in het commissiedebat Georganiseerde criminaliteit.
Dan kom ik op de gevolgen van drugscriminaliteit. Ik begin met de vraag van mevrouw
Faber of milieuschade niet zou moeten meetellen in het beleid. Het korte antwoord
is: absoluut. Dit is een factor die we meenemen, net als schade aan de economie. Wat
ik opvallend vond aan de evaluatie van de campagne waar de Minister van VWS het zo
meteen over gaat hebben, is dat jongeren de confrontatie met de milieuschade als resultaat
van het gebruik van drugs eigenlijk nog het meest indringend vonden. Ik heb de campagne
gezien. Zelf vond ik andere dingen indringender, maar voor het milieu is het in ieder
geval goed nieuws dat bij de nieuwe generatie dat punt in ieder geval hoog op de agenda
staat. Inmiddels hebben we, zoals u weet, ook structureel geld beschikbaar gesteld
vanuit IenW en vanuit Justitie om de schade die met drugsafval is gemoeid, via de
VNG te kunnen verhalen. Dat is een bedrag van 3 miljoen euro per jaar.
De heer Van Dijk vroeg nog naar een motie van de SGP en de VVD over het verhalen van
de drugsschade op degenen die de schade hebben veroorzaakt. In de motie was sprake
van het aannemelijk kunnen maken dat iemand verantwoordelijk is voor de schade. Dat
leidt in de strafrechtketen wel tot problemen, omdat aannemelijkheid onvoldoende is
voor het kunnen beginnen van een zaak. De motie ondersteun ik volledig op de inhoud,
maar in de uitwerking is de groep mensen die je uiteindelijk strafrechtelijk kunt
aanspreken kleiner dan de groep die je met aannemelijkheid zou willen aanspreken.
We komen in de rapportage nog terug op hoe we helemaal uitvoering geven aan de motie,
maar deze winstwaarschuwing wilde ik u alvast geven.
Daarmee ben ik gekomen aan het einde van mijn deel van de beantwoording.
De voorzitter:
Waarvoor dank, Minister. Dan ga ik naar de Minister van VWS voor haar eerste termijn.
Wij wachten af welke antwoorden zij heeft.
Minister Hermans:
Dank, voorzitter. Goed om bij dit debat aan te sluiten. Zowel de heer Van den Brink
als mevrouw Bikker zeiden dat drugsgebruik altijd gezondheidsrisico's met zich meebrengt.
Vanuit die verantwoordelijkheid zit ik hier: wat is het effect op de gezondheid? Hoe
kunnen we gezondheidsrisico's zo veel mogelijk beperken en langs de lijn van preventie
voorkomen? Drugsgebruik is ook geen onderdeel van een normale, gezonde leefstijl.
Het beleid is ook gericht op het voorkomen en verminderen van drugsgebruik. Dat is
van groot belang voor een vitale samenleving. Het kabinet draagt daaraan bij met een
aanpak die varieert van drugspreventie en voorlichting tot het beperken van gezondheidsschade
op basis van wetenschappelijke inzichten. In die context zal ik antwoorden.
Ik begin met het onderwerp preventie. Daarin komt ook de publiekscampagne aan de orde.
Dan zal ik ingaan op de vragen die gesteld zijn over designerdrugs. Er is aan mij
een enkele vraag gesteld over het experiment met de coffeeshops. Tot slot beantwoord
ik nog een paar overige vragen.
Voorzitter. De heer Van den Brink wees op cijfers over drugsgebruik. Hij noemde het
zorgwekkende cijfers. Ik zei het net al, drugsgebruik zou niet normaal moeten zijn.
Als je drugs gebruikt, loop je gezondheidsrisico's en draag je bij aan een criminele
industrie – daar is de Minister van Justitie zojuist uitgebreid op ingegaan – én aan
serieuze milieuschade. Ik ben het helemaal met hem eens dat we daar blijvend aandacht
voor moeten hebben en actie op moeten ondernemen, ook gezien de cijfers die de heer
Van den Brink noemt. Daarom gaan we ook door met de inzet op preventie. Dat is misschien
niet altijd zichtbaar. We richten ons immers op risicogroepen en niet iedere aanpak
van preventie vindt plaats in de totale publieke ruimte. Je wilt immers heel gericht
groepen bereiken. Dit kabinet zet onder andere in op een drugsplan voor festivals,
waar ik zo nog wat meer over zal zeggen, en op een publiekscampagne.
Dan zei de heer Van den Brink dat gemeenten op dit moment verplicht zijn om een preventieplan
voor alcohol te maken. Hij vroeg of ik bereid ben om gemeenten te verplichten ook
zo'n plan voor drugs te maken. Het klopt, sinds 2014 zijn gemeenten verplicht om een
preventie- en handhavingsplan alcohol op te stellen. In de praktijk zie je dat het
opstellen en ook het actueel houden van die plannen echt wel een hele klus is voor
gemeenten. Tegelijkertijd denk ik dat het combineren van alcohol- en drugsbeleid in
één plan een meerwaarde kan hebben en ook kan bijdragen aan een breder draagvlak.
In de praktijk zien we dat sommige gemeenten die combinatie van drugs en alcohol al
maken. Voor lokaal drugspreventiebeleid is door het Trimbos een modelplan gemaakt.
Dat wordt ook al gebruikt op lokaal niveau. Verder hebben regionale organisaties voor
verslavingszorg een basispakket preventie opgesteld. Dit soort plannen en formats
zijn dus al in ontwikkeling. Sommige gemeenten voegen het samen, maar zeker nog niet
alle. Ik denk dat we moeten oppassen met verplichten, omdat er ook gemeenten zijn
waar die combinatie van problematiek niet aan de orde is. Dan levert dit substantieel
meer werk op. Maar ik zie wel de meerwaarde ervan voor die gemeenten waar de combinatie
van problemen zich wel voordoet. Ik wil het dus wel stimuleren en ertoe oproepen.
Gemeenten moeten daarbij vooral gebruikmaken van alle tools die er zijn.
In het verlengde daarvan vroeg mevrouw Bikker naar de preventie op scholen en of we
niet meer moeten doen, zeker ook om het afglijden naar criminaliteit te voorkomen
of een halt toe te roepen. Criminaliteit én verslaving, moet ik daar nog bij zeggen.
Via het Trimbos-instituut, waar ook financiering vanuit VWS naartoe gaat, zetten wij
in op middelen, juist om dit te voorkomen. We zien ook dat gemeenten preventieactiviteiten
uitvoeren samen met regionale instellingen voor verslavingszorg.
Dan hebben we het programma Helder op School. Ik zie aan mevrouw Bikker dat zij dat
herkent. Een effectief programma om op scholen te helpen met verschillende interventies,
om jongeren bewust te maken en grotere problemen te voorkomen. En we hebben natuurlijk
het programma Preventie met Gezag, waar ook structureel flink geld voor beschikbaar
is. Ik denk dat wij met dat pakket aan maatregelen veel in handen hebben om ook op
scholen ons werk te kunnen doen.
Voorzitter. De heer Van Dijk verlaat net de zaal, maar ik wilde nog iets over huisoudsten
zeggen; dan maar voor het geval hij dit terugkijkt. Daarna zal ik even pauzeren voor
de interrupties. Hij vroeg of wij samen met studentenorganisaties zouden willen werken
aan een manier om huisoudsten te trainen. We zien dat het drugsgebruik in specifieke
groepen zorgwekkend is, en dan vooral het gemak waarmee er in die groepen met drugs
wordt omgegaan. Met name in studentenhuizen zien we dat het drugsgebruik hoog is.
We zijn samen met de collega's van OCW en JenV in overleg met studentenorganisaties
over hoe we hier iets aan kunnen doen. Het trainen van huisoudsten maakt daar onderdeel
van uit. De Minister van JenV verwacht binnenkort een voorstel van de studentenorganisaties
aan ons, met een subsidieaanvraag erbij. Wij zullen dat met een positieve grondhouding
beoordelen. Dat wilde ik nog even heel specifiek tegen de heer Van Dijk zeggen.
De voorzitter:
Die moest zich excuseren, maar ik ga ervan uit dat hij het of gaat terugluisteren
of dat zijn medewerkers nu meeluisteren, dus het komt helemaal goed. De adempauze
is ingelast, dan gaan we naar mevrouw Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank voorzitter, en dank ook voor het heldere statement van de Minister aan het begin.
Drugsgebruik schaadt je gezondheid en ik hoor daar dan ook in «dus begin er maar niet
aan», maar goed. Ik neem ’m voor mijn rekening: doe dat nou niet! Gisteren sprak ik
met studenten. Goed dat de Minister naar die initiatieven verwijst. Ik ben opnieuw
geschrokken van hoe hoog het drugsgebruik is en hoe normaal het is geworden, terwijl
dit onze toekomstige generatie is, waar ons land juist ook van zou moeten opbloeien,
in plaats van dat ze hiervan steeds verder in de put raken.
Er vielen mij twee dingen op, en daar gaat ook meteen mijn vraag over. Ik ben blij
dat de Minister zegt: ik ga aan de slag met die huisoudsten. Ik zie ook dat campagnes
echt moeten landen bij de studentenpopulatie en dat wat bij mij landt, zoals de Minister
van Justitie ook al zei, niet per se ook landt bij studenten. Ik zou de Minister dus
echt willen vragen om dat gesprek aan te gaan. Daarop aanvullend zie ik dat universiteiten
en hogescholen in dezen makkelijk verwijzen naar gemeenten of naar verslavingszorg,
dat dit ook gebeurt door de andere actoren en dat, waar het bij scholen inmiddels
goed geregeld is – de Minister gaf mooie voorbeelden –, we juist op dit front zien
dat we nog grote stappen te zetten hebben. Is de Minister dat met mij eens en zou
zij voor de begroting gewoon eens willen schetsen wat zij als mogelijkheden ziet?
Dat bespaart mij een motie. Daar is dan zelfs de heer Bontenbal blij om, denk ik.
Ja, dat is zo, hoor ik hier. Zou de Minister dat willen doen?
Minister Hermans:
Op de eerste vraag van mevrouw Bikker kom ik zo meteen terug in het kader van het
voortzetten van de publiekscampagne. Ik zeg dan ook hoe wij het voor ons zien om de
daarbij betrokkenen erbij te betrekken. De tweede vraag. Even heel praktisch: welke
begroting bedoelt mevrouw Bikker? Want wij hebben natuurlijk net vorige week een aantal
uren met elkaar over de begroting van VWS gedebatteerd.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik dacht gewoon: ik ben toch een ouderwets mens en vind wat wij nu doen met de begroting
eigenlijk een beetje raar. Ik zit alweer vooruit te kijken naar de volgende. Als de
Minister dus ergens in de zomer met zo'n brief zou komen, dan weet ik of het op orde
is voor die nieuwe begroting of dat ik nog een duwtje moet geven.
Minister Hermans:
Volgens mij kan ik dat toezeggen. Dat is dan ook een goede gelegenheid om nog eens
op een rij te zetten wat er nu gebeurt en waar het potentieel een extra zetje kan
gebruiken. Dat geeft ook de gelegenheid om met de collega's van JenV en OCW te overleggen.
Ik wil namelijk voorkomen dat we aanpakken of programma's op elkaar stapelen. Het
goed naast elkaar laten lopen of naast elkaar laten bestaan van wat we hebben, is
het meest effectief.
Voorzitter. Ik ga zo meteen dus in op de publiekscampagne, maar ik wil eerst nog iets
zeggen over het drugspreventieplan voor festivals, dat in het coalitieakkoord is opgenomen.
De heer Van Dijk en mevrouw Martens vroegen hoe handhaving daarin meegenomen wordt
en hoe we voorkomen dat het, in de woorden van mevrouw Martens, een papieren tijger
wordt. Op dit moment bestaat er al een leidraad. Dat is de – nu moet ik het goed zeggen
– leidraad Alcohol, drugs en roken op evenementen. In heel veel gevallen wordt die
al gebruikt. Dat is ook goed. We zijn nu in gesprek met een aantal van de belangrijkste
partners op dit terrein – denk aan de evenementenbranche, de VNG en het Trimbos-instituut
– over hoe de afspraken uit het coalitieakkoord verder vormgegeven moeten worden,
indachtig hoe die leidraad nu wordt gebruikt. Daarbij hebben we ook aandacht voor
handhaving. Je wilt namelijk dat het niet alleen een plan op papier is, zoals mevrouw
Martens zei, maar ook echt zijn werk doet in de praktijk.
In het verlengde daarvan vroeg u, voorzitter, of het testen van drugs onderdeel van
het beleid blijft. Dat is allang staand beleid en dat blijft het ook. We hebben een
dertigtal testlocaties in het land, waar mensen tijdens kantooruren anoniem hun drugs
of pil kunnen laten testen. Dat is ook een plek waar we mensen rustig kunnen informeren
over de gezondheidsrisico's en de risico's van het gebruik. Het heeft ook een monitoringsfunctie.
Hierdoor kunnen we zien wat er in omloop is en wat er allemaal gebeurt op de drugsmarkt.
Ik zeg er wel bij dat we dat dus niet op de festivalterreinen doen, want daar geldt
het zerotolerancebeleid. Wat we hebben afgesproken over de plannen voor festivals
staat los van het staande beleid over het testen op locaties los van de festivalterreinen.
Dan kom ik bij de publiekscampagne.
De voorzitter:
Voor u dat gaat doen, heeft de heer Van den Brink een vraag.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik heb een vraag over preventie. U zegt dat de gemeentelijke plannen waar drugs onderdeel
van zouden kunnen uitmaken, op zich goed werken, dat ze helpen en dat u ze wilt stimuleren.
Maar uiteindelijk wilt u dat laatste stapje net niet zetten. Wat heeft u nodig om
dat laatste stapje wel te zetten, als het werkt?
Minister Hermans:
Ik ben er dus niet op tegen als gemeenten zelf aangeven dat het nuttig is om het samen
te pakken in één plan, omdat zij op beide onderwerpen, alcohol en drugs, problematiek
zien in hun gemeente. Maar ik kan mij voorstellen dat er ook gemeenten zijn waar de
problematiek niet op beide onderwerpen van dien aard is dat er een preventieplan op
gemaakt wordt. Ik zei al dat de alcoholplannen sinds 2014 verplicht zijn, maar we
zien dat het voor gemeenten een hele klus is om die actueel te houden. Als je daar
een verplichting bovenop gaat leggen, moet je je heel goed afvragen of dat voor iedereen
net zo nuttig is. Dat neemt niet weg dat ik zie dat het, bijvoorbeeld in De Wolden
en een aantal andere gemeenten waar ze dat al samen hebben gepakt, goed werkt. Daar
waar het goed werkt en we gemeenten erop kunnen attenderen dat ze er profijt van kunnen
hebben om het samen te pakken, wil ik me daarvoor inzetten. Met het verplicht maken,
zadelen we ook gemeenten waar het misschien minder aan de orde is met werk op. Die
stap wil ik nu niet zetten.
De heer Sneller (D66):
Ik snapte de toezegging richting mevrouw Bikker niet helemaal. Komt in die brief voor
de begrotingsbehandeling ook te staan wat die gemeenten in hun preventieplannen schrijven
op het gebied van drugsbeleid, maar waar zij onvoldoende financiering voor hebben
om het ook daadwerkelijk te kunnen uitvoeren?
Minister Hermans:
Dat kan ik, denk ik, wel toezeggen. We kunnen in elk geval de stand van zaken en onze
inzichten daarbij weergeven.
De voorzitter:
Dan wordt dat genoteerd als toezegging, die ik aan het einde van de vergadering nog
eens herhaal. Gaat u verder.
Minister Hermans:
Dan kom ik dus bij de publiekscampagne. Afgelopen zomer hebben we die campagne als
pilot vormgegeven. Tijdens de introductieweken van studenten zijn zij bewust gemaakt
van de negatieve gevolgen van drugsgebruik voor criminaliteit, het milieu en de eigen
gezondheid. Dat hebben we onder andere gedaan met een VR-experience, waarna er een
gesprek met studenten plaatsvond. Vervolgens is het beeldmateriaal van die VR-experience
en die gesprekken ook weer gebruikt in een onlinecampagne. Daarmee hebben we naar
schatting zo'n 3 miljoen jongeren bereikt. Ik ben mij bewust van het feit dat er een
motie van mevrouw Bikker en mevrouw Michon-Derkzen ligt die verzoekt om de campagne
voort te zetten. De Minister van JenV en ik willen ook een vervolg geven aan de campagne.
De Minister van JenV ging net al in op een aantal inzichten uit de evaluatie. Ik denk
dat het belangrijk is om die inzichten goed te betrekken om de vervolgcampagne nog
gerichter en effectiever in te kunnen zetten. Daar zullen we, zeg ik in de richting
van mevrouw Bikker, zowel de studenten of studentenorganisaties als de betrokken gemeenten
bij betrekken. De Rotterdamse casus nemen we uiteraard ook mee. Voor het zomerreces
zullen wij de Kamer hierover informeren.
Voorzitter. Dan kom ik bij de vragen over designerdrugs. Ik begin met de vraag van
de heer Van den Brink of de stofgroepenbenadering voldoende is om nieuwe synthetische
drugs snel en effectief te kunnen verbieden. We hebben per 1 juli 2025 het stofgroepenverbod.
Dat bevat de stofgroepen die we het meest tegenkomen in de handel en het gebruik.
Dat zijn de stofgroepen die afgeleid zijn van middelen die op lijst I van de Opiumwet
staan, dus de harddrugs, en waarvan de gezondheidsrisico's vergelijkbaar of zelfs
groter zijn. Onder dat verbod vallen bijvoorbeeld alle varianten van de synthetische
opioïde fentanyl. Inmiddels hebben de hele gevaarlijke nitazenen ook hun intrede gedaan
in Nederland. We werken nu aan regelgeving waarbij ook die als stofgroep worden toegevoegd
aan lijst IA. Het streven is dat dit verbod op 1 juli aanstaande van kracht wordt.
Op dat moment hebben we in Nederland de belangrijkste stoffen die afgeleid zijn van
harddrugs «gedekt», maar dat woord zeg ik wel tussen aanhalingstekens. Mocht er aanleiding
ontstaan – dit is dan direct antwoord op een vraag van de heer Van den Brink – om
een extra stofgroep toe te voegen, dan bestaat hier de mogelijkheid toe. Doordat we
de optie van het stofgroepenverbod hebben, kunnen we dat veel sneller doen dan in
het verleden. Ik blijf er wel op hameren dat we, naast de wetgeving die we nodig hebben
en die van groot belang is om in te kunnen grijpen, gebruikers blijven waarschuwen
voor de gezondheidsrisico's van dit soort middelen. Ik heb al wat gezegd over preventie
en voorlichting, maar daar gaan we dus gericht op deze doelgroep mee door. Die campagne
is vooral gericht op jongeren. Die hebben daarbij onze bijzondere aandacht.
Dan kom ik bij een vraag van de heer Sneller: wie zijn nou eigenlijk de gebruikers
van synthetische opioïden? Je moet inderdaad goed weten wie het zijn en waarom zij
gebruiken om effectief beleid te kunnen voeren. We weten dat verschillende doelgroepen
om verschillende redenen gebruikmaken van het onlineaanbod van namaakgeneesmiddelen.
Wij zijn nu bezig om meer en beter inzicht te krijgen in de gebruikers en hun beweegredenen.
We kijken dus ook heel nadrukkelijk naar de vraagkant van dit probleem. Daar kom ik
dit voorjaar op terug in een brief, die we ook hebben toegezegd naar aanleiding van
schriftelijke vragen over Funcaps eerder dit jaar. Over het verantwoord gebruik van
voorgeschreven medicatie ben ik in gesprek met zorgverleners. Daarbij gaat het ook
over de risico's wanneer mensen zelfstandig, zonder tussenkomst van een zorgverlener,
geneesmiddelen bestellen.
De heer Sneller vroeg ook of we voldoende voorbereid zijn op de opkomst van nieuwe synthetische opioïden. Hij verwees terecht naar de preparedness
scan van het Trimbos-instituut. Wij zijn de aanbevelingen aan het doorlopen en we
kijken welke aanvullende maatregelen we op basis daarvan kunnen nemen. Ook hierover
zal ik de Kamer in het voorjaar informeren. Natuurlijk blijven we in de tussentijd
alle ontwikkelingen, nationaal en internationaal, op de voet volgen. Ik deel namelijk
met de heer Sneller dat het een markt is waar heel snel heel veel gebeurt.
De voorzitter:
Zou u die toezegging willen herhalen voor de notulen?
Minister Hermans:
Jazeker. Wij beraden ons nu op die preparedness scan: wat zit daarin aan aanbevelingen
en tot wat voor maatregelen leidt dat? Daarover zal ik de Kamer in het voorjaar informeren.
Er komt dus ook nog een brief naar aanleiding van Funcaps en hoe we daar actiever
mee om kunnen gaan.
Voorzitter. De heer Sneller vroeg mij ook nog naar het sneller reguleren van nieuwe
drugs. Ik heb naar aanleiding van de vraag van de heer Van den Brink al het een en
ander gezegd over de lijst IA en het toe kunnen voegen van nieuwe stofgroepen. Dat
helpt ons ook echt om hopelijk minder achter de feiten aan te lopen en meer aan de
voorkant te komen van het kat-en-muisspel, dat door een aantal van u ook al genoemd
werd. We werken nu heel hard om een vierde groep, de nitazenen, toegevoegd te krijgen.
Zoals ik al zei, hoop ik dat die AMvB voor de zomer van kracht wordt.
De heer Sneller (D66):
Dat gaat over nieuwe psychoactieve stoffen. De motie die toen is aangenomen door de
Kamer en waar het Ministerie van VWS mee aan de slag is geweest, gaat over een hele
andere categorie, waar dit potentieel ook een oplossing voor zou kunnen zijn. Dat
was in de context van het lachgasverbod. Dat stuitte in eerste instantie op de Europese
«novel foods»-regelgeving. Er zou door het Ministerie van VWS verder worden verkend
op welke wijze daar wijzigingen in aan te brengen zijn, zodat er ruimte wordt gecreëerd
voor lidstaten om zelf maatregelen te nemen. Lachgas zou bijvoorbeeld nooit onder
die NPS-wet komen.
Minister Hermans:
Ik moet nu even diep graven in mijn geheugen, want toen de lachgasdiscussie speelde,
was ik zelf woordvoerder preventie. Ik zit even in die kennis te graven. Lachgas is
in die zin weer net een ander product, omdat het ook gebruikt wordt in de voedselketen.
Daarom kom je in Europese regelgeving binnen andere kaders, om het zo maar even te
zeggen, terecht. De exacte motie waar de heer Sneller naar verwijst, heb ik niet helemaal
scherp voor de bril. Ik zal het even nagaan en dan kom ik daar, als de heer Sneller
dat goed vindt, graag in tweede termijn op terug.
De voorzitter:
Het lijkt me verstandig om dat in tweede termijn op te pakken.
Minister Hermans:
Dan kom ik nu bij een aantal vragen over het experiment met de gesloten coffeeshopketen.
De heer Sneller (D66):
Er worden een paar dingen over de synthetische opioïden vooruitgeschoven naar een
brief in het voorjaar; alle begrip daarvoor. Wordt de reflectie die ik vroeg op het
opiniestuk van de Nationaal Rapporteur Verslavingen – dat is natuurlijk breder dan
synthetische opioïden, dus bijvoorbeeld ook crack en flakka – daarin meegenomen? Volgens
mij kan dat namelijk belangrijk zijn bij het informeren over die juiste aanpak. Dan
gaat het onder andere over stigmatiseren versus zorgen dat er hulpverlening wordt
gezocht.
De voorzitter:
Dat was gelijk uw laatste interruptie, meneer Sneller.
Minister Hermans:
Dat kan. De heer Sneller had mij natuurlijk ook een vraag gesteld over de Rapporteur
Verslavingen, die voorstelt om samen met gemeenten een plan van aanpak te ontwikkelen.
We werken op dit moment samen met gemeenten aan harm reduction, bijvoorbeeld op het
gebied van heroïneverstrekking. Ook over de crackproblematiek hebben we contact. Ik
wilde bij mijn mapje overig nog tegen de heer Sneller zeggen, maar doe dat dus even
bij dezen, dat ik graag zijn aanmoediging ter harte neem om te kijken hoe we hier
met de gemeenten werk van kunnen maken. Dat staat los van de vraag die de heer Sneller
mij net in een interruptie stelde. Die was nog iets algemener en die zal ik meenemen
in de brief.
Voorzitter. Dan het experiment. De heer Claassen vroeg meer in algemene zin hoe dat
experiment past in het leefstijlbeleid, als ik zijn vraag zo mag samenvatten. Het
leefstijlbeleid is erop gericht mensen gezonder te laten leven. Daarbij ontmoedigen
we ongezond gedrag en bevorderen of stimuleren we gezond gedrag. Dat doen we per gedraging
op een andere manier, wat niet wegneemt dat het doel hetzelfde is. Dat geldt ook voor
het wietexperiment, want het overkoepelende doel van het beleid blijft het ontmoedigen
van gebruik. De beschikbaarheid stijgt dus niet. Met het experiment bekijken we alleen
wat het effect is van het reguleren van de productie in een gesloten keten. Dat is
eigenlijk precies wat de Minister van Justitie net heel uitgebreid toelichtte. Ook
omwille van de tijd zal ik dat niet allemaal nog een keer langslopen. Het experiment
zelf biedt nog wel extra mogelijkheden voor preventie met betrekking tot het gebruik
van cannabis. Dat vind ik ook positief. Zo is er voor consumenten bij elk product
een bijsluiter met informatie over de effecten en de risico's van het gebruik beschikbaar.
Ook zijn coffeeshops verplicht om hun personeel te scholen in het geven van voorlichting
over het gebruik en de risico's, en om te verwijzen bij problematisch gebruik.
Voorzitter. De heer Van Dijk zei: er is gerommeld met voorwaarden; komt er een afbouwpad?
Volgens mij zijn de voorwaarden voor het experiment heel duidelijk. Er is geen sprake
van het voorbereiden van een afbouwpad. We zijn in april 2025 gestart. Dit kabinet
heeft afgesproken om het experiment doorgang te laten vinden. Het experiment loopt
tot 2029. De Minister van Justitie heeft al wat gezegd over de monitoring en de eerste
resultaten daarvan.
Dan vroeg het lid Mutluer mij naar de motie over het EGC en de ingebruiknameplicht.
Naar aanleiding van de motie waarnaar verwezen werd, is er een ingebruiknameplicht
opgenomen in de aanwijzing van de telers, die op dat moment nog niet waren gestart
met het telen van cannabis. Alle telers hebben aan die plicht voldaan. Die waren voor
het aflopen van de termijn in mei 2025 begonnen met telen. Alle tien de telers leveren
nu in meer of mindere mate producten aan de deelnemende coffeeshops.
Voorzitter. Tot slot nog een vraag ...
De voorzitter:
Er is nog even een interruptie van de heer Claassen.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik zat even te denken. Dan is het dus de bedoeling dat een coffeeshophouder voorlichting
gaat geven om het niet te gebruiken. Ik zie dat niet gebeuren. Een coffeeshophouder
wil namelijk zo veel mogelijk verkopen. Ik ben dus benieuwd hoe gecontroleerd wordt
dat die coffeeshophouder die uitleg gaat geven, of dat voldoende is en of dat werkt.
Ik vind dat ook in schril contrast staan met ander beleid. Binnenkort gaan we het
bij VWS ook hebben over de wet over de UAD-geneesmiddelen, waarbij we zeggen: we gaan
gewoon geen voorlichting meer geven over de medicijnen die bij het Kruidvat worden
verkocht. Dat zijn twee totaal verschillende benaderingen, die niet met elkaar te
rijmen zijn. Ik vind dat heel erg verwonderlijk. Ik ben benieuwd hoe de Minister dat
ziet.
Minister Hermans:
Wat betreft voorlichting gaat het erom dat de coffeeshops die betrokken zijn bij dit
wietexperiment, als onderdeel van het experiment klanten aan de balie, aan de toonbank
of bij de kassa actief moeten wijzen op gezondheidsrisico's en de mogelijke effecten
op de gezondheid. Dat is wat er is bedoeld. De tweede vraag moet de heer Claassen
iets nader toelichten, want ik zie even niet de link die wordt gelegd.
De voorzitter:
Alleen als het heel kort is.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Er komt bij VWS een wet aan die bepaalt dat er geen voorlichting meer gegeven hoeft
te worden voor paracetamols, vitamines, Nurofen en neusverstuivers met xylometazoline.
Nu is het geven van voorlichting nog een voorwaarde om die medicijnen via het Kruidvat,
de Etos of de DA te mogen verkopen. Er komt dus een wet aan waarmee dat niet meer
gaat gebeuren. Aan de ene kant zeggen we bij de coffeeshops: je moet voorlichting
geven over hoe slecht het gebruik is. Dat zullen de deelnemende coffeeshops gaan doen,
maar dat gaat nooit gebeuren als het verder uitgerold wordt. Aan de andere kant zeggen
we: als je naar het Kruidvat gaat, voor neusspray of wat dan ook, hoeft er geen waarschuwing
meer gegeven te worden; daar hoeven we niet meer over te spreken. Ik vind dat contrasterend
en bijzonder.
De voorzitter:
Ik zie het verband nog niet, maar misschien ziet de Minister dat wel.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik zie het verband wel.
Minister Hermans:
Volgens mij zijn dit echt twee verschillende zaken. Het eerste gaat over een experiment
dat wij doen, met een looptijd tot 2029, door een gesloten keten van productie en
distributie te organiseren. Daarin onderzoeken we welke effecten het sluiten van de
keten heeft op volksgezondheid en criminaliteit. Als onderdeel daarvan hebben we gezegd:
dat betekent dat we in de voorlichting voorwaarden stellen, namelijk dat de coffeeshophouder
als onderdeel van het experiment de gebruiker wijst op potentiële gezondheidsrisico's.
Het hele experiment wordt gemonitord, maar aan het einde ervan volgt er een uitgebreide
evaluatie. Dan bekijken we hoe het experiment heeft uitgepakt met betrekking tot volksgezondheid
en criminaliteit. Dat leidt dan tot een conclusie over of je hiermee wel of niet moet
doorgaan. Dat zijn allemaal politieke keuzes die daarna gemaakt moeten worden. Ik
hecht er toch wel even aan om dat te benadrukken. Ergens in het betoog van de heer
Claassen werd namelijk de suggestie gewekt dat dit vanaf ’29 automatisch beleid wordt,
maar dat is dus niet zo. We doen een experiment, we evalueren dat en dan volgt er
besluitvorming.
Dan over geneesmiddelen en voorlichting. De heer Claassen noemt een bepaald type geneesmiddelen.
De voorlichting daarover moet nog steeds gegeven worden, bijvoorbeeld in de bijsluiter
of op het pakje, maar niet meer persoonlijk in de drogisterij. Daar liggen andere
overwegingen aan ten grondslag. Daar zullen wij ongetwijfeld nog uitgebreid met elkaar
over discussiëren wanneer deze wetswijziging voorligt; naar aanleiding van de interruptie
van de heer Claassen heb ik zomaar dat vermoeden. Maar ik hecht eraan om het in die
zin even uit elkaar te trekken en om de suggestie weg te nemen dat er helemaal geen
voorlichting meer plaatsvindt bij dit type geneesmiddelen.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Minister Hermans:
Dan had ik nog een vraag van de voorzitter, namelijk hoe wij ons verhouden tot landen
om ons heen, zoals Duitsland. Ik zei net al wat wij in Nederland doen en hoe ons experiment
eruitziet. De uitkomsten zullen wij betrekken bij de toekomstige afwegingen en de
toekomstige vormgeving van ons cannabisbeleid. Je ziet dat er in andere landen stappen
worden gezet om cannabis geheel of gedeeltelijk te legaliseren, zonder een voorafgaand
experiment. In een aantal van die landen, bijvoorbeeld Duitsland, worden evaluaties
uitgevoerd om op basis daarvan eventueel nieuw beleid te bepalen. In Zwitserland heeft
een pilot plaatsgevonden. Zij willen, zo is de verwachting, op basis daarvan vervolgstappen
zetten. Die pilot is anders vormgegeven dan het experiment in Nederland. Soms laten
inzichten zich vergelijken met onze situatie en soms ook niet. Maar we zijn ons natuurlijk
wel bewust van de situatie in de landen om ons heen.
Voorzitter. Dan nog een enkele overige vraag. Mevrouw Bikker vroeg mij of ik op de
hoogte ben van wat er speelt in de gemeente Vlissingen wat betreft edibles. De eerlijkheid
gebiedt mij te zeggen dat ik en mijn collega's niet op de hoogte zijn van specifieke
problematiek in de gemeente Vlissingen.
De voorzitter:
Volgens mij moet dit even gecorrigeerd worden.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dit kan feedback zijn op mijn uitspraak. Ik heb het over Vlissingen gehad rondom flakka
en over de gemeente Ede rondom edibles, waar snoepzakjes verspreid worden die lijken
op zakjes van een beroemd merk, maar dan met een heel klein wietblaadje erop. Dat
heeft grote gevolgen.
De voorzitter:
U kunt er straks, in de tweede termijn, op terugkomen.
Minister Hermans:
Ik merk dat ik in de voorbereiding op dit debat heel veel geleerd heb. Ik heb de flakka
en de edibles onterecht in de omgekeerde volgorde gekoppeld aan Ede en Vlissingen.
Ik wilde zeggen dat specifieke problematiek in Vlissingen mij niet bekend is, maar
ik zal even uitzoeken of dit ook zo is met Ede. Daar kom ik in de tweede termijn op
terug. Anders zal ik het sowieso nader uitzoeken.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Het ministerie hoeft van mij nu niet alles precies uit te zoeken over Ede. Mijn grote
zorg is dat zulke edibles lijken op snoepjes. We weten allemaal dat ieder kind van
een snoepje houdt. Dat vind ik het grote gevaar.
Minister Hermans:
Ik snap de oproep van mevrouw Bikker.
Voorzitter. Mevrouw Bikker stelde mij nog een vraag over de schadelijkheid van cannabisrook
in vergelijking met tabak. We weten dat in cannabis schadelijke, mogelijk kankerverwekkende
stoffen zitten, net als in tabaksrook. De exacte verhouding van die schadelijke stoffen
in cannabis ten opzichte van tabak, ken ik niet. We hebben gewoon een beter beeld
van de schadelijke stoffen in tabaksrook, omdat daar al decennialang onderzoek naar
is gedaan. Dat is bij cannabisrook niet het geval. Hoe dan ook hecht ik er wel aan
om te zeggen dat roken schadelijk is, of het nou tabak of cannabis is. Daarom vind
ik dat het gebruik daarvan ontmoedigd moet worden en zetten we stevig in op preventie.
Daar zal ik ook mee doorgaan, zeg ik ook naar aanleiding van antwoorden die ik in
het eerste blokje heb gegeven.
Voorzitter. Mevrouw Faber vroeg mij naar de handhaving van het rookverbod in coffeeshops.
Voor coffeeshops geldt het rookverbod ook voor tabak, net zoals dat in andere horecagelegenheden
geldt. Dat betekent dat cannabisproducten met tabak niet in coffeeshops mogen worden
gerookt. Het rookverbod geldt niet voor het roken van joints met pure cannabis. De
NVWA handhaaft op dit rookverbod. Dat doet zij naar aanleiding van meldingen en signalen.
Die handhaving is natuurlijk wel complexer dan in andere horecagelegenheden, omdat
je in die handhaving onderscheid moet maken tussen het roken van een product met en
zonder tabak. Er zijn op dit moment geen signalen dat er grote problemen zijn met
de niet-naleving in coffeeshops. Als we daar andere signalen over krijgen, zullen
we daar uiteraard iets mee doen.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik vind dit toch wel een beetje vreemd. De Minister geeft aan dat het roken van cannabis
ook schadelijk is. We hebben daar minder onderzoek naar gedaan, maar het is gewoon
schadelijk. Dát mag dan wel, maar het roken van tabak mag niet. Dat is eigenlijk wel
heel vreemd. Wie zegt dat het niet gemengd wordt? Ik kom gelukkig nooit in een coffeeshop,
maar soms kom je er weleens langs; daar kan je niks aan doen. In Amsterdam kan je
haast nergens lopen zonder erlangs te komen. Dan ruik je het gewoon allemaal naar
buiten komen. Daar wordt dus echt wel gerookt. Dan vraag ik me wel het volgende af.
Als deze handhaving al niet zo lekker loopt, wat in mijn ogen zo is, hoe gaat het
dan met de controle en handhaving op gereguleerde producten?
Minister Hermans:
Volgens mij is de Minister van Justitie en Veiligheid net ingegaan op de handhaving
in het kader van het experiment. Ik heb aangegeven dat we in de horeca een rookverbod
hebben voor het roken van tabak. Daar handhaaft de NVWA op. Dat geldt ook in coffeeshops.
Het roken van een joint met pure cannabis valt alleen niet onder het rookverbod. Het
onderscheiden van wat er gerookt wordt is complexer voor de handhaving in een coffeeshop.
Dat laat onverlet dat dat verbod geldt, maar dat er bij ons en bij de NVWA nu geen
signalen bekend zijn dat er grote problemen zijn met de naleving van dat verbod in
coffeeshops.
Voorzitter. Dan had ik nog een vraag van de voorzitter over MDMA als middel voor therapie
voor mensen met PTSS. De vraag was of we daar een pilot voor kunnen starten. We hebben
een aantal onderzoeken in verschillende landen naar de therapeutische toepassingen
van psychedelica. Die laten gunstige resultaten zien; u verwees er in uw bijdrage
ook naar, voorzitter. Het bewijs voor die effectiviteit en veiligheid is op dit moment
nog onvoldoende. Er is dus meer onderzoek nodig voordat we dit voor patiënten kunnen
inzetten. Zorgvuldig onderzoek, dat we altijd bij geneesmiddelenontwikkeling toepassen,
is van groot belang. Maar omdat we hier wel zien dat dit mogelijk een route is, hebben
VWS en ZonMw geld beschikbaar gesteld voor onderzoek naar de ontwikkeling van MDMA
en psychedelica als behandeling. Dat onderzoek loopt op dit moment.
Voorzitter. Daarmee heb ik de aan mij gestelde vragen beantwoord, althans bij mijn
beste weten. Als het anders is, hoor ik het graag.
De voorzitter:
Behalve de twee vragen die nog in de tweede termijn terugkomen.
Minister Hermans:
Jazeker!
De voorzitter:
Ik ga nu naar de tweede termijn. Elk Kamerlid heeft ongeveer een minuut voor de tweede
termijn.
Mevrouw Faber (PVV):
Dan zijn we gauw uitgepraat!
De voorzitter:
Nou, een minuut ... Het mag ook anderhalve minuut zijn; ik zal iets coulanter zijn.
Maar we hebben niet zo heel veel tijd meer. Mevrouw Faber, ik begin bij u.
Mevrouw Faber (PVV):
Om die minuut dan maar optimaal te benutten, kondig ik een tweeminutendebat aan. Dan
kom ik gewoon met twee moties.
Ik wil nog wel even ingaan op het antwoord van de Minister van Justitie over de ogen
in de wijk, die je zou kunnen gebruiken voor bijvoorbeeld het opmerken van rare bewegingen
bij een huis dat misschien wel een drugslab heeft. Vaak worden mensen in de wijk echter
geïntimideerd, waardoor ze geen aangifte meer durven te doen. Ik heb dat een keer
gezien bij een zaak van mensenhandel, waarbij de hele straat wist dat het daar niet
pluis was, maar niemand aangifte durfde te doen in verband met Bulgaarse criminele
bendes. Het klinkt dus wel mooi, maar het is allemaal wat lastiger.
De PVV is tegen het normaliseren van drugs. We zijn ook tegen het afschaffen van het
eventuele zerotolerancebeleid bij Defensie. Dat wou ik nog even zeggen.
Dat is het. Dank u.
De voorzitter:
En u heeft een tweeminutendebat aangevraagd. Dan is mevrouw Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de Ministers voor de beantwoording. Dank ook voor
het heldere statement dat wie drugs gebruikt, iets doet wat schadelijk is voor je
eigen gezondheid. Je subsidieert er de criminaliteit meestal toch wel echt mee, zeg
ik erbij.
Voorzitter. Voor de ChristenUnie geldt dat we voor een rookvrije generatie zijn. We
zijn dus ook voor een wietvrije generatie. Wat mij betreft gaan we daar nog veel meer
werk van maken. Als ik die edibles zie, maak ik me echt zorgen. Mensen denken nu vast:
wat is nou een edible? Dat gaat bijvoorbeeld om het volgende. Je hebt weleens van
die lekkere snoepbeertjes in allerlei kleurtjes van een bepaald fabrieksmerk, maar
die kan je dus ook kopen met een soort cannabis erin, ook nog eens met een stevige
werking. Wat mij betreft moeten we hier veel sneller en veel steviger tegen optreden.
Dit is gewoon gevaarlijk.
Voorzitter. Ik heb nog geen antwoord gehad op mijn vraag over het wiettoerisme. Ik
heb het dan over mensen die met name naar Amsterdam komen, maar ook wel de grens over
rijden, om hier wat te smoken en te blowen. Kunnen we dat niet stoppen met een ingezetenencriterium?
Ik ben blij dat de Minister zegt dat de wetgeving om strenger te straffen bij zware
drugscriminaliteit er snel aankomt. Dat is een verzoek van de ChristenUnie, dat er
al een poos ligt. Ik zou dus willen zeggen: hup, hup, Minister, hoe eerder, hoe beter.
Dank u wel.
De voorzitter:
U bedankt. Dan is de heer Van den Brink.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ook van mijn kant hartelijk dank aan de leden van het kabinet
voor de beantwoording. Ik ben blij met de toon die is gekozen en dat er wordt gezegd:
drugs zijn niet normaal, gebruik ze niet, het is al heel snel ongezond. Dank voor
die toonzetting.
Ik ben nieuw in deze commissie; ik vind dat ik dat het eerste jaar nog wel mag zeggen.
Ik heb een vraag aan mevrouw de voorzitter: heeft de Minister nou de toezegging gedaan
dat ze aan de gemeenten gaat vragen om drugspreventieplannen op te stellen? Wij mogen
bij onze fractie geen moties indienen van meneer Bontenbal; daar staan lijfstraffen
op. Hij is dus keihard!
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter, een punt van orde. We hebben de Grondwet. Hij mag gewoon een motie indienen,
hoor.
De voorzitter:
De toezegging is genoteerd. Ik ga die zo expliciet benoemen.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Die is als toezegging genoteerd. Heel fijn. Dank daarvoor.
Ik wil nog heel graag een opmerking maken over het antwoord van de Minister naar aanleiding
van uw vraag, voorzitter, over MDMA. Ik heb in mijn vorige vak geleerd dat je daar
altijd bij moet zeggen «don't try this at home». Het is immers levensgevaarlijk. Tegen
de mensen die kijken, wil ik zeggen: ga dit niet zelf proberen, want dan kan je in
de grootste problemen komen.
Tot slot zou ik, in aansluiting op wat mevrouw Faber zei, nog wat willen vragen over
het zerotolerancebeleid bij Defensie. Dat zou op de helling staan. Ik heb daar een
tijd geleden Kamervragen over gesteld. Kan de Minister iets zeggen over hoe het daarmee
staat?
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van den Brink. Ik ga naar de heer Sneller.
De heer Sneller (D66):
Dank, voorzitter. Dank aan de beide bewindspersonen voor hun beantwoording.
Ondanks de verschillende meningen over drugsbeleid zie ik ook veel overeenstemming
als het gaat over gebruik door jongeren, toegankelijke verslavingszorg en effectieve
preventie. Ik denk dus dat er ook voldoende is om gezamenlijk op te bouwen.
Die overeenstemming zie ik eigenlijk ook – dat was ook bij de presentatie van de Staatscommissie
MDMA – op het gebied van de therapeutische toepassing. Daar heb ik nog twee vragen
over. De Minister zegt dat er een onderzoek loopt. Welk onderzoek is dat dan precies?
Ik hoor namelijk juist van het onderzoeksconsortium van verschillende umc's dat dat
nog lastig is. Wat wordt daar nou precies gedaan? Ik denk namelijk dat dit voor veteranen,
politie en hulpverleners die met PTSS kampen, dat eigenlijk onbehandelbaar is, écht
een uitkomst kan bieden. Dat hebben we ook gehoord in rondetafelgesprekken hier. Ik
hoop dat de Minister daarop een stap vooruit wil zetten.
De voorzitter:
Dan is meneer Claassen.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Nog een laatste vraag. Ik hoop op een toezegging van het kabinet. We hebben het heel
even gehad over de KPI's. Daar heeft Minister van Weel iets over gezegd. Maar ik zou
graag een wat uitgebreider schrijven willen krijgen of een toelichting willen krijgen
over waar nu precies op gestuurd wordt, maar ook welke getallen of uitkomsten daarbij
horen. Ik heb nu alleen gehoord dat we gaan kijken of er afname is van gebruik of
dat er afname is van criminaliteit. Dat zijn de labels. Ik zou graag een overzicht
krijgen van welke labels er zijn en welke getallen daar precies bij horen. Ik zou
dat ook een beetje op tijd willen ontvangen, maar daar kunnen we het zo meteen met
elkaar over hebben.
De voorzitter:
Als laatste is het woord aan mevrouw Martens-America.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Voorzitter, ik houd het heel kort. Ik wil beide Ministers en hun team bedanken voor
het beantwoorden van de vragen.
De voorzitter:
Ik ben mezelf vergeten. Dank ook voor de beantwoording, zeg ik tegen beide Ministers.
Aan de Minister van VWS zou ik de volgende vraag willen stellen, ook in navolging
van de vraag van de heer Sneller. De staatscommissie heeft al onderzoek gedaan en
was vrij positief. Kan er, naast dat onderzoek, waarvan wij dus niet weten wat het
is, waar exact onderzoek naar wordt gedaan en hoelang dat onderzoek duurt, alvast
begonnen worden met een pilot, zodat dat hand in hand kan gaan? Hoe kijkt de Minister
daarnaar?
Dat gezegd hebbende, ga ik nu naar beide Ministers voor de beantwoording van de overgebleven
vragen. Heeft u nog tijd nodig om die voor te bereiden? Dat is het geval. Dan krijgt
u twee minuten om de beantwoording voor te bereiden. Na twee minuten gaan we van start.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik stel voor om, met nog iets minder dan tien minuten tijd, door te gaan. Ik vraag
u om te gaan zitten, lieve collega's. We gaan nu door met de tweede termijn van de
beide bewindspersonen en ik begin met de Minister van JenV.
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. Er zijn niet heel veel vragen aan mij gesteld, dus ik kan daar snel
in zijn. Ik heb er nog eentje openstaan uit de eerste termijn. Die ging over het onderzoek
Chemtec Coca. Dat is van het NFI en de politie, maar dat wordt niet gepubliceerd.
Dit is nou juist bedoeld om de criminelen niet wijzer te maken, maar ondertussen met
experts te kijken naar methodes om hier onderuit te komen. Die heb ik dan bij dezen
ingelost.
De ogen in de wijk. Ik ben het helemaal eens met mevrouw Faber. Intimidatie is natuurlijk
een onderdeel van waarom mensen dingen niet melden. Dat is waarom we de campagne nu
ook gericht hebben op Meld Misdaad Anoniem en daar hebben we gedurende de eerste zendtijd
een toename gezien van het aantal meldingen met meer dan 30%. Mensen kunnen dus zonder
risico melden. Het is natuurlijk wel belangrijk dat we dat opvolgen. We hebben dus
gezorgd dat er meer capaciteit is om al die meldingen na te lopen, zodat mensen ook
het idee hebben dat ze niet voor niks melden, dat het niet verdwijnt in de leegte,
maar dat ze ook iets zien veranderen in hun wijk. Hopelijk stimuleert dat dan steeds
meer mensen om dat toch wel te doen.
Dan het ingezetenencriterium. Dat bestaat al. Dat is onderdeel van het landelijk gedoogbeleid,
maar de handhaving daarvan is dan weer aan lokale burgemeesters. 77% van de gemeenten
heeft dit gewoon opgenomen in hun lokale verordeningen en handhaaft daarop, maar de
overige 23% niet. Daar kan je landelijk dan weer weinig aan doen, omdat in principe
dat criterium gewoon geldt. We gaan dan niet met een ander middel de burgemeesters
weer controleren. Het is aan hen om daar dan weer binnen het gedoogbeleid een weg
in te vinden. Het zit dus aan het einde van mijn macht daarop.
Dan de vraag van de heer Claassen over de criteria en de onderzoeken. De criteria
op hoofdlijnen hebben we natuurlijk bij de aankondiging van het experiment neergelegd.
We hebben er ook uitgebreid over gedebatteerd met uw Kamer. Waar het WODC zo meteen
mee komt, is een vertaling daarvan in een heleboel parameters. Dat is inclusief de
verschuivingen die we kunnen gaan meten in criminaliteit, in straathandel en in wat
het betekent voor de vraag, of die daardoor toe- of afneemt. We komen na de zomer
met een uitgebreide appreciatie daarvan en daar zitten al deze criteria heel meetbaar
en smart in.
De voorzitter:
Een korte vraag, meneer Claassen.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Daar gaan wij een debat over voeren. Het kabinet doet dan een uitspraak of zij het
voldoende vinden aan de voorkant, ja of nee, en dan kunnen wij de weging maken of
wij het eens zijn met het kabinet. Is dat dan de manier waarop het gaat?
Minister Van Weel:
We gaan er zeker over debatteren. U krijgt al die criteria en dan kunnen wij daar
een debat over aangaan. Als u het niet eens bent met wat wij daarin concluderen, dan
is dat onderdeel van het debat.
De voorzitter:
Het staat u vrij om daar voorstellen voor in te dienen.
Dank u wel, Minister. Dan ga ik naar de Minister van VWS. Aan u het woord.
Minister Hermans:
Voorzitter, dank. Mevrouw Bikker deed een oproep over de snoepzakjes met edibles in
Ede. Het signaal over het uitdelen van die zakjes is ons niet bekend, maar als dat
gebeurt aan jongeren, dan is dat natuurlijk wel uitermate onwenselijk en het mag ook
niet. Zoals gezegd, zullen we er ook zelf wat nader induiken en kijken of hier mogelijk
iets extra's nodig is. Nogmaals, het is onwenselijk en het mag niet. Heel formeel
zeg je dan dat de politie erop moet handhaven, maar ik heb in eerste termijn al toegezegd
om hier nog even nader naar te kijken.
Voorzitter. Er was een vraag van de heer Sneller en ook van uzelf over MDMA. Het klopt
dat de staatscommissie onderzoek heeft gedaan. Die is met een rapport gekomen en heeft
daarin aanbevolen om aanvullend onderzoek te doen. Dat is wat wij nu doen met ZonMw
vanaf 2024. Dat onderzoek heeft natuurlijk ook best een looptijd. Die is, uit mijn
hoofd, vier of vierenhalf jaar. Wat ik kan doen, is er even achteraangaan of er tussentijds
iets te melden is over resultaten of de voortgang. Dat zal ik dan uiteraard aan de
Kamer melden in een voortgangsbrief met een aantal onderwerpen die wij nog van plan
zijn om voor de zomer aan de Kamer te sturen. In navolging van de heer Van den Brink
zeg ik dat het echt ongelofelijk belangrijk is dat we dit zorgvuldig doen met onderzoek
en het uiteindelijk ook allemaal laten lopen via de officiële, formele kanalen waar
dat voorschrijven op een heel verantwoorde manier kan gebeuren. Ik herhaal dus graag
zijn woorden: don't try this at home.
Voorzitter, daarmee heb ik alle vragen beantwoord.
De voorzitter:
Er was nog een vraag over Defensie, het zerotolerancebeleid.
Minister Hermans:
Naar wij hebben begrepen liggen daar ook vragen over aan de Minister van Defensie,
van de heer Van den Brink. Die zullen door de Minister van Defensie beantwoord worden.
Wij zullen de Minister van Defensie erop wijzen dat de vraag ook vandaag in dit debat
nog aan de orde is geweest.
De voorzitter:
Waarvan akte.
Minister Hermans:
Dat zal ik doen.
De voorzitter:
Dank nogmaals aan beide Ministers. Ik heb de volgende toezeggingen genoteerd.
– De Minister van Justitie en Veiligheid stuurt de Kamer na de zomer de eerste uitkomsten
van het WODC-onderzoek naar het wietexperiment en gaat daarbij ook in op de appreciatie
van de vertaling van de KPI's.
Minister Van Weel:
Samen met de Minister van VWS.
De voorzitter:
Samen met de Minister van VWS, uiteraard.
– De Minister van JenV gaat in de volgende halfjaarbrief in op de uitwerking van de
motie over het verhalen van schade in het kader van drugscriminaliteit.
– De Minister van VWS stuurt in de zomer een brief naar de Kamer over preventie en verslavingszorg
voor jongeren en wat daarbij nodig is vanuit hogescholen, universiteiten en gemeenten,
inclusief het drugspreventieplan. Hierbij worden de Ministeries van OCW en JenV betrokken.
– De Minister van VWS stuurt voor het zomerreces een brief aan de Kamer over de uitwerking
van de motie-Bikker/Michon-Derkzen over het voortzetten van de publiekscampagne over
de gevolgen van drugsgebruik voor criminaliteit en de samenleving, samen met JenV.
– De Minister van VWS stuurt dit voorjaar een brief naar de Kamer waarin zij ingaat
op Funcaps en de beweegredenen van gebruikers, samen met JenV.
– De Minister van VWS stuurt dit voorjaar een brief met een appreciatie van de preparedness
scan van Trimbos en een reflectie op synthetische opioïden.
– De Minister van VWS gaat in een voortgangsbrief voor de zomer in op het onderzoek
naar de ontwikkeling van MDMA en psychedelica als behandeling.
Er is een tweeminutendebat aangekondigd door mevrouw Faber.
Dat gezegd hebbende, sluit ik een minuut voor tijd deze vergadering en dank ik iedereen
nogmaals voor zijn of haar bijdrage. Tot snel.
Sluiting 12.59 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
B.J. Eerdmans, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
M.C. Burger, griffier -
Mede ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport