Brief regering : Fiche: Mededeling OceanEye: EU-initiatief voor oceaanobservatie
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4423
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 28 augustus 2026
Overeenkomstig de bestaande afspraken ontvangt u hierbij 7 fiches die werden opgesteld
door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissie voorstellen (BNC).
Fiche: mededeling Stop Destroying Videogames (Kamerstuk 22 112, nr. 4417).
Fiche: Omnibus XII energieproducten en bandenlabelling (Kamerstuk 22 112, nr. 4418).
Fiche: Herziening van de richtlijn betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken(Kamerstuk
22 112, nr. 4419).
Fiche: Wijziging Verordening gegevensbescherming voor Europese instellingen (EUVG)
(Kamerstuk 22 112, nr. 4420).
Fiche: Omnibusrichtlijn directe belastingen (Kamerstuk 22 112, nr. 4421).
Fiche: Herziening van de Administratieve samenwerkingsrichtlijn op het gebied van
belastingen (Kamerstuk 22 112, nr. 4422).
Fiche: Mededeling OceanEye: EU-initiatief voor oceaanobservatie.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
T.B.W. Berendsen
Fiche: Mededeling OceanEye: EU-initiatief voor oceaanobservatie
1. Algemene gegevens
a) Titel voorstel
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD OceanEye: een EU-initiatief
voor oceaanobservatie
b) Datum ontvangst Commissiedocument
3 juni 2026
c) Nr. Commissiedocument
COM(2026) 268
d) EUR-Lex
https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX%3A52026DC0268…
e) Nr. impact assessment Commissie en Opinie Raad voor Regelgevingstoetsing
Niet opgesteld
f) Behandelingstraject Raad
Raad van Algemene Zaken
g) Eerstverantwoordelijk ministerie
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
2. Essentie voorstel
Op 3 juni 2026 publiceerde de Europese Commissie (hierna: Commissie) de mededeling
OceanEye: een EU-initiatief voor oceaanobservatie (hierna: OceanEye/het initiatief/de
mededeling). OceanEye is een strategisch initiatief voortvloeiend uit het Ocean Pact1 om oceaanobservatie te versterken, het inzicht in en beheer van het mariene milieu
te verbeteren en de Europese innovatie en industriële leiderschap op dit gebied te
versterken. Oceaanobservatie betekent hier de gehele kenniswaardeketen van fysieke
metingen op zee en satellietwaarnemingen, tot toepasbare informatieproducten voor
gebruikers. De geografische reikwijdte van het OceanEye strekt vanaf de kust van EU-gebieden
tot en met de open oceaan en is dus inclusief de Nederlandse Noordzee. De mededeling
bouwt voort op bestaand zeebeleid en stelt als doel dat de EU tegen 2035 35% van het
mondiale2 oceaanobservatiesysteem uitvoert, 35% van de wereldmarkt voor oceaanobservatietechnologie
verwerft en zo de grootste leverancier van oceaaninformatie wordt. Een goed functionerend
oceaanobservatiesysteem is cruciaal voor het beschermen en herstellen van een gezonde
en schone oceaan, met behoud van mariene biodiversiteit. Daarnaast speelt de oceaan
een belangrijke rol op het gebied van duurzame voedselwinning en in het weer- en klimaatsysteem.
Ook groeit het economische gebruik van de zee, zoals scheepvaart, energiewinning en
digitale infrastructuur. Tot slot is de zee van groeiend belang op het gebied van
maritieme veiligheid, beveiliging en defensie. Hierdoor neemt de behoefte aan betrouwbare
oceaandata en -monitoring toe om activiteiten veilig, efficiënt en duurzaam te kunnen
plannen en uitvoeren. Investeringen in oceaanobservatie en het gebruik ervan betalen
zich naar schatting van de Commissie 5–6 keer terug in economische en maatschappelijke
voordelen. Ondanks het belang en omvang van de oceaan (70% van het aardoppervlak),
is slechts 5% onderzocht en in kaart gebracht. Daarbij kampt oceaanobservatie met
versnippering, financieringstekorten en geopolitieke afhankelijkheid, wat leidt tot
gegevenslacunes en strategische risico’s op het gebied van waterveiligheid, natuur-
en milieubescherming en beveiliging.
De uitvoering van het OceanEye kent vier pijlers. Pijler I stelt een Europees bestuurskader
en digitaal systeem voor oceaanobservatie en -kennis voor, dat in de oceaanwet (verwacht
eind 2026) verder zal worden uitgewerkt. Dit bouwt voort op bestaande nationale en
internationale systemen en samenwerkingsverbanden, met als doel de gehele kenniswaardeketen
beter te organiseren en vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen. Pijler II versterkt
de internationale dimensie door een alliantie op te richten ter ondersteuning van
het Global Ocean Observing System (GOOS) van de Intergouvernementele Oceanografische Commissie (IOC) van UNESCO. Pijler
III focust op de operationele en industriële dimensie. Doelen hierbinnen zijn het
operationeel maken van het in Pijler I voorgestelde (digitale) oceaanobservatiesysteem.
Pijler IV bevordert de maatschappelijke betrokkenheid door oceaanobservatie via onderzoek,
kunst en cultuur, onderwijs en publieke evenementen dichter bij de samenleving te
brengen en zo de band tussen Europeanen en de zee te versterken, onder meer via een
Nieuw Europees Bauhaus-lab. Voor een impuls aan de uitvoering van het OceanEye stelt
de Commissie financieringsplannen voor vanuit Horizon Europe die in totaal optellen
to € 92 miljoen.3 Voor langdurige financiering van het OceanEye stelt de Commissie dat er EU-breed
een jaarlijkse stijging van de investering van 3–4 keer het huidige niveau nodig is.
De Commissie stelt voor om hiervoor verschillende fondsen in te zetten zoals Horizon
Europe, het Europees Fonds voor Concurrentievermogen en InvestEU. Tevens roept de
Commissie lidstaten op hun nationale begrotingen af te stemmen op deze EU-strategie.
3. Nederlandse positie ten aanzien van de mededeling/aanbeveling
a) Essentie Nederlands beleid op dit terrein
Het Nederlandse mariene beleid stelt als doel het beschermen, herstellen en duurzaam
gebruiken van de Noordzee en de oceaan. Het Programma Noordzee met het Maritiem Ruimtelijk
Plan4 en de Mariene Strategie5 stellen de integrale kaders voor respectievelijk het gebruik en de bescherming van
de Noordzee. Deze onderstrepen beide het belang van kennis en monitoring van de zee.
Het huidige coalitieakkoord6 investeert, met oog op de grootschalige uitrol van wind op zee in combinatie met
andere gebruiken, reeds extra middelen ter monitoring en bescherming van het mariene
milieu. Met het Programma Noordzee 2028–2033 wordt vorm gegeven aan deze investeringen.
Ook is het OceanEye in lijn met Nederlandse ambities op verschillende beleidsterreinen.
Zo heeft het kabinet in het coalitieakkoord vastgelegd zich ervoor in te zetten dat
bij de uitvoering van de Natuurherstelverordening,7 binnen de bestaande wettelijke kaders, ook op zee een bredere afweging met andere
belangen plaatsvindt. Daarbij zet het kabinet zich tevens in voor een betere bescherming
van de infrastructuur op de Noordzee. Het Nederlandse visserijbeleid is in lijn met
het Europese Gemeenschappelijk Visserijbeleid.8 Daarnaast is op het gebied van waterveiligheid,9 scheepvaartveiligheid en bescherming van infrastructuur op de Noordzee (maritieme
beveiliging) een groeiende informatiebehoefte, met het oog op respectievelijk een
stijgende zeespiegel, een steeds drukker wordende Noordzee en toenemende (geopolitieke)
dreigingen. Hiertoe worden specifieke programma’s opgesteld en uitgevoerd zoals het
Monitorings- en Onderzoeksprogramma Scheepvaartveiligheid Wind op Zee,10 Informatievoorziening op Zee,11 en Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur.12 Ook is de innovatieve aanpak in lijn met Nederlands beleid, zoals de nadruk op integratie
met het Europese aardobservatieprogramma Copernicus.13
Nederland benadrukt het grensoverschrijdende karakter van de opgaves op zee en zet
in op internationale samenwerking. Ter bescherming van het mariene milieu werkt Nederland
samen met andere landen aan de bescherming van het milieu en de natuur in de Noordoost-Atlantische
Oceaan onder het OSPAR-verdrag,14 onder meer op afstemming van monitoring, gezamenlijke beoordelingen en ontwikkeling
van maatregelen. Met andere Noordzeelanden wordt gesproken over grensoverschrijdende
samenwerking op het gebied van ruimtelijke planning op de Noordzee, zoals binnen het
Greater North Sea Basin Innitiatieve15 en North Seas Energy Cooperation.16
Het OceanEye kent geen strakke geografische reikwijdte en noemt het vullen van hiaten
in het mondiale oceaanobservatiesysteem als doel. Hiermee sluit het OceanEye aan bij
beleidsdoelen voor Caribisch Nederlands, zoals het versterken van monitoring van zeewaterkwaliteit
in de Caribische Zee.17 Andere onderdelen, zoals de voorgestelde Europese organisatiestructuur sluiten niet
aan bij het beleid van Caribisch Nederland.
In de internationale wateren, buiten de rechtsmacht van landen, zet Nederland zich
ook in voor een gezonde oceaan en duurzame economische ontwikkelingen, via verschillende
verdragen18 en eigen beleid.19 Nederland ambieert versterking van de internationale monitoringscapaciteit om dit
te bereiken. Specifiek erkent het kabinet dat de oceaan een belangrijke rol speelt
in de drievoudige planetaire crisis (de urgente, onderling verbonden dreiging van
klimaatverandering, biodiversiteitsverlies en vervuiling) en dat meten en begrijpen
van de oceaan dus een fundamentele stap is in het adresseren van deze crises.
b) Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel
Het kabinet is over het algemeen positief over het OceanEye. Het kabinet onderstreept
de genoemde belangen van de zeeën en de oceaan en erkent dat een goed functionerend
oceaanobservatie- en monitoringsysteem fundamenteel is voor het beschermen en herstellen
van het mariene milieu en de mariene natuur, duurzaam gebruik van de zee en oceaan,
waterveiligheid, maritieme veiligheid en beveiliging op zee. Ook herkent het kabinet
zich in de genoemde problemen waaronder bestuurlijke versnippering, financieringstekorten
en geopolitieke afhankelijkheid. Het kabinet steunt in beginsel de doelen van het
OceanEye, maar merkt op dat de beschikbare financiering die in de mededeling genoemd
wordt, nog onvoldoende is om deze doelen te behalen. De beschreven plannen voor verdere
financiering zijn tevens nog niet robuust genoeg om de benodigde financiering te organiseren.
Het OceanEye stelt als doel om wereldleider wordt op het gebied van oceaanobservatie,
door 35% van het oceaanobservatiesysteem en de markt erachter in handen te krijgen.
Het kabinet begrijpt deze doelstelling in het licht van de huidige geopolitieke ontwikkelingen
en mogelijke lacunes die dreigen te vallen op dit vlak. Het kabinet zal de Europese
Commissie vragen hier een concretere en inhoudelijke uitgebreidere onderbouwing aan
toe te voegen van waar het oceaanobservatiesysteem tekortschiet en hoe dat verbetert
moet worden. Hiermee wordt deze doelstelling duurzamer als het geopolitieke landschap
verandert en derde landen zich weer meer zouden inzetten op het gebied van oceaanobservatie.
Ook is het kabinet positief over het doel om met internationale samenwerking de optimalisatie
en harmonisatie op het gebied van oceaanobservatie te verbeteren. Voor het kabinet
is het hierbij wel een voorwaarde dat het OceanEye goed aansluit bij bestaande beleidsprocessen,
zoals de Mariene Strategie. Uitbreiding van de mariene monitoring en versterking van
de nationale coördinatiestructuur past tevens bij de middelen die gereserveerd zijn
in het coalitieakkoord voor de integrale Noordzee investeringsopgave voor onder meer
veiligheid en natuur. Structurele investering in wetenschap en onderzoek is daarnaast
passend bij de ambities uit het coalitieakkoord. Daarbij stelt het kabinet dat versterkte
samenwerking moet leiden tot schaalvoordelen voor de individuele lidstaten en daarmee
de administratieve last niet verhoogd wordt. Het kabinet kan echter het voorgestelde
nieuwe Europese bestuurskader voor oceaanobservatie pas definitief beoordelen nadat
het nader uitgewerkt is in het voorstel van de Commissie voor de oceaanwet, dat eind
dit jaar verwacht wordt. Specifiek de verhouding met reeds bestaande Europese en regionale
samenwerkingsverbanden zoals de regionale zeeconventies wordt onvoldoende benoemd
in de mededeling. Ook heeft het kabinet in algemeenheid vragen over het oprichten
van nieuwe formele samenwerkingsverbanden aangezien het bestuurlijke landschap van
internationale samenwerking op het gebied van oceaanobservatie reeds versplinterd
is, wat ook benoemd wordt in de mededeling. Het kabinet zal de Europese Commissie
vragen dit te adresseren in de onderbouwing van het voorstel van de Oceaanwet.
Verder is het kabinet positief over het voornemen van de Europese Commissie om de
mondiale samenwerking te versterken binnen het reeds bestaande IOC-UNESCO en GOOS
door middel van een politieke alliantie hiervoor op te richten, waaraan het kabinet
zal deelnemen. Ook hiervoor geldt dat de samenwerking wel moet leiden tot schaalvoordelen
voor de lidstaten en daarmee de administratieve last niet verhoogd wordt. Het kabinet
kijkt uit naar een verdere concretisering van de activiteiten van deze alliantie.
Verder is het kabinet positief over het voornemen de digitale infrastructuur rondom
oceaanobservatie te versterken. Het kabinet ziet het belang hiervan en ziet graag
concretere ambities op het gebied van de toepassing ervan, zoals strategische planning
van bescherming en gebruik van de zee op zeebekkenniveau.
Het kabinet spant zich er voor in dat deze digitale infrastructuur voortbouwt op Nederlandse
inspanningen op dit gebied. Ook is het kabinet positief over de nauwe aansluiting
van het OceanEye bij de mariene diensten van Copernicus. Het is echter wel van belang
voor het kabinet dat bij de ontwikkeling van een oceaanobservatie- en monitoringsysteem
de veiligheidsbelangen van Defensie worden gewaarborgd.
Het kabinet steunt het initiatief tot versterking van de Europese innovatie en industriële
basis en dit is in lijn met huidig beleid20. Ook tegenover het versterken van de maatschappelijke betrokkenheid bij de oceaan
en de verbinding tussen mensen en de zee staat het kabinet positief. Het kabinet hoopt
dat onder het OceanEye kaders komen voor de integratie van burgerwetenschapen bijvoorbeeld
waarnemingen van vissers, inclusief kwaliteitsnormen en validatiemethoden. Voor vissers
kan het «vissen naar data» bijvoorbeeld onderdeel worden van het bedrijfsmodel wat
bijdraagt aan een economisch duurzamere visserijsector. Het kabinet gaat ervanuit
dat aspecten rondom privacy, intellectueel eigendom, verificatie en datadeling hierin
meegenomen worden. Het kabinet is positief op het voornemen om oceaanobservatie in
te zetten als middel in o.a. het onderwijs om het culturele en maatschappelijk draagvlak
ten opzichte van de zee en oceanen te vergroten.
c) Eerste inschatting van krachtenveld
Het kabinet schat in dat de meerderheid van de lidstaten positief tegenover het OceanEye
zal staan. Daar waar de mededeling lidstaten oproept investeringen te doen in lijn
met het OceanEye, is nog niet duidelijk in hoeverre lidstaten hier gehoor aan zullen
geven. Daarnaast vragen meerdere lidstaten duidelijkheid over de organisatie en het
mandaat van het voorgestelde bestuurskader voor oceaanobservatie. Dit zal opvolging
krijgen in de Oceaanwet, die later dit jaar verwacht wordt. De positie van het Europees
Parlement over het OceanEye is vooralsnog niet bekend. Tot slot trekken enkele lidstaten
de doelmatigheid van de voorgestelde internationale alliantie voor GOOS in twijfel.
4. Grondhouding ten aanzien van bevoegdheid, subsidiariteit, proportionaliteit, financiële
gevolgen en gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
a) Bevoegdheid
De grondhouding van het kabinet is positief. De mededeling heeft betrekking op milieu
en onderzoek en technologische ontwikkeling. Op het beleidsterrein van milieu is sprake
van een gedeelde bevoegdheid tussen de EU en de lidstaten (artikel 4, lid 2, sub e;
VWEU). Ook op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling is sprake van
een gedeelde bevoegdheid (artikel 4, lid 3, VWEU).
b) Subsidiariteit
De grondhouding van het kabinet is positief. De mededeling heeft tot doel het Europese
oceaanobservatiesysteem en degovernance hieromheen te versterken en wereldleider op het gebied van oceaanobservatie te worden.
Gezien de omvang en internationale aard van oceaanobservatie kan dit onvoldoende door
de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau worden verwezenlijkt, daarom
is een EU-aanpak die ook het mondiale speelveld tracht te versterken het meest geschikt.
Vanwege het belang van strategische autonomie op het gebied van oceaanobservatie is
volledig inzetten op het mondiale niet geschikt. Door harmonisatie en optimalisatie
binnen uitvoering en innovatie van oceaanobservatieprogramma’s in verschillende lidstaten,
in combinatie met aanvullende investeringen, kan een efficiënter en uitgebreider oceaanobservatiesysteem
ontwikkeld worden. Om die redenen is optreden op het niveau van de EU gerechtvaardigd.
c) Proportionaliteit
De grondhouding van het kabinet is positief met aandachtspunten. De mededeling heeft
tot doel het Europese oceaanobservatiesysteem en de governance hieromheen te versterken en wereldleider op het gebied van oceaanobservatie te worden.
Het voorgestelde optreden is grotendeels geschikt om deze doelstelling te bereiken,
omdat het voorstel investeringen in oceaanobservaties aankondigt, degovernance eromheen versterkt via verbeterde internationale samenwerking en de industriële basis
en innovatie versterkt. Het kabinet heeft echter wel twee aandachtspunten. Ten eerste
zijn de investeringen die nodig zijn om alle doelen uit de mededing te verwezenlijken,
nog niet gevonden. De voorgestelde plannen van de Commissie om deze te vinden zijn
nog niet concreet genoeg, omdat ze afhankelijk zijn van het volgende MFK. Ten tweede
zijn de voorgestelde nieuwe organisatiestructuren nog onvoldoende uitgewerkt. Over
het algemeen vindt het kabinet dat het voorgestelde optreden niet verder gaat dan
noodzakelijk, voor verbeterde informatievoorziening voor huidige en toekomstige opgaves
op de zee en oceaan.
d) Financiële gevolgen
De Commissie stelt in het voorstel dat grote investeringen gedaan moeten worden om
alle beschreven doelen te behalen en de Commissie schat dat hiervoor ongeveer drie
tot vier keer het huidige investeringsniveau binnen de gehele EU nodig is. Het kabinet
kan deze schatting niet beoordelen noch kwantificeren omdat deze niet per lidstaat
is opgesteld. Voor een impuls aan de uitvoering van het OceanEye stelt de Commissie
voor in totaal € 80 miljoen beschikbaar te stellen uit Horizon Europe, waarvan € 50
miljoen voor het versterken van het wereldwijde systeem voor oceaanobservatie en € 30
miljoen voor een thematische uitdaging van de Europese Innovatieraad op het gebied
van oceaanobservatietechnologieën. Samen met de reeds bestaande financiering van € 12
miljoen uit Horizon Europe21 voor het veiligstellen en onderhouden van belangrijke internationale in-situ datastromen
op maritiem gebied, zou dit resulteren in € 92 miljoen Europese financiering voor
het OceanEye. Daarna zou het volgende meerjarig financieel kader volgens de Commissie
kunnen bijdragen aan de realisatie van de gestelde doelen, door verschillende financiële
instrumenten van de EU in samenhang in te zetten. Ook roept de Commissie de lidstaten
op om nationale programma’s uit te breiden en de nationale begrotingen af te stemmen
op de prioriteiten van de EU. Deze oproep is niet verplichtend van aard en heeft dus
geen verplichte financiële gevolgen voor de nationale begroting. Voor de Europese
budgetten t/m 2027 is Nederland van mening dat de benodigde EU-middelen gevonden dienen
te worden binnen de in de Raad afgesproken financiële kaders van de EU-begroting 2021–2027
en dat deze moeten passen bij een prudente ontwikkeling van de jaarbegroting. Het
kabinet wil verder niet vooruit lopen op de integrale afweging van middelen na 2027.
Eventuele nationale budgettaire gevolgen, als gevolg van een beleidsmatige wens om
aan te sluiten bij deze Europese strategie, worden ingepast op de begroting van de
beleidsverantwoordelijke departementen, conform de regels van de budgetdiscipline.
e) Gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
Het voorstel heeft geen gevolgen op het gebied van regeldruk voor burgers en het bedrijfsleven.
Het voorstel heeft tevens geen directe bindende gevolgen voor het Rijk of medeoverheden
waaruit regeldruk voortvloeit. Echter het voornemen een Europees bestuurskader voor
oceaanobservatie in te stellen vereist mogelijk inzet van de overheid. Dit wordt verder
opgevolgd in de Oceaanwet, die later dit jaar wordt verwacht. De voorgenomen internationale
alliantie voor GOOS, indien Nederland besluit deel te nemen, zal leiden tot extra
personele inzet van de overheid, maar zal beperkt zijn. Verder bevat de mededeling
de oproep aan lidstaten om het nationale, Europese en mondiale oceaanobservatiesysteem
te versterken. Indien Nederland daartoe besluit, kan dit leiden tot meer inzet van
betrokken ministeries en Rijkswaterstaat. Dit is echter niet direct het gevolg van
deze Commissiemededeling maar kan afgewogen worden in de reguliere Nederlandse overheidsprocessen
rondom zee en oceaanbeleid. De Commissie wijst op lacunes in de beschikbaarheid van
data (data gaps). Het kabinet onderschrijft dat goede data randvoorwaardelijk zijn om effectief beleid
te voeren. Daarbij acht het kabinet het wel van belang dat eventuele nieuwe dataverzameling
zoveel mogelijk aansluit bij bestaande nationale monitorings- en rapportagekaders,
om extra uitvoeringskosten en administratieve lasten te voorkomen.
Het voorstel roept op tot het uitbreiden van het Europese oceaanobservatiesysteem
en het versterken van de Europese markt op het gebied van oceaanobservatietechnologie.
Hiervoor stelt de Commissie ook geld beschikbaar. Het kabinet schat in dat dit zal
leiden tot vergroting van de concurrentiekracht, omdat het zowel de vraag als het
aanbod versterkt.
Het voorstel omvat expliciete geopolitieke aspecten door als doel te stellen dat de
EU wereldleider wordt op het gebied van oceaanobservatie. Met dit doel beoogt de EU
continuïteit en strategische autonomie ten tijde van dreiging van afnemende inzet
van derde landen op het gebied van oceaanobservatie. Tegelijkertijd waarborgt de EU
met deze strategie niet alleen eigen publieke belangen zoals veiligheid, voedselsoevereiniteit,
natuur, milieu en kennis, maar ook diezelfde belangen van derde landen, wat overwegend
goed is voor internationale verhoudingen.
Daar waar de EU de eigen markt versterkt ten koste van de markt van derde landen kan
dit mogelijk enige negatieve invloed op de verhoudingen hebben.
Ondertekenaars
T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken