Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over Vaststelling Circulair Materialenplan (Kamerstuk 30872-321)
2026D35260 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
De vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei heeft op 3 juli 2026 een aantal vragen
en opmerkingen aan de Minister van Klimaat en Groene Groei voorgelegd over de brief
inzake vaststelling van het Circulair Materiaalplan (Kamerstuk 30 872, nr. 321).
De voorzitter van de commissie,
Zwinkels
De griffier van de commissie,
Nava
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
II
Antwoord/Reactie van de Minister
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de vaststelling
van het Circulair Materialenplan (CMP). Zij hebben hierbij nog enkele vragen.
De leden van de D66-fractie vragen of de Minister ook kan ingaan op de uitkomsten
van de uitvoerbaarheidstoets van Rijkswaterstaat en de handhaafbaarheids-, uitvoerbaarheids-
en fraudebestendigheidstoets (HUF-toets) van de Inspectie Leefomgeving en Transport
(ILT), en welke aanpassingen van het CMP hieruit zijn voortgekomen.
De leden van de D66-fractie vragen de Minister nader toe te lichten hoe de drie ambities
van het CMP, het verbreden van de informatievoorziening aan bedrijven, het sturen
op hoogwaardige verwerking van afvalstromen, en het verstevigen van de juridische
basis concreet vorm krijgen, en welke resultaten hierbij op korte termijn worden verwacht.
De leden van de D66-fractie vragen op welke wijze invulling wordt gegeven aan de toezegging
dat het CMP «voortdurend in ontwikkeling» blijft, en welke criteria worden gehanteerd
om te bepalen wanneer aanpassing van het CMP nodig is.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de onderhavige brief en hierover
geen vragen. Zij hechten waarde aan het verantwoord gebruik van staalslakken om zo
bij te dragen aan de circulaire economie en de Nederlandse productie van groen staal.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO- en de PvdD-fractie
De leden van de PRO- en de PvdD-fractie hebben nog enkele vragen over het definitieve
CMP)dat op 30 december 2025 in werking is getreden.
Deze leden vinden het onoverzichtelijk dat er geen document is waarin alles van het
circulair materialenplan bij elkaar is gebracht. De voorganger van het CMP (Lap 3)
had wel een overzichtsdocument. Is het kabinet bereid om het circulaire materialenplan
ook nog in documentvorm met de Kamer te delen en op die manier op de website te zetten?
Is het kabinet bereid dit bestand op de website te vernieuwen wanneer er wijzigingen
in het CMP worden aangebracht? En is het kabinet bereid de Kamer proactief te informeren
bij inhoudelijke wijzigingen aan het CMP?
De leden van de PRO – en de PvdD-fractie willen vooropstellen dat zij het goed vinden
dat het ministerie toewerkt naar een circulaire economie. Wel vinden deze leden het
belangrijk om te benadrukken dat een circulaire economie ook een schone economie moet
zijn, waarin gewerkt wordt met materialen die geen schade berokkenen aan mensen, dieren
en milieu. Deze leden stellen daarom dat er regels moeten zijn die een schone economie
ondersteunen, en voorkomen dat hergebruik van materialen leidt tot allerlei problemen
voor gezondheid en milieu. Als het circulair materialenplan vooral bedoeld is om te
legitimeren dat meer afvalstoffen of afvalstoffen die nu nog als «restmateriaal» geclassificeerd
zijn verspreid worden door Nederland, dan is het circulair materialenplan een achteruitgang
ten opzichte van het Lap3.
De leden van de PRO – en de PvdD-fractie wijzen erop dat het Ministerie van Infrastructuur
en Waterstaat (IenW) in december 2025 een brief heeft gestuurd naar lokale overheden
met de oproep om geen algemene regels over staalslakken en AVI-bodemassen in te voeren.
Na grote ophef onder gemeenten en in de media, gaf de Staatssecretaris van IenW in
een brief aan de Kamer van 13 maart 2026 aan dat er sprake is van een misverstand:
«Het CMP doet op geen enkele wijze afbreuk aan de verantwoordelijkheden en bevoegdheden
van het bevoegd gezag.» Maar ook zou het CMP oproepen om: «geen generieke lokale beperkingen in te stellen». De verwarring bleef. In de Kamerbrief van 23 april komt de Staatssecretaris ook
hierop terug: «Deze oproep betekent echter niet dat een generieke beperking niet mogelijk is. Een
bevoegd gezag mag hiertoe besluiten.» Gelet op deze gang van zaken, zou het CMP aangepast moeten worden, zodat alle mogelijke
twijfel over de bevoegdheden van lokale overheden wordt uitgesloten. Het CMP is echter
niet aangepast en zorgt juist voor nog meer verwarring. Waarom is het CMP nog niet
aangepast en is het kabinet bereid om dit alsnog te doen?
De leden van de PRO – en de PvdD-fractie merken op dat in het afvalplan «Procesafhankelijk
industrieel afval»1 staat dat staalslakken zeer zorgwekkende stoffen bevatten. Verder regelt het CMP,
als nieuw onderwerp, het gebruik van afvalstoffen in immobilisaten, als vulstof of
als toeslagmateriaal in vormgegeven bouwstoffen2. Over het veilig gebruiken van niet-vormgegeven staalslakken zegt het CMP echter
niets, terwijl dit wel een groot deel van de staalslakken betreft. Waarom is ervoor
gekozen om in CMP niks op te nemen over niet-vormgegeven staalslakken?
De leden van de PRO – en de PvdD-fractie zien drie grote problemen met het CMP op
het onderwerp staalslakken. Deelt het kabinet de mening dat het ontbreken van regels
voor het veilig hergebruiken van niet-vormgegeven staalslakken in het CMP een omissie is, gezien het feit dat deze staalslakken
volgens het afvalplan «Procesafhankelijk industrieel afval» zeer zorgwekkende stoffen
kunnen bevatten en dit een aanzienlijk deel van de vrijkomende staalslakken betreft?
Zo ja, is het kabinet bereid dit alsnog in het CMP te regelen? Zo nee, waarom niet?
De leden van de PRO – en de PvdD-fractie merken op dat in het hoofdstuk over vormgegeven
bouwstoffen wordt geen melding gemaakt van de mogelijke aanwezigheid van zeer zorgwekkende
stoffen. Die waarschuwing zou moeten worden toegevoegd, net als een waarschuwing voor
de grote milieuproblemen die staalslakken kunnen veroorzaken als ze in contact komen
met water of bodem. Zo heeft de ILT bij negen van tien onderzochte locaties milieuschade
geconstateerd, ondanks naleving van de regelgeving3. Waarom is deze waarschuwing tot op heden nog niet opgenomen? Is de Minister bereid
om in het hoofdstuk over vormgegeven bouwstoffen alsnog een waarschuwing op te nemen
voor de mogelijke aanwezigheid van zeer zorgwekkende stoffen in staalslakken, evenals
een waarschuwing voor de milieuschade die kan ontstaan wanneer staalslakken in contact
komen met water of bodem? Zo nee, waarom niet?
Deze leden merken op dat het CMP het tegenovergestelde doet. Het waarschuwt lokale
overheden niet en bevat geen extra veiligheidseisen, maar stelt juist dat het niet
de bedoeling is dat lokale overheden zelf lokale beperkingen opleggen: «Heeft uw gemeente of wil uw gemeente regels voor secundaire bouwstoffen? Bijvoorbeeld
voor staalslakken, AVI-bodemas, thermisch gereinigde grond of immobilisaten? Dan moet
u zorgen dat de regels binnen een jaar na inwerkingtreding van het CMP in overeenstemming
zijn met de wetgeving en het CMP. Zie hiervoor het onderwerp Immobilisaat, vulstof
en toeslagmateriaal. Het gaat om materiaal dat voldoet aan de kwaliteitseisen voor
niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022. Neemt de gemeente
wel beperkingen op, dan is sprake van afwijken van het CMP.4»
Bovenstaande passage zou volgens de leden van de PRO – en de PvdD-fractie uit het
CMP moeten worden verwijderd. Is het kabinet daartoe bereid? Zo nee, waarom niet?
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) waarschuwt namelijk juist
dat de kwaliteitseisen uit het Rbk 2022 voor bouwstoffen: «nu niet genoeg rekening houden met de bijzondere eigenschappen die sommige soorten
bouwstoffen kunnen hebben. Ze worden nu te algemeen beoordeeld.»5 De stelling dat de huidige kwaliteitseisen in het Rbk 2022 volstaan, is nog opvallender
omdat in de Staalslakken-circulaire van I&W zelf staat dat de wettelijke uitloognormen:
«op zichzelf onvoldoende bescherming bieden tegen de thans bekende effecten».6
De leden van de PRO – en de PvdD-fractie stellen dat het CMP, net als bij AVI-bodemassen,
wasverplichtingen zou moeten bevatten voor staalslakken. Dit wordt ook overwogen,
maar: «Voor die afvalstoffen wordt eerst nog beter in kaart gebracht in welke mate
sprake is van reinigbaarheid en tot hoeveel te storten niet reinigbare partijen en
reinigingsresiduen dit kan leiden.» Deze passage roept de vraag op welke belangen
hier meespelen. Wordt hiermee bedoeld dat als uit dit onderzoek blijkt dat er door
strengere regels te veel staalslakken blijven liggen, er geen strengere voorschriften
in het CMP komen? Op welke manier wordt dit in kaart gebracht, en op basis van welke
data en criteria wordt een afweging gemaakt?
De leden van de PRO – en de PvdD-fractie stellen kortom dat het CMP lokale overheden
verkeerd inlicht over de risico’s van staalslakken en hun rechtspositie en mogelijkheden
om lokale verboden in te voeren. Na alle commotie hierover vinden de leden dit onbegrijpelijk,
en dient het CMP zo snel mogelijk te worden aangepast. Kan het kabinet per punt aangeven
of het tot deze aanpassingen bereid is, waarom wel of niet, en op welke termijn?
De leden van de PRO – en de PvdD-fractie hebben ook nog wat vragen over de reactie
van de Commissie mer op het CMP. Deze leden wachten sinds december 2025 op een reactie
van het kabinet op het rapport van de Commissie mer. Wanneer kan deze brief verwacht
worden? De Commissie mer is erg kritisch. De Commissie mer constateert onder andere
dat de reikwijdte van het milieueffectrapport aanzienlijk beperkter is dan de reikwijdte
van het CMP zelf: waar het milieueffectrapport zich richt op zes beleidsonderwerpen,
omvat het CMP 54 afvalplannen en 6 ketenplannen. Hierdoor blijft volgens de Commissie
mer de onderlinge samenhang en cumulatie van milieueffecten van het gehele plan onderbelicht
en is het onduidelijk of de eigen gestelde doelen van het kabinet gehaald gaan worden.
De leden van de PRO – en de PvdD-fractie vragen het kabinet of het deze conclusie
van de Commissie mer deelt, en zo ja, welke gevolgen dit heeft voor de besluitvorming
over het CMP? De Commissie mer merkt daarnaast op dat het milieueffectrapport vooral
het afvalstadium belicht, terwijl grondstoffen en de rest van de keten nauwelijks
aan bod komen. De leden vragen het kabinet hoe dit zich verhoudt tot de ambitie van
het CMP om de gehele materiaalketen circulair te maken.
De leden van de PRO – en de PvdD-fractie merken op dat de Commissie mer er ook op
wijst dat een kwantitatieve referentiesituatie ontbreekt, evenals uitgewerkte scenario’s
voor 2030 en 2050. Deze leden constateren ook dat de Commissie mer diverse feitelijke
onjuistheden en verouderde informatie in het milieueffectrapport heeft aangetroffen,
onder meer met betrekking tot hout, plastic verpakkingen en beton. Zij vragen het
kabinet hoe deze onjuistheden hebben kunnen ontstaan en welke gevolgen dit heeft gehad
voor de onderliggende beleidskeuzes in het CMP?
Een ander punt van zorg voor deze leden betreft de constatering van de Commissie mer
dat gezondheidsrisico’s van zorgstoffen, waaronder PFAS en microplastics, onvoldoende
concreet en kwantitatief zijn uitgewerkt in het milieueffectrapport. Zij vragen het
kabinet in hoeverre gezondheid als zwaarwegend argument is meegewogen bij de totstandkoming
van het CMP, en of het kabinet bereid is een concrete, kwantitatieve uitwerking van
deze gezondheidsrisico’s alsnog te laten opstellen. De leden lezen ook dat de Commissie
mer een uitgewerkt monitorings- en evaluatieprogramma mist, waarmee kan worden getoetst
of de doelen van het CMP daadwerkelijk worden gehaald. Wat gaat het kabinet hieraan
doen? De leden van de PRO – en de PvdD-fractie vragen zich dan ook af hoe het CMP
concreet bijdraagt aan het behalen van de doelstelling van 50% minder gebruik van
primaire grondstoffen in 2030, gelet op de conclusie van het PBL dat Nederland op
dit moment niet op koers ligt om deze doelstelling te halen. Is het kabinet bereid
om op alle kritiekpunten uit het milieueffectrapport aan te vullen in het CMP? Zo
nee, waarom niet?
II Antwoord/Reactie van de Minister
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.M. Zwinkels, voorzitter van de vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei -
Mede ondertekenaar
D.S. Nava, griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.