Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over Vaststelling Circulair Materialenplan (Kamerstuk 30872-321)
30 872 Landelijk afvalbeheerplan
Nr. 328
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 8 september 2026
De vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Minister van Klimaat en Groene Groei over de brief van 1 december
2025 over Vaststelling Circulair Materialenplan (Kamerstuk 30 872–321).
De vragen en opmerkingen zijn op 3 juli 2026 aan de Minister van Klimaat en Groene
Groei voorgelegd. Bij brief van 8 september 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Zwinkels
De griffier van de commissie, Nava
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de vaststelling
van het Circulair Materialenplan (CMP). Zij hebben hierbij nog enkele vragen.
De leden van de D66-fractie vragen of de Minister ook kan ingaan op de uitkomsten
van de uitvoerbaarheidstoets van Rijkswaterstaat en de handhaafbaarheids-, uitvoerbaarheids-
en fraudebestendigheidstoets (HUF-toets) van de Inspectie Leefomgeving en Transport
(ILT), en welke aanpassingen van het CMP hieruit zijn voortgekomen.
De leden van de D66-fractie vragen de Minister nader toe te lichten hoe de drie ambities
van het CMP, het verbreden van de informatievoorziening aan bedrijven, het sturen
op hoogwaardige verwerking van afvalstromen, en het verstevigen van de juridische
basis concreet vorm krijgen, en welke resultaten hierbij op korte termijn worden verwacht.
De leden van de D66-fractie vragen op welke wijze invulling wordt gegeven aan de toezegging
dat het CMP «voortdurend in ontwikkeling» blijft, en welke criteria worden gehanteerd
om te bepalen wanneer aanpassing van het CMP nodig is.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de onderhavige brief en hierover
geen vragen. Zij hechten waarde aan het verantwoord gebruik van staalslakken om zo
bij te dragen aan de circulaire economie en de Nederlandse productie van groen staal.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO- en de PvdD-fractie
De leden van de PRO- en de PvdD-fractie hebben nog enkele vragen over het definitieve
CMP)dat op 30 december 2025 in werking is getreden.
Deze leden vinden het onoverzichtelijk dat er geen document is waarin alles van het
circulair materialenplan bij elkaar is gebracht. De voorganger van het CMP (Lap 3)
had wel een overzichtsdocument. Is het kabinet bereid om het circulaire materialenplan
ook nog in documentvorm met de Kamer te delen en op die manier op de website te zetten?
Is het kabinet bereid dit bestand op de website te vernieuwen wanneer er wijzigingen
in het CMP worden aangebracht? En is het kabinet bereid de Kamer proactief te informeren
bij inhoudelijke wijzigingen aan het CMP?
De leden van de PRO – en de PvdD-fractie willen vooropstellen dat zij het goed vinden
dat het ministerie toewerkt naar een circulaire economie. Wel vinden deze leden het
belangrijk om te benadrukken dat een circulaire economie ook een schone economie moet
zijn, waarin gewerkt wordt met materialen die geen schade berokkenen aan mensen, dieren
en milieu. Deze leden stellen daarom dat er regels moeten zijn die een schone economie
ondersteunen, en voorkomen dat hergebruik van materialen leidt tot allerlei problemen
voor gezondheid en milieu. Als het circulair materialenplan vooral bedoeld is om te
legitimeren dat meer afvalstoffen of afvalstoffen die nu nog als «restmateriaal» geclassificeerd
zijn verspreid worden door Nederland, dan is het circulair materialenplan een achteruitgang
ten opzichte van het Lap3.
De leden van de PRO – en de PvdD-fractie wijzen erop dat het Ministerie van Infrastructuur
en Waterstaat (IenW) in december 2025 een brief heeft gestuurd naar lokale overheden
met de oproep om geen algemene regels over staalslakken en AVI-bodemassen in te voeren.
Na grote ophef onder gemeenten en in de media, gaf de Staatssecretaris van IenW in
een brief aan de Kamer van 13 maart 2026 aan dat er sprake is van een misverstand:
«Het CMP doet op geen enkele wijze afbreuk aan de verantwoordelijkheden en bevoegdheden
van het bevoegd gezag.» Maar ook zou het CMP oproepen om: «geen generieke lokale beperkingen in te stellen». De verwarring bleef. In de Kamerbrief van 23 april komt de staatsecretaris ook
hierop terug: «Deze oproep betekent echter niet dat een generieke beperking niet mogelijk is. Een
bevoegd gezag mag hiertoe besluiten.» Gelet op deze gang van zaken, zou het CMP aangepast moeten worden, zodat alle mogelijke
twijfel over de bevoegdheden van lokale overheden wordt uitgesloten. Het CMP is echter
niet aangepast en zorgt juist voor nog meer verwarring. Waarom is het CMP nog niet
aangepast en is het kabinet bereid om dit alsnog te doen?
De leden van de PRO – en de PvdD-fractie merken op dat in het afvalplan «Procesafhankelijk
industrieel afval»1 staat dat staalslakken zeer zorgwekkende stoffen bevatten. Verder regelt het CMP,
als nieuw onderwerp, het gebruik van afvalstoffen in immobilisaten, als vulstof of
als toeslagmateriaal in vormgegeven bouwstoffen2. Over het veilig gebruiken van niet-vormgegeven staalslakken zegt het CMP echter
niets, terwijl dit wel een groot deel van de staalslakken betreft. Waarom is ervoor
gekozen om in CMP niks op te nemen over niet-vormgegeven staalslakken?
De leden van de PRO – en de PvdD-fractie zien drie grote problemen met het CMP op
het onderwerp staalslakken. Deelt het kabinet de mening dat het ontbreken van regels
voor het veilig hergebruiken van niet-vormgegeven staalslakken in het CMP een omissie
is, gezien het feit dat deze staalslakken volgens het afvalplan «Procesafhankelijk
industrieel afval» zeer zorgwekkende stoffen kunnen bevatten en dit een aanzienlijk
deel van de vrijkomende staalslakken betreft? Zo ja, is het kabinet bereid dit alsnog
in het CMP te regelen? Zo nee, waarom niet?
De leden van de PRO – en de PvdD-fractie merken op dat in het hoofdstuk over vormgegeven
bouwstoffen wordt geen melding gemaakt van de mogelijke aanwezigheid van zeer zorgwekkende
stoffen. Die waarschuwing zou moeten worden toegevoegd, net als een waarschuwing voor
de grote milieuproblemen die staalslakken kunnen veroorzaken als ze in contact komen
met water of bodem. Zo heeft de ILT bij negen van tien onderzochte locaties milieuschade
geconstateerd, ondanks naleving van de regelgeving3. Waarom is deze waarschuwing tot op heden nog niet opgenomen? Is de Minister bereid
om in het hoofdstuk over vormgegeven bouwstoffen alsnog een waarschuwing op te nemen
voor de mogelijke aanwezigheid van zeer zorgwekkende stoffen in staalslakken, evenals
een waarschuwing voor de milieuschade die kan ontstaan wanneer staalslakken in contact
komen met water of bodem? Zo nee, waarom niet?
Deze leden merken op dat het CMP het tegenovergestelde doet. Het waarschuwt lokale
overheden niet en bevat geen extra veiligheidseisen, maar stelt juist dat het niet
de bedoeling is dat lokale overheden zelf lokale beperkingen opleggen: «Heeft uw gemeente of wil uw gemeente regels voor secundaire bouwstoffen? Bijvoorbeeld
voor staalslakken, AVI-bodemas, thermisch gereinigde grond of immobilisaten? Dan moet
u zorgen dat de regels binnen een jaar na inwerkingtreding van het CMP in overeenstemming
zijn met de wetgeving en het CMP. Zie hiervoor het onderwerp Immobilisaat, vulstof
en toeslagmateriaal. Het gaat om materiaal dat voldoet aan de kwaliteitseisen voor
niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022. Neemt de gemeente
wel beperkingen op, dan is sprake van afwijken van het CMP.4»
Bovenstaande passage zou volgens de leden van de PRO – en de PvdD-fractie uit het
CMP moeten worden verwijderd. Is het kabinet daartoe bereid? Zo nee, waarom niet?
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) waarschuwt namelijk juist
dat de kwaliteitseisen uit het Rbk 2022 voor bouwstoffen: «nu niet genoeg rekening houden met de bijzondere eigenschappen die sommige soorten
bouwstoffen kunnen hebben. Ze worden nu te algemeen beoordeeld.»5 De stelling dat de huidige kwaliteitseisen in het Rbk 2022 volstaan, is nog opvallender
omdat in de Staalslakken-circulaire van I&W zelf staat dat de wettelijke uitloognormen:
«op zichzelf onvoldoende bescherming bieden tegen de thans bekende effecten».6
De leden van de PRO – en de PvdD-fractie stellen dat het CMP, net als bij AVI-bodemassen,
wasverplichtingen zou moeten bevatten voor staalslakken. Dit wordt ook overwogen,
maar: «Voor die afvalstoffen wordt eerst nog beter in kaart gebracht in welke mate
sprake is van reinigbaarheid en tot hoeveel te storten niet reinigbare partijen en
reinigingsresiduen dit kan leiden.» Deze passage roept de vraag op welke belangen
hier meespelen. Wordt hiermee bedoeld dat als uit dit onderzoek blijkt dat er door
strengere regels te veel staalslakken blijven liggen, er geen strengere voorschriften
in het CMP komen? Op welke manier wordt dit in kaart gebracht, en op basis van welke
data en criteria wordt een afweging gemaakt?
De leden van de PRO – en de PvdD-fractie stellen kortom dat het CMP lokale overheden
verkeerd inlicht over de risico’s van staalslakken en hun rechtspositie en mogelijkheden
om lokale verboden in te voeren. Na alle commotie hierover vinden de leden dit onbegrijpelijk,
en dient het CMP zo snel mogelijk te worden aangepast. Kan het kabinet per punt aangeven
of het tot deze aanpassingen bereid is, waarom wel of niet, en op welke termijn?
De leden van de PRO – en de PvdD-fractie hebben ook nog wat vragen over de reactie
van de Commissie mer op het CMP. Deze leden wachten sinds december 2025 op een reactie
van het kabinet op het rapport van de Commissie mer. Wanneer kan deze brief verwacht
worden? De Commissie mer is erg kritisch. De Commissie mer constateert onder andere
dat de reikwijdte van het milieueffectrapport aanzienlijk beperkter is dan de reikwijdte
van het CMP zelf: waar het milieueffectrapport zich richt op zes beleidsonderwerpen,
omvat het CMP 54 afvalplannen en 6 ketenplannen. Hierdoor blijft volgens de Commissie
mer de onderlinge samenhang en cumulatie van milieueffecten van het gehele plan onderbelicht
en is het onduidelijk of de eigen gestelde doelen van het kabinet gehaald gaan worden.
De leden van de PRO – en de PvdD-fractie vragen het kabinet of het deze conclusie
van de Commissie mer deelt, en zo ja, welke gevolgen dit heeft voor de besluitvorming
over het CMP? De Commissie mer merkt daarnaast op dat het milieueffectrapport vooral
het afvalstadium belicht, terwijl grondstoffen en de rest van de keten nauwelijks
aan bod komen. De leden vragen het kabinet hoe dit zich verhoudt tot de ambitie van
het CMP om de gehele materiaalketen circulair te maken.
De leden van de PRO – en de PvdD-fractie merken op dat de Commissie mer er ook op
wijst dat een kwantitatieve referentiesituatie ontbreekt, evenals uitgewerkte scenario's
voor 2030 en 2050. Deze leden constateren ook dat de Commissie mer diverse feitelijke
onjuistheden en verouderde informatie in het milieueffectrapport heeft aangetroffen,
onder meer met betrekking tot hout, plastic verpakkingen en beton. Zij vragen het
kabinet hoe deze onjuistheden hebben kunnen ontstaan en welke gevolgen dit heeft gehad
voor de onderliggende beleidskeuzes in het CMP?
Een ander punt van zorg voor deze leden betreft de constatering van de Commissie mer
dat gezondheidsrisico's van zorgstoffen, waaronder PFAS en microplastics, onvoldoende
concreet en kwantitatief zijn uitgewerkt in het milieueffectrapport. Zij vragen het
kabinet in hoeverre gezondheid als zwaarwegend argument is meegewogen bij de totstandkoming
van het CMP, en of het kabinet bereid is een concrete, kwantitatieve uitwerking van
deze gezondheidsrisico's alsnog te laten opstellen. De leden lezen ook dat de Commissie
mer een uitgewerkt monitorings- en evaluatieprogramma mist, waarmee kan worden getoetst
of de doelen van het CMP daadwerkelijk worden gehaald. Wat gaat het kabinet hieraan
doen? De leden van de PRO – en de PvdD-fractie vragen zich dan ook af hoe het CMP
concreet bijdraagt aan het behalen van de doelstelling van 50% minder gebruik van
primaire grondstoffen in 2030, gelet op de conclusie van het PBL dat Nederland op
dit moment niet op koers ligt om deze doelstelling te halen. Is het kabinet bereid
om op alle kritiekpunten uit het milieueffectrapport aan te vullen in het CMP? Zo
nee, waarom niet?
II Antwoord/ Reactie van de Minister
Vragen en opmerkingen van de D66-fractie
1. De leden van de D66-fractie vragen of de Minister ook kan ingaan op de uitkomsten
van de uitvoerbaarheidstoets van Rijkswaterstaat en de handhaafbaarheids-, uitvoerbaarheids-
en fraudebestendigheidstoets (HUF-toets) van de Inspectie Leefomgeving en Transport
(ILT), en welke aanpassingen van het CMP hieruit zijn voortgekomen.
De reactie op beide toetsen is te vinden in de reactienota van het CMP en de bijlage
bij deze reactienota die uw Kamer is toegekomen op 1 december 2025.7 De reactienota incl. bijlage is ook te vinden op www.circulairmaterialenplan.nl/bibliotheek onder het kopje «bijlagen en Kamerstukken CMP». In de reactienota en de bijlage is
ook aangegeven welke aanpassingen er uit de toetsen zijn voortgekomen. Kort samengevat
ging de RWS uitvoerbaarheidstoets voor een belangrijk deel over een aantal afvalplannen
van het CMP. Naar aanleiding van de opmerkingen van RWS over het «Afvalplan baggerspecie»
is ter verduidelijking uitleg over en een visualisatie van de algemene regels voor
het toepassen van baggerspecie toegevoegd, om verwarring over geldende regelgeving
weg te nemen. Veel van de opmerkingen van de ILT betroffen punten waar het CMP geen
juridische maar een beschrijvende werking heeft. Daarom konden deze punten niet worden
geadresseerd in het CMP. Wel is op basis van de opmerkingen van de ILT voor het onderwerp
afvalstof of niet-afvalstof de tekst op enkele plekken verduidelijkt.
2. De leden van de D66-fractie vragen de Minister nader toe te lichten hoe de drie
ambities van het CMP, het verbreden van de informatievoorziening aan bedrijven, het
sturen op hoogwaardige verwerking van afvalstromen, en het verstevigen van de juridische
basis concreet vorm krijgen, en welke resultaten hierbij op korte termijn worden verwacht.
Het zwaartepunt van het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) lag bij goed afvalbeheer en
beschreef met name de verwerking van materialen in de afvalfase. Het CMP blijft dit
doen maar biedt meer en verbreedt de informatievoorziening. Het CMP bevat basiskennis
met uitgangspunten voor circulair materiaalgebruik en een overzicht van de relevante
wetgeving in de hele keten van ontwerp, productie, gebruik en verwerking. Ook geeft
het bedrijven en overheden nu handvatten voor de vier circulariteitsstrategieën, waaronder
voor grondstoffengebruik en afvalpreventie en voor reparatie en hergebruik. Naar aanleiding
van de inspraakreacties is een onderdeel over proefnemingen (experimenteerruimte binnen
bestaande regels) toegevoegd aan het CMP.
Daarnaast is er voor een zestal materiaalstromen een ketenplan opgesteld, namelijk
beton, hout, kunstgras, papier en karton, textiel en zonnepanelen. Hierin is de hele
keten beschreven en dit draagt dus ook bij aan een bredere informatievoorziening.
Het CMP bevat daarnaast een uitgebreid deel over hoogwaardige verwerking, afvalhiërarchie
en minimumstandaard. Nieuw is onder andere de definitie van hoogwaardige recycling,
die conform de motie Haverkort is opgenomen in het CMP.8 Verder zijn enkele minimumstandaarden voor specifieke afvalstoffen aangescherpt.
Tot slot is gestart met de doorontwikkeling van het instrument minimumstandaard. Hierbij
wordt het mogelijk om de minimumstandaard eerder op te hogen en hiermee innovatieve
recycling te stimuleren met een gegarandeerd aanbod. Deze nieuwe methodiek wordt op
dit moment verder uitgewerkt in overleg met stakeholders. Het doel is om deze ontwikkeling
te implementeren in een wijziging van het CMP in 2028.
Voor wat betreft de juridische status van het CMP is de wettelijke verstrekkingsverplichting
geïntroduceerd.9 Dit betekent dat bevoegde gezagen die afwijken van het CMP dit moeten melden bij
het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK), inclusief een motivering waarom
zij afwijken. Met de verstrekkingsverplichting houdt het Ministerie zicht op de beleidspraktijk
en kan worden vastgesteld waar het CMP eventueel aanpassing behoeft. De hele procedure
is na te lezen in het onderwerp Afwijken van het CMP. In Q1 van 2027 zal worden bezien
hoe het eerste jaar met de verstrekkingsverplichting is verlopen en hoe de verstrekkingsverplichting
heeft bijgedragen aan de doelstelling van de verplichting om meer zicht te houden
op de praktijk.10
3. De leden van de D66-fractie vragen op welke wijze invulling wordt gegeven aan de
toezegging dat het CMP «voortdurend in ontwikkeling» blijft, en welke criteria worden
gehanteerd om te bepalen wanneer aanpassing van het CMP nodig is.
Er kunnen verschillende redenen zijn voor het wijzigen van het CMP. In het CMP staat
veel toelichting op wet- en regelgeving. Wanneer deze wet- en regelgeving verandert,
zal dus ook het CMP moeten worden aangepast. Ook kunnen er ontwikkelingen zijn bij
bedrijven of medeoverheden die het noodzakelijk maken om het CMP aan te passen om
deze goed te laten aansluiten op de praktijk. Deze signalen worden ontvangen via verschillende
kanalen zoals de helpdesk afvalbeheer, verstrekte meldingen van afwijkingen en reguliere
en incidentele overleggen met medeoverheden en bedrijven.
In het CMP staan zowel toelichtende teksten, als juridisch bindende toetsingskaders.
De toelichtende teksten zijn bedoeld om bedrijven en medeoverheden te helpen om stappen
te zetten op gebied van circulariteit en om ze bijvoorbeeld te informeren over relevante
wetgeving. Aanpassingen in de toelichtende teksten vinden twee keer in het jaar plaats,
namelijk op 1 april en 1 oktober.
De toetsingskaders worden gebruikt door bevoegde gezagen bij het nemen van besluiten
over afvalstoffen. Zij houden in deze besluiten, zoals vergunningen, rekening met
het CMP. Dit volgt uit de Wet milieubeheer. Voor het wijzigen van de toetsingskaders
geldt de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent
bijvoorbeeld dat er een ontwerp moet worden gepubliceerd en dat er een inspraakprocedure
moet plaatsvinden. Door deze procedurele stappen vergt een wijziging van de toetsingskaders
een langere doorlooptijd. Aan de eerste wijziging van de toetsingskaders van het CMP
wordt op dit moment gewerkt en de inwerkingtreding staat gepland voor Q2 van 2027.
Tot slot kunnen ook bepaalde beleidswensen een plek krijgen in het CMP, zoals de doorontwikkeling
van de minimumstandaard. Voor de wijziging van minimumstandaarden moet conform de
Wet milieubeheer eveneens de procedure van afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht
worden gevolgd, omdat de minimumstandaarden onder toetsingskaders vallen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO- en de PvdD-fractie
4. PRO- en de PvdD-fractie vinden het onoverzichtelijk dat er geen document is waarin
alles van het circulair materialenplan bij elkaar is gebracht. De voorganger van het
CMP (LAP3) had wel een overzichtsdocument. Is het kabinet bereid om het circulaire
materialenplan ook nog in documentvorm met de Kamer te delen en op die manier op de
website te zetten? Is het kabinet bereid dit bestand op de website te vernieuwen wanneer
er wijzigingen in het CMP worden aangebracht? En is het kabinet bereid de Kamer proactief
te informeren bij inhoudelijke wijzigingen?
Het CMP is vormgegeven als website en is als geheel te vinden op de pagina’s onder
Onderwerpen en Materialen. De reden hiervoor was juist om het CMP duidelijker, overzichtelijker
en leesbaarder te maken. Als website is het CMP goed te doorzoeken en kan direct verwezen
worden naar relevante paragrafen. Ook heeft de website een handige zoekfunctie. Alleen
enkele uitgebreide leidraden en handreikingen over specifieke thema’s zijn als aparte
documenten beschikbaar. Aangezien het CMP is ontwikkeld als website, bijvoorbeeld
met hyperlinks en uitklapmenu’s, zal de functionaliteit van het CMP via webpagina’s
beter zijn dan in een Pdf-document.
In het onderdeel «Wat is het CMP?» is een leeswijzer te vinden die overzicht geeft
over wat waar te vinden is.
In de afgelopen maanden zijn er wel signalen binnengekomen van gebruikers van het
CMP die elementen uit de oude opzet van LAP3 missen, zoals downloadbare bestanden.
Op dit moment wordt bekeken hoe aan hun behoeftes invulling kan worden gegeven.
Aanpassingen in toelichtende delen van het CMP worden gedaan op vaste momenten in
het jaar, namelijk op 1 april en op 1 oktober, zoals is aangegeven onder vraag 3.
Wijzigingen van de toetsingskaders van het CMP zullen gebeuren via een wettelijke
inspraakprocedure volgens afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Hierbij
worden ook de Eerste en Tweede Kamer geïnformeerd middels een brief. De eerstvolgende
inwerkingtreding van gewijzigde toetsingskaders staat gepland voor Q2 2027.
5. De leden van de PRO- en de PvdD-fractie wijzen erop dat het Ministerie van Infrastructuur
en Waterstaat (IenW) in december 2025 een brief heeft gestuurd naar lokale overheden
met de oproep om geen algemene regels over staalslakken en AVI-bodemassen in te voeren.
Na grote ophef onder gemeenten en in de media, gaf de Staatssecretaris van IenW in
een brief aan de Kamer van 13 maart 2026 aan dat er sprake is van een misverstand:
«Het CMP doet op geen enkele wijze afbreuk aan de verantwoordelijkheden en bevoegdheden
van het bevoegd gezag.» Maar ook zou het CMP oproepen om: «geen generieke lokale beperkingen
in te stellen». De verwarring bleef. In de Kamerbrief van 23 april komt de staatsecretaris
ook hierop terug: «Deze oproep betekent echter niet dat een generieke beperking niet
mogelijk is. Een bevoegd gezag mag hiertoe besluiten.» Gelet op deze gang van zaken,
zou het CMP aangepast moeten worden, zodat alle mogelijke twijfel over de bevoegdheden
van lokale overheden wordt uitgesloten. Het CMP is echter niet aangepast en zorgt
juist voor nog meer verwarring. Waarom is het CMP nog niet aangepast en is het kabinet
bereid om dit alsnog te doen?
Het kabinet onderschrijf de wens om het CMP op dit punt aan te passen. Zoals toegezegd
in de Kamerbrief van 23 april11 zal deze passage in het toetsingskader aangepast worden bij de eerste wijziging van
het CMP, om eventuele verdere verwarring te voorkomen. Zoals beschreven in het antwoord
op vraag 3, wordt er gewerkt aan een eerste wijziging van het CMP en moet hiervoor
op grond van de Wet milieubeheer onder andere een procedure van afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht worden gevolgd. De procedure vraagt de nodige voorbereiding
en het betekent onder andere dat er een openbare consultatie moet plaatsvinden. De
wijziging zal naar verwachting in Q2 van 2027 in werking treden.
6. De leden van de PRO – en de PvdD-fractie merken op dat in het afvalplan «Procesafhankelijk
industrieel afval»12 staat dat staalslakken zeer zorgwekkende stoffen bevatten. Verder regelt het CMP,
als nieuw onderwerp, het gebruik van afvalstoffen in immobilisaten, als vulstof of
als toeslagmateriaal in vormgegeven bouwstoffen13. Over het veilig gebruiken van niet-vormgegeven staalslakken zegt het CMP echter
niets, terwijl dit wel een groot deel van de staalslakken betreft. Waarom is ervoor
gekozen om in CMP niks op te nemen over niet-vormgegeven staalslakken?
Het CMP regelt enkel de verwerking van afvalstoffen voorafgaand aan de toepassing.
Het veilig gebruik van de materialen, in dit geval bouwstoffen, wordt niet geregeld
via het CMP. De algemene regels ten aanzien van het toepassen van bouwstoffen zijn
vervat in het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor de volledigheid: voor het toepassen
van niet-vormgegeven bouwstoffen met daarin meer dan 20 massaprocent LD- of ELO-staalslak
is op dit moment de Tijdelijke regeling verbod en vergunningplicht toepassing LD-
en ELO-staalslak14 van toepassing.
7. De leden van de PRO- en de PvdD-fractie zien drie grote problemen met het CMP op
het onderwerp staalslakken. Deelt het kabinet de mening dat het ontbreken van regels
voor het veilig hergebruiken van niet-vormgegeven staalslakken in het CMP een omissie
is, gezien het feit dat deze staalslakken volgens het afvalplan «Procesafhankelijk
industrieel afval» zeer zorgwekkende stoffen kunnen bevatten en dit een aanzienlijk
deel van de vrijkomende staalslakken betreft? Zo ja, is het kabinet bereid dit alsnog
in het CMP te regelen? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 is het CMP niet het instrument dat veilige
toepassing van materialen zoals bouwstoffen regelt. Het Besluit activiteiten leefomgeving
vormt het wettelijk kader dat ziet op het toepassen van bouwstoffen, met daarbij dus
de kanttekening dat op dit moment voor het toepassen van niet-vormgegeven bouwstoffen
met daarin meer dan 20 massaprocent LD- of ELO-staalslak op dit moment de genoemde
Tijdelijke regeling van toepassing is.
8. De leden van de PRO – en de PvdD-fractie merken op dat in het hoofdstuk over vormgegeven
bouwstoffen geen melding wordt gemaakt van de mogelijke aanwezigheid van zeer zorgwekkende
stoffen. Die waarschuwing zou moeten worden toegevoegd, net als een waarschuwing voor
de grote milieuproblemen die staalslakken kunnen veroorzaken als ze in contact komen
met water of bodem. Zo heeft de ILT bij negen van tien onderzochte locaties milieuschade
geconstateerd, ondanks naleving van de regelgeving15. Waarom is deze waarschuwing tot op heden nog niet opgenomen? Is de Minister bereid
om in het hoofdstuk over vormgegeven bouwstoffen alsnog een waarschuwing op te nemen
voor de mogelijke aanwezigheid van zeer zorgwekkende stoffen in staalslakken, evenals
een waarschuwing voor de milieuschade die kan ontstaan wanneer staalslakken in contact
komen met water of bodem? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 is het CMP niet het instrument dat de
veilige toepassing van materialen zoals bouwstoffen regelt. De gevraagde waarschuwing
is om deze reden niet passend in het CMP.
9. Deze leden merken op dat het CMP het tegenovergestelde doet. Het waarschuwt lokale
overheden niet en bevat geen extra veiligheidseisen, maar stelt juist dat het niet
de bedoeling is dat lokale overheden zelf lokale beperkingen opleggen: «Heeſt uw gemeente
of wil uw gemeente regels voor secundaire bouwstoffen? Bijvoorbeeld voor staalslakken,
AVIbodemas, thermisch gereinigde grond of immobilisaten? Dan moet u zorgen dat de
regels binnen een jaar na inwerkingtreding van het CMP in overeenstemming zijn met
de wetgeving en het CMP. Zie hiervoor het onderwerp Immobilisaat, vulstof en toeslagmateriaal.
Het gaat om materiaal dat voldoet aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen
uit de Regeling bodemkwaliteit 2022. Neemt de gemeente wel beperkingen op, dan is
sprake van afwijken van het CMP.16»
Bovenstaande passage zou volgens de leden van de PRO – en de PvdD-fractie uit het
CMP moeten worden verwijderd. Is het kabinet daartoe bereid? Zo nee, waarom niet?
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) waarschuwt namelijk juist
dat de kwaliteitseisen uit het Rbk 2022 voor bouwstoffen: «nu niet genoeg rekening
houden met de bijzondere eigenschappen die sommige soorten bouwstoffen kunnen hebben.
Ze worden nu te algemeen beoordeeld.»17 De stelling dat de huidige kwaliteitseisen in het Rbk 2022 volstaan, is nog opvallender
omdat in de Staalslakken-circulaire van I&W zelf staat dat de wettelijke uitloognormen:
«op zichzelf onvoldoende bescherming bieden tegen de thans bekende effecten».18
De geciteerde tekst was geen onderdeel van de toetsingskaders van CMP die doorwerken
in besluitvorming, maar stond op een toegangspagina om gemeenten snel naar voor hen
relevante delen van het CMP te leiden. Deze tekst is inmiddels aangepast en er wordt
verwezen naar de Kamerbrief van 23 april jl. waarin wordt gesteld dat het opnemen
van beperkingen is toegestaan.19
10. De leden van de PRO – en de PvdD-fractie stellen dat het CMP, net als bij AVI-bodemassen,
wasverplichtingen zou moeten bevatten voor staalslakken. Dit wordt ook overwogen,
maar: «Voor die afvalstoffen wordt eerst nog beter in kaart gebracht in welke mate
sprake is van reinigbaarheid en tot hoeveel te storten niet reinigbare partijen en
reinigingsresiduen dit kan leiden.» Deze passage roept de vraag op welke belangen
hier meespelen. Wordt hiermee bedoeld dat als uit dit onderzoek blijkt dat er door
strengere regels te veel staalslakken blijven liggen, er geen strengere voorschriften
in het CMP komen? Op welke manier wordt dit in kaart gebracht, en op basis van welke
data en criteria wordt een afweging gemaakt?
Bij brief van 18 december 2025 bent u geïnformeerd over het voornemen om een beleidskader
secundaire bouwstoffen op te stellen.20 Enkele doelen van dit beleidskader zijn om de ketens van secundaire bouwstoffen zo
in te richten dat:
– stromen zo hoogwaardig mogelijk worden verwerkt en toegepast;
– bij toepassing geen milieu- en gezondheidsschade wordt veroorzaakt.
Op basis van dit beleidskader en onafhankelijk en objectief onderzoek wordt er bekeken
wat er nodig is om deze doelen te verwezenlijken en om welke afvalstoffen het dan
kan gaan. Indien er overwogen wordt om beperkingen op te nemen voor specifieke afvalstoffen,
wordt beoordeeld hoe het CMP hier op moet worden aangepast.
11. De leden van de PRO – en de PvdD-fractie stellen kortom dat het CMP lokale overheden
verkeerd inlicht over de risico’s van staalslakken en hun rechtspositie en mogelijkheden
om lokale verboden in te voeren. Na alle commotie hierover vinden de leden dit onbegrijpelijk,
en dient het CMP zo snel mogelijk te worden aangepast. Kan het kabinet per punt aangeven
of het tot deze aanpassingen bereid is, waarom wel of niet, en op welke termijn?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 6 is het CMP niet het instrument dat
veilige toepassing van materialen zoals bouwstoffen regelt. Het Besluit activiteiten
leefomgeving vormt het wettelijk kader dat ziet op het toepassen van bouwstoffen.
Zoals ook aangegeven bij de beantwoording van vraag 5 wordt de passage in het CMP
over lokale beperkingen aangepast. Volgens de Wet milieubeheer mogen toetsingskaders
in het CMP alleen worden aangepast als hier een procedure van afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht in wordt gevolgd. De procedure vraagt de nodige voorbereiding
en het betekent onder andere dat er een openbare consultatie moet plaatsvinden. De
wijziging zal naar verwachting in Q2 van 2027 in werking treden.
12. De leden van de PRO – en de PvdD-fractie hebben ook nog wat vragen over de reactie
van de Commissie mer op het CMP. Deze leden wachten sinds december 2025 op een reactie
van het kabinet op het rapport van de Commissie mer. Wanneer kan deze brief verwacht
worden? De Commissie mer is erg kritisch. De Commissie mer constateert onder andere
dat de reikwijdte van het milieueffectrapport aanzienlijk beperkter is dan de reikwijdte
van het CMP zelf: waar het milieueffectrapport zich richt op zes beleidsonderwerpen,
omvat het CMP 54 afvalplannen en 6 ketenplannen. Hierdoor blijft volgens de Commissie
mer de onderlinge samenhang en cumulatie van milieueffecten van het gehele plan onderbelicht
en is het onduidelijk of de eigen gestelde doelen van het kabinet gehaald gaan worden.
De leden van de PRO – en de PvdD-fractie vragen het kabinet of het deze conclusie
van de Commissie mer deelt, en zo ja, welke gevolgen dit heeft voor de besluitvorming
over het CMP? De Commissie mer merkt daarnaast op dat het milieueffectrapport vooral
het afvalstadium belicht, terwijl grondstoffen en de rest van de keten nauwelijks
aan bod komen. De leden vragen het kabinet hoe dit zich verhoudt tot de ambitie van
het CMP om de gehele materiaalketen circulair te maken.
De leden van de PRO – en de PvdD-fractie merken op dat de Commissie mer er ook op
wijst dat een kwantitatieve referentiesituatie ontbreekt, evenals uitgewerkte scenario's
voor 2030 en 2050. Deze leden constateren ook dat de Commissie mer diverse feitelijke
onjuistheden en verouderde informatie in het milieueffectrapport heeft aangetroffen,
onder meer met betrekking tot hout, plastic verpakkingen en beton. Zij vragen het
kabinet hoe deze onjuistheden hebben kunnen ontstaan en welke gevolgen dit heeft gehad
voor de onderliggende beleidskeuzes in het CMP?
Een ander punt van zorg voor deze leden betreft de constatering van de Commissie mer
dat gezondheidsrisico's van zorgstoffen, waaronder PFAS en microplastics, onvoldoende
concreet en kwantitatief zijn uitgewerkt in het milieueffectrapport. Zij vragen het
kabinet in hoeverre gezondheid als zwaarwegend argument is meegewogen bij de totstandkoming
van het CMP, en of het kabinet bereid is een concrete, kwantitatieve uitwerking van
deze gezondheidsrisico's alsnog te laten opstellen. De leden lezen ook dat de Commissie
mer een uitgewerkt monitorings- en evaluatieprogramma mist, waarmee kan worden getoetst
of de doelen van het CMP daadwerkelijk worden gehaald. Wat gaat het kabinet hieraan
doen? De leden van de PRO – en de PvdD-fractie vragen zich dan ook af hoe het CMP
concreet bijdraagt aan het behalen van de doelstelling van 50% minder gebruik van
primaire grondstoffen in 2030, gelet op de conclusie van het PBL dat Nederland op
dit moment niet op koers ligt om deze doelstelling te halen. Is het kabinet bereid
om op alle kritiekpunten uit het milieueffectrapport aan te vullen in het CMP? Zo
nee, waarom niet?
Er is in verscheidene Kamerbrieven en documenten aandacht besteed aan het advies van
de Commissie mer, inclusief de punten die de leden noemen in hun vragen.21 De reactienota van het CMP is als bijlage meegestuurd bij de Kamerbief over de vaststelling
van het Circulair Materialenplan op 1 december 2025.22 Deze reactienota is ook te vinden op www.circulairmaterialenplan.nl/cmp/verandert-cmp/.
In de bijlage van de reactienota van het CMP wordt gereageerd op de onderdelen van
het rapport van de Commissie mer en komen alle punten die de fracties in hun vragen
noemen ook aan de orde.
Daarnaast heeft de toenmalige Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat in
de Kamerbrief van 13 september jl. aangegeven het MER te gaan uitbreiden met meer
afval- en ketenplannen en eventuele wijzigingen door te voeren in de eerstvolgende
actualisatie van het CMP.23 Op dit moment wordt hieraan gewerkt. Het betreft een uitbreiding van het bestaande
MER met bijna 100 minimumstandaarden uit verschillende afval- en ketenplannen. Het
uitvoeren en laten toetsen van het MER vergt tijd. Tegelijkertijd is er de urgentie
om het CMP snel aan te passen op het onderwerp secundaire bouwstoffen en generieke
beperkingen (zie vraag 5 en 9). Het kabinet wil niet dat de urgente aanpassing van
het CMP vertraging oploopt door het uitbreiden van het MER. Daarom is de inzet om
de toetsingskaders van het CMP de komende jaren tweemaal te wijzigen. In de eerste
wijziging van 2027 wordt het verduidelijken van de bevoegdheden van decentrale overheden
in het opnemen van generieke beperkingen meegenomen. In de tweede wijziging van 2028
wordt het uitgebreide MER meegenomen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.M. Zwinkels, voorzitter van de vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei -
Mede ondertekenaar
D.S. Nava, griffier