Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg inzake de Geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad 13 juli 2026 (Kamerstuk 21501-32-1823)
2026D35658 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur hebben
de onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister
van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over zijn brief van 2 juli 2026
over «Geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad 13 juli 2026» (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1823).
De voorzitter van de commissie,
Steen
Adjunct-griffier van de commissie,
Bosman
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
II
Antwoord/Reactie van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
III
Volledige agenda
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda. Deze
leden constateren dat de Sociaal-Economische Raad (SER) op 26 juni een kritisch briefadvies
heeft uitgebracht over de kwaliteit van de omnibusvoorstellen van de Europese Commissie
(EC) (SER, 26 juni 2026, «SER vraagt aandacht voor kwaliteit van Europese wetgeving»
(https://www.ser.nl/nl/publicaties/kwaliteit-europese-wetgeving). De SER wijst erop dat een onderbouwing in de vorm van een impactassessment ontbreekt,
dat de voorstellen eenzijdig op lastenreductie zijn gericht en dat oog voor de effecten
op de brede welvaart tekortschiet. Deze leden constateren dat de SER daarmee niet
alleen staat: ook de Europese Ombudsman kwam in november 2025 tot het oordeel dat
de Commissie zich bij de omnibusreeks niet aan haar eigen Better Regulation-maatstaven
houdt. Hoe weegt het kabinet deze opeenvolgende kritische adviezen en deelt het kabinet
de zorg dat het uitblijven van impactassessments de voorspelbaarheid, kwaliteit en
legitimiteit van Europese wetgeving ondermijnt? De SER roept het kabinet concreet
op zich in Brussel actiever in te zetten voor wetgevingskwaliteit en proceswaarborgen,
zoals impactanalyses, brede consultatie en transparantie. Is het kabinet bereid deze
oproep over te nemen en zich hier in Raadsverband hard voor te maken? Deze leden hechten
er tegelijk aan te benadrukken dat vereenvoudiging en wetgevingskwaliteit geen tegenstelling
hoeven te vormen. Zij vragen het kabinet hoe het zich ervoor inzet dat de omnibus
daadwerkelijk leidt tot betere, evidence-based regelgeving en niet uitsluitend tot
minder regelgeving.
De leden van de D66-fractie zijn voorts bezorgd over het gelekte conceptrapport van
de rapporteurs van het Europees Parlement (EP), dat op onderdelen nog verder gaat
in het versoepelen van de toelating van gewasbeschermingsmiddelen dan de EC zelf voorstelt.
Hoe beoordeelt het kabinet dit conceptrapport en is het kabinet bereid zich ervoor
in te spannen dat een hoog niveau van bescherming van mens, dier en milieu geborgd
blijft?
De leden van de D66-fractie maken van dit overleg gebruik om aandacht te vragen voor
de positie van voedselinnovatie in Europa. Deze leden herinneren de Minister aan de
eerder aangenomen motie-Tjeerd de Groot waarin de regering werd verzocht zich ervoor
in te zetten dat kweekvlees op de werkagenda van de Europese Commissie zou worden
geplaatst (Kamerstuk 36 410 XIV, nr. 84). Deze leden vragen het kabinet naar de stand van zaken: op welke wijze en met welk
resultaat is aan deze motie uitvoering gegeven? Deze leden constateren met zorg dat
Europa dreigt achterop te raken bij de Verenigde Staten en andere landen als het gaat
om de markttoelating van producten uit kweekvlees, precisiefermentatie en natuurlijke
fermentatie, terwijl Nederland juist internationaal koploper is in voedselinnovatie.
De huidige Novel Food-verordening wordt door veel bedrijven ervaren als traag en beknellend.
Kan het kabinet aangeven hoeveel tijd een gemiddelde markttoelatingsprocedure onder
de Novel Food-verordening thans in beslag neemt en hoe zich dit verhoudt tot de doorlooptijden
in de Verenigde Staten en Singapore?
De leden van de D66-fractie vragen het kabinet voorts of de Omnibus Food and Feed,
of enig ander aangekondigd voorstel, elementen bevat die de toelating van deze innovatieve
producten kunnen versnellen of vereenvoudigen. Zo ja, welke? Zo nee, is het kabinet
bereid zich er in Raadsverband voor in te zetten dat een versnelling en vereenvoudiging
van de Novel Food-toelating alsnog op de Europese agenda komt? Ten slotte maken deze
leden zich zorgen over het vestigingsklimaat voor deze sector. Innovatieve voedselbedrijven
verlaten Europa vanwege de knellende regelgeving en de trage toelatingsprocedures
van deze voedselinnovaties- en producten. Deelt het kabinet de opvatting dat dit een
verlies zou betekenen voor de Europese en Nederlandse strategische autonomie op eiwitgebied,
temeer daar het gelekte Proteïneplan juist inzet op diversificatie van eiwitbronnen?
Welke stappen zet het kabinet, in Brussel en nationaal, om te voorkomen dat deze koploperspositie
verloren gaat en bedrijven vertrekken?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 13 juli 2026 en de onderliggende stukken.
Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.
Strategie voor de veehouderij en de EU-Eiwitstrategie
De leden van de VVD-fractie lezen dat de EC tijdens deze Raad de Strategie voor de
Veehouderij en de EU-Eiwitstrategie zal presenteren. Deze leden onderschrijven het
belang van een sterke, innovatieve en economisch renderende Europese landbouw- en
veehouderijsector. Kan de Minister aangeven welke concrete uitgangspunten Nederland
tijdens deze eerste gedachtewisseling zal inbrengen? Kan hij bevestigen dat Nederland
zich zal inzetten voor een strategie die de concurrentiekracht van de Europese landbouw
versterkt, ruimte laat voor innovatie en ondernemerschap en niet leidt tot nieuwe
productiebeperkingen of disproportionele administratieve lasten voor boeren?
De leden van de VVD-fractie vragen de Minister voorts hoe hij voorkomt dat de Europese
eiwitstrategie leidt tot sturing op één specifiek productiesysteem.
Actieplan Meststoffen
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het BNC-fiche over het Europese
Actieplan Meststoffen. Deze leden onderschrijven het belang van strategische autonomie,
maar benadrukken dat verduurzaming alleen kans van slagen heeft wanneer deze uitvoerbaar
blijft voor ondernemers. Zij lezen dat het kabinet kritisch is op onderdelen van de
voorgestelde Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB)-crisisregeling vanwege de uitvoerbaarheid
daarvan. Kan de Minister nader toelichten welke onderdelen volgens het kabinet tot
de grootste uitvoeringsproblemen leiden? Welke concrete wijzigingen zal Nederland
tijdens de onderhandelingen bepleiten om de regeling eenvoudiger, sneller uitvoerbaar
en minder administratief belastend te maken?
De leden van de VVD-fractie lezen tevens dat de EC inzet op versterking van de Europese
productie van meststoffen en circulaire alternatieven. Kan de Minister aangeven welke
concrete maatregelen Nederland hierbij ondersteunt? Op welke wijze zet Nederland zich
in voor een verdere toelating en toepassing van RENURE en andere circulaire meststoffen,
zodat de afhankelijkheid van import uit derde landen daadwerkelijk wordt verminderd?
De leden van de VVD-fractie vragen de Minister tevens hoe hij voorkomt dat de verduurzamingsambities
uit het actieplan leiden tot een verslechtering van de internationale concurrentiepositie
van de Nederlandse agrarische sector en de Europese kunstmestindustrie. Kan hij bevestigen
dat Nederland zich zal blijven verzetten tegen voorstellen die leiden tot extra administratieve
lasten of nationale koppen bovenop Europese regelgeving?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de EC verschillende tijdelijke crisismaatregelen
voorstelt. Kan de Minister bevestigen dat deze maatregelen daadwerkelijk tijdelijk
blijven en niet via toekomstige wetgeving alsnog structureel onderdeel worden van
het GLB?
Handelsgerelateerde landbouwvraagstukken
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van open internationale handelsstromen.
Deze leden vragen de Minister welke handelsdossiers tijdens deze Raad voor Nederland
de hoogste prioriteit hebben. Hoe zet Nederland zich ervoor in dat nieuwe handelsafspraken
daadwerkelijk leiden tot een gelijk speelveld, waarbij geïmporteerde landbouwproducten
aan vergelijkbare eisen voldoen als Europese producten? Is de Minister bereid zich
te blijven inzetten voor ambitieuze handelsakkoorden die bijdragen aan de concurrentiekracht
van de Nederlandse land- en tuinbouw?
Vrouwen in de landbouw
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de gedachtewisseling over vrouwen
in de landbouw. Deze leden onderschrijven dat talent en ondernemerschap in de agrarische
sector optimaal benut moeten worden. Kan de Minister aangeven welke concrete belemmeringen
vrouwelijke agrarische ondernemers volgens het kabinet in de praktijk nog ervaren
en op welke wijze Europese samenwerking daarbij daadwerkelijk meerwaarde kan bieden?
Kan de Minister tevens bevestigen dat de Nederlandse inzet erop gericht blijft dat
eventuele Europese initiatieven zich richten op het wegnemen van feitelijke belemmeringen
en het delen van goede voorbeelden, en niet leiden tot nieuwe administratieve verplichtingen
of rapportageverplichtingen voor agrarische ondernemers?
Gemeenschappelijk Landbouwbeleid
De leden van de VVD-fractie lezen dat de onderhandelingen over het GLB na 2027 voortgaan.
Deze leden zijn van mening dat het toekomstige GLB eenvoudiger en minder bureaucratisch
moet worden. Kan de Minister aangeven welke concrete vereenvoudigingen Nederland momenteel
actief bepleit tijdens de onderhandelingen? Welke administratieve verplichtingen voor
agrariërs zouden volgens het kabinet als eerste moeten verdwijnen? Kan de Minister
daarnaast aangeven met welke lidstaten Nederland momenteel optrekt om te komen tot
een eenvoudiger en concurrerender GLB? Ziet de Minister ruimte om samen met gelijkgezinde
lidstaten verdere stappen te zetten op het terrein van regeldrukvermindering en vereenvoudiging?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de stukken voor de Landbouw-
en Visserijraad van 13 juli. Deze leden zullen hun opmerkingen, suggesties en vragen
per onderwerp uiteenzetten.
Iers voorzitterschap
De leden van de PRO-fractie lezen in de geannoteerde agenda dat het Iers voorzitterschap
haar prioriteiten presenteert voor het komende halfjaar. Deze leden zijn benieuwd
welke accenten de Ieren leggen. Met name vragen zij zich af welke onderwerpen onder
het voorzitterschap deze zomer zullen worden geagendeerd, onderhandeld of besproken.
Brengt het kabinet in deze bespreking ook zelf aandachtspunten naar voren? Zo ja,
welke zijn dit?
De leden van de PRO-fractie merken op dat, wegens het zomerreces, de Kamer zeer beperkt
in staat is om zich uit te spreken over nieuwe ontwikkelingen. Het meest prangende
onderwerp is wat deze leden betreft de Omnibus Food and Feed. Zij vragen het kabinet
dan ook om aan te geven tijdens de Raad dat het parlement heeft gevraagd om nauwe
betrokkenheid en om verder terughoudend te zijn in het doen van toezeggingen over
politiek gevoelige kwesties. Is het kabinet bereid dit voorbehoud te maken? Hoe voert
het kabinet tijdens het reces de motie-Bromet c.s. (Kamerstuk 22 112, nr. 4335), die vraagt om voorafgaand aan stemmingen over de Omnibus Food and Feed de Kamer
in staat te stellen om zich uit te spreken, uit?
Omnibus
De leden van de PRO-fractie zijn zeer ontstemd over de wijze waarop de Omnibus Food
and Feed tot dusver is behandeld in Europees verband. Deze leden hebben ernstige bezwaren
tegen de handelwijze van het Cypriotisch voorzitterschap, de onnodige bloedspoed en
de ondoorzichtigheid van het hele proces. Het is van het grootste belang dat de Kamer
is verzekerd dat aan de door haar en het kabinet gestelde randvoorwaarden wordt voldaan.
Dit is enkel toetsbaar met een wetenschappelijke onderbouwing, al helemaal omdat een
Europese impactassessment ontbreekt. Hoe heeft het kabinet haar bezwaren over het
proces aan het voorzitterschap duidelijk gemaakt? Is het kabinet bereid deze zorgen
ook luid en duidelijk kenbaar te maken bij het Iers voorzitterschap? Deze leden verzoeken
met klem om de fouten die door het Cypriotisch voorzitterschap zijn gemaakt te voorkomen
onder het Iers voorzitterschap.
De leden van de PRO-fractie zijn daarnaast benieuwd wat de tijdlijn is voor de onderhandelingen
over de Omnibus Food and Feed in de komende periode. Verwacht het kabinet dat er deze
zomer een nieuw compromisvoorstel wordt gepresenteerd? Wat doet het kabinet om ervoor
te zorgen dat er een zorgvuldige en onderbouwde afweging gemaakt kan worden over dit
voorstel? Onder welke voorwaarden stemt het kabinet voor een nieuw compromisvoorstel,
onder welke voorwaarden maakt zij een voorbehoud of stemt het tegen? Hoe houdt het
kabinet rekening met de aangenomen Kamermoties die extra voorwaarden stellen aan het
voorstel? Zou het kabinet een nieuw compromisvoorstel steunen, ook als het een stap
terug is voor de Nederlandse inzet ten opzichte van het Cypriotisch voorstel van 12 juni
2026? Op basis van welke wetenschappelijke onderbouwing maakt het kabinet deze afweging?
Welke specifieke bronnen raadpleegt het kabinet om haar afweging te maken? Kan het
kabinet een lijst aanleveren van de relevante onderzoeken? Deze leden vragen dit zo
concreet mogelijk te maken. Welk vervolg geeft het kabinet op de kritische reactie
van de SER over de Omnibuswetgeving als geheel (SER, 26 juni 2026, «SER vraagt aandacht
voor kwaliteit van Europese wetgeving» (https://www.ser.nl/nl/publicaties/kwaliteit-europese-wetgeving))? Deelt het kabinet de kritiek van de SER?
EU-Actieplan Meststoffen
De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van het EU-Actieplan Meststoffen.
Deze leden zijn kritisch op het voorstel om vanuit toekomstige GLB-middelen korte
termijn generieke steunmaatregelen te financieren voor boeren en makers van kunstmest.
Publieke middelen moeten altijd publieke doelen dienen. In dit geval vinden deze leden
onvoldoende onderbouwd dat dit voorstel de belangen van de natuur en de groene transitie
van de landbouw dient. Zij vragen het kabinet om duidelijk te maken hoe zulke steunmaatregelen
worden betaald, om hoeveel geld dit gaat en ten koste van welke doelen dit komt. Kan
het kabinet onderbouwen dat dit geen afbreuk doet aan groene ambities? Is het kabinet
bereid voor te stellen om het uitkeren van geld aan getroffen boeren te combineren
met duurzaamheidsambities? Ziet het kabinet hiertoe mogelijkheden?
De leden van de PRO-fractie zijn ernstig bezorgd over de staat van de Nederlandse
natuur en het behalen van de stikstofdoelen. Deze leden lezen dat het kabinet ook
twijfels heeft over de onderdelen van het voorstel die de stikstofopgave in Nederland
vergroten en de doelen verder uit beeld brengen. Het ligt dan voor de hand dat het
kabinet niet in zal stemmen met het Actieplan zolang dit zal leiden tot een toename
van de stikstofuitstoot, met oog op het recent aangekondigde stikstofplan en de ambitie
om Nederland van het slot te halen. Kunnen deze leden erop rekenen dat het kabinet
het voorstel als geheel afwijst, als het zou leiden tot meer stikstofuitstoot? Verwacht
het kabinet nog deze zomer stemmingen over (delen uit) het Actieplan? Zo ja, is het
kabinet bereid om alle onderdelen die de stikstofuitstoot verhogen af te wijzen?
Gemeenschappelijk Landbouwbeleid
De leden van de PRO-fractie zijn blij met de voortvarende uitvoering van de motie-Bromet/Podt
(Kamerstuk 21 501-32, nr. 1780) en de nadere uitleg hierover in het verslag van een eerder schriftelijk overleg
(Kamerstuk 21 501-32, nr. 1812). Deze leden vragen om concreet te maken met welke lidstaten het kabinet optrekt
om de motie verder uit te voeren en welke verdere stappen het hiertoe tijdens het
zomerreces zal zetten.
De leden van de PRO-fractie vinden dat publieke middelen ten goede moeten komen van
publieke doelen. Daarom pleiten deze leden voor het oormerken van GLB-middelen voor
groenblauwe diensten, die veel boeren bereid zijn te leveren tegen een marktconforme
prijs. Ziet het kabinet mogelijkheden om hier in de onderhandelingen voor te pleiten,
zodat GLB-middelen direct bijdragen aan bewezen effectieve maatregelen die de natuur
verbeteren en bijdragen aan het verdienmodel van boeren? Helaas kunnen deze leden
wegens het zomerreces geen Kameruitspraak op dit punt organiseren. Echter vragen zij
het kabinet om toe te zeggen zich in te zetten om een deel van het GLB voor groenblauwe
diensten te oormerken.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
Landbouw- en Visserijraad van 13 juli 2026. Deze leden hechten er grote waarde aan
dat de Nederlandse agrarische sector gewaarborgd blijft, roepen op tot het beschermen
van onze boeren tegen Brusselse regeldruk en hebben met betrekking tot de voorliggende
stukken nog enkele kritische opmerkingen en vragen.
Veeteeltplan en Proteïneplan
De leden van de PVV-fractie hebben vernomen dat er concepten zijn uitgelekt van het
Veeteeltplan en Proteïneplan van de EC. Uit cijfers van Eurostat blijkt dat de veesector
in de EU de afgelopen tien jaar ongekend fors is gekrompen, waaronder een daling van
8,9 procent van het aantal varkens en 9,8 procent van het aantal koeien. Deze leden
van de PVV-fractie vragen hoe de krimp in Nederland zich verhoudt tot de krimp in
de EU, graag in percentage en concrete aantallen. Zij vragen hoe het verloop van deze
krimp in Europa en in Nederland zich verhoudt over toen de krimp begonnen is. Graag
ontvangen zij een reactie van de Minister over tenminste de afgelopen 25 jaar. Zij
vragen of de Minister een reactie kan geven op deze desastreuze krimp in het licht
van onze nationale voedselzekerheid en het verdienvermogen van de Nederlandse boer.
De leden van de PVV-fractie lezen daarnaast dat de EC in het Veeteeltplan met nieuwe,
strenge dierenwelzijnsregels wil komen, wat tot grote kosten in de hele keten leidt.
Deze leden verzoeken om de Nederlandse veehouderij maximaal te beschermen tegen nieuwe,
onhaalbare Europese regeldruk die de concurrentiepositie van onze boeren verder kapotmaakt.
Daarbij herinneren zij de Minister aan de motie-Lohman (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1767) over de visie op de eiwitketen en vragen zij hoe de Minister de belangen van de
Nederlandse agrarische sector hierin voorop gaat stellen.
Gewasbeschermingsmiddelen en Omnibuswetgeving
De leden van de PVV-fractie delen de forse en terechte kritiek van de SER op de omnibuswetgeving
van de EC. De SER hekelt dat fundamentele impact assessments ontbreken en wijst op
de gebrekkige kwaliteit en voorspelbaarheid van de wetgeving.
De leden van de PVV-fractie vragen de Staatssecretaris of hij de mening deelt dat
Europese regelgeving zonder een gedegen impactanalyse onacceptabel is voor de agrarische
sector.
De leden van de PVV-fractie steunen daarnaast het initiatief vanuit het EP om de goedkeuring
voor bepaalde gewasbeschermingsmiddelen te verlengen naar 15 jaar in plaats van de
door de EC voorgestelde 7 jaar, zodat we onze boeren het benodigde gereedschap en
toekomstperspectief bieden. Deze leden verzoeken om dit initiatief in de Raad volmondig
te steunen. Voorafgaand aan het overleg van het Standing Committee on Plants, Animals,
Food and Feed (SCoPAFF) adviseerde het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
en biociden (Ctgb) al positief over de tijdelijke verlenging van 21 werkzame stoffen,
omdat de besluitvorming door de EC te traag verloopt.
De leden van de PVV-fractie verzoeken het kabinet om zich in de EU snoeihard te maken
voor vlottere besluitvorming, zodat Nederlandse boeren niet de dupe worden van een
falende Brusselse toelatingsprocedure.
Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) post-2027
De leden van de PVV-fractie constateren dat zich breuklijnen vormen binnen Europa
over het toekomstige GLB. De EC wil in het concept-compromisvoorstel een maximum van
100.000 euro aan directe inkomenssteun per bedrijf invoeren. In de stukken is te lezen
dat dit direct samenhangt met een eventuele toetreding van Oekraïne tot de EU, omdat
zonder een plafond de immense Oekraïense landbouwbedrijven een gigantisch deel van
de GLB-middelen zouden opslokken.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister kan toelichten hoe hij gaat voorkomen
dat een toetreding van Oekraïne ten koste gaat van het GLB-budget voor onze eigen
Nederlandse boeren.
De leden van de PVV-fractie verzoeken om het landbouwbudget voor de nationale agrarische
sector koste wat kost te waarborgen.
EU-Actieplan Meststoffen
De leden van de PVV-fractie hebben de kabinetsappreciatie van het EU-Actieplan Meststoffen
met bovengemiddelde interesse gelezen. Het is cruciaal voor de sector dat bewerkte
vormen van dierlijke mest (RENURE) breder mogen worden ingezet boven de huidige gebruiksnorm
voor dierlijke mest, als een volwaardige kunstmestvervanger. Het kabinet merkt in
haar appreciatie echter op dat dit mogelijk tot ammoniakemissies leidt en dat de huidige
strenge RENURE-criteria leidend moeten blijven.
De leden van de PVV-fractie verzoeken om direct te stoppen met het opwerpen van aanhoudende
milieu-obstakels en de Nitraatrichtlijn zodanig te interpreteren dat de broodnodige
introductie van RENURE niet onmogelijk wordt gemaakt. Tot slot zien deze leden dat
er voor de voorgestelde liquiditeitssteun aan boeren een strategische wijziging in
het Nationaal Strategisch Plan (NSP) benodigd is, wat weer gepaard gaat met onwerkbare
voorwaarden zoals verplichte voorlichting.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister kan garanderen dat financiële steun
de agrarische ondernemers daadwerkelijk en tijdig bereikt, zonder dat zij bedolven
worden onder ingewikkelde klimaat- of milieuvoorwaarden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de
Landbouw- en Visserijraad van 13 juli. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen
en opmerkingen. Zij vragen de Minister en de Staatssecretaris alle vragen één voor
één en volledig te beantwoorden, omdat deze leden in het verleden hebben gezien dat
sommige vragen worden overgeslagen.
Omnibus food and feed simplification
De leden van de PvdD-fractie hebben de brief van de Staatssecretaris over de ScoPAFF-vergadering
gelezen en zijn benieuwd naar de meest recente ontwikkelingen in de onderhandelingen
met betrekking tot het compromisvoorstel van het Omnibus Food and Feed.
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van geluiden uit Europa die melden
dat bij elk volgend raadsoverleg vlak van tevoren een nieuw compromisvoorstel van
het Omnibuspakket op de agenda gezet kan worden. Zo zou er sprake van zijn dat dit
voor een overleg op 9 juli gebeurt. Deze leden vragen de Staatssecretaris of hij dit
kan bevestigen. Zo ja, kan hij delen hoe dit proces is verlopen en wat er tijdens
deze vergadering is besloten over mogelijke vervolgstappen in het proces? Zo ja, heeft
hij het conceptvoorstel tot zijn beschikking en op welke wijze en wanneer gaat hij
dit met de Kamer, het Ctgb en de wetenschappers van de EU-wetenschapstoets delen?
Hoe wordt geborgd dat dit keer de wetenschappers van de EU-wetenschapstoets wel proactief
en meteen worden betrokken in het proces, zodat ze zoveel mogelijk tijd krijgen om
te reageren op wat er uiteindelijk op tafel ligt (deze vraag geldt ook als de besluitvorming
in Brussel pas veel later plaatsvindt)?
De leden van de PvdD-fractie vragen of de Staatssecretaris bereid is om voor een ordentelijk
democratisch proces te pleiten en zich te blijven houden aan de aangenomen motie-Bromet
c.s. (Kamerstuk 22 112 nr. 4335) die vraagt de Kamer zich eerst te laten uitspreken over wat er voorligt voordat
de Staatssecretaris een standpunt zal innemen in verdere ontwikkelingen? Is de Staatssecretaris
van plan het Ctgb en wetenschappers het commissievoorstel te laten beoordelen voordat
hij een standpunt gaat innemen? Welke scenario’s heeft de Staatssecretaris hiervoor
klaarliggen om aan deze motie te voldoen, ook wanneer het proces in een versnelling
terechtkomt?
De leden van de PvdD-fractie vragen of de Staatssecretaris zich zal houden aan zijn
meerdere toezeggingen en de aangenomen motie-Kostic (Kamerstuk 22 112, nr. 4328) die vragen hem niet in te stemmen met een voorstel dat leidt tot verslechtering
van het huidige beschermingsniveau van mens, dier en milieu en zich in de beoordeling
te laten bijstaan door adviezen van betrokken wetenschappers van Universiteit Leiden,
Wageningen University & Research en het Ctgb, en hierover aan de Kamer te rapporteren.
De leden van de PvdD-fractie vragen of de Staatssecretaris kennis heeft genomen van
een wetenschappelijk artikel in het belangrijke wetenschappelijke journal Science
getiteld «EU Omnibus proposal increases pesticide risks. More efficient environmental
risk assessment and stronger protection are achievable» (Wintermantel et al., 18 juni
2026, «EU Omnibus proposal increases pesticide risks» (https://www.science.org/doi/10.1126/science.aeg8744?__cf_chl_f_tk=ELuRb…))? Kan de Staatssecretaris reageren op het feit dat deze wetenschappers concluderen
dat het omnibuspakketvoorstel van de EC leidt tot vergroting van het gezondheidsrisico
van mens, dier en milieu? Is hij het met deze leden eens dat dit voorstel dus, tegen
de wens van de Kamer en kabinet in, in ieder geval geen behoud van het huidige beschermingsniveau
betekent? Is de Staatssecretaris het met de wetenschappers eens dat het een verslechtering
betekent van de gezondheid van mens, dier en milieu? Hoe gaat hij bewijzen dat een
compromisvoorstel leidt tot een verbetering? Is de Staatssecretaris het met hen eens
dat zo een kritisch artikel nogmaals aantoont dat er een impact assessment moet komen
op de omnibuswetgeving? Gaat hij daarvoor pleiten? Kan de Staatssecretaris reageren
op de «shortcomings of the current approach» en per tekortkoming of hij het hiermee
eens is, of met wetenschappelijke argumenten anders denkt? Kan hij aangeven en onderbouwen
hoe hij ziet dat deze tekortkomingen verholpen zijn in het compromisvoorstel? Is de
Staatssecretaris van plan om op Europees niveau te pleiten voor de veiligere alternatieven
die worden aangereikt in dit wetenschappelijke artikel? Welke gevolgen hebben deze
belangrijke wetenschappelijke inzichten voor de positie en oordeelsvorming van het
kabinet als het gaat om het Omnibuspakket? Neemt hij dit wetenschappelijke onderzoek
mee in zijn «gecalculeerde inschatting»? Zo ja, op welke wijze? Kan de Staatssecretaris
toezeggen de lijn van de wetenschappers te volgen, en tegen dit pakket te stemmen
als er niets fundamenteels aan verandert, in lijn met motie-Kostic (Kamerstuk 22 112, nr. 4328)?
De leden van de PvdD-fractie vragen of de Staatssecretaris kennis heeft genomen van
de brief geschreven door Europarlementariërs Tilly Metz en Anna Strolenberg aan Ursula
von der Leyen, President van de EC (Contexte, 1 juli 2026, (https://www.contexte.com/fr/actualite/agro/omnibus-securite-alimentaire…)). Zo ja, deelt de Staatssecretaris de bevindingen van deze rapporteurs? Zo nee,
kan de Staatssecretaris toelichten met welke onderdelen van deze brief hij het niet
eens is en kan hij dat met verwijzing naar actuele wetenschappelijke conclusies onderbouwen?
De leden van de PvdD-fractie zijn aanvullend op deze brief ook benieuwd naar wat de
Staatssecretaris vindt van het feit dat Foodwatch een klacht heeft ingediend bij de
Europese Ombudsvrouw betreffende de handelwijze van de Europese Commissie. Is hij
het met de klacht eens? Zo nee, waarom niet?
De leden van de PvdD-fractie vragen of de Staatssecretaris ervan op de hoogte is dat
de Europese Ombudsvrouw van mening is dat de toezeggingen van de EC onvoldoende duidelijk
en concreet zijn om een transparant, inclusief en op bewijs gebaseerd wetgevingsproces
te waarborgen, als het gaat om de omnibuswetgeving (European Ombudsman (https://www.ombudsman.europa.eu/en/decision/en/228151)). Is de Staatssecretaris van plan om op Europees niveau te pleiten voor een zorgvuldiger
wetgevingsproces? Hoe gaat hij dat precies borgen? Is de Staatssecretaris het ermee
eens dat deze handelwijze van de EC laakbaar is en het democratisch gehalte en zorgvuldigheid
van deze wetgeving onder druk zet?
De leden van de PvdD-fractie vragen of de Staatssecretaris kennis heeft genomen van
de bezorgde brief van de SER over de kwaliteit van het Europese wetgevingsproces,
waarvan het Omnibuspakket de directe aanleiding is (SER, 26 juni 2026, «SER vraagt
aandacht voor kwaliteit van Europese wetgeving» (https://www.ser.nl/nl/publicaties/kwaliteit-europese-wetgeving)? Hoe reflecteert de Staatssecretaris erop dat de SER zich genoodzaakt voelt om deze
brief te sturen? Kan de Staatssecretaris ingaan op de aanbevelingen van de SER en
per aanbeveling aangeven of en op welke wijze hij van plan is eraan uitvoering te
geven? Is de Staatssecretaris van plan de SER in de komende week uit te nodigen voor
een verdere toelichting? Welke gevolgen heeft het advies van SER voor de positie en
standpunt van het kabinet als het gaat om het Omnibuspakket?
Veeteeltplan en Proteïneplan
De leden van de PvdD-fractie hebben met betrekking tot het veeteeltplan en het proteïneplan
nog een aantal vragen en opmerkingen.
De leden van de PvdD-fractie vragen welke stappen het kabinet gaat zetten om de markt
en de consument te stimuleren om conform het proteïneplan meer in te zetten op plantaardige
alternatieven voor menselijke consumptie. Deze leden vragen hoe de Staatssecretaris
invulling gaat geven aan aangenomen motie-Dassen (Kamerstuk 35 334, nr. 464) en of de Staatssecretaris ruimte ziet om duidelijk te borgen dat er wordt ingezet
op een andere voedselstrategie die toekomst biedt voor de landbouw, en tegelijkertijd
emissies reduceert.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de Landbouw- en Visserijraad. Deze leden hebben daarover zowel vragen
als opmerkingen.
De leden van de BBB-fractie begrijpen dat de EC agrariërs wil ondersteunen nu de kunstmestprijzen
als gevolg van de geopolitieke ontwikkelingen sterk zijn gestegen. Deze leden zijn
heel blij met het feit dat de EC in de huidige geopolitieke omstandigheden maatregelen
wil treffen om agrariërs te ondersteunen. Zij waarderen dat de EC oog heeft voor de
forse stijging van de kunstmestprijzen en de gevolgen daarvan voor de agrarische sector.
Betaalbare en beschikbare meststoffen zijn immers van groot belang voor de voedselproductie
en daarmee uiteindelijk ook voor de beschikbaarheid en betaalbaarheid van voedsel
voor Europese consumenten. Juist daarom vragen deze leden of de voorgestelde steunmaatregel
wel de meest doelmatige en toekomstbestendige oplossing is.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de EC honderden miljoenen euro’s uittrekt
om de gevolgen van hoge kunstmestprijzen te verzachten, terwijl de Europese regelgeving
tegelijkertijd landbouwers ertoe verplicht voor een deel van hun stikstofvoorziening
afhankelijk te blijven van kunstmest.
De leden van de BBB-fractie merken op dat de totale hoeveelheid stikstof die een gewas
mag ontvangen, wordt bepaald door de geldende gebruiksnormen, die zijn afgestemd op
de behoefte van het gewas en de omstandigheden waaronder het wordt geteeld. De Nitraatrichtlijn
beperkt echter afzonderlijk de hoeveelheid stikstof die afkomstig mag zijn uit dierlijke
mest tot maximaal 170 kilogram stikstof per hectare. Voor landbouwers die meer stikstof
nodig hebben dan deze 170 kilogram betekent dit dat zij, ook wanneer voldoende dierlijke
mest beschikbaar is, voor het resterende deel zijn aangewezen op kunstmest.
De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat uit onderzoek van Wageningen Livestock
Research (De Boer, Van Mullekom en Smolders, december 2023, «Lower nitrate leaching
from dairy cattle slurry compared to synthetic fertilizer calcium ammonium nitrate
applied to grassland», (https://www.researchgate.net/publication/376243719_Lower_nitrate_leachi…)) naar voren komt dat vervanging van dierlijke mest door kunstmest niet zonder meer
leidt tot een betere waterkwaliteit en onder bepaalde omstandigheden juist tot meer
nitraatuitspoeling kan leiden. Hoe weegt de Minister deze inzichten bij zijn beoordeling
van het voorliggende steunpakket, dat de afhankelijkheid van kunstmest juist in stand
lijkt te houden? Kan de Minister bevestigen dat deze systematiek ertoe leidt dat landbouwers
voor een deel van hun stikstofvoorziening afhankelijk blijven van kunstmest, terwijl
zij binnen de totale gebruiksnorm in veel gevallen over voldoende dierlijke mest zouden
beschikken? Hoe beoordeelt de Minister het feit dat de EC enerzijds een steunpakket
van honderden miljoenen voorstelt om de gevolgen van hoge kunstmestprijzen op te vangen,
terwijl anderzijds de Europese regelgeving juist de afhankelijkheid van kunstmest
in stand houdt? Is de Minister het met deze leden eens dat het logischer, goedkoper
en mogelijk ook milieukundig gunstiger zou zijn om te bezien of binnen de bestaande
totale stikstofgebruiksnorm een groter aandeel stikstof uit dierlijke mest kan worden
benut, in plaats van publieke middelen in te zetten om de aankoop van kunstmest te
ondersteunen? Kan de Minister toelichten hoe het subsidiëren van kunstmestgebruik
bijdraagt aan de strategische autonomie van de Europese landbouw, terwijl een grotere
benutting van in Europa beschikbare dierlijke mest die afhankelijkheid juist structureel
zou kunnen verminderen? Heeft de Minister dit alternatief onder de aandacht gebracht
of is hij bereid dit tijdens de Landbouw- en Visserijraad onder de aandacht te brengen?
Is de Minister bereid de EC op te roepen te onderzoeken of de bepalingen uit de Nitraatrichtlijn
die het aandeel stikstof uit dierlijke mest begrenzen, meer ruimte kunnen bieden voor
een gebieds- en grondsoortspecifieke benadering, zodat beschikbare nutriënten beter
kunnen worden benut en de afhankelijkheid van kunstmest structureel kan worden verminderd?
De leden van de BBB-fractie wijzen op de beantwoording van de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport (VWS) van de schriftelijke vragen over voedselveiligheid (Kamerstuk
26 991, nr. 597). Daarin geeft de Minister van VWS aan dat geïmporteerde producten aan dezelfde hoge
eisen moeten voldoen als producten die binnen de EU worden geproduceerd en dat hierop
actief wordt toegezien door audits van de EC in derde landen, controles aan de buitengrens
van de EU en toezicht door onder andere de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit
(NVWA). Deze leden onderschrijven het belang van een gelijk speelveld en het uitgangspunt
dat producten die op de Europese markt worden gebracht aan dezelfde hoge standaarden
moeten voldoen, ongeacht het land van herkomst. Juist daarom vragen deze leden hoe
het toezicht van de EC op derde landen precies is geborgd. Kan de Minister aangeven
welke objectieve criteria de EC hanteert voor de frequentie waarmee derde landen worden
geaudit? Bestaan hiervoor minimumfrequenties, benchmarks of andere toetsbare handhavingsnormen?
Kan de Minister tevens aangeven of hij bereid is de EC te verzoeken vergelijkbare
informatie beschikbaar te maken bij andere ernstige voedselveiligheidsincidenten met
importproducten uit derde landen, zodat beter inzichtelijk wordt in hoeverre dergelijke
incidenten zich voordoen ondanks recente audits of juist samenhangen met een langere
periode zonder inspecties?
De leden van de BBB-fractie constateren dat Verordening (EU) 2017/625 lidstaten verplicht
om officiële controles risicogebaseerd uit te voeren, meerjarige nationale controleplannen
op te stellen en jaarlijks over de uitvoering daarvan te rapporteren. Deze leden constateren
tevens dat de bepalingen over controles van de EC in derde landen weliswaar uitgaan
van een risicobeoordeling, maar voor zover deze leden kunnen nagaan geen vergelijkbare
minimumvereisten bevatten voor auditfrequenties, objectieve handhavingsnormen of transparante
beoordelingskaders. Klopt deze lezing? Zo nee, waar zijn dergelijke normen dan vastgelegd?
De leden van de BBB-fractie merken op dat juist voor voorschriften die aan de Europese
buitengrens nauwelijks of niet kunnen worden gecontroleerd, zoals het verbod op het
gebruik van bepaalde hormonen tijdens de productie of de naleving van dierenwelzijnseisen
op bedrijven, goed toezicht in het land van herkomst essentieel is. Deelt de Minister
deze opvatting? Hoe beoordeelt de Minister in dat licht de huidige systematiek van
audits in derde landen?
De leden van de BBB-fractie wijzen in dit verband op de aanwezigheid van het in de
EU verboden hormoon oestradiol-17β in rundvlees uit Brazilië en op de eerdere zorgen
die onder meer door BBB Europa zijn geuit over de borging van de Braziliaanse controlesystemen
(BBB Europa, 20 februari 2026, «BBB luidt alarmklok over schandaal met Braziliaans
hormoonvlees» (https://bbb-europa.eu/bbb-luidt-alarmklok-over-schandaal-met-braziliaan…)). Deze leden vragen de Minister of hij, voor zover mogelijk, kan aangeven wanneer
voorafgaand aan deze constatering de meest recente audit van de EC naar het Braziliaanse
controlesysteem heeft plaatsgevonden. Hoeveel audits hebben in de twaalf maanden voorafgaand
aan de import van deze partij(en) plaatsgevonden en op welke productcategorieën hadden
deze betrekking? Waren tijdens die audits al tekortkomingen geconstateerd die relevant
waren voor deze casus?
De leden van de BBB-fractie wijzen daarnaast op de Rapid Alert System for Food and
Feed (RASFF)-melding over pluimveevlees uit Brazilië waarin de NVWA tijdens een importcontrole
salmonella heeft aangetroffen (Europese Commissie, 8 mei 2026 (https://webgate.ec.europa.eu/rasff-window/screen/notification/842691)). Deze leden vragen de Minister of hij, voor zover mogelijk, kan aangeven wanneer
voorafgaand aan deze constatering de meest recente audit van de EC naar het Braziliaanse
officiële controlesysteem voor pluimveevlees heeft plaatsgevonden. Hoeveel audits
hebben in de twaalf maanden voorafgaand aan de import van deze partij(en) plaatsgevonden
en op welke onderdelen van het controlesysteem of de productieketen hadden deze betrekking?
Waren tijdens die audits al tekortkomingen geconstateerd die relevant waren voor deze
casus? Kan de Minister voor beide bovengenoemde casussen inzichtelijk maken wat de
auditgeschiedenis was voorafgaand aan deze incidenten, waaronder de datum van de meest
recente audit, de belangrijkste bevindingen, eventuele geconstateerde tekortkomingen,
de afgesproken corrigerende maatregelen, het moment waarop deze als afdoende zijn
beoordeeld en eventuele aanvullende controle- of handhavingsmaatregelen? Acht de Minister
het wenselijk dat dergelijke informatie bij ernstige voedselveiligheidsincidenten
standaard inzichtelijk wordt gemaakt, zodat de effectiviteit van het Europese auditsysteem
beter kan worden beoordeeld? Is de Minister van oordeel dat de huidige systematiek
voldoende waarborgen biedt dat derde landen blijvend voldoen aan de Europese productievoorwaarden?
Kan de Minister daarbij ingaan op de wijze waarop wordt bepaald wanneer geconstateerde
tekortkomingen aanleiding geven tot aanvullende maatregelen, verscherpt toezicht of
(tijdelijke) opschorting van import?
De leden van de BBB-fractie merken op dat de Minister van VWS in de beantwoording
van voornoemde vragen tevens aangeeft dat de NVWA risicogestuurd werkt en niet alle
importstromen kan controleren. Deze leden zien hierin een extra argument voor robuust
en transparant toezicht in de productielanden zelf. Deelt de Minister deze redenering?
Is de Minister bereid tijdens de Landbouw- en Visserijraad een diversenpunt in te
brengen over de borging van het toezicht op derde landen onder Verordening (EU) 2017/625?
Is de Minister daarbij bereid de EC te verzoeken inzichtelijk te maken op welke wijze
auditfrequenties en handhavingsniveaus worden vastgesteld en te bezien of hiervoor
meer objectieve en transparante kaders kunnen worden ontwikkeld, bijvoorbeeld door
het werken met toetsbare beoordelingscriteria, benchmarks voor auditfrequenties en
duidelijkere uitgangspunten voor vervolgmaatregelen wanneer structurele tekortkomingen
worden geconstateerd? Kan de Minister tevens de vraag aan de EC voorleggen of dergelijke
verbeteringen binnen de huidige verordening kunnen worden gerealiseerd of dat hiervoor
aanpassing van Verordening (EU) 2017/625 noodzakelijk is?
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brief Aanpak uitheemse rivierkreeften
waarin de Staatssecretaris aangeeft te werken aan regelgeving om het structureel mogelijk
te maken voor waterschappen om uitheemse rivierkreeften te vangen met vistuigen waarvan
wetenschappelijk is aangetoond dat deze geschikt zijn voor grootschalige vangst, zonder
noemenswaardige bijvangst van andere soorten en op een wijze die bovendien goed handhaafbaar
is. In de brief wordt echter aangegeven dat deze regelgeving naar verwachting pas
medio 2027 in werking zal treden.
De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat de Kamer inmiddels motie-Vermeer c.s.
(Kamerstuk 21 501-32, nr. 1816) heeft aangenomen, waarin de regering wordt verzocht het benodigde wetsvoorstel uiterlijk
in het vierde kwartaal van 2026 aan de Tweede Kamer aan te bieden. Kan de Staatssecretaris
bevestigen dat deze aangenomen motie onverkort wordt uitgevoerd en dat alles op alles
wordt gezet om het wetgevingstraject te versnellen, zodat het wetsvoorstel uiterlijk
in het vierde kwartaal van 2026 aan de Kamer wordt aangeboden?
De leden van de BBB-fractie lezen dat verschillende lidstaten hebben benadrukt dat
meer aandacht nodig is voor de impact van toenemende populaties predatoren, zoals
aalscholvers en zeehonden, op het herstel van visbestanden. Kan de Staatssecretaris
aangeven voor welke visbestanden of vispopulaties de toenemende aantallen zeehonden
en aalscholvers volgens hem daadwerkelijk een probleem vormen? Kan hij daarbij tevens
aangeven op welke wetenschappelijke inzichten deze beoordeling is gebaseerd?
De leden van de BBB-fractie lezen dat Nederland voor de aanlandplicht een werkbaar
alternatief wil maken en daarbij werkt aan een AI-systeem voor automatische vangstregistratie.
Kan de Staatssecretaris aangeven of, naast het Fully Documented Fisheries (FDF)-project,
ook andere alternatieven voor de huidige aanlandplicht zijn onderzocht of momenteel
worden uitgewerkt? Zo ja, welke alternatieven betreft dit en hoe worden deze beoordeeld?
Daarnaast vragen deze leden hoe de samenwerking met de visserijsector tot nu toe verloopt
bij het ontwikkelen en beoordelen van alternatieven voor de aanlandplicht. In hoeverre
worden vissers en hun vertegenwoordigers actief betrokken bij dit traject en op welke
wijze worden hun praktijkervaringen meegenomen in de uiteindelijke voorstellen?
De leden van de BBB-fractie vragen of bij de zoektocht naar alternatieven ook nadrukkelijk
wordt gekeken naar systemen en werkwijzen die in andere lidstaten worden toegepast.
Worden bijvoorbeeld instrumenten zoals de Blue Box, of andere buitenlandse praktijkvoorbeelden
die kunnen bijdragen aan een beter uitvoerbare en handhaafbare aanlandplicht, meegenomen
in de verkenning? Zo nee, waarom niet?
De leden van de BBB-fractie lezen dat het kabinet stelt dat Nederland momenteel niet
voldoet aan de Goede Milieutoestand onder de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM)
en dat de staat van instandhouding van diverse habitattypen en vogelsoorten op de
Noordzee onvoldoende is. Kan de Staatssecretaris aangeven op welke wetenschappelijke
rapporten en beoordelingsmethodieken deze conclusie is gebaseerd? Kan de Staatssecretaris
tevens aangeven of in deze rapportages gebruik wordt gemaakt van theoretische of historische
referentiewaarden, zoals de referentiewaarden die worden gehanteerd binnen de Benthische
Indicator Soorten Index (BISI)-methodiek? Zo ja, welke rol spelen deze referentiewaarden
bij de conclusie dat de natuur zich niet in een goede staat van instandhouding bevindt?
Voorts wijzen de leden van de BBB-fractie op de aangenomen motie-Grinwis c.s. (Kamerstuk
21 501-32, nr. 1822), waarin de regering wordt verzocht om bij het vaststellen van referentiewaarden
voor natuur op zee uit te gaan van wetenschappelijk onderbouwde inzichten en daarbij
expliciet rekening te houden met veranderende ecologische omstandigheden. Op welke
wijze geeft de Staatssecretaris uitvoering aan deze motie? Is de Staatssecretaris,
mede gelet op de aanhoudende wetenschappelijke discussie over de gehanteerde referentiewaarden
en de verstrekkende gevolgen die deze beoordelingen kunnen hebben voor de visserij
en het medegebruik van de Noordzee, bereid een onafhankelijke wetenschappelijke review
te laten uitvoeren van de gehanteerde beoordelingsmethodiek en referentiewaarden?
Zo nee, waarom niet?
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de beantwoording van de feitelijke
vragen over de ontwerpbegroting 2026. Daaruit blijkt dat een incidentele subsidie
van circa 18 miljoen euro wordt uitgewerkt voor diverse rifherstelprojecten, waarvan
het overgrote deel is gericht op oesterherstel. Deze leden hebben vernomen dat momenteel
een review zou worden uitgevoerd naar de onderbouwing van de oesterherstelprojecten,
omdat deze mede zouden zijn gebaseerd op theoretische referentiewaarden die niet wetenschappelijk
zijn gevalideerd. Klopt het dat een dergelijke review plaatsvindt? Zo ja, is de Staatssecretaris
bereid de uitkomsten van deze review, inclusief de wetenschappelijke onderbouwing
en eventuele beleidsconclusies, na afronding met de Kamer te delen voordat verdere
middelen voor oesterherstelprojecten worden ingezet?
De leden van de BBB-fractie constateren dat de beoordeling van de ecologische toestand
van het bodemdierenleven in de Noordzeekustzone, zoals opgenomen in het rapport Staat
van de Noordzee, in belangrijke mate is gebaseerd op de BISI-methodiek en de daarbij
gehanteerde referentiewaarden. Juist over deze referentiewaarden bestaat inmiddels
brede wetenschappelijke discussie, omdat deze veelal zijn gebaseerd op historische
maximumwaarden en onvoldoende rekening zouden houden met veranderende ecologische
omstandigheden, zoals klimaatverandering en de komst van invasieve soorten. Kan de
Staatssecretaris bevestigen dat de conclusie dat het bodemdierenleven in de Noordzeekustzone
zich in een ongunstige staat bevindt grotendeels is gebaseerd op de uitkomsten van
de BISI-methodiek?
De leden van de BBB-fractie wijzen op de aangenomen motie-Grinwis c.s. (Kamerstuk
21 501-32, nr. 1822), waarin de regering wordt verzocht om bij het vaststellen van referentiewaarden
voor natuur op zee uit te gaan van wetenschappelijk onderbouwde inzichten en daarbij
expliciet rekening te houden met veranderende ecologische omstandigheden. Betekent
deze motie dat ook de in het rapport Staat van de Noordzee gebruikte BISI-methodiek
en de daarin gehanteerde referentiewaarden onafhankelijk zullen worden beoordeeld
en, indien nodig, herzien voordat deze nog langer worden gebruikt als basis voor beleid,
beheerplannen en besluiten die gevolgen hebben voor visserij en ander medegebruik?
Kan de Staatssecretaris de Kamer hierover informeren?
De leden van de BBB-fractie constateren dat uit de reflectie van de Waddenacademie
blijkt dat de beoordeling van de toestand van vissoorten op basis van maximale referentiewaarden
aanzienlijk lager uitvalt dan een beoordeling op basis van gemiddelde referentiewaarden.
Waar een beoordeling op basis van gemiddelden uitkomt op een matige ecologische toestand,
leidt dezelfde beoordeling op basis van maxima tot het oordeel «slecht».
De BBB-fractie constateert daarnaast dat voor de beoordeling van de bodemdiergemeenschap
via de BISI een vergelijkbare systematiek wordt toegepast, waarbij eveneens wordt
uitgegaan van maximale referentiewaarden. Tijdens de deskundigensessie heeft de heer
Sander Wijnhoven bovendien tweemaal expliciet verklaard dat de BISI-methodiek conservatief
is ten opzichte van andere beoordelingsmethoden, hetgeen betekent dat deze systematisch
tot lagere scores leidt. Ook in deel I van de Mariene Strategie wordt beschreven dat
de BISI-methodiek strenger is dan andere beoordelingssystemen.
De leden van de BBB-fractie constateren daarom dat inmiddels uit meerdere bronnen
blijkt dat de gehanteerde BISI-methodiek inherent leidt tot relatief lage ecologische
beoordelingen en daarmee potentieel een zwaarder beeld van de natuurkwaliteit schetst
dan andere gangbare beoordelingsmethoden.
De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris hoe hij ervoor gaat zorgen
dat vissers enthousiast blijven om deel te nemen aan het succesvolle programma Fishing
for Litter, nu vanuit de sector signalen komen dat het enthousiasme afneemt door de
steeds verder krimpende vloot en de toenemende druk op de visserij. Welke concrete
maatregelen is hij bereid hiervoor te nemen? Tijdens het symposium Fishing for Litter
is aangegeven dat in zeereservaten nog steeds door buitenlandse schepen wordt gevaren
en dat daar regelmatig afval zou worden gedumpt, terwijl deze gebieden voor Nederlandse
vissers vaak niet toegankelijk zijn. Is de Staatssecretaris bekend met deze signalen?
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het bericht van VisNed over de
problemen rondom de technische maatregelen voor de inktvisvisserij en hebben hierover
de volgende vragen. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat de huidige problemen rondom
de technische maatregelen voor de inktvisvisserij zijn ontstaan door een onbedoelde
omissie in de regelgeving en niet het gevolg zijn van een beleidsmatige keuze? Welke
acties onderneemt de Staatssecretaris om deze fout zo spoedig mogelijk te herstellen,
zodat vissers niet onnodig worden belemmerd? Kan de Staatssecretaris toezeggen dat
vissers, zolang deze omissie in de regelgeving nog niet is hersteld, niet worden geconfronteerd
met handhaving of andere nadelige gevolgen als gevolg van deze juridisch-technische
fout? Kan de Staatssecretaris tevens aangeven welke concrete stappen inmiddels zijn
gezet om de omissie zowel nationaal als Europees te herstellen, waaronder het opnieuw
opnemen van de betreffende bepaling in artikel 86 van de Uitvoeringsregeling Zeevisserij
en het verzoek aan de EC om in de Verordening Technische Maatregelen een voetnoot
op te nemen waarin wordt verduidelijkt dat de verplichting voor een paneel met vierkante
mazen niet van toepassing is op de gerichte visserij op inktvis? Kan de Staatssecretaris
toezeggen de Kamer hierover uiterlijk in het najaar van 2026 te informeren en zich
ervoor in te spannen dat deze aanpassingen dan zijn gerealiseerd?
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van berichtgeving dat de Britse tak
van Greenpeace opnieuw voornemens is stenen te dumpen in Engelse wateren om vissers
uit beschermde zeegebieden te weren. Volgens de berichtgeving kunnen dergelijke acties
opnieuw risico’s opleveren voor de veiligheid van de scheepvaart en de visserij. Kan
de Staatssecretaris aangeven of hij bekend is met deze voorgenomen actie van Greenpeace
in Britse wateren? Heeft de Staatssecretaris hierover inmiddels contact gehad of is
hij bereid op korte termijn contact op te nemen met zijn Britse ambtsgenoot om zijn
zorgen over deze voorgenomen actie kenbaar te maken en erop aan te dringen dat dergelijke
steenstortacties worden voorkomen? Deelt de Staatssecretaris de opvatting dat het
opzettelijk dumpen van grote stenen op visgronden een gevaar kan vormen voor Nederlandse
vissersschepen, de veiligheid op zee en schade kan veroorzaken aan vistuigen? Zo ja,
welke stappen is hij bereid te ondernemen om de belangen en veiligheid van Nederlandse
vissers te beschermen?
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de berichtgeving over de plotselinge
sluiting van belangrijke Deense garnalenvisgebieden in de Waddenzee vanwege oude regelgeving
rondom niet-ontplofte munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Uit de berichtgeving blijkt
dat deze maatregel grote gevolgen heeft voor de garnalenvisserij in het gebied. Is
de Staatssecretaris bekend met deze ontwikkelingen en is hij ervan op de hoogte dat
ook Nederlandse garnalenvissers die in deze gebieden vissen grote zorgen hebben over
de gevolgen van deze sluitingen voor hun bedrijfsvoering? Is de Staatssecretaris bereid
hierover op korte termijn in overleg te treden met zijn Deense ambtsgenoot om de gevolgen
voor de Nederlandse garnalenvisserij te bespreken en te bezien of tot een werkbare
oplossing kan worden gekomen? Kan de Staatssecretaris de Kamer vervolgens informeren
over de uitkomsten van dit overleg?
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de voorgenomen gebiedssluitingen
in de Duitse Noordzeekustzone. Uit de gepubliceerde kaart blijkt dat onder meer een
groot gebied in de Oostereems en een gebied nabij het Rifgat worden voorgesteld als
visserijvrije zones. Juist deze gebieden zijn van groot belang voor Nederlandse vissers,
waardoor de Nederlandse sector opnieuw onevenredig hard wordt geraakt. Kan de Staatssecretaris
aangeven of hij bekend is met deze voorgenomen gebiedssluitingen in de Duitse Noordzeekustzone
en de mogelijke gevolgen daarvan voor de Nederlandse visserij, in het bijzonder voor
de garnalenvisserij die afhankelijk is van de visgronden in de Oostereems en rond
het Rifgat? Is de Staatssecretaris bereid hierover op korte termijn in gesprek te
gaan met zijn Duitse ambtsgenoot om de zorgen van de Nederlandse visserij onder de
aandacht te brengen en te voorkomen dat Nederlandse vissers opnieuw onevenredig worden
getroffen door buitenlandse gebiedssluitingen? Is de Staatssecretaris daarnaast bereid
zich ervoor in te zetten dat vertegenwoordigers van de Nederlandse visserijsector
actief worden betrokken bij de verdere gesprekken en uitwerking van deze voorgenomen
gebiedssluitingen, zodat ook de belangen en praktijkkennis van Nederlandse vissers
worden meegewogen voordat definitieve besluiten worden genomen?
De leden van de BBB-fractie ontvangen nog altijd signalen uit de visserijsector dat
de invoering van het digitale CATCH-systeem voor vangstcertificaten in de praktijk
nog niet naar behoren functioneert. Hoewel het systeem is bedoeld om de controle op
illegale, ongemelde en ongereguleerde visserij te verbeteren, ervaren ondernemers
nog steeds technische en administratieve knelpunten die tot vertragingen en extra
lasten leiden. Ook in andere lidstaten zijn vergelijkbare problemen gemeld. Kan de
Staatssecretaris deze signalen actief onder de aandacht brengen van deEC en zich inzetten
voor een snelle oplossing van de knelpunten in het CATCH-systeem? Is de Staatssecretaris
daarnaast bereid om hierover nauw in gesprek te blijven met de Nederlandse visserijsector
en de NVWA te verzoeken gedurende de overgangsfase coulant om te gaan met de handhaving,
wanneer sprake is van aantoonbare technische of systeemgerelateerde problemen en niet
van opzettelijke overtredingen?
De leden van de BBB-fractie ontvangen steeds meer signalen uit de visserijsector over
ernstige knelpunten bij de NVWA. Zo zou de NVWA momenteel geen inspecteurs meer naar
het buitenland sturen om Nederlandse vissersschepen onder Nederlandse vlag te keuren,
waardoor onder meer een schip uit de pelagische sector in de problemen komt. Daarnaast
ontbreken volgens de sector de benodigde rapportagetemplates, waardoor Nederland zelf
niet aan bepaalde internationale rapportageverplichtingen kan voldoen. Kan de Staatssecretaris
aangeven of hij deze signalen herkent, wat hiervan de oorzaak is en welke maatregelen
hij op korte termijn neemt om ervoor te zorgen dat inspecties, certificeringen en
rapportages weer tijdig en goed kunnen plaatsvinden?
De leden van de BBB-fractie ontvangen signalen dat ondernemers die willen investeren
in innovatieve vormen van aquacultuur op zee nog altijd tegen onnodige belemmeringen
aanlopen. Zo wordt aangegeven dat Rijkswaterstaat en het Ministerie van LVVN aanvullende
obstakels opwerpen, onder meer doordat verankerde aquacultuursystemen als een installatie
worden aangemerkt. Hierdoor zou een verplichting gelden om onderzoek te doen naar
niet-gesprongen explosieven (UXO), terwijl binnen windparken de locaties voorafgaand
aan de aanleg al volledig op UXO worden onderzocht en gecontroleerd. Betrokken partijen
geven bovendien aan hierover geen schriftelijke bevestiging of duidelijke onderbouwing
te kunnen krijgen. Kan de Staatssecretaris hierop reageren, aangeven waarom hierover
geen helder schriftelijk standpunt wordt verstrekt en bezien of deze verplichting
proportioneel is wanneer de betreffende locaties reeds vooraf volledig op UXO zijn
gecontroleerd?
II Antwoord/Reactie van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
III Volledige agenda
Geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad 13 juli 2026
Kamerstuk 21 501-32, nr. 1823 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen
– d.d. 2 juli 2026
Beoordeling voorstellen Europese Commissie tot wijziging van de GLB-NSP en horizontale
regelgeving in relatie tot meststoffen
Kamerstuk 22 112-4390 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen
– d.d. 19 juni 2026
SCoPAFF-vergadering juni 2026 en ontwikkelingen aangaande Omnibus veiligheid voedsel
en diervoeder
Kamerstuk 27 858-768 – Brief Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A.
Erkens – d.d. 23 juni 2026
Fiche: EU-Actieplan Meststoffen
Kamerstuk 22 112-4394 – Brief Minister van Buitenlandse Zaken, T.B.W. Berendsen – d.d. 26 juni 2026
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
H.S. Steen, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
J. Bosman, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.