Brief regering : illegale online handel (designer)drugs en (namaak)geneesmiddelen
24 077 Drugbeleid
29 477
Geneesmiddelenbeleid
Nr. 572
BRIEF VAN DE MINISTERS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT EN VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 2 juli 2026
De afgelopen periode is Nederland opgeschrikt door diverse berichten over de online
verkoop van (designer)drugs en (namaak)geneesmiddelen en mogelijke sterfgevallen en
gezondheidsschade die daarmee verband houden. Daarbij werd ook bekend dat het Openbaar
Ministerie (OM) strafrechtelijk onderzoek doet naar het verband tussen het online
bestellen van (namaak)geneesmiddelen en (designer)drugs en sterfgevallen met betrekking
tot de website Funcaps.nl. De Funcaps-zaak is exemplarisch voor de problematiek die
in deze brief wordt behandeld, maar staat helaas zeker niet op zichzelf. Er zijn diverse
aanbieders die dit soort illegale producten aanbieden. Er is namelijk helaas gebleken
dat mensen tegenwoordig vrij gemakkelijk online (designer)drugs en (namaak)geneesmiddelen
kunnen bestellen via allerlei verschillende routes.
Het is afschuwelijk en tragisch dat er mogelijk mensen overleden zijn na het gebruik
van online gekochte (illegale) middelen. Ons medeleven gaat uit naar de familie en
andere nabestaanden van de slachtoffers. Het is uitermate schokkend dat er partijen
zijn die dit soort, mogelijk levensgevaarlijke, middelen aanbieden voor eigen financieel
gewin.
De verkoop van dit soort middelen is zeer schadelijk en verboden. Wat daar nog bij
komt, is dat de verkopers van schadelijke middelen de indruk proberen te wekken dat
de verkoop legaal is, dit is het niet. Hierbij gaan ze voorbij aan de grote gezondheidsrisico’s
van het gebruiken van (designer)drugs of (namaak)geneesmiddelen. Daarnaast worden
er veel verschillende soorten middelen door websites verkocht, waardoor meerdere wetgevingen
van toepassing zijn en meerdere handhavingsorganisaties aan zet. Het kabinet en alle
betrokken partijen nemen deze problematiek uiterst serieus. Dat deze middelen zo openlijk
worden aangeboden, heel eenvoudig zijn aan te schaffen en het gebruik ervan grote
risico’s met zich meebrengt, benadrukt de noodzaak om dit effectief aan te pakken.
Wat betreft de mogelijkheid om online geneesmiddelen te bestellen, geldt dat dit op
zichzelf niet illegaal is en in sommige gevallen zelfs gewenst kan zijn, als er maar
wel goede zorg wordt geleverd. De verkopende website moet dan wel aan allerlei eisen
voldoen en aangemeld zijn bij de overheid.1 Voor receptplichtige geneesmiddelen blijft het van groot belang om te benadrukken
dat mensen deze nooit zonder tussenkomst van een arts of apotheker moeten gebruiken;
bestel ze daarom nooit zomaar online.
De aanpak van dit soort online verkoop is uitdagend, omdat op het eerste gezicht niet
altijd duidelijk is om wat voor soort middel het gaat, of de verkoop van het middel
in strijd is met geldende wetgeving en zo ja, met welke wetgeving. Verkopers lijken
met hun producten in te spelen op dit grensvlak. Het gevolg is dat bij het bepalen
hiervan (welk product is het, onder welke wetgeving valt het) meerdere instanties
betrokken moeten worden (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), Nederlandse Voedsel-
en Warenautoriteit (NVWA), politie, omdat op voorhand niet helder is welke van deze
instanties bij een dergelijk «grensvlakproduct» primair aan zet is, en ook omdat dit
vaak meerdere instanties zijn (omdat er verschillende producten worden aangeboden).
Dit werkt vertragend bij het toezicht en handhavend optreden en is van invloed op
een efficiënte «doorstroom» naar het strafrecht. Dat bemoeilijkt de strijd tegen deze
ongewenste praktijken. Als kabinet en betrokken organisaties vinden wij het daarom
belangrijk om te komen tot een effectievere, integrale aanpak. Het kabinet heeft de
Kamer toegezegd over onze aanpak te informeren. Met deze brief doen we, de Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Justitie en Veiligheid, deze
toezegging gestand.
Eerst schetsen we de problematiek waar het kabinet en voormelde betrokken instanties
tegen aan lopen. Dat is als eerste een toelichting op welke illegale (designer)drugs
en (namaak)geneesmiddelen worden aangeboden (hoofdstuk 1). Daarna volgt een overzicht
van de relevante wettelijke kaders (Opiumwet, Geneesmiddelenwet en het Wetboek van
Strafrecht) en de rol die de betrokken toezichthouders en opsporingspartijen daarbinnen
hebben (hoofdstuk 2). Daarna gaan we dieper in op de problematiek van grensvlakproducten,
middelen waarvan niet direct duidelijk is wat het is, en onder welke wetgeving zij
vallen (hoofdstuk 3). De schets van de problematiek eindigt met de beschrijving van
de huidige inzet om de illegale handel tegen te gaan, via wetgeving, toezicht en opsporing,
monitoring en voorlichting (hoofdstuk 4).
In het tweede deel van de brief licht het kabinet toe welke stappen het zet om tot
een effectievere, integrale aanpak te komen. Dit is te verdelen in vier actielijnen:
samenwerking, capaciteit, aanpassing van wet- en regelgeving, en voorlichting (hoofdstuk
5).
1. Problematiek online aanbod in (designer)drugs en (namaak)geneesmiddelen
Voor de aanpak van het illegale aanbod van middelen is er onderscheid te maken in
het aanbod in enerzijds (designer)drugs en anderzijds (namaak)geneesmiddelen. Vaak
worden die op dezelfde website verkocht, al dan niet via een afgeschermd gedeelte.
Deze middelen kunnen onder verschillende wettelijke kaders vallen, en dat is relevant
voor het toezicht en de handhaving hierop.
– Online illegaal aanbod van (designer)drugs
Schadelijke middelen die het bewustzijn beïnvloeden en die kunnen leiden tot gezondheidsschade
en maatschappelijke schade, kunnen worden verboden via de Opiumwet. De Opiumwet verdeelt
verboden middelen in twee categorieën. Onder lijst I vallen middelen met een onaanvaardbaar
risico voor de gezondheid en de maatschappelijke orde (een voorbeeld hiervan is amfetamine).
Onder lijst II vallen middelen met minder risico's voor de gezondheid dan de middelen
op lijst I (denk aan cannabis).
Helaas wordt Nederland ook geconfronteerd met nieuwe psychoactieve middelen die effecten
nabootsen van bestaande illegale drugs en die kunnen leiden tot vergelijkbare en soms
zelfs grotere gezondheids- en maatschappelijke schade. Dit zijn de zogenaamde Nieuwe
Psychoactieve Stoffen (NPS), in de volksmond ook wel designerdrugsgenoemd. Ze worden speciaal op de markt gebracht om de psychoactieve effecten van
bij Opiumwet reeds verboden middelen na te bootsen, maar met een net iets andere moleculaire
structuur. Een voorbeeld is 3-MMC dat, na een verbod hierop, werd opgevolgd door een
middel met een vergelijkbaar effect dat nog niet strafbaar was, namelijk 2-MMC. Producenten
proberen op deze manier steeds de wetgeving te omzeilen.
Om dit te voorkomen is in juli 2025 lijst IA toegevoegd aan de Opiumwet. Deze lijst
bevat een verbod op een aantal stofgroepen waarvan de chemische structuur is afgeleid
van meerdere middelen die reeds op lijst I staan. Daarmee zijn dus gehele groepen
chemische stoffen in één keer verboden. Er staan momenteel drie stofgroepen op lijst
IA. Begin juli treedt een AMvB in werking waarmee een vierde stofgroep, de nitazenen,
wordt toegevoegd aan lijst IA. Nitazenen zijn een stofgroep synthetische opioïden
die zeer potent2 zijn.
Sinds de invoering van lijst IA is het aanbod van middelen die onder de verboden stofgroepen
vallen via websites zoals Funcaps.nl sterk afgenomen.
Er blijft daarnaast echter een aanbod van middelen en stofgroepen dat niet onder lijst
I, II of IA van de Opiumwet valt. Het betreft NPS die veelal op websites worden verkocht
als «research chemical», waarbij door de verkoper wordt gemeld dat ze uitsluitend
bestemd zijn «voor onderzoek» en niet voor menselijke consumptie. Deze «research chemicals»
worden aangeboden als poeder, pil of capsule en zijn in werkelijkheid NPS, die qua
werking erg lijken op medicijnen zoals slaap- en pijnmedicatie of op verboden drugs,
waarvan de schadelijkheid nog niet is onderzocht. De term «research chemical» gebruiken
verkopers om de indruk te wekken dat het niet gaat om een middel dat als (designer)drugs
kan worden gebruikt. Daardoor is het dan ook niet direct duidelijk of de verkoop van
het middel in strijd is met geldende wetgeving en zo ja, met welke wetgeving.
– Online illegaal aanbod van (namaak)geneesmiddelen
Een verontrustende ontwikkeling is dat het online aanbod van middelen zich in toenemende
mate blijkt toe te spitsen op het illegaal aanbod van (namaak)geneesmiddelen. Zo zijn
er bijvoorbeeld webshops die vervalsingen van legale geneesmiddelen verkopen. Dit
zijn middelen die eruitzien als legale geneesmiddelen, maar die vaak andere of zelfs
zeer schadelijke stoffen bevatten.
Dat staat meestal niet vermeld bij de verkoop of op de verpakking. Daarnaast zien
we ook dat geneesmiddelen weglekken uit het legale circuit en die illegaal verkocht
worden op websites. Het gebruik van deze middelen kan ernstige gezondheidsrisico’s
veroorzaken. Voorbeelden zijn namaak slaap- en kalmeringsmiddelen (designerbenzo’s)
en (namaak) pijnstillers, waarin soms zeer gevaarlijke stoffen als nitazenen (in namaak-oxycodon)
worden aangetroffen. Het gaat onder andere om middelen die zijn afgeleid van of varianten
zijn van benzodiazepines (kalmeringsmiddelen) of van geneesmiddelen met een verdovende
en pijnstillende werking, zoals afgeleiden van ketamine of van de pijnstiller tramadol.
Hierbij geldt overigens dat het verboden is om voor de gezondheid of het leven schadelijke
waren te verkopen als die schadelijkheid wordt verzwegen. Het verkopen van geneesmiddelen
buiten het legale circuit is illegaal volgens de Geneesmiddelenwet. Ook wanneer er
sprake is van een vervalsing of namaak van een geneesmiddel, of van het aanbieden
van een middel als ware het een geneesmiddel, is de Geneesmiddelenwet van toepassing.
2. Wettelijke kaders
Hierboven is beschreven dat websites verschillende middelen aanbieden die onder de
reikwijdte van verschillende wetten kunnen vallen. Daardoor kunnen er verschillende
partijen verantwoordelijk zijn voor het toezicht en de handhaving en dat heeft gevolgen
voor de aanpak.
Als het om middelen gaat die op lijst I of II van de Opiumwet staan, of als het om substanties gaat die deel uitmaken van een stofgroep zoals bedoeld
in lijst IA, of de preparaten daarvan, dan is de Opiumwet van toepassing. Op grond
van de Opiumwet gelden verschillende verboden ten aanzien van deze middelen en stofgroepen.
Zo is onder meer het aanwezig hebben en het verkopen hiervan verboden en strafbaar.
De politie en het OM zijn verantwoordelijk voor de opsporing en vervolging van de
in de Opiumwet als strafbare feiten aangemerkte handelingen. De IGJ houdt toezicht
op naleving van de Opiumwet, bijvoorbeeld op het aan de patiënt voorschrijven en meegeven
van opiumwetmiddelen en of bedrijven en instellingen die een opiumontheffing hebben
(of aanvragen) voldoen aan alle eisen.
Als de middelen die online worden verkocht naar toediening of aandiening als een geneesmiddel
kunnen worden geclassificeerd, is het aanbieden, de verkoop (en reclame) en het in
voorraad hebben strafbaar op basis van de Geneesmiddelenwet. De IGJ houdt toezicht op de naleving van de Geneesmiddelenwet. De maximale strafmaat
die gepaard gaat met een overtreding van de Geneesmiddelenwet behelst een hechtenis
van 6 jaar.
Middelen kunnen onder zowel de Opiumwet als Geneesmiddelenwet vallen: sommige middelen,
zoals zware pijnstillers of kalmerende middelen zijn immers geneesmiddelen die ook
als middel op lijst I of II van de Opiumwet staan. Wanneer sprake is van namaakgeneesmiddelen
die niet onder de Opiumwet vallen, kan de Geneesmiddelenwet samen met het Wetboek
van Strafrecht van toepassing zijn.
Als het middel niet onder één van deze wetten valt, zijn de eisen voor levensmiddelen
of die van productveiligheid van toepassing (zoals geformuleerd in de Warenwet en verschillende EU-Verordeningen). Een levensmiddel wordt in de Warenwet gedefinieerd als: alle stoffen en producten,
verwerkt, gedeeltelijk verwerkt of onverwerkt, die bestemd zijn om door de mens te
worden geconsumeerd of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij door de
mens worden geconsumeerd. De NVWA houdt toezicht op naleving van de regelgeving voor
levensmiddelen. De strafmaat die gepaard gaat met een overtreding van de Warenwet
(via de Wet op de economische delicten) behelst een hechtenis van 6 maanden.
Ook is er Europese productveiligheidsregelgeving van toepassing op chemische stoffen
en mengsels. Wanneer de aangeboden middelen worden gezien als chemische stoffen of
mengsels en de mogelijkheid tot consumptie uitgesloten is, zijn de REACH en CLP-verordeningen
van toepassing (EG 1907/2006 en EG 1272/2008). Deze stellen onder andere eisen aan
de registratie, beoordeling, indeling, etikettering en verpakking. De NVWA is samen
met de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) verantwoordelijk voor het toezicht
op de naleving hiervan.
Ten slotte geldt dat in bepaalde gevallen strafrechtelijke vervolging mogelijk is
op grond van in het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgenomen delicten. In het bijzonder kan worden gewezen op de strafbare feiten
van het verkopen van voor het leven of de gezondheid schadelijke waren (artikelen
174 en 175 Sr). Ook de delicten dood door schuld (artikel 307 Sr) en lichamelijk letsel
door schuld (artikel 308 Sr) kunnen in voorkomende gevallen worden toegepast.
In de bijlage van deze brief is een tabel opgenomen met meer toelichting op de verschillende
relevante wetten en betrokken partijen rondom toezicht, handhaving en opsporingsinstanties.
3. Grensvlakproducten
Zoals beschreven is de wet- en regelgeving rondom (designer)drugs en (namaak)geneesmiddelen
formeel scherp afgebakend. De praktijk is echter weerbarstiger. Zo is het op voorhand
niet altijd duidelijk om welk middel (of middelen) het gaat en als dat wel duidelijk
is, kunnen verschillende wettelijke kaders van toepassing zijn. Dit noemen we dan
grensvlakproducten.
Hierdoor zijn er meerdere instanties betrokken bij het nalevingstoezicht en de opsporing.
Bij een melding van online illegaal aanbod zal er eerst een administratief onderzoek
nodig zijn om vast te stellen om wat voor middelen het gaat en onder de reikwijdte
van welke wetgeving de middelen vallen. Hier zijn dan verschillende instanties bij
betrokken, zoals de IGJ (Geneesmiddelenwet), politie (Opiumwet) en NVWA3 (Warenwet). In geval van een overtreding van één of meer van bovengenoemde wetten
stemt de betrokken instantie af met het OM of bestuursrechtelijk (NVWA dan wel IGJ),
dan wel strafrechtelijk moet worden ingegrepen. Of daadwerkelijk tot strafrechtelijke
vervolging wordt overgegaan, bepaalt het OM.
De betrokken instanties proberen het toezicht op de naleving en de opsporing zo goed
mogelijk uit te voeren. De aanpak wordt echter bemoeilijkt doordat verkopers van (designer)drugs
en (namaak)geneesmiddelen bewust verwarring lijken te zaaien over de gebruiksdoeleinden
van de producten door ze te presenteren als «research chemicals, die niet voor menselijke
consumptie bedoeld zijn». Door deze aanduiding wekken verkopers de indruk dat deze
middelen niet verkocht worden vanwege een werking als geneesmiddel of recreatieve
drug, terwijl er vermoedens en aanwijzingen zijn dat deze producten wel degelijk vanwege
die werking worden verkocht en gekocht. Zo wordt op de website vermeld dat het product
bedoeld is voor het doen van onderzoek, terwijl de producten bijvoorbeeld in pil-vorm
worden aangeboden en de te verwachten effecten worden beschreven. Ook zijn er producten
te vinden onder het kopje «benzodiazepinen» (slaap- en kalmeringsmiddelen).
Deze grensvlakproducten vallen niet onder de Opiumwet, waardoor ofwel de Geneesmiddelenwet,
ofwel de Warenwet van toepassing is. In de praktijk blijkt dat producten die naar
aandiening (zie bovengenoemde voorbeelden) als geneesmiddel zouden kunnen worden aangemerkt,
door de toezichthouder niet als zodanig worden gelabeld. Dat heeft te maken met het
ontbreken van evidentie dat het een geneesmiddel betreft, maar ook een gebrek aan
capaciteit en daardoor slagkracht bij de IGJ. Dit betekent dat toezichtsinstanties
moeten terugvallen op de Warenwet: het product wordt als «waar» gelabeld. De Warenwet
is echter bedoeld voor de veiligheid van consumentenproducten en levensmiddelen en
is daarom niet het geëigende instrument voor deze problematiek. Om deze malafide praktijken
te bestrijden is stevige sanctionering, bijvoorbeeld met zeer hoge boetes, noodzakelijk.
De Warenwet voorziet hier niet in.
4. Huidige inzet
De betrokken partijen NVWA, de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de NVWA (NVWA-IOD),
IGJ en politie beschikken al over verschillende instrumenten voor het terugdringen
van het illegale aanbod van (designer)drugs en (namaak)geneesmiddelen. We zien echter
in de praktijk dat deze nog niet effectief genoeg zijn, onder andere vanwege de snelheid
en flexibiliteit waarmee de illegale online markt beweegt en de juridische complexiteit
van de aanpak. Dit valt bijvoorbeeld te zien aan de hoeveelheid verschillende soorten
middelen op de markt. Dit grootschalige aanbod gecombineerd met de beperkte capaciteit
voor het toezicht, de opsporing en de handhaving, spelen bovendien een belangrijke
rol.
Hieronder wordt eerst de huidige inzet toegelicht.
– De Digitale dienstenverorderning (DSA) als kader voor aanpak online verkoop
Een belangrijk juridisch kader dat bijdraagt aan de aanpak van malafide websites,
is de Digital Services Act (DSA)4. Deze verordening legt verplichtingen op aan online tussenhandeldiensten, zoals hostingpartijen
en online platforms. Zij moeten optreden tegen illegale content, waaronder de verkoop
van illegale middelen zoals drugs en (namaak)geneesmiddelen, zodra zij hiervan kennis
krijgen. Deze platformen moeten mechanismen hebben om meldingen van illegale inhoud
van gebruikers mogelijk te maken en ze moeten deze meldingen zorgvuldig en tijdig
verwerken. Hierdoor wordt de zichtbaarheid van illegale verkopers kleiner en dat is
belangrijk voor de consumentenbescherming. Mensen kunnen geen middelen kopen als ze
die niet kunnen vinden.
De politie, IGJ en NVWA maken gebruik van de mogelijkheden onder de DSA. Wanneer sprake
is van online illegale inhoud of illegale activiteit kunnen zij een verwijderverzoek
indienen. Zowel de politie als de IGJ en de NVWA-IOD maken regelmatig gebruik van
deze mogelijkheid, wat leidt tot het offline halen van websites.5
– Opsporingsmogelijkheden om illegale online handel te detecteren
Er zijn diverse opsporingsmogelijkheden om illegale online handel door netwerken te
detecteren. Het zwaartepunt van de opsporingsinspanningen ligt op het identificeren
van de mensen achter de websites. Opsporingsdiensten, zoals de NVWA-IOD en de politie,
kunnen, met behulp van Open Source Intelligence (OSINT) onderzoeksmethoden, illegale
marktplaatsen en websites monitoren, verdachte patronen analyseren en de infrastructuur
in kaart brengen. De NVWA-IOD en de politie kunnen OSINT-onderzoeken doen op het openbare
internet; zij verzamelen en analyseren informatie die vrij beschikbaar is voor het
publiek. Daarnaast kunnen data-specialisten onderzoek doen op gegevensdragers, zoals
telefoons of computers die in beslag zijn genomen, en de gevonden gegevens analyseren.
Als er betalingen in virtuele valuta (zoals cryptovaluta) worden gedaan, kan de politie
ook financieel onderzoek doen naar de mogelijke criminele geldstromen die gepaard
gaan met onlinehandel. Opsporingsonderzoeken zijn onder gezag van het OM en het OM
besluit over vervolging.
– Monitoring van de drugsmarkt
De NPS-markt wordt in opdracht van het Ministerie VWS gemonitord door het Meldpunt
Nieuwe Drugs dat via aangesloten partners tweemaal per jaar informatie over NPS verzamelt
en analyseert. Het gaat daarbij om informatie vanuit de testservices van het Drugs
Informatie en Monitoring Systeem (DIMS), en laboratoriumdata over NPS van het Douanelaboratorium
en van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Deze informatie wordt gecombineerd
met data van de Monitor Drugsincidenten (MDI), het Nationaal Vergiftigingen Informatie
Centrum (NVIC) en data verkregen door het systematisch monitoren van de belangrijkste
Nederlandse drugsfora. De partners zijn ook vertegenwoordigd in het Coördinatiepunt
Assessment en Monitoring nieuwe drugs (CAM) en hebben daar periodiek overleg met elkaar.
Hierdoor krijgen de betrokken partijen inzicht in de ontwikkelingen en effecten van
de op de Nederlandse markt aanwezige NPS en dat is een goede indicatie van de ontwikkelingen
in het gebruik van NPS.
Als er sprake is van een middel op de Nederlandse markt dat bijzonder schadelijk is
voor de volksgezondheid, dan kan het Ministerie van VWS besluiten tot het geven van
een landelijke waarschuwing, een zogenaamde Red Alert. Daarmee worden media, hulpverleners
en de gebruikersdoelgroep via specifieke kanalen op de hoogte gebracht. Dit kan vervolgens
aanleiding vormen voor de uitvoering van een nationale risicobeoordeling van dit middel
door het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs (CAM). Op basis van
die risicobeoordeling kan een NPS worden toegevoegd aan één van de lijsten van de
Opiumwet. Een concreet voorbeeld is de Red Alert die in 2025 is gegeven naar aanleiding
van een sterfgeval na gebruik van een online gekocht nitazeen tablet die eruitzag
als oxycodon. Dit was aanleiding voor een risicobeoordeling door het CAM, waarna is
besloten de specifieke nitazeen isotonitazepyne toe te voegen aan lijst I en de stofgroep
nitazenen toe te voegen aan lijst IA van de Opiumwet. Deze regelgeving treedt begin
juli in werking.
Verder heeft het Drugs Agentschap van de Europese Unie (EUDA) de beschikking over
een early warning system voor risicovolle NPS-en. Dit Europese systeem ziet op informatie-
uitwisseling tussen de verschillende lidstaten over risicovolle nieuwe stoffen. Wanneer
sprake is van een gevaarlijke nieuwe stof wordt elke lidstaat via een netwerk van
professionele contacten binnen de lidstaat gewaarschuwd en kunnen maatregelen worden
genomen.
– Voorlichting
Voorlichting is een belangrijke component van de huidige inzet. Het kabinet heeft
veel aandacht voor voorlichting over de risico’s van het recreatief gebruik van drugs.
Deze voorlichting is gericht op specifieke doelgroepen. Zo is er bijvoorbeeld het
programma Helder op School, met name gericht op het voortgezet (speciaal) onderwijs
en mbo’s. Ook is er voorlichting voor ouders en maakt het Trimbos-instituut gebruik
van sociale media om jongeren te bereiken, zoals TikTok. Het Trimbos-instituut biedt
uitgebreide publieksinformatie op websites en door middel van informatielijnen.
Daarnaast is er afgelopen zomer een pilot-campagne gestart om jongeren te confronteren
met de negatieve gevolgen van drugsgebruik op de samenleving en de gezondheid. Deze
campagne bestond uit een VR-experience tijdens introductieweken van studenten. Ook
is een sociale mediacampagne gevoerd, gericht op jongeren van 18–29 jaar. Daarmee
zijn circa 3 miljoen jongeren bereikt. De campagne is geëvalueerd en krijgt dit jaar
een vervolg.
De IGJ en het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) vragen regelmatig aandacht
voor de gevaren van het gebruik van (namaak)geneesmiddelen en treden op tegen illegaal
online aanbod. Ze publiceren berichten en waarschuwingen op hun websites over illegaal
online aanbod van receptplichtige medicijnen. Daarnaast benadrukken ze risico's zoals
verontreiniging, verkeerde dosering of oplichting, en roepen op tot melden bij het
Landelijk Meldpunt Zorg.
5. Effectievere, integrale aanpak
Ondanks alle bovenstaande instrumenten die worden ingezet, blijft het online aanbod
van illegale (designer)drugs en (namaak)geneesmiddelen groot. Verkopers zoeken creatief
naar uitwegen, zoals het snel registreren van nieuwe domeinnamen die bijvoorbeeld
in het buitenland worden gehost en het gebruik van alternatieve betaalsystemen. Er
lijkt ook een verschuiving naar het aanbieden van deze producten in Telegramgroepen
te zijn. Daarom is een effectievere, integrale aanpak noodzakelijk om deze illegale
online handel tegen te gaan.
De eerste stap die al is gezet, is dat alle betrokken overheidspartijen intensief
overleg hebben om de knelpunten in kaart te brengen en de mogelijke oplossingsrichtingen
te verkennen. Er is een brede consensus dat alleen door een gezamenlijke inspanning
de illegale online handel kan worden teruggedrongen. Hieronder worden de eerste oplossingsrichtingen
toegelicht die momenteel verder worden onderzocht. Deze zijn te verdelen in vier actielijnen:
betere operationele samenwerking, zorgen voor de benodigde capaciteit, de aanpassing
van wet- en regelgeving, en voorlichting.
– Samenwerking
Om de illegale online handel aan te pakken is er een intensieve en structurele samenwerking
nodig tussen alle betrokken partijen. Zij moeten sneller kunnen acteren op de online
verkoop van (mogelijk) schadelijke middelen, ook wanneer nog niet exact bekend is
van wat voor middelen er sprake is. Een gezamenlijk intelligence beeld en gezamenlijke
prioritering is belangrijk, want dan kunnen de instanties gezamenlijk en proactief
optreden, in een logische, op elkaar aansluitende keten. Daarvoor is het essentieel
dat er tussen toezicht- en opsporingsinstanties heldere afspraken bestaan over rollen,
verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Een betere synergie in de keten en logisch
samenspel draagt ook bij aan een betere gezamenlijke voorbereiding op een complexe
en vaak snel veranderde praktijk, wat bij grensvlakproducten het geval is.
De verschillende partijen, IGJ, NVWA, politie en OM hebben ieder hun eigen expertises,
die op verschillende momenten nodig zijn. Als er bij inzet van opsporingsdiensten
of toezichthouders middelen worden aangetroffen, moet duidelijk zijn om wat voor middelen
het gaat, zodat vastgesteld kan worden welke wetgeving van toepassing is. Dat wordt
gedaan door middel van een analyse in een laboratorium. Daarna doet de IGJ een toetsing
om te bepalen om wat voor product het gaat. Deze beoordelingen zijn arbeidsintensief
en vereisen specifieke kennis. De opsporingsdiensten zoals de NVWA-IOD en de politie,
en de handhavende afdeling van de NVWA, zijn voor deze inhoudelijke beoordeling afhankelijk
van de expertise en capaciteit van de IGJ. De Inlichtingen- en Opsporingsdienst van
de NVWA en de politie hebben opsporingsbevoegdheden die nodig zijn om criminaliteit
op te sporen en aan te pakken. Het OM kan vervolgens besluiten de strafbare feiten
te vervolgen.
De huidige onderlinge samenwerking kent verschillende niveaus, zowel in de regie als
in de operationele uitvoering. Door de recente casuïstiek wordt steeds duidelijker
wat nodig is. Ondanks de gedeelde zorg en inzet van alle partijen, loont de som der
delen nu nog niet voldoende. Daarom voeren de betrokken organisaties, IGJ, NVWA, OM
en politie, overleg hoe zij hun samenwerking op deze problematiek zo effectief mogelijk
vorm kunnen geven.
Naast de intensivering van de nationale samenwerking is er ook aandacht voor internationale
samenwerking, aangezien dit probleem de landsgrenzen overstijgt. Ook andere landen
ervaren de negatieve effecten van de opkomst van nieuwe middelen en het online aanbod
daarvan. Websites worden wereldwijd gehost en de handel vindt grensoverschrijdend
plaats. Het kabinet steunt dan ook de prioritering van deze problematiek door de Europese
Commissie in de nieuwe EU-drugsstrategie en de operationele uitwerking in het bijbehorende
actieplan tegen drugshandel. Ook zullen de Ministeries van JenV en VWS gezamenlijk
inzetten op de uitwisseling van ervaringen op dit terrein in internationale gremia,
bijvoorbeeld in de EU-Raadswerkgroep drugs, bilaterale contacten of anderszins. In
2027 wordt de DSA geëvalueerd. Mogelijke handhavingsomissies of een tekort aan juridisch
instrumentarium op het gebied van impactvolle en effectieve handhaving in de DSA zouden
dan bijvoorbeeld door Nederland kunnen worden geagendeerd.
– Capaciteit
Het kabinet ondersteunt de stappen die nodig zijn om de intensievere samenwerking
vorm te geven, zodat toezichts- en opsporingsinstanties sneller en actiever kunnen
optreden. Dit speelt zich wel af tegen de achtergrond van andere grote uitdagingen
waar deze organisaties voor staan. Er wordt veel gevraagd van de toezicht- en opsporingsdiensten
in een tijd waarin ook een efficiencytaakstelling gerealiseerd moet worden. De zorgen
rondom deze illegale online handel zijn groot, en daarom moeten we extra goed kijken
hoe de beschikbare maar schaarse capaciteit het beste kan worden ingezet. Dat geldt
bijvoorbeeld voor de beperkte capaciteit voor het doen van productbeoordelingen en
handhaving van de IGJ. Voor de NVWA geldt dat we moeten bekijken hoe hun rol bij het
tegengaan van illegale online handel in (namaak)geneesmiddelen en (designer)drugs
past in alle andere taken die er liggen. Politie en OM zijn uitgezonderd van de efficiencytaakstelling,
maar ook daar zijn de uitdagingen groot.
Het maatschappelijk probleem waar we mee te maken hebben is echter zo groot dat alle
partijen gezamenlijk toch een stap naar voren willen zetten en bekijken hoe zij, binnen
de beperkte capaciteit die er is, een samenwerking kunnen neerzetten die echt bijdraagt
aan het verminderen van het aanbod en het voorkomen van slachtoffers door gebruik
van dit soort schadelijke middelen.
– Aanpassing wet- en regelgeving
Verder onderzoekt het kabinet of aanpassingen in bevoegdheden en/of wet- en regelgeving
nodig zijn om het handelingsperspectief te vergroten.
1. Zoals hierboven staat beschreven, werkt de regering aan regelgeving om een vierde
stofgroep, namelijk de nitazenen, toe te voegen aan lijst IA behorende bij de Opiumwet.
Het toevoegen van deze stofgroep is ook van belang voor de aanpak van de problematiek
van de namaakgeneesmiddelen. Zo is gebleken dat er een online aanbod is van nep-oxycodon
waar eigenlijk levensgevaarlijke nitazenen in zaten die nog niet verboden zijn. Het
verbod op de stofgroep nitazenen is vanaf begin juli van kracht.
2. Daarnaast heeft het kabinet het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs
(CAM) gevraagd te adviseren over hoe het aanbod van designer benzodiazepines (namaak
slaap- en kalmeringsmiddelen) het meest effectief kan worden tegengegaan. Dit kan
in de toekomst mogelijk aanleiding geven tot aanpassing van de Opiumwet. Het advies
van het CAM wordt voor het einde van dit jaar verwacht.
3. Het kabinet werkt aan een nieuwe Wet bestemming lichamen van overledenen (Wblo). Binnen
deze wet zijn er meer mogelijkheden voor toxicologisch onderzoek bij mogelijk niet-natuurlijk
overlijden. Dit draagt bij aan een beter beeld van het aantal overledenen waarbij
drugs of geneesmiddelen mogelijk een rol speelt. Ook kan er mogelijk meer en beter
juridisch bewijsmateriaal geleverd worden in strafzaken.
4. Eerder is geschetst dat het van de concrete middelen afhangt welke wetten van toepassing
zijn en welke organisaties daar een taak hebben. Die verschillende organisaties –
IGJ, NVWA-Inspectie, NVWA-IOD en politie – hebben ook verschillende bevoegdheden.
Het kan zorgen voor een achterstand als de partij die aan zet is, eigenlijk niet beschikt
over voldoende instrumentarium. Een concreet voorbeeld hiervan is dat het behulpzaam
kan zijn als inspecteurs van de IGJ onder verstrekking van onjuiste of onvolledige
gegevens met betrekking tot hun identiteit en hoedanigheid, geneesmiddelen kunnen
verkrijgen van online aanbieders.
Dat is nu nog niet mogelijk. Het kabinet onderzoekt of dergelijke aanpassingen behulpzaam
zijn. Ook de mogelijkheid om bij de IGJ een bijzondere opsporingsdienst in te richten
wordt onderzocht.
– Voorlichting
We moeten realistisch zijn: vraag naar en aanbod van dit soort middelen houden elkaar
in stand. Het aanbod zal blijven bestaan zolang er vraag naar is. Het offline halen
van websites is geen duurzame oplossing, aangezien er eenvoudig weer nieuwe websites
opnieuw (kunnen) worden gelanceerd. Zo lang het financieel interessant blijft om (designer)drugs
en (namaak)geneesmiddelen te verkopen, zullen er mensen zijn die dat doen. Het is
daarom absoluut noodzakelijk om ook de vraagkant van dit probleem serieus te nemen.
Daarom wil het kabinet nog meer dan het al doet aandacht besteden aan voorlichting.
Dat betekent betere en gerichte publieksvoorlichting om bewustwording te vergroten
en risicogedrag te verminderen, zowel gericht op (huidige en potentiële) gebruikers
van deze middelen, als op zorgverleners.
Daarvoor is het nodig om nog scherper dan nu in beeld te krijgen waarom mensen dit
soort middelen bestellen en wat de verschillende kenmerken van de doelgroepen zijn.
Alleen dan kan de voorlichting beter worden toegespitst op die doelgroepen. We zien
al wel dat naast de groep die online drugs koopt voor recreatief gebruik, bijvoorbeeld
als partydrug, er ook een groep is die gebruik maakt van het online aanbod van kalmerende
of pijnstillende middelen. Deze doelgroep heeft andere gebruiksmotieven dan de groep
die drugs gebruikt «voor plezier». Het is belangrijk om ook de tweede groep goed te
informeren over de risico’s van het gebruik van deze middelen, en zoveel mogelijk
te voorkomen dat zij zich tot het illegale circuit wenden.
Zorgverleners kunnen hierbij een belangrijke rol spelen, door goed te luisteren en
door te vragen bij hun patiënten als ze vermoeden dat iemand dit soort middelen gebruikt
of mogelijk zou kunnen gaan gebruiken. Dit vraagt ook om bewustwording onder zorgverleners.
Hier gaat het kabinet in de voorlichting rekening mee houden.
Het kabinet heeft daarom het Trimbos-instituut verzocht onderzoek te doen naar de
groepen die dit soort middelen kopen en wat hun motieven daarvoor zijn. Deze kennis
vergroot de effectiviteit van de voorlichting en preventieactiviteiten. De eerste
resultaten van dit onderzoek worden eind dit jaar verwacht, waarna de voorlichting
en preventieactiviteiten kunnen worden aangescherpt.
Tot slot
Het kabinet benadrukt dat er, zoals hierboven aangegeven, al veel mogelijkheden zijn
om de problematiek van illegale online handel in (designer)drugs en (namaak)geneesmiddelen
aan te pakken. Daar zetten de betrokken instanties al actief op in. Tegelijkertijd
is er geen sprake van een snelle of eenvoudige oplossing. De aard en omvang van het
probleem vragen om een structurele en integrale aanpak. Daarom is het noodzakelijk
om met alle partijen in te zetten op effectieve aanvullende maatregelen.
Deze integrale aanpak bestaat uit bovenstaande vier actielijnen, in nauwe samenwerking
met betrokken partijen. Over de voortgang van deze actielijnen wordt de Kamer eind
dit jaar geïnformeerd. Daarnaast blijft het kabinet herhalen: bestel deze middelen
niet online. Ze kunnen levensgevaarlijk zijn.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
S.T.M. Hermans
De Minister van Justitie en Veiligheid,
D.M. van Weel
BIJLAGE 1
In onderstaande tabel staat het wettelijke kader dat bij de online illegale handel
in (designer)drugs en (namaak)geneesmiddelen van toepassing is6. Hierin wordt ook per wet vermeld welke partijen verantwoordelijk zijn voor toezicht,
handhaving en opsporing. Dat gaat om de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ),
de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA), de Divisie Inlichting- en Opsporingsdienst
van de NVWA (NVWA-IOD) en de Politie.
Wetgeving
Kernbepalingen
Toezicht en handhaving
Opsporing
Geneesmiddelenwet
In de Geneesmiddelenwet staat welke stoffen en producten onder een geneesmiddel worden
verstaan, en ook de eisen aan vergunningen voor fabricage en distributie, de indeling
van geneesmiddelen, eisen aan voorschijfgedrag, etikettering en reclame.
IGJ
NVWA
IGJ
NVWA-IOD
Opiumwet
In de Opiumwet zijn middelen aangewezen die het bewustzijn beïnvloeden en die kunnen
leiden tot gezondheidsschade en maatschappelijke schade. Verschillende handelingen
met deze middelen zijn verboden, waaronder: bezit, bereiding of productie en verkoop.
Overtreding hiervan is strafbaar gesteld. Daarnaast geldt een verbod voor bepaalde
handelingen met substanties die deel uitmaken van een bepaalde stofgroep en de preparaten
daarvan.
IGJ
Politie
Warenwet
De Warenwet stelt regels in het belang van de volksgezondheid, van de veiligheid,
van de eerlijkheid in de handel of van goede voorlichting. De Warenwet is van toepassing
op roerende zaken, waaronder levensmiddelen.
NVWA
NVWA-IOD
REACH en CLP Verordening
Europese verordeningen op het gebied van chemische stoffen en mengsels, die onder
meer eisen stellen aan etikettering, verpakking, registratie en het gebruik van bepaalde
stoffen. Deze verordeningen zijn in Nederland van kracht via de Wet milieubeheer en
de Warenwet.
NVWA
NVWA-IOD
Wetboek van Strafrecht
Art. 174 van het Wetboek van Strafrecht lid 1 en 2 (Opzettelijke verkoop schadelijke
waren), artikel 175 lid 1 en2 (Culpose verkoop schadelijke waren), artikel 307 (Dood
door schuld) en artikel 308 (Zwaar lichamelijk letsel door schuld).
Niet van toepassing
Politie
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid