Brief regering : Voortgang Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
29 538 Zorg en maatschappelijke ondersteuning
Nr. 378
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 2 juli 2026
Het kabinet werkt aan een samenleving waar iedereen mee kan doen vanuit eigen kracht
en verantwoordelijkheid. Waarin inwoners zo lang mogelijk in hun eigen omgeving kunnen
wonen en naar elkaar omkijken in zorgzame gemeenschappen. Het is een belangrijke opgave
om dat mogelijk te maken én houden en daarmee voldoende beschikbare ondersteuning
te bieden voor iedereen die dat nodig heeft.
De Wmo 2015 is een decentrale wet waarbij gemeenten verantwoordelijk zijn voor een
breed spectrum aan collectieve en individuele voorzieningen, gericht op het mogelijk
maken van maatschappelijke participatie en wegnemen van belemmeringen daarvoor. Daarom
werken Rijk en gemeenten onder andere aan het versterken van de sociale basis, zorgzame
buurten, het verbeteren van samenwerking en vereenvoudigen van toegang, maatschappelijke
zorg en aan de randvoorwaarden die nodig zijn voor een goed werkend Wmo-stelsel. In
deze brief informeer ik uw Kamer over de huidige voortgang op deze onderdelen en de
uitvoering van verschillende moties en toezeggingen. Dit betreft lopende initiatieven,
moties en toezeggingen, mede op basis van de inzet van mijn ambtsvoorgangers. Het
overzicht van de verschillende moties en toezeggingen vindt u in de bijlage.
We staan voor een grote opgave: door de dubbele vergrijzing en ontgroening neemt de
vraag naar maatschappelijke ondersteuning toe terwijl het beschikbare personeel steeds
schaarser wordt. Zoals ook te lezen valt in de eindrapportage van het Houdbaarheidsonderzoek
Wmo 2015, vraagt de huidige situatie ook tot scherpe keuzes in de nabije toekomst.
Het Rijk als stelselverantwoordelijke en gemeenten als meest nabije overheid voor
inwoners hebben een belangrijke rol om de maatschappelijke ondersteuning, laagdrempelig,
toegankelijk, maar ook houdbaar en organiseerbaar te houden voor iedereen die dat
nodig heeft.
Het coalitieakkoord geeft hier met maatregelen ten aanzien van de Wmo 2015 al een
eerste invulling aan. Over de invulling van deze maatregelen ben ik in gesprek met
gemeenten. Ook het vervolggesprek naar aanleiding van de eindrapportage van het Houdbaarheidsonderzoek
Wmo 2015 is gestart. Met deze brief informeer ik uw Kamer over mijn eerste schets
voor de toekomst van de Wmo 2015. Op basis van het Houdbaarheidsonderzoek en de ervaring(en)
van de afgelopen tien jaar, zie ik in ieder geval voor de lange termijn de volgende
bouwstenen om de Wmo 2015 en de werking van deze wet in de praktijk te versterken.
Uiteraard doe ik dit in goed contact en overleg met gemeenten en de partners in het
werkveld.
Bouwstenen voor een houdbare Wmo 2015
Sterke sociale basis en collectief aanbod van ondersteuning: Veel problemen die mensen ervaren zijn duurzamer op te lossen, of zelfs te voorkomen,
in de directe omgeving van mensen zelf. Want niet alles is op te lossen met (extra)
individuele voorzieningen. Daarom wordt in alle domeinen, zowel in zorg als sociaal,
ingezet op een sterke beweging naar de voorkant. In de Wmo 2015 wil ik onder andere
verder werken aan de verankering van de sociale basisinfrastructuur, een beweging
die al is ingezet vanuit het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord.
Het Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 laat zien dat de mate waarin gemeenten de sociale
basis stimuleren ook zeer afhankelijk is van de druk die individuele gemeenten ervaren
op het maatwerkvoorzieningenniveau. Daarom wil ik, in lijn met de aanbevelingen uit
het Houdbaarheidsonderzoek, de mogelijkheden voor een beter passende manier van financieren
verder onderzoeken om daarmee de inrichting van de sociale basis te stimuleren en
daarmee de beweging naar de voorkant verder te versterken. De maatregelen ten aanzien
van maatwerkvoorzieningen en het versterken van het voorzieningenkarakter moeten hier
ook een bijdrage aan leveren.
Sterke en goed uitgeruste lokale teams (met harmonisering binnen sociaal domein): Lokale teams vervullen een belangrijke functie in de Wmo 2015: bij lokale teams kunnen
mensen samenhangend advies inwinnen of ondersteuning krijgen. De precieze aanpak van
lokale teams kan echter verschillen per gemeente, wat kan leiden tot onduidelijkheid
bij inwoners. Rijk en gemeenten spannen zich daarom in om lokale teams een meer samenhangende
opdracht te geven, inclusief een bijpassend instrumentarium, hulpmiddelen en handelingsperspectief
voor deze teams om hun werk te kunnen uitvoeren. Hiervoor wordt ook wet- en regelgeving
ingezet en werken we aan een convenant dat eind 2026 vastgesteld kan worden. Dit betekent
wat mij betreft géén volledige harmonisatie binnen de decentrale wetten in het sociaal
domein (Wmo 2015, Participatiewet en Jeugdwet), maar wel een betere samenhang, het
wegnemen van eventuele tegenstrijdigheden en drempels waardoor professionals in staat
worden gesteld om inwoners beter te helpen als zij meerdere problemen in het leven
tegenkomen die meerdere levensdomeinen raken. We blijven hierbij rekening houden met
het decentrale stelsel zoals dat is vormgegeven met ruimte voor de lokale context,
omstandigheden en voorkeuren.
Toegang tot maatwerk met functionelecriteria, flexibiliteit en het versterken van
het voorzieningenkarakter van de Wmo 2015: Wie tijdelijk ondersteuning nodig heeft, komt in aanmerking voor tijdelijk maatwerk
met daarbij aandacht voor het aanleren van vaardigheden om weer zelfstandig te worden
(reablement). Wie duurzaam aangewezen is op ondersteuning krijgt structureel maatwerk:
zonder regelmatige herindicatie, met ruimte om intensiteit op en af te schalen. De
beschikkingsduur past bij wat mensen nodig hebben en is langdurig waar nodig.
Ook is er mogelijkheid voor waakvlamondersteuning, waarbij zorg en ondersteuning snel
kan worden geactiveerd als dat nodig is. Tegelijkertijd moeten overheden op sommige
onderdelen meer normerend kunnen zijn in wat verwacht wordt van mensen zelf. Dit schept
namelijk duidelijkheid aan de voorkant, voor de inwoner, partners in veld en de overheden
zelf. Bovendien is dit nodig omdat schaarste in capaciteit, uitvoeringskracht en op
de arbeidsmarkt blijft groeien. Samen met gemeenten wil ik dit verder uitwerken en
concreet maken in de uitvoering en waar nodig ook in wet- en regelgeving.
Het belang van de regio en het bundelen van krachten: «De regio» wordt een steeds belangrijkere schaal om jeugdhulp en ondersteuning te
organiseren. Niet alleen vanwege schaalbaarheid en schaarste van voorzieningen en/of
expertise. Maar ook omdat de regio passender is om de samenwerking met andere domeinen
vorm te geven (bijvoorbeeld in het kader van de zorgakkoorden). Ook in de Wmo 2015
zijn er regionale samenwerkingsverbanden ontstaan in de afgelopen tien jaar. Zeker
ten aanzien van voorzieningen zoals Maatschappelijke Opvang/Beschermd Wonen en Geweld
in afhankelijkheidsrelaties-gerelateerde voorzieningen is «de regio» belangrijk. Echter
«de regio» is geen eenduidig begrip. Zo bestaan er verschillende regio’s die elk op
hun eigen manier worden aangestuurd. Dit vraagt om aandacht en mogelijk ook een verduidelijking
in de verantwoordelijkheden.
Deze ontwikkeling komt met de nodige vraagstukken ten aanzien van regionale slagkracht
en democratische legitimiteit. Dit is een breed vraagstuk dat niet alleen speelt binnen
de jeugdzorg en maatschappelijke ondersteuning. De Minister van BZK heeft daarom toegezegd
eind 2026 met een Rijksbrede visie op de regio en regionale samenwerking te komen.
Ik draag bij aan de totstandkoming van deze visie.
Randvoorwaarden voor een werkend stelsel: Mensen in een kwetsbare positie moeten ook in de toekomst toegang hebben tot gemeentelijke
ondersteuning vanuit de Wmo 2015. Om deze toegang te garanderen is een grotere nadruk
op het voorzieningenkarakter en een solidaire verdeling van schaarste van belang.
Een inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage is hier één van de randvoorwaarden
voor. Een andere randvoorwaarde is het organiseren van een toekomstbestendige uitvoeringspraktijk.
Daarvoor is steun vanuit wettelijke kaders soms ook nodig. Ik wil mij – samen met
gemeenten – tot doel stellen om de contouren van eventuele wet- en regelgeving die
nodig is voor bovenstaande bouwstenen uiterlijk aan het einde van deze kabinetsperiode
gereed te hebben. De komende periode ga ik uitgebreid met gemeenten en de VNG in gesprek
om deze kaders nader vorm te geven. Uiteraard met oog voor een goede uitvoerbaarheid
voor gemeenten en andere (uitvoerende) partijen.
Tot slot
Om ondersteuning toegankelijk te houden voor iedereen die dat nodig heeft, is het
organiseren van een toekomstbestendige Wmo 2015 van onverminderd, groot, belang. Ik
ga daarom de komende periode samen met de gemeenten en veldpartijen aan de slag met
het uitwerken van bovenstaande bouwstenen.
Dit doe ik in verschillende trajecten, met verschillende snelheden beginnend bij de
randvoorwaarden voor een werkend stelsel. Voor het einde van dit jaar zal ik de voortgang
hiervan delen met uw Kamer.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
1. Sterke sociale basis en zorgzame buurten
1.1 Welzijnswerk en zorgzame buurten
Door gemeenten, maatschappelijke partners en inwoners wordt gewerkt aan een stevige
sociale basis. Om de beweging van zorg naar gezondheid en welzijn te ondersteunen
is een basisinfrastructuur in wijken en buurten nog crucialer geworden. Het versterken
van basisvoorzieningen is daarom onderdeel van afspraak D6 van het Aanvullend Zorg-
en Welzijnsakkoord. Daarin is afgesproken dat er basisvoorzieningen in wijken en buurten
op het gebied van gezondheid, ondersteuning, welzijn en zorg beschikbaar zijn. Voor
het onderdeel inloopvoorzieningen sociaal en gezond (inclusief de daaraan verbonden
inzet van professionals, ondersteuning van burgerinitiatieven en netwerksamenwerking)
wordt door VNG, SWN, GGD-GHOR NL en VWS gewerkt aan een handreiking hierover. Naar
verwachting wordt de handreiking voor de zomer opgeleverd. De beweging waaraan deze
handreiking bijdraagt is de beweging naar meer vertrouwen op de lokale kracht. Centraal
staan de draagkracht, draaglast en de zelf- en samenredzaamheid van dorpen, wijken
of buurten. In de handreiking wordt uitgewerkt dat gemeenten en maatschappelijke partners,
waaronder sociaal werk, als gelijkwaardige partners bijdragen aan deze beweging.
Ook verstrekt het Ministerie van VWS een projectsubsidie aan Sociaal Werk Nederland
(SWN) met als doel om het sociaal werk te versterken. Eén van de pijlers hiervan is
het ontwikkelen van een minor opbouwwerk. Opbouwwerkers zijn professionals die de
leefbaarheid in wijken en buurten kunnen helpen verbeteren. Zij kunnen bijdragen aan
het vergroten van de sociale cohesie binnen buurten. Hiermee is erkend dat beroepskrachten
in het sociaal werk, de publieke gezondheid en de zorg nodig zijn om de beweging naar
zorgzame buurten te stutten en te steunen. Daarmee geef ik uitvoering aan de motie
van het lid Van Brenk, waarin wordt opgeroepen om te erkennen dat welzijnswerk van
onschatbare waarde is om zorgzame buurten tot stand te brengen (Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 153). En stel voor de motie als afgedaan te beschouwen.
1.2 Aanpak Eén tegen eenzaamheid
In 2026 wordt verder gebouwd aan de aanpak Eén tegen eenzaamheid. Het kabinet wil
een samenhangende aanpak van sociale problematiek om de beweging van zorg naar gezondheid
en welzijn te versterken met zorgzame buurten en wijken en gemeenschapsvorming. Een
samenleving waarin het voorkomen van ziekte en eenzaamheid voorop staat. Daarom zetten
we verder in op drie doelstellingen: meer Nederlanders die naar elkaar omzien en in
actie komen als zij zichzelf eenzaam voelen of eenzaamheid bij een ander herkennen;
een duurzame brede maatschappelijke beweging in alle sectoren; en betere toepassing
van kennis over eenzaamheid in beleid en praktijk.
In september zal de publiekscampagne met de boodschap «Een klein gebaar kan het verschil
maken» zichtbaar zijn op tv, radio en sociale media. Ook is extra aandacht tijdens
de jaarlijkse Week tegen Eenzaamheid (24 tot en met 30 september 2026) voor het meer
bespreekbaar maken van eenzaamheid en het faciliteren van (betekenisvol) contact.
De actieweek start met een netwerkconferentie op 23 september voor iedereen die in
beleid of praktijk met eenzaamheid te maken heeft.
De Nationale Coalitie tegen Eenzaamheid ontwikkelt zich dit jaar verder tot een nog
sterker netwerk van landelijke bedrijven, maatschappelijk initiatieven en andere landelijke
organisaties. Er wordt in vier werkgroepen van de Nationale Coalitie partners samengewerkt
aan praktische resultaten voor werkgeverschap, sociale gezondheid, het bereiken van
de doelgroep en communicatie, conform het advies van de Wetenschappelijke Adviescommissie1.
In regionale lerende netwerken wordt door gemeenten en hun lokale partners, uitgewisseld
over de integrale aanpak van eenzaamheid en thema’s als het bereiken van sterk vereenzaamde
inwoners of gerichte aanpakken voor specifieke doelgroepen. Movisie biedt gemeenten
dit jaar ter ondersteuning verschillende masterclasses, kennisclips en er is een Wegwijzer2 gelanceerd voor beleidsmedewerkers die nieuw zijn op het thema. De online masterclasses
worden goed gewaardeerd met rond de honderd deelnemers per keer, de wegwijzer is ruim
duizend keer bezocht. Daarnaast biedt Movisie leer-en begeleidingstrajecten voor eenzaamheidsaanpakken,
gericht op kwaliteitsverbetering en eventuele opname in de databank Erkende Sociale
Interventies.
1.3 Voortgang regeldruk bij vrijwilligersorganisaties en filantropische instellingen
Op 28 november 2024 hebben mijn ambtsvoorganger, de voormalige Staatssecretaris van
Langdurige en Maatschappelijke Zorg en de ambtsvoorganger van de Staatssecretaris
van Justitie en Veiligheid, de voormalige Staatssecretaris Rechtsbescherming een aanpak
naar de Tweede Kamer verzonden met als doel om de regeldruk bij vrijwilligersorganisaties
en filantropische instellingen te verminderen.3 Daarnaast is er met dezelfde ambtsvoorganger afgesproken dat de sportverenigingen
aansluiten bij deze aanpak. Via deze brief informeer ik uw Kamer over de voortgang
van deze aanpak. Hiermee doe ik de toezegging om te komen met een voortgangsbrief
af.4
In de aanpak is toegezegd de tien wettelijke verplichtingen die de meeste regeldruk
veroorzaken te verminderen. In dat kader heeft Andersson Elffers Felix (AEF) in opdracht
van het Ministerie van VWS een brede samenwerkingsstructuur opgezet gericht op het
uitwerken van oplossingsrichtingen per wettelijke verplichting met als doel de regeldruk
te verminderen. Hiermee wordt invulling gegeven aan de toezegging om een samenwerkingsstructuur
uit te werken voor het onderzoeken van de tien wettelijke verplichtingen die de meeste
regeldruk veroorzaken en deze in de tweede helft van 2026 gereed te hebben. Hierbij
worden er geen wettelijke verplichtingen geschrapt, maar binnen de wettelijke kaders
onderzocht hoe de regeldruk van deze wettelijke verplichtingen verminderd kunnen worden.
AEF heeft voor iedere verplichting een online werksessie georganiseerd, waaraan onder
meer vrijwilligers, beleidsmedewerkers van gemeenten en de Rijksoverheid, bestuurders
van vrijwilligersorganisaties en fondsen hebben deelgenomen. Op basis van deze sessies
werd onder andere duidelijk dat de ervaren regeldruk vaak ontstaat door stapeling
van wettelijke verplichtingen, niet iedere verplichting even zwaar bijdraagt aan ervaren
regeldruk en dat er al veel regeldruktrajecten lopen. Er wordt momenteel op basis
van onder andere deze bevindingen een plan van aanpak uitgewerkt. Het plan van aanpak
zal in het tweede kwartaal van 2027 gereed zijn. In deze tien wettelijke verplichtingen
is de AVG opgenomen. Hiermee wordt de motie van het lid Inge van Dijk (CDA), waar
onder andere in staat dat de AVG opgenomen dient te worden in de aanpak, ter hand
genomen.5
Het organiseren van (route) evenementen in de buitenruimte staat onder druk door toenemende
regeldruk. In de Kamerbrief van 18 juni 2025 (Kamerstuk 30 234, nr. 408) is uw Kamer geïnformeerd dat NOC*NSF en de Vereniging Sport en Gemeenten (VSG) werken
aan een handelingskader met als doel om regeldruk te verminderen. Daarnaast werkt
NOC*NSF samen met sportbonden aan een platform waar kennis, voorbeelden en samenwerkingsafspraken
omtrent buitensport worden gebundeld. Dit platform wordt deze zomer gelanceerd. Op
dit platform komt ook een vergunningentool die organisatoren kan helpen met welke
vergunningsaanvragen nodig zijn en hoe deze zijn aan te vragen aanvragen. Dit zijn
de eerste concrete voorstellen om regeldruk te verminderen waarmee ik de motie van
de leden Inge van Dijk (CDA), Mohandis (PRO) en Van Nispen (SP) afdoe.6
Daarnaast ontvangt Vereniging VrijwilligerswerkNL een subsidie vanuit het Ministerie
van VWS om gericht vrijwilligersorganisaties te ondersteunen. Er is met deze subsidie
een adviseur aangesteld die leercirkels opricht voor gemeenten om lokale wet- en regelgeving
te vereenvoudigen. Daarnaast wordt er momenteel een netwerk bij vrijwilligerscentrales,
gemeenten, vrijwilligersorganisaties en adviesorganisaties opgericht die pro bono
lokaal organisaties ondersteunen bij wet- en regelgeving. Dit netwerk wordt momenteel
in provincie Overijssel opgericht. Hiermee wordt opvolging gegeven aan de toezegging
om adviseurs voor regeldruk in te zetten ter ondersteuning bij vraagstukken rondom
wettelijke verplichtingen.
Tevens ontvangt Erasmus Universiteit Rotterdam een subsidie vanuit het Ministerie
van VWS om een kosteloos trainingsprogramma te ontwikkelen en te starten. Dit kosteloze
trainingsprogramma richt zich op de professionalisering van de beroepsgroep managers
en coördinatoren van het vrijwilligerswerk. Deze professionalisering kan bijdragen
aan een toename van kennis en ondersteuning bij wettelijke verplichtingen.
Tot slot komt elk kwartaal een klankbordgroep bijeen om de voortgang van de aanpak
te monitoren en waar nodig bij te sturen. VNG is onderdeel van deze klankbordgroep.
Daarnaast blijf ik via periodieke overleggen met de vier grote gemeenten in gesprek,
met als doel de lokale regelgeving verder te vereenvoudigen. Hiermee is invulling
gegeven aan de toezegging om met de VNG en individuele gemeenten over dit onderwerp
in gesprek te blijven. Tevens geven de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
en ik hiermee invulling aan de toezegging om te bezien op welke wijze de voortgang
van de uit deze aanpak voortvloeiende maatregelen kan worden gemonitord.
1.4 Mantelzorg
Bij de Regeling van Werkzaamheden van 27 mei 2026 heeft lid Vliegenthart (PRO)7 het kabinet verzocht te reageren op de nieuwe cijfers van het SCP over het stijgende
aantal mantelzorgers en de toenemende overbelasting. In het rapport «Mantelzorg in
beweging»8 laat het SCP zien hoe kerncijfers en trends rond mantelzorg zich ontwikkelen over
de periode 2014 tot 2024. De inzichten over onder meer het aantal mantelzorgers, het
soort hulp dat zij aan hun naaste bieden en de ervaren belasting hierbij, vormen,
samen met het SER-advies Mantelzorg en werk, een belangrijke basis voor het brede
mantelzorgplan waar het kabinet aan werkt (motie Struijs c.s.9). Ik verwacht de Kamer na het zomerreces over het brede mantelzorgplan te kunnen
informeren.
2. Samenwerking en toegang
2.1 Cliëntondersteuning
Aanleiding
Al geruime tijd wordt op verschillende manieren gewerkt aan het verbeteren van de
uitvoeringspraktijk van onafhankelijke cliëntondersteuning (OCO). Dit betreft zowel
de cliëntondersteuning vanuit de Wmo als vanuit de Wlz. Reden hiervoor is dat zowel
de client als de professional al langere tijd knelpunten ervaren. Het gaat dan bijvoorbeeld
om de bekendheid en herkenbaarheid van cliëntondersteuning die achterblijft, de inzet
van de OCO bij de overgang van de Wmo2015/Jeugdwet (en Zvw) naar de Wlz en verschillen
in kwaliteit en (ervaren) onafhankelijkheid van de cliëntondersteuner. Ondanks de
inspanningen van diverse betrokken partijen, blijken deze knelpunten hardnekkig. Om
deze reden heeft een van mijn voorgangers in de vorige Wmo-brief10 aangekondigd de mogelijkheid van landelijke (kwaliteits-)eisen te gaan verkennen
en is later de maatregel «verkennen van domeinoverstijgende cliëntondersteuning» in
de Werkagenda VN-verdrag Handicap11 opgenomen. In dat kader zijn in het afgelopen jaar twee onderzoeken naar onafhankelijke
cliëntondersteuning (OCO) uitgevoerd: Verkenning domeinoverstijgende cliëntondersteuning
en Maatschappelijke Kosten- en Batenanalyse cliëntondersteuning (MKBA). Deze onderzoeken
stuur ik de Kamer met deze brief toe. Naast deze onderzoeken heeft er ook een evaluatie
van de Gespecialiseerde Cliëntondersteuning (GCO) plaatsgevonden12 en heeft Toezicht Sociaal Domein het afgelopen jaar onderzocht of het huidige aanbod
van Wmo-cliëntondersteuning zich richt op alle leefgebieden van inwoners, zoals in
de Wmo2015 omschreven.
Verkenning domeinoverstijgende cliëntondersteuning
Het doel van deze verkenning was om te onderzoeken welke varianten er mogelijk zijn
voor de toekomstige organisatie van cliëntondersteuning die bijdragen aan vermindering
van de huidige knelpunten en een domeinoverstijgende/integrale blik ondersteunen.
Bij de totstandkoming van deze opdracht en gedurende het onderzoek zijn verschillende
relevante stakeholders betrokken geweest. VNG en ZN maakten onderdeel uit van de begeleidingscommissie.
Het onderzoek bevat drie onderdelen:
1. Een analyse van de ervaren knelpunten met betrekking tot OCO
Naast de hierboven genoemde knelpunten, zijn ook verschillende andere knelpunten onderzocht.
Een belangrijk knelpunt is de constatering dat er geen eenduidig beeld is van wat
OCO nu «in de kern» is en moet doen. Dit knelpunt heeft mogelijk ook invloed op andere
genoemde knelpunten en de beoordeling van die punten. De betrokken partijen kijken
namelijk, afhankelijk van hun positie en rol, anders naar de onderzochte knelpunten.
2. De inhoudelijke invulling van OCO
In dit onderdeel is gekeken naar welke taken passend zijn bij de rol van de cliëntondersteuner
vanuit de doelstelling in de huidige wettelijke kaders (Wmo2015 en Wlz) en hoe deze
taken zich verhouden tot taken van andere professionals. Vanuit de wetten zijn, bij
de decentralisaties in 2015, de taken voor cliëntondersteuners beperkt vastgelegd.
In het onderzoek wordt aanbevolen om deze taken expliciet vast te leggen. Hierbij
is echter wel een spanning tussen enerzijds het scheppen van landelijk heldere kaders
en anderzijds de beleidsruimte van gemeenten en in minder mate zorgkantoren.
3. Een verkenning naar de toekomstige positionering van OCO
Er zijn vier varianten uitgewerkt voor de toekomstige invulling van cliëntondersteuning.
Er is gekeken naar twee varianten die een beperkte stelselwijziging vragen en waar
aanvullende maatregelen binnen het huidige stelsel kunnen bijdragen aan verminderen
van de knelpunten en verbetering van meer domeinoverstijgend kunnen werken. Daarnaast
zijn er twee varianten uitgewerkt waarbij de Wmo-OCO, Wlz-OCO en GCO in één (wettelijk)
kader zijn gevoegd, waarbij de inkoop in de ene variant landelijk geregeld wordt en
in de andere variant via gemeenten.
Alle varianten kennen verschillende voor- en nadelen en worden door de stakeholders
verschillend gewaardeerd, waardoor er op basis van het onderzoek geen variant duidelijk
boven de andere varianten uitsteekt.
De onderzoekers adviseren in opvolging van dit rapport te starten met het expliciteren
van de verschillende inhoudelijke visies op cliëntondersteuning en vanuit daar te
komen tot een gezamenlijk beeld wat betreft de definitieve scenariokeuze.
Maatschappelijke kosten- en batenanalyse
Er is onderzoek gedaan naar de kosten en de baten (zowel kwantitatief als kwalitatief)
van OCO vanuit de Wmo 2015 en de Wlz. Het rapport laat zien dat de functie van cliëntondersteuner
een belangrijke maatschappelijke meerwaarde heeft en naar verwachting een macro kostendekkende
investering is. OCO vervult een cruciale brugfunctie tussen inwoner en systeem. Zo
draagt OCO onder meer bij aan meer regie door cliënten, aan passende ondersteuning,
ontlasting van mantelzorgers en het voorkomen van escalatie van problemen. De meerwaarde
is het grootst voor mensen met complexe of vastgelopen ondersteuningsvragen, maar
ook bij enkelvoudige vragen vervult OCO een belangrijke preventieve functie. Daarnaast
blijkt dat voldoende uitvoeringsruimte en professionele onafhankelijkheid van cliëntondersteuners
samenhangen met grotere maatschappelijke effecten. Het onderzoek wijst tevens op het
belang van een
heldere positionering en grotere bekendheid van OCO. De onderzoekers doen aanbevelingen
om de effectiviteit, onafhankelijkheid en zichtbaarheid van OCO verder te versterken.
Deze inzichten bieden de mogelijkheid om in de toekomst de baten van de huidige organisatie
van OCO te behouden en verder te versterken.
Evaluatie GCO
Uit evaluatie blijkt de GCO van duidelijke meerwaarde voor zowel cliënten en naasten
die GCO ontvangen als voor de cliëntondersteuners die GCO bieden. Daarnaast is een
inschatting gemaakt van de toekomstige omvang van GCO en de bijbehorende kosten hiervan.
Vanwege de meerwaarde van GCO is het van belang om deze voor de toekomst te behouden,
zodat het mogelijk blijft om daar waar de situatie erom vraagt deze extra ondersteuning
te kunnen bieden. Vanuit schaarste in middelen en personeel is het echter niet haalbaar
om de voorwaarden van GCO de norm te maken voor alle vormen van cliëntondersteuning
in ons land, zonder afbakening. Om die reden is mijn streven om OCO te behouden als
brede basisvoorziening die beschikbaar is voor iedereen en samen met het veld te komen
tot een uitwerking van de voorwaarden waaronder extra ondersteuning (qua expertise
of uren), zoals de GCO, kan worden ingezet.
Gespecialiseerde cliëntondersteuning (GCO) wordt ingezet in geval van ernstige beperkingen
en langdurige, complexe problematiek, die zich voordoet op meerdere levensdomeinen.
GCO is er voor vijf specifieke doelgroepen. Alliantiepartij Metgezel voert GCO uit
middels een subsidie vanuit VWS.
Rapport Toezicht Sociaal Domein naar cliëntondersteuning
In februari jl. heeft Toezicht Sociaal Domein (TSD) een rapport gepubliceerd naar
de beschikbaarheid van levensbrede cliëntondersteuning vanuit de Wmo 2015 in de praktijk.
TSD concludeert dat cliëntondersteuning in de praktijk onvoldoende voldoet aan de
manier waarop dit bedoeld is in de Wmo op het gebied van toegankelijkheid voor inwoners,
onafhankelijkheid van de cliëntondersteuner en integrale en levensbrede ondersteuning.
Deze conclusies overlappen deels met de knelpunten die in de verkenning naar domeinoverstijgende
cliëntondersteuning zijn onderzocht. Daarnaast biedt dit rapport een aanvulling doordat
er specifiek gefocust is op de levensbreedheid van de ondersteuning, hoe gemeenten
de kwaliteit van cliëntondersteuning monitoren en doordat de dagelijkse praktijk in
vier gemeenten is bekeken. In het rapport worden verschillende aanbevelingen gedaan
aan gemeenten, aanbieders en mijn ministerie. De aanbevelingen aan mijn ministerie
neem ik mee in het vervolgproces op de onderzoeken waarover ik u hierna zal informeren.
Vervolgproces
Voor het vervolg op al deze onderzoeken en aanbevelingen is het van belang om onafhankelijke
cliëntondersteuning vanuit de Wmo 2015, Wlz en de gespecialiseerde cliëntondersteuning
in samenhang met elkaar te bekijken.
De onderzoeken laten zien dat verbetering van cliëntondersteuning niet primair vraagt
om een onmiddellijke stelselwijziging, maar allereerst om meer eenduidigheid over
de rol, kwaliteit en organisatie van cliëntondersteuning. Daarbij moeten onafhankelijkheid,
levensbrede ondersteuning en betere herkenbaarheid voor inwoners centraal staan. Ik
zet daarom eerst in op het ontwikkelen van een landelijk kwaliteitskader voor cliëntondersteuning,
waarin taken explicieter worden vastgelegd. Dat kader moet duidelijk maken wat inwoners,
ongeacht domein of woonplaats, minimaal van cliëntondersteuning mogen verwachten.
Deze inzet sluit ook aan bij de aanbevelingen van TSD en de verkenning naar domeinoverstijgende
cliëntondersteuning om de eisen aan de inzet en kwaliteit van en voor de cliëntondersteuning
te definiëren. Daarbij staan onafhankelijkheid, levensbrede ondersteuning, deskundigheid
en vindbaarheid centraal. Daarnaast biedt dit kader ook de mogelijkheid om een opschalingsmodel
uit te werken, waar verschillende betrokken veldpartijen voor pleiten.
Het ontwikkelen van het kader zie ik dan ook als belangrijkste eerste stap en is een
voorwaarde om uiteindelijk tot een definitieve scenariokeuze te komen. Ook uitvoeringsvraagstukken
en financiële gevolgen moeten daarbij duidelijk worden. Hierbij zie ik een belangrijke
rol weggelegd voor relevante partijen, zoals de leden van de werkgroep van de Toekomstagenda
(waaronder VNG en ZN) en enkele aanbieders van clientondersteuning.
Aanvullend op dit traject verwacht ik in het najaar het adviesrapport van Dakloosheid
Voorbij! naar verbreding van de onafhankelijke clientondersteuning binnen de Wmo voor
dakloze mensen. Hierover informeer ik u voor het einde van het jaar. Begin 2027 informeer
ik de Kamer over de stand van zaken m.b.t. OCO en het landelijk kwaliteitskader.
2.2 Passende beschikkingsduur
In opdracht van VWS en VNG voert Significant Public een verdiepend onderzoek uit naar
passend beschikken in de Wmo 2015, dat in juli 2026 wordt afgerond en gedeeld met
de Kamer. Dit onderzoek is mede gestart na oproepen van de Kamer over dit onderwerp.
In deze brief deel ik de tussenresultaten. Het onderzoek brengt in beeld wat gemeenten
in hun (Wmo-)verordening hebben opgenomen over (het bepalen van) beschikkingsduur
en organiseert leersessies met medewerkers van diverse gemeenten (consulenten, beleidsmedewerkers
en juristen) om de uitvoeringspraktijk in beeld te brengen. In de leersessies komt
naar voren dat alle gemeenten voor een beperkte periode beschikken wanneer dit passend
is. Een deel van de gemeenten indiceert voor bepaalde Wmo-voorzieningen ook voor langere
duur (meerdere jaren of onbepaalde tijd) als dat passend is. Gemeenten beschikken
het vaakst voor langere duur voor huishoudelijke ondersteuning en hulpmiddelen en
bij inwoners boven een bepaalde leeftijd. Een deel van de gemeenten beschikt vooral
voor langere duur wanneer zij beoordelen dat er een stabiele situatie nodig is en
daarmee ondersteuning voor een langere tijd.
Het rapport wordt begin juli 2026 opgeleverd, waarin naar verwachting ook belemmeringen
en kansen voor de passende beschikkingsduur aan bod komen. Daarin is ook een voorstel
opgenomen voor indicatoren waarmee periodiek landelijk in beeld gebracht kan worden
waar gemeenten staan op het gebied van passend beschikken. Naar aanleiding van de
aanbevelingen uit het rapport bepaal ik samen met de VNG wat passende vervolgacties
zijn om het afgeven van beschikkingen met een passende duur verder te stimuleren en
het effect daarvan ook te kunnen volgen. Over de resultaten van het onderzoek en de
bijbehorende vervolgacties informeer ik uw Kamer in de voorgangsbrief over de Werkagenda
VN-verdrag Handicap die eind 2026 voorzien is.
2.3 AZWA
In het kader van het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) werken partijen aan
de versterking van de samenwerking op het snijvlak zorg-sociaal domein en de daarvoor
benodigde versterking van de sociale basisinfrastructuur. Gemeenten ontvangen hier
extra middelen voor. Over de laatste stand van zaken informeren we u nader in de kamerbrief
voortgang zorgakkoorden, waarvan het voornemen is om die voor de zomer naar uw Kamer
te sturen.
3. Specialistische voorzieningen en maatschappelijke zorg
3.1 Dakloze gezinnen
In december heb ik u mijn eerste reactie gestuurd op het bericht dat gemeenten moeders
dreigen hun kind af te pakken als ze aankloppen bij de daklozenopvang (Kamerstuk 29 325/ 29 538, nr. 192). Vervolgens heb ik het bericht en mijn reactie besproken met mijn bestuurlijke partners,
in relatie tot het Nationaal Actieplan Dakloosheid. Alle partijen zijn het erover
eens dat gemeenten niet mogen dreigen met een melding bij Veilig Thuis. Het niet hebben
van passende huisvesting is op zichzelf géén reden om een melding te doen bij Veilig
Thuis. De VNG heeft dit nogmaals onder de aandacht gebracht bij haar achterban. Tegelijkertijd
ben ik samen met het Ministerie van BZK gesprekken gestart met de VNG en G4-gemeenten
over de achterliggende problematiek, namelijk het gebrek aan voldoende passende huisvesting
voor dakloze gezinnen en het tekort aan plekken in de gezinsopvang. Momenteel zijn
we nog diverse oplossingsrichtingen aan het verkennen. Eind dit jaar zal ik u informeren
over de uitkomsten van deze verkenning.
3.2 Wetsvoorstel woonplaatsbeginsel en beschermd wonen
Al geruime tijd is het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning
2015 in verband met de invoering van het woonplaatsbeginsel voor Beschermd Wonen13 in voorbereiding. De beoogde invoeringsdatum is inmiddels al een aantal keer uitgesteld.
Dit wetsvoorstel beoogt een doordecentralisatie van Beschermd Wonen van centrumgemeenten
naar individuele gemeenten. Het oorspronkelijke idee van doordecentralisatie stamt
uit 2015 toen de commissie Dannenberg een advies uitbracht waarin de toekomst van
Beschermd Wonen werd beschreven. Volgens Dannenberg zou elke individuele gemeente
zich moeten inzetten voor mensen die niet zelfstandig kunnen wonen. Deze mensen hebben
baat bij een beschermde plek in de eigen omgeving en zouden bij voorkeur door ambulante
hulp een Beschermd Thuis moeten hebben. Mensen verplaatsen naar een Beschermd Wonen-voorziening
op een centrale plek buiten de eigen gemeente zou daardoor minder vaak hoeven voor
te komen. De huidige Beschermd Wonen voorzieningen zijn georganiseerd in grotere centrumgemeenten.
In het wetsvoorstel wordt op basis van een woonplaatsbeginsel geregeld dat individuele
gemeenten (en niet langer alleen de centrumgemeenten) verantwoordelijk worden voor
een beschermde woonomgeving. Gemeenten zouden in de eigen bouwopgave rekening moeten
houden met aandachtsgroepen waaronder de doelgroep Beschermd Wonen.
Ik heb in het Houdbaarheidsonderzoek een aantal ontwikkelrichtingen laten verkennen
die mogelijk ook de toekomstige ontwikkeling van Beschermd Wonen kunnen raken. Zo
is er in het Houdbaarheidsonderzoek een beleidsoptie opgenomen die verkent op welk
niveau bepaalde voorzieningen doelmatig(er) ingekocht kunnen worden en waar verantwoordelijkheden
voor specifieke voorzieningen explicieter belegd zouden kunnen worden. Het doel is
om te komen tot meer congruentie in lokale en regionale indelingen en samenwerkingen.
Deze en andere ontwikkelrichtingen laat ik in het kader van het Houdbaarheidsonderzoek
de komende maanden verder uitwerken in overleg met de VNG. Het moet leiden tot een
concrete aanpak voor een toekomstbestendige Wmo. Op een later moment wil ik dit graag
integraal kunnen voorleggen aan uw Kamer.
Omdat bovenstaande mogelijk ook de inhoud van het wetsvoorstel zou kunnen raken, kies
ik ervoor om de komende maanden met de gemeenten in gesprek te gaan om te komen tot
een integraal ontwikkelperspectief waarin zowel het Houdbaarheidsonderzoek als het
huidige wetsvoorstel wordt betrokken. De doelen die achter de doordecentralisatie
van Beschermd Wonen liggen, blijven onverminderd relevant. Ik wil daarom na de zomer
de Kamer verder informeren over de uitkomsten van de gesprekken met de gemeenten op
dit onderdeel. Mijn verwachting is dat gemeenten graag duidelijkheid willen hoe nu
verder en dat het zal lukken om concrete afspraken te maken.
3.3 Afronden verbeteragenda doelgroepenvervoer
Zoals toegezegd in mijn brief van 20 mei 202514 informeer ik uw Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs en Participatie
(OCW), de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat en in afstemming met de
VNG, over de afronding van de verbeteragenda doelgroepenvervoer.
De departementen en de VNG hebben de afgelopen jaren samen met de ondernemersorganisatie
Koninklijk Nederlands Vervoer en Aanbestedingsinstituut Mobiliteit (KNV en AIM), de
vereniging van opdrachtgevers in het doelgroepenvervoer VDVN (gemeenten) en het samenwerkingsverband
van decentrale ov-autoriteiten DOVA/CROW gewerkt aan deze gezamenlijke agenda. In
eerdere brieven zijn afgeronde acties vanuit de verbeteragenda reeds toegelicht15. Ook in het afgelopen jaar is er voortgang geboekt op acties. Graag noem ik u nog
een tweetal acties die het afgelopen jaar zijn opgepakt. Zo deelt de VDVN in opdracht
van het Ministerie van VWS kennis en informatie met gemeenten om de kwaliteit van
aanbestedingen en contractmanagement te verhogen en samenwerking en kennisdeling tussen
gemeenten te bevorderen. Daarnaast heeft het CROW opdracht gekregen om het Woordenboek
Reizigerskenmerken te actualiseren. Door gebruik te maken van de codes uit het woordenboek
wordt op een eenduidige wijze vastgelegd wat de reiziger nodig heeft om een (keten)reis
te maken. Het woordenboek maakt benchmarking eenvoudiger en door eenduidiger informatie
van een opdrachtgever kan ook beter een goede offerte worden gemaakt.
De maatregelen van de verbeteragenda doelgroepenvervoer waren ook gericht op het verbeteren
van het leerlingenvervoer. De knelpunten in het leerlingenvervoer zijn echter complex.
Daarom werkt de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie samen met onder anderen
de VNG, LBVSO, Ouders en Onderwijs en de sectorraad Gespecialiseerd Onderwijs aan
een werkagenda leerlingenvervoer. Deze werkagenda richt zich op wat vanuit het onderwijsdomein
kan worden gedaan om leerlingenvervoer te verbeteren, in aanvulling op de resultaten
uit de Verbeteragenda doelgroepenvervoer (onder regie van VWS). Elk van de betrokken
partijen zal een deel van de acties op zich nemen en de komende maanden wordt de werkagenda
leerlingenvervoer verder uitgewerkt. De Staatssecretaris van Onderwijs en Participatie
informeert uw Kamer hierover voor het herfstreces van 2026.
De recente verkenning naar publieke mobiliteit16 laat zien dat integratie van openbaar vervoer en doelgroepenvervoer provincies en
gemeenten op termijn goede mogelijkheden kan bieden om een effectiever, toegankelijker
en inclusiever vervoerssysteem voor de reizigers te realiseren. Het kabinet ziet in
de resultaten voldoende aanknopingspunten om dit onderwerp verder uit te werken, daarom
is begin dit jaar een verbredingsfase gestart en zal eind 2026 een kabinetsstandpunt
worden geformuleerd.
Sommige knelpunten vanuit de verbeteragenda vragen meer structurelere oplossingen
die passen bij vraagstukken die ook in het kader van publieke mobiliteit worden meegenomen.
Het gaat dan om vraagstukken zoals mobiliteitsvisie, mobiliteitsloket, indicatiestellingstraject,
en data-analyses. Deze onderwerpen worden meegenomen in de verdere uitwerking van
het kabinetsstandpunt op publieke mobiliteit.
4. Stelsel en randvoorwaarden
4.1 Wmo-toezicht
Ontwikkeling van het Wmo-toezicht
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft de afgelopen jaren geconstateerd
dat het Wmo-toezicht zich over het algemeen divers en onvoldoende heeft ontwikkeld.
Waar sommige gemeenten het toezicht stevig hebben verankerd in de gemeentelijke organisatie,
hebben andere gemeenten uitsluitend een toezichthouder voor calamiteiten aangesteld.
Deze diversiteit zorgt voor kwaliteitsverschillen in het Wmo-toezicht, terwijl juist
de kwaliteit van de zorg van kwetsbare burgers belangrijk is.
Naar aanleiding van de bevindingen en aanbevelingen in de rapportages van de IGJ,
heeft het Ministerie van VWS aan Significant Public opdracht gegeven onderzoek te
doen naar de mogelijkheden om het toezicht structureel te verbeteren.17 De aanbevelingen van Significant Public zijn geland in een beleidskader18, welke mijn ambtsvoorganger op 8 mei 2023 naar uw Kamer heeft gestuurd19. De verbetermaatregelen uit dit beleidskader sluiten aan op de (jaarlijkse) aanbevelingen
van de IGJ en het onderzoek van Significant en zijn
enerzijds geland in een stimuleringsprogramma en anderzijds in een wijziging van de
Wmo 2015. Het stimuleringsprogramma wordt momenteel ontwikkeld en (door de VNG) onder
gemeenten geïmplementeerd en bestaat onder andere uit een keuzehulp organisatie- en
inrichting van het Wmo-toezicht, handreiking handhavingsbeleid, functieprofiel toezichthouder
en kennissessies met toezichthouders. De voorgenomen wetswijziging Wmo-toezicht wordt
momenteel ambtelijk voorbereid en beoogt de onafhankelijke positie van de toezichthouder,
de organisatie van het Wmo-toezicht in de gemeentelijke context en de transparantie
van het Wmo-toezicht in de wet te verankeren.
Ambtelijke verkenning vergunningplicht in de Wmo 2015
De aanpak van fraude met gemeenschappelijke middelen die bedoeld zijn voor de meest
kwetsbare in de samenleving staat hoog op mijn lijst.
Het kabinet zet daarom in op een vergunningplicht voor aanbieders van maatschappelijke
ondersteuning. Hierbij is het uitgangspunt dat zoveel mogelijk wordt aangesloten bij
de voorwaarden van de Wtza-vergunning waarbij rekening wordt gehouden met de omvang
en diversiteit van de aanbieders die ondersteuning op de grond van de Wmo 2015 bieden.
Zo wordt onder andere nader uitgewerkt voor welke aanbieders van ondersteuning uit
de Wmo 2015 de vergunningplicht zal gelden en welke eisen aan een vergunningplicht
gekoppeld worden. Dit wetgevingstraject zal samenlopen met de trajecten voor invoering
van een vergunningplicht voor de Jeugdwet en de uitbreiding van de doelgroep en de
verdieping van de voorwaarden voor de Wtza-vergunning. De verwachting is dat dit wetsvoorstel
in 2028 kan worden aangeboden aan uw Kamer.
4.2 Het verlichten van administratieve lasten door meer eenheid van taal
Zoals aangegeven in de hoofdlijnenbrief 2024 heb ik de afgelopen jaren ingezet op
de «doorontwikkeling van een uniform berichtenverkeer» met uniformering, harmonisatie
en standaardisatie als fundamentele basis om de samenwerking tussen professionals
te faciliteren en aan de groter wordende informatiebehoefte te voorzien. Onder de
noemer «eenheid van taal en techniek» zijn de eerste belangrijke stappen genomen om
1) het aantal productcodes in de Wmo 2015 terug te dringen, 2) inzichtelijk te maken
welke informatiebehoefte er is om (domein overstijgende) samenwerking beter mogelijk
te maken en 3) wat ervoor nodig is om de informatievoorziening in de Wmo 2015 te laten
aansluiten op andere domeinen.
Inkoop en Aanbesteden
Momenteel wordt door het Ketenbureau i-Sociaal Domein samen met aanbieders en gemeenten
de laatste hand gelegd aan landelijke contractstandaarden voor de hulpmiddelen in
de Wmo 2015. Het Ketenbureau i-Sociaal Domein streeft ernaar de algemene ledenvergadering
van de VNG in het najaar 2026 een te laten besluiten of de standaard voor de hulpmiddelen
ook bindend wordt voor alle gemeenten. Hierna vindt nog een verkenning plaats naar
de ontwikkelingen van landelijke contractstandaarden voor vervoer. Een en ander is
een aanvulling op de reeds bestaande contractstandaarden voor de Wmo 2015 en Jeugdhulp
ten aanzien van diensten. Dit betekent dat – zodra de contractstandaarden hulpmiddelen
door de algemene ledenvergadering van de VNG zijn vastgesteld – bijna alle gemeentelijke
ondersteuning in het kader van de Wmo 2015 en Jeugdwet inmiddels met gestandaardiseerde
contracten kan worden ingekocht.
Standaardisatie en Gegevensuitwisseling
Op het gebied van «Eenheid van Taal» zijn twee verkenningen – één voor hulpmiddelen
en één voor diensten – uitgevoerd en opgeleverd in 202620. Voor hulpmiddelen betreft dit de verkenning productcodestructuur Wmo-hulpmiddelen-
advies over herijking van de landelijke productcodelijst. Voor diensten betreft dit
een landelijke verkenning van de standaardisatie van de productstructuur binnen de
Wmo 2015 (Verkenning van reikwijdte en uitwerkingsrichtingen). Deze verkenningen geven
adviezen om te komen tot een structuur op basis van Eenheid van Taal. In de volgende
fase worden partijen betrokken om het vervolg samen vorm te geven, zoals het nader
uitwerken van een eenduidige structuur. Hiervoor is een aantal hoofddoelen opgesteld:
– De huidige producten moeten ontleed worden uit overeenkomsten tussen gemeenten aan
uniforme elementen (bouwblokken) van voorzieningen die dusdanig van elkaar differentiëren
dat deze kunnen worden onderscheiden.
– Aan de hand van de gevonden bouwblokken wordt een nieuwe logische productstructuur
opgebouwd op categorie-, subcategorie- en productniveau.
– De nieuw ontworpen structuur moet de praktijk van inkoop- en contractmanagement van
gemeenten vereenvoudigen en ondersteunen met herkenbare productcategorieën en productomschrijvingen.
– De nieuwe structuur moet zodanig worden ingericht dat het de beleidsruimte van de
gemeenten niet beperkt en ruimte blijft bieden voor innovaties en toekomstige doorontwikkelingen
in de hulp en ondersteuning.
Met betrekking tot de informatiebehoefte «huishoudelijke hulp» en samenwerking tussen
«huisarts en gemeente» zijn twee verkenningen gepubliceerd en met de Kamerbrief over
voortgang agenda databeschikbaarheid in de zorg21 aan de Kamer aangeboden. Momenteel wordt hier vanuit het IZA en AZWA verder invulling
aangegeven onder de noemer «datastandaardisatie», waarin enerzijds wordt gekeken vanuit
primair perspectief waarin de informatiebehoefte in de samenwerking centraal staat,
en anderzijds vanuit secundair perspectief (monitoring, inzicht).
Vanuit verschillende akkoorden, ontwikkelingen en de Nationale Visie en Strategie
voor het gezondheidsinformatiestelsel (NVS) wordt het belang van aansluiting van het
sociaal domein (hier specifiek de Wmo 2015) op gegevensuitwisseling steeds meer benadrukt.
Daarom zijn de afgelopen jaren verschillende stappen ondernomen om te kijken wat er
nodig is om de informatievoorziening in de Wmo 2015 te laten aansluiten op andere
domeinen. Het Zorginstituut heeft daarom in opdracht van VWS een uitvoeringstoets
gedaan om te bezien wat er nodig is om het huidige berichtenverkeer van het sociaal
domein aan te laten sluiten op het gezondheidsinformatiestel. Deze uitvoeringstoets
behelst een voorstel om het actieprogramma iWlz te verbreden naar de Wmo 2015 en Jeugdwet
om zo een domeinoverstijgend netwerkmodel te realiseren. Daarnaast is in opdracht
van het Zorginstituut een Maatschappelijke Kosten Baten-Analyse22 uitgevoerd voor deze verbreding en (door)ontwikkeling van het huidige berichtenverkeer.
Hieruit blijkt dat de baten (op termijn) groter zijn als de infrastructuur wordt ingericht
als een netwerkmodel in plaats van het huidige estafette-model verder (door) te ontwikkelen.
De kosten van beide trajecten lijken niet veel uiteen te lopen, op basis van deze
eerste analyse. Er is echter ook nader onderzoek nodig om een zorgvuldige afweging
te kunnen maken of en wanneer de ontwikkeling van een domeinoverstijgend netwerkmodel
in het sociaal domein gerealiseerd kan worden.
Vervolg op bovenstaande inzet
Het Houdbaarheidsonderzoek Wmo 201523 biedt diverse aanknopingspunten om de komende jaren vervolg te geven aan bovenstaande
ontwikkelingen en het verminderen van disfunctionele diversiteit in de (techniek)
van de uitvoeringspraktijk. Eén van de aanbevelingen die naadloos aansluit op bovenstaande
ontwikkelingen is bijvoorbeeld beschreven in beleidsoptie 19: «Eenheid van taal en
techniek» van het Houdbaarheidsonderzoek. Deze beleidsoptie verkent de mogelijkheden
om eenduidig gebruik van het berichtenverkeer te verankeren in wetgeving. Het betreft
namelijk een dusdanige randvoorwaarde om het stelsel inzichtelijk te maken en daarmee
gezamenlijke sturing te realiseren. De komende periode zal ik dan ook verder inzetten
op standaardiseren en harmoniseren, een hogere datakwaliteit van (digitale) gegevens
in de Wmo 2015 met een verbeterde interbestuurlijke samenwerking. Hierbij wordt ook
verkend of het wenselijk is dat elementen hiervan wettelijk verankerd worden in de
Wmo 2015 (inclusief handhaving en passende governance). De eerste stap daarbij is
verkenning met de VNG naar de verplichting van de nu vrijwillige uitvraag voor het
gebruik van maatwerkvoorzieningen in de Wmo en deze uit te breiden naar het gebruik
van de toegang tot de Wmo.
Indieners
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport