Brief regering : Voortgang energiebeleid gebouwde omgeving
32 847 Integrale visie op de woningmarkt
30 196
Duurzame ontwikkeling en beleid
Nr. 1498
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING EN RUIMTELIJKE ORDENING
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 6 juli 2026
Uw Kamer heb ik de afgelopen periode via meerdere brieven geïnformeerd over een aantal
prioritaire onderwerpen op het gebied van de verduurzaming van de gebouwde omgeving;
onder andere de Kamerbrief Isolatieoffensief/Energiehuis.1 In deze brief ga ik graag in op een aantal toezeggingen en moties, en op de voortgang
van enkele belangrijke instrumenten die voor de verduurzaming van woningen en utiliteitsbouw
worden ingezet.
Het gaat hierbij om:
– de voortgang en evaluatie van de subsidieregeling voor de verduurzaming van maatschappelijk
vastgoed (DUMAVA);
– een aantal toezeggingen rondom Nationaal Warmtefonds;
– gebouwgebonden financiering;
– de evaluatie van de Energie Prestatie Vergoeding (EPV);
– een meting van de energielabels in woningen private verhuur;
– verduurzaming van Verenigingen van Eigenaren (VvE’s);
– de impact voor woningbouw in Utrecht van de pauzeknop voor aansluiting op het stroomnet
(Toezegging Z202605–043);
– de motie Klos inzake lokale energiehulporganisaties.
Subsidie duurzaam maatschappelijk vastgoed steeds belangrijker
Sinds 2022 zijn er met de Subsidieregeling Duurzaam Maatschappelijk Vastgoed (DUMAVA)
tot en met 2025 ruim 6.000 aanvragen gedaan, waarmee vele scholen, ziekenhuizen, buurthuizen,
sportclubs en gebouwen van gemeenten verduurzaamd worden. Hiermee maken deze eigenaren
hun gebouw energiezuiniger, hebben ze een lagere energierekening en wordt Nederland
minder afhankelijk van energie uit het buitenland. Voor vastgoed met een belangrijke
maatschappelijke functie, zoals onderwijs, zorg en overheden is dit van des te groter
belang. Ook met het oog op de voorbeeldrol van publieke gebouwen en de Europese verplichtingen
voor deze doelgroep is het nodig dat de regeling hen blijft ondersteunen.2 Voor de periode 2024 tot en met 2030 is vanuit het Klimaatfonds € 1,9 miljard beschikbaar
gesteld, waarvan inmiddels circa € 750 miljoen is besteed. Na die tijd zijn geen middelen
gereserveerd.
In 2025 heb ik uw Kamer toegezegd de DUMAVA te evalueren en u te informeren over de
resultaten. Bijgevoegd vindt u het evaluatierapport van CE Delft.3 De aanbevelingen uit het rapport heb ik grotendeels overgenomen en verwerkt in de
wijzigingsregeling van de DUMAVA. De nieuwe regeling is onlangs gepubliceerd ter voorbereiding
op de nieuwe openstelling per 1 juni.4 In het onderstaande informeer ik u over de resultaten van de evaluatie en hoe ik
met de aanbevelingen ben omgegaan. Ook wil ik u de actuele financiële situatie schetsen
nu een deel van de Klimaatfondsmiddelen, waarmee de DUMAVA bekostigd wordt, besteed
is.
DUMAVA heeft een belangrijke bijdrage aan de verduurzamingsdoelen
Het evaluatierapport van CE Delft toont aan dat de regeling doeltreffend is. Dat stemt
mij positief en is voor mij aanleiding om de kern van de regeling te behouden. Veel
gebruikers zijn tevreden over de regeling en geven aan dat de DUMAVA hen stimuleert
om verder te verduurzamen dan oorspronkelijk de bedoeling was. Dit sluit aan bij het
doel van de regeling: eigenaren stimuleren om gebouwen naar een hoog energieprestatieniveau
te brengen.
De projecten die tot en met 2025 met de DUMAVA zijn gefinancierd, zorgen cumulatief
voor een bruto CO2-reductie van tot 209 kton per jaar. Dat is een aanzienlijke impact. CE Delft benadrukt
wel dat dit een prognose is, omdat veel projecten nog in uitvoering zijn. Bovendien
neemt de reductie toe met elke nieuwe subsidieronde; dit zal ik dan ook blijven monitoren.
Naast CO2-reductie draagt de DUMAVA bij aan de renovatieverplichting die voortvloeit uit de
Europese Energy Efficiency Directive. Het onderzoeksbureau concludeert dat de DUMAVA
in 2024 verantwoordelijk was voor 46% van de jaarlijkse renovatiedoelstelling van
3% van het totale vloeroppervlak van gebouwen van overheidsinstanties.
Doelmatigheid DUMAVA past bij de hoge doelen en blijvende inzet op ontzorging
Naast doeltreffendheid is ook gekeken naar doelmatigheid en het doenvermogen van gebruikers
van de regeling. Over de doelmatigheid wordt opgemerkt dat deze iets lager is dan
bijvoorbeeld bij de ISDE. Dit komt doordat de regeling inzet op vergaande verduurzaming
van complexe gebouwen, waar relatief hoge kosten aan verbonden zijn. Juist die vergaande
verduurzaming is belangrijk, omdat het doel van de Europese richtlijnen is om emissievrije
gebouwen (ZEB) te realiseren. Bovendien is het voor een zorginstelling of schoolgebouw
meestal efficiënter om het gebouw in één keer goed aan te pakken, in plaats van iedere
tien jaar kleine aanpassingen te doen.
De uitvoeringskosten van de DUMAVA zijn relatief laag. CE Delft geeft wel aan dat
een DUMAVA-aanvraag veel doenvermogen kan vragen van organisaties die nog niet bekend
zijn met de regeling en die gerund worden door vrijwilligers. De belemmeringen zitten
dan niet zozeer in het aanvraagproces zelf, maar vooral in onvoldoende overzicht over
welke maatregelen het meest passend zijn. Ik zal de komende tijd blijven inzetten
op het ontzorgen van dergelijke organisaties.
Voor de meeste aanvragers zijn de administratieve lasten die bij een DUMAVA-aanvraag
komen kijken acceptabel en vergelijkbaar met die van andere subsidieregelingen.
Aanpassingen van de DUMAVA op basis van de evaluatie
De evaluatie laat zien dat de regeling doeltreffend en doelmatig is. Hoewel de conclusies
overwegend positief zijn, laat de evaluatie ook zien dat de regeling op een aantal
onderdelen toegankelijker kan. De aanbevelingen van CE Delft hierover heb ik grotendeels
verwerkt in de onlangs gepubliceerde wijzigingsregeling. Zo is het minimum subsidiebedrag
per aanvraag omlaaggegaan, zodat ook kleinere projecten in aanmerking komen voor subsidie.
Daarnaast zijn de voorwaarden voor isolerend glas en zonnepanelen eenvoudiger en is
de voorwaarde die in bepaalde gevallen van toepassing is om van het gas af te gaan,
versoepeld. Dit geldt wanneer het elektriciteitsnet nog geen ruimte biedt om meer
elektriciteit te gaan gebruiken of opwekken. In dat geval kun je subsidie aanvragen
voor voorbereidende maatregelen om de gasaansluiting later te verwijderen. Ik blijf
kijken wat binnen de regeling mogelijk is om enerzijds de impact op netcongestie te
beperken en anderzijds zoveel mogelijk ruimte te behouden voor verduurzamingsmaatregelen
die wel uitvoerbaar zijn. Voor een overzicht van alle aanpassingen verwijs ik u naar
de toelichting op de wijzigingsregeling 2026.5
Nationaal Warmtefonds en gebouwgebonden financiering
Mogelijkheden Nationaal Warmtefonds voor woningeigenaren in schuldhulp
Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer toegezegd te verkennen welke mogelijkheden er
zijn bij Nationaal Warmtefonds voor financiering aan woningeigenaren in een schuldhulptraject.6 Nagenoeg alle woningeigenaren kunnen lenen bij Nationaal Warmtefonds. Een lening
is echter niet mogelijk als een woningeigenaar in het verleden onbereikbaar was voor
schuldeisers, een achterstand heeft bij een zakelijke verplichting of een schuldregeling
heeft. Heeft een woningeigenaar een betalingsachterstand op een lening of krediet?
Dan moet deze achterstand eerst worden ingehaald. Nationaal Warmtefonds hanteert geen
wachttijd, dus na het inlopen van de achterstand kan de eigenaar direct de energiebespaarlening
aanvragen.
Voor woningeigenaren in een schuldtraject geldt als uitgangspunt dat men geen nieuwe
schulden aangaat. Aan de andere kant is het ook wenselijk om hen de mogelijkheid te
bieden hun woning te verduurzamen en daarmee de energielasten direct te verlagen.
Of financiering mogelijk is, hangt af van het type traject. In alle gevallen is toestemming
van de verantwoordelijke partij doorslaggevend:
• Bij mensen onder bewind is er ruimte, mits de bewindvoerder instemt en de investering
leidt tot lagere maandlasten.
• Voor mensen in een minnelijk schuldhulptraject is dit complexer en alleen soms mogelijk
als de gemeente en de betrokken kredietbank akkoord gaan en de afgesproken regeling
niet wordt verstoord.
• Voor mensen in de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) is de ruimte vrijwel
nihil, omdat een nieuwe lening al snel in strijd is met de wettelijke verplichtingen
en het risico bestaat dat de schuldsanering mislukt.
Onderzoek gebouwgebonden financiering
Het idee van een gebouwgebonden financiering voor verduurzaming van een koopwoning
is op het eerste gezicht interessant. Tegelijk bleek het maken van een juridische
basis voor gebouwgebonden financiering en een praktische uitwerking die de mensen
echt helpt, in het verleden erg lastig. Samengevat is het idee dat de lening «gebouw
gebonden» is, dus bij verkoop in principe meegaat naar de volgende eigenaar. Daarnaast
is het idee om kostenneutraal te financieren, waarbij de energierekening gegarandeerd
lager is waarmee de lening afgelost zou moeten worden. Dat zou mogelijk maken dat
de kredietverstrekker bij het geven van de lening niet hoeft te toetsen op inkomen.
Afgelopen periode is dit idee uitgewerkt en ik heb hierover advies ontvangen van KMPG
(zie bijlage 1). Ik zal dit najaar inhoudelijk reageren op dit advies.
Modernisering energieprestatievergoeding woningcorporaties
De energieprestatievergoeding (EPV) is een wettelijke vergoeding die een woningcorporatie
aan een huurder mag vragen wanneer de woning door verduurzaming energie opwekt, mits de corporatie een gegarandeerde, zeer energiezuinige prestatie van de woning
levert. Bij het Besluit modernisering Energieprestatievergoeding in 2023 is aangekondigd
dat de EPV geëvalueerd zou worden. Daarbij is ook aangekondigd dat de wettelijk vastgelegde
tarieven zo nodig worden herijkt in verband met wijzigingen in de salderingsregeling.
Evaluatie EPV door Sijpheer Energie
Uit de kwalitatieve evaluatie van de EPV door Sijpheer Energie blijkt een sterke waardering
voor het principe van de EPV.7 Enerzijds bevestigt de evaluatie dat het principe van de EPV werkt: het biedt een
oplossing voor de split-incentive8 en stimuleert energiebesparing. Anderzijds achten veel verhuurders de EPV-complex,
administratief belastend en financieel onzeker. Daarbij geven woningcorporaties aan
dat toekomstbestendigheid van de EPV vraagt om meer ruimte voor collectieve opwek,
gedeelde installaties en toepassing in meergezinscomplexen. Huurders geven aan behoefte
te hebben aan duidelijke en herhaalde instructies over energiezuinig handelen, een
laagdrempelig aanspreekpunt en beter inzicht in de prestaties van de woning via app
of rapportage. Ook blijkt uit de evaluatie dat het verwachte, maar versnelde wegvallen
van de salderingsregeling de continuïteit onder druk zet: woningcorporaties heroverwegen
lopende projecten en zetten nieuwe EPV-projecten grotendeels stil. Een deel van de
huurders maakt zich zorgen over stijgende woonlasten.
Onderzoek EPV door adviesbureau BDH: collectieve opwek
Over de door verhuurders genoemde mogelijkheden voor collectieve opwek, gedeelde installaties
en toepassing in meergezinscomplexen is een onderzoek uitgevoerd door BDH.9 Uit dit onderzoek en gesprekken met de markt bleek dat een EPV voor collectieve systemen
niet doelmatig is. Dit komt door de hoge technische complexiteit, de grote variatie
aan collectieve systemen, onzekerheid over de te realiseren schaal, afhankelijkheid
van de salderingsregeling bij de EPV en de ervaringen van verhuurders met de huidige
EPV.
Onderzoek DGMR: herijking EPV-tarieven vanwege afschaffen salderingsregeling
Voor de huidige EPV is bezien hoe sterk de EPV-tarieven moeten worden herzien met
het oog op het belang van zowel verhuurders als huurders, vanwege het afschaffen van
de salderingsregeling.10 Bij verhuurders speelt het belang dat deze tarieven bijdragen aan de exploitatiemogelijkheden
van de woning. Voor huurders gaat het om de maandelijkse woonlasten. De herijking
betekent een aanpassing van de EPV-tarieven, afwijkend van de jaarlijkse indexering
op basis van de consumentenprijsindex. DGMR heeft onderzocht hoe ver de EPV-tarieven
moeten dalen om woonlastenneutraliteit voor huurders te behouden na afschaffing van
de salderingsregeling. Uit dit onderzoek blijkt dat de tarieven moeten dalen. Een
verlaging verlaagt de woonlasten voor huurders, maar leidt wel tot lagere inkomsten
voor verhuurders. Uit een eerdere raming van Aedes en de Woonbond blijkt dat woonlastenneutrale
tarieven een inkomstenderving van circa € 10 miljoen per jaar zouden betekenen. Dit
creëert een financieel verdelingsvraagstuk. Ik zal de huidige EPV-tarieven herzien
in het licht van de afschaffing van de salderingsregeling. Een wijziging van de tarieven
vereist een aanpassing van de regelgeving. De internetconsultatie hiertoe start deze
zomer.
Vervolg EPV: instrument behouden, maar beperkt schaalbaar
Ik stel vast dat de meerwaarde van de EPV voor de verduurzamingsopgave beperkt is
geweest. Ook constateert het kabinet dat de modernisering naar EPV 2.0, de knelpunten
op het gebied van complexiteit en administratieve lasten niet in voldoende mate heeft
weggenomen. Daarbij zet het kabinet in de huursector in op andere instrumenten voor
verduurzaming, zoals binnen het Woningwaarderingsstelsel, de Nationale Prestatieafspraken,
het uitfaseren van energielabels E, F en G bij huurwoningen en financiële regelingen.
De EPV in haar huidige vorm is hiermee geen breed schaalbaar instrument meer voor
verduurzaming.
Tegelijkertijd zie ik dat er verhuurders zijn die met de EPV goede ervaringen hebben
en de regeling ook in de toekomst willen blijven toepassen. Daarom wil ik de EPV als
instrument in stand laten. Verhuurders van bestaande EPV-woningen behouden zo de mogelijkheid
deze woningen onder de huidige systematiek te blijven verhuren, en de regeling blijft
beschikbaar voor verhuurders die in nieuwe projecten bewust voor toepassing van de
EPV kiezen.
Op dit moment kies ik er niet voor om de technische eisen en kwalificaties van de EPV aan te passen. De verwachting is dat een aanpassing van het EPV-concept
onvoldoende extra toepassing zal opleveren gezien de hierboven beschreven beperkte
meerwaarde voor de verduurzamingsopgave. Wel houd ik, samen met het Ministerie van
Economische Zaken en Klimaat (EZK) en marktpartijen, oog op mogelijkheden en initiatieven
die de gevolgen voor het beëindigen van de salderingsregeling kunnen dempen en de
EPV rendabeler maken. Gedacht kan worden aan het monitoren van de effecten van opslag
en het inzetten op slimme sturing. Ook zal ik bezien of behoefte bestaat aan een eenvoudiger
en breder toepasbaar instrument dat een oplossing kan bieden voor de split incentive,
minder afhankelijk is van salderen en beter aansluit bij wensen uit de markt, zoals
bij collectieve systemen.
Meting energielabels in woningen private verhuur
Om inzicht te krijgen in de voortgang van de verduurzaming in de private huursector,
is een onderzoek uitgevoerd naar de energielabels in die sector. Daarbij is specifiek
gekeken naar de resterende opgave voor het uitfaseren van energielabels E, F en G
per 2029, waar regelgeving toe in de maak is11. Het rapport van ABF Research laat zien dat er circa 244.000 huurwoningen zijn met
energielabel E, F of G (peildatum 01-01-2025).12 Exclusief monumenten zijn dat er circa 220.000. Dit zijn de woningen die vanaf 2029
onder de nieuwe normering voor energielabels E, F en G vallen. Verhuurders moeten
hier de komende jaren mee aan de slag. Om hen te helpen, is er subsidie beschikbaar
via de Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen (SVOH). Tot 2030 is
er nog ongeveer € 113 miljoen aan subsidie beschikbaar.
Verduurzaming door Vereniging van Eigenaren (VvE)
Als onderdeel van de VvE-versnellingsagenda13 wordt er in samenwerking met het Ministerie van Justitie en Veiligheid gewerkt aan
het wetsvoorstel versnelling verduurzaming en onderhoud verenigingen van eigenaars.
Met het wetsvoorstel kunnen VvE’s sneller en eenvoudiger overgaan tot het verduurzamen
van het VvE-gebouw en het verrichten van noodzakelijk onderhoud. In het wetsvoorstel
worden in de kern drie wijzigingen opgenomen:
1) besluiten voor verduurzaming en onderhoud van het VvE-gebouw en financiering daarvan
kunnen worden genomen met een meerderheid van ten minste vijftig procent van de aanwezige
stemmen;
2) de looptijd van een meerjarenonderhoudsplan wordt van 10 naar 30 jaar verlengd met
een verplichte duurzaamheidsparagraaf. Op deze wijze houdt de VvE vroegtijdig rekening
met uitgaven, die ingezet kunnen worden voor groot onderhoud in combinatie met verduurzaming;
3) opstalrecht; er wordt voorgesteld om sneller en eenvoudiger een opstalrecht te kunnen
vestigen op VvE-gebouwen.
Het wetsvoorstel gaat in de zomer in internetconsultatie.
Notificatieregeling voor oplaadpunten
Het wordt voor appartementseigenaren eenvoudiger om een oplaadpunt voor een elektrische
auto op een privé of gezamenlijke parkeerplaats binnen het beheer van de VvE te plaatsen.
Dit gebeurt met een afzonderlijk wetsvoorstel tot wijziging van het appartementsrecht,
ten behoeve van de implementatie van artikel 14, achtste lid van de Energy Performance
of Buildings Directive IV (EPBD IV). Appartementseigenaren die een laadpaal willen
plaatsen kunnen zich op basis van dit wetsvoorstel melden bij het VvE-bestuur met
een concreet werkplan dat voldoet aan de voorwaarden die hiervoor worden opgenomen
in een algemene maatregel van bestuur (AMvB). In tegenstelling tot eerdere communicatie
dat het wetsvoorstel op 29 mei 2026 geïmplementeerd zou zijn, heeft dit helaas vertraging
opgelopen. Het wetsvoorstel zal na de zomer worden aangeboden aan de Raad van State.
De AMvB zal dit najaar geconsulteerd worden.
Impact pauzeknop op woningbouw in Utrecht
Op 12 maart jongstleden heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd over de gezamenlijke
aanpak met TenneT en de regionale netbeheerders en overheden om een volledige aansluitstop
in de Flevopolder, Gelderland en Utrecht (de «FGU-regio») te voorkomen. Aanleiding
daarvoor was het signaal van TenneT medio februari dat zonder aanvullende maatregelen
in deze regio geen nieuwe of zwaardere kleinverbruikaansluitingen meer mogelijk zouden
zijn vanaf aankomende zomer. Om dit in het gehele FGU-gebied af te wenden, hebben
de netbeheerders en overheden afspraken gemaakt, maatregelen getroffen en het gebied
verdeeld in 5 deelgebieden. Daarop kon de aansluitstop beperkt blijven tot één gebied.
Het getroffen gebied omvat het grootste deel van de provincie Utrecht.
Komende drie jaar voldoende ruimte voor woningbouw Utrecht
Ik heb toegezegd om de Kamer via de woonmonitor nader te informeren over de concrete
gevolgen van de pauzeknop voor woningbouw in Utrecht.14 De afgesproken maatregelen geven voldoende zekerheid aan de netbeheerders dat de
geplande woningen in de provincie komende jaren toch aangesloten kunnen worden. Het
gaat in totaal om transportcapaciteit voor 50.000 woningen die bij de netbeheerders
bekend zijn als «onder handen werk». Dit zijn projecten die voldoende concreet zijn
uitgewerkt en waarvan de bouw de komende drie jaar start (uiterlijk 1 april 2029).
Stedin heeft de lijst met projecten gecontroleerd en aangepast in overleg met vertegenwoordigers
van de gemeenten Utrecht en Amersfoort, provincie Utrecht en de woondealregio’s MRU
West, Amersfoort en Foodvalley. Projecten die bij Stedin nog niet bekend waren maar
die zich al wel in vergevorderd stadium van ontwikkeling bevinden, zijn ook aan de
lijst toegevoegd en kunnen ook komende jaren worden aangesloten.
Hierdoor zou er voldoende ruimte op het net moeten zijn om woningbouw-projecten die
bij de netbeheerders bekend zijn en die de komende drie jaar starten met bouw toch
aan te sluiten. In de periode na deze drie jaar (vanaf 2029) lopen jaarlijks circa
7.250 woningen het risico dat er niet op tijd transportcapaciteit beschikbaar is.
Dit aantal is een schatting op basis van de jaarlijkse woningbouwproductie in de provincie.
Samen met de netbeheerders werken we -op basis van de in de FGU gemaakte afspraken-
aan oplossingen om meer transportcapaciteit te realiseren en om netbewust en congestieneutraal
te bouwen. Daarmee zetten we erop in ook vanaf 2029 de impact op de woningbouw te
minimaliseren.
Motie Klos over lokale energiehulporganisaties
In de motie van het lid Klos15 wordt de regering verzocht om met de VNG en het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie
(NPLW) in gesprek te gaan, met als doel dat lokale energiehulporganisaties vaker worden
geselecteerd bij de ondersteuning van de verduurzaming van huishoudens met een lager
inkomen, door het opnemen van voorwaarden in aanbestedingen.
Een aantal initiatieven bestaat al. Zo is er door RVO en NPLW een handreiking inschakelen
energieklusdiensten geschreven waarin gemeenten verschillende methoden worden voorgelegd
hoe ze lokaal initiatief kunnen inzetten. Ook is met subsidie vanuit mijn ministerie,
het Actienetwerk Energiearmoede opgericht door de Energiebank en Fixbrigade dat lokale
energiehulporganisaties kan ondersteunen. Een volgend aangrijpingspunt hiervoor is
de uitwerkingsfase van het Energiehuis.16 Daarin ga ik met NPLW en VNG aan de slag om gemeenten te faciliteren in het vormgeven
van hun lokale energiehulp. Hier hoop ik u op een later moment nader over te informeren.
Maatregelen voor klimaatadaptatie in bestaande financiële regelingen
In de kamerbrief «Hitte aanpak 2025» van 2 juni 2025 hebben we u bericht over de start van een onderzoek naar de mogelijkheden
om bestaande financiële regelingen uit te breiden met maatregelen gericht op klimaatadaptatie.
Uit onderzoek blijkt namelijk dat zonwering een effectieve maatregel is om hitteproblematiek
tegen te gaan. Adviesbureau Berenschot heeft daarom voor ons onderzocht of de uitbreiding
van bestaande financiële regelingen voor isolatie en energietransitie haalbaar is
en voor welke doelgroepen dit het meest geschikt zou zijn.17 Het rapport beveelt aan om zonwering als maatregel toegankelijker te maken voor huishoudens
die het meest te maken hebben met hitteproblematiek. Uit het onderzoek blijkt dat
dit vooral geldt voor bewoners van appartementen en huurwoningen. De resultaten van
dit onderzoek zullen worden meegenomen in het lopende traject «IBO Energietransitie
Woningvoorraad».
Tot slot
In deze brief ben ik ingegaan op een aantal toezeggingen aan en vragen van Uw Kamer
over belangrijke instrumenten die huurders, verhuurders, woningeigenaren, VvE’s en
eigenaren van utiliteitsgebouwen helpen bij de verduurzaming van hun gebouwen. Daarnaast
heb ik u geïnformeerd over de impact van de pauzeknop op de voortgang van de woningbouw
in Utrecht.
Nauwe samenwerking met alle stakeholders om de woningproductie te versnellen en het
verbeteren van de instrumenten voor verduurzaming van woningen en utiliteitsgebouwen
blijft ook de komende periode hard nodig voor de grote ruimtelijke en volkshuisvestelijke
opgaven waar we voor staan.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,
E. Boekholt-O'Sullivan
Indieners
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening