Brief regering : Toezegging wetstraject doorzoeken gegevensdragers en Beleidsreactie Inspectierapoort JenV – Quickcheck van gegevensdragers van asielzoekers
19 637 Vreemdelingenbeleid
Nr. 3622
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ASIEL EN MIGRATIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 2 juli 2026
In debat met uw Kamer op 17 juni jl. heb ik toegezegd om vóór het zomerreces bij brief
aan uw Kamer uiteen te zetten hoe het in gang gezette proces rond het toegezegde wetstraject
ten behoeve van een solide grondslag voor het doorzoeken van gegevensdragers binnen
de kaders van het Unierecht eruit ziet. Aan die toezegging kom ik in deze brief tegemoet.
Verder heeft de IND een verkenning uitgevoerd naar het doorzoeken van gegevensdragers
in de asielketen met als doel globaal in kaart te brengen hoe gegevensdragers in Nederland
en elders in de EU worden doorzocht, wat nodig is voor het doorzoeken van gegevensdragers,
en wat bekend is over de effectiviteit en efficiëntie van deze methoden. Vervolgens
zijn de risico’s, kansen en knelpunten in kaart gebracht. Ik acht het van belang om
uw Kamer mee te nemen in de conclusies van de verkenning, mede in het licht van het
voorgenomen wetstraject.
Daarnaast heeft de Inspectie Justitie en Veiligheid (Inspectie) op 28 mei 2026 een
brief over het onderzoek naar de quickcheck, een onderdeel van het Identificatie-
en Registratieproces voor de asielprocedure, gepubliceerd. In deze brief reageer ik
tevens op de conclusie en aanbevelingen van de Inspectie.
Wetstraject doorzoeken gegevensdragers en verkenning IND
Uw Kamer heb ik de toezegging gedaan om het traject om tot een solide wettelijke grondslag
te komen met voorrang op te pakken en het wetsvoorstel in het tweede kwartaal in consultatie
te brengen bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Uit artikel 36, vierde lid, van de
Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) volgt dat bij het opstellen van wet-
en regelgeving die betrekking heeft op de verwerking van persoonsgegevens de Autoriteit
Persoonsgegevens moet worden gevraagd om een toets. De complexiteit en omvang van
de vraagstukken die beantwoord dienen te worden ten behoeve van dit wetsvoorstel maken
dat dit niet haalbaar is gebleken. Ik vind het belangrijk dat voldoende scherp is
welk doel gediend wordt met de beoogde wetsaanpassing.
Thans is het streven dat het wetsvoorstel na de zomer in consultatie kan worden gebracht.
Ik schets u enkele aspecten rond dit wetsvoorstel om de genoemde complexiteit inzichtelijk
te maken.
Juridisch kader
In punt 22 van de preambule van de Europese Procedureverordening 2024/1248, die op
12 juni 2026 van toepassing is geworden, is opgenomen dat bij een asielaanvraag de
bevoegde autoriteiten moeten kunnen vereisen dat de verzoeker wordt gefouilleerd of
dat zijn of haar voorwerpen worden doorzocht. Daarbij kan het ook gaan om elektronische
apparaten zoals laptops, tabletcomputers of mobiele telefoons. Deze doorzoekingen
moeten worden uitgevoerd met inachtneming van de grondrechten en het evenredigheidsbeginsel.
In artikel 9 van diezelfde verordening is bepaald dat de bevoegde autoriteiten de
asielzoeker mogen voorschrijven zich te laten fouilleren of diens spullen te laten
doorzoeken, overeenkomstig het nationale recht, indien dat nodig en naar behoren gerechtvaardigd
is voor de behandeling van het asielverzoek. Ook is daarin bepaald dat de bevoegde
autoriteit de verzoeker de redenen daarvan verstrekt en opneemt in het dossier.
Met deze formulering is duidelijk dat de Procedureverordening ruimte laat voor het
doorzoeken van gegevensdragers en dat daarvoor een nationale wettelijke grondslag
is vereist en dat deze moet voldoen aan de beschreven eisen van noodzakelijkheid en
proportionaliteit.
Hoewel er vooralsnog geen vastgestelde, geconsolideerde versie is van de terugkeerverordening,
is er met het ontstane politieke akkoord tussen het Europese Parlement en de Raad
wel een redelijk inzicht in de artikelen daarvan. Op basis daarvan kan de verwachting
worden uitgesproken dat de verordening ook met het oog op terugkeer expliciet ruimte
biedt voor een nationale bevoegdheid tot het uitlezen van de gegevensdragers. Ook
daarbij zal echter gelden dat de bevoegdheid gebonden is aan een gemotiveerde noodzaak
en proportionaliteit met in de nationale wetgeving vastgelegde waarborgen.
Bij de inrichting van deze bevoegdheid, zowel op het terrein van asiel als dat van
terugkeer, zullen de waarborgen vormgegeven dienen te worden binnen de kaders van
de jurisprudentie inzake artikel 8 van het EVRM en de artikelen 7 en 8 van het EU
Grondrechtenhandvest en de verplichtingen die gelden onder de Algemene verordening
gegevensbescherming (AVG). Het innemen van gegevensdragers en het verwerken van de
aangetroffen data gelden als een inmenging op het recht op privéleven. Een inmenging
op iemands privéleven moet gebaseerd zijn op een duidelijke en voorzienbare wettelijke
basis die voldoende nauwkeurig en duidelijk is geformuleerd en adequate en effectieve
waarborgen biedt tegen misbruik bij het doorzoeken van de elektronische gegevensdrager.
In dit verband is van belang dat bijzondere persoonsgegevens zullen worden verwerkt.
De verwerking daarvan is op grond van de AVG verboden, tenzij kan worden gerechtvaardigd
dat daarop een uitzondering wordt gemaakt.
De verwerking moet effectief, noodzakelijk, evenredig en proportioneel zijn, maar
ook uitvoerbaar. Ook gelet op de hierboven beschreven Europeesrechtelijke bepalingen
is goed denkbaar dat het (volledig) uitlezen van gegevensdragers bij alle asielverzoeken
niet proportioneel is.
Uit de verkenning volgt dat er uitvoeringsrisico’s en knelpunten gelden voor de uitvoering
van deze maatregel. Zo komt onder andere uit de verkenning naar voren dat bij het
doorzoeken van gegevensdragers rekening gehouden zal moet worden met meer geavanceerde
versleuteling van telefoons en applicaties, wat ontsleuteling complexer, duurder of
zelfs onmogelijk maakt. Het uitlezen kan mogelijk leiden tot een onwerkbare toename
van de werklast, met name bij een grote toename van het aantal asielaanvragen.
Aan de andere kant kan het doorzoeken van een gegevensdrager volgens de verkenning
wel helpen bij identificatie en meer informatie en/of signalen in kaart brengen van
mensensmokkelnetwerken voor inlichtingen- en opsporingsdiensten.
Het ligt voor de hand dat in de toekomst primair een digitaal ondersteund of volledig
geautomatiseerd uitlezen plaatsvindt. De verschillende mogelijkheden hebben ieder
voor zich voor- en nadelen die binnen een toekomstbestendige kosten- en batenanalyse
zullen moeten worden afgewogen. Dit zal echter moeten worden uitgevoerd binnen de
hiervoor beschreven kaders. Bij geautomatiseerd uitlezen zal al snel sprake zijn van
een volledige verwerking van de gegevens op de gegevensdrager. Feitelijke toegang
tot alle informatie voor de betreffende ambtenaar in de asiel-, toezicht- of terugkeerprocedure
zal in veel gevallen echter niet proportioneel zijn. Softwarematig zal hier een oplossing
voor moeten worden gevonden, zodat de feitelijke toegang beperkt blijft tot wat nodig
is. De aanpak die op dit punt wordt toegepast zal in hoofdlijnen in beeld moeten zijn
op het moment dat het wetstraject start, om deze inzichtelijk en toetsbaar te maken.
Tegelijk is het wel van belang in het oog te houden dat de technologische ontwikkelingen
zo snel gaan dat het bij het opstellen van het wetsvoorstel nog niet mogelijk is de
precieze vorm van automatisering te kennen of voorspellen. Het wetsvoorstel dient
dan ook voldoende flexibiliteit te bieden voor toekomstige technologische ontwikkeling
en tegelijk voldoende hard en duidelijk te zijn in de formulering van de bevoegdheden
en de waarborgen.
Ook dient het wetsvoorstel te regelen of en zo ja op welke wijze de gegevens mogen
worden opgeslagen en welke bewaartermijnen daarvoor gelden. Hierbij is tevens relevant
in hoeverre gegevens van gegevensdragers, op een moment waarop daartoe nog geen concrete
indicaties bestaan, al mogen worden veiliggesteld voor eventueel toekomstig gebruik.
Praktijk andere lidstaten
Op dit moment is het beeld dat in veel Europese lidstaten het vraagstuk van het uitlezen
van gegevensdragers van vreemdelingen in ontwikkeling is. Een EMN Ad-Hoc Query uit
2024 bracht in kaart hoe Europese lidstaten digitale gegevensdragers van asielzoekers
doorzoeken, wat een sterk gefragmenteerd landschap laat zien. Slechts acht lidstaten
hebben een praktijk rondom het doorzoeken van gegevensdragers. Daarnaast beperken
lidstaten de praktijk vanwege juridische onzekerheid of rechterlijke uitspraken.1 Duitsland leek enige tijd een uitzondering daarop te vormen. In juni 2021 oordeelde
de Berlijnse bestuursrechter (Verwaltungsgericht) echter dat deze praktijk een disproportionele
inbreuk op het recht op privéleven en gegevensbescherming betreft en daarmee onrechtmatig
is. In het door BAMF aangespannen hoger beroep tegen deze uitspraak, bevestigde het
Bundesverwaltungsgericht de uitspraak van de Berlijnse rechter en oordeelde dat het
opvragen van de toegangsgegevens bij een asielzoeker om hiermee de gegevens op haar
mobiele telefoon in te zien, disproportioneel en daarmee onrechtmatig is in het licht
van artikel 7 en 8 van het Handvest. Volgens het Bundesverwaltungsgericht had de BAMF
voor het beoogde doel, namelijk vaststelling van identiteit en nationaliteit van de
asielzoeker, minder ingrijpende maatregelen kunnen toepassen.2 Verder is de effectiviteit van de praktijk in andere lidstaten niet zonder meer een
gegeven. Uit cijfers van de BAMF blijkt dat er zeer regelmatig mislukte uitleespogingen
voorkomen door technische fouten of gebrek aan bruikbare data op de telefoon. De reeds
genoemde verkenning van de IND bevat een actueel overzicht van de toepassing door
een beperkt aantal lidstaten van onderzoek in de asielprocedure naar gegevensdragers.
Het kabinet onderkent het belang van het doorzoeken van gegevensdragers en zal als
toegezegd werk maken van het realiseren van een solide wettelijke basis op een korte
termijn. Daarbij is het belangrijk dat er een hoge mate van zekerheid is over de juridische
houdbaarheid van de wettelijke grondslag en de uitvoerbaarheid, gezien de naar verwachting
benodigde miljoeneninvesteringen die een organisatie zou moeten doen, aldus de verkenning.
Met name het doel waarvoor de ingewonnen informatie gebruikt kan en mag worden is
hierin bepalend.
Bij het inrichten van een proces voor het doorzoeken van gegevensdragers zal binnen
de juridische mogelijkheden en kaders een realistische afweging gemaakt moeten worden
tussen de kosten en de opbrengsten van de werkzaamheden.
De juridische kaders binnen de kaders van het (internationaal) recht en de uitvoerbaarheid
van deze maatregel zoals die hiervoor uiteen zijn gezet dwingen derhalve tot scherpe
keuzes. In de uitwerking van het wetsvoorstel zal tot uiting moeten komen voor welke
categorieën en met welk doelen het mogelijk is om tot doorzoeken van gegevensdragers
over te gaan. De wetstekst moet een voldoende nauwkeurige formulering met adequate
en effectieve waarborgen bieden. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan een wettelijk
basis die getrapt wordt ingericht, waarbij verschillende situaties kunnen leiden tot
een verschillende mate waarin een inbreuk kan worden gemaakt en verschillende – in
gewicht toenemende – waarborgen dienen te gelden.
Met het oog op het in te dienen wetsvoorstel zal nader onderzocht worden wat binnen
de Rijksoverheid en in de meest relevante Europese lidstaten de laatste ontwikkelingen
zijn op dit gebied.
Rapport Inspectie JenV
In 2025 is de Inspectie Justitie en Veiligheid (Inspectie) gestart met een onderzoek
naar een onderdeel van het Identificatie- en Registratieproces voor de asielprocedure.
In dit proces werden gegevens verzameld en geregistreerd over de identiteit, nationaliteit
en verblijfsstatus van een asielzoeker. Dit werd sinds 2025 uitgevoerd door de Dienst
Identificatie en Screening Asielzoekers (DISA)3. Naar aanleiding van verschillende signalen is de Inspectie gestart met een onderzoek
naar de door DISA uitgevoerde «quickcheck» van een gegevensdrager. Bij dit onderdeel
werden, zoals uw Kamer bekend, de gegevens op een gegevensdrager handmatig doorzocht.
De Inspectie concludeert in haar onderzoeksrapport dat de wettelijke grondslag waarop
de quickcheck werd uitgevoerd ontoereikend is. DISA werkte, mede naar aanleiding van
Afdelingsjurisprudentie, op basis van toestemming van de asielzoeker en voerde de
quickcheck alleen uit wanneer de vreemdeling zijn identiteit niet met echt bevonden
documenten kon aantonen. De Inspectie wijst op de afhankelijkheidspositie van de asielzoeker
ten opzichte van de overheid en de geconstateerde gebrekkige informatievoorziening.
Daarom roept deze constructie bij de Inspectie vragen op over de rechtmatigheid. De
Inspectie acht dit relevant vanuit haar toezicht op de rechtmatige taakuitvoering.
De Inspectie oordeelt hierover dat gestelde aanvullende waarborgen de gebreken niet
repareren. Het gebrek aan een wettelijke grondslag kan niet worden gecompenseerd met
beleid of veranderingen in het operationele proces.
Verder benoemt de Inspectie dat zij zwaar tilt aan de omstandigheid dat de problematiek
rondom de grondslag bekend is, maar hier geen adequate oplossing voor is gevonden.
Weliswaar loopt er een wetgevingstraject om de wettelijke grondslag te verankeren,
maar dat neemt volgens de Inspectie niet weg dat de huidige wettelijke grondslag nog
steeds ontoereikend is.
Aanbevelingen Inspectie
De Inspectie heeft het volgende aanbevolen:
– Zorg met urgentie voor een solide wettelijke grondslag voor de quickcheck en heroverweeg
de werkwijze totdat die grondslag er is.
– Zorg voor een goede overdracht van het I&R-proces van de DISA naar de Immigratie-
en Naturalisatiedienst (IND), inclusief de nodige toekomstige waarborgen en bevoegdheden
ten aanzien van het onderzoeken van gegevensdragers.
Ik acht het van belang dat asielzoekers die in Nederland om bescherming vragen zorgvuldig
worden geïdentificeerd en geregistreerd. Als de asielzoeker hiertoe geen of onvoldoende
documenten kan overleggen, kunnen de gegevensdragers die asielzoekers bij zich dragen
relevante informatie bevatten die van belang kan zijn bij de identificatie. Ook kan
informatie op gegevensdragers bijdragen aan het beoordelen van de asielaanvraag, waaronder
het bestaan van eventuele contra-indicaties.
Daarbij deel ik het door de Inspectie benoemde belang van een betrouwbare overheid
die rechtmatig handelt. Dat betekent dat de omstandigheden waarin en de voorwaarden
waaronder gegevensdragers kunnen worden doorzocht duidelijk en nauwkeurig moeten worden
omschreven. Ik voeg mij naar het oordeel van de inspectie dat voor de voortzetting
van de werkzaamheden, ook in deze aangepaste vorm, op dit moment een wettelijke grondslag
ontbreekt. De IND is per 12 juni 2026 de identificatie en registratie van asielzoekers
gaan uitvoeren. De IND voert deze identificatie en registratie uit in het kader van
het proces van Ontvangst en Voorbereiding Asielaanvraag (OVA). Een quickcheck van
een gegevensdrager is hier geen onderdeel van.
Afsluiting
Inmiddels is op 23 juni jl. de motie (Kamerstuk 19 637, nr. 3590) van de leden Boomsma, Ceulemans, Keijzer en Vermeer met betrekking tot dit onderwerp
aangenomen. Ik zal uw Kamer kort na het zomerreces informeren over de uitwerking van
deze motie.
Ik verwacht dat vorenstaande een begin van een inzicht biedt in de complexiteit van
een op te stellen wetsvoorstel en de aspecten waarmee rekening gehouden zal moeten
worden. De aanbevelingen die de Inspectie heeft gedaan, zal ik vanzelfsprekend ook
betrekken bij het wetgevingstraject.
De Minister van Asiel en Migratie,
G. van den Brink
Ondertekenaars
G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie