Brief regering : Ontwikkelingen wolvenbeleid
33 576 Natuurbeleid
Nr. 519
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 27 augustus 2026
In aanloop naar het plenaire debat van 1 september aanstaande, informeer ik uw Kamer
over een aantal recente ontwikkelingen in het wolvenbeleid, reageer ik op een aantal
brieven waarop uw Kamer mijn reactie had gevraagd en informeer ik u over het afdoen
van twee moties.
Ontwikkelingen
Op 8 en 9 juli jl. heb ik een werkbezoek gebracht aan Duitsland. Het belangrijkste
doel van dit werkbezoek was om te leren van de Duitse ervaringen met wolven. In Duitsland
komen immers al veel langer dan in Nederland, wolven voor. Ik heb op landelijk niveau
gesproken met mijn collega’s van het landbouwministerie en het milieuministerie, en
tevens met de Minister van landbouw van de deelstaat Nedersaksen. Ook bracht ik een
bezoek aan een schapenhouder die verschillende vormen van veebescherming in de praktijk
bracht. Tijdens dit werkbezoek heb ik afgesproken te verkennen hoe wij nog beter en
nauwer kunnen samenwerken ten aanzien van onze gedeelde wolvenpopulatie. Gesprekken
zijn gestart om toe te werken naar een intentieverklaring tot samenwerking om op termijn
beheer mogelijk te maken. Deze intentieverklaring verwacht ik zo spoedig mogelijk
te kunnen ondertekenen.
Op 19 september 2025 heeft mijn voorganger de uitkomsten van een onderzoek naar de
staat van instandhouding van de wolven in Nederland uitgevoerd door Wageningen Environmental
Research met uw Kamer gedeeld (Kamerstuk II 2025–2026, 33 576, nr. 466). Daarbij heeft hij aangegeven aanvullend onderzoek te laten uitvoeren door een internationale
deskundige onderzoekspartij. Onlangs hebben deze onderzoekers aangegeven meer tijd
nodig te hebben voor hun onderzoek. De eerste conceptresultaten worden daardoor medio
september verwacht. Het definitieve rapport is naar verwachting voor het eind van
2026 afgerond. Er is periodiek contact met de onderzoekers om de voortgang te monitoren.
Op 3 december organiseer ik het eerste Nationaal Wolvenberaad, waarover ik uw Kamer
eerder heb geïnformeerd (Kamerstuk II 2025–2026, 33 576, nr. 484). Oorspronkelijk stond het Nationaal Wolvenberaad gepland voor 25 juni jl. Helaas
heb ik op heel korte termijn de geplande afspraak moeten annuleren, vanwege een andere
verplichting waar ik bij aanwezig moest zijn. Ik wil bij het Nationaal Wolvenberaad
persoonlijk spreken met de diverse partijen de te maken hebben met het wolvendossier,
met hen een aantal onderwerpen verder uitdiepen.
In de Landelijke Aanpak Wolven is eind 2024 afgesproken dat in Q4 van 2026 een Ruimtelijke
Visie gereed zou zijn. Sinds april 2025 is door mijn ministerie gewerkt aan het verkennen
van de mogelijkheden voor ruimtelijk beleid ten aanzien van wolven. In dat proces
is vastgesteld dat een aantal belangrijke elementen (bouwstenen) waarop eventuele
ruimtelijke keuzes gebaseerd kunnen worden, nog in ontwikkeling is. Bouwstenen die
reeds beschikbaar zijn, betreffen het juridisch kader voor ruimtelijke maatregelen,
de beschrijving van een mogelijke zonering, de habitatgeschiktheidsanalyse, een analyse
van de Favourable Reverence Values voor Nederland en een overzicht van drukfactoren
op wolven in Nederland.
Het opstellen van een goed onderbouwde, toekomstbestendige Ruimtelijke Visie is op
dit moment echter nog niet mogelijk. Het is met name van belang dat er eerst internationale
afspraken gemaakt worden over een eerlijke en proportionele verdeling van de gezamenlijke
verplichtingen uit de Habitatrichtlijn voor een gunstige staat van instandhouding
van de met onze buurlanden gedeelde Centraal-Europese wolvenpopulatie. Ruimtelijke
keuzes zijn in belangrijke mate afhankelijk van de omvang van de Nederlandse bijdrage
aan de gezamenlijke populatie. Begin 2027 verwacht ik beter zicht te hebben op wanneer
deze bouwstenen gereed zullen zijn en kan ik uw Kamer een planning geven. Zoals ik
hierboven heb aangegeven, zet ik me in om zo snel mogelijk te komen tot internationale
afspraken.
Reactie op brieven
Uw Kamer heeft mij gevraagd om een reactie op twee brieven van Werkgroep Wolf Leusden
(Kamerstukken II 2025–2026, 2026Z09907/2026D23750 en 2026Z14671/2026D34934). In de eerste brief van de Werkgroep Wolf Leusden van 12 mei worden zorgen geuit
over de mogelijkheden die de algemene maatregel van bestuur (amvb) biedt voor het
afschot van wolven en de eventuele botsing met Europees recht. Ik heb de Raad van
State gevraagd advies te geven over de juridische houdbaarheid van de amvb om binnen
de Europeesrechtelijke kaders. Over de reactie van de Raad van State heb ik uw Kamer
geïnformeerd (Kamerstuk II 2025–2026, 33 576, nr. 486). Er is dus geen sprake van een botsing met het Europees recht. In de tweede brief
van 24 juni uit de Werkgroep zorgen over de parlementaire controle en democratische
besluitvorming rond de totstandkoming van de amvb. Ik ben van mening dat deze besluitvorming
volgens de juiste weg heeft plaatsgevonden. Hierover heb ik uw Kamer geïnformeerd
in mijn brief van 6 juli jl. (Kamerstuk II 2025–2026, 33 576, nr. 512) en ik zie het plenaire debat van 1 september als goede mogelijkheid om zo nodig
verder met uw Kamer van gedachten te wisselen.
Ook heeft uw Kamer mij verzocht een reactie te geven op de door gemeenteraad Midden-Drenthe
aangenomen motie «Veiligheid en leefbaarheid voorop: de wolf past niet in Midden-Drenthe»
(Kamerstuk II 2025–2026, 2026Z12368/2026D31524). In deze motie geeft de gemeente Midden-Drenthe aan dat de structurele aanwezigheid
van de wolf in en rond Midden-Drenthe leidt tot aanhoudende maatschappelijke onrust
en gevoelens van onveiligheid en dat aanvallen op landbouwhuisdieren blijven plaatsvinden
ondanks preventieve maatregelen. Ik begrijp goed dat er onrust en gevoel van onveiligheid
bestaan. Mijn beleid is erop gericht om veiligheid en leefbaarheid van inwoners leidend
te laten zijn. Zo maakt de amvb sneller ingrijpen bij probleemwolven mogelijk Ook
probeer ik via het landelijk initiatief veebescherming dierhouders te ondersteunen
om de aanvallen op vee tegen te gaan. Tijdens het Nationaal Wolvenberaad wil ik met
gemeenten verder van gedachten wisselen over de mogelijkheden om samen te werken aan
veiligheid en leefbaarheid in gebieden waar wolven voorkomen.
Moties,
Uw Kamer heeft mij middels de motie van het lid Den Hollander verzocht zo spoedig
mogelijk te komen met een juridisch houdbare beheerstrategie voor het aanpakken van
probleemwolven en probleemsituaties, daarbij nadrukkelijk aandacht te besteden aan
monitoring en preventie en medeoverheden actief te betrekken bij de uitwerking (Kamerstuk
II 2025/26, 36 800 XIV, nr. 51). Met het inwerkingtreden van de amvb op 11 juli jl., waar ik uw Kamer op 6 juli
over heb geïnformeerd (Kamerstuk II 2025–2026, 33 576, nr. 512) beschouw ik deze motie als afgedaan.
In mijn brief van 26 mei jl. (Kamerstuk II 2025–2026, 33 576, nr. 484) heb ik u geïnformeerd over de motie van de leden Podt en Bromet waarin uw Kamer
het kabinet verzocht te onderzoeken of een gebiedsgericht soortenmanagementplan, of
een vergelijkbaar planmatig instrument, kan bijdragen aan een eenduidig, juridisch
geborgd handelingsperspectief voor bevoegd gezag en lokale bestuurders, en aan het
voorkomen van conflictsituaties tussen wolven en mensen (Kamerstuk II 2025/26, 33 118, nr. 315). Nu de amvb in werking is getreden, is voor provincies duidelijk wat de mogelijkheden
zijn voor het verlenen van vergunningen. Provincies kunnen nu de afweging maken of
aanvullend een SMP of een vergelijkbaar planmatig instrument nodig is. Ik blijf hierover
in gesprek met de provincies en beschouw de motie hiermee als afgedaan.
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens
Ondertekenaars
S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur