Brief regering : Kabinetsreactie op het Rli-advies 'Falen en Opstaan'
29 435 Nota Ruimte
Nr. 322
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING EN RUIMTELIJKE ORDENING
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 juli 2026
Op 19 mei vorig jaar heeft de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) het
advies «Falen en opstaan, naar een doeltreffende aanpak van problemen in de leefomgeving»
aangeboden aan de Minister-President en de bewindspersonen van VRO, BZK, IenW, EZ,
KGG en LVVN. De Rli betoogt dat een verbetering in de samenwerking tussen overheden,
bedrijfsleven en gemeenschappen noodzakelijk is om de uitdagingen in de fysieke leefomgeving
het hoofd te bieden, waaronder het tekort aan betaalbare woningen, de noodzaak van
verduurzaming van de Nederlandse energievoorziening en de ontwikkeling van een toekomstbestendige
landbouw en robuuste natuur. Het kabinet is de Rli erkentelijk voor zijn advies. In
onderstaande wordt de reactie uiteengezet.
Hoofdlijnen analyse adviesrapport «Falen en opstaan»
De Rli schrijft dat Nederland te kampen heeft met forse leefomgevingsproblemen ondanks
veel beleidsinspanningen. De oorzaak daarvan ligt, in de analyse van de Rli, in een
disbalans in het samenspel tussen overheid, bedrijfsleven en gemeenschappen. De Rli
identificeert een aantal belemmeringen:
1. Ontbreken van maatschappelijke dialogen over waarden: Het gaat in het maatschappelijk debat over collectieve belangen teveel over onenigheid
over feiten, in plaats van over belangrijke waarden. Ook overheden lichten weinig
toe welke waarden schuilgaan achter keuzes. Dit gaat ten koste van maatschappelijke
acceptatie van beleid.
2. Geen oog voor de bijdrage van gemeenschappen: Gemeenschappen, zoals woon- of gebiedscoöperaties, spelen tegenwoordig een kleine
rol in de zorg voor collectieve belangen in de leefomgeving. Initiatieven lopen tegen
bureaucratie en beperkende regelgeving aan.
3. Samenspel tussen overheid en bedrijfsleven levert onvoldoende oplossingen: De zorg voor collectieve belangen is met name bij overheid en het bedrijfsleven komen
te liggen. Deze benadering heeft volgens de Rli financieel-economisch gezien goede
resultaten opgeleverd, maar heeft ervoor gezorgd dat collectieve belangen in de leefomgeving
verwaarloosd zijn.
4. Gebrek aan overzicht en slagvaardigheid bij overheid: Overheden zijn beperkt slagvaardig omdat ze te weinig faalruimte toelaten, beleidsdomeinen
verkokerd zijn en de afstand tussen beleid en uitvoering te groot is.
De Rli doet de volgende agenderende aanbevelingen:
1. Voer brede waardendialogen over leefomgevingsvraagstukken: Het expliciet maken en wegen van de waarden die in het geding zijn bij leefomgevingsvraagstukken
vergt dat overheden met bedrijven en gemeenschappen in gesprek gaan over wat belangrijke
waarden zijn.
2. Betrek gemeenschappen gelijkwaardig in het samenspel: Gemeenschappen zijn voor overheden een belangrijke kennisbron en samenwerkingspartner
in de zorg voor de leefomgeving. Om gelijkwaardig op te kunnen trekken hebben gemeenschappen
passende ondersteuning en juridische ruimte nodig.
3. Creëer gezamenlijke gremia waar overheid, bedrijfsleven en gemeenschappen samenkomen: Overheden zouden hun ambities meer moeten verbinden met het verantwoordelijkheidsgevoel
van gemeenschappen en het ondernemerschap uit het bedrijfsleven.
4. Breng bedrijven in stelling voor toekomstbestendige ontwikkeling: Naast investeren in innovatie is ook het beprijzen van negatieve effecten op de leefomgeving
en het normeren van ongewenste activiteiten nodig. Dat geeft bedrijven een duidelijk
doel waarop zij hun bedrijfsvoering kunnen aanpassen en creëert voor vooruitstrevende
bedrijven een gelijk speelveld.
5. Versterk het systemische vermogen van de overheid: Het langetermijnperspectief dat nodig is om leefomgevingsvraagstukken op te lossen
vergt een overheid die haar ambtelijke organisatie op orde heeft. Dat vraagt om het
doorbreken van verkokering, voldoende inhoudelijke deskundigheid en een betere aansluiting
tussen beleid en uitvoering.
Rijksregie en samenwerking tussen overheden
Het kabinet onderschrijft de analyse van de Rli dat in Nederland een aantal lastige
leefomgevingsvraagstukken speelt waarvoor tot op heden onvoldoende oplossingen zijn
geboden. Ruimte wordt schaarser door toenemende activiteit en de groei van de bevolking.
Het kabinet onderkent ook dat de complexiteit van de opgaven in de leefomgeving is
toegenomen door de onderlinge samenhang tussen deze opgaven. We hebben leefomgevingsvraagstukken
te lang sectoraal benaderd en lange tijd heeft het ontbroken aan een samenhangend
toekomstbeeld voor Nederland. Na enkele jaren van afbouw is de nationale regie op
de ruimte daarom in ere hersteld. Als Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening voer ik regie door te sturen op samenhang tussen de grote opgaven en door
het maken van duidelijke ruimtelijke keuzes. Dit brengt ons dichter bij ons uiteindelijke
doel: voor iedereen een betaalbare, duurzame en passende woonruimte in een veilige
en gezonde leefomgeving. De keuzes bepalen bijvoorbeeld waar gebouwd kan worden en
hoe we ook zorgen voor een goede bereikbaarheid, ruimte voor werken en voorzieningen,
natuur, schoon water uit de kraan en een tijdige energie-aansluiting. Het Kabinet
geeft aan bovenstaande invulling door: duidelijke integrale keuzes in de Nota Ruimte,
gebiedsgerichte uitvoering samen met medeoverheden via de NOVEX-aanpak, uitwerking
en samenwerking in nationale programma’s bij verschillende vakdepartementen en de
inzet van instrumentarium (vanuit de Omgevingswet en bijvoorbeeld het grondinstrumentarium).
Op 26 september 20251 is namens alle bewindslieden in het fysieke domein de Ontwerp-Nota Ruimte aangeboden.
De Nota Ruimte is de integrale visie op de ruimtelijke ordening van Nederland en bevat
samenhangende en integrale ruimtelijke keuzes en afwegingen voor nu, straks (2050)
en met een doorkijk naar later. Het is mijn voornemen om de definitieve Nota Ruimte
voor het einde van 2026 aan uw Kamer te sturen, hiermee geeft het kabinet richting
aan de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland, met als uiteindelijk doel een optimale
balans tussen het beschermen en benutten van onze fysieke leefomgeving. In de Nota
Ruimte zijn dertien nationale belangen gedefinieerd waarvan een goede en gezonde leefomgevingskwaliteit
conform de Omgevingswet de eerste is. We werken toe naar een Nederland met in 2050
ongeveer 1,65 miljoen extra woningen. Dat betekent een toevoeging van twintig procent
bovenop de acht miljoen woningen die er nu zijn in ons land. De groei van de bevolking
betekent ook een vraag naar meer ruimte voor werken, voorzieningen, sport en groene,
toegankelijke plekken voor recreatie en natuurbeleving. En om het meegroeien van de
infrastructuur voor mobiliteit, energie en drinkwater. Dit in 30 jaar tijd voor elkaar
krijgen, behelst de grootste ontwikkelopgave in de Nederlandse geschiedenis. En we
doen dat op een manier die herkenbaar is, past bij lokale behoeften en kansen, en
gedragen wordt door burgers en gemeenschappen. We hebben bij het opstellen van de
Nota Ruimte daarom drie leidende principes gehanteerd:
1. Meervoudig ruimtegebruik: Ruimte is schaars en waardevol. We zoeken waar het kan naar
mogelijkheden voor functiecombinaties en naar efficiënt ruimtegebruik met behoud van
ruimtelijke kwaliteit.
2. Gebiedskenmerken centraal: We beschermen en benutten wat er is en ontwikkelen nieuwe,
onderscheidende ruimtelijke kwaliteit. We werken aan lokaal en regionaal passende
oplossingen.
3. Zoveel mogelijk voorkomen van afwentelen: We schuiven problemen niet zondermeer door
naar elders of naar toekomstige generaties en we streven naar een rechtvaardige verdeling
van de lusten en lasten.
De Ontwerp-Nota Ruimte is opgesteld samen met de Ministeries van IenW, EZ, KGG, VWS,
LVVN, Defensie, OCW en in overleg met medeoverheden (provincies, gemeenten en waterschappen).
Daarnaast zijn ook het bedrijfsleven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties
en inwoners betrokken en wordt deze betrokkenheid nu intensief voortgezet. Het Rijk
zet daarmee stappen om de sectorale verkokering in het leefomgevingsdomein te verminderen.
Dat vraagt naast het maken van integrale keuzes ook om het regisseren van een goed
samenspel tussen overheden en het in samenwerking met de regio benutten van de kracht
van de lokale gemeenschappen. Daarom werken alle overheden gebiedsgericht samen aan
de ruimtelijke inrichting van Nederland via de zogenaamde NOVEX-aanpak. Deze aanpak
houdt in: het versnellen van de uitvoering van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI),
het versterken van de ruimtelijke regierol van de Rijksoverheid en het vernieuwen
van de samenwerking in de (uitvoerings)relatie met provincies, gemeenten en waterschappen.
Onder andere werken Rijk en regio in 16 NOVEX-gebieden en 3 verstedelijkingsgebieden
samen met de stakeholders aan gebiedsgerichte uitvoering van de fysieke opgaven en
de complexe stapeling daarvan. Uw Kamer is op 13 januari jl. geïnformeerd over de
voortgang van de NOVEX-aanpak per provincie en per NOVEX-gebied.2 Daarmee stelt het Rijk medeoverheden in staat om invulling te geven aan hun specifieke
rollen.
Na het afronden van de Ontwerp-Nota Ruimte zijn tijdens de periode van de terinzagelegging
verdiepende informatieve bijeenkomsten georganiseerd in alle provincies met vertegenwoordigers
van provincies, gemeenten en waterschappen. Daarnaast zijn gesprekken gevoerd met
o.a. VNO-NCW, de Landbouwtafel, Groene 11 (natuur- en milieuorganisaties), bouwpartijen
(Bouwend Nederland, Aedes, NEPROM en Woningbouwers NL), Rijksuitvoeringsorganisaties,
VNG Commissie Ruimte, Unie van Waterschappen, Netbeheer Nederland, VEWIN, NVDE, BO
VRO, CRa, PBL, Netwerk Maak Ruimte voor Gezondheid en Platform Ontwerp NL. Naast al
deze gesprekken zal het kabinet alle bijna 500 zienswijzen, uit de terinzagelegging
van 6 oktober t/m 15 december 2025, beantwoorden en verwerken bij de verdere uitwerking
van de Nota Ruimte.
Op basis van het coalitieakkoord, de ontvangen zienswijzen, de reflecties van de Rli,
het PBL en CRa, voeren we aanscherpingen door en passen we de Nota Ruimte aan. We
wijzen tien extra nationaal grootschalige woningbouwlocaties aan. We werken daarnaast
aan een nationale ruimtelijk-economische strategie voor de energie-intensieve haven-
en industrieclusters om zo een clustering van zware industriële activiteiten te realiseren
samen met de verduurzaming ervan. Ook geven we invulling aan de ambities voor een
perspectief voor de landbouw en een sterke natuur en werken we aan «water en bodem
sturend» als richtinggevend principe. Voor toekomstige welvaart en veiligheid zijn
keuzes in de ruimtelijke ordening, die goed aansluiten bij de natuurlijke kenmerken
van het water- en bodemsysteem, van groot belang. Dit passen we bijvoorbeeld toe bij
de locatiekeuze en inrichting van nieuwe woonwijken en bedrijventerreinen, om te voorkomen
dat bebouwing op termijn gaat verzakken of een groot risico kent op wateroverlast
en -schade. Door het veranderende klimaat zullen we water ook veel meer moeten vasthouden
(voor waterbeschikbaarheid en voorkomen van wateroverlast) en onze bodem weer gezond
moeten maken.
Het kabinet richt zich in de definitieve Nota Ruimte op het werken aan een veilige
en gezonde fysieke leefomgeving en goede omgevingskwaliteit met een thuis voor iedereen
en zal dit ook verder uitwerken onder het principe «Zoveel mogelijk voorkomen van
afwentelen». De reflecties van de Rli, het PBL en CRa en zienswijzen van medeoverheden,
organisaties en burgers op de Ontwerp-Nota ruimte en de motie-Teunissen (Kamerstuk
29 435, nr. 301) wijzen ook op het belang hiervan. Hierbij maken we duidelijk hoe keuzes binnen dit
thema bijdragen aan het halen van de doelen.
Naast de definitieve Nota Ruimte sturen we ook de uitvoeringsstrategie aan uw Kamer,
waarin wordt opgenomen hoe invulling gegeven gaat worden aan de realisatie van de
beleidskeuzen uit de Nota Ruimte. De Uitvoeringsstrategie is nog niet «de schop in
de grond», maar vormt de stap tussen visie en realisatie. Door de doorwerking goed
te organiseren wordt de basis gelegd voor daadwerkelijk uitvoering van de keuzes uit
de Nota ruimte. Enerzijds wordt aangegeven in welk Nationaal Programma de keuzes uit
de Nota Ruimte worden uitgewerkt en uitgevoerd, zodat duidelijk is welke ministeries
gaan werken aan de doorwerking en uitvoering. Anderzijds worden vervolgstappen benoemd
waaraan, in die programma’s, wordt gewerkt. Daarnaast laten we zien op welke manier
keuzes en programma’s met elkaar samenhangen, waar samenwerking en een samenhangende
afweging nodig is. Op die manier borgen we ook de integraliteit, van de keuzes in
de Nota Ruimte, in de uitvoering.
Participatie en gemeenschapskracht
Het Rijk wil de grote veranderingen richting 2050 nadrukkelijk met de samenleving
vormgeven. Het betrekken van de samenleving bij de zorg voor de leefomgeving doen
we met een combinatie van vormen die passen binnen en aanvullend zijn op de representatieve
democratie.
Een gezonde en goede leefomgeving voor toekomstige generaties en het niet afwentelen
was bijvoorbeeld een belangrijk principe in het Jongerendebat «Ruimte voor Jong Nederland»
dat we op 12 maart jl. organiseerden voor jonge professionals en studenten (mbo, hbo
en universiteit) en bestuursleden van jongerenkoepels in het ruimtelijk domein (150
jongeren uit heel Nederland). De afgeronde Ontwerp-Nota Ruimte was de basis voor het
programma. Met hen hebben we gesproken over wat er bij hen leeft ten aanzien van hun
eigen leefomgeving en hoe de keuzes en richtingen, die in de Ontwerp-Nota Ruimte zijn
gemaakt, verder kunnen worden gebracht in de uitvoering. Jongeren hebben creatief
meegedacht hoe we opgaven kunnen combineren, met ruimtelijke puzzels, hoe je gebiedskenmerken
centraal kan stellen en hoe we invulling kunnen geven aan het principe van niet afwentelen.
In voorgaande periode tijdens het opstellen van de Ontwerp-Nota Ruimte is ook ingezet
op participatie en het ophalen van perspectieven vanuit de samenleving. Een groep
inwoners, die een afspiegeling vormt van de samenleving, is daarbij betrokken. We
hebben dit gedaan door het opvragen van burgerperspectieven aan de hand van vragen
over thema’s en belangen die de deelnemers belangrijk vinden bij de inrichting van
Nederland (panel 1.642 deelnemers). Daarnaast is een groep jongeren in een zestal
sessies gevraagd hoe ze vinden dat Nederland moet worden ingericht (jongerenperspectieven),
en zijn via het overlegorgaan Fysieke Leefomgeving (OFL) diverse maatschappelijke
organisaties en partijen uit het bedrijfsleven betrokken voor het benutten van kennis
uit de praktijk.
Het participatietraject voor de Ontwerp-Nota Ruimte vormt een goed voorbeeld van de
wijze waarop burgers betrokken worden bij de nationale ruimtelijke ordening. Tegelijkertijd
kunnen burgers juist op lokaal niveau een belangrijke rol spelen bij de zorg voor
de leefomgeving. Uw Kamer is op 18 juni 20253 geïnformeerd over de vernieuwende wijze waarop we de kracht van de samenleving en
democratie willen versterken en meer ruimte willen bieden aan eigen initiatieven van
burgers en bedrijven. Door belemmerende regels weg te nemen. En door nieuwe manieren
van invloed en zeggenschap van burgers te ondersteunen.
Gemeenschapsinitiatieven kunnen ook zorgen voor het doorbreken van impasses in leefomgevingsdossiers.
Om de gemeenschapskracht te benutten zullen overheden anders moeten kijken naar gemeenschapsinitiatieven.
We werken toe naar structurele ondersteuning van bewonersinitiatieven, onder andere
via kennisdeling, community support en langjarige financiering voor succesvolle lokale
pilots. Zo hebben we een programma en fonds voor coöperatieve woonvormen. Daarmee
helpen we wooncoöperaties zich te ontwikkelen als serieus alternatief voor koopwoningen
en huur bij woningcorporaties. De Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw richt
zich ook op het opbouwen van sterke gemeenschappen door de realisatie van complete
en zorgzame wijken en buurten, die aansluiten bij de behoeften van verschillende doelgroepen,
en waarin ontmoeting, ondersteuning en samenredzaamheid centraal staan. Daarnaast
deelt het kabinet in de Kamerbrief van 29 september jl. zijn visie om de rol van energiegemeenschappen
in het energiesysteem te versterken.4 Deze gemeenschappen dragen, onder de juiste voorwaarden, namelijk bij aan een maatschappelijk
gedragen energietransitie en een weerbare samenleving. Het kabinet poogt hierbij niet
alleen energiegemeenschappen te versterken als speler in de energietransitie. Met
de versterkte inzet wil het kabinet ook stimuleren dat energiegemeenschappen een zo
breed en divers mogelijk bereik hebben en het faciliterend kader versterken, zodat
energiegemeenschappen gericht worden ondersteund in een professionele organisatieopbouw.
De betrokkenheid van burgers wordt op decentraal niveau met de Wet versterking participatie
verder versterkt. Met deze wet zijn lokale overheden per 1 januari 2025 verplicht
om binnen twee jaar een participatieverordening op te stellen. Daarmee moet de overheid
verduidelijken op welke wijze zij ruimte geeft aan maatschappelijk initiatief en de
inbreng van burgers. Ook moeten decentrale overheden aangeven hoe burgers zaken zelf
op kunnen pakken via het uitdaagrecht. Met het inwerkingtreden van de Omgevingswet
zijn overheden en initiatiefnemers bovendien verplicht om participatie te organiseren
voor de ruimtelijke plannen die zij willen uitvoeren of vaststellen. De Omgevingswet
stimuleert daarbij nadrukkelijk de vroegtijdige participatie en transparante afwegingen
bij beleid, plannen en projecten, en biedt ruimte aan initiatief.
Het OFL is tot slot een voorbeeld van een gremium dat overheid, bedrijven en maatschappelijke
organisaties samenbrengt. Het OFL behandelt vraagstukken op het gebied van de fysieke
leefomgeving die departementen overstijgen, waarbij de samenleving als uitgangspunt
wordt genomen in plaats van de structuur van de overheid. Bovendien biedt het een
onafhankelijke plek, onder onafhankelijk voorzitterschap, waarin alle partijen gelijkwaardig
deelnemen en samen het proces vorm en inhoud geven. Het OFL zet erop in om naast de
bekende koepel- en belangenorganisaties ook gemeenschappen of collectieven aan tafel
te krijgen. Het Nationaal Klimaat Platform is daarvan een succesvol voorbeeld.
Waarden en dialoog
Het kabinet ziet het belang van een brede waardendialoog in het gesprek met de samenleving,
in het bijzonder onze belangrijkste partners zoals medeoverheden, maatschappelijke
partijen, ondernemers en burgers. Het is belangrijk om het gesprek over de inrichting
van ons land op structurele basis voort te zetten met een representatieve vertegenwoordiging
van de samenleving. De ruimte-raadpleging, burger- en jongerenperspectieven bieden
diverse aanbevelingen hiervoor. We gaan daarom onderzoeken hoe we op structurele basis
een nationale ruimtelijke dialoog kunnen vormgeven over ruimtelijke ordening en leefomgevingsbeleid,
met oog voor de lange termijn ontwikkeling van Nederland.
Om waarden voor de leefomgeving inzichtelijk te maken, maken ministeries ook steeds
vaker gebruik van de Participatieve Waarden Evaluatie (PWE). In een PWE-raadpleging
ervaren deelnemers het keuzevraagstuk van een overheid in een online omgeving. Ze
zien de beleidsopties die worden overwogen en de beperkingen die er zijn. Deelnemers
beantwoorden de vraag wat zij zouden adviseren als ze in de schoenen van de beleidsmaker
of bestuurder zouden staan en ze motiveren hun advies. Dit geeft informatie over hoe
mensen de publieke waarden rond een bepaald thema wegen. Op het gebied van de fysieke
leefomgeving is dit instrument bijvoorbeeld succesvol ingezet bij het Nationaal MilieuProgramma,
de Lelylijn (ruim 10.000 reacties) en de brede maatschappelijke raadpleging (ruim
30.000 reacties) in het kader van het Burgerberaad Klimaat, waarover uw Kamer op 20 december
20245 is geïnformeerd. Ook voor de Ontwerp-Nota Ruimte is zo’n ruimteraadpleging georganiseerd
(9.553 inwoners) om inzicht te krijgen in de ruimtelijke afwegingen die burgers maken.
Het kabinet ziet daarnaast het belang van het expliciteren van waarden bij de ontwikkeling
van beleid. Bij het maken van keuzes zijn immers altijd waarden in het geding. Een
goed voorbeeld hiervan is het gesprek over brede welvaart; dat is niet alleen te bepalen
aan de hand van indicatoren, maar vergt gezamenlijk begrip van wat we onder brede
welvaart verstaan. Zo zijn bij het opstellen van de verstedelijkingsstrategie voor
regio Stedendriehoek gesprekken gevoerd in de regio over wat er onder brede welvaart
verstaan wordt en wat daarin belangrijk wordt gevonden. Dit alles moet leiden tot
een goed afgewogen en gedragen voorstel van een voorkeursvariant hoe de regio zich
de komende jaren wil ontwikkelen.
Het voeren van een brede waardendialoog moet samengaan met goed inzicht in wat wel
en niet mogelijk is boven en onder de grond. We maken keuzes op basis van wat we belangrijk
vinden en maken daarbij gebruik van betrouwbare gebiedsinformatie. We werken als Rijk
daarom datagedreven. Hiervoor hebben we de Nationale Geo-Informatie Infrastructuur
(NGII), een samenwerkingsverband van publieke partijen. En onder de vlag van de meerjarenvisie
Zicht op Nederland verbeteren het Rijk en medeoverheden de mogelijkheden om beleidskeuzes
integraal, driedimensionaal en in de tijd voor eenieder inzichtelijk te maken.
De kracht van samenleving en bedrijfsleven
Een verbeterd samenspel tussen overheid, bedrijfsleven en samenleving vereist ook
dat we reflecteren op de inspanningen die bedrijven leveren aan het oplossen van problemen.
De Rli benoemt het belang van investeren in innovatieve en toekomstige bedrijfsmodellen.
Binnen het innovatiebeleid komen de grote opgaven in de fysieke leefomgeving o.a.
aan bod in het missiegedreven innovatiebeleid, waarin overheden, kennispartners en
bedrijfsleven samenwerken aan innovatie die bijdraagt aan oplossingen voor deze maatschappelijke
opgaven op het gebied van energietransitie, circulaire economie, gezondheid & zorg,
landbouw, water en voedsel en veiligheid. In de Integrale Kennis- en Innovatieagenda
(KIA) voor Klimaat en Energie is bijvoorbeeld gericht aandacht voor de gebouwde omgeving,
naast onderwerpen als industrie en mobiliteit. In de KIA Landbouw Water Voedsel staan
een vitaal landelijk gebied en veerkrachtige natuur centraal en wordt o.a. gewerkt
aan innovatieve en toekomstgerichte bedrijfsmodellen in de land- en tuinbouw. Verder
is in de Kamerbrief Industriebeleid met focus6 van 17 oktober 2025 een raamwerk neergezet voor specifieke interventies die bijdragen
aan verdienvermogen, weerbaarheid en maatschappelijke opgaven. Voor het oppakken van
de opgaven in de fysieke leefomgeving is het tevens belangrijk dat de schade van vervuiling
en de uitstoot van broeikasgassen weerspiegeld is in de prijs van producten en diensten.
Het Europese emissiehandelssysteem ETS is een voorbeeld van een goed functionerend
Europees beprijzingsmechanisme; bedrijven hebben hiermee namelijk een financiële prikkel
om minder CO2 uit te stoten.
Wel moeten we oppassen dat de opeenstapeling van regels en complexe procedures niet
werkt als belemmering bij de uitvoering van de opgaven. Daarom werkt het kabinet met
een jaarlijkse Vereenvoudigingswet waarmee we wetten en regels structureel verbeteren.
En werken we met de monitoring van de afspraken uit het programma STOER (Schrappen
Tegenstrijdige en Overbodige Eisen en Regelgeving) aan het opsporen en wegnemen van
overbodige of tegenstrijdige regels, het beter benutten van de bestaande mogelijkheden
binnen wet- en regelgeving en het versterken van de samenwerking tussen overheden
en marktpartijen.7,
8 Ook gaat dit kabinet door met de Aanpak Regeldruk die door het vorige kabinet is
gestart met als doel om voor de zomer voor 500 regels voor ondernemers de regeldruk
te gaan verminderen.9 Het is een aanpak waarbij álle ministeries die regels hebben voor ondernemers meedoen.
Het kabinet werkt hard aan die doelstelling en er is al substantiële voortgang geboekt.
In december 2025 kondigde het vorige kabinet aan voor 218 regels regeldruk te verminderen.
In april 2026 kondigde de Minister van Economische Zaken en Klimaat aan hier 97 regels
aan toe te voegen. En dit is geen eenmalige doelstelling. De inzet van dit kabinet
is om jaarlijks minimaal 500 regels te schrappen of te vereenvoudigen.
Daarnaast zijn op Europees niveau de gesprekken gaande over de vereenvoudiging of
aanpassing van regels. Het kabinet onderschrijft, gezien haar ambitie om het mes te
zetten in onnodig ingewikkelde regelingen, de Europese Omnibus-wetgeving. De ambitie
blijft om onnodige nationale koppen op Europese regels te schrappen. Europese richtlijnen
en regelgeving worden sneller en zoveel mogelijk 1-op-1 geïmplementeerd. Het kabinet
maakt afspraken met toezichthouders om regels niet strenger te interpreteren dan nodig
is en administratieve lasten te beperken.
En tot slot is in de opdrachtbrief van de Taskforce Slagvaardige Overheid10 onder het eerste punt het vereenvoudigen van regelgeving opgenomen.
Slagvaardige overheid
Vanwege de urgentie gaat dit kabinet volop aan de slag met de aanpak van de opgaven,
middels de Nota Ruimte, met de NOVEX-aanpak per provincie, in de NOVEX-gebieden en
bijvoorbeeld met de Wet versterking regie volkshuisvesting, waarmee overheden het
juiste wettelijke gereedschap in handen krijgen om met meer regie en tempo meer betaalbare
woningen te bouwen.
Het kabinet maakt gebruik van de mogelijkheden en instrumenten onder de Omgevingswet
om de aanpak van ruimtelijke opgaven te versnellen. De experimenteerbepaling biedt
bijvoorbeeld de mogelijkheid om tijdelijk af te wijken van bepaalde (juridische) regels.
Een experiment richt zich op de verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving,
procedures of besluitvorming. Dit zet ik in om het testen van innovatieve bouwopties
mogelijk te maken. Daarnaast zet het kabinet het grondinstrumentarium actief in voor
de ruimtelijke opgaven uit het coalitieakkoord. En we gaan door met de modernisering
van de huidige wet- en regelgeving rondom het grondbeleid, zoals ook opgenomen in
de beleidsbrief VRO.11 Het sneller en goedkoper beschikbaar krijgen van grond is essentieel voor de ruimtelijke
opgaven.
Het kabinet onderschrijft het belang van een deskundige en samenhangende overheid,
zoals ook door de WRR is benadrukt in het advies Deskundige overheid. Het kabinet
heeft in dit kader de Ministeriële Taskforce Slagvaardige Overheid (TSOv) opgericht
met als doel een eenvoudige en betrouwbare overheid die focust op wat echt nodig is.
Speerpunten voor de taskforce zijn het verminderen van regeldruk/de vereenvoudigingsopgave,
het verhogen van productiviteit en het verbeteren van dienstverlening. Ook wordt ingezet
op het werken met multidisciplinaire en domeinoverstijgende teams voor grote opgaven
en op versterking van digitale dienstverlening. De TSOv is één van de zes taskforces
die zijn opgericht voor belangrijke thema’s waarop snel doorbraken moeten komen. De
andere Ministeriële Taskforces zijn: Versnelling Woningbouw (TVW), Landbouw, Natuur
en Stikstof (TLNS), Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat (TTWenV), Asiel en Migratie
(TAenM) en Ondermijning (TO).12 De taskforces werken departementoverstijgend en sturen op concrete resultaten, met
heldere doelen en mijlpalen.
De afgelopen jaren is er al een duidelijke beweging ingezet naar meer integraal en
opgavegericht werken. De totstandkoming van de Nota Ruimte vormt daarvan een goed
voorbeeld. Binnen dit proces werken meerdere departementen en bestuurslagen gezamenlijk
aan het verbinden van ruimtelijke, economische, ecologische en sociale opgaven. Het
kabinet acht het van belang om op deze ingeslagen weg voort te gaan. De nadruk ligt
daarbij op het verder versterken van de bestaande samenwerkingspraktijk. Het inzetten
op integrale werkwijzen draagt bij aan het overbruggen van beleidsdomeinen en aan
het oplossen van complexe maatschappelijke vraagstukken. Tegelijk blijft het investeren
in ambtelijk vakmanschap en de aandacht voor de uitvoerbaarheid van beleid essentieel.
Ook het verder versterken van de Rijksbrede samenwerking blijft van belang, zodat
uitvoering en beleid goed op elkaar blijven aansluiten (zoals voor kennisuitwisseling).
Het kabinet ziet hierin een belangrijke basis voor een lerende en wendbare overheid.
Deze voor een deel systemische moderniseringen zijn de randvoorwaarde om de slagvaardigheid
van de overheid te versterken en het werkend samenspel met andere actoren te faciliteren.
Daar hoort, zoals het recente CEC-advies «Kies voor de Toekomst»13 stelt, ook bij dat de overheid duidelijke spelregels opstelt die ruimte bieden aan
een productieve, duurzame en toekomstbestendige ontwikkeling van economische activiteiten.
Door te normeren en beprijzen kan de overheid op een efficiënte manier de randvoorwaarden
scheppen waarbinnen de markt zich verder ontwikkelt.
Het Rijk zet tot slot ontwerpkracht in via de Interdepartementale Ontwerpagenda om
samen met medeoverheden kennis te delen, samenhang te creëren en tot innovatieve,
breed gedragen oplossingen voor ruimtelijke vraagstukken te komen. Ik zet bijvoorbeeld
ontwerpend onderzoek in om te komen tot de nationaal ruimtelijk-economische strategie
voor de energie-intensieve haven- en industrieclusters. Hierover kom ik later dit
jaar samen met de Ministers van KGG, EZK en IenW naar buiten.
Vooruitblik
Het kabinet zet de regie op de ruimtelijke ordening krachtig voort, en zet in op uitvoeringskracht
om opgaven in de leefomgeving het hoofd te kunnen bieden.
Op dit moment werken we aan de afronding van de definitieve Nota Ruimte en uitvoeringsstrategie.
Tegelijkertijd wordt in de samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen en
de samenleving de NOVEX-aanpak verder vormgegeven, op meer uitvoeringsgerichte wijze.
Dit gebeurt door het verder ontwikkelen en uitwerken van de ruimtelijke arrangementen
en de afspraken daarin tussen Rijk en provincies over omgevingsbeleid, in het bijzonder
voor die onderwerpen waarop Rijk en provincie meer regie nemen. En dit gebeurt ook
door het opstellen van de regionale investeringsagenda’s (RIA) gekoppeld aan de uitvoeringsagenda’s
van de NOVEX-gebieden. De RIA zet de programmering van de ruimtelijke opgaven uit
de uitvoeringsagenda om in een beeld van benodigde investeringen én mogelijke bekostiging
daarvan in het NOVEX-gebied, om invulling te kunnen geven aan de gecombineerde ruimtelijke
opgaven.
Tot slot is het belangrijk om vanuit een langetermijnperspectief in te zetten op structuurversterkende
infrastructuur om de nieuwe woningen tot 2050 goed te ontsluiten en de ontwikkeling
van Nederland op langere termijn, conform de Nota Ruimte, mogelijk te maken, hiervoor
is de brief Langetermijnperspectief infrastructuur en woningbouw14 met uw Kamer gedeeld.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,
E. Boekholt-O'Sullivan
Ondertekenaars
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening