Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda informele EU Gezondheidsraad 30 september en 1 oktober (Kamerstuk 21501-31-840)
2026D44644 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties
behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport over de Informele EU-Gezondheidsraad 30 september en 1 oktober 20261 en de overige geagendeerde stukken.
De voorzitter van de commissie,
Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie,
Heller
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
II.
Reactie van de Minister
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de informele EU-Gezondheidsraad van 30 september en 1 oktober 2026. Deze
leden hebben hierover enkele vragen.
Deze leden lezen dat de Europese Commissie de uitvoering van het Amerikaanse Most
Favoured Nation-beleid en de mogelijke gevolgen daarvan voor de Europese geneesmiddelenmarkt
blijft volgen, en dat lidstaten daarnaast ook ieder voor zich naar oplossingen zoeken.
Zo zou Duitsland bilateraal met de Verenigde Staten spreken over geneesmiddelenprijzen.
Voor deze leden is nog niet duidelijk wat de inzet van het kabinet zelf op dit beleid
is. Kan de Minister die inzet uiteenzetten? Deze leden begrijpen verder dat de Commissie
het door de lidstaten gevraagde overzicht van de gevolgen van het Amerikaanse prijsbeleid
inmiddels heeft afgerond en met de lidstaten heeft gedeeld. Kan de Minister dit overzicht
met de Kamer delen? Hoe duidt de Minister het overzicht?
Deze leden steunen de inzet op een sterker Europees concurrentievermogen in de life
sciences. Tegelijk ziet de Commissie in de biotechsector een structureel investeringstekort,
terwijl de investeringen in de VS en China wel erg hoog zijn. Hoe speelt het kabinet
in op deze verschuivingen?
Deze leden zien dat de Europese aanbestedingsregels een strategischer karakter krijgen.
In het akkoord over de Verordening kritieke geneesmiddelen zijn eisen aan leveringszekerheid
opgenomen en is het onder voorwaarden mogelijk om voorkeur te geven aan productie
in de EU. Dat vinden deze leden een goede ontwikkeling, omdat het de Nederlandse zorg
weerbaarder maakt. Zij vragen hoe deze ruimte ook bijdraagt aan medische innovatie
in Nederland. Daarnaast vragen deze leden hoe de Minister voorkomt dat eisen over
Europese oorsprong leiden tot extra administratieve lasten of tot vertraging in de
toegang tot geneesmiddelen of medische technologie.
De leden van de D66 fractie zijn benieuwd hoe het kabinet kijkt naar het Spaanse voorstel
voor een vrijwillig Europees instrument om de toegang tot nieuwe biotechnologische
geneesmiddelen te versnellen, met gezamenlijke vraagprognoses, onderhandelingen en
inkoop. Welke kansen en risico’s biedt dit voor Nederlandse bedrijven, patiënten en
zorgorganisaties? Wat verwacht de Minister dat hiervan de gevolgen zijn voor ons zorgstelsel
en voor de zorgkosten?
De leden van de D66-fractie lezen daarnaast dat in de Raad is gesproken over de verlenging
van het aanvullend beschermingscertificaat. Hoe beoordeelt de Minister dit voorstel?
Acht de Minister de voorgestelde duur en de daaraan verbonden voorwaarden passend,
ook met het oog op de tijdige komst van generieke middelen en biosimilars? Heeft de
Minister alternatieven overwogen, zowel in lengte als voorwaarden, en zo ja, welke
en waarom zijn die afgevallen?
De leden van de D66-fractie volgen met interesse de Nederlandse inzet bij de Europese
tabaksonderhandelingen. Daarbij maken deze leden zich zorgen over de vastgelopen onderhandelingen
over het Commissievoorstel voor de Tabaksaccijnsrichtlijn. Daartoe vragen de leden
van de D66-fractie hoe de Minister deze vastgelopen onderhandelingen beoordeelt. Op
welke wijze is zij voornemens actie te ondernemen in een poging deze impasse te doorbreken?
De leden van de D66-fractie zijn blij met de inzet die zij zien van de Minister om
tot een Rookvrije Generatie in 2040 te komen. Echter hebben deze leden zorgen over
de illegale handel en de soms gebrekkige handhaving binnen de EU. Daartoe vragen de
leden van de D66-fractie hoe de Minister beoogt deze illegale handel terug te dringen.
Welke rol ziet zij hierin weggelegd voor betere handhaving? Ziet de Minister ruimte
om dit punt te agenderen in EU verband? Ziet de Minister mogelijkheden om maatregelen
omtrent illegale handel en handhaving te treffen bij de herziening van de tabaksreclame-
en tabaksaccijnsrichtlijn?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brieven van de Minister aangaande
de EU-Gezondheidsraad. Zij hebben hierover nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet in Europees verband de biotechnologische
sector aantrekkelijker wil maken voor investeringen en de concurrentiepositie van
Europa wil verstevigen tegen opzichte van andere landen. Het kabinet heeft aangegeven
kritisch te zijn over de vrijstelling van milieurisicobeoordelingen voor bepaalde
genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s). De leden van de VVD-fractie hebben hier
de vorige ronde ook al vragen over gesteld en danken de Minister voor haar antwoord.
Gezien de positieve voortgang van de informele gezondheidsraad, kan de Minister iets
zeggen over het standpunt van het kabinet over dit onderwerp na afloop van de raad?
Is de Minister nog steeds van mening dat Nederland hier kritisch naar moeten kijken?
De leden van de VVD-fractie hebben ook kennisgenomen van het Spaanse voorstel voor
een vrijwillig Europees instrument om de toegang tot nieuwe biotechnologische geneesmiddelen
te versnellen. Kan de Minister aangeven hoe zij aankijkt tegen het voorstel wat door
Spanje is gepresenteerd om de toegang tot nieuwe biotechnologische geneesmiddelen
te versnellen? Welke kansen ziet de Minister voor een samenwerking met Spanje?
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het voorlopige
akkoord rond de Critical Medicines Act. Deze leden vragen de Minister op welke manier
de additionele weerbaarheidscriteria geïmplementeerd gaan worden in Nederland. Op
welke manier kan de Minister ervoor zorgen dat het niet tot onnodige regeldruk leidt?
Hiernaast zijn deze leden benieuwd naar de balans tussen leveringszekerheid en het
vestigingsklimaat voor innovatieve geneesmiddelenproductie. Hoe kan de Minister eraan
bijdragen dat de Critical Medicines Act juist ook het vestigingsklimaat voor deze
sector versterkt? Hoe is zij van plan ervoor te zorgen dat nieuwe verplichtingen het
vestigingsklimaat voor deze sector in ieder geval niet verslechtert?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
Voorlopige politiek akkoord Verordening Kritieke Geneesmiddelen (Critical Medicines
Act)
De leden van de PRO-fractie vragen de Minister toe te lichten wat hun budgettaire
inzet is voor fondsen voor het stimuleren van de productie van kritieke geneesmiddelen
binnen de lopende onderhandelingen voor het Meerjarig Financieel Kader (MFK). Welk
bedrag is er Europees volgens de Minister nodig?
Geannoteerde agenda informele EU Gezondheidsraad 30 september en 1 oktober
De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
informele EU-Gezondheidsraad van 30 september en 1 oktober 2026. Zij onderschrijven
de inzet om zorg en ondersteuning dichter bij mensen te organiseren, gezondheidsverschillen
te verkleinen en gelijke toegang tot zorg en innovatie te bevorderen. Zij hebben hierover
enkele vragen.
De leden van de PRO-fractie lezen dat Europa zijn wetenschappelijke, regelgevende
en industriële capaciteiten beter moet verbinden, zodat innovaties daadwerkelijk leiden
tot gelijke toegang voor patiënten. Ook lezen zij dat tijdens de informele Gezondheidsraad
wordt gesproken over het verkleinen van gezondheidsverschillen, met bijzondere aandacht
voor groepen met een verhoogd risico op vermijdbare chronische aandoeningen. Deze
leden wijzen erop dat gelijke toegang tot zorg en ondersteuning niet los kan worden
gezien van een bredere bescherming tegen discriminatie.
De leden van de PRO-fractie constateren dat de voorgestelde Horizontal Equal Treatment
Directive de bescherming tegen discriminatie op onder meer de grond handicap moet
uitbreiden naar terreinen buiten de arbeidsmarkt, waaronder de toegang tot goederen
en diensten, sociale bescherming, onderwijs en gezondheidszorg. De totstandkoming
van deze richtlijn wordt echter al geruime tijd door een aantal lidstaten geblokkeerd.
Kan de Minister uiteenzetten wat haar actuele positie ten aanzien van deze richtlijn
is? Steunt Nederland de richtlijn in haar huidige vorm? Zo nee, welke bezwaren heeft
zij nog?
De leden van de PRO-fractie vragen welke concrete inspanningen de Minister binnen
de Raad verricht om de impasse rond deze richtlijn te doorbreken. Is de Minister bereid
hierover actief het gesprek aan te gaan met lidstaten die de totstandkoming van de
richtlijn vooralsnog belemmeren, waaronder Duitsland, Italië en Tsjechië? Is de Minister
tevens bereid het belang van de richtlijn tijdens de informele EU-Gezondheidsraad onder de aandacht te brengen, in het bijzonder vanwege de betekenis ervan
voor gelijke toegang tot gezondheidszorg, zorg en ondersteuning?
De leden van de PRO-fractie constateren dat de Minister in het BNC-fiche positief
oordeelt over de versterking van de EU-strategie voor de rechten van personen met
een handicap en verschillende aangekondigde acties verwelkomt, waaronder maatregelen
op het gebied van deelname aan cultuur en media. Tegelijkertijd lezen zij in de geannoteerde
agenda dat optreden op EU-niveau nodig is om patiëntvoordeel, weerbaarheid en de duurzaamheid
van zorgstelsels met elkaar te verbinden. Deze leden zijn van mening dat Europese
ambities alleen betekenis krijgen wanneer daarvoor voldoende financiële middelen beschikbaar
zijn. Welk nationaal budget stelt de Minister beschikbaar voor de uitvoering van de
maatregelen uit de versterkte strategie? Kan zij daarbij een overzicht geven van de
betrokken departementen, begrotingsartikelen en beschikbare bedragen?
De leden van de PRO-fractie vragen of de Minister de opvatting deelt dat de versterkte
strategie alleen effectief kan worden uitgevoerd als daarvoor ook binnen de Europese
begroting voldoende middelen beschikbaar zijn. Hoe verhoudt de positieve inhoudelijke
beoordeling van de strategie zich tot de terughoudende Nederlandse opstelling ten
aanzien van de omvang van de Europese begroting? Is de Minister bereid zich bij de
onderhandelingen over de Europese begroting en het volgende Meerjarig Financieel Kader
in te zetten voor voldoende middelen voor toegankelijkheid, zelfstandig leven, inclusieve
zorg en maatschappelijke participatie van mensen met een beperking? Zo ja, op welke
wijze? Zo nee, waarom niet?
De leden van de PRO-fractie lezen in de geannoteerde agenda dat Nederland de beweging
van zorg naar gezondheid en van behandeling naar preventie steunt. Sterke lokale netwerken
en een stevige sociale basis zouden eraan moeten bijdragen dat gezondheidsproblemen
eerder worden gesignaleerd, zwaardere zorg wordt voorkomen en gezondheidsverschillen
worden verkleind. Deze leden wijzen erop dat mensen met een beperking vaak te maken
hebben met structurele meerkosten, bijvoorbeeld voor zorg, hulpmiddelen, energie,
vervoer en ondersteuning. Deze meerkosten kunnen hun bestaanszekerheid aantasten en
de toegang tot zorg, preventie en maatschappelijke participatie beperken.
De leden van de PRO-fractie constateren dat de Minister het voornemen van de Europese
Commissie steunt om beter inzicht te verkrijgen in de meerkosten van leven met een
beperking en lidstaten te stimuleren hun sociale beschermingsmaatregelen daarop aan
te passen. Hoe verhoudt dit standpunt zich volgens de Minister tot de bezuinigingen
die de afgelopen jaren in Nederland zijn doorgevoerd op de sociale zekerheid, zorg
en ondersteuning van mensen met een beperking?
De leden van de PRO-fractie vragen of de Minister erkent dat onvoldoende compensatie
van deze meerkosten kan bijdragen aan gezondheidsverschillen en ertoe kan leiden dat
mensen noodzakelijke zorg, ondersteuning of preventieve voorzieningen mijden. Zo ja,
hoe wordt dit betrokken bij de Nederlandse inbreng tijdens de informele Gezondheidsraad?
Is de Minister bereid de meerkosten van leven met een beperking in Nederland structureel
en periodiek in kaart te brengen en de uitkomsten te betrekken bij het inkomens-,
socialezekerheids-, zorg- en ondersteuningsbeleid? Zo nee, waarom niet?
De leden van de PRO-fractie lezen dat tijdens de informele Gezondheidsraad wordt gesproken
over technologische, digitale, sociale en organisatorische innovatie. Volgens de geannoteerde
agenda moeten innovaties aantoonbaar bijdragen aan betere, toegankelijke en samenhangende
zorg. Ook wordt gewezen op het belang van vertrouwen van burgers en patiënten bij
het gebruik van gezondheidsgegevens. Deze leden benadrukken dat digitale innovatie
alleen tot toegankelijke zorg kan leiden wanneer websites, apps en andere digitale
toepassingen vanaf het ontwerp toegankelijk zijn voor mensen met een beperking. Digitale
ontoegankelijkheid kan er juist toe leiden dat deze groep verder op achterstand raakt.
De leden van de PRO-fractie vragen hoe de Minister tijdens de informele Gezondheidsraad
zal bevorderen dat digitale toegankelijkheid een expliciete randvoorwaarde wordt bij
Europese initiatieven op het gebied van digitale zorg, kunstmatige intelligentie en
de European Health Data Space. Worden mensen met een beperking en hun vertegenwoordigende
organisaties betrokken bij het ontwerpen, testen en evalueren van deze toepassingen?
De leden van de PRO-fractie constateren dat digitale producten en diensten van de
overheid moeten voldoen aan de Europese toegankelijkheidsvoorschriften en de norm
EN 301 549. Ook heeft de Kamer de Minister met de motie-Strolenberg/De Kort verzocht
toegankelijkheidseisen op te nemen in aanbestedingen. Hoe verklaart de Minister dat
volgens het Dashboard DigiToegankelijk slechts ongeveer tien procent van de websites
en apps van overheidsorganisaties aantoonbaar aan de toegankelijkheidseisen voldoet?
Welke concrete doelstellingen en termijnen hanteert de Minister om dit percentage
te verhogen? Hoe wordt toegezien op de naleving van de toegankelijkheidseisen en welke
consequenties zijn verbonden aan het niet naleven daarvan?
De leden van de PRO-fractie wijzen erop dat de Europese Commissie de lidstaten in
de versterkte strategie oproept om toegankelijkheid nadrukkelijk mee te nemen in de
publieke inkoop. De Minister verwijst in haar reactie naar maatregelen binnen de werkagenda
voor de uitvoering van het VN-verdrag Handicap. Welke concrete en afdwingbare maatregelen
neemt de Minister om te waarborgen dat toegankelijkheid daadwerkelijk wordt opgenomen
in aanbestedingen en inkoopvoorwaarden van het Rijk en de zorgsector?
De leden van de PRO-fractie lezen in de geannoteerde agenda dat de informele Gezondheidsraad
zal spreken over het versnellen van geïntegreerde, preventieve en wijkgerichte zorg.
Het doel is om zorg en ondersteuning dichter bij mensen te organiseren en zorg, publieke
gezondheid en ondersteuning in de wijk beter met elkaar te verbinden. De Minister
wijst daarbij onder meer op buurtteams, laagdrempelige wijk- en buurtcentra, zorgzame
gemeenschappen en inwonersparticipatie. Deze leden zien hierin een duidelijk verband
met de inzet van de Europese Commissie om zelfstandig leven in de eigen gemeenschap
voor mensen met een beperking te versterken en institutionele zorg te vervangen door
toegankelijke en persoonsgerichte zorg en ondersteuning in de gemeenschap.
De leden van de PRO-fractie vragen hoe de Minister ervoor zorgt dat de tijdens de
informele Gezondheidsraad besproken beweging naar geïntegreerde en wijkgerichte zorg
ook daadwerkelijk bijdraagt aan het recht van mensen met een beperking om zelfstandig
te leven en deel uit te maken van de samenleving. Welke concrete doelstellingen hanteert
de Minister hierbij?
De leden van de PRO-fractie vragen of de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport en Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zullen deelnemen aan de Europese
allianties en samenwerkingsverbanden voor zelfstandig leven die in de versterkte strategie
worden aangekondigd, waaronder de EU Alliance for Independent Living. Zo ja, met welke
inzet en doelstellingen? Zo nee, waarom niet? Op welke wijze zal Nederland gebruikmaken
van de beschikbare Europese fondsen en kennisuitwisseling om de overgang van institutionele
zorg naar zorg en ondersteuning in de eigen gemeenschap te bevorderen?
De leden van de PRO-fractie vragen op welke wijze mensen met een beperking en hun
vertegenwoordigende organisaties, conform het uitgangspunt «niets over ons, zonder
ons», worden betrokken bij de Nederlandse inzet op wijkgerichte zorg, zelfstandig
leven en de uitvoering van de versterkte EU-strategie. Op welke wijze draagt Nederland
bij aan de Europese monitoring van de overgang naar zelfstandig leven? Welke indicatoren
gebruikt de Minister om vast te stellen of mensen daadwerkelijk meer zeggenschap krijgen
over waar, hoe en met wie zij wonen en welke ondersteuning zij ontvangen?
De leden van de PRO-fractie stellen vast dat AI-chatbots bij vragen rond abortus vaak
pro-life geïnspireerde antwoorden geven. Deze AI-chatbots zijn dus niet-neutraal.
Zal de Minister dit onderwerp Europees op de agenda zetten, in het kader van deze
informele raad of van een ander forum? En wat zal de Minister hieraan doen binnen
Nederland?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de fiches over de versterking
van de strategie voor de rechten van personen met een handicap tot 2030 en de Raadsaanbeveling
woonuitsluiting, alsmede van de antwoorden van de Minister op hun vragen over de geannoteerde
agenda van de formele EU-Gezondheidsraad. Deze leden stellen voorop dat mensen met
een beperking volwaardig moeten kunnen deelnemen aan de samenleving en dat dakloosheid
hard moet worden aangepakt. Zij stellen dat dit echter geen sluipende uitbreiding
van Brusselse zeggenschap rechtvaardigt. Samenwerking en kennisuitwisseling kunnen
nuttig zijn, maar zorg, wonen, onderwijs, werkgelegenheid, sociale ondersteuning en
leefstijlbeleid moeten een nationale aangelegenheid blijven.
De leden van de PVV-fractie constateren dat de strategie voor personen met een handicap
grotendeels niet-bindend wordt genoemd, terwijl veel maatregelen nog worden uitgewerkt
en nog onbekend is welke daarvan juridisch bindend worden. Tegelijkertijd worden Europese
richtsnoeren, monitoring, gegevensverzameling, nationale streefcijfers, voorwaarden
voor EU-financiering en mogelijke nieuwe rapportageverplichtingen aangekondigd. Zij
vragen de Minister uiteen te zetten welke aangekondigde maatregelen volgens haar binnen
een ondersteunende EU-bevoegdheid vallen en welke maatregelen kunnen uitmonden in
Europese normstelling. Zij vragen de Minister daarom te bevestigen dat Nederland niet
zal instemmen met nieuwe bindende Europese voorschriften op het gebied van zorg, onderwijs,
wonen, arbeidsparticipatie en sociale ondersteuning, noch met Europese streefcijfers
die de beleidsvrijheid van Nederland of gemeenten beperken. Zij vragen de Minister
hoe zij voorkomt dat niet-bindende coördinatie via financieringsvoorwaarden, monitoring
en vergelijkende ranglijsten alsnog feitelijke beleidsdwang wordt.
De leden van de PVV-fractie onderschrijven dat mensen met een beperking maximale autonomie
en echte keuzevrijheid verdienen. Zij constateren terecht dat deïnstitutionalisering
geen dogma mag worden en dat wonen op een instellingsterrein voor sommige mensen juist
meer veiligheid, gemeenschap en bewegingsvrijheid biedt. Zij vragen de Minister daarom
te bevestigen dat de persoonlijke keuze en zorgbehoefte leidend blijven en dat Nederland
geen Europese druk accepteert om passende intramurale of beschermde woonvormen af
te bouwen. Zij vragen tevens hoe wordt gewaarborgd dat Europese richtsnoeren over
inclusie, gezondheidszorg, onderwijs en seksuele en reproductieve gezondheid niet
treden in nationale wetgeving, professionele autonomie of ouderlijke en persoonlijke
keuzevrijheid.
De leden van de PVV-fractie constateren dat ook de Raadsaanbeveling woonuitsluiting
niet-bindend heet, maar een Europees beleidskader, gemeenschappelijke definities,
standaardmonitoring en vijfjaarlijkse rapportage aan de Commissie introduceert. Volkshuisvesting
is bij uitstek een nationale, regionale en lokale verantwoordelijkheid. Zij vragen
de Minister daarom te bevestigen dat Nederland volledige zeggenschap houdt over woningbouw,
woonruimteverdeling, urgentiecategorieën, huurbeleid, maatschappelijke opvang en de
inzet van nationale middelen. Ook vragen zij de Minister te bevestigen dat zij iedere
poging zal blokkeren om deze aanbeveling later om te zetten in bindende regels, verplichte
Europese doelstellingen of aanvullende rapportage- en uitvoeringslasten.
Deze leden constateren dat de Commissie lidstaten aanmoedigt EU-fondsen en het Pan-European
Housing Investment Platform te gebruiken, terwijl het kabinet zelf kritisch is op
verdere verbreding van het cohesiebeleid naar betaalbare huisvesting. Zij vragen de
Minister uiteen te zetten welke financiële voorwaarden, beleidsvoorwaarden en verantwoordingsplichten
aan deze middelen kunnen worden verbonden. Zij vragen de Minister daarom te bevestigen
dat Nederlandse woonkeuzes niet afhankelijk worden gemaakt van Brusselse subsidies
en dat geen extra Nederlandse afdrachten of open-eindeverplichtingen worden geaccepteerd.
De leden van de PVV-fractie constateren voorts dat de Minister bij eerdere vragen
over het Europees Gezondheidspakket wel verwees naar de verdragsrechtelijke bevoegdheidsverdeling,
maar geen harde toezegging deed om de Kamer vooraf te informeren over voorstellen
die raken aan nationale zeggenschap, preventievrijheid of de inrichting van het zorgstelsel.
Evenmin wilde zij het ontbreken van volwaardige impact assessments als grens hanteren.
Deze leden vragen de Minister daarom te bevestigen dat Nederland bij deze twee trajecten
niet instemt met verdere bevoegdheidsoverdracht, harmonisatie buiten aantoonbaar grensoverschrijdende
kwesties of maatregelen waarvan gevolgen voor vrijheid, nationale beleidsruimte, regeldruk
en kosten niet vooraf volledig en onafhankelijk zijn beoordeeld. Zij vragen de Minister
hoe zij dit concreet in de onderhandelingen gaat realiseren en de Kamer vooraf, afzonderlijk
en volledig zal informeren zodra voorstellen deze grens dreigen te overschrijden.
De leden van de PVV-fractie hebben principiële bezwaren tegen een verdere verschuiving
van bevoegdheden op het terrein van de gezondheidszorg van de lidstaten naar de Europese
Unie. Gezondheidszorg is en behoort een nationale aangelegenheid te blijven. Deze
leden constateren dat voor de verordening Kritieke Geneesmiddelen (Critical Medicines
Act) artikel 114 VWEU, betreffende de interne markt, als rechtsgrondslag wordt gebruikt,
terwijl de maatregelen nadrukkelijk ingrijpen in de wijze waarop lidstaten hun geneesmiddelenvoorziening
organiseren. De leden van de PVV-fractie vragen de Minister te bevestigen dat Nederland
te allen tijde zelfstandig verantwoordelijk blijft voor de inrichting, financiering
en organisatie van zijn gezondheidszorg en geneesmiddelenvoorziening en dat deze verordening
niet mag worden gebruikt als opstap naar verdere Europese zeggenschap over het nationale
gezondheidsbeleid.
Deze leden constateren voorts dat in de verordening enerzijds wordt gesteld dat de
verantwoordelijkheid van lidstaten voor de organisatie en verstrekking van gezondheidsdiensten
en medische zorg niet ter discussie wordt gesteld, maar tegelijkertijd wordt geconcludeerd
dat verdere harmonisatie noodzakelijk is. Zij vragen de Minister uiteen te zetten
waar volgens haar de grens ligt tussen Europese samenwerking en Europese harmonisatie
van nationale gezondheidszorg. Voorts vragen zij de Minister te bevestigen dat zij
zich zal verzetten tegen iedere toekomstige uitbreiding van Europese bevoegdheden
waarbij onder verwijzing naar de interne markt feitelijk steeds meer onderdelen van
de gezondheidszorg op Europees niveau worden geregeld.
De leden van de PVV-fractie constateren dat gezamenlijke inkoop formeel vrijwillig
blijft, maar dat de rol van de Europese Commissie verder wordt geïnstitutionaliseerd
en dat de Commissie lidstaten op eigen initiatief kan uitnodigen een gezamenlijke
aanvraag te vormen. Deze leden vragen de Minister te bevestigen dat Nederland volledig
vrij blijft om niet deel te nemen aan dergelijke gezamenlijke inkoopprocedures en
dat daaruit op geen enkele wijze financiële, juridische of politieke consequenties
voor Nederland kunnen voortvloeien. Zij vragen tevens te bevestigen dat gezamenlijke
Europese inkoop nooit mag leiden tot een situatie waarin Nederland minder vrijheid
heeft om zelfstandig geneesmiddelen in te kopen, voorwaarden te stellen of snel te
handelen wanneer het nationale belang daarom vraagt.
Voorts vragen deze leden waarom de Minister ermee instemt dat Europese regelgeving
rechtstreeks voorschrijft welke criteria bij publieke aanbestedingen van kritieke
geneesmiddelen moeten worden gehanteerd en onder omstandigheden zelfs bepaalt dat
minimaal 50 procent van een bepaald volume moet worden voorbehouden aan aanbieders
die in de EU produceren. Het kabinet wilde aanvankelijk juist geen vaste percentages
in wetgeving opnemen. De leden van de PVV-fractie vragen de Minister te bevestigen
dat nationale aanbestedende diensten zoveel mogelijk vrijheid moeten behouden om op
basis van Nederlandse omstandigheden te bepalen welke wijze van inkoop het beste bijdraagt
aan leveringszekerheid en betaalbaarheid.
Dezelfde zorg geldt voor het nationale toezicht. Het kabinet erkent zelf dat de verplichting
om GMP-inspecties bij strategische projecten te prioriteren raakt aan de autonomie
van bevoegde autoriteiten om hun eigen toezichtbeleid vast te stellen en bovendien
tot extra werklast voor de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) leidt. De leden
van de PVV-fractie vragen waarom de Minister desondanks met deze bepaling heeft ingestemd.
Voorts vragen zij of de Minister het ermee eens is dat de Nederlandse toezichthouder
zelfstandig moet kunnen bepalen waar toezichtscapaciteit wordt ingezet en dat Europese
beleidsdoelen nooit automatisch voorrang mogen krijgen boven een Nederlandse risicoafweging.
Tot slot constateren deze leden dat de Commissie voorafgaand aan haar voorstel geen
impact assessment heeft uitgevoerd en dat het kabinet dit vanwege de vermeende urgentie
heeft geaccepteerd. De leden van de PVV-fractie vragen de Minister op basis van welke
feiten is besloten dat hier sprake is van urgentie. Ook vragen zij de Minister te
verantwoorden waarom die vermeende urgentie dusdanig groot is, dat onderzoek naar
de gevolgen voor Nederland ondergeschikt is gemaakt. Voorts vragen zij de Minister
daarom uit te leggen hoe zij kan instemmen met nieuwe bindende Europese regels, nieuwe
verplichtingen voor nationale instanties en verdere harmonisatie zonder dat vooraf
degelijk is onderzocht wat de financiële, bestuurlijke en economische gevolgen daarvan
zijn. Deze leden vragen de Minister te bevestigen dat urgentie nooit een vrijbrief
mag zijn om zorgvuldige besluitvorming, proportionaliteit en nationale beleidsvrijheid
terzijde te schuiven.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de agenda van de Informele EU-Gezondheidsraad
30 september en 1 oktober 2026 en hebben naar aanleiding daarvan nog enkele vragen.
Deze leden vragen de Minister of zij voornemens het overzicht van de Europese Commissie
over de gevolgen van het Amerikaanse geneesmiddelenprijsbeleid met de Kamer te delen.
Deze leden vragen de Minister te reflecteren op de recent bereikte akkoorden en of
deze naar haar mening voldoende bijdragen aan het Europese concurrentievermogen van
de gezondheids- en lifescience-sector. Deze leden zijn in het licht daarvan benieuwd
of de Minister noodzaak ziet om het Europese beleid aan te scherpen naar aanleiding
van het Amerikaanse beleid.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de informele EU-Gezondheidsraad van 30 september en 1 oktober 2026 en
van de overige voor dit schriftelijk overleg geagendeerde stukken. De leden van de
JA21-fractie onderschrijven het belang van een sterke Europese positie op het gebied
van onder andere geneesmiddelen, biotechnologie en life sciences. Hierbij verdienen
onder andere innovatie, leveringszekerheid en het concurrentievermogen van Nederland
en Europa voldoende aandacht. Zij hebben hierover echter nog wel enkele vragen aan
de Minister.
Europese life sciences en innovatie
De leden van de JA21-fractie vragen welke Nederlandse prioriteiten de Minister tijdens
de informele EU-Gezondheidsraad zal inbrengen om de strategische positie van de Europese
life sciences-sector te versterken. Op welke wijze wordt bij nieuwe Europese maatregelen
op het terrein van geneesmiddelen beoordeeld welke gevolgen deze hebben voor de snelheid
waarmee patiënten toegang krijgen tot innovatieve behandelingen? Worden de mogelijke
gevolgen voor klinisch onderzoek, investeringen en productie in Europa vooraf en systematisch
meegewogen? Zo ja, op welke wijze? Is de Minister bereid om in Europees verband aan
te dringen op een vaste toets op strategische afhankelijkheden en de gevolgen voor
het Europese onderzoeks- en investeringsklimaat?
De leden van de JA21-fractie vragen tevens hoe de Minister ervoor zorgt dat Nederlandse
procedures voor beoordeling, prijsonderhandeling en vergoeding voldoende voorspelbaar
en voortvarend zijn om aan te sluiten bij de Europese ambities op het terrein van
biotechnologie en life sciences.
Biotech Act
De leden van de JA21-fractie merken op dat de Minister positief staat tegenover maatregelen
die innovatie kunnen bevorderen. Deze leden vragen hoe de Minister in dat licht aankijkt
tegen de voorgestelde uitbreiding van de termijnen voor beschermingscertificaten.
Staat de Minister positief of negatief tegenover deze maatregel? Indien de Minister
van oordeel is dat deze prikkel onvoldoende aansluit bij de gestelde beleidsdoelen,
aan welke alternatieve maatregelen denkt zij dan?
De leden van de JA21-fractie beoordelen het in beginsel positief dat een investment
pilot is aangekondigd om investeringen in de biotechsector te stimuleren. Deze leden
constateren tegelijkertijd dat de uitwerking vooralsnog beperkt is en vragen waarom
ervoor is gekozen een pilot met een beperkte looptijd wettelijk te verankeren. Is
de Minister bereid zich in Europees verband in te zetten voor een ambitieuzere vormgeving
van deze investeringsstimulans? Hoe wordt daarbij de koppeling gezocht met nationale
instrumenten, waaronder een nationale investeringsinstelling, om versnippering van
instrumenten en middelen tegen te gaan?
De leden van de JA21-fractie vragen daarnaast hoe de Minister het onderhandelingsmandaat
van de Raad ten aanzien van de Biotechnologieverordening beoordeelt. Hoe verhoudt
dit mandaat zich tot het Nederlandse standpunt ten aanzien van deze verordening? Ook
vragen deze leden hoe de Minister het Spaanse voorstel beoordeelt voor een vrijwillig
Europees instrument waarmee de toegang tot nieuwe biotechnologische geneesmiddelen
zou kunnen worden versneld.
Critical Medicines Act
De leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het voorlopige
politieke akkoord over de Verordening Kritieke Geneesmiddelen – de Critical Medicines
Act (CMA). Deze leden vragen in het bijzonder hoe de toepassing van aanvullende weerbaarheidscriteria
bij de inkoop van geneesmiddelen in de Nederlandse praktijk zal functioneren. Hoe
wordt de maatregel zodanig geïmplementeerd dat deze voor de betrokken organisaties
niet zal leiden tot onnodige aanvullende regeldruk? Hoe wordt daarnaast zoveel mogelijk
gewaarborgd dat de nationale implementatie in de verschillende lidstaten geharmoniseerd
plaatsvindt?
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de Minister waarborgt dat de CMA niet alleen
bijdraagt aan de leveringszekerheid, maar tevens het Europese en Nederlandse vestigings-
en investeringsklimaat voor innovatieve geneesmiddelenproductie versterkt. Welke inzet
kiest Nederland om te voorkomen dat nieuwe verplichtingen investeringen en innovatie
onbedoeld ontmoedigen?
De leden van de JA21-fractie vragen ten slotte binnen dit kader hoe de Minister aankijkt
tegen een strategischer gebruik van aanbestedingsregels voor geneesmiddelen en medische
technologie. Welke mogelijkheden ziet de Minister voor Nederland om dit instrument
zo in te zetten dat innovatie wordt gestimuleerd?
Amerikaans geneesmiddelenprijsbeleid en Europees concurrentievermogen
De leden van de JA21-fractie vragen of de Minister voornemens is het aangekondigde
overzicht van de Europese Commissie over de gevolgen van het Amerikaanse geneesmiddelenprijsbeleid
met de Kamer te delen. Hoe beoordeelt de Minister de mogelijke gevolgen van het Amerikaanse
Most Favoured Nation-beleid voor de beschikbaarheid en betaalbaarheid van geneesmiddelen
in Nederland en de Europese Unie?
De leden van de JA21-fractie vragen in hoeverre de Minister inschat dat de recent
bereikte Europese akkoorden voldoende bijdragen aan het concurrentievermogen van de
Europese gezondheids- en life sciences-sector. Ziet de Minister naar aanleiding van
de ontwikkelingen in de Verenigde Staten aanleiding om het Europese beleid op dit
terrein verder aan te scherpen?
Safe Hearts Plan
De leden van de JA21-fractie vragen in welke mate de Minister voornemens is in te
zetten op Europese samenwerking in het kader van het Safe Hearts Plan. Op welke onderdelen
ziet de Minister daarbij een toegevoegde waarde voor Europese samenwerking en welke
Nederlandse inzet voorziet zij tijdens de komende besprekingen?
Tabaksbeleid
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de stukken over tabaksontmoediging
en de regulering van aanverwante producten. Deze leden vragen hoe de Minister de vertraging
binnen de Raad bij de behandeling van de Tabaksaccijnsrichtlijn beoordeelt. Welke
inzet kiest Nederland binnen de Raad ten aanzien van Europese minimumaccijnzen voor
nicotinezakjes en andere nieuwe nicotineproducten?
De leden van de JA21-fractie vragen daarnaast hoe de Minister de bevindingen van de
Europese Rekenkamer over het ontbreken van een samenhangende Europese aanpak van illegale
tabakshandel beoordeelt. Welke mogelijkheden ziet de Minister voor verdere Europese
samenwerking bij de bestrijding van illegale tabakshandel? Ziet de Minister mogelijkheden
om op dit terrein aanvullende maatregelen te treffen in het kader van de herzieningen
van de Tabaksreclamerichtlijn en de Tabaksaccijnsrichtlijn?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de onderliggende
stukken voor de Informele EU-Gezondheidsraad 30 september en 1 oktober 2026 en deze
leden hebben nog enkele vragen en opmerkingen over twee specifieke onderwerpen.
Kritieke geneesmiddelen
De leden van de BBB-fractie zijn positief over het voorlopige politieke akkoord over
de Verordening Kritieke Geneesmiddelen. Een goede beschikbaarheid van geneesmiddelen
en sterke, weerbare Europese leveringsketens zijn van groot belang, zeker in de huidige
geopolitieke situatie. Deze leden onderschrijven daarom het streven naar versterking
van de Europese strategische autonomie. Zij vragen de Minister daarbij of dit bredere
uitgangspunt (het verminderen van risicovolle afhankelijkheden bij essentiële producten)
ook consequent wordt betrokken bij andere essentiële ketens, waaronder de voedselvoorziening.
Tabaksontmoediging
De leden van de BBB-fractie onderschrijven het belang van het ontmoedigen van roken
en nicotinegebruik, zeker bij jongeren, maar maken zich zorgen over mogelijke averechtse
effecten van een steeds verdergaande stapeling van prijsverhogingen en verboden. De
Minister wil zich met haar collega’s in het huidige kabinet inzetten voor hogere minimumaccijnzen
in andere EU-lidstaten. Hoe wordt daarbij voorkomen dat niet alleen grenshandel, maar
juist de illegale productie en handel in tabak aantrekkelijker worden? Heeft de Minister
daarbij gekeken naar de ontwikkelingen in Australië, waar de illegale tabaksmarkt
sterk is gegroeid? Welke lessen trekt het kabinet daaruit voor Nederland en Europa,
mede gezien de daarmee samenhangende criminaliteit?
De leden van de BBB-fractie wijzen daarnaast op de constatering dat 87 procent van
de vapepopulatie illegale vapes gebruikt en/of vapes via een illegaal verkoopkanaal
verkrijgt. Ziet de Minister dit ook als een signaal dat strengere regels en verboden
op enig moment hun doel voorbij kunnen schieten? Wanneer is voor de Minister het punt
bereikt waarop niet nóg strengere regels en hogere boetes of strengere controles nodig
zijn, maar moet worden bezien of de gekozen beleidsstrategie zelf nog effectief is?
De leden van de BBB-fractie hebben ook vragen over de stagnerende afname van het aantal
rokers. Het aandeel rokers is de afgelopen tien jaar fors gedaald, maar deze daling
lijkt de laatste jaren af te vlakken. Kan de Minister aangeven hoe het deze ontwikkeling
beoordeelt? Is onderzocht of verdere forse prijsverhogingen en verboden nog evenredige
gezondheidswinst opleveren, of dat op enig moment sprake kan zijn van afnemende effectiviteit
en toenemende substitutie naar illegale producten?
De leden van de BBB-fractie benadrukken dat deze vragen niet voortkomen uit de wens
om roken minder te ontmoedigen, maar juist uit de zorg dat beleid dat te ver doorschiet
uiteindelijk averechts kan werken. Is de Minister bereid de effectiviteit van het
totale pakket daarom ook vanuit dit perspectief te evalueren?
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda
en de overige voorliggende stukken. Het Ierse voorzitterschap agendeert twee gedachtewisselingen
die in elkaars verlengde liggen: innovatie als motor van het Europese verdienvermogen,
en innovatie als motor van volksgezondheid. Deze leden zien in beide sessies dezelfde
blinde vlek, namelijk de biologie van veroudering zelf. Zij hebben daarover de volgende
vragen en opmerkingen.
1. Innovating with Purpose: verouderingsbiologie ontbreekt in de Nederlandse inzet
De leden van de Groep Markuszower constateren dat de Minister haar inbreng voor deze
sessie ophangt aan de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat en aan de
Biotech Act I. Beide instrumenten zijn generiek. Geen van beide benoemt verouderingsbiologie
als strategisch domein, terwijl dat juist het terrein is waarop Europa het verst achterloopt.
Sinds 2021 heeft pijler 2 van Horizon Europe zes projecten naar onderliggende verouderingsbiologie
gefinancierd, samen goed voor 23 miljoen euro. Dat is 0,48 procent van wat aan gezondheidsonderwerpen
is uitgegeven en 0,08 procent van pijler 2 als geheel. Oncologie ontving 193 miljoen
euro, plus een eigen EU-missie.2 Aan de andere kant van de oceaan gebeurt het omgekeerde: ARPA-H kende in februari
2026 tot 144 miljoen dollar toe aan zeven teams, met als expliciete opdracht protocollen
te ontwikkelen die gezondheidsuitkomsten binnen enkele jaren meten in plaats van binnen
decennia.3
Deze leden vragen of de Minister bereid is verouderingsbiologie in Dublin expliciet
te benoemen als strategisch domein, en dit niet te laten opgaan in de algemene biotechparagraaf.
Zij vragen voorts of het domein Life Sciences & Biotechnologie binnen de Taskforce
verouderingsonderzoek omvat, en zo nee, waarom niet.
2. Van evidence based naar evidence generating: waar de regulatoire klem zit
De leden van de Groep Markuszower hechten eraan de terminologie precies te maken.
Klassieke evidence based medicine beslist op grond van bewijs dat er al ligt. Daarnaast
staat in de recente literatuur het begrip evidence generating medicine, geïntroduceerd
door Embi en Payne, waarin de praktijk zelf bewijs voortbrengt en de relatie tussen
onderzoek en zorg tweerichtingsverkeer wordt.4 Daaromheen zijn evidence informed medicine en het learning health system ontstaan,
vanuit dezelfde constatering: de klassieke bewijsketen is te traag waar de uitkomst
decennia op zich laat wachten.5
Geroscience is zo’n veld. Cummings en Kritchevsky laten zien dat een studie met sterfte
of functieverlies als eindpunt decennia zou duren, en dat biomarkers die looptijd
fors bekorten, maar alleen wanneer de verandering in de marker de verandering in de
klinische uitkomst betrouwbaar voorspelt.6 Forman en Pignolo wijzen op het onderliggende probleem: bij preventie ligt de bewijsdrempel
structureel hoger dan bij behandeling, waardoor preventieve geroscience-trials stelselmatig
vastlopen.7
Daar zit het pijnpunt van de sector. Een scoping review van 3.780 publicaties vond
geen enkel regulatoir kader voor gerotherapeutica; De Food and Drug Administration (FDA) noch het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) classificeert veroudering als
ziekte.8 Zonder indicatie is er geen label, zonder label geen vergoeding, en daarmee verdwijnt
de ontwikkelprikkel. Voor generieke middelen geldt dat dubbel, omdat een octrooiprikkel
ontbreekt.9 Het Biomarkers of Aging Consortium stelt onomwonden vast dat geen enkele verouderingsbiomarker
door de Amerikaanse toezichthouder is goedgekeurd voor klinische toepassing.10 Bij de EMA bestaat wel een kwalificatieprocedure voor nieuwe methodologieën, maar
fragiliteit wordt in het enige relevante reflection paper uitsluitend gepositioneerd
als beschrijving van de uitgangssituatie, niet als eindpunt.11
De classificatie zelf is intussen wel in beweging. ICD-11 kent MG2A en de extensiecode
XT9T, die verouderingsgerelateerd omschrijft als veroorzaakt door biologische processen
die leiden tot verlies van aanpassingsvermogen.12 In 2025 verscheen bovendien een internationale consensusverklaring met criteria voor
wat een verouderingsgerelateerde pathologie is.13 De bouwstenen liggen er dus; het regulatoire pad ontbreekt.
Is de Minister bereid in Dublin en in de raadswerkgroepen te agenderen dat het ontbreken
van een regulatoir pad voor gerotherapeutica een concreet investeringsobstakel is?
Is zij bereid de Commissie en de EMA te vragen of een kwalificatietraject voor verouderingsbiomarkers
binnen de bestaande procedure voor nieuwe methodologieën mogelijk is? Kan de Minister
toezeggen dit punt in te brengen bij de verdere behandeling van de Biotech Act I-verordening,
waarover de Raad nog geen mandaat heeft vastgesteld?14
3. Verouderingstempo en biologische leeftijd in plaats van kalenderleeftijd
Bij de tweede gedachtewisseling schrijft het kabinet dat innovatie een middel is en
geen doel, en dat de uitdaging vooral ligt in valideren, implementeren en opschalen.
Daar zijn deze leden het mee eens. Zij wijzen erop dat de Nederlandse bevolkingsonderzoeken
op dit moment uitnodigen op kalenderleeftijd en geslacht, terwijl de EU-Raadsaanbeveling
over kankerscreening uit 2022 risicogebaseerde benaderingen juist aanmoedigt.15
Het bewijs beweegt. In de WISDOM-trial onder 28.372 vrouwen was risicogebaseerde screening
non-inferieur voor kanker in stadium IIB of hoger, bij fors minder mammogrammen.16 Tegelijk is de Gezondheidsraad nuchter: risicostratificatie is veelbelovend, maar
wordt wereldwijd in geen enkel screeningsprogramma toegepast.17
Over verouderingstempo zijn deze leden precies. Derde generatie klokken voorspellen
op groepsniveau sterk: in een cohort van 18.859 personen gaf GrimAge v2 een hazard
ratio van 1,54 per standaarddeviatie voor totale sterfte.18 Op individueel niveau is het beeld anders. Technische ruis leverde tot negen jaar
verschil op tussen herhaalde metingen van hetzelfde monster, en over de validatie
bestaat nog geen consensus.19 Juist daarom hoort dit dossier in de categorie waarin beleid bewijs moet helpen genereren
in plaats van erop te wachten. Het alternatief is dat de validatie elders plaatsvindt
en Nederland straks alleen nog afnemer is.
Deze leden vragen of de Minister bereid is de Commissie te vragen hoe secundair gebruik
onder de European Health Data Space gericht kan worden ingezet voor de validatie van
verouderingsbiomarkers. Zij vragen voorts of zij bereid is de Gezondheidsraad te verzoeken
in het reeds aangevraagde advies over risicostratificatie bij de bevolkingsonderzoeken
expliciet biologische leeftijd en verouderingstempo te betrekken, en wanneer dat advies
de Kamer bereikt.
4. Het argument van psychosociale belasting
De toegang tot preventief onderzoek wordt in Nederland begrensd door de vergunningplicht
van de Wet op het bevolkingsonderzoek. De Gezondheidsraad onderbouwde die begrenzing
in 2015 met de stelling dat bij ernstige, onbehandelbare aandoeningen de nadelen in
termen van psychosociale belasting waarschijnlijk aanzienlijk zwaarder wegen dan de
mogelijke voordelen.20
Dat woord waarschijnlijk is sindsdien getoetst. Een meta-analyse van zeven CSER-cohorten
met 1.300 deelnemers vond bij exoom- en genoomsequencing geen klinisch significante
psychologische schade.21 In de REVEAL-trial, gerandomiseerd onderzoek waarin het APOE-genotype werd meegedeeld
voor een aandoening die niet te behandelen is, verschilden angst, depressie en testgerelateerde
distress niet significant tussen de groepen.22 Een meta-analyse van 27 gerandomiseerde studies naar polygene risicoscores vond voor
angst een gestandaardiseerd verschil van − 0,02.23 En in het Nederlandse NELSON-onderzoek was de tijdelijke stijging van distress na
een onbepaalde uitslag twee jaar later vrijwel terug op het uitgangsniveau.24
Deze leden zijn niet eenzijdig. Bij fout-positieve mammografie zijn met aandoeningsspecifieke
instrumenten wel langdurige effecten gemeten, en bij de zwaarst denkbare test, die
op de ziekte van Huntington, maakte 0,97 procent van 4.527 getesten een ernstige psychiatrische
gebeurtenis door, sterk geconcentreerd bij mensen met een psychiatrische voorgeschiedenis.25 Dat pleit voor gerichte begeleiding en voor het vooraf herkennen van kwetsbaarheid,
niet voor een categorisch slot op de deur voor iedereen.
Daar staat tegenover wat burgers zelf willen. In een onderzoek onder 523 patiënten
en zorgverleners vond 90,7 procent dat men recht heeft op kennis van elk aspect van
het eigen genetisch profiel, en wilde 81,8 procent incidentele bevindingen horen,
ongeacht of de aandoening behandelbaar is.26 Autonomie betekent dan niet dat de overheid bepaalt wat iemand aankan.
De leden van de Groep Markuszower constateren dat het wetsvoorstel tot wijziging van
de Wet op het bevolkingsonderzoek op 24 januari 2025 is ingetrokken en dat aan een
vervangend voorstel wordt gewerkt.27 Is de Minister bereid bij die voorbereiding het uitgangspunt van psychosociale belasting
opnieuw te laten wegen tegen de hierboven genoemde literatuur (en toe te laten komen
als Kamerbrief), en wanneer wordt dat voorstel ingediend? Is zij voorts bereid een
verkenning uit te voeren naar een standaardaanbod van genetisch en epigenetisch basisonderzoek
vanaf achttien jaar, met als doel Nederland koploper te maken in longitudinale verouderingsdata
en de regie nadrukkelijk bij de burger te leggen?
5. Waar de grens ligt
Deze leden vroegen in het vorige schriftelijk overleg om innovatie, publiek-private
samenwerking, het wegnemen van regeldruk en de positie van kleine ondernemingen als
vast toetsingskader te hanteren. De Minister wees dat af onder verwijzing naar afgeronde
onderhandelingen.28 Nu staat een nieuwe gedachtewisseling op de agenda; genoemde leden leggen het verzoek
opnieuw voor.
Over de grens zijn zij helder. Europese samenwerking op onderzoek, regulatoire paden
en markttoegang is nuttig. Europese sturing op leefstijl, voeding, belastingen en
gedrag is dat niet; dat blijft nationaal. Tot slot vragen deze leden de Minister te
bevestigen dat zij die scheiding in Dublin aanhoudt, en in het verslag van deze Raad
te melden wat zij daar concreet over verouderingsbiologie heeft ingebracht.
II. Reactie van de Minister
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
M. Heller, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.