Brief regering : Verzamelbrief Justitiële Jeugd
28 741 Jeugdcriminaliteit
Nr. 137
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 3 juli 2026
Met deze brief informeer ik uw Kamer over een aantal ontwikkelingen met betrekking
tot justitiële jeugd. Dit zijn jeugdigen die in aanraking komen met justitie vanwege
de verdenking van een strafbaar feit. De volgende onderwerpen komen in deze brief
aan de orde:
Verhogen strafmaat voor jeugdigen en adolescenten
Toepassing van adolescentenstrafrecht bij 16- en 17-jarigen
Bodyscanners
Verhogen strafmaat voor jeugdigen en adolescenten
In zowel mijn voortgangsbrief Justitiële jeugd van 17 april 2026, als in het commissiedebat
Justitiële jeugd van 23 april 2026 heb ik toegezegd voor deze zomer een standpunt
in te nemen over het aanpassen van de wettelijke strafmaxima – in het bijzonder de
maximale jeugddetentieduur – in het jeugdstrafrecht.1
De vraag rondom het al dan niet verhogen van de maximale detentieduur komt voort uit
zorgen die er zijn over de adequaatheid van straffen die kunnen worden opgelegd aan
jeugdigen en jongvolwassenen die betrokken zijn bij soms zeer ernstige misdrijven.
Ik heb begrip voor die zorgen en erken de noodzaak tot een goed onderbouwde strafmaat
waarmee op passende wijze invulling kan worden gegeven aan de doelen van het jeugdstrafrecht.
In de verzamelbrief Justitiële jeugd van 16 januari 2026 is in dat kader een impactanalyse
aangekondigd, die inmiddels is afgerond.2 In deze impactanalyse zijn diverse scenario’s uitgewerkt, waarbij niet alleen aandacht
wordt besteed aan de benodigde middelen die met een strafverzwaring gemoeid zijn en
de wetstechnische consequenties (zie verder de paragraaf over de uitvoeringsconsequenties
hierna), maar ook aan de verhouding van een beoogde verhoging tot (internationale)
regelgeving, de kinderrechten en de strafdoelen uit het jeugdstrafrecht.
Mede gelet op de bevindingen uit deze impactanalyse informeer ik u dat ik de maximale
straffen voor jeugdigen en jongvolwassenen niet zal verhogen. Aan deze beslissing
liggen verschillende overwegingen ten grondslag, die ik in deze brief toelicht. Daarbij
ga ik afzonderlijk in op jeugdigen en jongvolwassenen.
Strafmaat jeugdige verdachten (12 tot en met 17 jaar)
Een eerste belangrijke overweging om de huidige strafmaxima niet te verhogen is dat
uit onderzoek is gebleken dat officieren van justitie en kinderrechters (hierna: magistraten)
in meerderheid van mening zijn dat de huidige strafmaxima voor minderjarigen toereikend
zijn.3 De magistraten die hebben aangeven geen behoefte te hebben aan verhoging van de maximale
jeugddetentieduur, voeren onder meer aan dat een dergelijke verhoging niet zou stroken
met het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht. Dit pedagogische uitgangspunt
houdt in dat het jeugdstrafrecht zich in eerste instantie richt op positieve gedragsverandering,
heropvoeding en het voorkomen van recidive en in mindere mate op vergelding en genoegdoening
voor het slachtoffer. Als meer nadruk wordt gelegd op het punitieve element van deze
strafdoelen, kan dat de verhouding met de andere strafdoelen in gevaar brengen.
Tevens is door het WODC onderzoek gedaan naar de wijze waarop ons omringende landen
omgaan met de bestraffing van minderjarigen die verdacht worden van het plegen van
zware misdrijven.4 Hoewel de andere onderzochte landen gemiddeld een langere maximale strafduur kennen,
heeft Nederland een systeem van straffen en maatregelen dat per saldo leidt tot een
vergelijkbare duur van de uiteindelijke vrijheidsbeneming.5 Zo kan hier in aanvulling op de straf een PIJ-maatregel worden opgelegd die kan oplopen
tot 7 jaar.6 Daarnaast kan, via toepassing van het adolescentenstrafrecht, bij 16- en 17-jarigen
het volwassenstrafrecht worden toegepast.
In aanvulling op bovengenoemde onderzoeksbevindingen wijs ik erop dat de roep om verhoging
van de maximale straffen voortkomt uit excessen. Er is slechts een klein aandeel van
de jeugdige daders dat zeer ernstige strafbare feiten pleegt. Het verhogen van strafmaxima
heeft echter een opstuwend effect op de strafoplegging als geheel. Als de maximale
straffen worden verhoogd, zullen naar verwachting niet alleen de straffen voor zware
misdrijven, maar ook de straffen voor lichtere feiten hoger worden. De reden hiervoor
is dat op strafbare feiten gestelde strafmaxima en het daarop afgestemde straftoemetingsbeleid7 zich logisch en proportioneel tot elkaar verhouden. De op strafbare feiten gestelde
strafmaxima staan in feite op een lijn, van minst ernstig tot meest ernstig. Dit maakt,
dat als de wettelijke strafmaxima worden verhoogd, er vaker jeugddetentie zal worden
opgelegd en de duur daarvan zal toenemen. Dit zal naar verwachting niet bijdragen
aan de vermindering van recidive, mede door detentieschade die optreedt door onder
andere het wegvallen van de dagelijkse structuur, school en vrienden.8
Verhoging van de strafmaat binnen het jeugdstrafrecht heeft daardoor een ongewenst
neveneffect voor het merendeel van de jeugdigen binnen het strafrechtsysteem, wat
zich slecht verhoudt tot de pedagogische uitgangspunten van het jeugdstrafrecht.
Strafmaat jongvolwassen verdachten (18 tot en met 22 jaar; onder het adolescentenstrafrecht)
In de verzamelbrief Justitiële jeugd van 16 januari 2026 heeft mijn ambtsvoorganger
aangekondigd uw Kamer tevens te informeren over de uitkomsten van het vraagstuk rond
strafmaatverhoging voor 18- tot en met 22-jarigen bij wie het adolescentenstrafrecht
(ASR) wordt toegepast.
De norm bij strafzaken van jongvolwassen verdachten is «toepassing van het volwassenstrafrecht,
tenzij». Een rechter kan echter bij de strafoplegging, gelet op de persoonlijkheid
van de dader of de omstandigheden van het feit, uitgaan van het jeugdstrafrecht conform
artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, het toepassen van het ASR. Uit cijfers
van de rechtspraak bleek dat in 2025 het ASR in ruim 6 procent van de strafzaken van
jongvolwassen verdachten werd toegepast.
Enkele jaren geleden heeft de toenmalig Minister voor Rechtsbescherming in reactie
op het WODC-onderzoek «Strafmaat en strafdoelen in ernstige jeugd- en adolescentenstrafzaken»
aangegeven nog onvoldoende zicht te hebben op de uitwerking die toepassing van het
ASR op deze doelgroep heeft. Daarom werd een besluit over eventuele strafmaatverhoging
uitgesteld.9 Uit eerdere evaluatie van het ASR was al wel bekend dat er geen verschil was in recidivecijfers
na toepassing van jeugddetentie dan wel volwassendetentie.10 Aan de hand van twee onderzoeken zijn de uitwerkingen van het ASR nader in beeld
gebracht, namelijk een onderzoek naar de toepassing van het ASR11 en een doelgroeponderzoek naar de kenmerken van jongeren en jongvolwassenen die in
de Justitiële Jeugdinrichtingen (JJI’s) verblijven.12 Uit het eerste onderzoek bleek dat het ASR in praktijk voornamelijk werd toegepast
bij verdachten waarbij sprake was van een achterlopende hersenontwikkeling.13 Uit het laatstgenoemde onderzoek bleek dat het aanbod in de JJI’s divers is en aansluit
bij veel van de kenmerken van de populatie, maar dat er weinig behandelaanbod specifiek
gericht is op de grote groep jongvolwassenen.
Van de bevraagde magistraten uit het eerdergenoemde onderzoek bleek 61% voorstander
te zijn van verhoging van de strafmaat voor jongvolwassenen die onder het ASR bestraft
worden. Van dit percentage was 39% voorstander van verhoging voor de gehele onderzoeksdoelgroep
(16 t/m 22 jarigen). 22% was alleen voorstander van verhoging voor jongvolwassenen
die onder het ASR bestraft worden. De belangrijkste reden die werd aangevoerd voor
verhoging van de strafmaat was dat zo in meer gevallen proportioneel zou kunnen worden
gestraft op basis van het ASR.14
Op basis van deze onderzoeksbevindingen trek ik de volgende conclusie: de strafmaat
voor jongvolwassenen onder het ASR is van toepassing op jongeren van 18 t/m 22 jaar
met een achterlopende ontwikkeling. Daarom vind ik het gerechtvaardigd dat voor hen
de strafmaxima gelden die ook gelden voor 16- en 17-jarigen en acht ik (ook) het verhogen
van de strafmaat voor de aparte categorie van jongvolwassenen wenselijk noch nodig.
Ik wijs erop dat de meeste magistraten die voorstander bleken van een verhoging van
de strafmaat dit in samenhang met verhoging van de strafmaat voor 16- en 17-jarigen
bepleitten, waarbij de strafmaat voor 16- en 17-jarigen enerzijds en jongvolwassenen
anderzijds, net als nu gelijk zou kunnen blijven.
Een belangrijke aangevoerde reden voor verhoging van de strafmaat voor 18- tot 22-jarigen
is dat het ASR dan vaker zou kunnen leiden tot een proportionele afdoening, ook bij
ernstigere delicten. In dergelijke gevallen kan echter al gekozen worden voor het
volwassenstrafrecht. Overigens merk ik op dat er ook praktische bezwaren bestaan tegen
de uitbreiding van toepassing van het ASR bij jongvolwassenen. Zo is er al jaren onvoldoende
capaciteit en personeel beschikbaar in de JJI’s, wat ook invloed heeft op het kunnen
aanbieden van passende behandeling voor deze doelgroep.
Uitvoeringsconsequenties
Naast de bovengenoemde bezwaren tegen verhoging van de strafmaxima in het jeugdstrafrecht,
heeft doorrekening van de impact laten zien dat de kosten hiervoor aanzienlijk zijn.
Hierbij zijn de uitvoeringsconsequenties van diverse scenario’s berekend voor de JJI’s,
omdat daar vooral impact wordt verwacht. De structurele bijkomende kosten in deze
scenario’s variëren van 11 tot 136 miljoen euro per jaar.15 De doorgerekende scenario’s variëren van beperkte strafverhoging voor een afgebakende
leeftijdsgroep en type misdrijf tot scenario’s met strafverhoging over de hele linie
binnen het jeugdstrafrecht. Naast het feit dat in het bijzonder de scenario’s met
een beperkte strafmaatverhoging vaak ook een wijziging van de huidige leeftijdsindeling
in de wetssystematiek zouden vergen, is er momenteel geen financiële dekking voor
het verhogen van de maximale straffen. In aanvulling daarop speelt ook het probleem
dat het vinden van extra personeel lastig zal zijn, gezien het feit dat er momenteel
al krapte is in het personeelsbestand van de JJI’s.
Conclusie
Zoals eerder aangegeven deel ik de zorgen over de kleine groep jeugdigen die zware
delicten pleegt of al op zeer jonge leeftijd met criminaliteit in aanraking komt.
Daarbij moet de inzet er vooral op gericht zijn op het voorkomen dat er groepen of
buurten ontstaan waar eigen regels gelden en waar de invloed van het openbaar gezag
verdwijnt. Het verhogen van de strafmaxima zie ik niet als oplossing voor dit probleem.
Wel is naast preventie ook repressie nodig. Dan denk ik aan passende straffen en maatregelen,
aan gerichte opsporing en aan handhavend optreden van de burgemeester in geval van
(dreigende) onveilige situaties in de openbare ruimte.
Daarnaast dienen we, indien er sprake is van een strafbare feiten, de focus niet primair
te leggen op vergelding, maar veeleer op het behandelen van de jeugdige teneinde recidive
te voorkomen en re-integratie te bevorderen. Dit is ook in lijn met het Internationale
Verdrag voor de Rechten van het Kind, waarin gesteld wordt dat strafdoelen bij jeugd
primair gericht moeten zijn op re-integratie en constructieve participatie in de samenleving.
Uiteindelijk zullen we als samenleving in mensen die op zo'n jonge leeftijd al dergelijk
gedrag vertonen, heel veel werk moeten stoppen om dat te veranderen; een hogere strafmaat
helpt daarbij niet.
Toepassing van adolescentenstrafrecht bij 16- en 17-jarigen
De Vaste Kamercommissie voor Justitie en Veiligheid heeft mij op 15 april 2026 gevraagd
schriftelijk in te gaan op de vraag wat nodig is om jongeren bij zware misdrijven
als volwassenen te berechten.
Onder de huidige wetgeving is het al mogelijk om 16- en 17-jarigen bij zware misdrijven
als volwassenen te berechten. Sinds 2014 kent het Wetboek van Strafrecht het adolescentenstrafrecht,
wat flexibele toepassing van het jeugdstrafrecht en het volwassenstrafrecht mogelijk
maakt bij adolescenten (16- tot 23-jarigen). Op basis van artikel 77b van het Wetboek
van Strafrecht kan de rechter een jongvolwassene in de leeftijd van 16 en 17 jaar
volgens het volwassenstrafrecht berechten, als de rechter daartoe aanleiding ziet
in de ernst van het begane feit, de persoonlijkheid van de dader, of de omstandigheden
waaronder het feit is begaan.
Bodyscanners
In het debat justitiële jeugd van 24 april 2026 en het daarop volgende tweeminutendebat
op 27 mei 2026 heb ik toegezegd uw Kamer te informeren over het mogelijke gebruik
van de bodyscanner in de JJI en de Kleinschalige Voorzieningen Justitiële Jeugd (KVJJ)
als alternatief voor visitatie. Een bodyscanapparaat is een beveiligingstechnologie
die wordt gebruikt om justitiabelen te controleren op contrabande, zoals drugs, wapens
en andere verboden voorwerpen, binnen de inrichting. Het vormt een alternatief voor
visiteren. Op dit moment wordt er in zowel de JJI’s als in de KVJJ’s nog geen gebruik
gemaakt van de bodyscanner.
Momenteel ben ik bezig met een wettelijke grondslag om de bodyscanner in de genoemde
settingen in te kunnen zetten bij de justitiabele. Daarbij kijk ik naar wat humaan
is en tegelijkertijd de veiligheid van de instellingen waarborgt. Ik erken hierin
dat visitatie een invasieve methode is om onderzoek te doen aan het lichaam. De methode
wordt gebruikt om contrabanden tegen te gaan en de instelling daarmee veilig te houden.
Ik kijk daarbij ook naar de mogelijkheden om de bodyscanner toe te passen in het gevangeniswezen
en in de forensische zorg.
Een belangrijk aandachtspunt voor het toepassen van de bodyscanner bij de jeugdige
groep is de straling die het apparaat kan afgeven aan het lichaam. Daarbij moet worden
gekeken naar de Kernenergiewet, die leidt tot zorgvuldigheidseisen, waaronder dosislimieten
voor jeugdigen en eisen aan de ruimte waar de bodyscanner wordt geplaatst.
Daarnaast zijn er ook vraagstukken voor de uitvoering van het inzetten van de bodyscanner.
Zo moet er worden uitgezocht hoe er moet worden omgegaan met de scanresultaten en
welke beroepsgroepen dit mogen uitlezen, en of er middelen beschikbaar zijn om de
meerkosten van de bodyscanner te dekken.
Met het Kamerlid Hamstra (CDA) ben ik van oordeel dat de bodyscanner een meerwaarde
heeft ten opzichte van visitatie. Daarom zal ik verder onderzoeken of en zo ja, hoe
ik het gebruik van de bodyscanner op een zo’n veilig mogelijke manier kan implementeren.
Ik streef ernaar uw kamer voor het einde van het jaar over de eerste resultaten te
informeren.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
K.T. van Bruggen
Ondertekenaars
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid