Brief regering : Beleidsreactie op het WODC-rapport 'De belangenbehartiger bij letselschade'
33 552 Slachtofferbeleid
29 279
Rechtsstaat en Rechtsorde
Nr. 156
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 3 juli 2026
Op 3 september 2024 heeft de toenmalige Staatssecretaris Rechtsbescherming het WODC-rapport
«De belangenbehartiger bij letselschade» (hierna: het WODC-rapport) aan uw Kamer aangeboden.1 In deze brief reageer ik op dit rapport en op de door uw Kamer aangenomen moties
van het lid Vondeling van de PVV (12 juni 2024)2 en het lid Mutluer van GroenLinks-PvdA (28 mei 2025),3 waarin wordt opgeroepen tot beroepsregulering van belangenbehartigers bij letselschade.
Naast de problematiek rond belangenbehartiging bij letselschadezaken, ga ik in deze
brief ook in op enkele aspecten van langlopende letselschadezaken en reageer ik in
dat kader op de motie van de leden Van Nispen van de SP en Koops van NSC (4 september
2025),4 die verzoekt om nader onderzoek te doen naar de oorzaken van langlopende letselschadezaken.
Ik wil vooropstellen dat ik het belangrijk vind dat slachtoffers van letselschade
de hulp en bijstand krijgen die zij nodig hebben en daarbij een belangenbehartiger
kunnen kiezen die aansluit bij hun eigen wensen en voorkeuren. Na een korte schets
van de markt van belangenbehartigers bij letselschade, ga ik in op de belangrijkste
conclusies uit het WODC-rapport en geef ik mijn reactie op de aanbevelingen die daarin
worden gedaan. Daarna ga ik meer specifiek in op de positie van slachtoffers en de
wijze waarop bestaande (wettelijke) mogelijkheden beter benut kunnen worden.
De problemen die zich in de letselschadebranche voordoen, neem ik serieus. Het WODC-rapport
geeft belangrijke inzichten in deze branche en helpt bij het formuleren van oplossingsrichtingen
om het proces voor slachtoffers zo goed mogelijk te laten verlopen. Zo geven de onderzoekers
aan dat het belangrijk is om de behoeften van het slachtoffer centraal te stellen
en dat betrouwbare en toegankelijke informatie over het letselschadeproces van groot
belang is. Ook gaat het rapport in op de specifieke rol die verzekeraars hebben in
het letselschadeproces en waar mogelijk ruimte ligt om ondermaatse belangenbehartiging
aan de orde te stellen. Tegelijkertijd is het rapport ook transparant over de leemten
die bestaan in het onderzoek naar wanpraktijken in de letselschadebranche; zo zijn
er geen harde conclusies te trekken over de mate waarin bepaalde praktijken zich voordoen
en in hoeverre die zich vaker bij ongebonden belangenbehartigers voordoen. De onderzoekers
geven aan dat het onderzoek geen inzicht heeft opgeleverd in de schaal van de waargenomen
praktijken en evenmin in de vraag wat als wantoestand kan worden beschouwd. Het feit
dat er geen harde conclusies worden getrokken over bepaalde praktijken in de letselschadebranche
en de rol van belangenbehartigers daarin, maakt voor mij duidelijk dat het belangrijk
is om in te blijven zetten op maatwerk waarin de positie van het slachtoffer centraal
moet staan.
Beroepsregulering
In deze brief zet ik uiteen waarom ik, in overstemming met de bevindingen van de onderzoekers,
niet overga tot beroepsregulering. Ik wil de komende periode in plaats daarvan inzetten
op het verder versterken van de informatiepositie van het slachtoffer en het verder
versterken van reeds bestaande zelfregulering. Dat biedt in mijn optiek een sterkere
uitgangspositie voor de toekomst en kwaliteit van belangenbehartiging bij letselschade
dan beroepsregulering.
Uit het WODC-rapport blijkt niet dat regulering per definitie de oplossing is voor
de problemen die zich voordoen bij ongereguleerde belangenbehartigers. Nut en noodzaak
van regulering staan volgens de onderzoekers niet vast. Ook blijkt uit het rapport
niet dat regulering per definitie een verbetering van kwaliteit van belangenbehartigers
met zich meebrengt. Bovendien brengt regulering kosten voor de maatschappij met zich
mee en kan het in de weg staan aan innovatie. Het verminderen van regeldruk is bovendien
een belangrijk speerpunt van mijn kabinet, hetgeen pleit voor een zeer zorgvuldige
blik op de voorziene (neven)effecten alsook de noodzaak van extra regelgeving op het
gebied van belangenbehartigers bij letselschade.5 Daarbij komt dat regulering van het beroep van belangenbehartiger in bepaalde gevallen
juist in de weg kan staan aan de behoeften van slachtoffers. Het staat slachtoffers
nu vrij om een belangenbehartiger te kiezen die zij vertrouwen en die past bij hun
persoonlijke voorkeuren en omstandigheden.6 Het invoeren van wettelijke eisen om als belangenbehartiger te mogen optreden, zou
dan ook drempels opwerpen voor een deel van de slachtoffers om een belangenbehartiger
te kiezen die past bij hun specifieke behoeften.
In deze brief ga ik daarnaast in op de vele positieve ontwikkelingen die de branche
de afgelopen periode heeft gezet in het verder uitwerken van bestaande zelfregulering,
zie daartoe onder meer p. 11 van deze brief. Zo wijs ik op de Gedragscode Behandeling
Letselschade (GBL), een gedragscode die zich richt tot de professionals die beroepsmatig
betrokken zijn bij de behandeling van letselschadezaken. De GBL wordt momenteel opnieuw
tegen het licht gehouden door De Letselschade Raad. Dit toont dat de branche dit document
actief en actueel houdt. Ook de ontwikkelingen rondom langlopende letselschadezaken
en de meer vaste plek die de Kamer Langlopende Letselschadezaken daarin heeft gekregen,
is een positieve ontwikkeling. In deze brief ga ik daarnaast in op de uitspraak van
het hof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2024. Deze uitspraak kan verdere positieve
impulsen geven aan verdere zelfregulering van de branche.
Om de redenen zoals hiervoor genoemd, en die ik in deze brief verder toelicht, ga
ik niet over tot het invoeren van beroepseisen voor belangenbehartigers, en geef ik
geen uitvoering aan de moties van de leden Vondeling en Mutluer.
Inzet
Mijn inzet vanuit mijn rol als stelselverantwoordelijke is de komende periode gericht
op het stimuleren van de reeds bestaande zelfregulering in de branche, waarin de afgelopen
periode belangrijke stappen zijn gezet. Ook betrek ik in de gesprekken die ik met
de verschillende partijen in deze branche voer, expliciet wat er gedaan kan worden
om de positie van het slachtoffer in het letselschadeproces te versterken. De informatie
over belangenbehartigers die op de website van de Rijksoverheid is toegevoegd, is
daarin een eerste stap. In samenwerking met de andere partijen in het veld verken
ik waar in dit kader verdere stappen kunnen worden gezet. Mijn ministerie onderzoekt
in dat kader hoe de bestaande wet- en regelgeving om ondermaatse belangenbehartiging
aan de kaak te kunnen stellen, toegankelijker en beter toepasbaar kan worden voor
slachtoffers en andere stakeholders in het veld. Het WODC-rapport benoemt in dit kader
dat belangenbehartiging plaatsvindt binnen onder meer de algemene regels van het Burgerlijk
Wetboek inzake de overeenkomst van opdracht en regels ter voorkoming van oneerlijke
handelspraktijken. Vanuit mijn visie op de toegang tot het recht bezie ik hoe rechtzoekenden,
waaronder letselschadeslachtoffers, hun rechten effectief kunnen uitoefenen. Daarom
verken ik de komende periode, samen met de partners in het veld, op welke manier bestaande
wet- en regelgeving slachtoffers kan helpen, bijvoorbeeld wanneer zij te maken hebben
met een belangenbehartiger die ondermaats werk levert. Ik wil daarbij inzetten op
laagdrempelige en toegankelijke informatievoorziening.
1. Belangenbehartiging bij letselschade
Slachtoffers met letselschade, bijvoorbeeld als gevolg van een verkeers- of bedrijfsongeval,
bevinden zich vaak in een zware en moeilijke situatie. Zij hebben te maken met de
psychische en lichamelijke gevolgen van het ongeval die een grote impact kunnen hebben
op hun leven. Het is belangrijk dat slachtoffers worden gezien in de verschillende
behoeften die zij kunnen hebben, zoals het krijgen van erkenning voor wat hen is overkomen,
het bieden van inzicht in wat er mis is gegaan, en het voorkomen van nieuwe slachtoffers.
In veel gevallen heeft letselschade ook gevolgen voor iemands financiële situatie
omdat bijvoorbeeld het voortzetten van werk na een ongeval niet altijd in dezelfde
mate mogelijk zal zijn, of grote aanpassingen met zich brengt. Het civiele aansprakelijkheidsrecht
biedt slachtoffers mogelijkheden om hun schade vergoed te krijgen. In de meeste gevallen
worden deze zaken afgehandeld met aansprakelijkheidsverzekeraars, zonder dat de zaak
voor de rechter komt. Dit kunnen soms langdurige en complexe trajecten zijn.
Slachtoffers kunnen ervoor kiezen om zich in het traject met de verzekeraar te laten
bijstaan door een belangenbehartiger. Het beroep van belangenbehartiger is een vrij
beroep. Het staat een benadeelde dan ook vrij om een belangenbehartiger te kiezen
die hij of zij passend vindt. Dit kan een gespecialiseerde advocaat zijn die is onderworpen
aan beroeps- en toegangseisen, tuchtrecht en inhoudelijke eisen van diens specialisatievereniging,
maar ook een ongebonden en ongereguleerde belangenbehartiger. Tussen deze twee uitersten
zijn verschillende soorten belangenbehartigers actief. Het is bekend dat sommige belangenbehartigers
ondermaatse kwaliteit leveren. Er zijn belangenbehartigers actief die cliënten benaderen
met misleidende reclame, een onjuiste voorstelling van het mogelijke resultaat geven,
en in het algemeen ondermaatse kwaliteit leveren. Uw Kamer vroeg al eerder aandacht
voor deze problematiek.
2. WODC-rapport
2.1 Aanleiding, doelstelling en opzet WODC-onderzoek
Aanleiding voor het WODC-onderzoek waren onder meer berichten in de media over kwalijke
praktijken door belangenbehartigers in de letselschadebranche en de motie van het
lid Ellian van de VVD (8 juni 2022)7, waarin de regering is verzocht onderzoek te doen naar deze vermeende praktijken
in de ongereguleerde praktijk van letselschadebehandelaars. De onderzoekers constateren
dat de vraag naar de kwaliteit van belangenbehartigers verder reikt dan alleen de
ongebonden belangenbehartigers. Zij hebben daarom gekozen voor een bredere onderzoeksopzet
waarin ook de gebonden belangenbehartigers zijn betrokken.
Het doel van het onderzoek is inzicht te verkrijgen in de markt voor dienstverlening
door belangenbehartigers bij letselschade, de kwaliteit van deze belangenbehartiging
en mogelijke verbeteringen. Het WODC-rapport is een breed en verkennend onderzoek
naar de kwaliteit van de dienstverlening van belangenbehartigers in de letselschadebranche.
Het geeft waardevolle inzichten in de problematiek en biedt de rijksoverheid en partners
in de branche handvatten om de kwaliteit van het proces van belangenbehartiging bij
letselschade de komende periode te verbeteren.
Het rapport gaat ook in op de vraag wat moet worden verstaan onder kwaliteit van belangenbehartiging.
De conclusie is dat er geen gouden standaard bestaat waaraan de kwaliteit van belangenbehartiging
kan worden afgemeten. Deze vraag is daarom benaderd vanuit een drietal perspectieven;
het overheidsperspectief, het belanghebbendenperspectief en het rechtseconomische
perspectief. Dit levert inzichten op over de verschillende verwachtingen en doelstellingen.8 In het licht van die perspectieven wordt vervolgens een aantal factoren en praktijken
geïnventariseerd die bevorderend of juist belemmerend voor de kwaliteit kunnen zijn.
Dit mondt uit in een aantal denkrichtingen en aanbevelingen om de kwaliteit van belangenbehartiging
in letselschadezaken te verbeteren. Die aanbevelingen richten zich onder meer tot
de rijksoverheid, verzekeraars, belangenbehartigers en De Letselschade Raad. Het rapport
maakt daarbij een onderscheid tussen aanbevelingen die zonder meer ter harte kunnen
worden genomen en suggesties voor nader onderzoek. Het rapport noemt een groot aantal
aanbevelingen en suggesties aan verschillende partijen. In deze brief ga ik in op
de aanbevelingen aan de rijksoverheid. Zoals benoemd verwacht ik dat het rapport ook
voor de praktijk waardevolle handvatten biedt.
2.2 Belangrijkste conclusies WODC-rapport en reactie daarop
Algemene conclusies WODC-rapport
Het rapport geeft inzicht in de markt van belangenbehartigers en besteedt ruime aandacht
aan de nauwe samenhang tussen kostenverhaal en de verschillende beloningsstructuren
die een belangenbehartiger kan hanteren. Onder «kostenverhaal» verstaan de onderzoekers
de mogelijkheid van het slachtoffer om de buitengerechtelijke kosten die gemoeid zijn
met het vaststellen van aansprakelijkheid en schade(omvang), waaronder het honorarium van de belangenbehartiger, op grond van artikel 6:96
lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) te verhalen op de aansprakelijke partij. De onderzoekers
constateren dat een groot deel van de beloning van de belangenbehartiger via de regels
van kostenverhaal bij de verzekeraar van de aansprakelijke partij wordt neergelegd.
De onderzoekers zien dat daardoor sprake is van een dynamiek tussen benadeelde, belangenbehartiger
en aansprakelijkheidsverzekeraar, die specifiek is voor de letselschadebranche.9
Volgens de onderzoekers worden door betrokkenen in de branche zorgen geuit over uiteenlopende
problematische praktijken samenhangend met de belangenbehartiging bij letselschade.
Het gaat bijvoorbeeld om misleidende reclame, het gebruik van lokmiddelen en andere
oneerlijke wervingspraktijken, het leveren van ondermaatse kwaliteit, alsook het opkloppen
van geleden schade en praktijken die neigen naar fraude en verduistering.10 Ook besteden de onderzoekers aandacht aan de praktijk van dubbel declareren en het
betalen voor dossiers terwijl de benadeelde daar geen weet van heeft. De onderzoekers
concluderen dát deze praktijken zich voordoen, maar ook dat onvoldoende informatie
beschikbaar is over de mate waarin deze praktijken zich voordoen. Ook zijn de juridische
verschillen en de mate van strafbaarheid tussen de genoemde praktijken volgens de
onderzoekers groot. Sommige praktijken zijn niet algeheel verboden, maar slechts voor
sommige belangenbehartigers (bijvoorbeeld advocaten). Deze verschillen kunnen in zekere
zin dus een «ongelijk speelveld» creëren bij belangenbehartigers.
Reactie algemene conclusies WODC-rapport
Het rapport geeft een overzicht van de markt voor belangenbehartigers en de zorgen
die er zijn over de kwaliteit van belangenbehartiging. Zoals de onderzoekers zelf
aangeven, zijn de cijfers die zij hebben verzameld vooral indicatief en in veel opzichten
incompleet. Hierdoor levert het rapport geen scherp beeld op van de schaal van zorgelijke
praktijken. De conclusies en aanbevelingen in het rapport moeten dan ook tegen deze
achtergrond worden bezien. Mijn overtuiging is dat het boeken van vooruitgang voor
slachtoffers een gezamenlijke verantwoordelijkheid is van alle partijen in de branche,
waarbij de rijksoverheid stelselverantwoordelijk is en de kaders stelt waarbinnen
zelfregulering zich kan ontwikkelen.
De positie van verzekeraars
Het rapport besteedt allereerst aandacht aan de rol van aansprakelijkheidsverzekeraars
en hoe zij verbeteringen kunnen aanbrengen in het proces van belangenbehartiging.
In het rapport wordt de rol van die verzekeraar geschetst als enerzijds «facilitator»
en anderzijds als «poortwachter» in relatie tot het kostenverhaal van belangenbehartiging.11 In het rapport wordt omschreven dat een verzekeraar via de toepassing van artikel 6:96
lid 2 BW beide rollen heeft. Volgens het rapport is de verzekeraar facilitator aangezien
de verzekeraar het mogelijk maakt om de financiële vergoeding voor belangenbehartiging
te krijgen die slachtoffers nodig hebben. De rol van de aansprakelijkheidsverzekeraar
als poortwachter is gelegen in de toepassing en precisering van de regels van dit
kostenverhaal, wat hen de mogelijkheid kan geven een aantal van de schadelijke praktijken
aan te pakken door het stellen van grenzen aan het kostenverhaal.12 Ook bevelen de onderzoekers aan om te blijven inzetten op detectie van verzekeringsfraude.
Reactie op de rol van verzekeraars
Mijn beeld is dat verzekeraars in de regel zullen streven naar snelle en rechtvaardige
afdoening van letselschadezaken, waarin zoveel als mogelijk samenwerking wordt gezocht
met alle partijen, ook met belangenbehartigers. De onderzoekers schetsen hierbij het
belang van de positie van de verzekeraar. Ik merk hierbij wel op dat verzekeraars
geen inzicht hebben in de afspraken die een slachtoffer heeft gemaakt met een belangenbehartiger.
Ook hebben zij doorgaans geen directe contacten met het slachtoffer. Dat zijn omstandigheden
die van belang zijn in hun handelingsruimte als facilitator en poortwachter. Ook kan
het in individuele gevallen lastig zijn om concreet bewijs te leveren van het ondermaats
functioneren van een belangenbehartiger. Met inachtneming van die omstandigheden heb
ik de betreffende aanbevelingen aan verzekeraars onder de aandacht gebracht bij het
Verbond van Verzekeraars.
Ik juich daarbij toe dat verzekeraars waar mogelijk hun rol in relatie tot ondermaatse
belangenbehartiging vervullen. Zij kunnen dit onder meer doen door het verbreken van
de contacten met bepaalde belangenbehartigers en door malafide belangenbehartigers
in een frauderegister op te nemen. Ik volg dan ook met belangstelling de ontwikkelingen
in de rechtspraak op dit punt.
Een uitspraak van hof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2024, dus na afronding van
het WODC-rapport, bevat in dit verband bruikbare aanwijzingen voor de ruimte die de
verzekeraar heeft om de door de onderzoekers gewenste rol van poortwachter te vervullen.
Het hof geeft in die uitspraak een nadere duiding van de ruimte die de verzekeraar
heeft in het identificeren van ondermaatse belangenbehartigers en de mogelijkheid
daarnaar te handelen.13 Het hof wijst erop dat er in dit kader twee uitgangspunten zijn, die niet zonder
meer met elkaar te verenigen zijn. Het eerste uitgangspunt is dat het een slachtoffer
vrijstaat om de belangenbehartiger te kiezen die hij wil, zonder dat de verzekeraar
aan die beslissing eisen kan stellen. Daarbij geldt volgens het hof dat als een belangenbehartiger
de zorg van een goed opdrachtnemer niet in acht neemt (zie in dat kader de minimale
vereisten zoals omschreven in het WODC-rapport), dat deze in beginsel tekortschiet
in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht met het slachtoffer,
met alle juridische gevolgen van dien. In dat geval is het volgens het hof de vraag
of de benadeelde jegens de verzekeraar aanspraak heeft op vergoeding van de door de
belangenbehartiger in rekening gebrachte kosten. Het tweede uitgangspunt is dat de
verzekeraar het recht heeft om te bepalen met wie zij «zaken wil doen». Maar, zo stelt
het hof, er zijn kanttekeningen bij deze vrijheid. De verzekeraar moet ervoor zorgen
dat, voor zover dat in haar vermogen ligt, de schaderegeling vlot en in harmonie met
de benadeelde verloopt (vgl. de Gedragscode Behandeling Letselschade). Het hof merkt
op dat het weigeren van een belangenbehartiger door verzekeraars tot een vertraging
zal leiden, alsook tot een verstoring van de verhoudingen. Het hof concludeert dat
een verzekeraar een belangenbehartiger mag weigeren indien er gegronde redenen zijn
om te vrezen dat het schaderegelingsproces tussen de verzekeraar en de benadeelde
vanwege de belangenbehartiger niet goed zal verlopen of onnodige vertraging zal oplopen.
Dit kan het geval zijn wanneer de belangenbehartiger er blijk van heeft gegeven niet
(voldoende) betrouwbaar te zijn, klaarblijkelijk niet beschikt over de kennis en ervaring
die noodzakelijk is voor het adequaat begeleiden van de benadeelde in het schaderegelingsproces,
en/of onredelijk hoge buitengerechtelijke kosten in rekening brengt. De verzekeraar
mag hierbij «betekenis toekennen aan het feit dat een belangenbehartiger ongebonden
is».14
Bovengenoemd arrest biedt mijns inziens een belangrijke stap in het verhelderen van
de ruimte die verzekeraars hebben richting slecht functionerende belangenbehartigers.
Ik blijf de komende periode met verzekeraars in gesprek om te bezien hoe hun positie
binnen deze bewegingsruimte verder versterkt en ontwikkeld kan worden met het oog
op een zorgvuldige afhandeling van het schaderegelingsproces.
Conclusie en aanbevelingen WODC-rapport over beroepsregulering en aanpassing artikel 6:96
lid 2 BW
De onderzoekers gaan in het rapport in op verschillende wijzen van regulering. Bij
regulering kan het gaan om regels die eisen stellen aan de toegang tot het beroep
van belangenbehartiger, het gedrag van belangenbehartigers en de kwaliteit van de
diensten die zij aanbieden. In Nederland is geen wet- of regelgeving waarin eisen
worden gesteld aan toe- of uittreding van de markt van belangenbehartigers. Het zijn
van belangenbehartiger is dus geen beschermd beroep en er gelden geen wettelijke opleidings-
of vergunningseisen.15 Wel valt een aantal belangenbehartigers al onder strenge beroepsreguleringseisen,
bijvoorbeeld omdat zij advocaat zijn. Het rapport concludeert dat niet is gebleken
dat de schaal van ondermaatse kwaliteit van belangenbehartigers zodanig is dat het
invoeren van titelbescherming proportioneel is. Van sommige praktijken is volgens
de onderzoekers aannemelijk dat zij zich in grotere mate voordoen bij ongebonden belangenbehartigers
dan bij gebonden belangenbehartigers, maar daar is geen hard bewijs voor gevonden.
De onderzoekers stellen daarom dat er voor moet worden gewaakt om dergelijke «drastische»
ingrepen in het kader van beroepsregulering te doen. Zij stellen nadrukkelijk niet voor om toe te werken naar een vorm van titelbescherming, vergunningplicht, een verplichting
tot certificering of het tot het stellen van opleidingseisen in wetgeving. Volgens
de onderzoekers staan nut en noodzaak daarvan niet vast. Dergelijke regelgeving brengt
kosten voor de maatschappij met zich, kan in de weg staan aan innovatie en biedt op
zichzelf geen verbetering van de kwaliteit van belangenbehartigers.
Het rapport bevat ook aanbevelingen die verband houden met de invulling van artikel 6:96
BW. Dit artikel regelt dat een benadeelde, naast vergoeding van zijn schade, ook recht
heeft op vergoeding van de kosten die hij maakt ter verkrijging van vergoeding van
die schade buiten rechte. Bij letselschades kunnen (onder omstandigheden) de kosten
van de afhandeling van schade, waaronder de kosten van belangenbehartiging, worden
verhaald op de aansprakelijkheidsverzekeraar. Op grond van artikel 6:96 lid 2, sub b
en c BW moeten zowel het maken van de kosten als de omvang van de kosten redelijk
zijn. Tegen deze achtergrond bevelen de onderzoekers aan om in het artikel een delegatiegrondslag
op te nemen, zodat bij lagere regelgeving regels kunnen worden gesteld over differentiatie
in vergoedingen, bijvoorbeeld naar opleidings- en specialisatieniveau van de belangenbehartiger.
Ten tweede doen zij de suggestie om te onderzoeken of het mededingingsrechtelijk is
toegestaan om de vergoeding op grond van artikel 6:96 lid 2 BW te normeren, waarbij
het uurtarief wordt afgestemd op criteria als ervaringsjaren en de mate van specialisatie.
Reactie op conclusie en aanbevelingen WODC-rapport over beroepsregulering en artikel 6:96
lid 2 BW
Ik deel de opvatting van de onderzoekers dat terughoudend moet worden omgegaan met
het middel van beroepsregulering. Eerder nam uw Kamer over dit onderwerp de eerdergenoemde
motie Vondeling (PVV) aan, waarin u de regering verzoekt om van het beroep van letselschadespecialist
een beschermd beroep te maken. Nu nut en noodzaak volgens de onderzoekers niet vaststaan,
acht ik beroepsregulering niet passend en proportioneel. Ik zie bovendien verschillende
andere beleidsopties die kunnen bijdragen aan het tegengaan van praktijken waarover
zorgen bestaan. Binnen de huidige systematiek is reeds een deel van de belangenbehartigers
gebonden aan beroepsregulering (zoals het geval is bij advocaten). Er is bovendien
veel zelfregulering, bijvoorbeeld door brancheverenigingen die kwaliteitseisen stellen
aan hun leden en door DLR die richtlijnen voor schadevergoeding ontwikkelt. Het NKL
en de GBL zijn hierbinnen belangrijke ontwikkelingen. Hulpverleners en andere partijen
in de branche verwijzen letselschadeslachtoffers steeds vaker naar deze «gebonden»
belangenbehartigers.16 Deze (zelf)regulering, en verwijzing daarnaar, draagt bij aan de algehele kwaliteit
van de belangenbehartiging.
De aanbeveling voor het aanvullen van artikel 6:96 lid 2 BW met een delegatiegrondslag
en een deskundigheidseis voor belangenbehartigers is na verschijning van het WODC-rapport
omarmd door verschillende partijen in de letselschadebranche. In dat kader hebben
zij een pamflet uitgebracht waarin zij wijzen op de meerwaarde van het toevoegen van
een deskundigeneis.17 Hiermee kunnen volgens de ondertekenaars van het pamflet kwalijke praktijken door
ongereguleerde belangenbehartigers effectief en laagdrempelig worden tegengegaan.
Ik ga niet mee in deze aanbeveling en het pleidooi in het pamflet van branchepartijen.
Hoewel onderzoekers dit als een zelfstandige aanbeveling presenteren, is het wettelijk
normeren van kosten in artikel 6:96 lid 2 BW op basis van deskundigheids- en ervaringseisen
een vorm van beroepsregulering. Het stellen van eisen aan deskundigheid en ervaring
is immers niet mogelijk zonder te bepalen voor wie precies deze normering gaat gelden.
De argumenten tegen beroepsregulering zoals hiervoor en ook door de onderzoekers zelf
geschetst, gelden ook hiervoor. Omdat de omvang van het probleem, en daarmee nut en
noodzaak van een oplossing niet vaststaan, is de voorgestane maatregel niet passend
en proportioneel. Een wetswijziging is een langdurig proces, waarbij duidelijk moet
zijn wat de omvang van het probleem is, wat de verschillende opties zijn om dit probleem
te adresseren, welke neveneffecten de verschillende oplossingen hebben en welke (financiële)
gevolgen er zijn. Het toevoegen van een deskundigheidsvereiste breidt bovendien de
verantwoordelijkheid van de overheid uit voor een vorm van beroepsregulering, omdat
dit een toezichthoudende rol met zich meebrengt.
Zoals ik hiervoor heb omschreven, en tevens in reactie op de eerdergenoemde motie
van het lid Mutluer, zal ik niet overgaan tot het verplicht stellen van een keurmerk.
Wel acht ik het van belang om de positie van de zelfregulering te versterken en wil
ik graag stimuleren dat de bestaande mechanismen zich verder ontwikkelen. Ik kom hier
later in deze brief op terug.
Conclusies en aanbevelingen WODC-rapport over de positie van het slachtoffer
Een belangrijk deel van het rapport gaat in op het centraal stellen van het slachtoffer.18 Zo bevelen de onderzoekers aan om door te gaan met het verbeteren van de aansluiting
tussen behoeften van slachtoffers en de dienstverlening die belangenbehartigers bieden.
Daarnaast wijzen zij erop dat het van groot belang is dat slachtoffers betrouwbare
informatie tot hun beschikking hebben over het letselschadeproces en de te maken keuzes,
waaronder het inschakelen van een belangenbehartiger en de verschillende varianten
die zich in deze beroepsgroep voordoen. De onderzoekers stellen dat een verbetering
van de informatiepositie van de benadeelde wenselijk is en dat de kwaliteit van het
schadevergoedingsproces daarmee verbeterd kan worden.19
Ik onderschrijf deze conclusies en aanbevelingen. In gesprekken met de DLR en de betrokken
organisaties in de letselschadebranche zal ik het belang benadrukken van een betere
aansluiting tussen de behoeften van slachtoffers, waaronder hun immateriële behoeften,
en de dienstverlening door belangenbehartigers. Daarnaast acht ik het van groot belang
dat benadeelden betrouwbare informatie tot hun beschikking hebben over het letselschadeproces
en de te maken keuzes, waaronder het inschakelen van een belangenbehartiger en de
verschillende varianten die zich in deze beroepsgroep voordoen. Zij moeten weten wat
zij mogen verwachten van een belangenbehartiger en weten welke regels en keurmerken
er zijn. Het versterken van deze informatiepositie kan er mijns inziens voor zorgen
dat meer benadeelden een geïnformeerde keuze maken om al dan niet voor een belangenbehartiger
te kiezen die is aangesloten bij een keurmerk, dat meer partijen zich aansluiten bij
de zelfregulering en dat daarmee de algemene kwaliteit van belangenbehartiging vooruitgaat.
Daarom is een pagina ontwikkeld op de website van de Rijksoverheid over letselschade
en de rol van belangenbehartigers, in samenwerking met het Ministerie van Algemene
Zaken. Deze pagina bevat begrijpelijke en overzichtelijke informatie over het letselschadeproces,
belangenbehartigers, het NKL en de Gedragscode Behandeling Letselschade (GBL). Deze
informatie is van groot belang om slachtoffers beter te informeren over het aanbod
van belangenbehartigers en of zij al dan niet gebonden zijn aan bepaalde kwaliteitseisen.
Diverse organisaties spelen een belangrijke rol bij het bieden van de juiste informatie
aan slachtoffers, met name Slachtofferhulp Nederland en het Juridisch Loket. Benadeelden
kunnen ook terecht op de website van DLR, bijvoorbeeld voor informatie omtrent het
letselschadeproces, het NKL en de GBL.20 Deze partijen bieden veel informatie aan benadeelden. Naar aanleiding van het rapport
heb ik nader met deze partijen gesproken over de informatievoorziening omtrent letselschade.
Samen met hen wil ik de bestaande informatievoorziening verder verbeteren. Op bovengenoemde
pagina over letselschade op de website van de Rijksoverheid zal nadrukkelijk naar
hun dienstverlening worden verwezen. Op deze manier hoop ik dat benadeelden met letselschade
nog beter hun weg zullen vinden naar deze organisaties en hun hulpverlening.
Conclusies en aanbevelingen WODC-rapport over bestaande en gewenste wettelijke mogelijkheden
Het rapport benoemt dat er binnen de huidige kaders de nodige mogelijkheden zijn om
zorgelijke praktijken aan te pakken, en dat deze mogelijkheden beter kunnen worden
benut. De onderzoekers identificeren de wettelijke regels waarbinnen het proces van
belangenbehartiging plaatsvindt en waaraan het minimaal dient te voldoen. In veel
gevallen gelden voor belangenbehartiging de algemene regels omtrent de overeenkomst
van opdracht uit het BW, bescherming tegen oneerlijke handelspraktijken en de strafrechtelijke
ondergrens die doorwerkt in contractuele verhoudingen, zoals verduistering, oplichting
en valsheid in geschrifte.21 Hoewel deze regels niet toegespitst zijn op letselschadezaken, kunnen deze volgens
de onderzoekers richting geven.22 Een deel van deze bestaande wet- en regelgeving beschermt de positie van de opdrachtgever,
in dit geval de benadeelde met letselschade. Het rapport beschrijft verder onder meer
de mogelijkheden tot handhaving op het gebied van consumentenbescherming van de Autoriteit
Consument en Markt (ACM).23 De onderzoekers bevelen aan om de ACM een gericht handhavingsonderzoek te laten doen
naar overtreding door belangenbehartigers van consumentenbeschermende bepalingen onder
de Wet handhaving consumentenbescherming.
Verder doen de onderzoekers een tweetal aanbevelingen voor aanvullende wetgeving:
een specifiek verbod op dubbel declareren zonder geïnformeerde toestemming van de
benadeelde en een verplichting voor belangenbehartigers om transparant te zijn tegenover
benadeelden als zij betaald hebben voor het verkrijgen van hun dossiers. Tot slot
doen de onderzoekers de suggestie om nader te onderzoeken of het verboden zou moeten
worden dat de belangenbehartiger contractueel bedingt dat een eventueel niet-declarabel
deel van de buitengerechtelijke kosten alsnog op de benadeelde verhaald kan worden.
Reactie conclusies en aanbevelingen WODC-rapport over bestaande en gewenste wettelijke
mogelijkheden
Ik deel de opvatting van onderzoekers dat binnen de huidige wettelijke kaders al veel
mogelijkheden bestaan om zorgelijke praktijken in de letselschadebranche aan te pakken.
De ACM is bevoegd tot handhaving waar het gaat om informatievoorziening en communicatie
voor en tijdens belangenbehartiging. De ACM is een zelfstandig bestuursorgaan en gaat
als onafhankelijk toezichthouder over haar eigen prioriteringsbeleid. Met inachtneming
van deze onafhankelijke positie, heb ik de aanbeveling tot het doen van een gericht
handhavingsonderzoek onder de aandacht gebracht van de Minister van Economische Zaken
en Klimaat en de ACM.
Anders dan de onderzoekers, zie ik geen aanleiding voor aanvullende wetgeving tegen
dubbel declareren. Er bestaan reeds verschillende wettelijke remedies tegen dubbel
declareren zonder geïnformeerde toestemming, zoals vernietiging van een beding op
grond van dwaling of oneerlijke handelspraktijken. Uit het onderzoek blijkt dat deze
remedies in de praktijk met succes worden ingezet. De schaal waarop deze praktijk
zich voordoet, is bovendien onduidelijk. Ook zie ik geen aanleiding voor een wettelijke
verplichting tot transparantie tegenover benadeelden over het betalen voor dossiers.
Ook hier speelt het probleem van de afbakening voor wie deze verplichting zou moeten
gelden. Voor deze aanbeveling gelden dezelfde bezwaren als ik hiervoor uiteen heb
gezet bij de aanbevelingen over beroepsregulering.
Tot slot zie ik geen aanleiding voor nader onderzoek naar een verbod op het contractueel
bedingen dat een eventueel niet-declarabel deel van de buitengerechtelijke kosten
alsnog op de benadeelde kan worden verhaald. Onderzoekers merken op dat belangenbehartiging
niet gratis is. Als de belangenbehartiger hierover tegenover de benadeelde transparant
is, is een dergelijke afspraak in mijn ogen niet op voorhand ontoelaatbaar. Wel zet
ik in op het versterken van de informatiepositie van slachtoffers en blijf ik in gesprek
met betrokken partijen in de letselschadebranche.
Conclusies en aanbevelingen WODC-rapport over regie door de rijksoverheid
De aanbevelingen uit het rapport roepen op tot actie op verschillende thema’s, waarbij
een beroep wordt gedaan op verschillende partijen. Een overkoepelende aanbeveling
van de onderzoekers is dat er meer regie van de rijksoverheid nodig is bij de coördinatie
van die verschillende acties. Verder doen de onderzoekers de suggestie om de positionering
van DLR te onderzoeken. Daarbij gaat het meer specifiek om de vraag hoe DLR kan bijdragen
aan oplossing van de gesignaleerde problemen.
Reactie conclusies en aanbevelingen WODC regie door de rijksoverheid
Ik deel de opvatting van de onderzoekers dat de rijksoverheid een rol moet spelen
bij het opvolgen van de aanbevelingen. Binnen het huidige stelsel is er een gezamenlijke
verantwoordelijkheid die deels door zelfregulering is vormgegeven. Ik zie daarbij
dat de afgelopen jaren vanuit de branche zelf veel goede en constructieve initiatieven
zijn opgepakt. Een voorbeeld hiervan is zelfregulering binnen de letselschadebranche,
waarover ik hierna kom te spreken. Mijn stelselverantwoordelijkheid vul ik in tegen
die achtergrond.
Ik vind het belangrijk dat de bestaande zelfregulering zich verder ontwikkelt. Binnen
de structuur van DLR zijn de afgelopen jaren stappen gezet op het gebied van de zelfregulering
van de branche. Voorbeelden zijn het NKL en de GBL. Het NKL is een overkoepelend kwaliteitskeurmerk
voor alle professionals in de branche dat sinds 2021 bestaat. Voor slachtoffers dient
het keurmerk als waarborg voor kwalitatieve bijstand. Steeds meer organisaties en
belangenbehartigers sluiten zich aan bij het NKL, hetgeen bijdraagt aan een kwaliteitsverbetering
in de branche. Organisaties zoals Slachtofferhulp Nederland en de ANWB verwijzen slachtoffers
naar organisaties en personen die voldoen aan het keurmerk. De GBL is een gedragscode
met tien gedragsregels die zich richten tot de professionals die beroepsmatig betrokken
zijn bij de behandeling van letselschadezaken. De gedragsregels beschrijven welke
waarden en verantwoordelijkheden centraal dienen te staan bij de behandeling van letselschadezaken.
De gedragscode is bindend voor de leden van het Verbond van Verzekeraars en de organisaties
die zijn aangesloten bij het NKL van DLR. Ik acht het van belang dat meer belangenbehartigers
zich aansluiten bij het NKL en de naleving van het GBL.
De afgelopen maanden heb ik in het kader van mijn stelselverantwoordelijkheid met
verschillende partijen in de letselschadebranche gesproken over de aanbevelingen die
zijn gedaan in het WODC-rapport en de manier waarop daaraan opvolging zal worden gegeven.
In deze gesprekken wordt gekeken wat verschillende partijen zelf kunnen oppakken en
wat mijn ministerie vanuit de stelselverantwoordelijkheid kan doen. Ik ben voornemens
die gesprekken voort te zetten en zal de komende jaren met de partijen in gesprek
blijven. Daarbij bekijk ik op welke thema’s kan worden samengewerkt.
Ik wil er op wijzen dat de samenwerking tussen de partijen in de branche binnen het
platform van DLR wordt bevorderd. DLR blijft de komende periode voor mijn ministerie
dan ook een belangrijke gesprekspartner. Verbeteringen in de samenwerking en versterking
van de sector als geheel zijn daarbij onderwerp van gesprek. De inrichting en governance
van DLR en de verantwoordelijkheid voor de GBL zijn echter primair aangelegenheden
van de letselschadebranche zelf. Aanvullend is DLR op dit moment bezig om hun gedragscode
te herijken. Een onderzoek naar de positionering van DLR acht ik op dit moment dan
ook niet opportuun.
Binnen de structuur van DLR zijn de afgelopen jaren belangrijke stappen voorwaarts
gezet. Hierbij wijs ik op de positieve ontwikkelingen met betrekking tot twee pilots
voor de inzet van mediation en herstelbemiddeling in het letselschadeproces die de
afgelopen periode zijn afgerond. De bevindingen van deze pilots zijn positief en zijn
door de DLR op 7 april jl. aan mijn ministerie aangeboden.24 Deze pilots zijn gestart naar aanleiding van het rapport van de Universiteit Utrecht
uit 2020 naar de oorzaken van langdurige letselschade.25 Uit de pilots blijkt dat zowel mediation als herstelbemiddeling een belangrijke bijdrage
kunnen bieden aan het afwikkelen van het letselschadeproces en de bredere belangen
die het slachtoffer daarin heeft, ook buiten de financiële afdoening. Zo kan herstelbemiddeling
het emotionele herstel bevorderen, ook bij de veroorzaker van een ongeval. Uit de
pilot over mediation blijkt dat dit een laagdrempelige en relatieve snelle oplossing
kan bieden voor het stroomlijnen of bijsturen van het letselschadeproces en het terugdringen
van langlopende letselschadezaken.
In beide pilots is gebleken dat er veel potentieel ligt in het gebruik van mediation
en herstelbemiddeling in de letselschadebranche en is ingezet op meer bekendheid met
deze middelen.
Uit de rapporten van de pilots komen verschillende aanbevelingen naar voren. Zo onderzoekt
DLR op welke wijze de aanbevelingen uit de pilots een vaste plek kunnen krijgen in
de GBL. Ten aanzien van mediation zijn er mogelijkheden genoemd voor de rechtspraak
om de toepassing van mediation binnen de letselschadepraktijk te bevorderen. Ik ga
de komende periode met DLR in gesprek over hoe ik vanuit mijn ministerie een positieve
bijdrage kan leveren aan de opvolging van de aanbevelingen uit beide pilots.
Langdurige letselschadezaken
Tot slot wil ik in deze brief stilstaan bij de problematiek van langdurige letselschadezaken.
De afwikkeling van letselschade duurt vaak lang en veel verschillende partijen zijn
daarbij betrokken. Uit eerder onderzoek van de Universiteit Utrecht uit 2020 blijkt
dat er simpelweg niet één oorzaak aan te wijzen is voor lange doorlooptijden in sommige
letselschadezaken. In de meeste langlopende letselschadezaken zijn verschillende omstandigheden
debet aan de lange duur van de behandeling, zoals het wachten op de medische eindtoestand,
de re-integratie in het arbeidsproces, en de onduidelijkheid over de door het ongeval
ontstane beperkingen. Volgens de onderzoekers blijkt de lange afhandelingsduur niet
in alle zaken helemaal te voorkomen en in sommige zaken kan het juist in het belang
van de benadeelde zijn om een zaak lang(er) te laten lopen.
De leden Van Nispen en Koops hebben in hun motie van 4 september 2025 de regering
gevraagd om te laten onderzoeken wat de voornaamste redenen zijn voor langlopende
letselschadezaken. In reactie op deze motie merk ik op dat voornoemd onderzoek uit
2020 reeds veel inzicht biedt in langlopende letselschadezaken en de oorzaken die
daaraan ten grondslag liggen. Het is van belang om aandacht te hebben voor de complexiteit
van oorzaken die in het onderzoek wordt geschetst en om eventuele maatregelen weloverwogen
en in samenhang te bezien. Ik ben de afgelopen periode met partijen in de branche
in gesprek geweest om te bezien of er sinds het verschijnen van het onderzoek van
de Universiteit Utrecht ontwikkelingen zijn die een nieuw onderzoek wenselijk maken.
Mijn bevindingen op basis van deze gesprekken zijn dat het voornoemde onderzoek uit
2020 nog steeds relevant is en voldoende inzicht biedt in de problematiek. Wel acht
ik het nog van belang om het slachtofferperspectief de komende periode nadrukkelijk
bij deze gesprekken te betrekken. Ik verwacht deze gesprekken voor de zomer van 2026
af te ronden.
Ik wil er in dit kader nog op wijzen dat de Minister van Financiën onlangs de regels
uit de GBL die zich lenen voor toezicht en handhaving wettelijk heeft verankerd in
het Besluit gedragstoezicht financiële markten 2024 (Stb. 2024, 388). Deze verankering ziet op de termijnen voor verzekeraars om hun verplichtingen in
letselschadezaken na te komen. Het gewijzigde besluit is op 1 juli 2025 in werking
getreden.
Afsluiting
In deze brief ben ik ingegaan op het WODC-rapport over de belangenbehartiger bij letselschade.
Ook ben ik ingegaan op de moties van uw Kamer van het lid Vondeling van de PVV (12 juni
2024), het lid Mutluer van GroenLinks-PvdA (28 mei 2025) en de leden Van Nispen van
de SP en Koops van NSC (4 september 2025) die ik hiermee beschouw als afgedaan. Het
verkennende WODC-rapport biedt verschillende handvatten om vooruitgang te boeken op
het gebied van belangenbehartiging bij letselschade. Daarbij is een rol weggelegd
voor verschillende partijen. Ik kies er daarbij niet voor om de beroepsgroep nader
te reguleren, ook niet via toevoeging van een deskundigheidseis aan artikel 6:96 lid 2
BW. Zoals hierboven beschreven, acht ik die optie op dit moment niet passend en niet
proportioneel. Juist door de informatievoorziening aan het slachtoffer centraal te
stellen en door oog te hebben voor het beter benutten van de mogelijkheden tot verbetering
die al voorhanden zijn, kunnen de nodige stappen voorwaarts gezet worden. Alleen in
gezamenlijkheid kan dergelijke vooruitgang worden geboekt. Ik zal me daar de komende
periode, samen met de partijen uit het veld, voor inzetten.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
K.T. van Bruggen
Ondertekenaars
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid