Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit algemene leefomgeving inzake gedragscodes (Kamerstuk 33118-344)
2026D43133 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur hebben
de onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister
van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over het Ontwerpbesluit houdende
wijziging van het Besluit algemene leefomgeving inzake gedragscodes (Kamerstuk 33 118, nr. 344).
De voorzitter van de commissie,
Steen
Adjunct-griffier van de commissie,
Bosman
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
II
Antwoord/Reactie van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur
III
Volledige agenda
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het Ontwerpbesluit
houdende wijziging van het Besluit algemene leefomgeving inzake gedragscodes en hebben
daarover geen verdere vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het Ontwerpbesluit
houdende wijziging van het Besluit algemene leefomgeving inzake gedragscodes. Zij
hebben hierbij geen opmerkingen of vragen en kijken uit naar de verdere behandeling
van het Ontwerpbesluit.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het Ontwerpbesluit houdende wijziging
van het Besluit algemene leefomgeving inzake gedragscodes en hebben hierover nog enkele
vragen.
De leden van de CDA-fractie vinden dat natuurbeheer een cruciaal onderdeel is in de
ontwikkeling en het onderhoud van de Nederlandse natuur. Deze leden zijn daarom van
mening dat natuurbeheer een doel op zichzelf is. Deelt de Minister de opvatting dat
natuurbeheer een doel op zich is, gericht op het behalen van de doelen uit de Vogel-
en Habitatrichtlijn, en dat deze activiteit daarom als aparte categorie naast «bestendig
beheer en onderhoud», «gebruik van terreinen overeenkomstig de daaraan toegedeelde
functie», «ruimtelijke ontwikkeling of inrichting» en «ecologisch onderzoek» onderscheiden
moet blijven in het Besluit algemene leefomgeving (Bal)? Zo nee, waarom niet? Hoe
wordt voorkomen dat het onderscheid tussen beide categorieën in de praktijk vervaagt?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie hebben met belangstelling, maar ook met zorgen, kennisgenomen
van het Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit algemene leefomgeving inzake
gedragscodes. Hierover hebben deze leden nog opmerkingen en vragen.
De leden van de PvdD-fractie benadrukken dat het instrument gedragscode een bijzondere
juridische betekenis heeft. Door aanwijzing van een gedragscode kunnen activiteiten
die anders vergunningsplichtig zouden zijn, onder voorwaarden zonder individuele omgevingsvergunning
worden uitgevoerd. Daarmee verschuift een belangrijke voorafgaande ecologische beoordeling
van het niveau van de individuele activiteit naar het niveau van de gedragscode. De
vraag of een concrete activiteit schadelijk is voor beschermde soorten wordt dan in
belangrijke mate vooraf beantwoord door de inhoud en voorwaarden van de gedragscode.
De leden van de PvdD-fractie vinden daarom dat aan de ecologische, juridische en wetenschappelijke
onderbouwing van gedragscodes zeer hoge eisen moeten worden gesteld. Het mag niet
zo zijn dat het verminderen van administratieve lasten voor initiatiefnemers wordt
bereikt door onzekerheden en risico’s af te wentelen op beschermde dieren, planten
en hun leefgebieden, waar het overigens al slecht mee gaat. Is de Minister het daarmee
eens? Erkent de Minister de gezamenlijke conclusies van het Intergovernmental Science-Policy
Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES) en het Intergovernmental Panel
on Climate Change (IPCC) dat we te maken hebben met een biodiversiteitscrisis die
ons bestaan bedreigt en dat we grote maatregelen moeten treffen om die te bestrijden?
Zo nee, waarom negeert de Minister de top van internationale wetenschap? Zo ja, hoe
passen de stappen in het ontwerpbesluit precies bij de urgentie van noodzaak om extra
grote maatregelen te nemen om de biodiversiteitcrisis te bestrijden (graag ontvangen
we daarbij de wetenschappelijke bronnen)? Hoe past dit ontwerpbesluit bij de wens
van de Kamer conform motie-Kostic c.s. (Kamerstuk 21 501-08, nr. 942) om maatregelen te nemen om de negatieve trend voor verschillende diersoorten zo
snel mogelijk te keren? Hoe gaat dit ontwerpbesluit daaraan bijdragen ten opzichte
van status quo? Is het een verbetering in dat opzicht en met welke wetenschappelijke
bronnen onderbouwt de Minister die conclusies?
De leden van de PvdD-fractie vragen met welke natuur-, dieren- en soortenorganisaties
precies is gesproken voor dit ontwerpbesluit. Welke inhoudelijke punten zijn ingebracht?
Deze leden vragen de Minister daarbij volledig te zijn. Welke zorgen of bezwaren zijn
geuit? Hoe is deze inbreng in het ontwerpbesluit verwerkt? Welke van die organisaties
staan achter dit ontwerpbesluit?
De leden van de PvdD-fractie verzoeken de Minister exact in kaart te brengen welke
activiteiten als gevolg van het besluit niet langer individueel vergunningsplichtig
zullen zijn. Kan de Minister dit kwantificeren per categorie en per beschermde soortgroep?
Hoeveel hectare leefgebied wordt naar verwachting jaarlijks geraakt door activiteiten
die als gevolg van dit besluit zonder individuele vergunning kunnen worden uitgevoerd?
Hoeveel beschermde dieren en planten kunnen hierdoor potentieel worden geraakt?
De leden van de PvdD-fractie constateren dat de ministering verschillende onderdelen
van het ontwerpbesluit kwalificeert als een technische uitwerking of verduidelijking
van het bestaande instrument gedragscode. Deze leden vragen of daarmee niet wordt
onderschat dat de praktische werking van het stelsel aanzienlijk kan veranderen. Kan
de Minister per voorgestelde wijziging aangeven (en onderbouwen) of deze leidt tot
een verduidelijking van bestaand recht? Kan de Minister per voorgestelde wijziging
aangeven (en onderbouwen) of deze leidt tot een vermindering van administratieve lasten?
Kan de Minister per voorgestelde wijziging aangeven (en onderbouwen) of deze leidt
tot een uitbreiding van het aantal activiteiten dat zonder individuele vergunning
kan worden uitgevoerd? Kan de Minister per voorgestelde wijziging aangeven (en onderbouwen)
of deze leidt tot een verbetering van de bescherming van soorten? Kan de Minister
per voorgestelde wijziging aangeven (en onderbouwen) of deze leidt tot een beperking
van de individuele beoordeling door het bevoegd gezag? Kan de Minister per voorgestelde
wijziging aangeven (en onderbouwen) of deze leidt tot een andere wijziging in het
beschermingsniveau van soorten?
De leden van de PvdD-fractie benadrukken dat een gedragscode geen vrijblijvende praktische
handreiking is, maar onder voorwaarden de individuele vergunningsplicht vervangt.
Deelt de Minister deze analyse? Zo ja, erkent de Minister dan ook dat aan een gedragscode
ten minste dezelfde ecologische waarborgen ten grondslag moeten liggen als aan individuele
vergunningverlening? Kan de Minister exact uiteenzetten welke waarborgen bij een gedragscode
aanwezig zijn die ervoor zorgen dat een activiteit die zonder gedragscode vergunningsplichtig
zou zijn, toch verantwoord zonder individuele vergunning kan worden uitgevoerd? Hoe
wordt voorkomen dat de generieke beoordeling in een gedragscode minder zorgvuldig
wordt dan de individuele beoordeling die anders zou plaatsvinden?
De leden van de PvdD-fractie lezen dat de Minister stelt dat de voorgestelde wijzigingen
het stelsel beter laten aansluiten op de eisen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn.
De leden van de PvdD-fractie vragen de Minister zeer concreet uiteen te zetten hoe
deze toetsing in de praktijk plaatsvindt. Welke juridische en ecologische vragen moeten
bij de beoordeling van een gedragscode worden beantwoord voordat tot aanwijzing kan
worden overgegaan? Wordt voor iedere relevante soort afzonderlijk vastgesteld welke
verbodsbepalingen van toepassing zijn? Wordt voor iedere relevante soort afzonderlijk
vastgesteld welke activiteiten onder de gedragscode vallen? Wordt voor iedere relevante
soort afzonderlijk vastgesteld welke effecten de activiteiten op individuen kunnen
hebben? Wordt voor iedere relevante soort afzonderlijk vastgesteld welke effecten
de activiteiten op lokale, regionale en landelijke populaties kunnen hebben? Wordt
voor iedere relevante soort afzonderlijk vastgesteld welke mitigerende maatregelen
worden voorgeschreven? Wordt voor iedere relevante soort afzonderlijk vastgesteld
op welke wetenschappelijke kennis de effectiviteit van die maatregelen berust? Wordt
voor iedere relevante soort afzonderlijk vastgesteld of de maatregelen in de praktijk
uitvoerbaar en controleerbaar zijn? Wordt voor iedere relevante soort afzonderlijk
vastgesteld welke cumulatieve effecten optreden? Wordt voor iedere relevante soort
afzonderlijk vastgesteld of de activiteiten verenigbaar zijn met de verplichtingen
uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn?
De leden van de PvdD-fractie vragen of de Minister de Kamer een concreet beoordelingskader
kan verstrekken dat hiervoor door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)
en andere bevoegde instanties wordt gebruikt. Is er een gestandaardiseerde checklist
of beoordelingsmatrix? Zo ja, kan deze aan de Kamer worden verstrekt?
De leden van de PvdD-fractie vragen bijzondere aandacht voor de vraag hoe wordt vastgesteld
dat activiteiten onder een gedragscode geen nadelige invloed hebben op de staat van
instandhouding van beschermde soorten. Kan de Minister exact aangeven welke definitie,
gegevens en beoordelingsmethode daarbij worden gehanteerd? Hoe wordt omgegaan met
soorten waarvoor de landelijke staat van instandhouding relatief gunstig is, maar
waarvan lokale populaties sterk onder druk staan? Kan een gedragscode worden aangewezen
voor een soort waarvan de staat van instandhouding ongunstig is? Zo ja, onder welke
voorwaarden? Kan de Minister bevestigen dat niet alleen moet worden voorkomen dat
een populatie onder de huidige omvang verder achteruitgaat, maar dat ook rekening
moet worden gehouden met het doel om soorten in een gunstige staat van instandhouding
te brengen of te houden?
De leden van de PvdD-fractie vragen ook hoe het voorzorgsbeginsel wordt toegepast
wanneer onvoldoende wetenschappelijke kennis beschikbaar is. Wat gebeurt er wanneer
onvoldoende zekerheid bestaat over de gevolgen van een activiteit voor een beschermde
soort? Kan een gedragscode worden aangewezen wanneer niet met voldoende zekerheid
kan worden vastgesteld dat de activiteit geen negatieve gevolgen heeft? Zo ja, op
welke juridische grondslag en hoe rijmt dit met de wens van de Kamer en de noodzaak
om de negatieve trend voor natuur en dierpopulaties zo snel mogelijk te keren? Deelt
de Minister de opvatting dat het ontbreken van voldoende kennis over een soort of
over de effecten van een activiteit niet mag worden uitgelegd als bewijs dat er geen
schadelijke effecten zijn? Kan de Minister bevestigen dat wetenschappelijke onzekerheid
niet ten nadele van beschermde soorten mag worden uitgelegd?
De leden van de PvdD-fractie maken zich tevens grote zorgen over cumulatieve effecten.
Een individuele activiteit kan wellicht een beperkt effect hebben, terwijl duizenden
of tienduizenden vergelijkbare activiteiten gezamenlijk een substantiële impact kunnen
hebben op een soort of populatie. Hoe worden de cumulatieve effecten van alle activiteiten
die onder een gedragscode vallen beoordeeld? Wordt bijgehouden hoeveel activiteiten
jaarlijks daadwerkelijk onder een gedragscode worden uitgevoerd? Wordt daarbij geregistreerd
waar de activiteiten plaatsvinden? Wordt daarbij geregistreerd welke soorten worden
geraakt? Wordt daarbij geregistreerd welke maatregelen worden getroffen? Wordt daarbij
geregistreerd hoeveel verblijfplaatsen of leefgebieden worden aangetast? Wordt daarbij
geregistreerd wat de ontwikkeling van de betrokken populaties is?
De leden van de PvdD-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat iedere afzonderlijke activiteit
op zichzelf aan de gedragscode voldoet, terwijl het totaal van de activiteiten alsnog
leidt tot achteruitgang van een soort. Wordt voor gedragscodes een maximale ecologische
belasting, oppervlakte, aantal activiteiten of andere bovengrens vastgesteld? Zo nee,
waarom niet? Is de Minister bereid om een signaleringswaarde in te voeren waarna een
gedragscode automatisch opnieuw ecologisch wordt beoordeeld?
De leden van de PvdD-fractie lezen dat de Minister verwijst naar de uitspraak van
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de gedragscode natuurinclusief
renoveren.
De leden van de PvdD-fractie vinden het belangrijk dat de Kamer kan beoordelen in
hoeverre de lessen uit deze uitspraak daadwerkelijk zijn verwerkt. Kan de Minister
per kritiekpunt uit deze uitspraak aangeven op welke wijze dat punt in het huidige
stelsel wordt ondervangen? Welke concrete wijzigingen zijn aangebracht naar aanleiding
van de uitspraak? Kan de Minister aantonen dat bij de nieuwe systematiek wél voldoende
inzicht bestaat in de gevolgen van grootschalige toepassing van een gedragscode op
lokale populaties en cumulatieve effecten? Kan de Minister uitsluiten dat de rechter
in toekomstige procedures opnieuw tot het oordeel komt dat onvoldoende ecologische
onderbouwing aanwezig is?
De leden van de PvdD-fractie lezen dat Artikel 11.45.1.b.1° en Artikel 11.53.1.b.1°
nu luiden «het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen,
waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader
van natuurbeheer» en met dit voorstel veranderd worden naar «bestendig beheer en onderhoud».
In de toelichting wordt genoemd dat de reden hiervoor is dat bepaalde activiteiten
nu niet vervat waren in de opsomming, namelijk «kleinschalig beheer en onderhoud van
kabels en leidingen, hoogspanningsleidingen en -stations en herstelwerkzaamheden aan
gebouwen». Waarom is ervoor gekozen om deze activiteiten niet aan de opsomming toe
te voegen, maar te komen tot een algemenere formulering? Deze leden vragen waarom
voor een zo brede formulering is gekozen. Het feit dat een activiteit regelmatig wordt
uitgevoerd betekent immers niet automatisch dat de activiteit ecologisch onschadelijk
is. Ook bestaand beheer kan, bijvoorbeeld als gevolg van klimaatverandering of veranderende
populaties, inmiddels andere effecten hebben dan voorheen. Waarom wordt de categorie
niet concreter afgebakend? Kan de Minister voorbeelden geven van activiteiten die
door de voorgestelde verruiming voortaan onder de regeling kunnen vallen, maar momenteel
niet? Voor welke soorten en verbodsbepalingen kan deze verruiming gevolgen hebben?
Kan de Minister bevestigen dat de enkele omstandigheid dat een activiteit in het verleden
regelmatig is uitgevoerd onvoldoende is om deze als «bestendig» aan te merken? Welke
rol spelen schaal, intensiteit, frequentie, locatie en actuele ecologische omstandigheden
bij deze beoordeling? Hoe gaat de Minister voorkomen dat er hierdoor onbedoeld vergunningen
beschikbaar komen voor beheer- of onderhoudsactiviteiten die niet overeenkomstig de
oorspronkelijke bedoeling van het wetsartikel zijn, namelijk het zo veel mogelijk
voorkomen van activiteiten die verslechterende of significant verstorende gevolgen
voor diersoorten, een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kunnen
hebben? Op welke wetenschappelijke adviezen baseert de Minister zich hierin?
De leden van de PvdD-fractie lezen dat de Minister Artikel 11.45.1.3 wil laten vervallen
omdat hij meent dat deze waarborging voldoende vervat is in Artikel 8.74j, eerste
lid, onder a, b en c. Deze leden hechten eraan erop te wijzen dat hetgeen wat verwoord
is Artikel 11.45.1.3 niet in exacte overeenstemming is met wat er in Artikel 8.74j,
eerste lid, onder a, b en c beschreven wordt. Op welke manier acht de Minister voldoende
geborgd dat alles wordt gedaan door een vergunninghouder om te voorkomen dat vogels
worden gedood, nesten van vogels worden vernield, beschadigd of weggenomen, rustplaatsen
van vogels worden vernield, eieren van vogels worden vernield, en planten worden geplukt,
afgesneden, ontworteld of vernield? Hoeveel capaciteit is hiervoor vrijgemaakt en
bij wie? Acht de Minister deze voorwaarden niet meer noodzakelijk? Wat is volgens
de Minister de noodzaak om deze voorwaarden te doen komen te vervallen? Op welke wetenschappelijke
adviezen baseert hij zich? Is hij het ermee eens dat deze voorwaarden een grotere
garantie voor dieren- en plantenwelzijn bevatten dan enkel een algemeen verslechteringsverbod
van de instandhouding, in het bijzonder als het gaat om schade aan planten? Zo nee,
op welk wetenschappelijk advies baseert de Minister zich?
De leden van de PvdD-fractie zijn van mening dat een gedragscode niet zou moeten worden
aangewezen wanneer de overheid vervolgens onvoldoende capaciteit heeft om de ecologische
onderbouwing, naleving en effecten ervan te beoordelen. Deelt de Minister dit uitgangspunt?
Wordt voorafgaand aan aanwijzing van een gedragscode beoordeeld of voldoende juridische,
ecologische en toezichtcapaciteit beschikbaar is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe
precies en gebeurt dat door een onafhankelijke actor (of anders door wie)? Is de Minister
bereid een gedragscode niet aan te wijzen of tijdelijk op te schorten indien onvoldoende
capaciteit beschikbaar is voor adequate monitoring en toezicht?
De leden van de PvdD-fractie vragen de Minister om exact aan te geven hoeveel fte
expertise bij de provincies en RVO beschikbaar is voor de beoordeling, aanwijzing,
monitoring en evaluatie van gedragscodes soortenbescherming. Kan dit worden uitgesplitst
naar ecologen, soortenexperts, juridisch deskundigen, deskundigen op het gebied van
de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn, medewerkers voor gegevensanalyse en monitoring,
medewerkers voor toezicht en handhaving en overige functies die rechtstreeks bij gedragscodes
betrokken zijn? Hoeveel van deze capaciteit is structureel beschikbaar? Hoeveel betreft
tijdelijke capaciteit of externe inhuur? Hoeveel fte zijn momenteel daadwerkelijk
bezet? Hoeveel fte acht de Minister noodzakelijk om de taken uit dit ontwerpbesluit
zorgvuldig uit te voeren? Is de huidige capaciteit toereikend? Zo ja, op welk onafhankelijk
advies baseert de Minister zich? Zo nee, hoeveel extra fte zijn noodzakelijk en wanneer
zal deze capaciteit beschikbaar zijn?
De leden van de PvdD-fractie vragen daarnaast hoeveel specialistische ecologische
kennis daadwerkelijk binnen de provincies en RVO beschikbaar is. Over welke soortgroepen
beschikt RVO intern over gespecialiseerde deskundigheid? Hoeveel medewerkers beschikken
over aantoonbare diepgaande kennis van onder meer vleermuizen? Hoeveel medewerkers
beschikken over aantoonbare diepgaande kennis van onder meer vogels? Hoeveel medewerkers
beschikken over aantoonbare diepgaande kennis van onder meer amfibieën? Hoeveel medewerkers
beschikken over aantoonbare diepgaande kennis van onder meer reptielen? Hoeveel medewerkers
beschikken over aantoonbare diepgaande kennis van onder meer zoogdieren? Hoeveel medewerkers
beschikken over aantoonbare diepgaande kennis van onder meer vissen? Hoeveel medewerkers
beschikken over aantoonbare diepgaande kennis van onder meer insecten? Hoeveel medewerkers
beschikken over aantoonbare diepgaande kennis van onder meer beschermde planten? Hoeveel
medewerkers beschikken over aantoonbare diepgaande kennis van onder meer andere relevante
beschermde soortgroepen? Hoeveel medewerkers beschikken daarnaast over specialistische
juridische kennis van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de nationale soortenbeschermingsregels?
Kan de Minister aangeven of RVO voor specifieke soortgroepen structureel afhankelijk
is van externe deskundigen? Zo ja, om welke expertise gaat het? Hoeveel budget is
er nu jaarlijks beschikbaar voor dergelijke externe expertise? Hoeveel extra budget
wordt vrijgemaakt als de wijziging van dit besluit doorgaat?
De leden van de PvdD-fractie vragen welke deskundigen daadwerkelijk betrokken zijn
bij de inhoudelijke beoordeling van een gedragscode. Kan de Minister per gedragscode
aangeven welke ecologen betrokken zijn? Kan de Minister per gedragscode aangeven welke
dieren- en soortenexperts betrokken zijn? Kan de Minister per gedragscode aangeven
welke juridisch deskundigen betrokken zijn? Kan de Minister per gedragscode aangeven
welke experts op het gebied van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn betrokken zijn?
Kan de Minister per gedragscode aangeven welke externe deskundigen zijn geraadpleegd?
Kan de Minister per gedragscode aangeven welke onafhankelijke wetenschappelijke instellingen
eventueel advies hebben uitgebracht? Wordt voor iedere gedragscode een multidisciplinair
beoordelingsteam ingezet? Hoeveel controles zijn de afgelopen vijf jaar uitgevoerd
op activiteiten die onder een gedragscode vielen? Hoeveel overtredingen zijn daarbij
vastgesteld? Hoeveel waarschuwingen, lasten onder dwangsom, bestuursdwang of strafrechtelijke
maatregelen zijn opgelegd? Hoe wordt gewaarborgd dat de beoordeling onafhankelijk
is van de initiatiefnemer of sector die belang heeft bij aanwijzing van de gedragscode?
Waarom is niet standaard voorzien in een onafhankelijke wetenschappelijke second opinion
bij gedragscodes met grote potentiële gevolgen voor beschermde soorten? Is de Minister
bereid om een onafhankelijke wetenschappelijke toets verplicht te stellen voor gedragscodes
met een grote geografische reikwijdte, grote aantallen activiteiten of mogelijke gevolgen
voor soorten met een ongunstige staat van instandhouding?
De leden van de PvdD-fractie menen te lezen dat het ontwerpbesluit een informatieplicht
voor activiteiten in het kader van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting introduceert.
Deze leden constateren dat deze informatieplicht geen voorafgaande toestemming vereist.
Klopt het dat het bevoegd gezag na ontvangst van de informatie niet verplicht is de
activiteit vooraf inhoudelijk te beoordelen? Klopt het eveneens dat de activiteit
in beginsel kan plaatsvinden zonder dat het bevoegd gezag vooraf heeft vastgesteld
dat aan alle voorwaarden van de gedragscode is voldaan? Waarom wordt voor activiteiten
die leefgebied wezenlijk kunnen aantasten of permanent kunnen doen verdwijnen gekozen
voor een informatieplicht in plaats van een systeem waarin voorafgaande controle mogelijk
is? Hoeveel capaciteit hebben provincies en RVO om de ontvangen informatie daadwerkelijk
te beoordelen? Hoeveel fysieke controles worden jaarlijks verwacht?
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van bezwaren tegen de termijn van
één week voor bepaalde werkzaamheden bij nesten en rustplaatsen. De Minister verwijst
voor spoedsituaties naar het begrip calamiteit. Kan de Minister concreet aangeven
welke situaties hieronder vallen? Hoe wordt het belang van dieren en natuur hierbij
precies beschermd?
De leden van de PvdD-fractie vinden dat niet alleen moet worden gecontroleerd of initiatiefnemers
de gedragscode naleven, maar vooral of de gedragscode daadwerkelijk werkt voor de
natuur. Worden de daadwerkelijke effecten van activiteiten op populaties gemonitord?
Zo ja, hoe? Zo nee, hoe kan de Minister zonder effectmonitoring vaststellen dat een
gedragscode niet leidt tot een verslechtering van de staat van instandhouding? Is
de Minister bereid om voor iedere gedragscode een periodieke ecologische effectevaluatie
verplicht te stellen? Zo nee, waarom niet? Kan de Minister toezeggen dat een gedragscode
wordt aangepast, opgeschort of ingetrokken zodra uit monitoring, nieuwe wetenschappelijke
inzichten of de ontwikkeling van populaties blijkt dat de ecologische uitgangspunten
waarop de gedragscode is gebaseerd niet langer voldoende zekerheid bieden? Hoe gaat
dit precies in praktijk werken?
De leden van de PvdD-fractie lezen dat de Minister verwijst naar maatregelen waarvan
bekend is dat deze effectief zijn. Deze leden vragen hoe die effectiviteit wordt vastgesteld.
Is iedere maatregel in de maatregelencatalogus empirisch onderzocht? Hoe wordt vastgesteld
dat een maatregel voor de betreffende soort en onder de specifieke omstandigheden
daadwerkelijk effectief is? Wordt de effectiviteit na toepassing in de praktijk gemonitord?
Kan een maatregel worden verwijderd of aangepast wanneer uit monitoring blijkt dat
deze onvoldoende werkt? Hoe vaak wordt de maatregelencatalogus geactualiseerd?
De leden van de PvdD-fractie lezen dat bij de beoordeling van participatie onder meer
wordt gekeken naar het draagvlak en de afstemming met relevante soortenorganisaties.
Deze leden benadrukken dat draagvlak onder een sector niet hetzelfde is als ecologische
of juridische juistheid. Kan de Minister bevestigen dat draagvlak nooit een reden
kan zijn om een gedragscode aan te wijzen wanneer onvoldoende wetenschappelijke zekerheid
bestaat over de effecten op beschermde soorten? Welke weging krijgt het oordeel van
onafhankelijke wetenschappelijke deskundigen ten opzichte van het oordeel van sectororganisaties?
De leden van de PvdD-fractie vragen of de volledige ecologische en juridische beoordeling
van gedragscodes openbaar wordt gemaakt. Is de Minister bereid om bij iedere aangewezen
gedragscode een openbaar beoordelingsdocument te publiceren waarin ten minste de relevante
beschermde soorten, de relevante verbodsbepalingen, de beschikbare gegevens over de
staat van instandhouding, de verwachte effecten, de cumulatieve effecten, de voorgeschreven
mitigerende maatregelen, de wetenschappelijke onderbouwing, de ontvangen zienswijzen,
de reactie daarop en de uiteindelijke juridische en ecologische conclusie worden opgenomen?
Zo nee, waarom niet?
De leden van de PvdD-fractie constateren dat de informatie die op grond van de informatieplicht
wordt verstrekt niet actief openbaar wordt gemaakt. Waarom niet? Deze leden zien juist
een belangrijke rol voor transparantie. Wanneer activiteiten zonder individuele vergunning
worden uitgevoerd op basis van een gedragscode, hebben omwonenden, natuurorganisaties
en andere belanghebbenden belang bij tijdige informatie. Welke mogelijkheden heeft
een omwonende of natuurorganisatie om vooraf op te komen tegen een activiteit waarvan
wordt vermoed dat deze ten onrechte onder een gedragscode wordt uitgevoerd? Kan een
derde tijdig een handhavingsverzoek indienen voordat de activiteit plaatsvindt? Hoe
snel wordt een dergelijk verzoek behandeld? Kan een derde tijdig een handhavingsverzoek
indienen voordat de activiteit plaatsvindt?
De leden van de PvdD-fractie constateren dat verschillende bevoegde gezagen betrokken
zijn. Hoe wordt voorkomen dat dezelfde gedragscode in verschillende provincies verschillend
wordt geïnterpreteerd? Worden uniforme landelijke beoordelings-, toezicht- en handhavingscriteria
opgesteld? Worden gegevens uit de informatieplicht landelijk op dezelfde wijze geregistreerd?
Wie is verantwoordelijk voor landelijke analyse van deze gegevens, gezien we bij andere
dossiers zoals bij lozingen hebben gezien tot welke problemen en onoverzichtelijke
situaties versplintering in monitoring, toezicht en handhaving kan leiden?
De leden van de PvdD-fractie lezen dat de Minister veel aandacht besteedt aan het
verminderen van administratieve lasten. De leden vragen waarom de maatschappelijke
kosten van natuurverlies nauwelijks onderdeel zijn van de afweging. Hoe worden de
kosten van verlies van leefgebied, populatieafname en noodzakelijke herstelmaatregelen
meegenomen? Deelt de Minister de mening dat vermindering van administratieve lasten
niet mag worden bereikt door ecologische risico’s en maatschappelijke kosten naar
de natuur en toekomstige generaties te verschuiven? Zo nee, waarom niet?
De leden van de PvdD-fractie constateren tot slot dat het ontwerpbesluit enerzijds
beoogt het stelsel duidelijker en uitvoerbaarder te maken, maar anderzijds het toepassingsbereik
van activiteiten die zonder individuele vergunning kunnen worden uitgevoerd kan vergroten.
De leden van de PvdD-fractie vragen de Minister daarom om per onderdeel van het besluit
expliciet aan te geven welke wijziging leidt tot een verbetering van de bescherming
van soorten, welke wijziging uitsluitend technisch of juridisch verduidelijkend is,
welke wijziging leidt tot minder administratieve lasten en welke wijziging leidt tot
een uitbreiding van de mogelijkheid om zonder individuele vergunning activiteiten
uit te voeren. Kan de Minister vervolgens aantonen dat deze laatste categorie niet
leidt tot een vermindering van het beschermingsniveau? Kan de Minister bevestigen
dat een gedragscode uitsluitend verantwoord is wanneer vooraf met voldoende zekerheid
kan worden vastgesteld dat toepassing ervan verenigbaar is met de Vogelrichtlijn en
Habitatrichtlijn en geen afbreuk doet aan het bereiken of behouden van een gunstige
staat van instandhouding van beschermde soorten? Kan de Minister daarbij bevestigen
dat bij wetenschappelijke onzekerheid het voorzorgsbeginsel leidend is? Kan de Minister
toezeggen dat een gedragscode wordt aangepast, opgeschort of ingetrokken zodra uit
monitoring, nieuwe wetenschappelijke inzichten of de ontwikkeling van populaties blijkt
dat de ecologische uitgangspunten waarop de gedragscode is gebaseerd niet langer voldoende
zekerheid bieden?
De leden van de PvdD-fractie zien de beantwoording van bovenstaande vragen met belangstelling
tegemoet en verzoeken de Minister daarbij zo veel mogelijk concrete gegevens, onderliggende
onderzoeken, beoordelingskaders en juridische en ecologische onderbouwingen aan de
Kamer te verstrekken. Tevens verzoeken deze leden de Minister echt alle vragen te
beantwoorden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het ontwerpbesluit
tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving in verband met de herijking
van het instrument gedragscode soortenbescherming. Deze leden zijn positief over de
verruiming van de mogelijkheden om gebruik te maken van gedragscodes. Zij vinden het
belangrijk dat regelmatig terugkerend beheer en onderhoud zo veel mogelijk praktisch
en zonder onnodige afzonderlijke vergunningprocedures kan worden uitgevoerd. Zij steunen
daarom de keuze om de huidige, beperkte opsomming te vervangen door de bredere categorie
«bestendig beheer en onderhoud». Ook zijn deze leden positief over de mogelijkheid
om voortaan een gedragscode aan te wijzen voor ecologisch onderzoek.
De leden van de BBB-fractie hebben echter wel een aantal vragen en opmerkingen over
de keuze om de aangescherpte voorwaarden voor gedragscodes ook van toepassing te verklaren
op nationaal beschermde soorten die niet onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn
vallen. Artikel 11.59 van het Bal is hiervoor niet nodig is, maar de Minister kiest
er kennelijk toch voor de aanvullende voorwaarden ook voor deze soorten te laten gelden.
Deze leden vragen waarom hiervoor wordt gekozen. Waarom acht de Minister het noodzakelijk
om eisen die voortvloeien uit de Vogel- en Habitatrichtlijn ook toe te passen op soorten
waarvoor deze Europese verplichting niet geldt? Waarom wordt er niet voor gekozen
om, net als bij de regels voor gedragscodes voor houtopstanden, de wijziging achterwege
te laten en ervoor te kiezen de huidige situatie in stand te laten?
De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast of de Minister concreet inzichtelijk
kan maken wat deze niet door Brussel of jurisprudentie geëiste aanscherping betekent
voor nationaal beschermde soorten en voor de huidige praktijk. Voor welke soorten,
bijvoorbeeld haas, konijn, egel, ree en bunzing, verandert de mogelijkheid om van
een gedragscode gebruik te maken? Kunnen bestaande gedragscodes als gevolg van de
aanvullende voorwaarden voor bepaalde nationaal beschermde soorten niet meer, of minder
ruim, worden aangewezen of gebruikt? Hoeveel activiteiten worden momenteel op grond
van bestaande gedragscodes vergunningsvrij uitgevoerd voor nationaal beschermde soorten
en hoeveel daarvan zouden als gevolg van deze wijziging mogelijk niet langer onder
een gedragscode kunnen vallen en daarmee vergunningsplichtig worden? Welke gevolgen
verwacht de Minister hiervan voor de regeldruk, kosten en uitvoerbaarheid voor beheerders
en andere gebruikers van gedragscodes? Wat zijn de mogelijke gevolgen van deze verhoogde
regeldruk voor onderhoud aan infrastructuur die op dit moment al een onderhoudsachterstand
heeft?
De leden van de BBB-fractie vrezen dat de aanscherping opnieuw een nationale kop op
Europese wetgeving oplevert waar de Nederlandse burgers en bedrijven onnodig veel
hinder van zullen gaan ondervinden, zonder toegevoegde waarde. Wegen de nadelen voor
de veiligheid van wegen en andere noodzakelijke projecten op tegen de waarschijnlijk
zeer kleine voordelen voor de soorten die niet eens onder de Vogel- en Habitatrichtlijn
vallen?
De leden van de BBB-fractie lezen daarnaast dat bij het verwijderen of verplaatsen
van nesten of rustplaatsen op onder andere hoogspanningsleidingen, spoorleidingen,
portalen en wegverlichting, waarbij de openbare veiligheid in het geding kan komen,
de vereiste gegevens ten minste één week voor aanvang van de activiteit moeten worden
verstrekt. Deze leden zijn verbaasd over die strakke bepaling, aangezien veel vogels
slechts kort op hun eieren broeden voordat ze uitkomen en een week een enorm verschil
is in die korte tijd. Kan de Minister toelichten waarom voor een vaste termijn van
één week is gekozen? Is daarbij onderzocht of deze wachttijd in sommige gevallen juist
ongunstig kan zijn voor de betrokken vogels? Een nest kan zich in een week immers
verder ontwikkelen, waarbij bijvoorbeeld alsnog eieren worden gelegd, de bebroeding
verder vordert, of eieren zelfs uitkomen in de tussentijd. Zou de mogelijkheid om
sneller te kunnen handelen in dergelijke situaties niet juist kunnen betekenen dat
vogels bovendien meer tijd overhouden om elders in hetzelfde broedseizoen alsnog opnieuw
een nest te bouwen? Kan de Minister bezien of, waar dit ecologisch verantwoord is,
sneller handelen mogelijk kan worden gemaakt, zodat zowel de bescherming van de dieren
als de uitvoerbaarheid voor beheerders daarmee gediend zijn?
De leden van de BBB-fractie lezen tot slot dat het verstrekken van gegevens en bescheiden
een voorwaarde wordt om gebruik te kunnen maken van de vergunning vrijstelling en
dat, wanneer deze gegevens niet of niet volledig zijn verstrekt, de vrijstelling niet
geldt. Kan de Minister bevestigen dat dit betekent dat ook een geringe administratieve
onvolledigheid er formeel toe kan leiden dat de vergunning vrijstelling vervalt? Zo
ja, acht de Minister het proportioneel dat een kleine administratieve fout daarmee
kan leiden tot de situatie dat een activiteit zonder vereiste omgevingsvergunning
is uitgevoerd en zelfs sprake kan zijn van een economisch delict? Wordt onderscheid
gemaakt tussen wezenlijke tekortkomingen die toezicht en soortenbescherming daadwerkelijk
belemmeren en kennelijke of geringe administratieve fouten? Zo nee, waarom niet?
II Antwoord/Reactie van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur
III Volledige agenda
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit algemene leefomgeving inzake gedragscodes
Kamerstuk 33 118-344 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. Van Essen
– d.d. 18 augustus 2026
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
H.S. Steen, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
J. Bosman, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.