Brief regering : Verzamelbrief moties en toezeggingen over het funderend onderwijs
31 293 Primair Onderwijs
31 289
Voortgezet Onderwijs
Nr. 883
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 2 juli 2026
Met deze brief informeer ik uw Kamer over de voortgang op verschillende thema’s binnen
het funderend onderwijs, inclusief een update over de uitvoering van verschillende
aangenomen moties en toezeggingen die zijn gedaan en resultaten van enkele onderzoeken.
In de bijgevoegde verzamelbrief wordt ingegaan op de volgende thema’s:
1. Wet onderwijsondersteuning zieke leerlingen & stichting Ziezon
2. Toezegging leerlingen met PAIS/post-covid
3. Het opnemen van onderwijs aan jongeren in de jeugdzorg in de Staat van het Onderwijs
4. Toelaatbaarheid en bekostiging voor leerlingen met een ernstige meervoudige beperking
5. Toezicht op samenwerkingsverbanden passend onderwijs
6. Onderwijsachterstandenindicator gespecialiseerd onderwijs
7. Herijking onderwijsachterstandenindicator po
8. Aanbieding onderzoek onderwijsdeelname vierjarigen
9. Aanbieding rapport Inschrijving en toelating
10. Proces wijzigingsregeling vormingsonderwijs
11. Structurele financiering curriculumonderhoud SLO
12. Holocausteducatie
13. Landelijke afspraken mobiele telefoons in de klas
14. Toezegging verkenning deelname financiële geletterdheid PISA-2029
15. MDT als begeleidingsinstrument in het kader van de Wet van School naar Duurzaam Werk
16. Motie Moorman c.s. over funderend onderwijs bij de portefeuilleverdeling niet ondergeschikt
maken aan hoger onderwijs
17. Procesupdate bredere verkenning handhaving leerplicht
Wet onderwijsondersteuning zieke leerlingen & stichting Ziezon
Conform de toezegging1 in het debat over het wetsvoorstel onderwijsondersteuning zieke leerlingen (hierna:
ozl) informeer ik uw Kamer over de stand van zaken van de oprichting van de nieuwe
stichting die verantwoordelijk wordt voor ozl. Het wetsvoorstel ozl is op 12 mei aangenomen
door de Eerste Kamer. Gepland was de oprichtingsakte van stichting Ziezon eind juni
bij de notaris te laten passeren, dit is tijdelijk on hold gezet na vragen van Uw Kamer bij de voorhangprocedure. Ten tijde van de Tweede Kamerbehandeling
was beoogd de wet in werking te laten treden per 1 januari 2027. De Eerste Kamerbehandeling
heeft langer geduurd dan waarmee oorspronkelijk rekening was gehouden en na oprichting
van de stichting moeten nog veel voorbereidingen worden getroffen. Daarom heb ik besloten
dit ruim half jaar op te schuiven, zodat de stichting voldoende tijd heeft voor de
opbouw van de organisatie en een zorgvuldige voorbereiding van de overgang van personeel
(inclusief individueel maatwerk waar nodig). De inwerkingtreding van de wet, en daarmee
de start van de wettelijke taak door stichting Ziezon, zal zijn op 1 augustus 2027.2
Uw Kamer verzocht om een stevige landelijke regie op de transitie te waarborgen (motie
Rooderkerk (D66) c.s.).3 Kernopgave is dat de onderwijsondersteuning aan zieke leerlingen ononderbroken doorgaat,
ondanks overgang naar een landelijke organisatie (stichting Ziezon).
In nauwe samenwerking met de consulenten ozl en hun werkgevers wordt dit momenteel
voorbereid. Ik ben hen daar erkentelijk voor.
De directeur-bestuurder start na oprichting van de stichting in functie als kwartiermaker,
ondersteund door een kwartiermakersorganisatie. Behoud van de bezetting door de huidige
consulenten ozl is een belangrijke voorwaarde voor continuïteit. Na oprichting is
de stichting verantwoordelijk voor de goede ontvangst van de medewerkers en de realisatie
van alle noodzakelijke randvoorwaarden voor start van de organisatie (uitvoering implementatieplan).
Conform de motie Westerveld (PRO) c.s.4 en de motie Rooderkerk (D66) c.s. zal ik er onder meer via de subsidievoorwaarden
op sturen dat de stichting voor die consulenten die niet vallen onder overgang van
onderneming ruimhartig omgaat met de mogelijkheid tot combibanen en detachering. Zo
kunnen zoveel mogelijk consulenten hun ozl-werk voortzetten. Een informele belangstellingsinventarisatie,
door het CAOP uitgevoerd in april 2026, toont dat de mogelijkheid tot detachering
voor een deel van de consulenten belangrijk is om hun werk voort te zetten. Daadwerkelijke
personele inpassing en het maken van individuele personele afspraken kan alleen de
stichting zelf. Dit proces start in september.
Ik informeer uw Kamer aan het einde van het jaar verder over uitvoering van de motie
Ceder (CU) en Beckerman (SP)5, de moties Westerveld (PRO) c.s.6, motie Beckerman (SP) c.s.7 en motie Boomsma (JA21).8 In die brief zal ik ook ingaan op de toezegging KlasseContact9, waarover de gesprekken tussen KPN Mooiste Contact Fonds en netwerk Ziezon nog lopen.
Ook ontvangt uw Kamer later in het jaar de kaderbrief, waarin de financiële en inhoudelijke
kaders voor de nieuwe stichting beschreven staan.
Toezegging leerlingen met PAIS/longcovid10
Uw Kamer vroeg met de motie van de leden Ceder (CU) en Westerveld (PRO)11 om landelijke richtlijnen voor scholen over PAIS/post-covid. In de brief12 over de transitie naar inclusief onderwijs van 20 mei en in de brief die de Minister
van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport voornemens is voor het zomerreces te versturen,
geef ik aan wat er al mogelijk is voor leerlingen die te maken krijgen met ziekte.
Ik zet in op meer flexibiliteit in (onderwijs)oplossingen als kinderen dreigen uit
te vallen of uitgevallen zijn. Tijdens het debat over het wetsvoorstel terugdringen
schoolverzuim op 26 maart jl. heb ik toegezegd13 uw Kamer voor de zomer te informeren over de gesprekken over onderwijs voor kinderen
met chronische ziektes zoals PAIS/post-covid. Begin juni heb ik samen met ouders,
leerlingen, deskundigen en het onderwijsveld besproken wat de mogelijkheden vanuit
het onderwijs zijn (zoals digitaal afstandsonderwijs) en wat er nog ontbreekt. De
komende periode informeren we scholen actief over de mogelijkheden voor leerlingen
met PAIS/post-covid om ervoor te zorgen dat deze leerlingen geen achterstand ontwikkelen.
Ook streven we ernaar om informatie zoveel mogelijk vanuit een centrale plek te ontsluiten.
Uw Kamer wordt voor het einde van dit jaar geïnformeerd over de verdere uitvoering
van deze motie.
Het opnemen van onderwijs aan jongeren in de jeugdzorg in de Staat van het Onderwijs
Met de motie van de leden Haage en Westerveld (beide PRO)14 heeft uw Kamer gevraagd om de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) te
vragen voortaan ook onderwijs aan jongeren in de jeugdzorg mee te nemen in de Staat
van het Onderwijs. De inspectie heeft in de Staat van het Onderwijs 2026 opnieuw een
passage over het onderwijs aan deze groep jongeren opgenomen en aangeven dit in toekomstige
publicaties jaarlijks te doen.
Toelaatbaarheid en bekostiging voor leerlingen met een ernstige meervoudige beperking
Naar aanleiding van de motie Westerveld (PRO)15 heb ik beleidsopties verkend voor de toelating en bekostiging van leerlingen met
een ernstige meervoudige beperking (hierna: EMB), waaronder landelijke indicatiestelling,
landelijke aanmelding en rechtstreekse bekostiging via het Rijk. Daarbij zijn gesprekken
gevoerd met onder meer vertegenwoordigers van het gespecialiseerd onderwijs, samenwerkingsverbanden
passend onderwijs, ouders en leerlingen.
Zoals ik heb toegelicht tijdens het commissiedebat passend onderwijs van 27 mei 2026,
vind ik het belangrijk dat voor deze leerlingen snel stappen worden gezet. Voor EMB-leerlingen
zijn eerder al landelijke afspraken gemaakt met partijen16. Het gaat daarbij om het gebruik van het landelijk aanvraagformulier, een toelaatbaarheidsverklaring
(hierna: tlv) voor de duur van de schoolloopbaan en een tlv in de hoogste bekostigingscategorie.
Om snel effect te bereiken, maak ik met de betrokken partijen, waaronder in ieder
geval ONSwv en de Sectorraad GO, bestuurlijke afspraken om deze drie lijnen te herbevestigen.
Omdat deze afspraken in de praktijk niet overal worden nageleefd en monitoring en
opvolging destijds onvoldoende zijn uitgewerkt, maak ik met de betrokken partijen
nieuwe bestuurlijke afspraken. Hierin worden deze drie lijnen herbevestigd en worden
afspraken gemaakt over de wijze waarop naleving wordt gevolgd en hoe partijen elkaar
daarop aanspreken. Daarbij verken ik ook met de inspectie hoe zij afwijkende uitvoeringspraktijken
kunnen signaleren binnen hun bestaand toezicht op scholen en samenwerkingsverbanden.
Als blijkt dat deze aanpak onvoldoende verbetering oplevert, doe ik alsnog een voorstel
voor hoe de bestaande landelijke afspraken wettelijk kunnen worden vastgelegd. Een
wetswijziging kost naar verwachting enkele jaren; de verdergaande beleidsopties die
naar aanleiding van de motie zijn verkend hebben daarnaast ingrijpende gevolgen voor
de uitvoering in het veld en bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: DUO), en
vergen mogelijk nog meer tijd. Juist daarom kies ik nu voor een aanpak waarmee op
kortere termijn verbetering kan worden bereikt voor de leerlingen. Ik stuur uw Kamer
na de zomer een afschrift van de bestuurlijke afspraken over de toelating en bekostiging
van EMB-leerlingen.
Toezicht op samenwerkingsverbanden passend onderwijs
De samenwerkingsverbanden passend onderwijs hebben tot doel om een dekkend netwerk
van ondersteuningsvoorzieningen te realiseren, zodat alle leerlingen een passende
plek in het onderwijs krijgen. Zoals toegezegd in het Commissiedebat passend onderwijs
van 27 mei 2026 ben ik in gesprek met de inspectie over de handhaving van de wettelijke
taak van samenwerkingsverbanden om een dekkend netwerk te realiseren.17
18
De afgelopen jaren heeft de inspectie vrijwel alle samenwerkingsverbanden onderzocht
en hierbij de kwaliteit van de uitvoering van wettelijke taken beoordeeld, zoals beschreven
in het onderzoekskader voor samenwerkingsverbanden.19 In de periode van 2022 tot en met 2025 heeft de inspectie 132 samenwerkingsverbanden
onderzocht. 116 samenwerkingsverbanden (87%) werden als voldoende of goed beoordeeld
op het onderdeel dekkend netwerk, 16 samenwerkingsverbanden (12%) werden als onvoldoende
beoordeeld. De inspectie heeft deze samenwerkingsverbanden een herstelopdracht gegeven
en na de hersteltermijn opnieuw onderzocht of de kwaliteit op orde is. Bij 14 van
de 16 samenwerkingsverbanden bleek dat de tekortkomingen na de hersteltermijn waren
opgelost.
Bij de twee samenwerkingsverbanden die hier niet in slaagden, heeft de inspectie besloten
om geen financiële sanctie op te leggen maar een termijn te geven. De inspectie doet
dat omdat er externe factoren zijn waardoor het een samenwerkingsverband niet lukt
om een dekkend netwerk te realiseren of omdat zij zien dat het samenwerkingsverband
al verbeteringen heeft doorgevoerd en het op korte termijn wel zal lukken om een dekkend
netwerk te realiseren. In deze gevallen lost een financiële sanctie het probleem niet
op of is het geen doelmatig middel. Ook geldt dat zelfs als een samenwerkingsverband
een dekkend netwerk realiseert, er helaas nog steeds leerlingen kunnen zijn die niet
of niet volledig naar school gaan. Dat kan bijvoorbeeld omdat er brede problematiek
is in het gezin of niet op tijd jeugdhulp is. Hiervoor kan een samenwerkingsverband
niet verantwoordelijk worden gehouden.
Onderwijsachterstandenindicator gespecialiseerd onderwijs
Voor het gespecialiseerd onderwijs worden de onderwijsachterstandsmiddelen nu verdeeld
op basis van de CUMI-systematiek20. Deze systematiek is verouderd en sluit onvoldoende aan bij bredere sociaaleconomische
kenmerken die samenhangen met het risico op onderwijsachterstanden. Daarom heb ik
SEO Economisch Onderzoek en Sardes onderzoek laten doen naar een alternatieve onderwijsachterstandenindicator
voor het gespecialiseerd onderwijs.
Partijen uit het veld zoals de sectorraad GO, Simea en de PO-Raad en verschillende
kansengelijkheidsexperts zijn hierbij via een begeleidingscommissie betrokken geweest.
Het onderzoeksrapport is afgerond en wordt met deze brief aan uw Kamer aangeboden.
Ik bekijk op dit moment welke partij de toepassing van de indicator en de verdeling
van de middelen op zich kan nemen. Ik informeer u hierover en over de planning van
de invoering van de nieuwe systematiek na de zomer nader.
Herijking onderwijsachterstandenindicator po
Het onderwijsachterstandenbeleid heeft als doel om kansenongelijkheid te verminderen
en te voorkomen dat kinderen met een risico op een onderwijsachterstand, gedurende
hun schoolloopbaan verder achteropraken. Binnen dit beleid vervullen zowel gemeenten
als basisscholen een belangrijke rol en beide ontvangen hiervoor extra middelen, gemeenten
via een specifieke uitkering en scholen via extra bekostiging.
Sinds 2019 worden deze middelen verdeeld op basis van een indicator die het Centraal
Bureau voor de Statistiek (hierna: CBS) heeft ontwikkeld. Gebruik van deze indicator
zorgt ervoor dat de middelen terechtkomen waar ze het meest nodig zijn.
Met de Kamer is afgesproken de indicator periodiek te herijken, om deze actueel te
houden.21 In 2021 heeft een eerste herijking plaatsgevonden, waarbij is gekeken naar de coëfficiënten
en schaalwaarden van het model.22 Tussen 2023 en begin 2026 heeft het CBS een uitgebreide herijking uitgevoerd, waarbij
ook de gebruikte achtergrondkenmerken tegen het licht zijn gehouden. Deze herijking
is begeleid door een breed samengestelde commissie met daarin de volgende partijen:
de wetenschap, de planbureaus, de inspectie, de PO-raad en de VNG. Met deze brief
bied ik u het onderzoeksrapport van het CBS over de herijking aan.
Het CBS is opnieuw nagegaan welke achtergrondkenmerken het meest bepalend zijn voor
een risico op onderwijsachterstand bij een kind of leerling. In de herijkte indicator
wordt naar meer achtergrondkenmerken gekeken dan nu. Er wordt bijvoorbeeld ook gekeken
naar de gezinsstructuur waarin een kind opgroeit. Daarnaast heeft het CBS opnieuw
berekend hoe zwaar elk kenmerk meetelt voor een achterstandsscore.
Gebruik van de herijkte indicator leidt tot een meer genuanceerd beeld. Bij scholen
zien we dat circa 10% meer scholen budget zullen ontvangen. Bij gemeenten zien we
dat vooral in middelgrote gemeenten en gemeenten in krimpregio’s het risico op onderwijsachterstand
toeneemt als gevolg van de herijking. Daardoor ontvangen deze gemeenten ook meer middelen.
De herijkte indicator zal dit jaar worden gebruikt voor het berekenen van de voorlopige
achterstandsscores voor 2027 voor scholen en gemeenten. Rond Prinsjesdag worden dan
de bedragen bekend die scholen en gemeenten zullen ontvangen op basis van hun score.
Via een brochure en een webinar zullen de scholen en gemeenten uitgebreider worden
geïnformeerd over de herijking en wat dit betekent voor het budget dat zij ontvangen.
Aanbieding onderzoek onderwijsdeelname vierjarigen
In Nederland maken veel kinderen een goede start. Deelname aan voorschoolse educatie
is hoog (78% van de doelgroeppeuters) en bijna alle ouders schrijven hun kind op vierjarige
leeftijd in op school (98%). In de beleidsreactie op het onderzoek «Kansen op een
goede start»23 heeft mijn voorganger aangegeven dat het gewenst is een nauwkeuriger beeld te krijgen
van de huidige deelname van vierjarigen aan het onderwijs, zodat we een antwoord kunnen
geven op vragen als: hoe is het gesteld met de aanwezigheid van vierjarigen op school,
om welke redenen zijn zij afwezig en zijn er bepaalde groepen die duidelijk meer afwezig
zijn? Met deze brief bied ik u het onderzoek aan. Ik neem de uitkomsten mee in mijn
reeds toegezegde brief over de samenwerking rondom het jonge kind tussen kinderopvang,
onderwijs en zorg dit najaar.
Aanbieding rapport Inschrijving en toelating
De inspectie heeft deze maand het rapport Inschrijving en toelating opgeleverd. Dit
rapport geeft inzicht in de afspraken die gemeenten en schoolbesturen maken over inschrijvings-
en toelatingsprocedures van leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs. Volgens
de Regeling Inspectie van het Onderwijs (RIO) bied ik het rapport aan de Tweede Kamer
aan.
Proces wijzigingsregeling vormingsonderwijs
In de zomer van 2025 heeft uw Kamer het evaluatierapport «Het vormingsonderwijs in
Nederland» ontvangen, met daarbij een voorstel voor een wijzigingsregeling voor de
regeling op basis waarvan het vormingsonderwijs wordt gesubsidieerd.24 De regeling treedt per 1 augustus 2026 in werking.
Per abuis was de wijzigingsregeling niet voorgelegd aan het Adviescollege toetsing
regeldruk (hierna: ATR) voor een toets regeldruk en aan de Dienst Uitvoering Subsidies
aan Instellingen (hierna: DUS-I) voor een uitvoeringstoets. Dit is inmiddels alsnog
gedaan. De ATR heeft afgezien van een formeel advies en DUS-I heeft aangegeven de
wijzigingsregeling uit te kunnen voeren.
Structurele financiering curriculumonderhoud SLO
Recent heeft SLO de onderhoudskalender voor periodiek curriculumonderhoud opgeleverd.
De kalender is een langjarige planning en maakt inzichtelijk welk leergebied en vak
wanneer aan curriculumonderhoud toe is. Dit biedt helderheid en voorspelbaarheid voor
scholen, leraren, ontwikkelteams en andere betrokkenen. In de onderhoudskalender staan
daarnaast ook de evaluatiemomenten. De onderhoudskalender is te vinden op de website
van SLO.25 De werkzaamheden voor dit periodiek onderhoud worden in lijn met de Wet Subsidiëring
Landelijke Onderwijsondersteunende Activiteiten (WetSLOA) structureel belegd bij SLO.
Vanaf 2027 wordt daarom 6 miljoen euro aan incidentele middelen bedoeld voor SLO omgezet
in structurele financiering van SLO voor de structurele taak van curriculumonderhoud.
Het totale bedrag aan subsidies voor SLO blijft ongewijzigd.
Holocausteducatie
Met de uitvoering van de Strategie Bestrijding Antisemitisme en het Nationaal Plan
Holocausteducatie zet het kabinet in op het versterken van onderwijs over de Holocaust.
In 2025 is onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar belemmerende en bevorderende factoren
bij Holocausteducatie. Daarmee is uitvoering gegeven aan motie van de leden Struijs
en Bromet.26 Op basis van de uitkomsten van de docentenpeiling en de verkenning naar bezoeken
aan Holocaustlocaties is nieuw beleid ingezet.27 Voor 2026 en 2027 stel ik daarnaast jaarlijks € 180.000 beschikbaar voor een pilot
met Stichting na de Oorlog die persoonlijke verhalen over de Holocaust beter toegankelijk
maakt voor leerlingen. De pilot zal educatief aanbod realiseren voor het primair,
voortgezet en speciaal onderwijs. Daarnaast maak ik jaarlijks € 70.000 vrij voor de
Junior-bus op wielen, gericht op het versterken van basiskennis over de Holocaust
in het primair onderwijs. De inzet van deze middelen wordt nog afgestemd met de betrokken
organisaties en kan daarom nog wijzigen. Hiermee geeft het kabinet opvolging aan de
uitkomsten van de docentenpeiling en de verkenning naar bezoeken aan Holocaustlocaties.28
De resultaten van het nieuw ingezette beleid worden in 2027 betrokken bij de midterm
van de strategie antisemitismebestrijding. Daarbij wordt ook bezien onder welke voorwaarden
structurele financiering van educatief aanbod met persoonlijke Holocaustverhalen mogelijk
is.
Landelijke afspraken mobiele telefoons in de klas
Vanaf 1 januari 2024 gelden de landelijke afspraken om mobiele telefoons niet langer
in de klas te gebruiken29. In de zomer van 202530 is uw Kamer geïnformeerd over de effecten van deze afspraak. Deze zijn positief.
Daarom heeft dit kabinet zich in het coalitieakkoord voorgenomen om deze afspraken
aan te scherpen tot een richtlijn «thuis of in de kluis». Ik heb de partijen die eerder
de landelijke afspraken hebben gemaakt uitgenodigd deze nogmaals tegen het licht te
houden en gezamenlijk aan te scherpen, ook op basis van de ervaringen tot nu toe.
Het gesprek hierover loopt en partijen geven aan dat ze hier positief tegenover staan.
Ik hoop dat de sector in de tweede helft van dit jaar tot een nadere uitwerking komt
die snel door scholen geïmplementeerd kan worden. Waar dat al vooruitlopend op de
onderlinge afspraken gebeurt, juich ik dat toe. Hiermee geef ik invulling aan de motie
van de leden Boomsma (JA21), Rooderkerk en Van der Werf (beiden D66) die de regering
verzoekt haast te maken met een strengere mobieltjesrichtlijn.31 Ik zal uw kamer, samen met de Staatssecretaris van Digitale Zaken en Soevereiniteit,
informeren over de nadere uitwerking in het vierde kwartaal van dit jaar.
Toezegging verkenning deelname financiële geletterdheid PISA-2029
Er is verkend of financiële geletterdheid meegenomen kan worden bij PISA-2029, zoals
toegezegd.32 Op basis van deze verkenning is besloten niet deel te nemen aan deze optionele toets.
In PISA-2015 en PISA-2022 heeft Nederland aan financiële geletterdheid meegedaan (in
de huidige PISA ronde, waarvan het rapport in september verschijnt, heeft de OESO
dit onderwerp niet onderzocht). Beide rapporten geven een vergelijkbaar positief beeld
als het gaat om de prestaties van de Nederlandse 15-jarigen op dit gebied. Zij behoren
tot de wereldtop en scoren ruim boven het OESO-gemiddelde. Voor deelname aan financiële
geletterdheid zijn meer scholen en leerlingen nodig, terwijl het juist de laatste
jaren steeds lastiger bleek om genoeg deelnemers te werven en de vereiste ondergrens
te behalen. Deze zorg wordt gedeeld door de onderzoekspartijen in het PISA-2025 consortium.
Het niet behalen van genoeg respons kan betekenen dat Nederland niet of slechts deels
in het internationale PISA-2029 rapport wordt meegenomen. In dit rapport wordt ook
over de basisvaardigheden gerapporteerd.
MDT als begeleidingsinstrument in het kader van de Wet van School naar Duurzaam Werk
De Maatschappelijke Diensttijd kan voor jongeren met een afstand tot de arbeidsmarkt
een mogelijkheid zijn om op een laagdrempelige manier talenten en interesses te ontdekken.
Door vrijwillig iets te doen voor een ander en/of voor de samenleving komen jongeren
in aanraking met nieuwe vormen van kennis, ontwikkelen jongeren sociale en communicatieve
vaardigheden en probleemoplossend vermogen. Dit kan hun zelfvertrouwen vergroten en
hen beter toerusten voor hun schoolloopbaan of oriëntatie naar werk.
In het programmaplan Maatschappelijke Diensttijd 2026–203033 is daarom opgenomen dat we de koppeling tussen de Maatschappelijke Diensttijd en
belangrijke onderwijsthema’s – zoals voortijdig schoolverlaten (VSV), thuiszitters,
burgerschap en LOB – verder intensiveren en concretiseren en dat we daarbij aansluiten
bij bestaande initiatieven, waaronder de uitvoering van de Wet van school naar duurzaam
werk.
Daarnaast is de Maatschappelijke Diensttijd in de regeling Regionaal programma en
Doorstroompuntfunctie 2026–2029 nadrukkelijk benoemd. Scholen, het Doorstroompunt
en gemeenten worden gestimuleerd in hun regionaal programma afspraken te maken over
MDT als instrument dat kan bijdragen aan het voorkomen dat jongeren uitvallen of de
terugkeer naar onderwijs of duurzaam werk te bevorderen. In communicatie naar uitvoerende
partijen van deze wet is op diverse manieren actie ingezet. Zo is de mogelijkheid
om MDT op deze wijze in te zetten langs verschillende wegen onder de aandacht van
gemeenten en scholen gebracht. Hiermee is invulling gegeven aan de motie Krul (CDA)
en Ceder (CU)34
Motie Moorman c.s. over funderend onderwijs bij de portefeuilleverdeling niet ondergeschikt
maken aan hoger onderwijs
De motie Moorman c.s.35 roept op om funderend onderwijs in de verdeling van portefeuilles niet ondergeschikt
te maken aan het hoger onderwijs. De gelijkwaardigheid van het belang van zowel funderend
als hoger onderwijs wordt in dit kabinet zowel in financiële middelen als in het benoemen
van twee bewindspersonen onderstreept. De Minister en ik nemen onze verantwoordelijkheden
daarbij even serieus en zetten ons met gedrevenheid, ambitie en betrokkenheid in voor
beide. Daarmee beschouw ik de motie als afgedaan.
Procesupdate bredere verkenning handhaving leerplicht
18 december 2025 is uw Kamer geïnformeerd over een verkenning naar de Leerplichtwet,
schoolverzuim en strafrecht.36 Deze bredere verkenning heeft betrekking op alle vormen van schoolgang en schoolverzuim:
reguliere schoolgang, vrijstellingen,37 absoluut verzuim38 en relatief verzuim39, waaronder specifiek ook luxeverzuim.40 Met de verkenning zijn scenario’s voor preventie en dwangmaatregelen in kaart gebracht
en getoetst. Deze scenario’s worden op dit moment verder uitgewerkt. In de verkenning
hebben vanuit het Ministerie van Onderwijs en dat van Justitie en Veiligheid verschillende
activiteiten plaatsgevonden, waaronder enkele (werk-)sessies met de praktijk en wetenschap,
een uitvraag onder andere landen naar de vormgeving van leerplicht en handhaving en
een door KBA Nijmegen uitgevoerd onderzoek naar de veranderende rol van de leerplichtambtenaar
dat mede op verzoek van uw Kamer is uitgevoerd.41
Het eindrapport van dat onderzoek is te vinden in de bijlage («Verkenning veranderende rol leerplichtambtenaar»). Uw Kamer ontvangt voor het einde van het jaar een eindrapportage van de brede
verkenning naar de handhaving van de leerplicht met daarbij enkele scenario’s die
verder worden uitgewerkt.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
J.Z.C.M. Tielen
Indieners
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap