Brief regering : Resultaten SDE++ 2025 en openstelling SDE++ 2026
31 239 Stimulering duurzame energieproductie
Nr. 461
BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 3 juli 2026
De SDE++ is een kerninstrument in de energietransitie en draagt bij aan energietransitieopgaven
in de industrie, landbouw, gebouwde omgeving en de mobiliteit. Hiermee draagt het
instrument bij aan de verduurzaming van de Nederlandse economie en een weerbaar energiesysteem
ten tijde van geopolitieke onrust. De SDE++ stimuleert verschillende technieken, van
zonne-energie tot geothermie, die grootschalig kunnen worden toegepast in de energietransitie.
Het instrument rangschikt projecten op kosteneffectiviteit, waardoor het zeer efficiënt
is in de besteding van overheidsmiddelen om bovengenoemde doelen te bereiken. Het
kabinet hecht aan de continuïteit van de SDE++ en heeft daarom in het coalitieakkoord
middelen vrijgemaakt om deze regeling in ieder geval tot en met 2032 open te kunnen
stellen. Dit biedt zekerheid voor de lange termijn aan marktpartijen, die zo aan de
slag kunnen om projecten voor te bereiden voor hernieuwbare energieproductie en CO2-reductie. Met deze brief informeert het kabinet de Kamer over de voorlopige resultaten
van de openstellingsronde van de SDE++ in 2025, waarin reeds 283 projecten zijn beschikt,
waarmee ondernemers hun bedrijf kunnen verduurzamen en kunnen bijdragen aan een weerbaar
Nederland. Daarnaast gaat de brief nader in op de aankomende openstellingsronde van
de SDE++ in 2026 en behandelt de brief twee openstaande moties.
Resultaten SDE++ openstellingsronde 2025
Voor de openstellingsronde van de SDE++ 2025 was een budget van € 8 miljard beschikbaar.
Uit de resultaten blijkt dat de SDE++ onverminderd van belang is voor de uitrol van
technieken die bijdragen aan de warmtetransitie in de gebouwde omgeving en de verduurzaming
van de glastuinbouw. Een voorbeeld hiervan is de relatief nieuwe categorie lucht-water-warmtepomp,
die een verdubbeling van het aantal beschikkingen heeft doorgemaakt sinds afgelopen
jaar, met 66 beschikkingen t.w.v. € 562 miljoen. De resultaten laten ook zien dat
de SDE++ sterk bijdraagt aan de reductie van CO2 in Nederland, met een verwachte besparing van 0,45 Mton CO2 door 4 projecten voor CO2 afvang en opslag, en een totale verwachte CO2 reductie van 1,74 Mton in deze ronde tot nu toe.
Zoals eerder vermeld in de Kamerbrief over de voorlopige resultaten van deze ronde
betrof het totaal aangevraagd budget ca. € 22 miljard1. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) beoordeelt de aanvragen
nauwkeurig op volledigheid en technische en financiële haalbaarheid. Alleen aanvragen
met een positieve beoordeling van RVO ontvangen een beschikking. Op dit moment hebben
283 projecten een positieve beschikking ontvangen, voor een budget van ca. € 8 miljard.
Er is nog voor ca. € 0,7 miljard aan aanvragen in beoordeling door de RVO. Dit betekent
dat het budget waarschijnlijk wordt uitgeput, maar dat de concurrentie binnen de veiling
niet zo groot was als eerder gedacht. Mede doordat de aanvragen binnen het domein
hernieuwbare elektriciteit beperkt waren, een dalende trend die al langer te zien
is, en ook bij CCS/CCU geen sprake is van zeer groot budgetbeslag, hebben de hekjes
in de praktijk geen effect gehad bij het toekennen van beschikkingen. Wel kan het
zo zijn dat de hekjes, en de zekerheid van beschikbaar budget voor de domeinen moleculen,
lage-temperatuur-warmte en hoge-temperatuur-warmte, hebben bijgedragen aan de hoeveelheid
aanvragen in deze domeinen.
Bij de beoordeling is gebleken dat veel aanvragen niet voldeden aan de voorwaarden,
zoals aanwezigheid van de verplichte vergunningen. Ook hebben projecten zich in een
laat stadium na aanvraag nog teruggetrokken. Het gaat daarbij om projecten waarbij
het leveren van een bankgarantie een voorwaarde is voor de beschikking2. Voor een aantal aanvragers bleken onzekerheden over de businesscase van hun project
nog te groot om een bankgarantie af te kunnen geven en de beschikking te accepteren.
Voor het goed functioneren van de SDE++ regeling is het essentieel dat marktpartijen
hun aanvragen zo goed mogelijk voorbereiden en afwegen, om afwijzingen en intrekkingen
te voorkomen. Dit zorgt er ook voor dat de ronde snel afgehandeld kan worden, zodat
partijen door kunnen gaan met hun investeringen. Het is daarom belangrijk om voor
aanvraag een eenduidige keuze te maken over alle aspecten met betrekking tot de uitvoering
van het project, waaronder het tekenen van een uitvoeringsovereenkomst en afgeven
van de bankgarantie.
Overzicht beschikkingen SDE++ 2025, 23-06-2026
1 Het vermogen voor de categorie «CO2-afvang en -opslag» en «CO2 afvang en -gebruik» verwijst naar het CO2-reducerend vermogen en is uitgedrukt in tCO2/uur. Het beschikte vermogen bedraagt 82 tCO2/uur voor «CO2-afvang en -opslag» en 38 tCO2/uur voor «CO2-afvang en -gebruik».
2 Gewogen gemiddelde op basis van de totale CO2-reductie per project.
3 Er gelden opschortende voorwaarden vanwege uitvoeringsovereenkomst met bankgarantie.
SDE++ openstelling 2026
De Kamer is aan het begin van dit jaar geïnformeerd over de openstelling van 20263. Vanwege onvoorziene vertraging in de voorbereiding van de openstelling van de regeling
zal de SDE++ dit jaar ongeveer een maand later worden opengesteld, van 27 oktober
tot 26 november. De reden hiervoor wordt nader toegelicht onder het kopje «Differentiatie
CO2-opslag tarieven». Aanvragers hebben hierdoor voldoende tijd voor de voorbereiding
van hun aanvraag.
Tabel 1: Openstellingsdata en fasegrenzen SDE++ 2026
Fase
Fasegrens
Openstelling
Fase 1
€ 75/ton CO2
27-10-2026 9:00 tot 2-11-2026 17:00
Fase 2
€ 150/ton CO2
2-11-2026 17:00 tot 9-11-1026 17:00
Fase 3
€ 225/ton CO2
9-11-2026 17:00 tot 16-11-2026 17:00
Fase 4
€ 300/ton CO2
16-11-2026 17:00 tot 23-11-2026 17:00
Fase 5
€ 400/ton CO2
23-11-2026 17:00 tot 26-11-2026 17:00
De regelingen met daarin de details van de openstellingsronde zullen binnenkort worden
gepubliceerd in de Staatscourant en RVO zal bedrijven via zijn website nader informeren
over de regelingen en praktische zaken voor de voorbereidingen van de subsidieaanvragen.
Hieronder wordt een aantal punten voor de regeling uitgelicht, in aanvulling op de
besluiten over de openstelling en de open te stellen technieken in de SDE++ waarover
de Kamer in februari al is geïnformeerd in de hiervoor genoemde Kamerbrief.
Differentiatie CO2-opslag tarieven
De SDE++ is sinds 2025 ook opengesteld voor Nederlandse emittenten die bij de toepassing
van CCS CO2 in het buitenland op willen slaan. Dit vloeit voort uit de staatssteunvereisten van
de Europese Commissie. Zoals in de vorige Kamerbrief4 toegezegd is met het oog op passende stimulering de geschiktheid van de CCS-basisbedragen
voor CO2-opslag in het buitenland door Xodus onderzocht. Dit onderzoek vindt u als bijlage
bij deze brief. De uitkomsten van het onderzoek geven aanleiding tot een nader onderscheid
in de verwerkingstoeslagen voor CO2-transport en -opslag. Dit onderscheid zal worden gemaakt op basis van de transportcapaciteit
en de benuttingsgraad van de pijpleiding, die bepalend zijn voor kostenverschillen
tussen diverse opslaglocaties. Deze basisbedragen worden gepubliceerd in de regelingen.
Om openstelling van deze categorieën en de differentiatie van de basisbedragen mogelijk
te maken dienen er uitvoeringstechnische aanpassingen, waaronder in de ICT, gedaan
te worden. Om aanvragers ook voldoende tijd te geven hun aanvraag voor te bereiden
is het noodzakelijk de SDE++ 2026 circa een maand later open te stellen.
Om bij te dragen aan passende stimulering van CCS zal voorafgaand aan de 2027-ronde
van de SDE++ opnieuw onderzoek worden uitgevoerd naar de kosten van CO2-transport en -opslag. Onderdeel van dit onderzoek is een open consultatie waar aanbieders
van CO2-transport- en opslag uit het binnen- en buitenland aan mee kunnen doen. De resultaten
van dit onderzoek zullen voorafgaand aan de 2027-ronde worden gepubliceerd.
Omgang met meeropbrengsten uit de verkoop van CDR-credits
Ontwikkelingen in beleid en regelgeving, zoals herziening van EU-ETS en/of regulering
op het gebied van de markt voor (certificering van) negatieve emissies, kunnen gaan
zorgen voor extra stimulering van CO2-reductie door middel van de inzet van CCS of CCU. Bepaalde technieken binnen de SDE++
zullen (op termijn) meer broeikasgassen uit de atmosfeer verwijderen dan ze in de
hele keten uitstoten. Er is dan sprake van negatieve emissies. Dit is bijvoorbeeld
het geval bij CCS bij afvalverbrandingsinstallaties (avi’s) en Direct Air Capture
(DAC)5, vanwege het verwijderen van biogene of atmosferische CO2. Voor het permanent verwijderen van CO2 kunnen deze projecten certificaten – zogenaamde Carbon Dioxide Removal (CDR) Credits
– ontvangen, die vervolgens verhandeld kunnen worden. Emittenten kunnen dus inkomsten
genereren uit de verkoop van deze CDR-credits. Momenteel vindt de handel in deze credits
op vrijwillige en informele basis plaats.
Het is noodzakelijk om binnen de SDE++ te corrigeren voor marktinkomsten. Het Planbureau
voor de Leefomgeving (PBL) neemt de inkomsten uit CDR-credits momenteel nog niet mee
in de correctiebedragen, omdat het PBL nog geen generieke waarde kan vaststellen.
Zoals ook in de Kamerbrief over de openstelling van 2025 is aangegeven6, wordt de generieke waarde van de certificaten verwerkt in het correctiebedrag zodra
het PBL deze waarde kan bepalen. Dit zal op dezelfde manier werken als voor de CCS-categorieën
in de SDE++ waar een ETS-correctie wordt toegepast. De eventuele marktinkomsten zijn,
evenals eventuele extra kosten, nu al wel onderdeel van de toets op overstimulering,
waarna het subsidiebedrag aangepast kan worden. RVO voert deze toets 1 jaar na realisatie
van het project uit en de toets kan (als daar aanleiding toe is) ieder jaar opnieuw
worden uitgevoerd.
Transport- en opslagverklaring bij aanvraag CCS
Voor de komende openstelling is het rapport «vereiste informatie transport- en opslagverklaring»7 niet langer vereist als bijlage bij CCS-projecten. Dit rapport was een verplichte
bijlage voor CCS-projecten, waarmee aanvragers aan moesten tonen dat het door hen
gekozen opslagproject geschikt is voor de permanente opslag van CO2 en of deze binnen de gestelde termijn ontwikkeld kan worden. Met het schrappen van
deze eis verlichten we de administratieve lasten. Zekerheid over de geschiktheid van
het opslagproject is voldoende ondervangen doordat voor de opslaglocatie een CO2-opslagvergunning nodig is.
Openstelling CCS met koolstofarme waterstof
In de vorige Kamerbrief heb ik aangegeven voornemens te zijn in lijn met het PBL-advies
een categorie open te stellen voor CCS-projecten met koolstofarme waterstof uit restgassen
die reeds een bestaande SMR- (Steam Methane Reforming8) én een bestaande CO2-afvanginstallatie hebben, mits dit inpasbaar zou zijn in de regeling. Hierbij wordt
uit aardgas of restgassen waterstof gemaakt en koolmonoxide. Nadere verkenning wijst
uit dat deze categorie op korte termijn niet inpasbaar is in de SDE++. Er is op dit
moment namelijk geen staatssteungoedkeuring voor een dergelijke categorie. Er is in
de marktconsultatie geen concrete interesse uit de markt getoond om in deze categorie
aanvragen in te dienen in 2026. In geval van marktinteresse kan in de toekomst invoering
van een categorie in de SDE++ nader worden onderzocht en overwogen.
Vormgeving categorieën met een hogetemperatuur-warmtepomp
Via de SDE++ wordt ook de verduurzaming van warmte in warmtenetten gestimuleerd. Het
PBL heeft met het oog hierop in zijn advies verschillende categorieën voor de toepassing
van hoge-temperatuur-warmtepompen opgenomen. Dit type warmtepompen verschilt van de
bestaande categorieën, doordat ze gericht zijn op het maken van warmte van ten minste
100 graden Celsius. Grootschalige warmtenetten maken vaak gebruik van stooklijnen
met temperaturen van boven de 100 graden Celsius om voldoende transportcapaciteit
van warmte te kunnen realiseren. Om deze, vaak fossiel gestookte, warmtenetten te
kunnen verduurzamen zijn duurzame hogetemperatuur-warmtebronnen nodig. In 2026 is
het mogelijk om subsidie aan te vragen voor een hogetemperatuur-warmtepomp in combinatie
met geothermie, aquathermie (als onderdeel van de categorie voor middentemperatuur)
en restwarmte als bron van warmte. De exacte voorwaarden worden opgenomen in de uitwerking
van de regelgeving.
Transportindicatie zon-PV
Uit onderzoek van Technopolis in opdracht van RVO9 blijkt dat veel zon-PV projecten met een SDE++-beschikking niet tot realisatie komen,
waarbij netcongestie een van de hoofdoorzaken is. Dit is nadelig, omdat het kabinet
dan subsidiemiddelen reserveert voor projecten die niet zullen worden gerealiseerd,
en deze middelen dus niet kan inzetten voor andere projecten in de energietransitie.
Ook is dit vervelend voor ondernemers, die tijd en middelen investeren in projecten
die uiteindelijk niet gerealiseerd kunnen worden. Om deze vrijval van projecten te
verminderen, heb ik samengewerkt met de netbeheerders en branchevereniging Holland
Solar om de transportindicatie aan te scherpen, zodat de transportindicatie beter
aansluit bij de mogelijkheid om een netaansluiting te krijgen. De netbeheerders en
Partners in Energie zullen het beoordelingskader voor aanvragen van een transportindicatie
zo spoedig mogelijk publiceren.
Aanpassing realisatietermijnen
Voor een aantal specifieke categorieën heeft de RVO gesignaleerd dat de realisatietermijn
van 4 jaar niet passend is, door de complexiteit van de technieken en projecten die
gerealiseerd worden. Ik heb daarom besloten om voor de categorieën waterstof uit elektrolyse, productie van waterstof door vergassing van afval, biomassavergassing
en biomethanol uit vaste lignocellulosehoudende biomassa de realisatietermijn aan te passen naar 5 jaar. Dit geldt voor nieuwe projecten die
vanaf de SDE++ ronde van 2026 een aanvraag zullen doen. Met het oog op de ronde van
2027 zal ik voor alle categorieën onderzoeken of de realisatietermijn zoals nu opgenomen
in de regeling passend is.
Invoedingstarief
De ACM onderzoekt sinds 2023 de invoering van een producententarief, waarbij niet
alleen de afnemer, maar ook de producent (invoeder) betaalt voor het elektriciteitsnet;
het invoedingstarief. In een persbericht van 30 april 2026 bevestigt de ACM door te
gaan met de ontwikkeling van een invoedingstarief.10
Ik heb mijn zorgen geuit bij de ACM over de onzekerheid die een mogelijk invoedingstarief
veroorzaakt. In reactie hierop heeft de ACM meer duidelijkheid verschaft11,
12. Zo heeft de ACM inmiddels bekend gemaakt dat er overgangsrecht wordt toegepast bij
projecten waarvoor een finale investeringsbeslissing is genomen voor ingang van het
invoedingstarief (voorzien voor 1 januari 2032). Voor deze projecten geldt een overgangstermijn
van 20 jaar waarin zij geen invoedingstarief hoeven te betalen. Dit betekent dat partijen
die in 2026 een aanvraag indienen bij de SDE++ en waarbij de projecten binnen de realisatietermijn
in gebruik worden genomen, onder het overgangsrecht vallen. De ACM heeft aangegeven
voornemens te zijn zo snel als mogelijk meer helderheid te scheppen over vormgeving,
werking en hoogte van het tarief.
Verklaring van vergunbaarheid
Tot nu toe geldt in de SDE++ dat aanvragers van subsidie voor elektrificatie-projecten
moeten beschikken over de vergunningen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van
de productie-installatie. In sommige gevallen kan er vertraging of onzekerheid in
de realisatie van de projecten ontstaan, bijvoorbeeld door een lang vergunningstraject,
terwijl het project verder vergevorderd genoeg is om een subsidieaanvraag te doen.
Om die reden is in 2025 reeds besloten om niet langer te vragen naar de vergunning
voor een technische bouwactiviteit (behalve bij hernieuwbare elektriciteitsprojecten).
DCMR Milieudienst Rijnmond werkt al enige tijd met een verklaring van vergunbaarheid,
waarmee de omgevingsdienst kijkt naar de vergunbaarheid van een project zonder meteen
een formeel besluit voor een volledige vergunningsaanvraag te hoeven nemen. Hiermee
kan de omgevingsdienst een positief signaal over de vergunbaarheid van het project
afgeven. Dit voorjaar heeft DCMR via een pilot de eerste verklaring afgegeven13. Doordat een omgevingsdienst in een vroeg stadium een verklaring over het project
afgeeft, is het mogelijk de processen rond de totstandkoming van het project (ontwerp,
financiering etc.) te stroomlijnen. Hiermee worden premature vergunningsaanvragen
voorkomen en is er toch voldoende duidelijkheid over de ontwikkeling van het project
voor RVO bij het beoordelen van projecten. Ook worden bij de omgevingsdienst en de
aanvrager zo onnodige administratieve lasten voorkomen.
Voor de SDE++ in 2027 kan de verklaring van vergunbaarheid voor de categorieën elektrische
boiler, industriële warmtepomp en procesgeïntegreerde warmtepomp naar verwachting
worden gebruikt als alternatief voor een volledig verstrekte vergunning. Dit moet
de elektrificatie van de industrie versnellen. Hierbij is het uitgangspunt dat de
verklaring in heel Nederland afgegeven kan worden op basis van een eenduidig format.
De verklaring van vergunbaarheid in de SDE++ wordt met het oog op de openstelling
van de SDE++ in 2027 verder voorbereid. RVO en de omgevingsdiensten werken de komende
tijd aan een goed werkbaar uitvoeringsproces ten behoeve van deze aanpassing.
Coulance uitgifte garanties van oorsprong voor groen gas
Producenten van gas uit hernieuwbare bronnen kunnen voor hun productie garanties van
oorsprong ontvangen. Een garantie van oorsprong dient als het uitsluitende bewijs
van de hernieuwbaarheid van gas. Op de garantie van oorsprong staat vermeld of het
geproduceerde gas uit hernieuwbare bronnen gesubsidieerd of ongesubsidieerd is. Hierbij
gaat het grofweg om de vraag of de producent de garantie van oorsprong gebruikt om
subsidie (SDE++) te ontvangen of dat de garantie van oorsprong wordt gebruikt voor
een andere verplichting, zoals bijvoorbeeld voor het verkrijgen van emissiereductie-eenheden
voor de inzet in vervoer of voor andere ongesubsidieerde doeleinden.
Sinds medio 2025 wordt de producent gevraagd om deze keuze op een gewijzigde manier
door te geven. Hierbij geldt dat de producent voor het einde van de eerste maand waarop
de productie betrekking heeft aan VertiCer de gegevens moet doorgeven. Gebleken is
dat in meerdere gevallen producenten een verkeerde productiesubsidiekeuze hebben doorgegeven,
waardoor vervolgens garanties van oorsprong zijn aangemaakt met een ander kenmerk
(wel productiesubsidie/geen productiesubsidie) dan door de producent beoogd. Dit heeft
tot gevolg gehad dat deze producenten niet het soort garanties van oorsprong hebben
ontvangen dat zij nodig hebben om te voldoen aan de verplichtingen die ze hebben,
met eventuele (financiële) nadelen als gevolg. De verantwoordelijkheid voor het doorgeven
van de juiste informatie ligt bij de producenten. In dit specifieke geval wordt aangenomen
dat het doorgeven van de verkeerde keuze een tijdelijke situatie betrof, veroorzaakt
door onbekendheid met de aangepaste wijze van doorgeven van de betreffende informatie
aan VertiCer. Gezien de omstandigheden heeft VertiCer bij hoge uitzondering uit coulance
aan de producenten de mogelijkheid geboden om reeds uitgegeven garanties van oorsprong
in de periode juli tot en met december 2025 terug te trekken en vervolgens opnieuw
uit te geven met de juiste kenmerken.
Moties
Motie-Dassen uitgestelde levering
Onlangs is door uw Kamer de motie-Dassen aangenomen over de uitgestelde levering van
hernieuwbare elektriciteit met batterijopslag (Kamerstuk 36 933, nr. 16). Uitgestelde levering van stroom aan het elektriciteitsnet met batterijopslag draagt
bij aan vergroening van de elektriciteitssector op momenten met beperkte productie
van zonne- en windenergie, en is op dit moment in de SDE++ al gedeeltelijk mogelijk,
afhankelijk van de configuratie van de installatie. Bepalend is of voor de elektriciteitsproductie
garanties van oorsprong met het kenmerk netlevering kunnen worden verstrekt. Dit kan
bijvoorbeeld als voor een project gebruik wordt gemaakt van een MLOEA-constructie
(Meerdere Leveranciers Op Eén (net)Aansluiting).
Bij andere projecten is het mogelijk om elektriciteit uitgesteld te leveren via een
batterij, maar deze projecten ontvangen geen of minder subsidie over deze elektriciteit.
Ik verken mogelijkheden om ook deze uitgesteld geleverde hernieuwbare elektriciteit
bij nieuwe en bestaande projecten in aanmerking te laten komen voor SDE++. De Europese
Commissie vereist vanuit de geldende staatssteunregels dat alleen uitgestelde levering
in aanmerking komt bij projecten waar netafname niet mogelijk is. Op momenten met
negatieve prijzen is het vanuit systeemperspectief namelijk gewenst dat batterijen
netstroom gebruiken in plaats van eigen stroom. Het mogelijk maken van het ondersteunen
van uitgestelde levering met batterijopslag in de SDE++ vergt waarschijnlijk een wijziging
van regelgeving, welke ik nu verder onderzoek.
Motie-Grinwis en Rooderkerk op peil houden investeringsstroom SDE++
Op 2 oktober 2025 is de motie van de leden Grinwis en Rooderkerk14 aangenomen, waarin het kabinet wordt verzocht om zich maximaal in te spannen om de
investeringsstroom via de SDE++ voor 2027 en daaropvolgende jaren op peil te houden.
Op dat moment waren er geen middelen beschikbaar voor SDE++-openstellingen na 2026.
Aurora Energy Research heeft in opdracht van het ministerie geanalyseerd wat de benodigde
openstellingsbudgetten van toekomstige SDE++-openstellingsrondes tot en met 2030 zouden
moeten zijn voor het behalen van de klimaat- en energiedoelstellingen. Op basis van
algemene EU- en nationale doelstellingen zijn doelstellingen voor verschillende techniekgroepen
richting 2040 vastgesteld en is geanalyseerd hoe de SDE++ aan deze doelstellingen
bijdraagt. Conclusie van het onderzoek is dat een jaarlijks openstellingsbudget van
ca. € 10,5 miljard nodig is om de doelstellingen te behalen. Daarbij is rekening gehouden
met bestaande alternatieve stimuleringsmaatregelen en met projecten die reeds gerealiseerd
of in ontwikkeling zijn.
Het behalen van de klimaat- en energiedoelstellingen is niet louter afhankelijk van
het openstellingsbudget van de SDE++: een combinatie van subsidiering (via de SDE++),
normering (bv. jaarverplichting hernieuwbare energie vervoer) en beprijzing (bv. bijmengverplichting
groen gas) is ook mogelijk. In het Coalitieakkoord heeft het kabinet afgesproken om
de SDE++ met zes nieuwe openstellingsrondes in 2027 t/m 2032 te verlengen, met een
indicatief budget van € 8 miljard, waardoor investeringen via de SDE++ doorgang kunnen
blijven vinden. Dit budget is mede met het oog op de beschikbare kasmiddelen vastgesteld.
Ik beschouw hiermee de motie van de leden Grinwis en Rooderkerk als uitgevoerd.
Tot slot
De Kamer wordt in de winter, na afloop van de SDE++ ronde van 2026, geïnformeerd over
de voorlopige resultaten van deze ronde.
Ik moedig partijen aan dit najaar goede aanvragen in te dienen, zodat nieuwe investeringen
in de transitie tot stand kunnen komen.
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
S. van Veldhoven-van der Meer
Indieners
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei