Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over het vervolgonderzoek naar grondslaguitholling door excessieve financieringsconstructies met aan derden verhuurd vastgoed (Kamerstuk 36812-127)
2026D34284 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
De vaste commissie voor Financiën heeft op 1 juli juni 2026 een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Staatssecretaris van Financiën over zijn op 12 juni 2026 toegezonden
brief over het vervolgonderzoek naar grondslaguitholling door excessieve financieringsconstructies
met aan derden verhuurd vastgoed (Kamerstuknummer 36 812, nr. 127).
Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie,
Jansen
Adjunct-griffier van de commissie,
Lips
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief over
het vervolgonderzoek naar grondslaguitholling door excessieve financieringsconstructies
met aan derden verhuurd vastgoed. Deze leden hebben hierover nog de volgende vragen.
De leden van de D66-fractie lezen dat de Belastingdienst momenteel enkele tientallen
excessief gefinancierde vastgoedvennootschappen in behandeling heeft. Kan de Staatssecretaris
inzicht geven in de ontwikkeling van het aantal constructies in de afgelopen jaren?
Kan de Staatssecretaris daarnaast een geschat overzicht geven van de maatschappelijke
kosten van deze constructies?
De leden van de D66-fractie lezen dat het kabinet vanwege het op 24 juni 2026 verwachte
Europese Omnibusvoorstel nog geen beleidsrichting kiest. Kan de Staatssecretaris uiteenzetten
welke wijzigingen van de earningsstrippingmaatregel in het Omnibusvoorstel worden
verwacht en per scenario aangeven wat dit betekent voor de drie onderzochte beleidsopties?
Kan de Staatssecretaris daarbij ook aangeven in hoeverre deze Europese voorstellen
volgens de Staatssecretaris voldoende zijn om excessieve financieringsconstructies
en grondslaguitholling tegen te gaan? Zo niet, hoe zouden aanvullende nationale maatregelen
dit wel effectief tegen kunnen gaan?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het vervolgonderzoek
naar grondslaguitholling door excessieve financieringsconstructies met aan derden
verhuurd vastgoed. De leden van de VVD-fractie vinden het belangrijk dat belastingconstructies,
die leiden tot grondslaguitholling effectief worden aangepakt. Tegelijkertijd moeten
nieuwe maatregelen proportioneel, uitvoerbaar en doelgericht zijn, zonder onnodige
regeldruk voor ondernemers. Deze leden hebben nog meerdere vragen.
De leden van de VVD-fractie lezen ten aanzien van beleidsoptie 3 dat de regering concludeert
dat beleidsoptie 3 als enige zowel het probleem van fragmentatie als het omzetten
van eigen vermogen in groepsleningen adresseert. Tegelijkertijd wordt aangegeven dat
van circa 15.000 belastingplichtigen uiteindelijk slechts ongeveer 500 belastingplichtigen
daadwerkelijk geraakt zullen worden, terwijl een veel grotere groep naar verwachting
een beroep moet doen op de tegenbewijsregeling. Kan de Staatssecretaris nader onderbouwen
waarom beleidsoptie 3 als meest doelmatige variant wordt beschouwd indien naar verwachting
slechts ongeveer 500 belastingplichtigen daadwerkelijk worden geraakt, terwijl circa
15.000 belastingplichtigen worden geconfronteerd met aanvullende administratieve lasten
en mogelijk een beroep moeten doen op de tegenbewijsregeling?
De leden van de VVD-fractie lezen ten aanzien van de uitvoerbaarheid voor de Belastingdienst
dat in zowel de Kamerbrief als de uitwerking van beleidsoptie 3 wordt gesteld dat
op grote schaal contact zal worden gezocht met de Belastingdienst over de toepassing
van de maatregel en de tegenbewijsregeling. Daarbij wordt expliciet opgemerkt dat
de vraag bestaat of de Belastingdienst deze stroom kan beheersen en of voldoende personeel
beschikbaar is. Heeft de Belastingdienst een uitvoerings- en capaciteitsanalyse gemaakt
van beleidsoptie 3? Zo ja, kan de Staatssecretaris aangeven hoeveel extra capaciteit
benodigd is en welke gevolgen dit heeft voor andere toezichtstaken van de Belastingdienst?
De leden van de VVD-fractie lezen ten aanzien van de omvang van het probleem dat de
Belastingdienst momenteel enkele tientallen excessief gefinancierde vastgoedvennootschappen
in behandeling heeft. Tegelijkertijd zouden beleidsopties 1 en 3 ongeveer 15.000 belastingplichtigen
raken en beleidsoptie 2 ongeveer 1.000 belastingplichtigen. Hoe verhoudt de omvang
van de geconstateerde problematiek zich tot het grote aantal belastingplichtigen dat
door de onderzochte beleidsopties wordt geraakt? Kan de Staatssecretaris nader kwantificeren
welk deel van de potentiële doelgroep daadwerkelijk betrokken is bij grondslaguitholling?
De leden van de VVD-fractie lezen ten aanzien van de administratieve lasten voor bonafide
ondernemers dat de uitwerking van alle drie beleidsopties een toename van complexiteit
en administratieve lasten noemt. Daarbij wordt expliciet benoemd dat ook belastingplichtigen,
die niet betrokken zijn bij ongewenste grondslaguitholling geraakt kunnen worden.
Welke mogelijkheden ziet de Staatssecretaris om eventuele toekomstige maatregelen
zodanig vorm te geven dat bonafide vastgoedbeleggers, familiebedrijven en andere reguliere
ondernemers zo veel mogelijk worden ontzien?
De leden van de VVD-fractie lezen ten aanzien van de gevolgen voor het investeringsklimaat
dat bij beleidsoptie 1 wordt opgemerkt dat sprake kan zijn van een strengere implementatie
van de ATAD1-richtlijn dan Europees vereist, met mogelijke negatieve gevolgen voor
het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat. Ook bij beleidsopties 2 en 3 worden
zorgen geuit over toenemende complexiteit. Heeft de Staatssecretaris onderzocht welke
gevolgen de afzonderlijke beleidsopties kunnen hebben voor het Nederlandse vestigings-
en investeringsklimaat en voor de aantrekkelijkheid van Nederland als locatie voor
vastgoedinvesteringen? Zo ja, kunnen de resultaten daarvan met de Kamer worden gedeeld?
De leden van de VVD-fractie lezen op het punt van de buitenlandse vergelijking dat
de Kamerbrief verwijst naar België, Denemarken en Finland als landen waarvan elementen
zijn meegenomen bij de uitwerking van de beleidsopties. Tegelijkertijd wordt geconcludeerd
dat nog geen beleidsrichting wordt gekozen. Kan de Staatssecretaris inzichtelijk maken
welke resultaten de vergelijkbare maatregelen in België, Denemarken en Finland hebben
opgeleverd ten aanzien van het tegengaan van grondslaguitholling, de uitvoerbaarheid
en de administratieve lasten?
De leden van de VVD-fractie lezen ten aanzien van de tegenbewijsregeling dat een belangrijk
onderscheid tussen beleidsoptie 3 en de andere beleidsopties de aanwezigheid van een
tegenbewijsregeling is. Volgens de stukken voorkomt deze regeling dat de maatregel
te ver doorschiet, maar leidt deze tegelijkertijd tot aanzienlijke uitvoeringslasten.
Heeft de Staatssecretaris onderzocht of een beperktere of meer gestandaardiseerde
tegenbewijsregeling mogelijk is, zodat bonafide structuren kunnen worden uitgezonderd
zonder een grote extra uitvoeringslast voor de Belastingdienst te creëren?
De leden van de VVD-fractie lezen op het punt van de budgettaire opbrengst versus
de regeldruk dat de drie beleidsopties sterk uiteenlopende budgettaire opbrengsten
kennen: circa 200 miljoen euro voor beleidsoptie 1, 50 miljoen euro voor beleidsoptie
2 en 30 à 40 miljoen euro voor beleidsoptie 3. Tegelijkertijd verschillen de doelgerichtheid
en de uitvoeringslasten aanzienlijk. Kan de Staatssecretaris een integrale afweging
geven van de verhouding tussen budgettaire opbrengst, uitvoerbaarheid, administratieve
lasten en doelgerichtheid van de drie onderzochte beleidsopties?
De leden van de VVD-fractie lezen op het punt van het Omnibusvoorstel van de Europese
Commissie dat de Staatssecretaris een keuze voor een beleidsrichting momenteel niet
opportuun acht vanwege het verwachte Omnibusvoorstel van de Europese Commissie, dat
mogelijk gevolgen heeft voor de earningsstrippingmaatregel. De leden van de VVD-fractie
kunnen deze terughoudendheid goed volgen. Gelet op de aangekondigde Europese herziening
van de renteaftrekbeperkingen zien deze leden op dit moment geen aanleiding om aanvullende
nationale maatregelen te treffen, temeer nu uit het onderzoek blijkt dat dergelijke
maatregelen een grote groep bonafide belastingplichtigen kunnen raken, terwijl de
geconstateerde problematiek zich tot een relatief beperkte groep lijkt te beperken.
De leden van de VVD-fractie achten het onwenselijk vooruit te lopen op nieuwe Europese
regelgeving met mogelijk verdergaande nationale maatregelen die tot overkill en extra
regeldruk leiden. Welke onderdelen van de earningsstrippingmaatregel worden naar verwachting
in het Europese Omnibusvoorstel aangepast en op welke wijze zouden deze wijzigingen
de noodzaak van eventuele aanvullende Nederlandse maatregelen kunnen beïnvloeden?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben de brief met interesse gelezen. Deze leden hebben
een aantal vragen.
De leden van de PRO-fractie zijn blij dat onderzoek gedaan is naar grondslaguitholling
door agressieve financieringsconstructies en hebben de brief van de Staatssecretaris
daarover met interesse gelezen. Deze leden zijn van mening dat het wenselijk is dat
nu ook doorgepakt wordt om deze vorm van belastingontwijking tegen te gaan en zijn
dan ook zeer verbaasd over de passieve houding van het kabinet. Deze leden hebben
hier veel vragen over.
De leden van de PRO-fractie zijn van mening dat belastingontwijking zorgvuldig, maar
ook snel moet worden aangepakt. Zo lang belastingontwijking mogelijk blijft loopt
de schatkist immers geld mis en betalen werkende mensen onnodig te veel belasting.
Deze leden kunnen zich daarom niet vinden in de conclusie van de Staatssecretaris
dat het op dit moment niet opportuun is om grondslaguitholling door agressieve financieringsconstructies
tegen te gaan. Door het vervallen van de antifragmentatiemaatregel uit het Belastingplan
2025 is immers al onnodig tijd verloren gegaan. Deze leden merken daarnaast op dat
een Europees wetstraject lang kan duren en dat implementatie van het genoemde commissievoorstel
om de antibelastingontwijkingsrichtlijn aan te passen op zijn minst zeer onzeker is,
gezien de vereiste unanimiteit. Deze leden hopen dat de Staatssecretaris kan bevestigen
dat de Staatssecretaris niet van plan is in te stemmen met het commissievoorstel en
dat afwachten of de generieke renteaftrekbeperking gewijzigd gaat worden dus ook niet
nodig is. Deze leden vragen ook of de Staatssecretaris een verwachting heeft van wanneer
het volgens hem wél opportuun zou zijn om maatregelen te treffen.
De leden van de PRO-fractie lezen dat de gecreëerde rentelasten in de beschreven constructie
veelal een laagbelastende jurisdictie als eindbestemming hebben. Deze leden zijn benieuwd
of de bronbelasting in deze gevallen van toepassing is en zo nee, waarom niet. Ook
vragen deze leden wat de gevolgen zouden zijn als de plannen voor de Europese Commissie
voor het versoepelen van de anti-belastingontwijkingsrichtlijn worden doorgezet en
de generieke renteaftrekbeperking dus minder streng zou worden. Neemt de beschreven
grondslaguitholling naar verwachting dan toe of af?
De leden van de PRO-fractie vragen voorts welke beleidsoptie op dit moment de voorkeur
heeft van de Staatssecretaris. Ook vragen deze leden hoe de beleidsopties zich verhouden
tot de eerder in het Belastingplan opgenomen antifragmentatiemaatregel: is dat volgens
de Staatssecretaris nog steeds de meest effectieve maatregel om de beschreven constructies
tegen te gaan? Ziet de Staatssecretaris het als een optie om deze maatregel alsnog
in te voeren?
De leden van de PRO-fractie lezen dat de Staatssecretaris over beleidsoptie 1 schrijft
dat daarmee geen «optimale verhouding» wordt bereikt «tussen het beoogde doel (voorkoming
grondslaguitholling met betrekking tot inkomen uit Nederlands aan derden verhuurd
vastgoed) en de negatieve neveneffecten». Kan de Staatssecretaris toelichten welke
neveneffecten de Staatssecretaris precies als «negatief» beschouwd, en hoe de Staatssecretaris
tot de conclusie is gekomen dat de verhouding tussen deze neveneffecten en de doeltreffendheid
van de maatregel niet optimaal is? Is er volgens de Staatssecretaris een beleidsoptie
waarbij die verhouding wel optimaal is of moet gekozen worden uit verschillende niet-optimale
opties? Als het laatste het geval is, wat is dan volgens de Staatssecretaris het afwegingskader
op basis waarvan een keuze gemaakt dient te worden? Deze leden vragen ook of het mogelijk
zou zijn binnen een concern slechts éénmaal de drempel van één miljoen euro toe te
mogen passen. Daarnaast zijn deze leden benieuwd of een combinatie tussen de verworpen
antifragmentatiemaatregel en de beschreven beleidsoptie 1 mogelijk zou zijn, waarbij
de drempel van één miljoen euro komt te vervallen voor vastgoedvennootschappen met
verhuurd vastgoed aan derden die deel uitmaken van een concern. Voorts vragen deze
leden of een variant van beleidsoptie 1 denkbaar is met als doel misbruik van het
lage tarief in de vennootschapsbelasting tegen te gaan. Hoe zou een dergelijke maatregel
eruitzien en wat zou deze jaarlijks opleveren? Hoe staat de Staatssecretaris tegenover
invoering van een dergelijke maatregel?
De leden van de PRO-fractie lezen dat in beleidsoptie 2 sprake is van verlaging van
de drempel van één miljoen euro naar 200.000 euro. Kan de Staatssecretaris aangeven
waarop dit bedrag is gebaseerd? In hoeverre ziet de Staatssecretaris het als een optie
om de drempel volledig te laten vervallen als aan de omschreven voorwaarden (kwalificeren
als vastgoedlichaam en in bepaalde mate gefinancierd zijn met leningen van verbonden
lichamen) is voldaan? In hoeverre zou de maatregel daar doeltreffender en doelmatiger
van worden en wat zouden de gevolgen zijn voor de budgettaire opbrengst?
Deze leden vragen of het klopt dat de voorgestelde beleidsoptie 3 zich het meest specifiek
richt op de omschreven problematiek en daarmee de minste neveneffecten heeft bij belastingplichtigen.
Klopt het dat deze optie tegelijkertijd tot de grootste extra uitvoeringslast voor
de Belastingdienst zou leiden?
De leden van de PRO-fractie merken op dat een ambtsvoorganger van de Staatssecretaris
in een eerdere brief een vergelijking maakte met verschillende andere EU-landen. Daaruit
bleek dat bijvoorbeeld Zweden een lagere drempel in de generieke renteaftrekbeperking
hanteert dan Nederland, van ongeveer 450.000 euro. Deze leden vragen de Staatssecretaris
in hoeverre het verlagen van de drempel in Nederland, naar bijvoorbeeld 450.000 euro,
effectief zou kunnen zijn in het tegengaan van de beschreven problematiek. Ook vragen
deze leden wat de budgettaire opbrengst van een dergelijke maatregel zou zijn, welke
ongewenste neveneffecten zouden kunnen optreden en hoe deze maatregel zich qua complexiteit
en regeldruk verhoudt tot de andere besproken beleidsopties. Hoe beoordeelt de Staatssecretaris
een dergelijke maatregel in zijn totaliteit?
Tot slot merken de leden van de PRO-fractie op het zeer onverstandig te vinden dat
de Staatssecretaris met zoveel verschillende beleidsopties niet doorpakt en het beschreven
gat in de belastingwetgeving willens en wetens laat bestaan. Dat is in de ogen van
deze leden slecht voor de belastingmoraal, kost jaarlijks geld dat beter uitgegeven
kan worden en is daarmee onrechtvaardig tegenover andere belastingbetalers. Wat is
precies de reden waarom de Staatssecretaris nu niet ingrijpt? Is de Staatssecretaris
bereid alsnog een passende maatregel in het Belastingplan 2027 op te nemen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de beleidsopties
om grondslaguitholling door excessieve financieringsconstructies met aan derden verhuurd
vastgoed tegen te gaan. Deze leden hebben destijds zelf ook vragen gesteld over de
voorgenomen beleidsmaatregel vanwege de negatieve effecten en lezen nu met interesse
de alternatieven. Daarover hebben deze leden enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat bij optie 2 staat dat de maatregel «negatieve
effecten» kan hebben voor «enkele vastgoedbeleggers». Kan de Staatssecretaris dit
nader toelichten? Hoeveel van de naar verwachting 1.000 belastingplichtigen worden
hierdoor geraakt en in welke situaties die wel legitiem zijn zou deze maatregel te
streng uitpakken?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de impact van de drie voorstellen op het aantal
belastingplichtigen nogal verschilt. Optie 1 raakt 15.000 belastingplichtigen, optie 2
1.000 belastingplichtige en optie 3 15.000 belastingplichtigen, waar na toepassing
van de tegenbewijsregeling 500 belastingplichtigen resteren. Klopt het dat het aantal
gevallen wanneer daadwerkelijk sprake is van misbruik op 500 ligt?
De brief noemt het Europese Omnibusvoorstel en dat het nu niet opportuun is een van
de beleidsrichtingen te kiezen. In het Omnibusvoorstel wordt voorgesteld de renteaftrekbeperking
op 30 procent EBITDA te stellen, met een hogere drempelwaarde van drie miljoen euro,
een uitzondering voor externe leningen en een groepsescape. Deze leden vragen hoe
het kabinet deze voorstellen als oplossing ziet voor excessieve financieringsconstructies.
Kan het kabinet aangeven wat het zou kosten om deze wijzigingen in de renteaftrek
door te voeren?
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
C.A. (Chris) Jansen, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
W.A. Lips, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.