Brief regering : Werkwijze Strategische Agenda’s regio en Rijk
29 697 Gebiedsgerichte economische perspectieven en Regionaal Economisch Beleid
Nr. 186
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 juli 2026
Het gaat pas goed met Nederland als het overal in ons land goed gaat. Vanuit deze
overtuiging heb ik de afgelopen maanden werkbezoeken afgelegd, met lokale bestuurders
gesproken en bovenal heb ik gezien welke regionale kracht er is om brede welvaart
voor alle inwoners te verbeteren. Overheden, ondernemers, onderwijs en maatschappelijke
organisaties in regio’s zoeken elkaar steeds vaker op en werken samen om de kwaliteit
van leven, wonen en werken van inwoners en ondernemers te vergroten. Dit kabinet ziet
deze beweging van regio’s als één van de fundamenten voor een sterk Nederland en wil
zich actief inzetten om regio’s te ondersteunen en te versterken.
Diverse regio’s werken, op een schaalniveau dat aansluit bij hun specifieke opgaven
en kenmerken, aan toekomstvisies en agenda’s die richting geven aan de gezamenlijke
inzet van overheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Vanuit deze ontwikkeling
ontstaat tevens de behoefte aan een volgende stap in de samenwerking tussen Rijk en
regio’s, gericht op het gezamenlijk oppakken van kansen en het realiseren van duurzame
resultaten. Hier wil ik vanuit het Rijk op een goede manier op kunnen reageren.
Het kabinet zet via verschillende programma’s en aanpakken in op de ontwikkeling en
versterking van regio’s, waaronder het Nationaal Programma Vitale Regio’s (NPVR),
het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) en de NOVEX-aanpak, met
gebiedsgerichte samenwerking en ruimtelijke arrangementen met provincies. Via de Regio
Deals wordt, op initiatief van regio’s, geïnvesteerd in brede welvaart en wordt de
samenwerking tussen overheden, ondernemers, onderwijsinstellingen en maatschappelijke
organisaties versterkt. Met deze instrumenten draagt het Rijk bij aan sterkere regionale
samenwerking, een betere samenwerking tussen Rijk en regio en een grotere uitvoeringskracht
in de regio.
Ik heb uw Kamer in mijn beleidsbrief van 24 april jl. geïnformeerd over de gesprekken
met regio’s Zeeland, West-Brabant, Rivierenland, Flevoland en Fryslân over de bestaande
inzet in de regio en of iets anders nodig is om strategische kansen voor de toekomst
beter te benutten.1 Bij de selectie van deze regio’s is gekeken naar een evenwichtige spreiding over
het land en naar variatie in omvang en bestuurlijke inrichting. Sommige regio’s vallen
samen met een provincie, terwijl andere bestaan uit een samenwerkingsverband van meerdere
gemeenten. Verder is gekeken of een regio al beschikt over een toekomstvisie of strategische
agenda of juist nog aan het begin staat van dit proces en of de scope van die visie
breed of thematisch is. Tot slot is meegewogen of er sprake is van een bestaande of
beginnende meerjarige samenwerking. De gespreksronde in deze regio’s en de overige
indrukken die ik tijdens alle bezoeken en gesprekken in het land heb opgedaan de afgelopen
maanden, vormen een goede basis om een breed beeld te krijgen van wat er speelt in
regio’s en welke vragen op het Rijk af kunnen komen.
Bevindingen uit de gesprekken
Met de genoemde regio’s is gesproken over de huidige inzet in de regio en wat er nodig
is om kansen beter te benutten. In algemene zin stel ik na de gesprekken vast dat
regio’s een uitdaging hebben aan het samenbrengen van de verschillende vraagstukken
die in hun gebied spelen; veel vraagstukken hangen samen en het aantal betrokken partijen
is groot. Om deze complexiteit te hanteren en handelingsperspectief te ontwikkelen,
werken regio’s ieder aan een toekomstvisie en agenda voor hun regio. Door hieraan
te werken wordt het strategische denken bevorderd en wordt de complexiteit hanteerbaar
gemaakt. Het stimuleert de verschillende partijen in het gebied om op lange en korte
termijn keuzes te maken die bijdragen aan brede welvaart nu en later.
In de gesprekken kwam naar voren dat regio’s sterk verschillen in samenwerking en
in strategievorming: sommige beschikken over een uitgewerkte toekomstvisie, andere
werken aan een agenda voor de uitvoering ervan, en weer andere staan aan het begin
van een proces van samenwerking en visievorming. Het verschilt dan ook per regio welke
bijdrage van het Rijk wordt gevraagd en welke kansen dit met zich meebrengt.
Regio’s verwachten dat samenwerking met het Rijk de invulling van hun ambities kan
versnellen wanneer de regionale ambities en prioriteiten van het Rijk in een gebied
samen komen. Dat zal ook vragen om sector overstijgend te kunnen kijken aan regio-
en aan Rijkszijde, en sectorale aanpakken zo mogelijk te verbinden aan de beweging
die een regio wil maken. Zo kunnen we samen de beweging maken die nodig is kansen
verder te brengen. Aan het Rijk wordt gevraagd met een open blik naar de vraagstukken
te kijken en de verbinding met nationale belangen te leggen als dat mogelijk is. Daarbij
kan ook de constatering zijn dat aansluiting niet mogelijk is, of geen meerwaarde
biedt ten opzichte van lopende trajecten.
Verder komt in elk gesprek naar voren dat regio’s en Rijk elkaar niet altijd goed
weten te vinden. Regio’s zijn op zoek naar houvast bij landelijke aanpakken zodat
zij hun regionale ontwikkeling daaraan kunnen verbinden. Ook verwachten regio’s dat
door meer contact met departementen het inzicht bij het Rijk wordt vergroot, waardoor
beleids- en investeringslogica beter rekening gaan houden met verschillende omstandigheden.
De bevindingen uit de gesprekken met de regio’s zijn voor reflectie besproken met
bestuurders uit de genoemde regio’s. Ook in dit gesprek kwam de variatie naar voren
als het gaat om de beschikbaarheid van een visie, de regionale samenwerking, de lopende
trajecten en de kansen waarmee de regio aan de slag is. Duidelijk werd dat samenwerking
voor het pakken van strategische kansen gevarieerd zal moeten zijn om zodoende aan
te kunnen sluiten op de regio.
Uitgangspunten voor een werkwijze
In mijn beleidsbrief van 24 april jl. ben ik ingegaan op de passage uit het coalitieakkoord
over het maken van strategische agenda’s met regio’s.2 Na de gesprekken met eerdergenoemde regio’s geef ik daar de volgende invulling aan;
namelijk een werkwijze om een koppeling te maken tussen de regionale en nationale
inspanningen op strategische kansen voor de toekomst. Omdat regio’s verschillen en
verschillende vragen aan het Rijk hebben, zal de werkwijze van het Rijk moeten aansluiten
bij specifieke situaties.
Regio’s die beschikken over een regionale toekomstvisie en een stevige regionale samenwerking
kunnen kansen zien voor ontwikkeling die zowel voor regio als Rijk van strategisch
belang zijn. Als ook het Rijk die kansen ziet en er inzet op kan organiseren, kan
een strategische agenda een manier zijn om samenwerking te formaliseren.
Voor regio’s waar grote nationale opgaven worden gerealiseerd, ligt de nadruk op het
gezamenlijk ontwikkelen van een strategische agenda waarin de inzet van regio en Rijk
samenkomen zodat zowel vanuit Rijks- als vanuit regioperspectief kansen voor ontwikkeling
verzilverd kunnen worden. Daarbij is het van belang dat het Rijk beschikbaar is om
mee te denken over richting, samenwerking in de regio en de verbinding tussen regionale
en nationale opgaven te leggen.
Op basis van de gesprekken die de afgelopen periode zijn gevoerd en de ervaringen
die zijn opgedaan met al lopende gebiedsgerichte programma’s en samenwerkingen, zijn
onderstaande uitgangspunten van belang voor het vervolgproces:
• Regionaal initiatief en eigenaarschap. Een strategische agenda regio en Rijk wordt gezamenlijk gedragen. Het is alleen kansrijk
als voldoende initiatief in de regio aanwezig is.
• Aansluiten bij de ontwikkelfase van de regio. Regio’s bevinden zich in verschillende fasen van samenwerking en visievorming. Het
Rijk zal aansluiten bij de fase waarin een regio zich bevindt.
• Samenwerken aan gemeenschappelijke ontwikkelkansen. Een strategische agenda komt in beeld wanneer sprake is van gezamenlijke ontwikkelkansen,
een gedeeld beeld van prioriteiten en een duidelijke meerwaarde van de samenwerking.
Daarbij is het van belang dat regionale en nationale belangen elkaar raken, zodat
gezamenlijke inzet van regio en Rijk daadwerkelijk meerwaarde oplevert zowel vanuit
het perspectief van de regio als vanuit het Rijk.
• In samenhang met andere trajecten.In veel regio’s lopen trajecten met het Rijk zoals in de NOVEX-gebieden, NPVR-regio’s,
Uitvoeringsagenda Ruimte voor Economie en de gebiedsgerichte aanpak vanuit het Ministerie
van LVVN. Deze trajecten zijn voor mij een gegeven. Ook bestaan diverse overlegtafels
en bilaterale contacten over diverse thema’s. In samenwerking met de regio stem ik
mijn inzet zorgvuldig af op het bestaande en wordt bekeken waar lopende trajecten
beter op elkaar aangesloten kunnen worden en elkaar kunnen versterken.
Het vervolg: nadere uitwerking werkwijze en visie op de regio
Mijn streven is een werkwijze te ontwikkelen waarmee regio en Rijk als gelijkwaardige
partners strategische kansen goed weten te benutten.
Voor deze werkwijze is betrokkenheid vanuit het hele kabinet noodzakelijk. Dit vraagt
de komende periode nadere afstemming op Rijksniveau. De genoemde regio’s zal ik betrekken
bij de verdere ontwikkeling.
Tegelijkertijd werk ik aan een visie op de regio en regionale samenwerking. Ik zie
namelijk dat de regio steeds belangrijker wordt als schaal waarop overheden, maatschappelijke
organisaties en economische partners samenkomen rond opgaven die werkgebieden en taken
van individuele overheden overstijgen. Met een visie op de regio en regionale samenwerking
wil ik bijdragen aan een toekomstbestendige bestuurlijke inrichting van Nederland,
met daarbinnen een duidelijke positie van de regio en regionale samenwerking.
Ik verwacht u over beide trajecten eind 2026 te informeren.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
P.E. Heerma
Ondertekenaars
P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties