Verslag van een wetgevingsoverleg : Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 26 januari 2026, over Begrotingsonderdeel Politie
36 800 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2026
Nr. 133 VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Vastgesteld 5 maart 2026
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft op 26 januari 2026 overleg gevoerd
met de heer Van Oosten, Minister van Justitie en Veiligheid, over:
– het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie
en Veiligheid (VI) voor het jaar 2026 (Kamerstuk 36 800 VI);
– de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 12 november 2025 inzake verslag
houdende een lijst van vragen en antwoorden (Kamerstuk 36 800 VI, nr. 15);
– de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 17 november 2025 inzake verslag
houdende een vraag en een antwoord (Kamerstuk 36 820 VI, nr. 6);
– de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 21 januari 2026 inzake uitwerking
consequenties financiële situatie politie 2026 (Kamerstuk 29 628, nr. 1303).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De fungerend voorzitter van de commissie, Ellian
De griffier van de commissie, Burger
Voorzitter: Ellian
Griffier: Van Tilburg
Aanwezig zijn tien leden der Kamer, te weten: Coenradie, Diederik van Dijk, Dobbe,
Ellian, Faber, Michon-Derkzen, Mutluer, Straatman, Struijs en Van der Werf,
en de heer Van Oosten, Minister van Justitie en Veiligheid.
Aanvang 9.45 uur.
De voorzitter:
Goedemorgen, allemaal. Ik open deze vergadering van de vaste commissie voor Justitie
en Veiligheid. Op de agenda staat een wetgevingsoverleg. Het is volgens mij de eerste
keer dat we in deze commissie een wetgevingsoverleg hebben over het begrotingsonderdeel
Politie. Het is mooi dat we dat doen. Bij de procedurevergadering vorige week, waar
velen van u aanwezig waren, hebben we de orde van deze vergadering al een beetje doorgenomen
met elkaar, omdat het de eerste keer is dat we dit zo doen en we dit debat wel moeten
zien af te ronden voor de plenaire begrotingsbehandeling. In de procedurevergadering
hebben we gewisseld met elkaar dat er uiteraard ruimte is voor discussie en debat
– dat is de aard van een wetgevingsoverleg – maar ik wil u nogmaals verzoeken om te
proberen de discussies onderling, hoe verleidelijk ook, een beetje te beperken. Benut
dit overleg vooral als Kamer tegenover de Minister. We moeten namelijk om 14.45 uur
klaar zijn, in principe ook met alle moties. Hou daar dus alsjeblieft rekening mee;
ik ga er ook streng op toezien bij lange interrupties onderling.
De werkwijze van onze commissie is dat we de volgorde van zitplek aanhouden. Er zijn
spreektijden doorgegeven. Ik ga die timen en als het goed is, weet u zelf uw spreektijd
ook. Uiteraard gaan we daarna schorsen, zodat de Minister zijn antwoord kan voorbereiden.
Ik ga proberen om die schorsing meteen te combineren met een mogelijkheid voor lunch.
Interrupties hoeven niet beperkt te worden bij een WGO, maar ik ga dat wel doen als
ik zie dat het er te veel worden.
Eén vraag van mijn kant: is er een inschatting van het aantal moties? Ik snap dat
misschien niet iedereen dat nu wil zeggen, maar heeft iedereen moties? Ik zie dat
dat zo is en dat het er aardig wat zijn. Ik zit zelf voor tot 13.00 uur, omdat ik
namens jullie straks een boek in ontvangst moet nemen. Dat moet ik dan wel doen. Dan
gaat mevrouw Coenradie voorzitten; dat is superfijn. Het is denk ik goed om met elkaar
af te spreken dat we de tweede termijn reserveren voor het voorlezen van die moties.
Dan kan er daarna geschorst worden en kan vervolgens de Minister reageren. Zo gaan
we het allemaal redden. We gaan er iets moois van maken.
Uiteraard heet ik iedereen welkom die er is. Ik heet ook de Minister en zijn ondersteuning
welkom en iedereen die dit debat volgt.
We beginnen met mevrouw Faber. Aan u het woord voor uw eerste termijn.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Waar ooit respect en ontzag voor de politie vanzelfsprekend
waren, zitten wij nu op een hellend vlak van minachting, agressie en geweld tegen
de politie, met als gevolg haat in de straat. De wettelijke taken van de politie betreffen
daadwerkelijk handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp. Maar wat je nu
ziet, is dat deze taken vertroebeld worden door linkse hobby's, terwijl er een groot
tekort is aan menskracht en financiële middelen.
Zo wordt de politie gedwongen om mee te gaan in de klimaathysterie. Het korps moet
een CO2-reductie van 95% realiseren. De politie geeft aan dat dat een probleem is dat in
de nabije toekomst kan leiden tot het niet kunnen uitvoeren van alle wettelijke taken.
In plaats van dat de politie meer agenten de straat op stuurt, breken zij zich het
hoofd hoe dit zwarte scenario te voorkomen en gaan zij zelf op zoek naar maatregelen
om bijvoorbeeld netcongestie tegen te gaan. Maar dat is toch helemaal geen politietaak?
En wat het allemaal kost? Ik heb geen idee; van dit politiek gecreëerde probleem wordt
geen inzage gegeven. Ondertussen loopt de langlopende schuld op van 2,3 miljard tot
3,2 miljard in 2030. In hoeverre is er een verband tussen deze schuldenberg en het
zinloze doel van 95% CO2-reductie in 2050? Dat is over 24 jaar, terwijl nú de mensen 's avonds hun hondje
niet meer durven uit te laten, terwijl je nú zomaar afgetuigd kunt worden op straat,
terwijl nú vrouwen en meisje worden lastiggevallen. Dáár moeten middelen voor worden
vrijgemaakt.
Zo was in de media te lezen dat op IJburg, in de lieve stad Amsterdam, groepen tuig
's avonds de straat domineren. Zij intimideren voorbijgangers, steken scooters en
auto's in brand. Wat volgt: huizen, kerken? Bewoners smeken om permanent cameratoezicht,
meer politie op straat en strenger optreden. Maar ja, daar zijn geen middelen voor.
De onveiligheid in onze straten neemt toe en de politie geeft zelf aan – ik citeer –
«het gebiedsgebonden politiewerk is nooit af.»
Toch is dit alles geen belemmering om de gebraden haan uit te hangen in het buitenland.
Politiemensen die in eigen land broodnodig zijn, worden op missie gestuurd naar landen
als Mali, Libië en Somalië om de boel daar op orde te brengen. Dat zou allemaal goed
zijn voor de rechtsstaatontwikkeling. Gelooft u dat nu echt zelf? Laten wij eerst
maar eens zorgen voor de rechtsorde in eigen rechtsstaat.
Voorzitter. De politie geeft zelf aan dat een van de toelatingseisen om agent te worden
is dat je neutraal moet zijn in hoe je handelt en wat je uitstraalt. Maar hoe serieus
neemt de politietop de door hen gestelde criteria? Zelfs op de Politieacademie worden
iftars georganiseerd en komt burgemeester Marcouch graag preken. Laten we niet vergeten
dat hij degene was die pleitte voor een superstadsdeel Nieuw-West. «Er kan een bloeiende
moslimgemeenschap ontstaan», aldus Marcouch. Verder moet je als agent neutraal zijn
in je handelingen. Je dient je eigen mening en vooroordelen opzij te zetten. Dat klinkt
allemaal goed op papier, maar de praktijk is weerbarstiger.
De politie geeft aan nadrukkelijk te willen deelnemen aan het publieke debat. Hiermee
begeeft zij zich in de politieke arena. Dan krijg je dat bijvoorbeeld een sectorhoofd
van de politie Flevoland, Ben Nassir Bouayad, eens lekker losgaat op social media
over het Gazaconflict. Hij geeft aan: stil zijn is geen optie meer. En hij is o zo
blij met de Rode Lijn. Dat is een stelletje antisemieten die dolgraag alle Joden de
zee in willen drijven. Het gevolg was dat er op social media ruzie ontstond tussen
prominente politiemensen. De politie is een uitvoerende organisatie en moet zich verre
houden van de politieke arena. En wil je dat wel, meld je dan aan bij DENK of zo.
PvdA-GroenLinks is ook een goede tweede; daar kan je gewoon je hoofddoek ophouden.
Maar er is veel meer aan de hand. Ben Nassir Bouayad zou ook betrokken zijn bij gelekte
tapes over een mogelijke aanslag op een synagoge.
De voorzitter:
Ja, een momentje. Mevrouw Faber adresseert GroenLinks-PvdA, dus ik snap dat daar een
interruptie op komt.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Nee, ik wil het graag over de inhoud hebben. We hebben hier een wetgevingsoverleg
over de politie, en ik wil graag van de PVV, die een jaar terug nog regeringsverantwoordelijkheid
had, het volgende horen. Zeker als je kijkt naar de tekorten die er nu zijn, in dit
geval 46 miljoen oplopend naar om en nabij 350 miljoen in 2030, willen zij de tekorten
die de politie dit jaar ondervindt weg hebben? Gaat de PVV daarmee straks ons amendement
steunen?
De voorzitter:
Dat is een concrete vraag.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik moet eerst dat amendement nog eens goed bestuderen. Zoals ik al zei, kan er gewoon
gesneden worden in die duurzaamheid. Ik bedoel: het is helemaal niet inzichtelijk
wat de kosten daarvan zijn. Dat vind ik al heel bijzonder. Ik kom er later in mijn
betoog nog op terug waar we ook op kunnen bezuinigen.
De voorzitter:
Gaat u verder, mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
GeenStijl schrijft dat Ben Nassir Bouayad ook boven aan de bellijst van moskeebestuurders
zou staan voor als zij informatie nodig hebben over de politie. Als klap op de vuurpijl
heeft hij ook nog aangifte gedaan tegen een democratisch gekozen volksvertegenwoordiger,
Geert Wilders. Dat zijn allemaal gedragingen die haaks staan op het eigen politiebeleid.
En dat van een sectorhoofd, waarvan je een voorbeeldrol mag verwachten. Hoe kan het
dat deze agent niet op staande voet is ontslagen? Graag een reactie van de Minister.
De voorzitter:
Mevrouw Faber, een klein momentje. Ik heb even geluisterd. Ik laat het aan de Minister
hoe hij wil reageren. U noemt een sectorhoofd van de politie een paar keer bij naam.
Ik twijfel even. Ik weet dat dit voor de PVV een vrij principiële kwestie is, maar
de beste man kan zich niet verdedigen. Kunnen we afspreken dat u in het vervolg, ook
straks in debat met de Minister, «het sectorhoofd van de politie Flevoland» aanduidt?
Dat raakt dan ook de medeverantwoordelijkheid van de Minister. Zouden we dat kunnen
afspreken?
Mevrouw Faber (PVV):
Voorzitter, ik begrijp uw opmerking en ook de positie van de Minister, maar laten
we wel zijn: deze man heeft er bewust voor gekozen om deel te nemen aan het publieke
debat. Het is zijn eigen gedrag dat dit heeft opgeroepen. Dat punt wil ik toch ook
wel maken. Het zijn gewoon zaken die beschreven zijn.
De voorzitter:
Mevrouw Dobbe?
Mevrouw Dobbe (SP):
Het gaat niet hierover, hoor. Ik wilde alleen even melden dat de livestream het niet
doet.
De voorzitter:
Ai, dat is wel vervelend. Ik vermoed dat menigeen interesse heeft in dit debat. Dat
is vervelend. Kunnen we daar even naar kijken? Dank je wel, je bent geweldig, zeg
ik tegen onze gewaardeerde ondersteuning.
Terug naar mevrouw Faber. Dat is ook waarom ik het heb gelaten. Ik woon zelf in Flevoland,
dus ik ben bekend met de publieke uitlatingen van betrokkene. Ik vind het ook niet
gek dat u als Kamerlid vragen stelt aan de Minister. Ik zou het fijn vinden als we
hem aanduiden als «sectorhoofd van de politie Flevoland». Kunnen we dat afspreken?
Mevrouw Faber (PVV):
Nou, voorzitter, ik wil eerst een punt van orde maken. Dat gaat niet over u of wat
dan ook, maar als de livestream het niet doet ... Dit is wel een heel belangrijk punt.
Ik weet niet sinds wanneer die livestream het niet meer doet, maar ik wil wel dat
mijn verhaal ook in de openbaarheid komt.
De voorzitter:
Tuurlijk, tuurlijk. Ik wacht even op onze gewaardeerde ondersteuning. Ik vrees dat
de buitenwereld hier nog geen kennis van heeft kunnen nemen. We schorsen even een
momentje.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik ga de vergadering heropenen, want ik krijg diverse berichten binnen dat er wel
gewoon meegekeken kan worden. Ik krijg nu een bericht van iemand die zegt dat hij
kijkt via Debat Direct. We houden het goed in de gaten. Als het op Debat Direct staat,
kunt u natuurlijk later online uw bijdrage gebruiken. Kijkt u even waar u was, mevrouw
Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Even kijken, dit heb ik al gehad. Dat zijn allemaal gedragingen die haaks staan op
het eigen politiebeleid. En dat van een sectorhoofd, waarvan je een voorbeeldrol mag
verwachten. Hoe kan het dat deze agent niet op staande voet is ontslagen? Graag een
reactie van de Minister.
Dergelijk gedrag is een vrijbrief voor nog meer ongewenst gedrag. Op TikTok verschijnen
agenten in uniform die geen Nederlands spreken. Er was een tijd waarin je als agent
op het matje werd geroepen als je thuis een politieke poster voor je raam had hangen.
Nu zitten agenten in uniform op hun knieën op een matje in de moskee. En zit je niet
in de moskee, dan is de kans groot dat je terecht kan in de gebedsruimte op het politiebureau.
Wat is dat allemaal voor onzin? Waarom zijn die gebedsruimtes er? Graag een reactie
van de Minister.
De politie voert een diversiteits- en inclusiebeleid. Dat begint al bij de werving
van agenten. De gehele aanpak is gericht op een diversiteitsdoel van 35%. Ondanks
dat etnische minderheden in de watten worden gelegd, blijkt uit een WODC-onderzoek
dat veel rekruten binnen drie jaar na afronding van de basisopleiding de politie al
verlaten. Een onevenredig hoog aantal hiervan heeft een migratieachtergrond. Studies
en rapporten wijzen erop dat rekruten met een diverse achtergrond zich onvoldoende
herkennen in en erkend voelen binnen de politieorganisatie. Wat een onzin. Er wordt
al van alles gedaan om ze zich thuis te laten voelen. Ondanks al dat bidden en dat
iftarren geeft een groot deel gewoon niet thuis. Dus, links-liberaal Nederland: pappen
en nathouden werkt voor geen meter. Het is de hoogste tijd dat er wordt geselecteerd
op competentie en niet op afkomst. Iedereen is toch gelijk voor de wet? Graag een
reactie van de Minister.
Voorzitter. De politie streeft ook naar transparantie. Hoe kan het dan dat vanuit
het veld geluiden klinken dat onderzoeken inzake inclusie en diversiteit onder de
pet zouden worden gehouden? Want blijkbaar ligt het al gevoelig. Graag een reactie
van de Minister.
Voorzitter. De basisteams hebben een prominente rol binnen de politie en zijn dikwijls
de brug naar de burger. De Minister geeft aan dat de bezuinigingen voor het jaar 2026
betreffende basisteams buiten beschouwing worden gelaten. Maar hoe zit het met de
jaren erna? Graag een reactie van de Minister.
Voorzitter, ik rond af. We zitten midden in een gezagscrisis en normvervaging, waar
links beleid en de hel van de multiculturele samenleving aan hebben bijgedragen, binnen
en buiten de politie. De tijd van de-escaleren is voorbij. Het is tijd om orde op
zaken te stellen, te beginnen met de politie. Die moet niet de-escaleren, maar de-islamiseren.
Tot zover.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Dat was een kritisch en stevig betoog van mevrouw Faber. Ik ben wel benieuwd naar
wat zij en haar partij de afgelopen twee jaar hebben gedaan om de problemen die zij
hier benoemt op te lossen. En dan heb ik het niet specifiek over asiel en migratie,
want dat kwam vorige week al even voorbij.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik wil toch graag de collega erop wijzen dat de VVD aan de knoppen zat bij Justitie,
ook toen wij nog deelnamen aan het kabinet-Schoof I. Ik denk dus dat u deze vragen
aan de VVD moet stellen, zeg ik via de voorzitter.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Als dat zo is, klopt dan mijn aanname dat de PVV, ondanks dat zij 37 zetels had in
de afgelopen periode en de meeste bewindspersonen mocht leveren, blijkbaar geen enkele
invloed heeft uitgeoefend op het onderdeel Justitie en Veiligheid?
De voorzitter:
Mevrouw Faber, nog één keer.
Mevrouw Faber (PVV):
Die conclusie zou ik niet te snel trekken, want u weet helemaal niet wat er in de
ministerraad is besproken. Dat kan ik ook niet zeggen, want dan heb ik een probleem.
Daar worden wel degelijk gesprekken over gevoerd, maar de details ga ik u niet geven,
zeg ik weer via de voorzitter.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Werf, tot slot.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Het kan niet allebei tegelijk waar zijn, natuurlijk. Of de PVV heeft een paar mooie
dingen geregeld voor de politie en de veiligheid van Nederland, en kan dat dan ook
hier opnoemen, of de PVV heeft het volledig aan de VVD gelaten, die daar volgens mevrouw
Faber in heeft gefaald. Het is een van die twee opties.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik kan ook aanraden om eens het hoofdlijnenakkoord en het regeerprogramma te bestuderen,
en die naast het verkiezingsprogramma van de PVV te leggen. Dan ziet u zeker overeenkomsten.
Maar ik denk dat u deze vraag ook aan de collega van de VVD zou moeten stellen. Ik
denk dat ze dat zeer goed kan verwoorden. Tot zover. Hier heb ik niks aan toe te voegen.
De voorzitter:
Helder. Ik kijk even rond. We gaan snel over naar de bijdrage van mevrouw Michon namens
de VVD. Het woord is aan u.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Dank u wel, voorzitter. We hebben voor het eerst een apart debat over de begroting
van de politie. Ik wil dit WGO beginnen met een dankwoord aan alle politiemannen en
-vrouwen. Ik vind het ongelofelijk mooi en waardevol hoe zij professioneel dag in,
dag uit hun werk doen. Ik heb zelf voor oud en nieuw een dienst kunnen meedraaien
en dat zit vervolgens weer tijden in mijn hoofd. Ik heb diep respect voor het werk
dat de politie doet, ook achter de voordeur. Ze ruimen de rotzooi van onze samenleving
op. Je denkt dat je daar een goed beeld van hebt, maar als je ziet wat zij allemaal
meemaken, dan kun je daar alleen maar diep respect voor hebben.
Dat gezegd hebbende, gaat het vandaag over de begroting van de politie. Ik kan niet
anders dan hier vaststellen dat het financieel beheer van de politie een puinhoop
is. Sorry, dat ik het zo moet zeggen, maar het is een puinhoop. We hebben jarenlang
heel weinig zicht gehad op de begroting van de politie. Vorig jaar heeft mijn partij
een motie ingediend, die breed gesteund is, om de begroting van de politie en de Politieacademie
door te lichten om zo meer zicht te krijgen op de financiën. Dat heeft geleid tot
de vaststelling dat men binnen de politie boven budget leeft. We hebben in een brief
gelezen dat er een tekort van 850 miljoen zou zijn in 2030. Ik meen dat er intern
500 miljoen is gevonden. Er is dus nog een tekort van 350 miljoen. De eerste 46 miljoen
moet dit jaar gevonden worden. Ik vind het heel vreemd dat we op een begroting van
8,7 miljard met een tekort van 46 miljoen zitten, waarmee de politie heel bestuurlijk
Nederland over de kling jaagt. Overal wordt gevraagd: kan er een autootje minder in
de nacht of kan er ergens een post dicht? Dat leidt natuurlijk tot een hoop onrust.
Voorzitter. Laat ik heel duidelijk zijn: het huidige budget van de politie van 8,5 miljard
is voldoende om de operationele sterkte te betalen. De politie, de korpsleiding, maakt
andere keuzes en zet daarmee de burgemeesters en de Kamer voor het blok. Dat vind
ik onacceptabel. Ik wil dat het geld dat we hier beschikbaar stellen voor de politie
naar het blauw op straat gaat. Wat de VVD betreft wordt er op de operationele sterkte
niet gekort, dit jaar niet, volgend jaar niet en de jaren daarna niet. Ik wil van
de Minister horen hoe hij de 46 miljoen die we dit jaar zoeken, op een andere manier
kan vinden dan via het korten op het blauw op straat.
Voorzitter ...
De voorzitter:
Een momentje, mevrouw Michon. Meneer Struijs heeft een interruptie.
De heer Struijs (50PLUS):
Ik heb een vraag aan mevrouw Michon. U zegt dat het een puinhoop is bij de politie
als het gaat om het financieel beheer en bent een hartgrondig voorstander van het
doorlichten daarvan. Toen zat ik nog niet in de Kamer. Heeft mevrouw Michon in haar
analyse ook meegenomen dat er bij de start van de nationale politie direct werd bezuinigd
en dat er vervolgens heel veel ontwikkelingen waren? Kijk naar de criminaliteitsontwikkelingen.
Er zijn meer verwarde personen en er is meer digitale criminaliteit. Kortom, ik zie
terug dat er veel geld gespendeerd is om de maatschappij een beetje bij te houden
en om de burger veilig te houden op allerlei domeinen. Is dat ook onderdeel van de
analyse van mevrouw Michon?
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik ben het totaal met meneer Struijs eens. Hij refereert aan de start van de nationale
politie in 2012. Toen werden alle bedrijfsvoeringstaken geconcentreerd en zaten we
in een financiële crisis. Toen is er ook een bezuiniging bij de politie geweest, waar
we nog jarenlang last van hebben gehad. Het is vreselijk dat dat destijds nodig was,
maar van 2017 tot nu is de begroting van de politie van 5,5 miljard naar ruim 8,5 miljard
gegaan. Er is in de afgelopen kleine tien jaar dus 3 miljard bij gekomen. Natuurlijk
heeft de politie ook meer taken; daar doe ik niets aan af. Maar ik zeg in de richting
van de heer Struijs dat het mij erom gaat ... Voor elke euro moet je keuzes maken,
thuis en op het werk. Elke euro die we in de politie steken, moet in eerste instantie
gaan naar het blauw op straat, naar de politie die ons veilig houdt en die je belt
als je een politieman of -vrouw nodig hebt. Daar moet de prioriteit liggen. We hebben
natuurlijk per regio formaties. Per basisteam is er een formatie. Dat moet gevuld
worden. Als er dan inderdaad nog een tekort is voor allerlei andere taken, dan moeten
we het erover hebben. Ik zeg richting de heer Struijs dat we het hier ook over hebben.
We hebben namelijk een parlementaire verkenning over personen met verward gedrag gehad.
We hebben het vaak over het voetbalgeweld en de demonstraties, waar zo veel politie
bij nodig is. Ik voel me dus ook verantwoordelijk om een antwoord te geven op al die
taken die, niet allemaal terecht, op hun bord komen. Mijn hoofdlijn is dat ik vind
dat de begroting die wij hier voor de politie vaststellen primair naar de mannen en
vrouwen in operationele dienst moet gaan. Dat is mijn punt.
Mevrouw Straatman (CDA):
Het CDA is het helemaal eens met mevrouw Michon dat de operationele slagkracht van
de politie niet geraakt mag worden, maar mijn vraag aan mevrouw Michon is wat haar
definitie van operationele slagkracht is. Ik hoor u namelijk zeggen dat dat betekent
dat er niet minder blauw op straat mag zijn, maar bent u het met het CDA eens dat
digitale en financiële experts ook direct maken dat het blauw op straat veel effectiever
kan optreden? Wat is dan operationele slagkracht?
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik heb het zelfs over operationele sterkte. Elk basisteam en elke regio heeft een
formatie. Die hebben gewoon een aantal mensen op die formatie staan. We kampen al
jarenlang met een onderbezetting, want er was enorme vergrijzing bij de politie. We
hebben hier met elkaar in de Kamer de Politieacademie, de opleiding, verkort van vier
jaar naar twee jaar, om ervoor te zorgen dat er genoeg mensen in de basisteams terecht
kunnen komen. Heel lang was het politieke punt in deze commissie: hoe zit het nou
met het oplossen van de onderbezetting en kunnen we genoeg mensen opleiden? Nu lijkt
het wel alsof niemand meer überhaupt zijn best doet om de onderbezetting op te lossen
en te realiseren dat de teams gevuld worden. Dat vind ik gewoon verkeerd. Ik vind
dat we dan met elkaar moeten afspreken dat we hele andere formaties gaan maken. Maar
we gaan uit van een formatie per basisteam en per regio. Dat moet gevuld worden. Natuurlijk,
zeg ik via de voorzitter, heeft een wijkagent nu meer een digitale component in het
werk. Dat is evident, maar we kunnen niet makkelijk afstappen van het kader dat we
met elkaar hebben geschetst, namelijk de mannen en vrouwen in de basisteams en de
regio's.
De voorzitter:
Mevrouw Straatman is eerst en ik zie dat mevrouw Dobbe en mevrouw Mutluer ook een
vraag hebben, maar de vragen en de antwoorden moeten kort.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik zal het kort houden, voorzitter. In het beheerplan van de politie lees ik ook dat
de politie zegt dat ze met de veranderende criminaliteitsvormen ook een gediversifieerder
politiebestand nodig hebben. De basisteams zijn dus steeds diverser en moeten diverser
zijn. Begrijp ik mevrouw Michon dus goed dat ze zegt dat er meer wijkagenten op straat
moeten komen, maar dat die dan ook de middelen moeten hebben? Dat kunnen dan ook digitale
en financiële experts in de basisteams zijn, als onderdeel van de operationele sterkte.
Anders laat je de politieagenten de straat op gaan zonder de middelen om daadwerkelijk
te kunnen acteren.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Kort antwoord: dat ben ik met mevrouw Straatman eens. De vraag hoe je met het aantal
agenten zo effectief mogelijk je werk kan doen en wat je dan anders moet doen, gelet
op de veranderende samenleving, zou een interessante discussie opleveren.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik wil mevrouw Michon-Derkzen toch vragen wat zij de Minister nu precies vraagt. Wij
zijn het er hier met elkaar over eens dat er meer taken terechtkomen bij de politie.
Vandaag was het nieuws dat er bijvoorbeeld meer aangifte gedaan wordt van zedendelicten.
Het is op zich goed dat dat aantal stijgt, want als er geen aangifte wordt gedaan,
betekent het niet dat het niet gebeurt. De taken nemen toe, bijvoorbeeld op het gebied
van zeden en online. De politie heeft al enorm zitten kijken naar hoe ze elke euro
kunnen gebruiken. Het tekort van 850 miljoen hebben ze kunnen terugbrengen naar een
tekort van 350 miljoen over een aantal jaren. Dit jaar is er inderdaad een tekort
van 46 miljoen. U zegt dat de Minister dat niet extra mag bijpassen, maar dat er ook
geen blauw op straat mag verdwijnen. We hebben een brief gekregen waarin een beetje
omfloerst staat dat er – hoe noemde hij het nou? – «vacatureregie» moet worden toegepast.
Volgens mij is dat gewoon een vacaturestop. Dat betekent dat er mensen verdwijnen,
die vacatures niet worden ingevuld en politieposten sluiten. Zegt mevrouw Michon-Derkzen
nu dat dat niet mag gebeuren?
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Sterker nog, we hebben met de hele Kamer al gezegd dat dat niet mag gebeuren. We hebben
hier met de hele Kamer in een motie gezegd: met alle financiële uitdagingen die er
zijn, gaan wij niet tornen aan de operationele sterkte bij de politie, dus het moet
ergens anders vandaan komen. Ook de korpschef heeft dat bevestigd. Ik meen dat het
in een halfjaarbericht in 2025 was. In de meest recente brief van de Minister lees
ik, inderdaad, net als mevrouw Dobbe, omfloerste zinnen, als waren wij toch gaan korten
op de operationele sterkte. Daarom lijkt het me goed als de Minister daar vandaag
helderheid over geeft. Wat de VVD betreft gaan we dat dus niet doen, niet nu, want
dat deden we ook niet, dat willen ook niet en dat hebben we ook uitgesproken met elkaar.
Het is dus goed om dat nog eens te bevestigen.
Mevrouw Dobbe (SP):
Inderdaad, want die moties hebben we hier in de Kamer aangenomen. Als je de brief
leest en de begroting bekijkt, zie je volgens mij dat die niet worden nageleefd. Ik
zal daar zo meteen zelf ook naar vragen in mijn bijdrage. Maar wat nu als blijkt dat
deze moties niet uitgevoerd kunnen worden zonder het absolute minimum dat de politie
nu zegt dat bijgepast moet worden, die 46 miljoen? Als die echt nodig is, geeft de
VVD dan ook thuis?
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Nu snijdt mevrouw Dobbe ook precies mijn frustratie aan, want we hebben dat zicht
op de financiën van de politie niet. Ik kan dat dus helemaal niet beoordelen. Als
de Minister zegt «het kan echt niet anders», dan hebben wij niets in handen om dat
te beoordelen. Sterker nog, die 850 miljoen die dus op termijn te kort zou zijn bij
de politie, die uit die doorlichting komt, staat als getal in een brief vermeld, maar
ik kan helemaal niet beoordelen of dat inderdaad het getal is. Om maar wat te noemen:
de vakbonden hebben het nog steeds over een tekort van 850 miljoen, maar ik lees via
de Minister dat de korpsleiding het heeft over een tekort van 350 miljoen. Alleen
al dit enorme verschil maakt dat ik daar onrustig van word. Wij hebben dus als Kamer
geen goed beeld van de financiën van de politie. Daarmee kunnen wij hier allemaal
niet inschatten of die 46 miljoen inderdaad niet te doen is of goed te doen is. Dat
kunnen wij niet inschatten, want die informatie hebben we niet.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Hoeveel waarde hecht de VVD dan aan de uitspraken van de politie zelf? Volgens mij
gebruikt iedereen, ook de vakbonden, inmiddels het getal van 350 miljoen, hoor, want
bij die 850 miljoen is elk dubbeltje er al vanaf gehaald, heb ik begrepen. Dan komen
ze uit op het absolute minimum van dat bedrag, wat dit jaar uitkomt op 46 miljoen.
De mensen in de uitvoering zeggen: als dat geld er niet bij komt, krijgen we inderdaad
te maken met vacaturestops – de Minister heeft dat ook in zijn brief geschreven –
en met het sluiten van politieposten. Dat gaat nú gebeuren. Dan kunnen we niet wachten
en dat nog eens een paar jaar lang helemaal doorlichten om te kijken wat er gebeurt,
want dit gaat vanaf morgen gewoon gebeuren. Mijn vraag aan mevrouw Michon-Derkzen
is nog steeds de volgende. Als wij deze signalen krijgen van de politie, hoeveel waarde
hecht zij dan aan wat de politie en de uitvoering zelf zeggen, namelijk: dit geld
is nodig?
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik hecht er wel aan om te zeggen dat de bonden het nog steeds over 850 miljoen hebben,
zelfs na oud en nieuw. Dat leidde bij mij ook weer tot onrust, want ik dacht dat we
nu op 350 miljoen zaten. Dat getal is dus niet helder. Daar is geen eenduidigheid
over. Het enige wat ik nu hoopvol vind als ik de stukken lees, is dat er nog overbezetting
is in de bedrijfsvoering en in staftaken. Ik zou dus zeggen: als er dit jaar iets
moet gebeuren, moet het daar gebeuren en kan het niet worden ingelost uit de operationele
sterkte, laat staan dat je daar nu een vacaturestop kan instellen. De Minister en
zijn voorganger hebben eerder ook gezegd dat de instroom bij de Politieacademie gewoon
doorgaat. Er is dus geen sprake van het ontslaan van operationele agenten. Wat er
gebeurt, is dat de onderbezetting niet wordt opgelost. Dat vind ik verkeerd. Dat vind
ik een verkeerde gang van zaken. Ik hoop dat we vandaag de bakens wat dat betreft
iets kunnen verleggen als Kamer, zodat we er in ieder geval voor zorgen dat de operationele
sterkte die we hier met elkaar hebben afgesproken, wordt opgevuld. Dan zeggen we:
dat zijn de mannen en vrouwen waar wij voor staan en waar de politie-euro's volgens
ons naartoe moeten gaan.
De voorzitter:
Dan ga ik naar mevrouw Mutluer.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Collega Michon-Derkzen begon haar bijdrage door te stellen dat het een financiële
puinhoop is bij de politie, zeker als het gaat om beheer. Laten we even de hand in
eigen boezem steken. Dit is niet iets nieuws. Laten we eerlijk zijn: collega Michon-Derkzen
en haar partij hebben de afgelopen jaren regelmatig Ministers aangeleverd die de boel
op orde moesten houden. In het kader van zelfreflectie vraag ik: hadden de Kamer en
de Ministers hiervoor niet nog beter en scherper toezicht moeten houden op de financiën?
Ik wil graag even haar reflectie daarop horen.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik vind dit een terechte vraag van mevrouw Mutluer. We hebben als Kamer vorig jaar
de doorlichting gehad. We hebben het er ook vaker over gehad of we toe wilden naar
een apart WGO over de begroting van de politie of niet. Ik erken dus dat er bij velen
van ons hier een soort onrust zat. Ik denk dat dat heel goed is geweest, want daardoor
zijn we nu waar we zijn en kunnen we vanaf hier de boel alleen nog maar weer verbeteren.
Natuurlijk, over alles waar we niet tevreden over zijn, kunnen we zeggen: dat had
beter gekund. Anders stonden we vandaag niet waar we staan. Maar ik hoop dat we dat
nu ook gaan oplossen met elkaar.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dit WGO is uiteindelijk tot stand gekomen nadat ik volgens mij twee jaar terug al
het verzoek indiende om een keer apart over de begroting van de politie te spreken.
Je kan niet én roepen dat er meer blauw op straat moet komen én nu de conclusie trekken
dat het een puinhoop is en dat ze het maar zelf moeten gaan oplossen. Want ondanks
het feit dat collega Michon-Derkzen stelt dat er niet op de operationele slagkracht
zou moeten worden bezuinigd, gaan we dat wel zien. Dat gaat namelijk gebeuren doordat
er straks wordt bezuinigd op ondersteuning, staf en communicatie. We kregen een brief
van Oost-Nederland waarin zij stellen: we trekken het al niet meer. Rotterdam en Noord-Nederland
hebben precies hetzelfde probleem. Als we een gesprek hebben met de politieleiding,
zeggen zij: als het zo doorgaat, kunnen er straks 3.000 agenten ontslagen worden.
Hoe moet ik in dat licht de bijdrage van collega Michon-Derkzen bezien? Volgens mij
gaat het echt ergens over en moeten we hier allesbehalve lichtzinnig mee omgaan.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik ben het totaal eens met mevrouw Mutluer. Die zorg deel ik totaal. Daarom vind ik
het goed dat we hier vandaag bij elkaar zijn. Ik hoop dat de Kamer zich eensgezind
uitspreekt, vanwege de geluiden uit Rotterdam, uit Oost-Nederland en uit Noord-Nederland
– die hebben we allemaal gezien en gelezen – en zegt dat de operationele sterkte in
deze teams niet zal dalen en dat het budget voor de politie voldoende is. Laten we
wel zijn: het budget dat we voor de politie hebben, is voldoende voor de operationele
sterkte. Als je die als eerste financiert, dan kan je daarna dus dingen waarschijnlijk
niet meer doen. Dan moeten we hier dus met elkaar bepalen wat we niet meer doen. Maar
je kan niet op voorhand zeggen – dat vind ik dus een verkeerde keuze – dat we moeten
korten op operationele sterkte omdat we een financiële kwestie hebben. Je prioriteit
bij het inzetten van het politiegeld moet de operationele sterkte zijn. Daar sta ik
voor, vandaag, morgen en overmorgen. Dat zal ik te vuur en te zwaard verdedigen.
De voorzitter:
Het laatste. Tot slot.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Tot slot. Je kan wel zeggen dat de operationele sterkte niet mag dalen, maar zonder
daar financiën tegenover te stellen, zijn het in mijn beleving loze woorden. Is mijn
collega het met mij eens dat er in ieder geval voor dit jaar een oplossing moet worden
gevonden voor dat tekort van 46 miljoen? Zo komt er lucht. Dan kan men nadenken over
hoe die «financiële puinhoop», zeg ik even tussen aanhalingstekens, opgelost kan worden.
Die is de afgelopen jaren tot stand gekomen, mede door toedoen van vele Ministers
die aan de overkant van de zaal zaten, maar eigenlijk ook door toedoen van de Kamer.
De voorzitter:
Dat is een beetje een herhaling, maar: mevrouw Michon, kort.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Dan ga ik ook mijn antwoord herhalen.
De voorzitter:
Laten we dat niet doen.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Het budget is voldoende voor de operationele sterkte. Dan kan je natuurlijk ook dingen
niet meer doen. Daarover moeten we het hebben. Daarover wil ik het gesprek aangaan.
Zolang er overbezetting is bij bedrijfsvoering en stafdiensten, zie ik ook een oplossing.
De voorzitter:
Gaat u verder
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik vervolg mijn betoog, voorzitter.
De voorzitter:
Momentje, momentje. Er is nog een interruptie van meneer Van Dijk.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik wil toch nog even in deze ronde reageren. Ik begrijp ontzettend goed dat mevrouw
Michon natuurlijk niks kan zeggen over de formatiebesprekingen, maar we mogen er toch
wel van verzekerd zijn dat het belang van een sluitende begroting, of je dat nu doet
via een herschikking van taken of dat er toch geld bij moet, hoog op de agenda staat
bij de formerende partijen?
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Daar kan ik niks over zeggen, maar het spreekt voor zich dat mijn partij – «mijn club»
wilde ik zeggen – zich altijd breed maakt voor veiligheid. We hebben in het verkiezingsprogramma
ook 1 miljard extra op veiligheid gezet. Dat zal dus, neem ik aan, in worden gebracht.
Maar ik kan er verder niks over zeggen.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik snap het. Toch zet ik er een streep onder, omdat het wel echt bij de formatie hoort.
Het grotere plaatje is natuurlijk als volgt. Misschien is er wel zo veel geld voor
internationale veiligheid en defensie dat we eigenlijk grote zorgen hebben of we het
ook goed kunnen wegzetten. Het zal toch niet zo zijn dat we dan op de nationale veiligheid,
het blauw op straat, moeten gaan beknibbelen?
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik zal er alles aan doen. Ik hoop dat ik net heel duidelijk heb gemaakt dat we voor
het blauw op straat staan. We «beknibbelen» daar niet op, zoals de heer Van Dijk het
noemde.
De voorzitter:
Nu gaat mevrouw Michon haar betoog afmaken.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ja, voorzitter. Ik heb al veel gezegd over het tekort binnen de politie. Ik heb daar
dus weinig zicht op. Ik lees de strategische visie Stevig staan en een visie over
de huisvesting van de politie, maar de koppeling met financiën ontbreekt. Dat is mijn
bezwaar. Daar gaan wij namelijk over. Wij moeten de begroting vaststellen, en ook
de verantwoording van dit publieke geld.
Voorzitter. Hoe zitten we met het op orde krijgen van de onderbezetting? Ik heb een
heel dik rapport gezien met een nieuwe verdeelsystematiek voor nieuwe sterkte. Maar
we hebben onderbezetting, dus wie heeft het nou over «nieuwe sterkte»? Daar begrijp
ik helemaal niets van. We zijn toch met elkaar bezig om de onderbezetting op orde
te krijgen, zodat de formatie van elk basisteam en elke eenheid gewoon op 100% zit?
Ik lees dingen over een krappe arbeidsmarkt, maar er is juist ontzettend veel enthousiasme
om bij de politie te werken. Ik vind dat in dit geval dus een non-argument.
Opleiden. De Politieacademie heeft een monopoliepositie. We hebben daar met elkaar
een rondetafelgesprek over gehad. Ze zit natuurlijk aan de max. Is de politie dan
ook daadwerkelijk bezig om op andere, creatievere wijzen mensen op te leiden? Bij
de eenheden zelf gebeurt dat nu rond opsporing. Het komt moeizaam over, laat ik het
zo zeggen. Ik denk juist: er is een tekort; zullen we dan in ieder geval de ramen
en luiken openzetten door mensen op een andere, nog steeds kwalitatief voldoende manier
op te leiden?
Voorzitter. Mijn laatste punt gaat over het WODC-rapport «Met vereende krachten?»
Dat haal ik vaak naar voren. Het ziet ook op het opleiden, dat ik net al noemde. Hoe
werkt de politie samen met private partners? Dat begint al met het opleiden. Wat is
nu de agenda met private partners? In het laatste commissiedebat had ik het over winkeldiefstal,
waarbij sprake is van publiek-private samenwerking van een enorme omvang. We hebben
het eerder gehad over de samenwerking met private beveiligers. Het WODC-rapport «Met
vereende krachten?» geeft aan dat er mogelijkheden zijn. Welke agenda rolt daar nu
uit, wil ik de Minister vragen.
Tot slot, mijn laatste woorden. De fractie van de VVD vindt dus dat er primair gekeken
moet worden naar staf en bedrijfsvoering om die financiële plaat in evenwicht te krijgen.
De operatie van de politie, het blauw op straat, moet centraal staan. Diensten draaien
op het gebied van handhaving en opsporing is de kerntaak van de politie. Daar moeten
onze politie-euro's naartoe. De operationeel opgeleide mensen die fit zijn, moeten
dan ook diensten draaien om ervoor te zorgen dat ons land veilig blijft en veiliger
wordt.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Mevrouw Faber heeft nog een interruptie.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik had nog even een vraag over de opleiding. Ik dacht, ik laat mevrouw Michon-Derkzen
eerst haar verhaal afmaken. Is mevrouw Michon-Derkzen het met mij eens dat je moet
rekruteren bij de Politieacademie op basis van competentie in plaats van afkomst?
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Daar ben ik het mee eens. Het is ook een enorme selectie. Er zijn heel veel mensen
die het willen en niet iedereen komt erdoorheen. Alleen mensen die die testen halen,
worden toegelaten. En terecht.
De voorzitter:
Oké. Dan gaan we vliegensvlug door naar de eerste termijn van mevrouw Mutluer namens
GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Laat ik ook, traditiegetrouw, mijn waardering uitspreken voor de
politie, want die is enorm. Juist omdat ik die waardering heel erg serieus neem, maak
ik me steeds meer zorgen over de omgekeerde vraag, namelijk: zijn de politiemensen
eigenlijk nog wel blij met ons, met de politiek en met bestuurders die hun arbeidsomstandigheden
bepalen? Want de samenleving verandert. De criminaliteit verandert mee. Die verhardt,
digitaliseert en wordt complex. Tegelijkertijd komt de zorg op het gebied van onbegrepen
gedrag te vaak bij de politie terecht. Ik zie ook onlinecriminaliteit exploderen,
terwijl de politie en het OM werken met verouderde systemen. Bij ieder groot incident
worden basisteams leeggetrokken, met directe gevolgen voor de wijken. Dit alles gebeurt
in een organisatie die onderbezet en overbelast is, en waarvan in mijn beleving de
basis gewoon niet op orde is; dat zeg ik ook maar. Want de rek is eruit. Dat raakt
uiteindelijk, hoe je het ook wendt of keert, slachtoffers. Precies daar wringt het:
de opgaven groeien, maar de ruimte krimpt.
Ik ga het ook even hebben over de financiële tekorten, want die zijn niet mals. De
tekorten kunnen oplopen tot 850 miljoen richting 2030. Als je dat hoort, maak je je
enorme zorgen. Voor dit jaar gaat het alleen al om 46 miljoen euro. Ook wij stellen
vast dat de Minister eerder heeft toegezegd dat de operationele slagkracht zou worden
ontzien. Maar in de recente Kamerbrieven staat, bijna terloops, dat de voorziene personele
onderbezetting van 110 miljoen euro wordt opgevangen door het niet-vanzelfsprekend
100% bezetten van de formatie. Ik vind dat de Minister gewoon eerlijk moet zijn: dat
is bezuinigen op capaciteit. Het opvangen van de Grijze Wolven verloopt al moeizaam
bij de politie. De voorgenomen nullijn zal ongetwijfeld ook de wijkagent raken. Als
je gaat snijden in ondersteuning, staf, communicatie en arbeidsvoorwaarden – ik denk
aan de PTSS-regeling of politieposten – dan raakt dat uiteindelijk de agent op straat.
Wat mij bovendien grote zorgen baart, is de passage waarin staat dat wanneer de personele
onderbezetting lager uitvalt dan geraamd, er minder middelen beschikbaar zijn om financiële
tekorten te dekken. Daardoor heb je dus een grotere begrenzing van de personele bezetting
nodig. Plat gezegd: hoe groter het tekort, hoe kleiner de politiecapaciteit. Er zullen
wellicht nu niet direct ontslagen vallen, maar het structureel niet invullen van vacatures
holt de politie sluipenderwijs vanbinnen uit. Zelfs het uitgangspunt dat de operationele
slagkracht wordt ontzien, staat ook gewoon onder druk. Sterker nog, de politieleiding
waarschuwt dat het uitblijven van structurele oplossingen kan leiden tot wel 3.000
agenten minder. Ik zei het net al: dat is vooral het geval in de regio's Oost-Nederland,
Noord-Holland en Rotterdam. Die voelen dat nu al. Ik vind dat gewoon onbestaanbaar.
De Minister heeft gewoon beloofd: de operationele slagkracht binnen de politie wordt
ontzien bij noodzakelijke taakstellingen. Ook mijn vraag is helder: wat is er nou
eigenlijk van die belofte terechtgekomen? Het grootste probleem is dat de politie,
de Minister, maar ook wij als Kamer weinig zicht hebben op de meerjarige keuzes in
de politieformatie. Het is een beetje een blackbox geworden. Niet voor niets roept
de Algemene Rekenkamer op tot een vervolgevaluatie van de Politiewet. Ik vraag de
Minister of deze wet de politie nog wel voldoende ruimte biedt om de veiligheidsopgave
van morgen aan te kunnen. Mijn antwoord daarop is overigens vrij helder. Los van de
verantwoordelijkheid van de politie om de basis op orde te brengen – die zie ik enorm –
is er ook adequaat budget nodig, want zonder randvoorwaarden is die waardering leeg.
Daarom ligt er ook een amendement van onze hand.
Dan nog even iets over onlinecriminaliteit. De noodzaak tot vernieuwing zien we misschien
wel het scherpst op het digitale vlak. De onlinecriminaliteit groeit, met alle gevolgen
van dien. Ik zie en lees dat met name jongeren te maken hebben met onlinecriminaliteit
of -zedenzaken, terwijl de digitale weerbaarheid van de politie achterblijft. We lazen
ook dat Russische hackers vorig jaar de gegevens van 62.000 politiemedewerkers buitmaakten.
Daar was de politie voor gewaarschuwd, maar daar hebben ze weinig mee gedaan. Dat
vraagt dus dat de politie de hand in eigen boezem steekt, maar het vraagt ook regie
vanuit het kabinet. Zeker in een tijdperk van hybride dreigingen is verouderde ICT
ronduit alarmerend. Daarom vraag ik aan de Minister, overigens ook op verzoek van
het OM en de politie, hoe hij aankijkt tegen het instellen van een begeleidingscommissie
of een regeringscommissaris ICT voor de justitiële keten, die kan zorgen voor samenhang,
tempo en structurele verbeteringen.
De voorzitter:
Was mevrouw Mutluer al klaar? Nee? Ojee. Nee hoor, dat komt goed. Er is een interruptie
van mevrouw Michon.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik deel zeer met mevrouw Mutluer dat het onlinedeel de uitdaging is van vandaag en
de aankomende jaren. Maar is zij het met mij eens dat het ook gewoon een bevoegdhedenkwestie
is? We zitten nu met een wetsvoorstel waarbij de politie de bevoegdheid gaat krijgen
om online informatie te vergaren vanuit open bronnen, want zelfs dat mag nu nog niet.
Je gelooft dan toch eigenlijk je oren niet? We kunnen dus wel een regeringscommissaris
neerzetten, maar wat gaat diegene doen als we nog zo achterlopen met de bevoegdheden
die de politie heeft in het onlinedeel?
De voorzitter:
Een kort antwoord alstublieft, mevrouw Mutluer.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik denk dat de bevoegdhedendiscussie een andere discussie is. Je hebt gewoon te maken
met ICT die zeer verouderd is. We zagen het recent bij het OM toen alles een paar
weken werd afgesloten omdat moest worden uitgezocht of er sprake was van een hack
of dat er iets anders was misgegaan. We zagen het ook bij de politie. Over het Wetboek
van Strafvordering zegt de justitiële keten dat ze het gewoon niet aankunnen als de
ICT niet op orde is. Ik weet dat het heel lang duurt om iets aan te besteden en voordat
de ICT weer op orde is, maar die basis moet wel eerst op orde zijn. Blijkbaar zijn
ze daar zelf niet toe in staat, dus voor mijn part ga je met hen in gesprek om te
bekijken of dat ook op een andere wijze georganiseerd kan worden.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Heel kort. Dan begrijp ik het eigenlijk zo dat mevrouw Mutluer van mening is dat de
politie de eigen ICT beter op orde moet hebben. Maar moet daar dan een regeringscommissaris
voor komen volgens mevrouw Mutluer? Ik begrijp niet helemaal hoe zich dat verhoudt
tot het zelf je eigen winkeltje op orde hebben.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
De winkel is niet op orde, noch bij het OM, noch bij de politie, en misschien zelfs
ook niet eens bij de rechtspraak. Als je dat echt op orde wilt krijgen, dan moet je
de regie pakken. Of de Minister die pakt of een begeleidingscommissie of een regeringscommissaris:
I don't care, als het maar gebeurt. Zo kan het namelijk niet verder, zeker niet als
het Wetboek van Strafvordering in werking treedt. Dan gaat het helemaal mis. Dat zien
we nu al met al die hacks die plaatsvinden. Uiteindelijk gaat het ten koste van het
werk van deze partners, en dus ook van mensen en slachtoffers. Dat kan niet meer.
We leven in 2026! De ICT moet gewoon op orde zijn, zeker met de veranderde digitale
samenleving.
De voorzitter:
Mevrouw Michon, tot slot. Houd het echt kort.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Tot slot. Als ik het goed begrijp, stelt mevrouw Mutluer hier voor dat het op het
gebied van ICT ook raadzaam kan zijn om de politie onder curatele te stellen. Dat
is wat zij zegt: het kan me niet schelen hoe het gebeurt, als het maar gebeurt. Dat
kan volgens haar dus ook door externen gedaan worden. In de ogen van mevrouw Mutluer
is het dus dermate ernstig dat een extern persoon of een externe organisatie de ICT
bij de politie op orde zou moeten komen brengen. Dat is in mijn ogen ondercuratelestelling.
Klopt dat?
De voorzitter:
Klopt dat, mevrouw Mutluer?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik ga de woorden van mevrouw Michon-Derkzen van net, toen ze het had over de puinhoop
nu wat betreft het financiële beheer bij de politie, niet herhalen. Ik herhaal datgene
wat zowel politiechef Knol als de heer Otte van het OM recent in een artikel in de
krant hebben geroepen. Zij zeiden: «Beste allen, ICT is een groot probleem. We zien
digitale criminaliteit toenemen en wij zijn niet in staat om dat als organisatie goed
te tackelen. Help ons daarbij en denk daarbij na over een eventuele regeringscommissaris
die ons daarbij kan helpen». Ik herhaal dus datgene wat zij hebben voorgesteld. Ik
vraag aan de Minister hoe hij daartegen aankijkt. Het is prima als hij zegt dat hij
de regie pakt, als het maar gebeurt.
De voorzitter:
We gaan straks zien wat hij zegt. Gaat u verder, mevrouw Mutluer.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, ik rond af. Ik heb nog één punt: de cultuurverandering. Alles wat we vandaag
bespreken, raakt namelijk ook aan cultuur en leiderschap. De rapporten van Sorgdrager
en Schneiders laten een patroon zien: zodra de druk afneemt, verslapt de uitvoering;
cultuurverandering vraagt blijvende aandacht, niet alleen visitaties achteraf. Ik
vind dat inspecties dat niet alleen kunnen. Zij hebben namelijk gewoon een andere
taak. Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat structurele monitoring en bijsturing
plaatsvindt? Ook daar geldt weer de vraag of je dan externen of een bestuurlijke commissie
nodig hebt, die helpen om de boel weer vooruit te brengen. Ook moet er vanuit de politie
een takendiscussie worden gestart. Dat kwam ook nadrukkelijk aan bod toen we het gesprek
hadden over de undercoverteams, de Landelijke Eenheid en leiderschap. Wat doen we
wel en wat doen we niet? Wat hoort bij de regio's en wat moet je anders organiseren?
Voorzitter. Collega Michon-Derkzen heeft al het een en ander over de opleiding gezegd.
Ook ik vind dat de Politieacademie weliswaar het eindniveau moet bepalen, maar dat
dat niet de enige partij moet zijn die dat kan doen. We hebben namelijk gewoon opsporing
en recherche nodig. Ook daarop wil ik graag een reactie van de Minister.
De voorzitter:
Okido. Meneer Van Dijk, met een interruptie.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik heb een korte, verhelderende vraag voor mevrouw Mutluer. Ik begreep uit de amendering
dat GroenLinks-PvdA zegt dat er geld bij moet. Tegelijkertijd viel me op dat er voor
een deel overlap zat tussen de bijdrage van GroenLinks-PvdA en de VVD, in die zin
dat u zich allebei beklaagt over de ondoorzichtigheid en de mist rondom de organisatie
en het geld. Mevrouw Michon zegt heel stellig dat er genoeg geld is voor de operationele
sterkte. Daar kun je vragen bij stellen, maar de keerzijde is ook waar. Als er namelijk
zo veel ondoorzichtigheid is, hoe weet mevrouw Mutluer dan dat er wel fors geld bij
moet?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Als u het amendement goed leest, dan gaat het om het tackelen van 46 miljoen euro
voor dit jaar. Ik ben van mening dat er inzicht moet worden verkregen. Je moet de
politie even lucht geven om te kijken wat wel en niet kan. Je kunt nu dus niet rücksichtslos,
niet zomaar, zeggen dat je akkoord gaat met die 46 miljoen, omdat dit heel veel consequenties
heeft en een grote impact heeft op de politieorganisatie. Ik zei net al dat dit ten
koste gaat van ondersteuning, van regelingen voor PTSS en van regelingen om digitale
criminaliteit op te sporen. Dat vind ik onverantwoord. Laten we dus eerst met elkaar
gaan zitten en bekijken of we het een en ander inzichtelijk kunnen krijgen. Geef de
politie even wat lucht en dan kijken we over een jaar wel verder. We moeten echter
niet nu al zeggen dat we gaan korten. Ik denk namelijk dat je daarmee meer kapotmaakt
dan je denkt. Daarom dien ik dit amendement in en ik hoop op steun daarvoor van de
heer Van Dijk. Ik hoor buiten de microfoon nog een uitdrukking, maar dat is een andere.
Ik ben briljant in uitdrukkingen.
De voorzitter:
Daar gaan we het nu niet over hebben. We gaan door naar de eerste termijn van mevrouw
Coenradie. Zij spreekt namens JA21.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter. Vorige week spraken wij hier over geweld tegen hulpverleners. Ik zeg het
maar direct: dat debat was voor mij ronduit teleurstellend, niet vanwege de Kamer,
maar vanwege de beantwoording van de Minister. De Minister sprak over voldoende instrumentarium
en lopende trajecten, maar de politiemensen hoorden geen urgentie, geen daadkracht
en geen erkenning. De Minister zei dat hij pal achter de politie staat, maar politiemensen
zagen een Minister die op afstand bleef. Wat ik zag, was geen leiderschap. Wat ik
hoorde, was geen beheer. Wat ik miste, was een Minister die begrijpt wat er nú nodig
is. De dag na dat debat werd mij door meerdere mensen gevraagd: en, wat gaat er nu
veranderen? Mijn antwoord was pijnlijk simpel: niks, nada, niente!
Voorzitter. Dat is misschien wel het hardste oordeel over het optreden van de Minister.
Hij is het niet oneens met de Kamer, maar er ontstaat simpelweg geen beweging. We
hebben een Minister die zegt dat hij vertrouwen heeft in de politie, maar dat vertrouwen
niet vertaalt naar ruimte, middelen of rugdekking, terwijl 65.000 politiemensen dagelijks
van deze Minister verwachten dat hij hen ziet, steunt en beschermt. Precies daarom
is dit overleg zo cruciaal.
De Politiewet is gedateerd. De wet is gebouwd op het uitgangspunt dat veiligheid gelijkstaat
aan aantallen: meer blauw op straat, meer formatie, meer mensen. De Minister zegt
echter zelf steeds dat de wereld verandert, dat criminaliteit digitaliseert en dat
dreigingen complexer worden. Dan is de vraag: waarom is de wet die onze politie moet
ondersteunen niet meeveranderd? De realiteit is dat veiligheid vandaag niet alleen
wordt vergroot door meer agenten, maar juist door de slimme inzet van technologie,
data-analyse en cybercapaciteit. Maar wanneer de politie op verzoek van de politiek
meer inzet moet plegen op cybercriminaliteit, wordt zij belemmerd door een financieringssysteem
dat vastzit in formatie in plaats van dat het gericht is op effectiviteit. De Minister
zegt vertrouwen te hebben in de politie. Waarom vertaalt dat vertrouwen zich dan niet
in autonomie? Waarom mag de politie niet zelf bepalen hoe middelen het beste kunnen
worden ingezet om veiligheid te realiseren? Is de Minister bereid de Politiewet te
moderniseren?
Voorzitter. Dan de praktijk op straat. De Minister zegt dat hij agenten ruimte wil
geven, maar het handelingskader van de politie vertelt een ander verhaal. Dat kader
is de afgelopen jaren alleen maar dikker geworden: meer regels, meer uitzonderingen,
meer juridische indekking. Agenten geven aan dat zij, als zij zich zorgvuldig willen
voorbereiden op bijvoorbeeld een fouilleeractie, verdwalen in instructies. Dat is
geen steun; dat is verlamming. Dat sijpelt door op straat. Kwaadwillenden, relschoppers,
criminelen: ze voelen gewoon de ruimte. Vertrouwen in de politie begint met minder
regels voor de politie, met een handelingskader dat uitgaat van vakmanschap en professionele
oordeelskracht in plaats van wantrouwen en micromanagement. Vorige week sprak ik een
agent uit Utrecht. Agenten krijgen daar de opdracht om bepaalde wijken zo veel als
mogelijk te vermijden, omdat handhaving en aanhoudingen tot onrust hebben geleid.
Dat is geen gezag; dat is terugtrekken. Dat is het failliet van het geweldsmonopolie.
Wat vindt de Minister van zulke ontwikkelingen? Wil de Minister samen met de politie
het handelingskader herzien, met als uitgangspunt vertrouwen in expertise, vakbekwaamheid
en bovenal minder regels?
Dan de financiën. De Minister stelt dat er dit jaar een tekort van 46 miljoen euro
is, oplopend tot 350 miljoen, maar dat dit beheersbaar is en dat de operatie wordt
ontzien. De politie zegt echter iets anders. Zij waarschuwt dat bezuinigingen onvermijdelijk
voelbaar worden op de werkvloer. Wie spreekt hier nou de waarheid? Hoe kan het dat
de woorden van de Minister en de politie zo ver uiteenlopen? Hoe vaak spreekt de Minister
hierover met de politieleiding en met de agenten op de werkvloer? Waarom lukt het
niet om tot één gedeeld en realistisch beeld te komen? Als de Minister zegt dat alles
onder controle is, terwijl de politie zegt dat de rek eruit is, dan is dat geen nuanceverschil;
dan is dat een bestuurlijk probleem.
Dan de inzet van het leger ter ondersteuning van de politie en haar taken, los van
de KMar. In België wordt gewerkt aan wetgeving om dit mogelijk te maken. Is het kabinet
bereid om dit voorbeeld te volgen of op z'n minst deze optie te onderzoeken? Kijkt
men überhaupt met een schuin oog naar waar België mee bezig is? Zo niet, waarom niet?
Tot slot nog een actualiteit. Deze week kwam ook naar buiten dat de oud-Griffier van
de Tweede Kamer die onder vuur kwam te liggen vanwege het achterhouden en verwijderen
van informatie in de Arib-lekaffaire, stilletjes is vertrokken uit de politietop,
maar wel aanblijft als goedbetaalde adviseur, terwijl onze politiemannen en -vrouwen
op straat op non-actief worden gesteld bij vermoedens van onbehoorlijk gedrag. Dat
roept een ongemakkelijke vraag op: welke geloofwaardigheid heeft het integriteitsbeleid
van de overheid als bestuurlijke misstappen aan de top niet tot consequenties leiden,
maar tot een zachte landing?
Tot zover.
De voorzitter:
Even kijken: zijn er interrupties? Oké, jongens ... Een korte. Mevrouw Straatman was
eerst, dacht ik.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik ben het helemaal eens met het betoog van mevrouw Coenradie dat er meer flexibiliteit
in de politieorganisatie moet komen om in te spelen op de veranderende vormen van
criminaliteit. Vindt mevrouw Coenradie dan ook dat de politiek wat voorzichter moet
zijn met het oormerken van gelden? Je hoort namelijk ook van de politieorganisatie
dat wij als politiek vaak potjes geld oormerken, bijvoorbeeld voor de zedenpolitie
of andere vormen, terwijl de politie eigenlijk wil inspelen op lokale punten en niet
te veel gebonden wil zijn.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Laat ik even vooropstellen: als wij een heel goed idee hebben met z'n allen, bijvoorbeeld
ten aanzien van PTSS, waarvan wij als Kamer willen dat het uitgevoerd wordt, dan moeten
we daar vervolgens ook de middelen voor beschikbaar stellen. Mevrouw Straatman was
ook bij het bezoek aan de politietop, vorige week. Daar werd gezegd: ja, we willen
dit met de beste wil goed uitrollen en we geloven in een goede nazorg voor de politie,
maar we hebben de middelen eigenlijk niet volledig. Dat gaat over tientallen miljoenen.
Ik vind dat we heel scherp moeten kijken naar hoe wij onze moties indienen en daarbij
vooral het doel met de middelen moeten bedienen, want anders zijn het eigenlijk gewoon
lege hulzen voor de politie.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik hoorde mevrouw Coenradie over het inzetten van het leger. Volgens mij kan ik daaruit
concluderen dat JA21 daar een voorstander van kan zijn. Als dat zo is, denk ik dat
zij de motie die de PVV heeft ingediend gaat steunen. Is dat juist?
De voorzitter:
Er is een motie ingediend ...
Mevrouw Faber (PVV):
... over het inzetten van het leger.
De voorzitter:
Oké. Die dient u nog in, of is die al ingediend?
Mevrouw Faber (PVV):
Volgens mij is die afgelopen woensdag ingediend.
De voorzitter:
Oké, dan hebben we dat even helder voor iedereen. Er ligt een motie van de PVV over
het inzetten van het leger. Mevrouw Coenradie.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik denk dat het goed is dat het leger in ieder geval de bevoegdheid heeft om de politie
te ondersteunen indien dat nodig is. Ik moet nog even goed naar die motie kijken,
maar als dat is wat de motie zegt – wij zetten het leger in ter ondersteuning van
de politie als dat nodig is, bijvoorbeeld bij een jaarwisseling, bij demonstraties
of op andere momenten – dan zou ik daar inderdaad een voorstander van zijn. Zo is
dat nu ook in België geregeld. Daarvoor ontbreekt nu alleen de juiste wetgeving, het
mandaat. Dat is wel iets waarover ik vragen heb aan deze Minister. Is de Minister
überhaupt bereid om daarnaar te kijken en worden daar ook al gesprekken over gevoerd
met België?
De voorzitter:
Dan gaan we naar mevrouw Van der Werf voor haar eerste termijn namens D66.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Dank u wel, voorzitter. Twaalf jaar geleden begon ik hier in Den Haag als gemeenteraadslid.
Mijn eerste prachtige portefeuille was toen veiligheid. Ik zie mevrouw Michon glimlachen,
want wij zijn daar samen aan de slag gegaan op het onderwerp politie. Hoewel dat nog
steeds een onderwerp is dat ons allemaal in het hart raakt, is het mij de afgelopen
twaalf jaar opgevallen hoe ongelofelijk moeizaam het is om inzicht te krijgen in de
politieorganisatie en daarin bijvoorbeeld via moties of amendementen een verandering
voor elkaar te krijgen bij het ministerie. Verzoeken en voorstellen van deze Kamer,
die soms van links tot rechts worden gedeeld, blijven gewoon heel lang liggen.
Voorzitter. Een voorbeeld daarvan dat ook raakt aan de discussie die net al vaker
werd gevoerd, is een motie die ik samen met mevrouw Helder heb ingediend. Helaas zit
zij niet meer in deze Kamer, maar ik denk dat iedereen haar nog wel kent. In 2022
hebben wij een motie ingediend met verzoek het begrotingsartikel van de politie uit
te splitsen, omdat politici heel lastig kunnen zien wat er nou precies gebeurt met
de om en nabij 8 miljard die de organisatie krijgt. Deze motie is echter nog niet
uitgevoerd, terwijl de daarachter liggende wens om de Kamer meer transparantie te
geven gelet op het begrotingstekort en alle discussie daaromheen buitengewoon actueel
is. Hoe kan de Kamer het begrotingstekort nou beoordelen als zij niet weet waar het
nu beschikbare geld naartoe gaat? Welke mogelijkheden ziet de Minister om de Kamer
daarin mee te nemen, om die benodigde informatie wél te verstrekken?
Voorzitter. Een andere breed aangenomen motie van mij wacht ook nog steeds op uitvoering,
namelijk de motie over het opstellen van een nieuwe verdeelsleutel voor de politie.
De Minister heeft het onderzoek naar een nieuw verdeelmodel naar de Kamer gestuurd.
Daaruit blijkt dat dit inderdaad geactualiseerd moet worden, want in sommige regio's,
zoals in het oosten, waar ik zelf geboren en getogen ben, zijn de aanrijtijden gigantisch
en is de spoeling heel dun. Er is echter geen informatie waaruit blijkt of en wanneer
een nieuwe verdeelsleutel wordt geïmplementeerd, terwijl wij daar al met het kabinet
voor dit demissionaire kabinet mee bezig waren. Welke stappen onderneemt de Minister
om nu daadwerkelijk door te werken aan het Besluit verdeling sterkte en middelen politie?
Voorzitter. Een ander punt dat raakt aan transparantie en sturing is prioritering.
Er komen vanuit deze Kamer heel veel wensen, van links tot rechts, voor waar de politie
aandacht voor moet hebben. Maar vaak weten wij niet ten koste van wat dat zal gaan,
want die informatie hebben wij ook niet. Natuurlijk kun je er suggesties voor doen.
Die hebben wij ook gedaan, maar het is onduidelijk wat daar daadwerkelijk van terechtkomt.
De gesprekken over de nieuwe veiligheidsagenda zijn van start gegaan. Er ligt een
wens van mij, en ik denk ook van meerdere collega's, om in het veiligheidsbeleid meer
aandacht te geven aan femicide en huiselijk geweld. Kan de Minister aangeven of hij
deze onderwerpen actief betrekt in de gesprekken over de veiligheidsagenda? Als hij
dat niet doet, is hij dan bereid om die wens mee te nemen?
Voorzitter. Wij hebben het vandaag vooral over de financiën, maar ik wil ook aandacht
houden voor een veilige werkcultuur binnen de politie zelf. Het verleden leert dat
misstanden snel zijn gemaakt; denk aan het werken onder dekmantel. De politie is een
log schip dat niet zomaar gekeerd is. Hoe zorgt de Minister ervoor dat we ook binnen
de vele opgaven die er nu liggen, aandacht houden voor de menselijke kant van de politieorganisatie?
Wij hebben het volste vertrouwen in de mensen die voor ons de straat op gaan. Zij
staan elke dag voor ons op de bres. Ik wil hen daar echt van harte voor bedanken,
maar ik denk ook dat die dankwoorden leeg zijn als we er niet voor zorgen dat deze
mensen op een goede manier samen kunnen werken.
Voorzitter, dank.
De voorzitter:
Mevrouw Mutluer, kort.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Collega Van der Werf heeft ook de bijdrage van de VVD gehoord. D66 is de grootste
partij en is aan het formeren. Is collega Van der Werf het eens met haar VVD-collega
dat er geen geld bij moet en dat de politie het geld voor de tekorten waar ze mee
van doen hebben maar binnen de eigen organisatie moet vinden? Of kunnen we verwachten
dat er bij de formatie wel wat middelen daarvoor vrijkomen?
Mevrouw Van der Werf (D66):
Ik heb de collega van de VVD niet horen zeggen dat er geen extra geld bij moet komen.
Ik vind dat dus een vreemde conclusie die mevrouw Mutluer hier nu trekt. Wat ik de
VVD-collega heb horen zeggen, is dat er beter geprioriteerd moet worden en dat voor
haar blauw op straat daar zwaar in weegt, om het maar even samen te vatten. Wat ik
daar zelf aan toe wil voegen, is iets wat collega Straatman hier ook al stelde, namelijk
dat je niet zo makkelijk kunt stellen dat je twee categorieën hebt binnen de politie:
blauw op straat dan wel blauw achter een bureau. De nieuwe criminaliteit en uitdagingen
die er zijn, vergen namelijk ook andere expertises, andere manieren van opsporing
en een ander soort mensen dat daaraan kan werken. Ik denk dat we heel goed moeten
kijken welk bedrag de politie daarvoor nodig heeft. De reden dat ik de motie met mevrouw
Helder zo nadrukkelijk noemde, is dat ik denk dat we het nodig hebben om inzicht te
krijgen in de financiën en hoe we daarop kunnen sturen.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik heb echt de VVD niet horen zeggen dat er extra geld bij moet. Ik heb de woordvoerder
wel horen zeggen dat de operationele sterkte niet mag dalen, maar dat er moet worden
gekeken binnen de eigen middelen hoe je dat probleem oplost. Deelt collega Van der
Werf die mening? Zo niet, hebben we een hele interessante discussie, want er ligt
wel een amendement dat mevrouw Van der Werf misschien kan steunen.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Volgens mij ligt het iets anders dan mevrouw Mutluer hier schetst. Het amendement-Mutluer
doorkruist in feite waar we nu aan de formatietafel mee bezig zijn; ik denk dat mevrouw
Mutluer dat zelf ook wel weet. Hoe zij de woorden van mevrouw Michon interpreteert,
moet zij vooral met mevrouw Michon uitvechten, maar ik heb mijn VVD-collega niet horen
zeggen dat er per definitie geen extra geld zou moeten komen.
Mevrouw Dobbe (SP):
De politie zegt: het absolute minimum dat we erbij zouden moeten krijgen, is voor
dit jaar 46 miljoen. Nou is dit jaar al bezig. Dat is het jammere van een begrotingsbehandeling
die wat later komt, want dan zitten we al in het jaar waar het over gaat. We kunnen
dus niet al te lang wachten met de besluitvorming. Ik weet natuurlijk dat de partijen
aan het formeren zijn, maar ik vraag nu naar de mening van D66. Hoe waarderen zij
deze oproep van de politie? Vinden zij ook dat die 46 miljoen nodig is, los van wat
er zo meteen uit de formatie komt?
Mevrouw Van der Werf (D66):
Het ingewikkelde van die vraag is dat die niet losstaat van de formatie. Ik denk dat
mevrouw Dobbe dat ook weet. Maar wij hebben dezelfde informatie als de andere Kamerleden
hier aan tafel. Ik heb die 46 miljoen natuurlijk heel goed gezien, zeg ik tegen mevrouw
Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Maar wij moeten zo meteen wel een begroting vaststellen voor dit jaar. Wat wij nu
afspreken voor dit jaar, bepaalt of de politie daarmee vooruit kan of niet. Dat bepaalt
of er vacaturestops komen of niet. Dat bepaalt of er politieposten sluiten of niet.
Dat betekent dus dat wij als Kamer nu onze verantwoordelijkheid moeten nemen. De politie
geeft aan dat het absolute minimum 46 miljoen euro erbij is, zodat ze al die zaken
kan oppakken die D66 ook heel belangrijk vindt, die wij samen heel belangrijk vinden.
Daar moeten we nu over besluiten. Ik vraag naar de mening van D66, nog los van de
uitkomst van de formatie en de onderhandelingen. Nemen zij die oproep serieus en gaan
ze het dan ook regelen?
Mevrouw Van der Werf (D66):
Wij nemen elke oproep heel serieus. Wij hebben hier heel goed naar gekeken.
De voorzitter:
U was ook klaar met uw bijdrage, geloof ik. Ik zou zeggen dat mevrouw Coenradie en
mevrouw Van der Werf mijn woorden tijdens de procedurevergadering zeer ter harte hebben
genomen. Dat is zeer prettig.
Mevrouw Straatman, aan u het woord voor uw eerste termijn namens het CDA.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb de afgelopen weken als nieuw Kamerlid het politievak
van dichtbij mogen meemaken. Dat heeft mijn respect en waardering voor de politiemensen
alleen maar verder doen toenemen. De afschuwelijke geweldsuitbarstingen van de afgelopen
jaarwisseling hebben pijnlijk duidelijk gemaakt dat we hier als samenleving nog een
wereld te winnen hebben, maar laat duidelijk zijn dat het CDA de professionaliteit,
betrokkenheid en immense inzet ziet waarmee politiemensen en boa's dag en nacht werken
aan onze veiligheid op straat. Dat kan niet genoeg benoemd worden.
Voorzitter. De beperkte spreektijd dwingt mij vandaag om tot de kern te komen. Hoe
zorgen we dat de politie ook in de komende jaren nabij, gezaghebbend en toekomstbestendig
kan opereren? Allereerst het takenpakket. Hoe komt de politie weer toe aan de kerntaken?
Het takenpakket van de politie stapelt zich de afgelopen jaren op. We zien dat veel
capaciteit opgaat aan de beveiliging van demonstraties. Als demonstranten misbruik
maken van het demonstratierecht, komen zij er vaak nog straffeloos mee weg. Hoe zorgt
de Minister ervoor dat de schaarse opsporingscapaciteit van de politie bij uit de
hand gelopen demonstraties verderop in de strafrechtketen een vervolg krijgt? De Minister
heeft eerder toegezegd, naar aanleiding van het WODC-rapport, met het OM om tafel
te gaan. Wat is daarvan de status?
Daarnaast zien wij een sterke toename van onbegrepen gedrag, vaak op het snijvlak
van zorg en veiligheid. Begrijp me goed, juist hier vervult de politie een belangrijke
signalerende rol, maar dat mag niet ten koste gaan van de eigenlijke taak, namelijk
het handhaven van de rechtsorde en het waarborgen van de veiligheid. De politie moet
kunnen optreden wanneer de veiligheid in het geding is, maar dit mag niet het sluitstuk
worden van tekortschietende zorg. Hoe voorkomen we dat politiemensen steeds vaker
worden ingezet bij problematiek die eigenlijk om zorg vraagt? De overkoepelende vraag
is dan ook: hoe kunnen we de politie ontlasten, zodat ze weer aan haar kerntaken toekomt?
Voorzitter. Dan de operationele sterkte. Het tekort op de politiebegroting baart het
CDA grote zorgen. De Minister schrijft dat de financiële opgave voor 2026 zal worden
gerealiseerd zonder de operationele slagkracht te raken. Dat is voor het CDA dan ook
een principiële grens. Maar hoe realistisch is dit? In de meest recente brief verwijst
de Minister naar ramingen van augustus 2025. Zijn deze nog accuraat? Ervan uitgaande
dat de cijfers nog kloppen, schrijft de Minister in de brief dat in 2026 maatregelen
neerslaan bij de niet-operationele capaciteit. Wat verstaat de Minister daaronder?
Vallen daaronder bijvoorbeeld ook specialisten zonder volledig politiediploma, zoals
digitale experts? Zo ja, raakt dat dan niet ook direct de operationele slagkracht
van de politie, zeker in tijden van digitalisering van criminaliteit? Wat is de reactie
van de Minister hierop?
Wat het CDA betreft moet de politie niet alleen zichtbaar zijn in buurten en wijken,
maar ook in de digitale straten, waar steeds meer criminaliteit plaatsvindt. Kan de
Minister toezeggen dat de bezuinigen in ondersteunen en specialistische functies ook
de operationele slagkracht in de aanpak van digitale criminaliteit niet raken?
Voorzitter. Dan wil ik de horizon verbreden voorbij 2026. De Minister geeft aan dat
hij voor de jaren daarna op voorhand niets kan uitsluiten. Wat betekent dat nu voor
de organisatie van de politie? Welke hervormingen en investeringen kunnen door deze
onzekerheid nu geen doorgang vinden?
Als we spreken over de operationele sterkte, gaat het niet alleen over aantallen en
formatie, maar ook over de mentale inzetbaarheid van mensen in de frontlinie. Politiemensen
worden steeds vaker geconfronteerd met ernstig geweld, maatschappelijke onrust en
ingrijpende incidenten. Juist daarom heeft het CDA samen met D66 en GroenLinks-Partij
van de Arbeid de initiatiefnota over PTSS ingediend. Wij hopen dat deze initiatiefnota
in de Kamer op brede steun kan rekenen, zodat zorg voor politiemensen net zo vanzelfsprekend
wordt als hun inzet voor onze veiligheid.
Voorzitter. Dan de verdeling van politiecapaciteit. De begroting en het beheerplan
laten zien hoe complex deze opgave is. Tegelijkertijd horen wij signalen over toenemende
druk, niet alleen in grote steden, maar ook in economisch vitale regio's zoals Brainport
Eindhoven. Hoe wordt er omgegaan met deze veranderende economische hubs, zoals Brainport
Eindhoven, die met de groei ook een nieuwe criminaliteitsdynamiek krijgen? Hoe inzichtelijk
is de verdeelsleutel voor lokale gezagen? Wordt deze periodiek herijkt? Welke mogelijkheden
ziet de Minister om capaciteit te herschikken zonder nieuwe ongelijkheid tussen regio's
te creëren?
Voorzitter. Het is duidelijk dat de politie niet gratis is. De inzet van politiecapaciteit
is dat ook niet. Toch zien we bij sommige grootschalige evenementen, zoals festivals
en betaald voetbal, dat een specifieke groep bezoekers structureel om meer dan gemiddelde
politie-inzet vraagt. In de ingewikkelde puzzel die we moeten leggen, kunnen we daar
niet voor wegkijken. Veiligheid is een gedeelde verantwoordelijkheid en disproportionele
inzet van politiecapaciteit heeft een prijs. Wat het CDA betreft is het dan ook het
verkennen waard om te kijken of organisaties die structureel om disproportionele inzet
van politie vragen, een financiële bijdrage kunnen leveren. Hoe kijkt de Minister
hiertegen aan?
Een disproportionele inzet van politiecapaciteit bij de een gaat altijd ten koste
van de ander. Heel concreet: de blijvende tekorten van politiecapaciteit zetten de
voortgang van verschillende wielerkoersen, vooral in de regio, onder druk, terwijl
juist daar hard gezocht wordt naar alternatieven om de politie te verlichten, bijvoorbeeld
via de burgermotorverkeersregelaars – dat is een hele mond vol. Wat is de stand van
zaken op dit punt? Wat doet de Minister om de landelijke richtlijn voor burgermotorverkeersregelaars
te bespoedigen, zodat deze koersen doorgang kunnen vinden?
Voorzitter, mijn laatste punt. Het CDA maakt zich grote zorgen over de verplaatsing
van criminaliteit naar het onlinedomein. De inrichting van de politieorganisatie is
daar nog onvoldoende op toegerust. Een toekomstbestendige organisatie moet meebewegen,
maar moet daar ook ruimte en flexibiliteit voor krijgen, bijvoorbeeld voor het aannemen
van technische zijinstromers. Wij krijgen signalen dat wettelijke bepalingen en uitvoeringsregels
steeds meer knellen bij regionale politie-eenheden die snel willen kunnen inspelen
op nieuwe vormen van criminaliteit, in afstemming met lokale gezagen. Hoe kan de Minister
zorgen voor meer flexibilisering bij de opbouw van regionale en lokale politieteams?
Voorzitter. Veiligheid is de basis van een rechtvaardige samenleving. Dat vraagt om
een sterke, zichtbare en rechtvaardige politie, offline en online, voor nu en in de
toekomst. Daar zal het CDA zich voor blijven inzetten.
Mevrouw Faber (PVV):
Mevrouw Straatman heeft het over personen met verward en onbegrepen gedrag, en dat
dat ten koste gaat van de politieactiviteit, terwijl deze mensen in feite een zorgvraag
hebben. Ik heb hierover een vraag aan haar. Gaat het CDA bij de coalitieonderhandelingen
dan niet bezuinigen op de zorg?
Mevrouw Straatman (CDA):
Mevrouw Faber weet, denk ik, net zo goed als iedereen in de zaal dat ik over de formatieonderhandelingen
niets kan zeggen. Het is wel een gegeven dat bezuinigingen op een terrein ook andere
terreinen kunnen raken. Dat de politie op dit moment veel te veel bezig is met personen
met onbegrepen gedrag, heeft dus ook te maken met bezuinigingen op en wachtlijsten
bij de ggz. We zullen moeten kijken hoe we dit probleem van zorg en veiligheid integraler
kunnen aanpakken.
De voorzitter:
Mevrouw Faber, kort.
Mevrouw Faber (PVV):
Maar ik had wel begrepen dat mevrouw Straatman zei dat personen met verward en onbegrepen
gedrag niet ten koste zouden mogen gaan van de politiecapaciteit. Dan is er maar één
mogelijkheid, namelijk dat er meer zorg komt. Het is het een of het ander. Ik begrijp
dat u niks mag zeggen over de coalitieonderhandelingen, maar ik kan wel de vraag stellen:
zet het CDA er in ieder geval wel op in dat er meer capaciteit gaat naar de zorg,
zodat het niet ten koste gaat van de capaciteit van de politie?
Mevrouw Straatman (CDA):
Zoals ik net al zei, vraagt het om een integrale aanpak. Als je de politie wilt ontlasten,
zul je inderdaad op andere terreinen moeten investeren. Dan zul je ervoor moeten zorgen
dat mensen die een zorgvraag hebben, eerder bij de zorg terechtkunnen.
De voorzitter:
Zullen we het hierbij laten, mevrouw Faber?
Mevrouw Faber (PVV):
Oké, omdat u het zo aardig vraagt.
De voorzitter:
Fijn. Dit moet een bijzonder moment zijn ... O, er is nog een interruptie, van mevrouw
Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Sorry, ik zit nog voor een bijzonder moment. Het is goed om te horen dat het CDA ons
zal steunen als we gaan proberen om de bezuinigingen op de zorg terug te draaien,
want dat is natuurlijk de enige conclusie die je kunt trekken als je zegt dat de politie
niet met zorgtaken bezig kan zijn.
Ik wilde een vraag stellen over de disproportionele inzet van de politie bij bijvoorbeeld
voetbalwedstrijden, waar het CDA het over had. Er zou gepraat kunnen worden over een
eigen bijdrage van de evenementen of van degenen die op dat moment die politie-inzet
vergen. Ik vraag me af wat mevrouw Straatman daar precies mee bedoelt. Als dat de
kant opgaat van het privatiseren van politietaken door die te beleggen bij beveiligingsbedrijven
et cetera, dan vind ik dat een hellend vlak. Er is dan beveiliging voor degenen die
het kunnen betalen en niet voor degenen die het niet kunnen betalen. Wat bedoelt het
CDA hier precies mee?
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik hoor mevrouw Dobbe allerlei conclusies trekken uit woorden die ik niet heb gezegd.
Ze vroeg naar een bijdrage van organisaties die disproportionele inzet vragen. We
zien nu dat de politie een heel groot deel van haar capaciteit kwijt is aan met name
voetbalwedstrijden, maar ook aan allerlei festivalorganisaties. We hebben een financiële
opgave met elkaar. De vraag is: moeten we die partijen niet ook verantwoordelijk maken
voor deze disproportionele inzet? Maar dat betekent absoluut niet dat je het privatiseert.
Ik noem een heel concreet voorbeeld, dat het verkennen waard is. Ik ben heel benieuwd
hoe de Minister daarnaar kijkt. Kunnen voetbalclubs een heel kleine bijdrage leveren
aan de disproportionele inzet van de politie? Dat doen ze nu al binnen het stadion,
maar buiten de stadions vraagt het ook heel veel. Waarom zouden wij de politie uit
de algemene middelen moeten bekostigen als een heel klein groepje mensen veel inzet
vraagt van de politie? De voetbal vraagt heel veel van de politie. Ik ben zelf een
groot voetbalfan, dus ik begrijp dat dat belangrijk is. Maar bij bijvoorbeeld regionale
wielerkoersen is een minimale politie-inzet niet beschikbaar. Ik zou dit meer in balans
willen brengen. Degenen die een disproportionele inzet vragen, moeten hun maatschappelijke
verantwoordelijkheid nemen. Daar kan een financiële bijdrage tegenover staan.
De voorzitter:
Mevrouw Coenradie, waarschijnlijk op dit punt.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ja, voorzitter. Dan kunnen we het rijtje verder afmaken. Ik ben benieuwd hoe zij aankijkt
tegen demonstraties die enorm uit de hand lopen. Denk aan Extinction Rebellion, die
fanatiek op allerlei snelwegen staat of de wegen blokkeert. Hoe kijkt mevrouw Straatman
daartegen aan?
De voorzitter:
Een korte vraag voor mevrouw Straatman.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik denk dat dit een hele terechte vraag is van mevrouw Coenradie: hoe gaan we om met
demonstraties die ook steeds meer vragen van de politiecapaciteit? Vandaar ook mijn
vraag aan de Minister. Als de politie hier schaarse opsporingscapaciteit aan besteedt,
dan moet dat ook leiden tot straffen. Tegelijkertijd zijn demonstraties natuurlijk
wel iets anders dan commerciële organisaties of commerciële evenementen. Demonstreren
is een grondrecht, dus daar kun je niet direct een financieel plaatje aan hangen.
Maar wat het CDA betreft moeten relschoppers en mensen die het demonstratierecht misbruiken
wel de financiële kosten daarvan dragen. We moeten de schadevergoedingen heel snel
verhalen op die raddraaiers, ofwel via het strafrecht ofwel via het civiel recht,
waar we meermaals aandacht voor hebben gevraagd.
De voorzitter:
Oké. Ik wilde net zeggen dat we nu naar een bijzonder moment gaan. Ik kan me voorstellen
dat het begrotingsonderdeel Politie een bijzonder moment moet zijn voor meneer Struijs.
Het woord is aan u.
De heer Struijs (50PLUS):
Dank u, voorzitter. Er zit een klein dilemma in Jan. Hij spreekt nu namens 50PLUS.
Ik wil duidelijk maken aan mijn collega's, aan u, voorzitter, en zeker ook aan de
Minister, waar 50PLUS in de komende tijd voor staat, zodat er een hoge mate van voorspelbaarheid
zit in het verhaal dat ik aan de informateur heb verteld en dat ik nu aan mijn collega's
vertel. De meesten weten dat wel.
De politie staat echt onder water. We hebben een fors probleem. Ik wil toch even de
invalshoek van de burger pakken. Er liggen heel veel belangrijke zaken op stapel.
Denk aan zedendelicten, mishandelingen en noem het maar op. Dat ligt niet alleen op
die stapel, want die stapel zit daar nog een stukje voor. Er is geen opsporingscapaciteit
om tijdig de filmbeelden van de bus op te vragen van Anja die bij bushalte is mishandeld
of om een buurtonderzoek te doen. Kortom, we hebben het hier over de veiligheid van
de burger, in vele dimensies.
Dan wil ik toch ook even ingaan op de digitale criminaliteit, die zich enorm ontwikkelt.
De ICT van de politie is zorgwekkend. Dat geldt niet alleen voor de interne ICT, maar
met name voor de koppelvlakken richting de burger. We hebben bureaus gesloten, dus
de digitale koppeling om snel de politie digitaal te kunnen bereiken is heel belangrijk.
Die is echter aan storingen onderhevig en zeker nog niet op orde. Dan hebben we de
koppeling tussen de politie en het OM. Ik was recent nog bij een rechtbank en daar
zag ik de jongens van de DSI. Ik vroeg wat zij daar deden. Ze zeiden: in een hele
zware zaak moeten wij de verbalen komen brengen, want je moet er niet aan denken dat
die verbalen onderweg onderschept worden. Mensen van de DSI brengen verbalen omdat
de koppelingen anno 2026 nog niet op orde zijn. We gaan het zeker over de operationele
sterkte hebben. Mijn vraag aan de Minister is: ziet de Minister dit ook als een probleem,
zeker in het licht van de begrotingsdebatten die wij nu voeren over de operationele
sterkte? Ik sluit me aan bij de woorden van veel collega's over de operationele sterkte.
Ik heb nog een andere vraag over dit soort vormen van criminaliteit: ziet de Minister
mogelijkheden, kijkende naar cybersecurity en andere vormen van criminaliteit die
overlap hebben met Defensie, om met zijn of haar collega van Defensie – ik weet niet
wat er in de toekomst gebeurt – dit veld te verkennen en uit de begroting van Defensie
extra middelen te halen? Het mes snijdt hier namelijk aan twee kanten. Dat is een
vraag aan de Minister. Kortom, de pakkans van criminelen wordt steeds kleiner en die
invalshoek moeten we elke keer erbij nemen. Bij de laatste demonstraties hebben mensen
zich zo misdragen en zijn er echt misdrijven gepleegd, maar volgens de politiedeskundigen
ligt de pakkans tussen de 10% en 17%. Pak ’m beet 80% van de daders loopt dus nog
steeds vrij rond. Heeft de Minister daar oog voor en ziet hij mogelijkheden, in wat
voor vorm dan ook, om de pakkans te vergroten?
Dan ga ik nog even terug naar het politiepersoneel zelf. Ik weet als geen ander dat
de waardering uit de Kamer zeer op prijs wordt gesteld, maar ik weet ook als geen
ander dat dat wel boter bij de vis moet zijn. Laten we onze geloofwaardigheid hooghouden.
Wij vinden dat overigens, in alle malaise die ik nu schets rondom femicide en geweld
achter de voordeur, een zeer belangrijke prioriteit. Wel vraag ik de Minister om met
ons oog te houden voor de ouderenmishandeling, die ook toeneemt en waar we onvoldoende
zicht op hebben. Politiemensen geven aan een gebrek aan capaciteit te hebben voor
dat soort softe meldingen. Die zijn soft in de zin van: er zijn weinig aanwijzingen,
maar het is wel gebeurd. Ik vraag de Minister om daar oog voor te hebben en dat mee
te nemen in de hele aanpak rondom geweld achter de voordeur, en uiteraard op straat.
Kijk naar psychisch geweld. Kijk naar de babbeltrucs. We hebben de eerste dooie te
betreuren. Wij gaan ons in de komende tijd dus enorm hard maken voor de aanpak van
geweld tegen ouderen.
Waar het hier natuurlijk met name om gaat ...
De voorzitter:
Momentje, meneer Struijs. Er is een interruptie van mevrouw Mutluer.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Er is één onderwerp waarop wij elkaar echt wel vinden. Wij kunnen het altijd met elkaar
vinden, niet alleen op één onderwerp. Een belangrijk onderwerp is hoe we omgaan met
mensen, met name ouderen, die bijvoorbeeld te maken hebben met nepagenten die voor
de deur staan. We zien daarin een enorme stijging. Ook de verkoop van hele echte,
authentieke politie-uniformen gebeurt veelvoudig. Die kun je gewoon online kopen.
Welke acties zou de heer Struijs daarin met ons willen ondernemen? We hebben daar
in het verleden ook met het CDA een punt van gemaakt, maar wellicht is het goed om
ook op dit onderdeel samen op te trekken.
De heer Struijs (50PLUS):
Wat betreft het aanpakken van de babbeltrucs wil ik graag met u optrekken. We hebben
daar informeel weleens over gesproken. Ik wil het iets verbreden, want ze doen zich
ook voor als iemand die de watermeting komt doen of namens Ziggo komt. Ik wil dus
dat we het onderwerp samen in die zin verbreden, om zo effectief middelen in handen
te geven. Een tweede punt is dat wij de laagdrempelige manier van melden voor ouderen,
en voor iedereen die achter de voordeur zit en hier slachtoffer van kan worden, willen
verbeteren. Dat zit voor een deel in een directe lijn met de politie. Die moet niet
alleen lopen via 112, maar ook via een extra knop die ingedrukt kan worden om beelden
van een deurbel door te zetten naar de politie, mocht je zo'n deurbel hebben. Er zijn
allerlei particulieren die zo'n bel deurbel hebben. Op het moment dat diegene op beeld
staat, scheelt dat namelijk enorm. Ik heb een pakket van dingen die ik zou willen,
maar dat gaat te ver voor deze discussie. Mijn vermoeden is dat wij elkaar daar echt
op gaan vinden.
De voorzitter:
Gaat u verder meneer Struijs.
De heer Struijs (50PLUS):
Ik ga verder. Ik ben ieder geval blij dat er bij veel partijen inzicht is dat er toch
wel geld bij moet, of het nou linksom of rechtsom is. Ik ben zeker niet van de blanco
cheque. Ik heb wel geconstateerd dat er binnen de politie inderdaad nog eens even
naar de NOS, de niet-operationele sterkte, moet worden gekeken. Hoe verbind je dat
aan elkaar? Ook ik ben licht geïrriteerd door het vermorsen van geld bij de ICT-ontwikkelingen
van de laatste jaren, maar het moet nu eenmaal op orde worden gebracht. Ik wil zeker
geen blanco cheque, maar wij zullen alles steunen dat goed onderbouwd is. Wij zullen
zelf ook proberen om de eerste 46 miljoen te tackelen en op termijn die 350 miljoen
voor elkaar te krijgen. Nogmaals, dat is geen blanco cheque, want alle zinnige dingen
uit de kritische houding die mensen hier hebben, deel ik voor een groot deel. Kortom,
de politie staat onder water en de burgers zijn echt de klos.
Ik vraag nog aandacht voor één ding. Ik ben enorm geschrokken van de wijze waarop
netwerkcorruptie en corruptie in alle geledingen van onze democratie momenteel niet
kunnen worden aangepakt. Ik heb ook bij de infiltratiediscussie gehoord dat we er
gewoon geen tijd voor hebben. Als je dit soort dingen laat lopen, heb je echt een
probleem.
Dan ga ik nog even naar de demonstraties. Met de demonstraties die aangekondigd zijn
en met wat voor niet-aangekondigde demonstraties eraan komen door de onrust in de
maatschappij staat de politie echt onder water. Ik sluit een beetje anekdotisch af.
Gisteren speelde mijn club uit tegen Utrecht. Een commandant van Utrecht wilde mij
even appen: ik gun Sparta het allerbeste, maar laat ze niet winnen, want dan zijn
we bang voor de onrust. Dat was een cynische grap, want het dagelijkse werk van elke
politiebaas binnen de politie is het verdelen van de schaarste. Ik denk dat we hun
het voordeel van de twijfel moet geven. Wij zullen elke motie steunen die die 46 miljoen
dan wel op termijn die 350 miljoen gaat garanderen.
Ik dank u wel.
De voorzitter:
U bedankt, meneer Struijs. Dan gaan we naar Diederik van Dijk, die spreekt namens
de SGP.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. «Waakzaam en dienstbaar». Dit motto van de politie komt steeds
verder in de knel. Wie snijdt in capaciteit en middelen, raakt onvermijdelijk de kern
van het politiewerk. De SGP maakt zich grote zorgen over de staat van onze politie.
De politie zelf geeft aan dat uitvoering en financiën niet langer in balans zijn.
Dat is een belangrijk alarmsignaal. Terwijl criminaliteit verhardt, taken toenemen
en de maatschappelijke druk groeit, laat de meerjarige financiële situatie oplopende
tekorten zien tot honderden miljoenen euro's per jaar. Waarom kiest het kabinet op
dit moment voor een koers die de basis verder onder druk zet? En kan de Minister concreet
maken wat dit betekent voor de daadwerkelijke inzetbaarheid van agenten op straat?
Zichtbaar blauw op straat is een randvoorwaarde voor veiligheid. Wijkagenten zijn
de ogen en oren in de wijk, zichtbaar aanwezig in de haarvaten van de samenleving.
Juist die laag staat onder zware druk. Wijkagenten worden structureel weggetrokken
voor noodhulp. Politiebureaus sluiten of zijn nauwelijks open. Inwoners kennen de
politie steeds minder als vertrouwd gezicht in de buurt. Kan de Minister garanderen
dat deze tekorten niet leiden tot verdere afkalving van de wijkteams?
Tegelijkertijd zien we dat schaarse politiecapaciteit steeds vaker wordt opgeslokt
door grootschalige, uit de hand gelopen demonstraties. Agenten zijn urenlang bezig
met het schoonvegen van snelwegen en het herstellen van orde waar er al veel eerder
had moeten worden begrensd. Hier wordt de besluiteloosheid van het bevoegd gezag pijnlijk
zichtbaar. Wanneer bestuurders te lang aarzelen, te weinig kaders stellen en te laat
ingrijpen, wordt de politie ingezet als laatste vangnet. Dat gaat direct ten koste
van de beschikbaarheid in wijken en dorpen. Welke lessen trekt de Minister hieruit?
Gaat hij samen met het lokaal gezag werken aan striktere kaders om eerder in te grijpen,
zodat de politie niet structureel als sluitpost fungeert? En hoe wordt voorkomen dat
wijkagenten en basisteams telkens opnieuw het kind van de rekening zijn?
Voorzitter. De gevolgen van structurele overbelasting zijn nu al pijnlijk zichtbaar.
Te veel zaken blijven op de plank liggen. Doorlooptijden lopen op, de norm waarbinnen
zaken behandeld moeten worden, wordt in de meerderheid van de gevallen niet gehaald
en slachtoffers blijven in onzekerheid achter. Dat ondermijnt het vertrouwen van de
samenleving in de politie en de rechtsstaat. Deelt de Minister de analyse dat het
niet halen van normen genormaliseerd dreigt te worden? Welke concrete doelen stelt
hij zichzelf om te voorkomen dat achterstanden verder oplopen? En kan hij inzichtelijk
maken hoeveel zaken nu blijven liggen door capaciteitsgebrek?
Daarom pleit de SGP voor conjunctuurongevoelige financiering van de strafrechtketen.
Veiligheid mag geen sluitpost zijn. Politie, Openbaar Ministerie en rechtspraak zijn
onlosmakelijk met elkaar verbonden. Als er ergens wordt geknepen, stokt het geheel.
Is de Minister bereid om te verkennen hoe structurele, meerjarige conjunctuuronafhankelijke
financiering vorm kan krijgen?
Voorzitter. Naast geld en capaciteit wil ik graag stilstaan bij de interne organisatie.
Steeds vaker bereiken ons signalen dat de politie gebukt gaat onder managementlaag
op managementlaag. Besluitvorming duurt lang, verantwoordelijkheid raakt versnipperd
en de afstand tot de werkvloer groeit. Deze waterhoofdstructuur kost niet alleen geld,
maar vooral ook operationele slagkracht. Wat daarbij wringt, is dat er binnen diezelfde
organisatie wel ruimte lijkt te zijn voor steeds verdergaand diversiteitsbeleid, voor
projectstructuren en voor uitgebreide aanwezigheid op zogenoemde inclusieve evenementen,
terwijl de norm om zaken op te lossen steeds vaker niet wordt gehaald en dossiers
blijven liggen. Dat roept de vraag op of de prioriteiten nog wel scherp in beeld zijn.
Wat de SGP betreft keren we terug naar de kern: opsporing, handhaving en zichtbare
aanwezigheid in de wijk. Is de Minister bereid om kritisch te kijken naar taken, programma's
en managementlagen die niet direct bijdragen aan de kerntaak? Waar ziet hij mogelijkheden
om deze waterhoofdstructuur af te slanken?
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Keurig binnen de tijd. Tot slot mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel, voorzitter. In de afgelopen paar jaar zijn door Haags afbraakbeleid uit
heel veel buurten en wijken politiebureaus verdwenen. Nog meer politiebureaus en politieposten
dreigen te verdwijnen. Dit heeft grote gevolgen, juist in de buurten waar al veel
voorzieningen zijn verdwenen, waar de overheid steeds verder op afstand staat en waar
mensen zich steeds minder veilig voelen, waar de samenhang van de buurt en de samenleving
in de buurt onder druk staan en de sociaal-economische verschillen groot zijn. Als
de politie ook steeds verder op afstand komt te staan, heeft dit gevolgen voor het
vertrouwen dat mensen hebben in de politie. Ik ben met een wijkagent op stap geweest
en heb het grote verschil gezien. In sommige buurten was het zo dat als de politieauto
verscheen, kinderen vroegen of de lampen van de auto aangezet konden worden, en misschien
zelfs de sirene, want dat was cool.
Maar in andere buurten reageerden de kinderen angstig. Wat kwam die agent doen? De
politie was niet cool, maar iets om bang voor te zijn. Zij zien politie alleen als
er iets naars gebeurt, dus als de politie moet ingrijpen. Voor de rest is de politie
namelijk uit de wijken verdwenen. Met de afbraak van capaciteit en van tijd lukt het
als agent dan niet meer om een band op te bouwen met de buurt en de bewoners en om
zichtbaar te zijn. Dan kan de politie alleen nog maar reageren, niet voorkomen. Zij
kan niet meer weten wat er aan de hand is, wat er speelt en bij wie. Dat breekt niet
alleen de veiligheid in de buurten af, maar ook de veiligheid van onze politiemensen.
In de brief van de Minister van vorige week staat weer precies het tegenovergestelde
van wat hier zou moeten gebeuren. Bij iedereen die zegt veiligheid en politie belangrijk
te vinden, moet dat enorme alarmbellen laten afgaan. Verwachte onderbezetting wordt
alvast inbegroot, terwijl de reactie op onderbezetting niet het alvast weghalen van
geld zou moeten zijn, maar het maken van een actieplan om deze onderbezetting weg
te werken. Dat is nodig. Het tegenovergestelde gebeurt echter.
Ik lees ook in de brief dat de financiële opgave onder andere moet worden ingevuld
door een «strakkere vacatureregie» oftewel een vacaturestop. Lees ik de beleidstaal
van de Minister goed? Hoe verhoudt zich dat met onze door de Kamer aangenomen motie,
die verzoekt dat bezuinigingen niet ten koste zullen gaan van politiepersoneel? Aan
de ene kant wordt het aantal personeelsleden bij de politie ingeperkt. Ook zullen
de resterende politiemensen het met minder mensen moeten gaan doen. Graag een reactie.
Ik lees verder in de brief: «afbouw van personele bezetting door sluiten van al aangekondigde
locaties». Ook dat is het tegenovergestelde van wat nodig is. Hoe verhoudt dit zich
met onze aangenomen motie om een pas op de plaats te maken bij het sluiten van politiebureaus?
Ook hier graag een reactie op.
De basis moet namelijk op orde zijn. Daarom dienen wij een amendement in voor 46 miljoen euro
om het tekort voor de politie voor dit jaar te kunnen dichten. Dat is het minimale
dat de politie zegt nodig te hebben.
We zullen ook een motie indienen om te voorkomen dat tekorten oplopen tot 350 miljoen
in 2030. Als we dit namelijk niet doen, dan verdwijnen er 3.000 banen bij de politie.
Dat zijn 3.000 agenten. Dat kan niet. Dat mogen we niet laten gebeuren.
In het rapport Lokaal signaal van de Inspectie JenV staan belangrijke conclusies.
Dit rapport gaat over de kwaliteit van de opsporing van basisteams. Daaruit blijkt
iets waarvoor wij als SP al lang waarschuwen, namelijk dat de kwaliteit van de opsporing
zwaar onder druk staat. Dit gaat met name ten koste van zedenzaken, van inbraken en
van overvallen. Slachtoffers zijn de dupe. In 2024 werden er al zo'n 46.000 zaken
stopgezet. Voor 2025 zijn het er misschien wel meer. Dit komt met name doordat de
capaciteit niet op orde is. De gevolgen voor de samenleving zijn groot. De taken voor
agenten nemen toe – daar hebben we het net al uitgebreid over gehad – en worden complexer,
maar het geld blijft uit. Het is code rood bij onze mensen in blauw.
Bij zedenzaken is dat extra pijnlijk. Slachtoffers van seksueel geweld moeten namelijk
vaak te lang wachten voordat hun zaak wordt opgepakt door de politie. Ondanks de inzet
die er de afgelopen jaren is gedaan om deze wachttijden te verkorten en ondanks het
actieplan over de doorlooptijden van zedenzaken, blijft het een enorm probleem. Het
gaat hierbij bijvoorbeeld om vrouwen die ontzettend nare en traumatiserende dingen
hebben meegemaakt en eindeloos moeten wachten op iets van rechtvaardigheid. Dat is
onrechtvaardig en heel pijnlijk. Ik vind het een rijk en welvarend land als Nederland
onwaardig hoe er met deze slachtoffers wordt omgegaan en dat ze er zo lang op moeten
wachten. Het is niet de schuld van de politie of van zedenrechercheurs. Zij doen wat
ze kunnen. Ik weet dat ze er zelf ook enorm mee zitten dat ze het niet gedaan krijgen.
Het is de schuld van de politiek. Die vertikt het om ervoor te zorgen dat er genoeg
geld en capaciteit is om het op te pakken. Graag een reactie hierop.
Hetzelfde geldt voor de aanpak van online seksueel geweld. Online seksueel geweld
is de laatste jaren namelijk gigantisch aan het groeien. Parallel hieraan moeten de
investeringen bij de politie dit kunnen bijbenen. Ik hoor graag van de Minister of
dat kan als we niet het absolute minimum, dat wat de politie nodig heeft om de basis
op orde te krijgen, bijpassen.
Helaas zien wij op dit vlak echt te weinig gebeuren. Eerder is al een motie van onze
kant, van de heer Van Nispen, aangenomen. Die motie verzocht om de resultaten uit
het rapport Online seksueel geweld uit maart 2025 over te nemen. Wat is de stand van
zaken hiervan? Dat hoor ik graag.
Dank u wel.
De voorzitter:
Keurig binnen de tijd. Dank, collega's. Het is redelijk gelukt. Minister, zou u genoeg
hebben aan 35 minuten? Lukt dat?
Minister Van Oosten:
Ja. Als u dat zegt, gaan we dat doen.
De voorzitter:
Dat zou top zijn. Ik schors tot 12.00 uur. Ik adviseer de collega's om dan ook nu
meteen te lunchen, als ze dat willen.
De vergadering wordt van 11.24 uur tot 12.03 uur geschorst.
De voorzitter:
Beste mensen, we gaan beginnen. Ik heropen de vergadering. We zijn nog steeds bezig
met het wetgevingsoverleg Begrotingsonderdeel Politie. We hebben de eerste termijn
van de kant van de Kamer gehad. We hebben geschorst en de Minister is terug met zijn
ondersteuning. Ik begreep net dat de Minister een inleidende tekst heeft, maar ik
heb hem toch wel vriendelijk gevraagd om daar niet te lang over te doen. Maar er zit
een relevante uitleg in, aldus de Minister, dus we gaan onze oren spitsen. Welke mapjes
heeft u?
Minister Van Oosten:
Voorzitter, dank u wel. Ondertussen wordt mij koffie gebracht; bedankt daarvoor. Ik
heb een paar mapjes. Het eerste gaat over financiën. Dat komt in de spreektekst ook
voorbij. Daarna heb ik de kopjes: politietaak, capaciteit personeel en andere relevante
vragen. Die lopen wat uiteen, zult u begrijpen.
De voorzitter:
Overige belangrijke zaken, bedoelt u.
Minister Van Oosten:
Overige belangrijke zaken, ja.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik heb een heel klein vraagje, puur ter informatie. Zoals u weet, liggen er al amendementen
op het terrein van politie. Komen die nu aan de orde, of gaat dat van de week plenair
gebeuren?
De voorzitter:
Dat is aan de Minister wat mij betreft.
Minister Van Oosten:
De appreciatie gebeurt tijdens de begrotingsbehandeling, in lijn met hoe het ook vorig
jaar is gegaan, naar ik begrijp. Als ik dat mis heb, dan moet ik dat nog even van
u horen.
De voorzitter:
Even zodat er geen verwarring is: dit gaat over de amendementen. De moties gaat u
zo meteen ...
Minister Van Oosten:
Ja, over de amendementen. De appreciatie van de moties komt na de indiening daarvan.
De voorzitter:
Helder. De amendementen zien natuurlijk op de fundamentele vraag over het tekort van
46 miljoen. Ik neem aan dat dat helemaal verweven is in uw beantwoording, Minister.
Ik kan me voorstellen dat de collega's daar ook wel enige duidelijkheid door kunnen
krijgen. We gaan snel beginnen. We gaan luisteren naar de Minister. Ik kan me goed
voorstellen dat de collega's een goede discussie willen hebben met de Minister. Wees
alstublieft kort bij het stellen van vragen. Dat helpt ook vaak bij het krijgen van
een beter antwoord. Ik ben er tot 13.00 uur of 13.15 uur. Dan schorsen we even en
neemt mevrouw Coenradie het voorzitterschap over. De griffie en ik hebben het als
volgt berekend. We hebben echt wel een uur en drie kwartier om met de Minister even
goed de begroting door te nemen. Als we om 13.45 uur beginnen met de tweede termijn
en alleen maar moties indienen, schorsen en appreciëren, dan gaan we het allemaal
redden. Goed? Dan gaan we snel beginnen. Minister, het woord is aan u.
Minister Van Oosten:
Voorzitter, dank u wel. De collega's in de Kamer – zij hadden het er al over – maar
ook ik heb ongekende waardering voor al die agenten die elke dag voor ons klaarstaan.
Het vertrouwen van Nederlanders in de politie is hoog. Dat is iets om te koesteren.
Het wordt elke dag opnieuw verdiend. We zijn allemaal ongekend trots op de agenten
die met een ongekende, nuchtere vastberadenheid bezig zijn om Nederland veilig te
houden. Dan heb je het over de wijkagent die iedereen kent, de collega die een late
dienst oppakt of een rechercheur die doorzet tot de waarheid boven tafel is. Hun vakmanschap
en toewijding vormen het kloppend hart van het vertrouwen in de politie.
En dus – daarmee kom ik op het vraagstuk dat centraal staat – is het van cruciaal
belang dat de politie financieel in balans komt. Dat is geen doel op zich, maar dat
geeft rust en zorgt voor continuïteit en voorspelbaarheid. Dat is nodig om het werk
goed te kunnen blijven doen. Ik noem de opsporing van bijvoorbeeld figuren, hufters,
die tijdens oud en nieuw de boel aanvallen, moderne middelen die werken en de politie
die klaar is voor de toekomst. Dan kunnen agenten blijven doen waar ze voor staan
en waarvoor ze zijn: aanwezig zijn als het ertoe doet, snel handelen, het opsporen
van strafbare feiten en ook menselijk blijven. Dat laatste is zo belangrijk voor het
politiewerk in ons land op de momenten waarop het er echt toe doet.
Als Minister ben ik verantwoordelijk voor de politie. Ik ben politiek verantwoordelijk
en ik ben stelselverantwoordelijke. Dat betekent dat ik afstemming heb te zoeken met
de gezagen; dat zijn de burgemeesters en het Openbaar Ministerie. Daarmee stel ik
ook de landelijke prioriteiten vast. Ik ben verantwoordelijk voor de uitbreiding van
bevoegdheden en draag ook verantwoordelijkheid voor het beheer. Op financieel gebied
houdt dat in dat ik de begroting vaststel. Daar staan we eigenlijk, goedbeschouwd,
bij stil in dit wetgevingsoverleg.
Zoals eerder met uw Kamer is gedeeld, heeft de politie een hele forse financiële opgave.
Ik maak daarbij een duidelijke knip tussen de opgave voor 2026 en de opgave vanaf
2027. We komen wel echt van heel ver. De initiële doorlichting van de politie liet
een aanzienlijke structurele opgave zien van 850 miljoen euro. De politie heeft deze
opgave zelf teruggebracht door keuzes voor financieel-technische maatregelen die de
taakuitoefening van de politie niet raken. Denk bijvoorbeeld aan het nemen van maatregelen
rond de informatievoorziening, het binnen de kaders brengen van huisvesting en het
temporiseren van hrm-trajecten. Alle mogelijke verantwoorde besparingen op posten
anders dan personeel zijn gedaan. Ook vanuit mijn departement is hier heel kritisch
op meegekeken.
Resteert de financiële restproblematiek die moet worden gedekt door de personele bezetting
te beperken. Dat is voor dit jaar 46 miljoen euro. En ja, dat loopt op tot structureel
ongeveer 350 miljoen vanaf 2030. Daar hoorde ik de Kamer zojuist natuurlijk ook over.
Maar we zijn daar nu nog niet, want vandaag staan we stil bij de begroting voor 2026.
Ik zal straks nader expliciteren hoe die 46 miljoen euro wat mij betreft ingevuld
wordt, maar er is nog heel veel in beweging. Het is pas januari; het jaar duurt nog
ruim elf maanden. Ik kan de Kamer alleen meenemen in de huidige stand van zaken. De
politie is nog volop bezig om met de burgemeesters en het Openbaar Ministerie de exacte
consequenties voor 2026 in kaart te brengen.
Voor de goede orde wil ik ook het volgende nog zeggen. Ik heb er geen vragen over
gekregen, maar ik wil dit toch gezegd hebben: de totale begroting is de afgelopen
jaren toegenomen. Voor 2026 bedraagt deze 8,5 miljard. Het is binnen dit financieel
kader dat de financiële problematiek moet worden ingepast en de politie maatregelen
heeft te treffen. Uit het laatst gevalideerde cijferbeeld blijkt dat in 2026 de verwachting
is dat de groei van de bezetting in de meeste eenheden mogelijk blijft. Dat kunt u
ook zien in de tabel die ik heb meegestuurd met de Kamerbrief. U hebt mij hier eigenlijk
allemaal naar gevraagd. Bij de organisatieonderdelen Staf Korpsleiding en het Politiedienstencentrum,
het centrum waar de bedrijfsvoering is ondergebracht, is de nodige begrenzing veruit
– ik benadruk: veruit – het stevigst.
Dan kom ik bij het punt dat ik graag extra wil toelichten en waarvoor de voorzitter
mij gelukkig enige tijd heeft gegeven. U heeft mij laten weten bezorgd te zijn over
de gevolgen voor de operationele slagkracht van de politie. Laat mij daar zo veel
duidelijkheid als mogelijk over verschaffen. Bij de dekking van het resttekort van
46 miljoen geldt dat de korpschef van mijn ambtsvoorganger de volgende opdracht heeft
meegekregen. De basisteams, de gebiedsgebonden politie en de opsporing in de basisteams
worden helemaal buiten beschouwing gelaten. Hiermee wordt geborgd dat de aanwezigheid
van de politie in buurt, wijk, stad en gemeente en de opsporing in de basisteams niet
geraakt worden. Met andere woorden: wij komen in 2026 niet aan het blauw op straat.
Ik hoor menigeen van u dat wel stellen. Ik haal graag dat misverstand weg. De politie
gaat dus niet komen aan personeel dat belast is met noodhulp, de afhandeling van 112-meldingen,
heterdaadoptreden en eerste hulp bij levensbedreigende situaties. De politie gaat
ook niet komen aan personeel dat gaat over wijkgericht politiewerk, zoals de wijkagenten
en de informatiepositie voor opsporing. Hetzelfde geldt voor de informatiepositie
van burgemeesters in het kader van de openbare orde, voor zorg en veiligheid, voor
het signaleren van ondermijning, voor jeugdproblematiek en voor contacten met scholen,
ondernemers en buurtverenigingen. De politie gaat ook niet komen aan personeel dat
gaat over de basisopsporing van diefstal, mishandeling, vernieling, buurtonderzoek,
eerste verhoren en dossiers voor het Openbaar Ministerie, openbareordehandhaving,
optreden bij evenementen, het ondersteunen bij noodbevelen van burgemeesters en samenwerking
met boa's en gemeenten. Er wordt in 2026 ook niet getornd aan de instroom van aspiranten.
Er worden geen mensen ontslagen. Ik wil ook benadrukken dat er in 2026 posten zijn
die worden gefinancierd met bijzondere bijdragen. Ook die zijn buiten beschouwing
gelaten. We hebben het dan over de politie-inzet voor bewaken en beveiligen, de Dienst
Speciale Interventies, ondermijning, versterking van landelijke eenheden en de bijzondere
bijdragen inzake zedenzaken, waar velen van u ook op hebben aangedrongen.
Aan de basisteams en de bijzondere bijdragen komt de politie dus niet. Daar wordt
ook geen begrenzing van de bezetting doorgevoerd, dus ook niet op blauw op straat.
De korpschef gaf aan dat bijvoorbeeld de samenwerking in de opsporing van criminele
samenwerkingsverbanden en high impact crimes doorgaat. Wat dan wel? Mijn beginpunt
en uitgangspunt is dat de 46 miljoen euro gevonden moet worden bij de besparing op
de niet-operationele personele capaciteit. Het Politiedienstencentrum, de korpsleiding
en de staf zullen fors moeten besparen. Dat geldt ook voor de bedrijfsvoering in de
eenheden. Denk hierbij aan het niet invullen van vacatures die er al zijn of die ontstaan
in staf, ondersteuning, communicatie, management en coördinerende functies. Daar waar
slimmer en efficiënter kan worden gewerkt, wordt dat ook doorgevoerd. In dat kader
– ik kom tot een afronding van mijn inleiding – ben ik ook tevreden en blij met het
verzoek van de korpschef om de korpsleiding met een CFO uit te breiden. Ik steun haar
daarin van harte. Ik verwacht namelijk dat de korpschef, en via haar de CFO, prioritair
gaat sturen op de oplossing van de financiële problematiek, namelijk de 46 miljoen euro
van dit jaar. Ik verwacht daarbij dat ze er samen met de gezagen gericht op stuurt
dat de besparing maximaal wordt ingezet op de niet-operationele capaciteit.
Ten slotte. Ik gaf al aan dat we aan het begin van het begrotingsjaar staan. Ik kan
niet uitsluiten dat de totale politiebegroting bij de realisatie toch weer wat anders
uitvalt dan in de ramingen. De korpsleiding en de CFO gaan dit ook nauwgezet volgen
en zullen mij daarover informeren. Ik wil ook maximaal transparant met u zijn. De
korpschef zorgt daarom eind mei dit jaar voor een voortgangsrapportage die inzicht
geeft in het actuele beeld, de voortgang en de effecten. Ik ga die met uw Kamer delen.
Voorzitter, ik heb nog een laatste opmerking. U mag mij erop afrekenen als blijkt
dat – ik meen dit echt – de basisteams, de posten en het blauw op straat onder de
bijzondere bijdrage voor 2026 niet buiten beschouwing blijven.
De voorzitter:
Helder. Ik heb het volgende voorstel. Ik hoorde dat de Minister het over de volgende
blokjes had: financiën, politietaken, capaciteit van personeel en overig. Ik denk
dat er in de uitleg van de Minister al best wel veel toelichting specifiek op die
46 miljoen zat. Laten we eerst die 46 miljoen als onderwerp bij de kop pakken. Ik
kijk even wie er allemaal een vraag heeft op dat onderwerp. Met een beetje mazzel
hebben we dan ook al wat dingen uit de andere mapjes behandeld. We gaan het zo in
goede banen leiden. Mag ik even alle handen zien? Mevrouw Faber, mevrouw Michon, mevrouw
Coenradie ... Oké, ik geloof dat ik van iedereen een hand zie. Vinden jullie het goed
als ik gewoon aan deze kant begin?
Mevrouw Faber, gaat uw gang.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik heb een hele korte vraag. De Minister heeft het enkel over 2026, maar hoe gaat
het ná 2026 met de basisteams?
Minister Van Oosten:
Ik ben daar in mijn inleiding duidelijk over geweest. Vanaf 2026 loopt het op naar
350 miljoen. Ik kan dat in mijn demissionaire status niet veranderen. Voor 2026 zeg
ik u dat we van de basisteams en het blauw op straat afblijven.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Dank voor deze inleiding. Het was kraakhelder, en dat was ook nodig. Dank u wel, zeg
ik via de voorzitter richting de Minister.
Ik heb een vraag. De Minister zegt dat hij stelselverantwoordelijk is, maar hij is
de beheerder van de politie. De Minister voert beheer over de politie. Zou er in dat
kader dan eigenlijk geen CFO ten behoeve van de politie op het ministerie moeten zitten?
De voorzitter:
Een duidelijke vraag.
Minister Van Oosten:
Wij hebben een afdeling FEZ. Dat zijn voor mij kritische geesten die precies volgen
hoe het met de financiën binnen de politie gesteld is.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik hoor een soort van schets. De Minister schetst een wensbeeld van wat hij allemaal
niet wil, maar ik denk dat de praktijk veel weerbarstiger zal zijn. Als de Minister
zelf in de Kamerbrief zegt dat de voorziene personele onderbezetting opgevangen wordt
door het niet vanzelfsprekend 100% bezetten van de formatie, dan zegt hij eigenlijk:
we gaan een vacaturestop invoeren en ondertussen gaan we kijken of we kunnen korten
op de arbeidsvoorwaarden, de omstandigheden waarbinnen de agenten moeten werken. Ze
moeten dus met minder mensen veel meer doen. Dat raakt uiteindelijk toch ook de operationele
slagkracht? Daar kunnen we toch gewoon eerlijk over zijn, Minister?
Minister Van Oosten:
Ik begrijp deze vraag van mevrouw Mutluer. In de Kamerbrief stonden een aantal dingen
die enkele Kamerleden terecht onder mijn aandacht hebben gebracht. Zij vroegen: hoe
zit dat nou precies ten aanzien van de operationele slagkracht? De term was «maximaal».
Ik ben hier gewoon maar even heel eerlijk in. Ik ga niet voor mijn kap nemen dat,
als we 46 miljoen euro gaan vinden in bijvoorbeeld de bedrijfsvoering, in de niet-operationele
capaciteit, dit dan gaat om werk dat niet bijdraagt aan de algemene slagkracht van
het politiewerk. Daarom heb ik er problemen mee om in zijn algemeenheid te zeggen
dat ik nergens aan kom, want als je ergens 46 miljoen vindt, dan zit je ergens aan.
Dat is de reden waarom ik dit zeg. Ik probeer ook te expliciteren hoe dit zit in verband
met het politiewerk op straat, met het blauw op straat. Misschien had ik dat strakker
moeten doen in de brief, dus ik ben blij dat ik dat dan langs deze weg recht kan zetten.
Ik snap heus dat er in de discussie die we met elkaar voeren, een verschil zit tussen
politiemensen, maar ik vecht net zo hard voor de agenten die werk achter de schermen
doen als voor de mensen die op straat lopen. Ik realiseer me heel goed dat de mensen
achter de schermen ook een cruciale bijdrage leveren aan de slagkracht van de operaties.
De voorzitter:
Dat is op zich een helder antwoord, dus kort mevrouw Mutluer.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
In mijn beleving ontslaat dat de Minister er niet van om regie te voeren. Hij verwijst
naar de afdeling FEZ. Dan denk ik: waar was die de afgelopen jaren? Ik snap dat er
een CFO komt. Eigenlijk had het niet eens zover hoeven komen als de regie beter was
opgepakt door het ministerie. Tot slot wil ik daarop nog zeggen dat ik verwacht dat
de bezuinigingen van 46 miljoen van tafel gaan totdat meer inzichtelijk is gemaakt
waar het probleem zit. Ik denk dat je daarna echt een betere discussie kan voeren.
Begrijpt hij die wens van een aantal van de Kamerleden hier? Zij zeggen: «Maak nou
een pas op de plaats. Ga eerst even kijken waar het probleem qua bedrijfsvoering,
qua financiën en qua beheer nou zit. Dat is namelijk echt aan onderhoud toe. Ga daarna
kijken welke taakstelling je wel of niet bij de politie neerlegt.»
De voorzitter:
Collega Mutluer, u weet dat de Minister niet in de hij-vorm wordt aangesproken, maar
als «de Minister». Dus: begrijpt «de Minister» het? Dat gaan we nu zien.
Minister Van Oosten:
De eerste opmerking van mevrouw Mutluer zag op de medewerkers van de afdeling FEZ.
Als er bezwaar is of als er commentaar wordt geleverd ten aanzien van de gevoerde
regie, dan ligt die verantwoordelijkheid bij mij en nooit bij iemand anders. Dat wil
ik algemeen opgemerkt hebben.
Er is ontzettend hard gewerkt om van 850 miljoen terug te gaan naar 350 miljoen. Daar
begon ik mee en daar begon ook deze hele discussie mee. Ik ben eerlijk en duidelijk:
dat bedrag van 350 miljoen is niet van tafel met de begroting die we nu hebben, maar
dit jaar spreken we over 46 miljoen. Ik geef heel duidelijk de kaders mee voor hoe
ik daarop stuur en voor hoe dus ook mijn mensen binnen het ministerie daarop sturen.
Dat brengt mij tot het tweede deel van de vraag. Dat bedrag van 46 miljoen is niet
van tafel. Ik zou ons allemaal ongelofelijk veel rust gunnen, maar dat bedrag is er
nu eenmaal. Ik zou mijn kop in het zand steken als ik daar niet serieus mee aan het
werk zou gaan. Ik zeg u dus wat volgens mij het uitgangspunt moet zijn om dat op te
lossen en ik ga u daar maximaal transparant over blijven informeren. Dat hebben we
nodig, want de politie moet ook weten waar ze aan toe is. Er vinden nu veel constructieve
overleggen plaats met de gezagen, met de burgemeesters. Geef dat dus ook de mogelijkheid
om tot ontwikkeling te komen.
Mevrouw Coenradie (JA21):
We kunnen in ieder geval stellen dat het één grote puinbak is en dat er echt geen
regie is. Er is gewoon helemaal geen regie. We praten nu over een CFO, en dat na al
die jaren dat de politie überhaupt bestaat. Dan denk ik: wat is er al die jaren gebeurd?
Dat staat los van het feit dat ik letterlijk zwart-op-wit van de politie heb gekregen
dat voor de bezuiniging van 46 miljoen met voorrang wordt gekeken naar in ieder geval
niet-operationele functies als staf en bedrijfsvoering, maar dat niet het volledige
bedrag daarvandaan komt. Dat heb ik hier voor mijn snufferd. Volgens de politie is
het dus simpelweg niet waar dat dat bedrag van 46 miljoen niet ook de operationele
slagkracht aangaat. Hoe kan het nou dat ik deze mail heb gekregen en dit antwoord
krijg van de Minister? Ik verwijs weer naar mijn spreektekst: wie spreekt hier toch
in vredesnaam de waarheid?
Minister Van Oosten:
Ik mag verwijzen naar het antwoord dat ik net richting mevrouw Mutluer gaf wat betreft
de algemene slagkracht van het politiewerk. Daarnaast geldt – misschien is het goed
om dat ook te benadrukken – dat er ook wel wat werkzaamheden zijn die volgens de politie
mogelijk onder de operationele inzet vallen, maar die specifiek geen basisteamwerk
zijn en niet onder blauw op straat vallen. Denk daarbij aan de teams die informatieproducten
voor de politieorganisatie maken. Dat is ook belangrijk werk. Om binnen de kaders
te blijven gaan we daar voor dit jaar in feite een personele begrenzing op zetten
door te sturen op vacatures. Als je dat doet, heeft dat natuurlijk effect op het team.
Dat is misschien heel goed op te vangen door het met elkaar te hebben over hoe je
dat gaat oplossen. Dat is veel te operationeel voor onze tafel. Ik ga echter ook niet
zeggen dat het helemaal geen effect kan hebben op de operationele slagkracht. In die
zin zijn het beeld dat mevrouw Coenradie heeft gekregen en het beeld dat ik u geef
misschien helemaal niet zo uiteenlopend. Alleen, we kunnen nog onvoldoende zeggen
waar het toe leidt aan het einde van het jaar, of zich dat ook daadwerkelijk openbaart
en of het ook zo ernstig is als mevrouw Coenradie vreest.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Tot slot, hoor. Ik vind het echt heel vervelend als we hier semantische discussies
voeren en er toch ruimte is voor ruis, want dan moeten we dit soort zaken inderdaad
op micromanagementniveau met elkaar gaan betwisten. Alleen al dat gegeven geeft me
gewoon geen prettig gevoel bij de beantwoording over wat hier nu werkelijk de situatie
is en wat we dan met die 46 miljoen moeten. Laat staan wat we moeten doen met die
350 miljoen waar we nog met elkaar over moeten praten. Ik vind het tot nu toe vrij
onbevredigend.
De voorzitter:
Wilt u reageren, Minister?
Minister Van Oosten:
Daar hoor ik geen vraag in, voorzitter.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Ik zou toch nog wat meer duidelijkheid willen. De Minister geeft net aan dat het blauw
op straat en de basisteams worden ontzien. Maar er zit natuurlijk nog een hele categorie
tussen bestuur, staf en ondersteuning en de twee precieze groepen die de Minister
net noemde. Ik denk bijvoorbeeld aan opsporing, bepaalde recherchetaken en bepaalde
ICT-mensen. Die hebben natuurlijk een heel grote invloed op blauw op straat en de
basisteams. Zegt de Minister nu dat hij ook die ontziet? Of stelt hij die bij dezen
gelijk aan de afdeling communicatie die hij net noemde, de mensen die folders maken
voor de politie zelf? Volgens mij is dit de kern. Van welke mensen kunnen we het komend
jaar nog het salaris gaan betalen?
Minister Van Oosten:
Om te beginnen vallen er geen ontslagen. Mogelijk suggereert de laatste opmerking
van mevrouw Van der Werf voor de toehoorder dat dit wel aan de orde zou zijn, maar
er vallen geen ontslagen. Beginpunt en uitgangspunt zijn de niet-operationele personele
capaciteit. Dat gaf ik net ook aan. Daarbij heb ik ook aangegeven waarop u mij mag
afrekenen. Ik luister heel goed naar wat u zegt. U maakt zich allemaal terecht druk
om blauw op straat, de basisteams et cetera – mevrouw Van der Werf breidt dat net
als mevrouw Straatman uit naar wat andere onderdelen van de politieorganisatie – maar
daar tornen we niet aan. Tegelijkertijd zei ik net in mijn antwoord op de opmerking
van mevrouw Mutluer en mevrouw Coenradie dat de slagkracht van de politieorganisatie
als geheel natuurlijk wel op de een of andere manier die 46 miljoen euro moet dragen
en dat er ook functies zijn buiten het zicht van de, zeg maar, actieve politie op
straat. De voorbeelden die mevrouw Van der Werf noemt, kunnen daar theoretisch gezien
onder vallen. Dat kan ik niet allemaal compleet uitsluiten, maar beginpunt en uitgangspunt
zijn dat we het vinden binnen de niet-operationele personele capaciteit. We staan
aan het begin van het jaar. Ik stuur daar zelf ook op. Ik laat u zien of dat lukt
of niet lukt. Ik maak met de korpschef afspraken, ook over de terugkoppeling via de
CFO. Dat is wat ik u kan bieden. Ik kan echter niet alles compleet uitsluiten, want
ik heb wel te maken met een financieel kader en het is ook mijn taak om daar regie
en sturing op te geven. Dat mag u van mij verwachten, en dat is ook precies wat ik
doe.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Wat de Minister van deze commissie mag verwachten, is dat zij duidelijkheid heeft
en kan krijgen over het politiewerk. De vraag of er ontslagen vallen of niet, is natuurlijk
niet de enige vraag. De vraag is ook of de politieorganisatie de vraag uit de maatschappij
aankan en bijvoorbeeld het gestegen aantal zedenmisdrijven op een fatsoenlijke manier
kan afhandelen. Er is geen antwoord op die vraag als de Minister bij de basisteams
en blauw op straat blijft. Ook nu geeft hij geen duidelijkheid over waar het dan wél
een tandje minder kan om te voorkomen dat we op deze manier mensen en agenten raken.
Minister Van Oosten:
In de tabellen wordt een heel klein lettertype gebruikt; daarom zet ik even mijn bril
op. Ik denk dat het goed is om tegen mevrouw Van der Werf te zeggen dat daarin te
zien is dat de meeste eenheden kunnen groeien. Dat ziet precies op het werk waar mevrouw
Van der Werf op doelt. En ja, de financiële kaders zijn strak; dat weet ik wel. Er
zijn wel drie eenheden waar de personeelsbegrenzing nog strakker wordt gevoeld dan
bij andere eenheden, maar daarvan zijn blauw op straat, het gebiedsgebonden werk enzovoort
dus uitgezonderd. Dus dan zul je nog strakker regie moeten voeren om het elders te
vinden. Het is dus niet zo dat de politieorganisatie stilstaat. Het is ook niet zo
dat er niet verder wordt gegaan met de enorme investeringen die we allemaal de afgelopen
jaren in de politie hebben gedaan. Ik heb alleen wel te maken met de kaders die er
zijn en met die 46 miljoen euro waarvan het begin- en uitgangspunt die niet-operationele
capaciteit is; daar ben ik heel duidelijk over geweest.
De voorzitter:
Vindt u dat voldoende? Ja. Dan gaan we naar mevrouw Straatman.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik heb een vervolgvraag op de vraag die mevrouw Van der Werf stelde, om het nog meer
toe te spitsen op de opsporing. De Minister zegt dat het niet de gebiedsgebonden politie
en de opsporing raakt. Maar hij plaatst dat telkens in de sleutel van de basisteams.
Heel concreet: wat betekent dat voor de districtsrecherche, wat betekent dat voor
de regionale recherche en wat betekent dat voor de landelijke opsporing?
Minister Van Oosten:
Wat betreft de algemene opsporing heb ik van de korpschef de toezegging gekregen dat
de opsporing van criminele samenwerkingsverbanden, high-impact crime, echt buiten
het basisteam zit en dat het districtswerk, waar mevrouw Straatman ook op doelde,
onverminderd doorgaat. Hetzelfde geldt voor de aanpak van ondermijning en het versterken
van landelijke eenheden die juist een bijdrage leveren aan die aanpak. U ziet dat
overigens ook in de tabel. Dat blijft dus doorgaan. Maar ik kan ook niet helemaal
niks doen, want dan kom ik niet uit met die 46 miljoen. Wat ik dus net heb geprobeerd
te zeggen in de richting van twee van uw collega's is dat als ik 46 miljoen ga vinden,
ik niet kan volhouden dat dat in het geheel die slagkracht niet zou raken, ook al
vind ik dat bedrag met name bij bedrijfsvoering et cetera. Ook is het zo dat als er
een vacature is bij met name teams die achter de schermen aan het werk zijn, bijvoorbeeld
met die informatieproducten – dat is onderdeel van het gesprek dat plaatsvindt met
de gezagen – die vacature wellicht dit jaar niet wordt ingevuld.
Mevrouw Straatman (CDA):
Voorzitter, ik denk dat het aan mij ligt, maar ik begrijp het gewoon echt niet. Ik
denk dat er drie categorieën zijn en dat die nu de hele tijd door elkaar heen lopen.
De eerste categorie waar de Minister het de hele tijd over heeft, betreft de bedrijfsvoering,
de communicatieafdeling, de hrm-afdeling. Dat daarin wordt gesneden, is duidelijk.
Ik denk dat dat heel indirect de operationele slagkracht kan raken, maar ik begrijp
heel goed van de Minister dat het niet direct die operationele slagkracht raakt. De
tweede categorie betreft de technische experts en de digitale experts. Ik denk dat
daarin snijden direct maakt dat het werk van de wijkagent veel minder effectief kan
zijn. Wat gebeurt er met die categorie? Dan heb je nog de derde categorie. Die betreft
gewoon heel direct de mensen op straat en in de opsporing. Begrijp ik nou goed van
de Minister dat zelfs in deze derde categorie, de categorie die de operationele sterkte
het meest direct raakt, er mogelijk gesneden gaat worden in de opsporing?
De voorzitter:
Minister, kunt u ingaan op die drie categorieën?
Minister Van Oosten:
Ik ben een beetje voorzichtig met die categorieën, maar ik heb heel net heel duidelijk
genoemd dat we niet zitten aan de lokale opsporing vanuit de basisteams. We zitten
niet aan die basisteams. Maar wat mevrouw Straatman categorie 2 noemt, kan tegemoetkomen
aan het voorbeeld dat ik gaf. Daarin heb je teams van specialisten die bijvoorbeeld
informatieproducten maken. Daar kan ik het niet helemaal uitsluiten. Maar het is dus
iets anders dan het blauw op straat. Het is ook een gesprek dat met de gezagen plaatsvindt.
De voorzitter:
U bent de enige met een derde interruptie, mevrouw Straatman. Ik wil u daar wel op
wijzen. Alle collega's hebben zich aan twee interrupties gehouden.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ik doe dat omdat het gewoon onduidelijk blijft. Als het gaat
om de opsporing focust de Minister de hele tijd op de opsporing in de basisteams.
Maar de opsporing is gewoon veel breder. Zou de Minister om een herhaling van veel
dezelfde vragen te voorkomen, heel duidelijk kunnen maken aan de Kamer, misschien
op papier of later in een informatiebrief, welke precieze categorieën en welke functies
er binnen de operationele slagkracht vallen en welke niet? Dat blijft namelijk, in
ieder geval voor mij, heel onduidelijk.
De voorzitter:
Is het mogelijk die informatie zo te verschaffen?
Minister Van Oosten:
Ik heb al toegezegd dat ik maximale transparantie wil geven. Ik ga u sowieso een voortgang
geven, ik dacht in mei. Dan kan ik wellicht ook dit wat meer duiden. Verder verwijs
ik naar wat ik net heel duidelijk heb uitgesproken. Ik heb echt van de korpschef bevestigd
gekregen dat alle werkzaamheden, ook die we vanuit de bijzondere zaken bijdragen – dat
ziet voor een heel deel op wat mevrouw Straatman bedoelt; dat vind ik althans – onverkort
voortgezet worden. Ik zal het meenemen in de brief. Daarin zal ik zo veel mogelijk
proberen om de duiding te geven die mevrouw Straatman vraagt, maar belangrijker nog
is dat u dan allemaal zicht kunt hebben op de realisatie van wat ik het beginpunt
en het uitgangspunt vind van hoe je die 46 miljoen euro gaat vinden bij de niet-operationele
capaciteit.
De voorzitter:
Oké. We proberen dit ook te noteren, zodat de collega's later weten wat we dan krijgen.
De heer Struijs (50PLUS):
Ik richt me alleen op de 46 miljoen. Mocht het lukken – ik weet dat er nu verdergaande
plannen worden uitgewerkt – om binnen de operationele sterkte de stafdienst van de
korpsleiding, het Politiedienstencentrum en de stafeenheden binnen de eenheden bij
elkaar te brengen en daar een forse bezuinigingsslag op te maken, dan spreken wij
van een reorganisatie, met alle terechte arbeidsvoorwaarden van dien. De kortste reorganisatie
die ik heb meegemaakt binnen de politie duurde twee jaar en twee maanden. Ik deel
de analyse van de Minister dat je dit jaar die 46 miljoen niet gaat vinden op basis
van de huidige spelregels en arbeidsvoorwaarden.
Minister Van Oosten:
Ja, zeg ik via de voorzitter tegen meneer Struijs, ik ga niet aan de voorkant op mijn
rug liggen. Dit is mijn inzet. Hier ga ik voor. Ik ben het met u eens dat er nog veel
werk te verzetten valt. Maar daar zeg ik wel bij dat er al heel veel is gedaan. We
zijn van 850 miljoen naar 350 miljoen gegaan. Maar we zijn nog niet weg. Ik hoor uw
Kamer heel duidelijk. U zegt tegen mij, terecht, dat ik aan een heleboel dingen niet
mag komen. Dat wil ik ook niet, en daar mag u mij op afrekenen. Dan moet ik het ergens
anders vinden, bijvoorbeeld daar waar de heer Struijs op doelt.
De heer Struijs (50PLUS):
Dit is mijn laatste interruptie. Ik ken niemand binnen de politie of in de directe
omgeving die deze analyse niet steunt. Wij gaan geen 46 miljoen vinden in deze jaarbegroting.
Ik waarschuw de Minister voor deze risicoanalyse, want hij doet een toezegging aan
de Kamer. Ik als volksvertegenwoordiger in een controlerende functie geef deze waarschuwing
heel nadrukkelijk.
De voorzitter:
Oké. Die waarschuwing is ontvangen.
Minister Van Oosten:
Dank u wel. Daarom benadruk ik ook dat dat mijn inzet is. Ik realiseer me heel goed
dat een inzet iets anders is dan dat het zich ook per definitie openbaart. Dat is
wat ik moet laten zien. Dat is ook wat u van mij mag verwachten. Ik bied u maximale
transparantie. We zijn nog aan het begin van het jaar.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Het is in ieder geval goed dat we deze discussie voeren. De Minister, en dat begrijp
ik heel goed, redeneert heel sterk vanuit die bezuinigingsdoelstelling van 46 miljoen
voor dit jaar. Het liefst zouden we natuurlijk willen redeneren vanuit legitieme behoeften
en taken, en zouden we willen dat het budget volgend is. De Minister zegt ook terecht
dat slagkracht breder is dan alleen blauw op straat. Dan rijst de volgende vraag.
Als 46 miljoen bezuinigen neerkomt op het wegsnijden van vet, dan zal iedereen in
de Kamer daar ja tegen zeggen. Maar, zoals ook de Minister terecht zegt, als het toch
het inleveren van slagkracht betekent, dan is het een heel ander verhaal. Dan zal
deze Kamer misschien zelfs zeggen dat er geld bij moet. Hoe krijgen we dat nou scherp
in de besluitvorming, zodat we zien wat die bezuiniging van 46 miljoen doet als het
gaat om slagkracht, of dat nou op straat is of daarbuiten? Hoe gaan we dat doen?
Minister Van Oosten:
Zoals ik al toegezegd heb, blijf ik de Kamer heel goed informeren. Ik heb in de tabel
de ramingen gegeven waar we naar werken. De uitwerking daarvan gebeurt in de eenheden
met de burgemeesters. Hoe dat uitvalt? De heer Struijs heeft mij ook kritisch bevraagd
rondom de inzet die ik zelf wil plegen om dat echt te realiseren binnen de niet-operationele
capaciteit. Het is aan mij om u te laten zien hoe dat zich vertaalt, maar het is aan
ons allemaal, of aan u, om een begroting vast te stellen, waarbij ik u kaders meegeef
die maken dat je financieel uitkomt. Beter kan ik het eigenlijk niet maken. Dat is
waar ik op stuur. Dit betekent wel dat er bij diverse eenheden onverkort, maar wel
minder dan aanvankelijk, groei in het politiewerk kan blijven plaatsvinden. Het is
wel belangrijk om ons dat te blijven realiseren.
Mevrouw Dobbe (SP):
Even over een aantal basistaken van de politie. We hebben het gehad over de wijkagenten,
hoe belangrijk de wijkagenten zijn in de buurt om contact te houden met de buurt,
om te weten wat er speelt, om dicht bij mensen te staan, om te zorgen dat het vertrouwen
in de overheid niet daalt maar stijgt et cetera. We hebben het gehad over het belang
van wijkagenten. Al tijdenlang zien we dat die wijkagenten er onvoldoende zijn en
dat ze onvoldoende aan die taken toekomen. Hetzelfde zien we bijvoorbeeld met zedendelicten.
Als een vrouw wordt verkracht of aangerand, blijft een aangifte vaak veel te lang
op de plank liggen. Dat is niet omdat de politie het niet wil oppakken, maar omdat
ze dat niet kunnen wegens capaciteitsgebrek. Datzelfde zien we vandaag met het gestegen
aantal aangiften als het gaat om zedendelicten, vooral online. De politie loopt daarmee
achter, niet omdat ze het niet willen, maar omdat ze het niet kunnen. Hoe moet ik
dat rijmen? Wij verwachten daar oplossingen voor. Ik denk dat de hele Kamer hier oplossingen
voor verwacht. Hoe moet ik dat dan rijmen met het verhaal van deze Minister? Terwijl
de politie zegt dat ze minimaal 46 miljoen euro nodig heeft om in die taken te blijven
voldoen, zegt deze Minister dat dat helemaal niet zal uitmaken voor deze taak.
Minister Van Oosten:
Om te beginnen met de wijkagenten: daar komen we dus niet aan, want dat valt echt
binnen de basisteams. Dat blijft dus zo in 2026. Er werd in het bijzonder gerefereerd
naar zedenzaken, maar die bijzondere bijdrage blijft ook bestaan. Waar we wel ...
Maar dat is eigenlijk een ander vraagstuk. Dat relateert in the end natuurlijk wel
aan de financiën, in theorie zelfs in positieve zin, waar ik overigens niet heel gelukkig
mee ben, zeg ik er gelijk even bij. Als je vacatures hebt binnen de opsporing, bijvoorbeeld
op het gebied van zedenspecialisten, kan dat financieel positief uitpakken. Maar het
is veel belangrijker dat we de goede mensen daar krijgen, want daar hebben we ook
echt werk in te verzetten. Dat relateert aan de opsporing in het algemeen. Dat werk
is zeker nog niet af.
Mevrouw Dobbe (SP):
De Minister spreekt zichzelf tegen. De Minister zegt in dit antwoord namelijk ook:
ik kan nu niet garanderen dat deze bezuinigingen de operationele slagkracht niet raken.
Dat zegt de Minister ook. Hij kan dat niet garanderen, want dat is natuurlijk niet
zo. De functies waarvoor nu vacatures worden stilgezet, zijn niet overbodig. Als er
46 miljoen aan compleet overbodige functies bij de politie bestaat, had hij ons wel
wat eerder mogen waarschuwen, want dan hadden we die eerder kunnen wegsnijden. Maar
dat is natuurlijk niet zo. Alles hangt met alles samen. Mijn vraag staat dus nog steeds.
Deze Minister – daar wil ik bevestiging van – kan dus gewoon niet garanderen dat de
operationele slagkracht bij wijkagenten, zedendelicten en allerlei andere taken van
de politie niet wordt geraakt. Het is onverantwoordelijk om te zeggen «we gaan het
in de gaten houden en we zien het aan het einde van het jaar wel» als we dit van tevoren
al weten. Is de Minister het daarmee eens?
Minister Van Oosten:
Ik heb net al aangegeven in antwoord op vragen van collega's van mevrouw Dobbe dat
ik het natuurlijk met u allemaal eens ben dat wanneer je 46 miljoen euro binnen de
politieorganisatie gaat vinden, ook al vind je dat primair – want dat is het uitgangspunt –
in de niet-operationele capaciteit ... Ik ga als Minister van Justitie en Veiligheid,
verantwoordelijk voor de politie, niet voor mijn kap nemen dat dat niet in zijn totaliteit
de slagkracht van het politiewerk kan raken. Het zijn namelijk allemaal, stuk voor
stuk, mensen die ongelofelijk belangrijk werk doen in het hele politieapparaat. Maar
u heeft mij hier ook met een opdracht neergezet om uit te komen binnen die 46 miljoen euro.
Ik luister heel goed naar wat u zegt. U wilt dat dat niet gehaald wordt bij het blauw
op straat et cetera. Dat is dus ook waar ik voor insta en waar u mij aan het eind
van het jaar op mag afrekenen.
De voorzitter:
Collega's. De 46 miljoen en de invulling daarvan waren een belangrijk deel voor eenieder.
De Minister had een kopje financiën. Ik wil de Minister vragen: welke andere onderwerpen
zitten nog in het blokje financiën? Het is een dikker pak dan ik zou denken, maar ...
Minister Van Oosten:
Ja, maar heel veel is al gezegd. Over informatiedeling heb ik gezegd dat ik dat meeneem
in de brief in mei et cetera. Als het gaat om amendementen, nemen we de integrale
afweging mee bij de Justitiebegroting.
Mevrouw Coenradie had een vraag over de autonomie van de politie. Misschien is die
nog onvoldoende aan de orde is gekomen. Eigenlijk vraagt mevrouw Coenradie: kan de
politie niet meer autonomie krijgen en zelf bepalen waar ze de capaciteit inzetten?
Men treedt natuurlijk op onder het gezag van de burgemeester en het Openbaar Ministerie.
Als Minister ga ik daar niet over. Tegelijkertijd lijkt het me belangrijk – dat illustreert
deze discussie ook – dat u ook de Minister goed kan bevragen op wat er financieel
staat te gebeuren.
Ik heb volgens mij al het een en ander gezegd over de ramingen. In de richting van
de heer Van Dijk is mogelijk de vraag over het conjunctuurgehalte in voldoende mate
bevestigd.
Mevrouw Straatman had een vraag over de situatie na 2027. Dat heb ik niet gezegd omdat
ik me erg focus op ’26, vanuit de rol die ik als demissionair Minister heb. Maar het
is natuurlijk wel zo dat als het gaat om keuzes om te komen tot een sluitende meerjarenbegroting
vanaf ’27 op basis van de huidige cijfers, de korpschef met de gezagen voorbereidingen
treft. Daar mag u van uitgaan, want dat heb je als ordentelijk bestuur te organiseren.
Ik kijk even naar mijn rechterhand. Ben ik op het punt van financiën nog iets vergeten?
Dat lijkt niet het geval te zijn.
De voorzitter:
Oké. Dat is top. Het mapje financiën is afgedaan wat de Minister betreft. Perfect.
Dan kijk ik even naar de collega's wat betreft de invulling van de 46 miljoen en de
hele discussie daarover. Ik heb veel collega's de ruimte gegeven, dus denk goed na
of hierover nog een vraag nodig is. Mevrouw Michon en mevrouw Straatman hebben nog
een vraag. Daarna ga ik strakker voorzitten ten aanzien van mogelijke vragen. Mevrouw
Michon.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Wat betreft de financiën vind ik het dunne lijntje waarop we lopen, onprettig. Ik
heb in mijn eigen bijdrage gezegd dat ik de bonden nog steeds hoor praten over een
tekort van 850 miljoen. Ik hoor nu van de Minister dat het 350 miljoen is. Kunnen
we wat preciezere informatie krijgen over de financiële doorkijk? Wat is er nodig
om dat preciezer te weten, zodat we allemaal wat meer houvast hebben? Ik denk dat
veel van het ongemak vandaag zijn basis heeft in het feit dat we niet een precies
overzicht hebben. Daar krijgen we een unheimisch gevoel van.
Minister Van Oosten:
Misschien mag ik de vraag van mevrouw Michon als volgt uitleggen. U mag erop rekenen
dat ik mijn best doe om daar in de brief van mei nader inzicht in te geven. Anders
mag u mij corrigeren. Dat wil ik zelf ook, want wij hebben die 46 miljoen euro in
te vullen. Het beginpunt en het uitgangspunt heb ik duidelijk vermeld.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik had nog één verduidelijkende vraag, die de Minister volgens mij nog niet beantwoord
heeft. De cijfers zijn nu gebaseerd op de personele onderbezetting op basis van ramingen
uit augustus 2025. Is dat nu ook nog de stand van zaken of zijn er op dit moment meer
accurate ramingen? Want dat heeft direct invloed op het bedrag.
Minister Van Oosten:
Ik heb naar mijn beste weten geen accuratere ramingen, maar er is natuurlijk nog wel
heel veel in beweging. Dat heb ik net gezegd en dat staat ook in de brief. We staan
aan het begin van het jaar. Ik heb in mijn inbreng duidelijk willen overbrengen dat
ik, via de CFO, ook van de korpschef verlang dat ik daarvan heel goed op de hoogte
word gehouden, want dat heeft alles te maken met de realisatie van die 46 miljoen
op een manier die mij en u aanstaat. Daar houd ik u dus echt goed van op de hoogte.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik heb nog een korte vraag. Misschien heb ik het gemist in de inleiding. In de brief
van de Minister staat dat de bezuinigingstaakstelling of -doelstelling ingevuld zal
worden door het sluiten van politielocaties. Mijn vraag is: worden er dit jaar nog
politiebureaus of politieposten gesloten om die bezuinigingsdoelstelling te halen?
Als dat niet dit jaar is, wat wordt er dan in 2017 voorzien? Kunnen we dat in februari
of maart 2017 verwachten?
De voorzitter:
Mevrouw Dobbe bedoelt 2027.
Mevrouw Dobbe (SP):
Sorry, 2027. 2017 is al voorbij.
Minister Van Oosten:
Dat moet ik nagaan. U moet zich voorstellen dat de huisvestingsplannen lopen via de
gezagen. Daar kunnen hele goede redenen voor zijn, waar ik verder niet over ga speculeren.
Misschien kan ik dat meenemen in die brief. Als dat voor u te lang duurt, dan moet
ik kijken langs welke weg ik u dat eerder kan laten weten. Ik durf nu niet zomaar
ja of nee te zeggen. Daarmee zou ik uw vraag geen recht doen. Ik wil het kritisch
bekijken.
De voorzitter:
Mevrouw Dobbe, kort.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dat is voor ons wel belangrijk om te weten. De Minister zegt: het zou kunnen dat bepaalde
locaties worden gesloten of niet doorgaan. Maar het gaat ons natuurlijk om politiebureaus
en politieposten. Dat willen we heel precies weten, want het jaar is al begonnen.
De voorzitter:
Politiebureaus en politieposten.
Minister Van Oosten:
Ik neem dat op me en ik ga u daarover rapporteren in de brief die ik sowieso ga sturen.
Als dat aan de orde is, dan kunt u dat daar heel precies in lezen en dan kunt u zien
hoe u dat zelf weegt.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Heel kort. Ik wil even doorgaan op wat mevrouw Michon-Derkzen zegt over de behoefte
om meer inzicht te krijgen in de financiën van de politie. Er is aan deze kant van
de tafel gesuggereerd dat het misschien helpt om het begrotingsartikel voor de politie
wat verder op te knippen om zo meer inzicht te krijgen. Hoe ziet de Minister dat soort
oplossingen?
De voorzitter:
De oude «knip het artikel op»-discussie.
Minister Van Oosten:
...
De voorzitter:
Uw microfoon, Minister.
Minister Van Oosten:
Sorry, ik dacht dat ik op de knop drukte. Volgens mij was er nog een vraag over de
evaluatie van de Politiewet. Ik ben er nu geen voorstander van om in één keer van
alles te veranderen. Dat leidt af van de opgaaf die we hebben. Dat is, even flauw
gezegd, het realiseren van 46 miljoen op een manier die ons aanstaat.
De voorzitter:
Oké. Is het blokje financiën, in ieder geval wat betreft de 46 miljoen, oplopend naar
350 miljoen, nu afgerond? Dan kunnen we namelijk door naar andere onderwerpen. Minister,
u had een mapje financiën. Wat mij betreft is dat bij dezen afgedaan.
Minister Van Oosten:
Wilt u door naar het mapje politietaak?
De voorzitter:
Ik vroeg me het volgende af, Minister. U had een mapje capaciteit personeel. Kunt
u dat nog even duiden? Het zorgt namelijk bij ons voor verwarring. Wat bedoelt u daarmee?
Minister Van Oosten:
In dat blokje ga ik een vraag behandelen over de Politieacademie, aspiranten et cetera.
De voorzitter:
Check. Helder. Dank. Dank.
Minister Van Oosten:
Zal ik daar anders mee beginnen? Dan hebben we dat afgewikkeld.
De voorzitter:
Dat is prima. Dan begint u daarmee.
Minister Van Oosten:
Er is gevraagd of er andere manieren zijn om mensen op te leiden et cetera. Het woord
«zijinstromers» viel bij een aantal van u. Mevrouw Michon-Derkzen en mevrouw Mutluer
hebben daarnaar gevraagd. De Politieacademie maakt voor onderdelen van een aantal
specifieke opleidingen, namelijk opleidingen voor zijinstromende specialisten en de
boa-opleidingen, gebruik van inhuur van derde partijen. De verantwoordelijkheid van
examinering en trainingen ligt wel bij de Politieacademie, vanwege het geweldsmonopolie.
Voor het opleiden van breed executieve politiemedewerkers maken we maximaal gebruik
van de opleidings- en begeleidingscapaciteit van de academie.
Mevrouw Faber vraagt naar het selecteren van aspiranten op competenties; laat ik het
daar even bij laten. Wat mij betreft is het heel helder: aanstellingseisen gelden
voor alle toekomstige aspiranten, ongeacht de diverse achtergrond.
De voorzitter:
Mevrouw Faber heeft een vraag.
Mevrouw Faber (PVV):
In de stukken is ook te lezen dat men wel selecteert aan de hand van een diversiteitsbeleid.
Ze hebben namelijk een doel van 35% wat betreft personen met een etnischeminderheidsachtergrond.
In eerste instantie heeft dat dus de voorkeur, waarna er pas verder wordt gekeken.
Moeten we niet gewoon kijken wie er de beste persoon op de beste plek is? Als we kijken
in het WODC-rapport, lezen we dat «eerder onderzoek laat zien dat veel rekruten binnen
drie jaar na afronding van de basisopleiding de politie verlaten. Een onevenredig
hoog aantal hiervan heeft een migratieachtergrond.» Er wordt een voorkeursbeleid gevoerd,
maar aan de andere kant, als ze zover zijn, blijkt dat een onevenredig groot deel
van deze mensen de politie verlaat. Span je dan niet het paard achter de wagen? Je
stopt er namelijk heel veel energie en geld in, maar het resultaat is dan toch minder
dan verwacht; laat ik het zo stellen.
Minister Van Oosten:
Het WODC-rapport laat ook iets anders zien. Althans, als we het over hetzelfde WODC-rapport
hebben. Er zijn er namelijk meer. Het laat ook zien dat het voor onze samenleving
van belang is dat de politie toont midden in de samenleving staan. Je kan er dus op
verschillende manieren naar kijken. Voor mij als Minister staat uiteindelijk het feit
dat je ervan uit kan gaan dat elke politieagent die door de eisen heen is gekomen,
voldoet aan de hoge normen die we van onze politieorganisatie mogen verwachten. Ik
twijfel daar niet aan.
Mevrouw Faber (PVV):
In het WODC-rapport Samen sterker staat toch echt wat ik u al zei. Vanwege de tijd
ga ik het niet allemaal herhalen. Ik vraag me wel af: moet je daarvoor zo veel effort
inzetten? Het is natuurlijk prima als mensen solliciteren, maar je hoeft niet per
se naar etnische achtergrond te kijken. Je kan toch gewoon de sollicitatie innemen
en dan naar de competentie kijken? De rest maakt dan in feite niet uit. Als ik dit
rapport van het WODC mag geloven, wordt er aangekoerst op een diversiteitsdoel van
35%. Ik verzin het allemaal niet zelf. Of het WODC-rapport moet niet kloppen, maar
daar ga ik toch niet van uit.
Minister Van Oosten:
Er worden een paar onderwerpen bij elkaar gehaald. De aanstellingseisen gelden wat
mij betreft onverkort voor iedereen. Daarnaast is de inspanning er natuurlijk in de
algemeenheid van de organisatie op gericht dat je de mensen die je hebt opgeleid en
aan het werk hebt, aan het werk houdt. Het is voor mij nu onvoldoende inzichtelijk
in hoeverre dat wel of niet altijd een succes is, maar wat mij betreft gelden er onverkort
even hoge normen voor de mensen die aan het werk zijn bij de politie. Het is wat mij
betreft ook niet de bedoeling dat je aan de voorkant allerlei selecties laat plaatsvinden,
anders dan de algemene aanstellingseisen die je hebt.
Voorzitter, als u mij toestaat ...
De voorzitter:
Heel kort nog, mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Er staat toch echt een koersdoel van 35% in. Daar doe je dus iets mee, want dat zet
je er niet voor niets in.
Minister Van Oosten:
Dat kan ik hooguit verklaren door de stelling dat de politie ook een organisatie is
die midden in de samenleving moet staan. Onze samenleving is heel divers en dat kan
dus ook vorm krijgen binnen de politieorganisatie. Dat neemt niet weg – ik voel mee
een beetje een grammofoonplaat – dat die aan dezelfde eisen dient te voldoen. Daar
wordt wat mij betreft ook niet in toegegeven.
De voorzitter:
Oké. De Minister gaat verder.
Minister Van Oosten:
De vraag van de heer Van Dijk over de operationele slagkracht et cetera heb ik al
behandeld, denk ik. Die schuif ik dus terzijde.
Mevrouw Faber vroeg nog naar de inclusie en diversiteit. Dat hebben we misschien net
ook al besproken. De politie is een organisatie voor iedereen. Waakzaam en dienstbaar.
Iedereen heeft te handelen naar dezelfde beroepscode en de gedragscode lifestyle-neutraliteit.
Mevrouw Faber vraagt ook naar de gebedsruimte bij de politie.
Mevrouw Faber (PVV):
Dat zijn eigen regels van de politie, maar in de praktijk zie je dat die regels worden
overtreden. Ik heb ook het voorbeeld gegeven van de korpschef uit Flevoland, die zich
gewoon helemaal mengt in de politieke discussie.
Minister Van Oosten:
Op dat punt kan ik het volgende zeggen. Ik had die vraag nog liggen, maar laat ik
die gelijk meepakken. Ik ben heel terughoudend in het recenseren van wat politiemedewerkers
al dan niet voor een microfoon hebben gezegd. Het is wel zo dat als daar een goede
reden voor is, die er misschien kan zijn, het aan de eenheidsleiding is om daarover
in gesprek te gaan met betrokkenen. Dat kan bijvoorbeeld gaan over hoe je sociale
media vormgeeft. Maar de politie is en blijft neutraal en treedt neutraal op. De beroepscode
en de gedragscode lifestyle-neutraliteit zijn de leidraad. Punt.
De voorzitter:
Ik ga mevrouw Faber de kans geven hierop door te vragen, want het was een essentieel
onderdeel van haar betoog. Graag kort. Dat doet u prettig.
Mevrouw Faber (PVV):
Deze korpschef geeft op het internet gewoon zijn eigen mening, onder andere over Gaza
en pro-Palestina. Hij heeft het zelfs over het kabinet, over een bepaalde bijzonderheid
van het kabinet en over niet wegkijken. Dan heb ik het ook nog gehad over die taps
en die aanslag op de synagoge. Ik heb hier een heel feitenrelaas. Dat kan ik allemaal
wel opnoemen, maar dat klopt gewoon niet. Hij is een aanspreekpunt voor een moskee.
Hij staat op de bellijst. Als ze wat willen weten van de politie, dan bellen ze hem.
Dat staat op die taps. Dat kan toch gewoon niet? Dan ga je toch wel heel erg ver,
hoor.
Minister Van Oosten:
Net als iedereen hebben ook politiemedewerkers recht op hun eigen mening. Dat is een
feit. Gelijktijdig staat de neutraliteit van de politie voorop. Dat benadruk ik. Er
is een gedragscode. Hierin zijn de kaders vastgelegd voor wat je wel en niet zegt.
Vervolgens ga je daar als eenheidsleiding over in gesprek met de betrokkene. Dat past
bij goed werkgeverschap. Men moet zich ook realiseren wat zoiets al dan niet teweeg
gaat brengen. Maar ik ga het voorbeeld dat mevrouw Faber hier opbrengt echt niet recenseren.
Dat vind ik niet mijn rol.
De voorzitter:
Mevrouw Coenradie, wilt u ook iets zeggen over dit punt?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ja, eigenlijk wel.
De voorzitter:
Een momentje, mevrouw Coenradie. Ik kan me wel voorstellen ... Rustig aan, jongens.
Ik kan me namelijk best voorstellen, Minister, dat dit wat onbevredigend overkomt
op de collega's. Ik snap dat de Minister niet een sectorhoofd wil recenseren, maar
ik denk dat dit voor een aantal collega's een fundamenteel punt is. Mevrouw Coenradie.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik moet collega Faber toch eventjes bijvallen wat betreft het koersdoel uit het WODC-verhaal.
Mijn vraag is namelijk ook wel in hoeverre de politietop scherp heeft wat er nou precies
nodig is op de werkvloer, als dat hele koersdoel zo ontzettend belangrijk is. Het
gaat namelijk niet alleen om de formulering in zo'n rapport; het heeft ook een doorwerking
in de organisatie. Er zijn allerlei diversiteitstrainingen en inclusiviteitstrainingen,
waar heel veel geld mee gemoeid is. Dit staat dus niet alleen op dit papier gedrukt;
dit werkt door in de hele organisatie. Als je het hebt over focus en de juiste prioriteiten
stellen, dan kun je je afvragen of hiermee de juiste prioriteiten gesteld worden.
De voorzitter:
Kunt u die vraag beantwoorden, Minister?
Minister Van Oosten:
Daarmee gaan we eigenlijk terug naar de vorige vraag. Met uw welnemen kom ik ook nog
even terug op mevrouw Faber, want daar vroeg u ook aandacht voor.
De voorzitter:
Graag, als dat kan.
Minister Van Oosten:
Met betrekking tot het koersdoel zeg ik even dat de opleidingseisen voor mij onverkort
bovenaan staan. Als politieorganisatie die er voor iedereen en alles is, probeer je
goed in de samenleving herkend te worden. Daar neem ik kennis van, maar het blijft
een feit dat de opleidingseisen en wat je van de politie mag verwachten op het gebied
van neutraliteit – daarmee sla ik een bruggetje naar mevrouw Faber – onverkort bovenaan
staan. Ik zeg het volgende richting mevrouw Faber en ook richting u, meneer de voorzitter,
omdat u mij de kans geeft om mijn antwoord op dit punt nog wat aan te scherpen. Ik
wil als politiek verantwoordelijke voor de politie in dit land dat de politie ook
echt die neutraliteit uitstraalt. Ik zou het vervelend vinden als u daaraan zou twijfelen.
Ik hoop alleen dat u er begrip voor kunt opbrengen dat ik vanuit mijn rol als Minister
niet op de stoel van de werkgever ga zitten. Maar op het punt van mevrouw Faber zeg
ik u toe dat ik dit punt in zijn algemeenheid terugkoppel in het periodieke gesprek
dat ik binnenkort weer met de korpschef zal hebben: hoe borgt de politie de neutraliteit
en hoe borgt de politie het naleven van het handelingskader ten aanzien van lifestyle,
of – hoe noemde ik het net nou zo mooi? – de gedragscode lifestyle-neutraliteit. Dat
zeg ik u toe.
De voorzitter:
Dank voor de toezegging. Op welke manier krijgen we dat dan te horen?
Minister Van Oosten:
Dat neem ik mee in de halfjaarbrief, in de reguliere halfjaarbrief.
De voorzitter:
Dan doen we dat. Momentje, mevrouw Faber. Dit is uw vierde interruptie op dit punt,
maar gaat uw gang.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik zal het heel kort houden. Ik wil graag dat er dan ook op tafel komt waarom deze
persoon aangifte heeft gedaan tegen volksvertegenwoordiger Geert Wilders. Dat is volgens
mij helemaal niet de taak van een politieman in functie.
Minister Van Oosten:
Ik laat mij nooit uit over individuele zaken, dus ook op dit punt niet. Daar moet
ik echt mijn beperking in vinden. Ik hoop dat u dat respecteert. Maar ik heb u wel
mijn toezegging gedaan. Die ga ik gestand doen.
De voorzitter:
Momentje. Ik denk dat mevrouw Coenradie nog op die 35% wil ingaan. Mevrouw Coenradie?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik heb eigenlijk toch wel moeite met iets wat in mijn optiek een beetje contrair is.
Aan de ene kant zeggen we dat de politie neutraal moet zijn en aan de andere kant
roepen we dat iedereen zich moet herkennen in de politie. Dat betekent ook iets voor
het diversiteitsbeleid. Ik vind dat contrair aan elkaar. Iedereen herkent de politie.
Je herkent ze simpelweg aan hun uniform. Dat is bij iedereen hetzelfde. Ik vraag me
dus af waarom we toch nog zo ontzettend ons best doen voor het diversiteitsbeleid.
We stellen er geld voor beschikbaar en we maken er focuspunten van, terwijl er voor
de veiligheid van de samenleving toch echt andere prioriteiten gesteld moeten worden.
Ik ben heel erg benieuwd in hoeverre de Minister daarin wil doorpakken richting de
politieorganisatie.
Minister Van Oosten:
Diversiteit is een streven. Het is geen doel op zichzelf. Ik probeer wel aan te geven
dat de politieorganisatie als geen ander – ik denk dat we dat allemaal wel met elkaar
eens zijn – echt midden in de samenleving staat. Die samenleving is heel divers. Waarop
ik wil en blijf doorpakken, is dat er niet getornd wordt aan de opleidingseisen. Ik
stuur erop dat die onverkort van kracht blijven en dat je van elke politieagent, van
elke politieman of politievrouw, in dit land mag verwachten dat die op dezelfde manier
handelt binnen de kaders die hem meegegeven zijn.
Ik had nog een vraag en dan ben ik klaar. Die gaat over de gebedsruimte van mevrouw
Faber. Ik rond het blokje even af, als u het goedvindt, voorzitter. Ik weet niet of
er nou een bevestiging werd gevraagd, maar de politie heeft inderdaad algemene stilte-
en gebedsruimtes beschikbaar op sommige politielocaties, voor zover daar behoefte
aan en belangstelling voor is. Dat is overigens bij meer werkgevers het gebruik.
Ten slotte nog een vraag van mevrouw Coenradie. Zij vroeg naar een specifieke casus
waarbij iemand uit de korpsleiding is weggegaan. Het klopt dat betrokkene uit de korpsleiding
is gegaan, maar het is niet aan mij om daar verder op in te gaan. Ik verwijs naar
de berichtgeving van de korpschef. Die gaat daar als werkgever over.
De voorzitter:
Oké, even kijken. Mevrouw Mutluer was volgens mij eerst, of niet? Momentje, collega's.
Mevrouw Mutluer mag als eerste.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik wil even terug naar de beantwoording door de Minister van mijn vraag over de politieopleiding.
We hebben hier rondetafelgesprekken gehad en we zijn heel erg kritisch geweest op,
onder andere, de Politieacademie, die een beetje een monopoliepositie blijkt te hebben.
We hebben nadrukkelijk, via drie moties, gevraagd om met een aparte rechercheopleiding
te komen. Ik zie in Kamerbrieven ook dat de instroom op zich wel goed is geregeld,
via de Politieacademie, maar dat de doorstroom niet goed loopt. Ik stel dus nogmaals
de vraag of de Minister bereid is om het gesprek met de politie nog een keertje te
voeren en na te gaan of er een aparte rechercheopleiding kan komen. Daarmee doel ik
op de samenwerking met private partijen en, nog nadrukkelijker, met de universiteiten.
Minister Van Oosten:
Ik ga dat toezeggen. Ik wil er namelijk gewoon even meer van weten. Ik sluit niet
uit dat het alweer van iets langer geleden is. Ik ga het met de korpsen bespreken
en me laten bijpraten door mijn departement. Dan geef ik u een terugkoppeling, ik
denk in die brief waar we het net al over hadden. Ik moet er even in duiken. Het spijt
me. Ik vind «daar kom ik op terug in de tweede termijn» net te makkelijk.
De voorzitter:
Oké. Dus in de halfjaarbrief komt het terug. We gaan dit noteren.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dan hoop ik, zeg ik via u, voorzitter, dat de Minister zich niet laat wegsturen met
de opmerking: die moties zijn afgedaan, want de Politieacademie gaat het allemaal
oppakken. Mijn kritische punt, en ik denk ook dat van mijn collega's, is dat de PA
dit niet alleen aankan. Dit moet je veel breder bekijken, eventueel in samenwerking
met andere partijen. We hebben de opsporing, met name de lokale opsporing, brood-
en broodnodig.
De voorzitter:
Helder.
Minister Van Oosten:
Mijn toezegging ga ik gestand doen. Ik moet daarin duiken.
De voorzitter:
Precies. Bij het halfjaarbericht politie komen we erop terug. Dan kan de Kamer ook
zien hoe de moties zijn opgevolgd.
Mevrouw Faber en mevrouw Coenradie hadden nog interrupties. Heeft u op dit specifieke
punt een vraag, mevrouw Michon? Ja, zie ik. Als jullie het goed vinden, gaan we dan
eerst even mevrouw Michon doen.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Op dit punt, voorzitter. Ik deel de vragen en opmerkingen van mevrouw Mutluer over
de Politieacademie. In mijn bijdrage vroeg ik of de Minister nog steeds voornemens
is om de onderbezetting op te lossen. We hebben structurele onderbezetting. We hebben
het er al jaren over dat de formatie en de bezetting weer in lijn moeten komen. Nu
zijn we een beetje aan het wegdraaien van de discussie, omdat we geld zoeken. Maar
kan de Minister bevestigen dat we nog steeds met elkaar bezig zijn om de onderbezetting
op te lossen en er dus voor te zorgen dat de politie op volle sterkte werkt?
De voorzitter:
Kan de Minister dat bevestigen?
Minister Van Oosten:
Wij zoeken onverkort mensen. Maar we hebben ze nog niet altijd overal gevonden. Dat
grijpt terug op de discussie waar we mee begonnen. U kunt ook zien, voorzitter, dat
die groei bij diverse eenheden ook geprognotiseerd is.
De voorzitter:
Oké. Mevrouw Coenradie had een ander punt. U bent oké? Oké. Mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Even over de gebedsruimtes. De Minister noemt het stilteruimtes. Maar dat is natuurlijk
om het een beetje af te vlakken, in mijn ogen; laat ik het bij mezelf houden. Waarom
is dat zo? Dat kan toch gewoon afgeschaft worden? Je gaat toch niet naar je werk om
daar te bidden? Wat zie je dus ook? Er worden hele provocerende filmpjes gemaakt van
agenten die in zo'n ruimte op hun knieën op een gebedskleedje zitten. Dan vragen ze:
hoe is het bij jullie geregeld? Dat is in mijn ogen alleen maar provoceren. Moeten
we daar niet gewoon mee stoppen? Moeten ze niet gewoon boeven gaan vangen?
Minister Van Oosten:
Ik val in herhaling. De politie heeft als werkgever ook goed te zorgen voor het personeel.
Dit is een keuze die gemaakt is vanuit goed werkgeverschap. Daar wil ik verder ook
niet aan tornen. Ik ben het overigens wel eens met het uitgangspunt dat we van onze
agenten verwachten dat ze de straat op gaan om – ik citeer mevrouw Faber – «de boeven
te vangen», en dat doen ze ook allemaal, stuk voor stuk.
De voorzitter:
Ik kijk even rond. We hebben het derde kopje over capaciteit personeel gehad. Dan
resteert politietaak en belangrijke overige vragen. Ik denk niet dat dat een heel
dik mapje is, toch?
Minister Van Oosten:
Nee. Dat loopt nogal uiteen.
De voorzitter:
Oké. Is er nog iemand die een vraag heeft over capaciteit personeel? Nee? Oké. Met
jullie welnemen ga ik jullie verlaten om iets anders te doen namens jullie, namelijk
een boek in ontvangst nemen. Ik schors even. Mevrouw Coenradie gaat zo voorzitten.
Ik vertrouw jullie met de verantwoordelijkheid om dit goed af te ronden tot 14.45 uur
en hoop daarop. Uiteraard dank ik de Minister. Ik schors voor een enkel ogenblik.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Voorzitter: Coenradie
De voorzitter:
Omwille van de tijd gaan we gelijk aan de slag, voordat iedereen op mij zit te wachten.
We gaan nu naar het kopje politietaak, als ik het goed heb begrepen, in de beantwoording
van de Minister. Omwille van de tijd wil ik eigenlijk alleen de broodnodige interrupties
of misschien helemaal geen interrupties meer toestaan, want we hebben natuurlijk ook
nog de moties die we met elkaar moeten doornemen en de schorsing die daartussen valt.
We moeten even goed kijken hoe we die tijd indelen. Als eerste geef ik het woord aan
de Minister.
Minister Van Oosten:
Dank u, voorzitter. Ik zeg u toe dat ik ga proberen om kort en krachtig te zijn. Er
is al veel voorbijgekomen. De heer Van Dijk vroeg of ik kritisch wil kijken naar politieactiviteiten
die niet direct raken aan de kerntaken. Dat is eigenlijk de discussie die we net hebben
gehad rondom de niet-operationele capaciteit. Ik heb wel benadrukt dat ook die een
bijdrage levert aan de slagkracht van de politieorganisatie als geheel.
Mevrouw Straatman vroeg naar de kerntaken van de politie. Daarvoor is er een strategische
agenda, Stevig staan in deze tijd, opgebracht door onze korpschef. Het streven is
om de keuzes die worden gemaakt, sluitend te krijgen met de meerjarenbegroting.
De heer Struijs vroeg naar digitale criminaliteit: de stand van zaken van de ICT,
de koppeling tussen het Openbaar Ministerie en burgers, enzovoort. Ik denk dat dat
een heel thema op zichzelf is, als ik heel eerlijk ben. Het wordt nu in de behandeling
van één vraag meegenomen. Het volgende zal de heer Struijs ongetwijfeld weten, maar
ik durf niet te zeggen dat iedereen daar even goed van op de hoogte is. Dat geldt
in elk geval niet voor mijzelf, want het is al van even geleden. Er heeft een uitgebreid
onderzoek plaatsgevonden rondom de informatievoorziening van de zijde van de politie,
de dempende effecten en maatregelen die al dan niet moeten worden genomen en het korpsportfolio-office
dat op dit ogenblik door de politie wordt ontwikkeld ter versterking van de veranderopgave
binnen het korps, juist op het gebied van de informatievoorziening. Ik zou u op dit
punt willen voorstellen om er op een later moment meer recht aan te doen. Dat zeg
ik niet om het nu zomaar af te doen, maar ik zal het een passage geven in de halfjaarbrief
die sowieso standaard komt. Dan is iedereen weer even bijgepraat over het onderzoek
waarover ik het net had, want ik weet niet of iedereen dat weet. Aan de hand daarvan,
en wellicht aan de hand van het initiatief van de heer Struijs, kunnen we meer inhoudelijk
verder praten met elkaar. Het is de langetermijnagenda, begrijp ik van de heer Struijs,
dus het hoeft ook niet in een maand opgelost te worden.
De voorzitter:
Ik zie dat de heer Struijs daar toch nog een opmerking over wil maken.
De heer Struijs (50PLUS):
Ik wil ermee akkoord gaan onder de volgende voorwaarde. Het is inderdaad voor de lange
termijn, maar er is ook een kortetermijnstrategie. Die raakt ons in de capaciteit
en de financiën, want hier zit winst in. Zou u dan ook de relatie en de samenwerking
met Defensie rondom cyberdreiging en cybercriminaliteit willen meenemen? Ik weet dat
daar wat beweging in zit. Politiemensen en militairen zeggen dat er meer uit te halen
is, zeg ik even huiselijk. Zou u dat kort mee willen nemen in uw zesmaandenverslag?
Minister Van Oosten:
Ik kom zo nog terug op Defensie. Het zal langs die lijn zijn dat we nog eens even
goed moeten bekijken wat we daar mogelijk kunnen toevoegen.
Mevrouw Straatman vroeg naar de verplaatsing naar de onlinewereld. Ook dat is een
thema waar we wat mij betreft op een later moment wat uitgebreider over moeten praten,
want dat is ontzettend in ontwikkeling. Het doet het onderwerp geen recht als we het
met de discussie in dit WGO geheel afdoen. De aanpak van onlinecriminaliteit moet
versterkt worden; dat ben ik geheel met mevrouw Straatman eens. Er komt ook een voorziening
die zorgt voor landelijk inzicht en overzicht van onlinecriminaliteit en voor samenhang.
Die voorziening ondersteunt de regionale eenheden bij het gericht opzetten van opsporingscapaciteit.
Verder worden de medewerkers in de basisteams getraind en uitgerust met middelen voor
digitale opsporing. Daar is dus echt wel oog en hart voor, maar ik denk dat we daar
nog niet over uitgepraat zijn naar de toekomst toe.
De heer Struijs vroeg dus naar cybersecurity en Defensie. Defensie is een van onze
partners. Ik zeg dus graag toe dat ik dit meeneem in dat halfjaarbericht; we zouden
dat al dan niet in de sfeer van een verkenning op dat punt kunnen toevoegen.
Mevrouw Michon-Derkzen stelde nog een vraag over opleidingen – daar hebben we het
vorige keer ook over gehad volgens mij – maar ook over winkeldiefstallen et cetera.
Welke agenda wordt uitgerold naar aanleiding van het WODC-rapport «Met vereende krachten?»,
was haar vraag. Daarin komen knelpunten en reflecties op dilemma's rondom de publiek-private
samenwerking ook naar voren. Ik meen dat we deze vraag in december ook gekregen hebben,
maar ik weet het even niet zeker. Op dit ogenblik verkent mijn departement met de
politie in hoeverre lessen nog nader kunnen worden uitgediept en toegepast bij andere
vormen van publiek-private samenwerkingen die nog niet door het WODC zijn onderzocht.
Ook wordt door de politie verkend op welke gebieden nog meer strategische partnerschappen
kunnen worden ontwikkeld. Ik heb er zelf ook wel een goed gevoel bij dat dit mogelijk
moet zijn. Ik meen dat mevrouw Straatman hier ook naar vroeg in het grotere geheel,
maar je kunt ook op kleinere schaal bepaalde vraagstukken misschien veel meer met
private partners oplossen. Dat kan ook een bijdrage leveren als de politiecapaciteit
schaars is. Ik stel voor dat we dat voorlopig een vast onderdeel laten zijn van het
halfjaarbericht, zodat het niet vergeten wordt en ik de stand van zaken kan vertellen.
Dan zijn we even wat verder in de tijd.
Ik ga snel door naar de volgende vraag, namelijk over femicide en huiselijk geweld.
Volgens mij vroeg mevrouw Van der Werf daarnaar. Terecht, want het is een zeer aangelegen
punt. De veiligheidsagenda stem ik altijd af met de regioburgemeesters en het Openbaar
Ministerie. Dat is as we speak going on, zeg ik maar even in fout Engels. Ik mag niet
vooruitlopen op wat daar precies in komt te staan, maar u mag wel weten dat het thema
natuurlijk aan niemand voorbij is gegaan. We moeten even kijken hoe dat zich doorvertaalt.
Maar ik mag hier niet zeggen wat de veiligheidsagenda specifiek wordt, zoals u vraagt,
omdat dat niet alleen aan mij is.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Mijn indruk is dat de Minister daar best een stempel op kan zetten. Is het ook niet
zo dat dit onderwerp per definitie in tegenstelling is met bijvoorbeeld meer regionale
speerpunten of zaken die de mensen in zouden kunnen dienen die de Minister net noemt?
Volgens mij leggen we hierbij ook een heel breed gedeeld sentiment in de Kamer bij
de Minister neer.
Minister Van Oosten:
Mevrouw Van der Werf mag erop rekenen, en daarmee ook de burgemeester, dat het Openbaar
Ministerie natuurlijk niet blind is voor dat wat er in de samenleving speelt en welke
heftige incidenten er hebben plaatsgevonden. U mag er dus van uitgaan dat huiselijk
geweld, femicide, vrouwengeweld et cetera nadrukkelijk worden meegenomen in de bespreking
die we op dit ogenblik voeren.
Dan kom ik bij een ander thema. De heer Struijs vraagt namelijk naar ouderenmishandeling.
Dat is absoluut een belangrijk thema, waar de politie ook aandacht voor heeft. Dit
onderwerp is onderdeel van de brede aanpak van huiselijk geweld van de politie.
Dan had mevrouw Straatman nog een vraag rondom de zorgproblematiek. Ook dat is een
aangelegen thema. Het kwam van de week al even voorbij, maar heel binnenkort, op 12 februari,
gaan we samen met andere bewindspersonen hierover in commissieverband met uw Kamer
in gesprek. Op dit moment wordt dit onderwerp in interdepartementaal verband – ik
vind dat een vreselijk woord, maar het is nou eenmaal wat het is – en met diverse
procesregies opgepakt. Dit is gewoon een heel aangelegen punt. We weten ook allemaal
wel dat de politie-inzet hierop door de politieschaarste wordt beïnvloed. We gaan
daarover praten met elkaar.
Mevrouw Mutluer vroeg nog naar de ruimte binnen de Politiewet voor de veiligheidsopgaven.
Even los van het antwoord wat u daar al dan niet wenselijk op vindt, gaat er een vervolgevaluatie
van de Politiewet 2012 van start. Dat wilde ik eigenlijk eerder zeggen, want dat komt
ook tegemoet aan mevrouw Coenradie, die het ook over de Politiewet had. Daar zou misschien
een antwoord kunnen worden gegeven op uw vraag. Of dat antwoord u dan bevalt, is weer
het volgende. Daar gaan we mee aan de slag. De eerste stap is nu dat er op dat punt
een WODC-onderzoek gaat plaatsvinden. Dat gaat wel nog even wat tijd innemen, maar
dit thema zal zeker in uw Kamerperiode terugkomen.
Mevrouw Straatman had een vraag rondom demonstraties en de schaarse opsporingscapaciteit.
Zoals u weet heeft daar ook een onderzoek naar plaatsgevonden. Ik kom daar later,
samen met mijn collega van Binnenlandse Zaken, nog nader bij u op terug om te bespreken
welke maatregelen daar al dan niet nog op moeten volgen. U krijgt die reactie voor
het komende meireces. Ik heb dat eerder bij een ander debat in een andere setting
al toegezegd. Datzelfde geldt dan dus ook voor het gesprek met het Openbaar Ministerie
ten aanzien van het WODC-rapport rondom demonstratierecht. Dat heb ik uw Kamer ook
toegezegd. Ik zal dat dus ook meenemen in de inhoudelijke beleidsreactie die u nog
van mij tegoed heeft.
Dan kom ik bij de wielerkoersen in het bijzonder. Ik zal daar vervolgens een brug
slaan tussen de al dan niet disproportionele inzet bij grote opgaven. Als het specifiek
gaat om de wielerkoersen, zeg ik dat de evenementenorganisator verantwoordelijk is
voor een goed en veilig verloop. Dat zie je overigens bij allerlei evenementen die
je organiseert, of dat nu feesten, partijen, sportevenementen et cetera zijn. Als
daar politie-inzet voor nodig is, dan is het altijd aan het lokale gezag om daar toestemming
voor te geven. Ik herinner mij uit eigen ervaring dat je daar binnen een regio aan
de hand van een agenda afspraken over probeert te maken. Burgermotorverkeersregelaars
kunnen de druk op de politie verlichten. De KNWU is bezig met het ontwikkelen van
een richtlijn voor deze groep. Het Ministerie van VWS heeft daarvoor een subsidie
versterkt. Met mijn collega van VWS en de wielerunie ben ik in gesprek over de voortgang
van deze richtlijn. Daar ga ik u van op hoogte houden, maar ik weet even niet wanneer.
Ik weet niet wanneer dat past. Misschien loopt dit het beste via VWS.
Dan sla ik de brug naar de al dan niet disproportionele inzet. Moet daarvoor een financiële
bijdrage worden geleverd? Het is misschien goed dat ik u meegeef dat we dit eerder
hebben verkend aan de hand van een motie van mevrouw Bikker uit 2022. Wellicht kunt
u daar nog een keer induiken. Daar valt van alles over te zeggen. Ik ben zelf wat
terughoudend hierin, zeg ik eerlijk. Ik snap alle vragen en opmerkingen wel evenals
de sentimenten die kunnen ontstaan, maar als ik het helemaal platsla, zou ik ervoor
willen waken dat we politie-inzet ook afhankelijk laten worden van commercie, al is
het maar voor een stukje. Zo van: degene die het kan betalen, mag rekenen op de politie.
Dat is misschien ook niet de samenleving waarnaar we verlangen. Wellicht is het ook
niet wat mevrouw Straatman vraagt, maar het kan wel een effect hiervan zijn. Daarom
ben daar wat terughoudend in. Zoals ik net in het antwoord over de wielerkoers aangaf,
moet iedereen in principe in afstemming met het lokaal gezag kunnen rekenen op politie-inzet.
Ik ben het echter met mevrouw Straatman eens dat ik me, als ik gewoon naar de televisie
kijk of überhaupt in de buurt van een voetbalstadium kom, de vraag stel: goh, bij
dit specifieke evenement staan wel heel veel meer agenten dan bij een ander evenement.
Dat zal de noodzakelijkheid van het moment zijn.
Mevrouw Van der Werf en mevrouw Mutluer vragen nog naar de ...
De voorzitter:
Excuus, mevrouw Straatman heeft een vraag. Kort graag!
Mevrouw Straatman (CDA):
De Minister zei dat het de noodzakelijkheid van het moment is dat er ergens veel meer
politie-inzet is. In de vraag en het idee om het te verkennen zit niet dat je het
weer wilt vercommercialiseren, absoluut niet. Je wilt juist de maatschappelijke verantwoordelijkheid
aanwakkeren van de partijen die gewoon disproportioneel veel inzet vragen. Het is
precies zoals de Minister zegt: de wielrenkoersen doen heel veel en zoeken naar alternatieven
om via allerlei burgerinitiatieven de veiligheid op orde te brengen. Zouden we niet
ook voetbalclubs een bepaalde prikkel moeten geven om op zoek te gaan naar alternatieve
manieren om bijvoorbeeld hun achterban onder controle te houden in plaats van dat
we dat allemaal afwentelen op politiemensen?
Minister Van Oosten:
Ja, maar dat gebeurt natuurlijk al. Van voetbalclubs mag je al heel veel verwachten.
Dat zie je niet alleen bij professionele clubs, maar ook bij amateurclubs. Voor nu
ga ik dat niet specifiek zo oppakken. Ik heb u wel een handreiking gegeven, waar u
wellicht meer informatie in kan vinden. Ik wacht even af of er eventueel van uw zijde
iets komt.
Mevrouw Van der Werf en mevrouw Mutluer vroegen nog naar de monitoring van de professionalisering
in het heimelijk domein. Daar hebben we het eerder al over gehad. Ik mag verwijzen
naar de visitatiecommissie die is ingesteld. Die bestaat uit experts met inhoudelijke
kennis en expertise, maar wel met afstand tot de praktijk. U mag erop rekenen dat
ik als Minister dit proces nauwlettend blijf volgen en dat ik hierover doorlopend
in gesprek ben met de korpschef. Ik denk dat het goed is dat we ook dit punt en het
verloop van de gesprekken met de korpschef laten terugkomen in de halfjaarbrief. Het
voelt een beetje flauw om elke keer naar die halfjaarbrief te verwijzen, maar het
zijn toch punten die blijven terugkomen.
De voorzitter:
Kort, mevrouw Mutluer.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Hier ligt gewoon een patroon onder. Als je dat niet voldoende monitort en de druk
ervan afgaat, dan verslapt de boel. Dat was de boodschap die wij kregen tijdens het
openbare gesprek met de heer Schneiders en mevrouw Sorgdrager. Dit gaat dus niet alleen
over undercoveragenten, maar ook over de Landelijke Eenheid en de eisen die wij na
heel veel rapporten hebben gesteld. Ik verwacht dus meer dan een visitatiecommissie,
die één keer in het jaar even de boel controleert, of een inspectie, die in mijn beleving
een andere taak heeft. Er werd nadrukkelijk gevraagd om die druk. Ik vraag nu weer
aan de Minister: hoe gaat hij daarvoor zorg dragen? Dat is meer dan alleen: ik ga
over een halfjaar wel met berichten komen over hoe ze dat vorm gaan geven. Het antwoord
kan ik zo raden.
Minister Van Oosten:
Maar dan vult u in hoe ik mijn werk achter de schermen doe. Ik rapporteer in die halfjaarbrief
aan u, maar ik heb elke zes weken een gesprek met de korpschef. Daar is dit ook onderwerp
van gesprek. Ik wil daarover bijgepraat blijven. Dat zeg ik u toe en daarover kan
ik dus aan u terugrapporteren in die brief. Dan kunt u ook controleren of ik dat heb
gedaan. Wat betreft de visitatiecommissie vind ik, met uw permissie, voorzitter, dat
u ... Ik heb vertrouwen in de werking van deze visitatiecommissie en in de experts
waarmee die gaat worden gevuld. Het moet momentum kunnen krijgen.
Mevrouw Faber vroeg nog of politie in het buitenland bijdraagt aan de rechtsstaat
in Nederland. Ik zou willen zeggen: ja. Ik hoor mevrouw Faber die vraag stellen, maar
in de paar maanden dat ik Minister ben geweest, heb ik zelf ook een aantal bezoeken
aan het buitenland mogen brengen. Ik wil daar misschien bij de begrotingsbehandeling
nog iets meer over vertellen. Daar heb ik ook regelmatig politieliaisons mogen ontmoeten.
Ik ben ongelofelijk onder de indruk van het werk dat men daar doet en de belangen
die men daar dient. Dat geldt ook voor liaisons van het Openbaar Ministerie die we
in het buitenland hebben. Voor de bestrijding van georganiseerde criminaliteit, waar
wij hier in Nederland echt ongekend veel last van hebben, is het cruciaal voor je
informatiepositie dat je goede contacten in het buitenland hebt.
Mevrouw Coenradie stelde een vraag over een verkenning naar structurele civiel-militaire
ondersteuning. U vroeg niet naar de KMar, maar die is wel een onderdeel van Defensie,
zeg ik er even bij, en daar kunnen we een beroep op doen. Politiebijstand heeft altijd
een incidenteel karakter en kan nodig zijn om verschillende redenen, bijvoorbeeld
omdat er onvoldoende capaciteit is om een taak uit te kunnen voeren et cetera. Dan
kunnen er extra mensen of middelen bij wijze van bijstand worden ingezet. De KMar
is dan het eerste waar je aan denkt, maar het kan ook een ander defensieonderdeel
zijn. Ik heb het zelf ook weleens meegemaakt toen de explosievendienst moest worden
ingeschakeld bij mensen die van alles en nog wat in elkaar hadden gesleuteld. Dat
gebeurt dus. Voor structurele bijstand zie ik geen aanleiding. Ik heb wel toegezegd
dat ik best eens een keer wil verkennen met de collega van Defensie hoe men elkaar
kan versterken. Daar ben ik toe bereid en daar kom ik op terug. Dat ziet wel op iets
anders dan waar mevrouw Coenradie specifiek op doelt, denk ik. Het is misschien niet
helemaal wat u bedoelt, maar het kan wellicht een haakje zijn om daar later weer over
door te praten.
Mevrouw Dobbe van de SP stelde een vraag over online seksueel geweld. Hoe zorgen we
ervoor dat we dit kunnen blijven bijbenen? Het aantal meldingen maakt dat het kabinet
nadrukkelijk inzet op een integrale aanpak van online seksueel kindermisbruik en dan
met name op nauwe samenwerking. Dat ziet op van alles: preventie, signalering, strafrechtelijke
aanpak. De politie is daarmee een van de partijen die daar absoluut een rol in speelt.
Ik mag u ook verwijzen naar de maatregelen die bijvoorbeeld in Europees verband op
dat vlak worden genomen.
Voorzitter. Daarmee heb ik dit blokje, meen ik, af.
De voorzitter:
Oké. Ik zie een hand omhooggaan. Volgens mij heeft mevrouw Dobbe een vraag.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ja, over online seksueel geweld. Dank aan de Minister voor het antwoord, maar het
was niet helemaal waar ik naar vroeg. Ik heb namelijk specifiek gevraagd naar de resultaten
van het rapport Online seksueel geweld. Er is een motie van de heer Van Nispen aangenomen
waarin is verzocht de aanbevelingen die daarin zijn gedaan, over te nemen. Ik snap
dat er een integrale aanpak is die, in de woorden van de Minister, «op van alles ziet»,
maar hoe zit het met de resultaten van dat rapport?
Minister Van Oosten:
Het spijt me. Dat antwoord moet ik u nu schuldig blijven. Misschien lukt het in de
tweede termijn. Zo niet, dan moet ik de terugkoppeling anders organiseren. Dat kan
ik even niet overzien, maar u heeft wel recht op een goed antwoord.
De voorzitter:
Minister, dan gaan we volgens mij naar het laatste kopje. Ik zit een beetje te duwen
gelet op de tijd, maar dat heeft er alles mee te maken dat het mooi zou zijn als we
om 13.45 uur met de tweede termijn zouden kunnen beginnen, want dan is daarvoor nog
voldoende ruimte. Dus als het niet heel prangend is, mevrouw Faber ...
Mevrouw Faber (PVV):
Ik laat de motie het werk wel doen.
De voorzitter:
Oké. Dan zou ik de Minister graag het woord willen geven voor, bij mijn weten, het
laatste kopje.
Minister Van Oosten:
Ja, dat klopt, voorzitter. Ik doe echt mijn best om snel te praten en kort en bondig
te blijven, maar u moet het ook kunnen verstaan.
Onder anderen mevrouw Straatman en mevrouw Van der Werf vroegen naar het nieuwe verdeelmodel.
De verdeelsleutel heb ik met u gedeeld in het tweede halfjaarbericht 2025. Maar goed,
dan hebben we het wel over de nieuwe sterkte, en dat is in de toekomst. Maar «die
kunt u kennen». Is dat goed Nederlands? Die heb ik u in elk geval toegezonden.
Mevrouw Coenradie vroeg nog wat de Minister ervan vindt dat agenten de instructie
zouden krijgen om bepaalde wijken niet in te gaan om daar te controleren et cetera.
Ja, dat trek ik mij wel aan. Ik heb dus meteen geverifieerd of dat zo is; dat hebben
we net nog gedaan. Als ik lieg, lieg ik in commissie, maar ik heb niet begrepen dat
er een instructie op die weg ligt. Het zou mij ook verbazen als dat wel zo is, want
de overheid in Nederland geeft nooit op. Ik heb eerder in antwoord op vragen van een
van u ook gesteld dat er in het kader van de acties die je hebt te ondernemen, de
veiligheid van de politiemensen et cetera, soms reden kan zijn om even een stap terug
te doen, maar dat gebeurt altijd om daarna weer een stap vooruit te zetten, want de
overheid geeft nooit op.
De voorzitter:
Minister, er is een interruptie. Om even hierop in te gaan: iedereen kan dit zien;
het is dus een heldere boodschap. Ik zou graag aan mevrouw Michon-Derkzen het woord
willen geven voor, denk ik, een interruptie op het vorige punt.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ja, over de nieuwe verdeelsystematiek. Daar had ik in eerste termijn ook een vraag
over. Uit de stukken begreep ik dat de nieuwe verdeelsystematiek ziet op een nieuwe
sterkte. Maar wie heeft het over nieuwe sterkte als we nog over de volle breedte met
onderbezettingen kampen? Ik vraag mij dus zeer af of de nieuwe verdeelsystematiek
überhaupt wel in Frage komt als we met elkaar nog zo ons best moeten doen om überhaupt
op sterkte te komen. Laat staan dat we het over een nieuwe sterkte kunnen hebben,
en dat geldt zowel voor mensen en opleiden als voor geld.
Minister Van Oosten:
Ik hoor mevrouw Michon-Derkzen deze vraag stellen. Ik geef u netjes terug wat de afspraak
is rondom de nieuwe verdeelsleutel. Dit is ook zo besproken in wat we het LOVP noemen,
de samenwerking met de regioburgemeesters. Ik wil niet in herhaling vervallen, maar
mijn inzet is er nu op gericht die 46 miljoen zo te organiseren dat we uitkomen binnen
de kaders die we hebben gesteld. Dit is inderdaad wat mevrouw Michon-Derkzen zegt:
toekomstgericht.
Mevrouw Coenradie stelde een vraag over de herziening van het Handelingskader Professioneel
Controleren begin 2025. De korpschef en ik zien geen aanleiding om het opnieuw te
herzien. Dat was, meen ik, haar vraag.
De heer Van Dijk vroeg nog welke doelen de Minister voor zichzelf ziet om achterstanden
et cetera verder te voorkomen. Hoeveel zaken zouden er eventueel blijven liggen? Ik
maak er geen geheim van dat er vragen zijn rondom doorlooptijden en voorraden in bijvoorbeeld
zedenzaken, jeugdzaken en bij veelvoorkomende criminaliteit. Dat moet dus onverkort
aandacht blijven krijgen. Op 16 december jongstleden heb ik u daar nog een brief over
gestuurd met de precieze cijfers. U vroeg daarnaar. Van de 800.000 misdrijfzaken in
2024 zijn er 137.000 vroegtijdig beëindigd. Dat is 17%. Daar kunnen echter allerlei
redenen voor zijn, bijvoorbeeld ook dat het geen vervolgbare zaak is of omdat er gekozen
voor een niet-strafrechtelijke interventie. In de Strafrechtmonitor wordt u daar altijd
over op de hoogte gebracht.
Ik heb nog twee vragen liggen, mevrouw de voorzitter. Mevrouw Dobbe stelde een vraag
over de huisvesting van de politie. Ik heb toegezegd dat ik dit preciezer wil uitzoeken
in het licht van het punt in de motie van de heer Van Nispen. Daar gaat u op een later
moment dus iets over horen.
Dan de vraag van mevrouw Straatman naar de politiecapaciteit in zijn algemeenheid.
Het is aan de lokale driehoek om de schaarse politiecapaciteit op de juiste wijze
in te zetten.
De voorzitter:
Oké. Daarmee bent u aan het eind van uw beantwoording, als ik zo goed naar u kijk.
Dan hebben we ruimte om te schorsen voor de tweede termijn, als daar behoefte aan
is. Ik kijk even rond. Ik zie dat daar geen behoefte aan is. Dat is mooi; dan kunnen
we gelijk door naar de tweede termijn. Dan zal er zo meteen wel behoefte zijn om even
te schorsen voor de appreciatie.
Ik zou graag als eerste het woord willen geven aan mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u, voorzitter. Ten eerste wil ik natuurlijk de Minister bedanken voor zijn beantwoording.
Ik zal er verder niet inhoudelijk op reageren, maar alleen mijn moties indienen, zoals
is afgesproken. De eerste is een motie van Wilders en Faber.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Marokkaans tuig keer op keer onze Nederlandse straten terroriseert
met vernielingen, geweld en gerichte aanvallen tegen politie en hulpverleners;
verzoekt de regering Marokkaans tuig terug te sturen naar Marokko door over te gaan
tot denaturalisatie,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Faber en Wilders.
Zij krijgt nr. 44 (36 800 VI).
Mevrouw Faber (PVV):
Dat was een motie die er nog lag van afgelopen woensdag, toen ik die niet kon indienen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat een van de kerntaken van de politie de bescherming van de rechtsorde
is;
constaterende dat de islam in strijd is met de democratische rechtstaat;
verzoekt de regering islamitische gebedsruimtes op politiebureaus te verbieden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Faber en Wilders.
Zij krijgt nr. 45 (36 800 VI).
Mevrouw Faber (PVV):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er jaarlijks politiemensen op missie worden gestuurd naar het buitenland,
naar landen zoals Libië, Mali en Somalië, ten behoeve van hun rechtsstatelijke ontwikkeling;
constaterende dat de politie kampt met zowel grote personeelstekorten als een tekort
aan financiële middelen;
constaterende dat de onveiligheid in Nederland allengs maar toeneemt;
van mening dat de bestaande politiecapaciteit broodnodig is voor de inzet in Nederland;
verzoekt de regering te stoppen met de uitzending van politiemensen naar het buitenland,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Faber.
Zij krijgt nr. 46 (36 800 VI).
Mevrouw Faber (PVV):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de politie een diversiteitsdoel van 35% nastreeft;
overwegende dat uit het WODC-rapport Samen sterker blijkt dat veel rekruten binnen
drie jaar na afronding van de basisopleiding de politie al verlaten en dat een onevenredig
hoog aantal hiervan een migratieachtergrond heeft;
verzoekt de regering de politie de opdracht te geven te selecteren op competentie
in plaats van afkomst,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Faber.
Zij krijgt nr. 47 (36 800 VI).
Mevrouw Faber (PVV):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de politie in haar beleid harde eisen stelt voor de toelating tot
de politieorganisatie, waaronder neutraliteit, wat inhoudt dat een politieagent neutraal
dient te zijn in zowel uitstraling als handelen;
overwegende dat men aan gepubliceerd beleid rechten kan onttrekken;
constaterende dat er talloze praktijkvoorbeelden zijn waarin de politie niet handelt
naar het eigen beleid, zoals deelname aan het politieke debat, het indienen van een
aangifte tegen een volksvertegenwoordiger, het organiseren van iftars en agenten in
uniform die bidden in de moskee;
verzoekt de regering de politie erop te wijzen dat zij haar eigen gepubliceerde beleid
ook in de praktijk dient uit te voeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Faber.
Zij krijgt nr. 48 (36 800 VI).
Mevrouw Faber (PVV):
Dat was het, voorzitter.
De voorzitter:
Goed, dank. Mevrouw Michon-Derkzen.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Voorzitter. Ik dank de Minister voor zijn beantwoording van de vragen van de Kamer.
Ik denk dat zijn statement aan het begin van zijn betoog kraakhelder en ook nodig
was. Ik wil hem iets vragen op twee punten waarvan hij zegt erop terug te komen in
de eerste halfjaarrapportage in mei. Ik meen dat dat dezelfde is. Ik hoor hem positief
over die publiek-private samenwerking, maar wil hij daar dan echt een agenda voor
neerleggen, zodat wij ook weten wat we samen met de politie en private partijen gaan
doen? Hetzelfde geldt eigenlijk voor het ervoor zorg dragen dat we de onderbezetting
oplossen en dus formatie en bezetting in lijn krijgen. Wat gaan we daarvoor doen?
Op die twee punten zou ik graag een agenda zien in de eerstvolgende brief die wij
van de Minister krijgen, of van zijn opvolger. Wie zal het zeggen?
Dan heb ik twee moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Kamer het budgetrecht heeft en voor 2026 de begroting van de
politie van 8,8 miljard euro vaststelt;
constaterende dat het politiebudget primair moet worden ingezet voor de operationele
sterkte, in lijn met de geldende wet- en regelgeving, waaronder artikel 4a van het
Besluit verdeling sterkte en middelen politie;
constaterende dat de Kamer bij motie-Michon op stuk nr. 1282 (29 628) heeft aangegeven dat tekorten binnen de politie niet neer mogen slaan op de operationele
politieorganisatie;
overwegende dat de korpsleiding niettemin andere keuzes maakt en mededeelt aan het
LOVP waardoor de operationele slagkracht in 2026 wordt beperkt;
verzoekt het kabinet om de eigen regels en uitspraken van de Kamer te eerbiedigen
en te garanderen dat de financiële problematiek niet wordt afgewend op de operationele
sterkte,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Michon-Derkzen, Coenradie, Straatman en Struijs.
Zij krijgt nr. 49 (36 800 VI).
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Voorzitter. Mijn tweede motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Kamer heeft gevraagd om een doorlichting van de politiebegroting
inclusief de Politieacademie, met de motie op stuk nr. 80 (36 600 VI);
van mening dat deze motie tot nu toe niet op een volledige en juiste manier is uitgevoerd;
constaterende dat uit de Strategische Evaluatie Agenda (SEA) van het kabinet blijkt
dat de Politiewet 2012 in 2026 wordt geëvalueerd;
verzoekt het kabinet om in het kader van deze evaluatie in overleg te treden met de
Algemene Rekenkamer om de eerdergenoemde motie alsnog volledig en juist uit te voeren
en te betrekken bij de geplande evaluatie van de Politiewet 2012, zodat de Kamer nog
scherper zicht kan krijgen op de financiën van de politie en de Kamer voor de zomer
over de opzet en inrichting van deze evaluatie te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Michon-Derkzen, Mutluer, Coenradie, Straatman,
Struijs en Van der Werf.
Zij krijgt nr. 50 (36 800 VI).
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Dank u wel.
De voorzitter:
Mevrouw Mutluer.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. «De politie heeft groot politiek onderhoud nodig», zo kopt de NRC in een
column. Ik ben het daar volledig mee eens. Bij dat politiek onderhoud hoort in mijn
beleving ook stevige regie. Ik vind het zelf onverantwoord om dit jaar al die grote
taakstelling op de politie neer te laten slaan, terwijl we niet concreet weten hoe
dat uiteindelijk gaat landen en wat dat voor de politie en de operationele slagkracht
gaat betekenen. Daarom hebben wij eerder een amendement ingediend, waarvan ik de appreciatie
bij de begroting verwacht.
Voor de rest wil ik inzichtelijk hebben gemaakt wat de meerjarige keuzes in de politieformatie
en de gevolgen daarvan zijn, vandaar deze motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de financiële tekorten bij de politie structureel oplopen en worden
opgevangen door het niet volledig bezetten van de formatie;
constaterende dat dit leidt tot een sluipende afname van politiecapaciteit, terwijl
is toegezegd de operationele slagkracht te ontzien;
verzoekt de regering de Kamer voor het zomerreces inzichtelijk te maken en te informeren
over de meerjarige keuzes in de politieformatie en de gevolgen daarvan voor operationele
functies per regio, en daarbij expliciet aan te geven in hoeverre en op welke wijze
de operationele politieslagkracht wordt ontzien, en de Kamer te betrekken bij de vervolgevaluatie van de Politiewet 2012,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Mutluer, Michon-Derkzen, Straatman, Coenradie
en Diederik van Dijk.
Zij krijgt nr. 51 (36 800 VI).
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Er is ook een opmerking gemaakt over onlinecriminaliteit. Ik vind dat de regie op
ICT strakker mag en moet. Daarom roep ik de Minister op het volgende te doen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat onlinecriminaliteit snel toeneemt, terwijl politie en Openbaar Ministerie
werken met verouderde ICT, waardoor de digitale weerbaarheid onvoldoende is;
van mening dat deze digitale kwetsbaarheid in een tijd van hybride dreigingen een
direct risico vormt voor de opsporing en de rechtsstaat en vraagt om duidelijke regie
binnen de justitiële keten;
verzoekt de regering te onderzoeken hoe de centrale regie op ICT binnen de justitiële
keten kan worden versterkt, waarbij expliciet de optie van een regeringscommissaris
of onafhankelijke begeleidingscommissie ICT wordt betrokken, en de Kamer hierover
te informeren voor het einde van 2026,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Mutluer.
Zij krijgt nr. 52 (36 800 VI).
Heel goed. Met jullie welbevinden ga ik als laatste in deze huidige rol. Ik ga nu
dus naar mevrouw Van der Werf.
Mevrouw Van der Werf (D66):
Dank, voorzitter. Ik heb één motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat per 1 januari 2027 de nieuwe veiligheidsagenda met daarin de landelijke
doelstellingen ten aanzien van de politie opnieuw wordt vastgelegd;
constaterende dat geweld tegen vrouwen en intieme terreur een hardnekkig en diepgeworteld
probleem zijn in de Nederlandse samenleving en prioritering essentieel is om de aanpak
daarvan te verbeteren;
verzoekt de regering femicide en huiselijk geweld expliciet mee te nemen in de gesprekken
over de veiligheidsagenda en geweld tegen vrouwen op te nemen in de landelijke beleidsdoelstellingen
van de Veiligheidsagenda 2027–2030,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Werf, Mutluer, Straatman, Becker en
Coenradie.
Zij krijgt nr. 53 (36 800 VI).
Mevrouw Straatman.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ik dank ook de Minister voor de beantwoording. Ik denk dat
in de hele discussie die we hebben gehad over de 46 miljoen heel duidelijk werd dat
er nog onduidelijkheid bestaat over wat operationele slagkracht is in dit digitale
tijdperk, vandaar mijn eerste motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Minister van Justitie en Veiligheid op grond van de Politiewet
2012 verantwoordelijk is voor de vaststelling van de politiebegroting en voor de verdeling
van sterkte en middelen over de politie-eenheden;
overwegende dat effectief politiewerk in toenemende mate vraagt om flexibiliteit in
de inzet van personeel, materieel en informatievoorziening, mede gezien veranderende
criminaliteitsvormen, regionale veiligheidsopgaven en de behoefte aan specifieke expertise;
overwegende dat uit signalen uit de politiepraktijk blijkt dat bestaande wettelijke
kaders of uitvoeringsregels de flexibele inzet van politiecapaciteit soms beperken;
verzoekt de regering om in kaart te brengen welke wettelijke bepalingen of uitvoeringsregels
in de praktijk belemmerend werken voor een flexibele en doelmatige inzet van politiecapaciteit;
verzoekt de regering de Kamer hierover te informeren vóór het meireces,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Straatman, Coenradie, Van der Werf, Struijs
en Mutluer.
Zij krijgt nr. 54 (36 800 VI).
Mevrouw Straatman (CDA):
Voorzitter. Ik heb nog een andere motie over de wielrenkoersen. Dat lijkt misschien
een klein onderwerpje in het geheel waar we het vandaag over hebben. Tegelijkertijd
wil ik organisaties belonen die zich maximaal inzetten om de politie te ontlasten,
vandaar mijn tweede motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat door aanhoudende tekorten aan politiecapaciteit meerdere regionale
wielrenkoersen in 2026 dreigen te worden afgelast;
constaterende dat in opdracht van onder meer het Ministerie van JenV onderzoek is
gedaan naar alternatieven voor politie-inzet bij wielrenkoersen, waaruit blijkt dat
burgermotorverkeersregelaars onder voorwaarden taken van de politie kunnen overnemen;
constaterende dat met het amendement-Van Dijk c.s. middelen zijn vrijgemaakt voor
de landelijke uitrol van een richtlijn voor de inzet van burgermotorverkeersregelaars;
overwegende dat regionale koersen en andere sportevenementen van grote maatschappelijke
en regionale waarde zijn;
overwegende dat een doelmatige en evenwichtige inzet van schaarse politiecapaciteit
vraagt om structurele oplossingen die de politie ontlasten;
verzoekt de regering om samen met de Koninklijke Nederlandsche Wielren Unie (KNWU)
en in overleg met de nationale politie en andere veiligheidspartners, de landelijke
richtlijn voor de inzet van burgermotorverkeersregelaars met prioriteit te bespoedigen
en landelijk te implementeren, zodat de politie-inzet bij wielrenkoersen kan worden
verminderd en regionale wielrenkoersen doorgang kunnen blijven vinden;
verzoekt de regering tevens de Kamer hierover vóór het zomerreces van 2026 te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Straatman en Inge van Dijk.
Zij krijgt nr. 55 (36 800 VI).
De heer Struijs.
De heer Struijs (50PLUS):
Voorzitter. Ik dank de Minister voor de beantwoording. Ik heb nog maar één motie over,
want op mijn vragen over de samenwerking met Defensie en ouderenmishandeling heeft
u antwoorden gegeven waar wij op zitten te wachten. Mijn motie luidt als volgt.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat ouderen worden opgelicht door nepagenten die beschikken over online
gekochte politie-uniformen en -uitrusting;
overwegende dat dit misbruik het vertrouwen in de politie ernstig ondermijnt;
verzoekt de regering:
– te regelen dat politie-uniformen en herkenbare politie-uitrusting niet langer online
te koop zijn voor onbevoegden;
– te zorgen voor landelijke voorlichting over het herkennen van nepagenten, met speciale
aandacht voor ouderen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Struijs en Mutluer.
Zij krijgt nr. 56 (36 800 VI).
Meneer Struijs, u mag uw microfoon uitzetten, waarna ik graag het woord geef aan de
heer Van Dijk.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank, voorzitter. Dank aan de Minister voor de beantwoording. Ik heb twee moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de kerntaak van de politie opsporing, handhaving en zichtbare aanwezigheid
in de wijken is;
overwegende dat doorgeschoten managementlagen en projecten, waaronder een omvangrijke
diversiteitsagenda, middelen onttrekken aan deze kerntaak;
verzoekt de regering om overbodige managementlagen en projecten kritisch te beoordelen
en de vrijkomende middelen structureel te heralloceren naar blauw op straat, en de
Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Diederik van Dijk.
Zij krijgt nr. 57 (36 800 VI).
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dan mijn tweede motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat politie, Openbaar Ministerie en rechtspraak gezamenlijk de strafrechtketen
vormen en dat een stabiele financieringsbasis noodzakelijk is voor het tijdig en effectief
uitvoeren van hun taken;
overwegende dat de strafrechtketen de afgelopen jaren structureel meer en zwaardere
taken heeft gekregen, terwijl de financiële kaders daarbij onvoldoende zijn meegegroeid,
wat leidt tot oplopende werkdruk, capaciteitsproblemen en achterstanden;
verzoekt de regering om uiterlijk bij de eerstvolgende begrotingscyclus concrete voorstellen
te doen om de begroting van de strafrechtketen structureel, meerjarig en conjunctuurongevoelig
in overeenstemming te brengen met de taken, en deze zodanig in te richten dat de kerntaken
van politie, Openbaar Ministerie en rechtspraak zonder structurele tekorten kunnen
worden uitgevoerd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Diederik van Dijk.
Zij krijgt nr. 58 (36 800 VI).
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb twee moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Kamer de motie-Van Nispen heeft aangenomen om een pas op de plaats
te maken en geen politiebureaus meer te sluiten;
constaterende dat de Kamer de motie-Van Nispen heeft aangenomen om eventuele bezuinigingen
niet ten koste te laten gaan van het personeel en om ze niet te laten leiden tot minder
inzetbaarheid en zichtbaarheid, een hogere werkdruk, minder collega's of minder veiligheid
van politiemensen;
overwegende dat het kabinet aankondigt dat er een vacaturestop wordt ingesteld en
er politielocaties zullen sluiten om te kunnen voldoen aan de financiële opgave bij
de politie;
verzoekt de regering deze aangenomen moties uit te voeren en te borgen dat er geen
generieke vacaturestop zal komen bij de politie, dat er inzet zal zijn om de onderbezetting
bij de politie op te lossen en dat er geen politiebureaus meer gesloten zullen worden,
en de Kamer te informeren op welke manier de Minister hier invulling aan zal geven,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.
Zij krijgt nr. 59 (36 800 VI).
Mevrouw Dobbe (SP):
Mijn excuses, want ik heb er het een en ander bij geschreven. Ik hoop dat u het allemaal
kunt lezen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de politie aangeeft dat zelfs na eigen bezuinigingsmaatregelen de
politie met structurele tekorten zal kampen die oplopen tot 350 miljoen euro in 2030;
overwegende dat als dit begrotingsgat niet zal worden gedicht, dit op termijn zal
betekenen dat er 3.000 banen verloren zullen gaan;
overwegende dat een politie op goede sterkte essentieel is voor de veiligheid van
Nederland en het onacceptabel is dat de doorlooptijden in bijvoorbeeld zedenzaken
verder zullen gaan oplopen en dat onlinecriminaliteit of georganiseerde criminaliteit
niet goed aangepakt kan worden;
verzoekt de regering ervoor te zorgen dat tekorten bij de politie voorkomen worden
en dit in de komende begrotingen te verwerken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.
Zij krijgt nr. 60 (36 800 VI).
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik heb er bewust voor gekozen om geen bedrag te noemen, juist omdat ik hoor dat het
350 miljoen kan zijn of misschien wel minder.
De voorzitter:
Goed. Dank. Tot slot heb ik zelf nog drie moties, niet in mijn rol als voorzitter,
maar namens JA21. Die zou ik graag willen indienen, waarna we overgaan tot een kwartier
schorsing. We zullen om 14.05 uur weer terug zijn.
Voorzitter: Michon-Derkzen
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat veel politieagenten op de werkvloer aangeven een grote afstand te
ervaren tot de politietop;
overwegende dat deze afstand kan leiden tot een mismatch tussen beleidskeuzes en de
dagelijkse praktijk van het politiewerk;
verzoekt de regering het gesprek aan te gaan met de politietop met het doel de afstand
tussen de politieleiding en de werkvloer te verkleinen, en de Kamer te informeren
over welke concrete vervolgstappen hieruit volgen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.
Zij krijgt nr. 61 (36 800 VI).
Mevrouw Coenradie (JA21):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de politie werkt met een handelingskader voor hoe te handelen in
diverse situaties;
overwegende dat dit handelingskader dikker en dikker wordt en ervoor zorgt dat de
agent verdwaalt in regels;
verzoekt de regering in samenspraak met onze agenten dit handelingskader te vereenvoudigen
en de uitkomsten met de Kamer te delen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.
Zij krijgt nr. 62 (36 800 VI).
Mevrouw Coenradie (JA21):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat geweld tegen hulpverleners een ernstig probleem is en dat beeldmateriaal
cruciaal kan zijn voor het opsporen en vervolgen van daders;
overwegende dat privacy geen absoluut recht is en kan worden beperkt ten behoeve van
strafrechtelijke handhaving;
verzoekt de regering ervoor te zorgen dat bij de opsporing en vervolging van geweld
tegen hulpverleners het belang van opsporing expliciet zwaarder weegt dan privacybelangen,
en zo nodig wet- of regelgeving te verduidelijken om beeldmateriaal rechtmatig te
kunnen gebruiken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.
Zij krijgt nr. 63 (36 800 VI).
Mevrouw Coenradie (JA21):
Tot zover.
Voorzitter: Coenradie
De voorzitter:
We gaan een kwartier schorsen. Oftewel: om 14.05 uur zijn we hier allemaal weer terug.
Bedankt.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Goed, we gaan over tot de appreciatie door de Minister. Omwille van de tijd – we gaan
om 14.45 uur uit deze zaal – wil ik vragen of de commissie kan instemmen met het volgende.
De Minister zal wat voortvarend door de appreciaties heen gaan. Als er toch vragen
zijn zonder dat er enige toelichting aan vooraf is gegaan, dan moet er aangegeven
worden dat er wat verduidelijking nodig is. Anders gaat de Minister gewoon door de
appreciaties heen. Het piepsysteem, zullen we maar zeggen.
Minister Van Oosten:
Voorzitter. Ik heb nog één openstaande vraag, van mevrouw Dobbe van de SP. Die ging
over de beleidsreactie op het rapport Online seksueel geweld. U heeft daar op 11 november
jongstleden een beleidsreactie over ontvangen. Een voorbeeld daaruit is dat er door
de politie en het Openbaar Ministerie een landelijk sturingsmodel wordt opgesteld
dat ondersteunt in de sturing op zedenzaken. Ik kan mij voorstellen, zeg ik via de
voorzitter tegen mevrouw Dobbe, dat u na het lezen van de beleidsreactie weer vragen
et cetera heeft, maar ik mag er wel eerst naar verwijzen. Uit ervaring weet ik dat
we altijd óf met mij óf met de Staatssecretaris van Justitie debatten hebben over
zedenzaken. Daarin kan dat aan de hand van vragen uwerzijds wellicht een vervolg krijgen.
Dan kom ik bij de moties. De motie op stuk nr. 44, van mevrouw Faber en de heer Wilders,
ontraad ik.
De motie op stuk nr. 45 ontraad ik ook, met klem. Dat wil ik er toch even bij zeggen.
Die motie gaat over het verbieden van islamitische gebedsruimtes op politiebureaus.
Ik wil daarbij opmerken dat politiemedewerkers in het kader van veilig en gezond werken
de mogelijkheid moeten hebben tot bezinning in het algemeen, ongeacht de religie.
Ik wil ook benadrukken dat dat ook is omdat ze soms hele heftige dingen meemaken.
De motie op stuk nr. 46, van mevrouw Faber, ontraad ik. Er wordt heel belangrijk werk
gedaan, dat ook voor de bestrijding van de criminaliteit in Nederland van betekenis
is. Ik gaf dat net al aan.
De motie op stuk nr. 47 beschouw ik als overbodig.
De motie op stuk nr. 48 beschouw ik eveneens als overbodig.
Bij de motie op stuk nr. 49 moet ik iets heel specifieks noemen, dus geeft u mij die
gelegenheid, voorzitter. Als ik de motie mag uitleggen zoals ik ’m nu ga voorlezen,
kan ik ’m oordeel Kamer geven. Anders dien ik ’m te ontraden. De motie op stuk nr. 49
is van Michon-Derkzen en anderen. Ik heb er een strakke duiding bij te geven en ik
hoop dat mevrouw Michon-Derkzen die deelt. Ik spreek de duiding nu uit. Wat betreft
de operationele sterkte en de 46 miljoen heb ik in mijn eerste termijn gezegd dat
u mij erop kunt afrekenen dat de basisteams en de posten onder de bijzondere bijdrage
buiten beschouwing blijven in 2026. Blauw op straat blijft dus ook buiten beschouwing.
Uitgangspunt en beginpunt is besparingen maximaal vinden in niet-operationele personele
capaciteit. Dat is waar u mij aan kunt houden. In mijn eerste termijn heb ik eerlijk
aangegeven dat ik niet geheel kan uitsluiten dat de operationele capaciteit op enigerlei
wijze geraakt wordt. Ik zie de motie als een inspanningsverplichting om dit waar mogelijk
te voorkomen. Als ik de motie zo mag duiden, dan geef ik ’m oordeel Kamer.
De voorzitter:
Ik kijk naar mevrouw Michon-Derkzen.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Mag ik nog een keer de laatste zin van de Minister horen? Waarvoor spant hij zich
dan in? Hij is er heel duidelijk over dat de operationele sterkte in ’26 niet wordt
aangetast. Dank daarvoor.
Minister Van Oosten:
Dat ziet op de slagkracht, de operationele sterkte. Daarover heb ik onder andere met
mevrouw Mutluer een discussie gehad. Ik herhaal wat ik in mijn eerste termijn eerlijk
aangegeven heb, namelijk dat ik niet geheel kan uitsluiten dat de operationele capaciteit
op enigerlei wijze geraakt wordt. Daarom zie ik de motie op dit punt als een inspanningsverplichting
om dit waar mogelijk te voorkomen. Ik heb hier ook aangegeven waar mijn beginpunt,
mijn uitgangspunt ligt als het gaat om het bereiken van de doelstelling. Ook heb ik
heel duidelijk aangegeven, zeg ik in het bijzonder via de voorzitter tegen mevrouw
Michon-Derkzen, dat ik mijzelf heel precies in de positie heb gebracht dat u mij allemaal
mag afrekenen op het blauw op straat en de basisteams in het bijzonder. Dat zijn precies
de woorden die mevrouw Michon-Derkzen eraan heeft gegeven. Voor de rest kan ik het
niet geheel uitsluiten – daarin heb ik mevrouw Mutluer gelijk gegeven – omdat iemand
dat zomaar kan vinden, maar mijn inzet is het niet.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik begrijp het en ik breng de motie in stemming. Dank voor de toelichting van de Minister.
Minister Van Oosten:
Dan hou ik dus oordeel Kamer aan.
De motie op stuk nr. 50, ook van mevrouw Michon-Derkzen en anderen, ziet op de doorlichting
van de politiebegroting et cetera. Laat ik het voor het gemak even zo zeggen. Mijn
verzoek aan de indieners zou zijn om ’m aan te houden. Er komt binnenkort namelijk
een rapport van de Rekenkamer en het lijkt me heel wenselijk om dat goed te bekijken
en te bezien of er dan aanleiding is om daarnaar te vragen waarnaar wordt gevraagd
en of dat verder uitgewerkt moet worden et cetera. Mijn verzoek zou dus zijn om ’m
tot dan even aan te houden. Hier heb ik de datum ook: de geplande publicatiedatum
van het onderzoek is 17 juni 2026. Dat is dus nabij.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ja, maar ik vraag in deze motie juist om van die evaluatie, die we sowieso moeten
houden over de Politiewet, de opdracht en invulling met de Kamer te delen. Dat is
dus ook voor de zomer. Dan hebben we ook het onderzoek van de Rekenkamer voor de zomer
en dan brengen wij dat hier samen. Volgens mij kan het juist naast elkaar bestaan.
Voor de zomer gaan we er dan, met alles wat we dan hebben, met elkaar over in debat.
Ik hou ’m dus niet aan.
Minister Van Oosten:
Dan moet ik ’m nu ontraden, vanwege de samenloop in het geheel.
De voorzitter:
Goed. U vervolgt.
Minister Van Oosten:
De motie op stuk nr. 51 van mevrouw Mutluer en verder over structurele politiecapaciteit:
oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 52 van mevrouw Mutluer alleen, over ICT algemeen: oordeel Kamer,
met dien verstande dat u eind 2026 bedoelt en er rekening wordt gehouden met de onafhankelijkheid
van de rechtspraak en de rechtsstatelijke positie van het Openbaar Ministerie. Dat
spreekt voor zich, zegt mevrouw Mutluer erbij.
De motie op stuk nr. 53 van mevrouw Van der Werf en verder: oordeel Kamer. Die ziet
op geweld tegen vrouwen et cetera; dan weet iedereen even waar ik ben.
Dan de motie op stuk nr. 54 van mevrouw Straatman en anderen. Om dit op een gedegen
manier in kaart te brengen, zou ik hier graag iets meer tijd voor nemen en uw Kamer
informeren in het eerste halfjaarbericht politie 2026. Met die toelichting kan ik
de motie oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
Ik zie dat dit akkoord is.
Minister Van Oosten:
De motie op stuk nr. 55 van mevrouw Straatman en mevrouw Van Dijk over de Wielren
Unie, om het even algemeen te zeggen: oordeel Kamer. Mijn ambtsgenoot van VWS is hiermee
aan de slag. Ik verwijs naar wat ik daar net over zei.
Dan de motie op stuk nr. 56 van de heer Struijs en mevrouw Mutluer inzake politie-uniformen
en inzake voorlichting. Daar heb ik toch twee opmerkingen over. Ik wil de motie oordeel
Kamer geven, maar ik wil daar wel bij opmerken dat ik het dan als een inspanningsverplichting
voor mijzelf beschouw ten aanzien van de eerste bullet, die ziet op het niet langer
online te koop laten zijn van politie-uniformen et cetera. Daar wil ik echt even goed
in duiken. Ik laat u weten of het me lukt of niet. Ten aanzien van het tweede punt,
over landelijke voorlichting met speciale aandacht voor ouderen: «overbodig» vind
ik flauw klinken, want het is nog niet klaar, maar landelijke voorlichting vindt al
plaats. Zo is er een campagne met Omroep MAX. Ik hoorde dat er daarmee ook een prijs
is gewonnen.
De voorzitter:
Wat is dan nu de appreciatie?
Minister Van Oosten:
Oordeel Kamer, maar het zijn twee verschillende onderwerpen, waarbij het ene echt
al wel gebeurt en voor het andere geldt dat ik daar even in moet duiken.
Dan de motie op stuk nr. 57. Even heel precies richting de heer Van Dijk: hoewel ik
het niet eens ben met de stelling dat er overbodige managementlagen zijn, zal ik het
idee met de korpschef bespreken. Daarmee kan ik de motie oordeel Kamer geven, als
u zich daarin kunt vinden. Ik zie de heer Van Dijk knikken.
De motie op stuk nr. 58 van de heer Van Dijk ontraad ik, want u stelt voor om de begroting
te verhogen en dat vereist dekking.
De motie op stuk nr. 59 van mevrouw Dobbe ontraad ik. Ik verwijs naar de brief van
mijn ambtsvoorganger van 12 juni vorig jaar en mijn eerste termijn.
De motie op stuk nr. 60, ook van mevrouw Dobbe, ontraad ik ook. De begroting van de
politie moet sluitend zijn.
De motie op stuk nr. 61 van mevrouw Coenradie om in gesprek te gaan met de politietop
et cetera acht ik overbodig, want de politieleiding staat in goed contact met de werkvloer.
Daar sta ik ook voor in. Men legt diverse bezoeken af et cetera.
De voorzitter:
Maar dat betekent dus: ontraden.
Minister Van Oosten:
Overbodig. Ik heb even hulp nodig. Sorry, mevrouw de voorzitter.
De appreciatie «overbodig» mag ik ook geven, begrijp ik. Dan gebeurt het al.
De voorzitter:
Ik heb mij dit laten ingeven door de griffie; vandaar dat er even een beetje verwarring
was. Overbodig dus. Ik heb in het verleden zelf ook nog weleens andere appreciaties
gebruikt.
Minister Van Oosten:
Het komt er eigenlijk op neer dat we er hetzelfde over denken. We doen het al, dus
in die zin zijn we het met elkaar eens.
De motie op stuk nr. 62 ontraad ik.
Ten slotte de motie op stuk nr. 63. Die is ook overbodig, omdat het al strafbaar is,
de officier van justitie dit zwaarder kan laten wegen, beeldmateriaal kan worden gebruikt,
et cetera.
Dank u wel, voorzitter. Daarmee heb ik alle moties gehad, meen ik. De motie op stuk
nr. 62 was ontraden, en de motie op stuk nr. 63 overbodig.
De voorzitter:
Dank, Minister. Dan wil ik tot slot het woord nog even geven aan de heer Van Dijk.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik moest mijn eigen motie nog even teruglezen, omdat ik een beetje verrast werd door
de reactie. De Minister heeft het erover dat er een verhoging van budget in de motie
op stuk nr. 58 zou zitten, maar dat is niet het geval. In die zin gaat zijn verhaal
over ontbrekende dekkingen ook niet op. Het gaat simpelweg om de vraag om ervoor te
zorgen dat de begroting van de strafrechtketen spoort met de taken die we aan de politie
geven. Dit is dus geen verzoek voor meer geld aan de voorkant.
Minister Van Oosten:
Zo kan je ’m ook lezen, zeg ik dan via de voorzitter aan de heer Van Dijk. Ik ontraad
de motie nog steeds, omdat zij vraagt om de hele begroting anders vorm te geven. Voor
dit jaar ben ik echt bezig – mag ik dat even zeggen? – om die 46 miljoen te organiseren.
Met de korpsleiding, de gezagen et cetera stuur ik het zo dat we de jaren hierna binnen
de kaders van de huidige begroting uit kunnen komen. Als we deze discussie met elkaar
willen voeren, zou ik dat liever op een ander moment doen dan aan de hand van deze
specifieke motie. Ik voel me genoodzaakt om ’m te ontraden, ook omdat ik het geheel
niet helemaal kan overzien.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
We komen er van de week wellicht nog op terug. Bedankt.
Minister Van Oosten:
Ik had al het vermoeden.
De voorzitter:
Goed. Over deze week gesproken: de verdere behandeling van de overige onderdelen van
de JenV-begroting wordt deze week plenair voortgezet. Dan voorziet de Minister ook
de amendementen van een advies. De stemming over de moties is voorzien op dinsdag
3 februari. Dat is dus volgende week. De stemming over de amendementen en het wetsvoorstel
is voorzien op 10 maart dit jaar.
Tot slot wil ik de toezeggingen formuleren.
– Eind mei 2026 stuurt de Minister de Kamer de voortgangsrapportage met betrekking tot
de financiële situatie van de politie.
– In het volgende halfjaarbericht politie informeert de Minister de Kamer over het volgende.
Eén: een terugkoppeling van zijn gesprek met de korpsleiding over de gedragscode lifestyle-neutraliteit.
Twee: het opleiden van politiepersoneel en de Politieacademie. Drie: de stand van
zaken rondom digitalisering en cybersecurity politie. Vier: de stand van zaken rondom
heimelijk werk en de visitatiecommissie. Vijf: de stand van zaken rondom het huisvestingsbeleid
van de politie.
Tot zover.
Ik wil iedereen hartelijk danken: de Minister, de medewerkers van de Minister, aan
mijn linkerzijde de griffie en alle mensen uit de commissie, de mensen op de tribune,
de mensen die hebben meegekeken en uiteraard de ondersteuning voor alle koffie en
thee. Veel dank.
Sluiting 14.19 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
U. Ellian, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
M.C. Burger, griffier
Stemmingsuitslagen
Aangenomen met handopsteken
| Fracties | Zetels | Voor/Tegen |
|---|---|---|
| D66 | 26 | Voor |
| VVD | 22 | Voor |
| GroenLinks-PvdA | 20 | Voor |
| PVV | 19 | Voor |
| CDA | 18 | Voor |
| JA21 | 9 | Tegen |
| FVD | 7 | Tegen |
| Groep Markuszower | 7 | Voor |
| BBB | 3 | Tegen |
| ChristenUnie | 3 | Voor |
| DENK | 3 | Tegen |
| PvdD | 3 | Tegen |
| SGP | 3 | Voor |
| SP | 3 | Tegen |
| 50PLUS | 2 | Voor |
| Keijzer | 1 | Voor |
| Volt | 1 | Voor |
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.