Brief regering : Overgang van het primair naar het voortgezet onderwijs
31 293 Primair Onderwijs
Nr. 880
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 2 juli 2026
Goed onderwijs biedt leerlingen de kennis en vaardigheden die belangrijk zijn voor
hun toekomst en draagt bij aan de vooruitgang en ontwikkeling van onze samenleving.
Daarom zet ik mij in voor het best mogelijke onderwijs, zodat iedere leerling de kans
krijgt diens talenten optimaal te ontwikkelen.
Een soepele overgang van het primair naar het voortgezet onderwijs is daarbij van
belang. Een passend schooladvies helpt daarbij en draagt bij aan de onderwijskansen
en leerprestaties van leerlingen. De doorstroomtoets dient daarbij als instrument
om te signaleren wanneer een leerling over meer (taal- en reken) vaardigheden beschikt
dan verwacht. Met behulp van de doorstroomtoets, als tweede objectief gegeven, kan
de leerkracht een passender schooladvies geven.
Tegelijkertijd is duidelijk dat er meer nodig is voor die soepele overgang naar het
voortgezet onderwijs. Het vraagt om een integrale aanpak, waar de doorontwikkeling
van de doorstroomtoets (op de vorm, functie en inhoud) onderdeel van is.
Met deze brief bied ik de resultaten aan van de doorstroomtoets in schooljaar 2025/2026.
Vervolgens ga ik in op de doorontwikkeling van de doorstroomtoets op vorm, functie
en inhoud. Conform een eerdere toezegging licht ik de stand van zaken toe van de verkenning
naar één (centrale aanbieder van de) doorstroomtoets.1 Tot slot geef ik een update over de verkenning naar een breder schooladvies.
Terugblik afname van de doorstroomtoets 2026
Hierbij ontvangt u de definitieve rapportage van het College voor Toetsen en Examens
(hierna: CvTE) over de derde afname van de doorstroomtoets. Dit jaar hebben ruim 175.000
leerlingen van bijna 7.000 verschillende scholen één van de zes beschikbare doorstroomtoetsen
gemaakt.2 De resultaten van de doorstroomtoetsen 2026 laten een vergelijkbaar beeld zien met
2024 en 2025, zowel voor de toetsadviezen als de behaalde referentieniveaus. De definitieve
cijfers omtrent de schooladviezen worden dit najaar officieel vastgesteld en vervolgens
openbaar gemaakt door DUO.
Opnieuw is een verschuiving van digitale naar papieren toetsen te zien, waarbij scholen
die wisselden naar een papieren toets betere resultaten lijken te halen. Scholen met
meer voorlopige «vmbo»-schooladviezen kiezen vaker voor adaptieve digitale toetsen.3
Net als voorgaande jaren zien we verschillen in toetsresultaten tussen de diverse
toetsen. Daarom blijven we onderzoek doen naar het (prestatie)verschil tussen papieren en digitale toetsen. In de rapportage licht het CvTE toe
hoe zij door meerdere onderzoeken naar verschillende aspecten proberen de verschillen
in toetsresultaten beter te duiden en monitoren.
Doorontwikkeling vorm van de doorstroomtoets
Toetsen kunnen, mits goed ingezet, een belangrijke bijdrage leveren aan de ontwikkeling
van leerlingen en de kwaliteit van het onderwijs. Daarom werk ik onder andere aan
de doorontwikkeling van de doorstroomtoets langs de aspecten vorm, functie en inhoud.
Een wijziging ten aanzien van de vorm van de doorstroomtoets zie ik als eerste, belangrijke
en noodzakelijke, stap binnen een langer traject om toetsing en schooladvisering zo
te ontwikkelen dat deze beter bijdragen aan goed onderwijs en een optimale benutting
van talent.
Stelsel met één centrale aanbieder
Ik ben voornemens om per schooljaar 2029/2030 over te gaan naar een stelsel met één
centrale aanbieder van zowel een papieren als digitale doorstroomtoets, tenzij er
zich onverwachte ontwikkelingen voordoen die tot heroverweging van dit besluit leiden.
Daarnaast houden we ook nauwlettend de uitkomsten van lopende onderzoeken in de gaten,
zoals het onderzoek naar hoe de eerste groep leerlingen die in 2024 binnen het huidig
stelsel de doorstroomtoets heeft gemaakt, geplaatst zijn in het derde jaar van het
voortgezet onderwijs.
De signalen en zorgen van uw Kamer en het onderwijsveld over de werking van het huidige
stelsel met veel keuzevrijheid heb ik goed gehoord. Het gaat met name om de vraag
in hoeverre de vergelijkbaarheid van toetsresultaten en toetsadviezen voldoende kan
worden gewaarborgd om leerlingen zo van een passend advies te voorzien. De spanning
tussen vergelijkbaarheid en keuzevrijheid is complex en volledige vergelijkbaarheid
tussen toetsen is een utopie. Een goede vergelijkbaarheid van toetsresultaten over
jaren vraagt ook om een grote mate van stabiliteit.
De genoemde zorgen vragen om een hernieuwde afweging van het belang van vergelijkbaarheid
in relatie tot keuzevrijheid, juist in verband met mijn ambitie om kinderen de kans
te geven zich te ontwikkelen. Een wijziging naar één centrale aanbieder draagt daaraan
bij, zo stelt ook de Onderwijsraad.4 Dit kan daarmee bijdragen aan meer vertrouwen in de juiste werking van de doorstroomtoets.
Naast de eerder met uw Kamer gedeelde verkenning van het CvTE, Stichting Cito en OCW
en het advies van de Onderwijsraad is ook een behoeftepeiling uitgevoerd onder scholen
ten aanzien van keuzevrijheid binnen het toetsstelsel.5,
6,
7 Hieruit blijkt dat de meerderheid van de reguliere po- en vo-scholen het aantal doorstroomtoetsen
van zes te veel vindt en positief staat tegenover een wijziging. Tegelijkertijd staan
scholen minder welwillend tegenover het afnemen van een andere doorstroomtoets dan
de toets die zij nu gebruiken. De resultaten van de behoeftepeiling laten ook zien
dat scholen hechten aan een keuze tussen een papieren en digitale toets. Scholen in
het speciaal (basis)onderwijs hebben zorgen over de toegankelijkheid van toetsen voor
leerlingen met een ondersteuningsbehoefte en benadrukken het belang van een, ook voor
die leerlingen, passend aanbod van de doorstroomtoets. Een wijziging naar één doorstroomtoets
zal in alle gevallen van scholen een omslag vragen. Om die reden wil ik hiervoor een
heel zorgvuldig proces doorlopen, waar draagvlak ook een belangrijk onderdeel van
is.
Een stelsel met één centrale aanbieder van zowel een papieren als digitale toets zie
ik als de meest passende richting voor de toekomst.8 Deze vorm kan de vergelijkbaarheid aanzienlijk verbeteren. Met een aanbod van zowel
een papieren als digitale toets kunnen leerlingen gebruik blijven maken van een afnamemodus
die aansluit bij de werkwijze op school en wat voor hen vertrouwd is.
Toekomst en vervolgstappen
De afname van de doorstroomtoets met één centrale aanbieder kan op zijn vroegst plaatsvinden
in schooljaar 2029/2030. Deze termijn is nodig voor het wetstraject, de ontwikkeling
van een nieuwe toets en een zorgvuldige overgangsperiode voor scholen en toetsaanbieders.
Dit zorgt tevens voor een redelijke afbouwtermijn van de subsidie aan de huidige toetsaanbieders
zodat zij hun werkzaamheden goed kunnen afronden. Ik vind, net als de Onderwijsraad,
zorgvuldige invoering noodzakelijk en dat scholen ondersteund moeten worden bij de
overgang naar één toets. Het CvTE blijft in aanloop naar de wijziging naar één centrale
aanbieder de kwaliteit van de doorstroomtoetsen bewaken en versterken.
Bij de voorgestelde wijziging naar het stelsel met één centrale aanbieder van de doorstroomtoets
dienen nog verschillende keuzes gemaakt te worden over de stelselinrichting. Deze
keuzes zijn van groot belang voor de stabiliteit, uitvoerbaarheid en draagvlak binnen
het toetsstelsel. Zo moet in de governance worden bezien welke partij verantwoordelijk
wordt voor de ontwikkeling van de toets, wie de toets gaat aanbieden en op welke wijze
de kwaliteit van de toets wordt bewaakt. Ik ga met toetsexperts, betrokken partijen
en belanghebbenden aan de slag om de aansluiting op het geactualiseerde curriculum,
de toetsinhoud, de mogelijkheid en wenselijkheid tot adaptiviteit van de digitale
toets9, de verhouding tussen toetsmodi en aansluiting op de behoeften van scholen en leerlingen
goed uit te werken. Ook zal ik kijken naar het effect van deze wijziging op de leerlingvolgsystemen.
De uitwerking van het stelsel met één aanbieder is een grote opgave die tijd kost
om dit op een goede manier voor alle leerlingen te regelen. Mijn inzet is een stabiel
stelsel met zo min mogelijk wijzigingen door de jaren heen.
Toepassing Caribisch Nederland
Ook de BES-eilanden zijn verplicht een doorstroomtoets af te nemen.10 Op Bonaire is recent een eigen doorstroomtoets ontwikkeld en de evaluatie daarvan
is nog gaande. Daarom is het nu te vroeg om Caribisch Nederland ook gelijk mee te
nemen in de voorgestelde wijziging naar één centrale aanbieder in Europees Nederland.
Mede in het kader van de lopende aanbesteding wordt onderzocht of en wanneer aansluiting
bij de voorgestelde wijziging voor Europees Nederland passend is voor Bonaire.
Doorontwikkeling inhoud en functie doorstroomtoets
Naast de ontwikkelingen rondom de vorm van de doorstroomtoets, werk ik aan de doorontwikkeling
van de functie en inhoud van de toets.11 Het eerdergenoemde advies van de Onderwijsraad over toetsing neem ik daarbij mee.
Ook betrek ik daarbij de verschillende door uw Kamer geuite wensen ten aanzien van
de inhoud van de doorstroomtoets.
Onderzoek praktische vaardigheden in doorstroomtoets
Uw Kamer heeft mij verzocht te onderzoeken of praktische vaardigheden in de doorstroomtoets
kunnen worden opgenomen, om zo – naast cognitieve vaardigheden – ook praktische vaardigheden
positief te herkennen en erkennen.12 Bijgaand (bijlage 3) stuur ik u het onderzoek van CitoLab naar het waarderen van
praktische vaardigheden in het primair onderwijs. Vooralsnog biedt dit onderzoek helaas
geen aanknopingspunt om praktische vaardigheden op te nemen in de doorstroomtoets.13 Praktische vaardigheden komen in principe tot uiting in concrete handelingen, die
zich niet goed laten toetsen in traditionele (gestandaardiseerde) vormen van toetsen.
Toch zou ik graag een mogelijkheid voor het waarderen van praktische vaardigheden
willen ontwikkelen maar dat vergt nadere verkenning en uitwerking. Een uitgebreidere
reactie op de aanbevelingen van dit onderzoek volgt samen met de beleidsreactie op
het advies van de Onderwijsraad over toetsing.
Apart toetsadvies praktijkonderwijs
Uw Kamer heeft mijn ministerie verzocht een apart toetsadvies praktijkonderwijs mogelijk
te maken.14 Ik ben aan het uitzoeken hoe en op welke termijn dit mogelijk gemaakt kan worden.
De genoemde termijn, schooljaar 2026–2027, is niet haalbaar. Voor een zorgvuldige
invoering zijn verschillende stappen nodig, waaronder aanpassingen in regelgeving,
uitvoering en communicatie. Vóór het einde van 2026 kom ik bij uw Kamer terug met
een overzicht van de benodigde stappen voor invoering en per wanneer deze haalbaar
zijn.
Gewicht doorstroomtoets in schooladvies
Uw Kamer heeft opgeroepen het gewicht van de doorstroomtoets af te halen en de toetsuitslag
als ondersteuning van het schooladvies van de leerkracht te laten meewegen.15 Zoals mijn voorganger in debat met uw Kamer heeft aangegeven is de toets momenteel
ook al een ondersteunend hulpmiddel naast bestaande gegevens over de leerling. De
maatregel «bijstellen schooladvies» verplicht scholen het schooladvies bij te stellen,
wanneer de leerling op de toets laat zien meer uitdaging aan te kunnen.16 Het is onverstandig deze maatregel in het huidige stelsel af te schaffen: jaarlijks
zouden duizenden leerlingen hierdoor een schooladvies krijgen dat niet passend is
bij de vaardigheden die zij op de toets lieten zien, bijvoorbeeld meiden die te maken
krijgen met een (onbewuste) onderschatting van hun vaardigheden.17 Uit monitoringsonderzoek blijkt dat de toets als tweede objectief gegeven nog steeds
nodig is om leerlingen een passend schooladvies te geven.18 Ook het advies van de Onderwijsraad over toetsen onderschrijft deze functie van de
doorstroomtoets.19 Scholen hebben en gebruiken al de vrijheid om af te wijken van bovengenoemde maatregel,
indien bijstellen van het schooladvies niet in het belang van de leerling is.20 Wanneer schooladviezen breder zijn en leerlingen met meer flexibiliteit kunnen starten
in het vo, kan bekeken worden wat het gewicht van de doorstroomtoets in die situatie
moet zijn. Ik neem deze motie daarom mee in de verkenning naar een breder schooladvies
(zie hieronder).
Verkenning breder schooladvies
Uw Kamer heeft middels de motie Rooderkerk verzocht te verkennen hoe leerlingen een
breder schooladvies kunnen krijgen aan het einde van de basisschool, waardoor leerlingen
later in de middelbareschooltijd de keuze kunnen maken voor een definitieve, zo nodig
smallere, richting.21 Zoals toegezegd geef ik een update over deze verkenning.22 De huidige praktijk is dat we relatief smalle schooladviezen hebben en dat scholen
relatief smalle onderbouwklassen aanbieden.23 Wanneer leerlingen een breder schooladvies zouden krijgen, dan moeten zij daarmee
goed kunnen landen in de onderbouw van het vo. Vo-scholen moeten hiermee uit de voeten
kunnen. Om de schooladviezen te verbreden moeten we dus (ook) kijken naar de inrichting
van de onderbouw in het vo. De verkenning naar deze verbreding loopt over drie sporen.
1. Inventarisatie ervaren belemmeringen
Het eerste spoor verkent de vraag wat de ervaren belemmeringen zijn voor scholen bij
het aanbieden van brede brugklassen of dakpanklassen.24 Uit verschillende gesprekken met scholen kwam een divers beeld naar voren. Er is
veel enthousiasme bij scholen om hier, vanuit het oogpunt van kansengelijkheid, energie
in te steken.25 Veel scholen bieden leerlingen langer de tijd om een passende plek te vinden. Bijvoorbeeld
in mavo/havo/vwo-brugklassen of in 10–14-scholen. Bredere stromen zijn dus in de praktijk
al mogelijk, maar scholen geven ook aan soms tegen knelpunten aan te lopen, zoals
leermiddelen en toetsen die gescheiden zijn per onderwijsrichting, concurrentie van
scholen die geen verbreding willen aanbieden, voortkomend uit de schoolkeuze van ouders,
differentiatievaardigheden van leerkrachten en (veronderstelde) verwachtingen vanuit
de inspectie. Tegelijk leven er zorgen over leerlingen bij wie de juiste onderwijsrichting
al vroeg duidelijk is, met name vanuit het praktijkonderwijs en gymnasia. Ook de behoeftes
van deze leerlingen wil ik meenemen in beleid.
2. Vermindering verkokering
Het tweede spoor zet in op minder verkokering in de onderbouw van het vo. De onderbouw
van het vo wordt vaak ingericht naar leerwegen in de bovenbouw, met name in het vmbo.
Zo zijn er veel vmbo-scholen die aparte onderbouwklassen aanbieden voor bijvoorbeeld
bb-, kb- of tl-niveau, terwijl de wet dit helemaal niet voorschrijft. Ik verken daarom
met een aantal vmbo-scholen of één onderwijsprogramma voor deze groep leerlingen in
de onderbouw mogelijk is en wat dit vraagt van de school.26
3. Kennisontwikkeling en kennisdeling
Het derde spoor zet in op kennisontwikkeling over hoe de geconstateerde belemmeringen
weggenomen kunnen worden en wie daarvoor aan zet is. Er is al veel bewijs dat het
voor kansengelijkheid goed is om leerlingen later te selecteren.27 Scholen geven aan dat er daarnaast behoefte is aan meer kennis over het inrichten
van brede brugklassen. Samen met onder andere het Landelijk Expertisepunt po-vo, de
Gelijke Kansen Alliantie en de VO-raad werk ik aan de benodigde kennisdeling en ondersteuning.
Met de leertrajecten van NKO wordt de kennisbasis over dit thema verder uitgebouwd,
bijvoorbeeld over het effect van verschillende brugklasvarianten op cognitief sterkere
leerlingen.28 We blijven in gesprek met de Inspectie over de uitwerking van toezicht op brede stromen,
en hoe eventuele misverstanden over dat toezicht mogelijk kunnen worden weggenomen.
Stimuleren
Dit kabinet wil aansluiten bij de wens van scholen om aan de slag te gaan met het
versoepelen van de overgang van po naar vo en bredere stromen in de onderbouw van
het vo. Dit doen we met de subsidieregeling verbinding po-vo. Momenteel werken 150
coalities van po- en vo-scholen aan een soepele overgang voor leerlingen zodat zij
hun leerprestaties in lijn met hun potentie voortzetten en met zelfvertrouwen starten
in de brugklas. De opbrengsten van de subsidieregeling worden momenteel geëvalueerd.
In het coalitieakkoord zijn daarnaast middelen beschikbaar gesteld om te werken aan
een goede beschikbaarheid van breder onderwijs. Scholen kunnen hier zelf ook al mee
aan de slag en ik roep scholen dan ook op dat te gaan doen. Ik rapporteer uw Kamer
hierover na de zomer.
De versoepeling van de overgang van basis naar middelbaar onderwijs is een complex
transitievraagstuk. Een beweging richting een breder schooladvies vergt naast een
grotere flexibiliteit binnen de onderbouw van het vo ook een maatschappelijke omslag.
De nadruk hoort te liggen op het vinden van vervolgonderwijs dat goed past bij de
talenten van een leerling. Dit vraagt bijvoorbeeld dat meer ouders kiezen voor scholen
en schoolrichtingen die goed aansluiten op de brede talenten van hun kind.
Tot slot
In deze brief ben ik ingegaan op verschillende verzoeken van uw Kamer rondom de doorstroom
van het primair naar het voortgezet onderwijs. Zoals toegelicht in de brief zie ik
kansrijke aangrijpingspunten om met een wijziging naar één centrale aanbieder van
de doorstroomtoets het onderwijsveld de duidelijkheid te bieden die nodig is. Graag
ga ik op korte termijn met uw Kamer en het onderwijsveld in gesprek over dit voorstel
om daarna de plannen verder te concretiseren. Na de zomer ontvangt u van mij een reactie
op het advies van de Onderwijsraad «Kijk anders naar toetsing», waarin ik ook inga
op de verschillende functies van toetsing en hoe we daarmee omgaan.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
J.Z.C.M. Tielen
Indieners
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap