Brief regering : Stand van zaken moties en toezeggingen jeugd en aanbieding rapporten
31 839 Jeugdzorg
Nr. 1179
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD EN SPORT EN DE STAATSSECRETARIS
VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 30 juni 2026
Met deze brief wordt u geïnformeerd over een aantal moties en toezeggingen op het
terrein van Jeugd. Ook worden enkele rapporten aangeboden, waaronder de voorlopige
CBS-cijfers jeugdzorggebruik 2025.
Onderstaande moties komen aan de orde:
– Motie van de leden Ceder (CU) en Bruyning (NSC) over het verwerken van bewezen effectieve
voorzieningen in de Hervormingsagenda.
– Motie van het lid Mutluer (PRO) over een wetenschappelijk onderzoek naar de effectiviteit
van de aanpak en behandeling van de gevolgen van georganiseerd en gewelddadig misbruik
van minderjarigen.
– Motie van het lid Van der Werf (D66) over een onderzoek naar de meerwaarde van een
periodieke check-up van minderjarige slachtoffers van seksueel misbruik.
– Motie van het lid Ceder (CU) over met stakeholders in de gezinshuiszorg en gemeenten
in gesprek gaan over aanvullende kwaliteitseisen.
– Gewijzigde motie van de leden Bruyning (NSC) en Tielen (VVD) over onderzoek naar fraude
met valse ervaringscertificaten binnen het SKJ-register (t.v.v. Kamerstuk 28 828, nr. 151).
– Motie van het lid Moinat (Groep Markuszower) c.s. over in beginsel jeugdigen voor
jeugdhulp in Nederland plaatsen.
– Motie van het lid Van der Plas (BBB) over de fysieke en mentale gezondheid van kinderen
meewegen bij noodmaatregelen.
– Motie Van den Hil (VVD) c.s. over het samen met gemeente en Valente verkennen welke
knelpunten en oplossingen te formuleren zijn voor kinderen die met hun ouder in een
opvanghuis verblijven en waar zich knelpunten voordoen in de financiering van jeugdzorg.
– Motie van het lid Lahlah (PRO) c.s. over indien een kosteloze betalingsherinnering
niet doorgaat de middelen daarvoor wel inzetten voor mensen in financiële kwetsbaarheid.
– Motie Stoffer c.s. over een voorstel voor een samenhangende jeugd- en gezinsaanpak.
– Toezegging verkenning vergunningplicht voor jeugdhulpaanbieders.
– Toezegging over een kwalitatieve duiding Hervormingsagenda Jeugd met als doel gemeenten
van elkaar te laten leren.
Motie van de leden Ceder (CU) en Bruyning (NSC) over het verwerken van bewezen effectieve
voorzieningen in de Hervormingsagenda1
De motie van de leden Ceder en Bruyning verzoekt de regering nadrukkelijk te kijken
naar bewezen effectieve voorzieningen zoals opvoedcursussen, begeleiding bij complexe
echt- dan wel vechtscheidingen, relatietherapie en een doorlopende leerlijn rond opvoedondersteuning
en deze aspecten expliciet te betrekken en te verwerken in de continuering van de
Hervormingsagenda Jeugd.
Het is belangrijk dat gezinnen tijdig toegang hebben tot laagdrempelige ondersteuning
bij opvoed- en scheidingsvraagstukken. Belangrijk is dat passend bij de hulpvraag,
gebruik wordt gemaakt van bewezen effectieve (preventieve) interventies. Via de Hervormingsagenda
Jeugd wordt ingezet op het benutten van bestaande kennis over effectieve interventies
door beleidsmakers en professionals. Het Nederlands Jeugdinstituut en het Nederlands
Centrum Jeugdgezondheid beschikken over databanken met beoordeelde interventies, waaronder
interventies gericht op ondersteuning bij scheidingsproblematiek.
Daarnaast wordt binnen de Hervormingsagenda Jeugd gewerkt aan het versterken van de
pedagogische basis. Zo worden gemeenten in het voorgenomen wetsvoorstel Reikwijdte
verplicht een visie op de pedagogische basis op te stellen.
Op andere manieren is er ook aandacht voor effectieve interventies, waaronder Kansrijke
Start dat inzet op vroegsignalering en passende ondersteuning van gezinnen in de eerste
1.000 dagen. Dit gebeurt onder meer door de samenwerking tussen het medische, sociale
en publieke domein te versterken en de inzet van erkende opvoedinterventies te stimuleren.
Ook kunnen ouders met vragen over opvoeden en opgroeien laagdrempelig terecht bij
de Jeugdgezondheidszorg.
Samen met gemeenten en betrokken partners en het Ministerie van Justitie en Veiligheid
zal de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport blijvend inzetten op verdere kennisdeling
van werkwijzen en interventies met bewezen effectieve elementen bij relatie- en scheidingsproblematiek,
zodat datgene wat werkt gedeeld wordt in het land. Dit voorjaar zijn regiobijeenkomsten
over scheidingsproblematiek verspreid in het land georganiseerd waar professionals
van gemeenten en wijkteams kennis hebben uitgewisseld.2 Ook gaat een vertegenwoordiging van het Ministerie van VWS deze zomer in gesprek
met de vertegenwoordigers van de Agenda voor het Hart over het rapport sterke partnerrelaties.3
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport beschouwt de motie hiermee als afgedaan.
Motie van het lid Mutluer (PRO) over een wetenschappelijk onderzoek naar de effectiviteit
van de aanpak en behandeling van de gevolgen van georganiseerd en gewelddadig misbruik
van minderjarigen4
Motie van het lid Van der Werf (D66) over een onderzoek naar de meerwaarde van een
periodieke check-up van minderjarige slachtoffers van seksueel misbruik5
De motie van het lid Mutluer (PRO) verzoekt de regering een wetenschappelijk onderzoek
in te stellen naar de effectiviteit van de aanpak en behandeling van de psychosociale
en fysieke gevolgen van georganiseerd en gewelddadig misbruik van minderjarigen, en
de Kamer daarover te informeren. De motie van het lid van der Werf (D66) verzoekt
de regering te onderzoeken welke meerwaarde een periodieke check-up van minderjarige
slachtoffers van seksueel misbruik kan hebben voor hun fysieke en mentale gezondheid
op de lange termijn, te verkennen hoe die monitoring zou kunnen worden vormgegeven
(eventueel in combinatie met longitudinaal onderzoek) en de Kamer daarover te informeren.
Behandeling van gevolgen van georganiseerd en gewelddadig misbruik van minderjaren
In de bijlage van deze brief vindt u het onderzoek dat het Kenniscentrum Kinder- en
Jeugdpsychiatrie (KJP) heeft uitgevoerd ter uitvoering van de twee moties. De psychosociale
en fysieke gevolgen van georganiseerd en gewelddadig (seksueel) misbruik zijn verstrekkend
en van diverse aard. Veerkracht en steun zijn helpend bij herstel. Gezien de langdurige
negatieve effecten die ondervonden kunnen worden is behandeling wenselijk. Door de
diverse aard van de oorzaken en klachten vraagt het van professionals om behandeling
af te stemmen op het individu. Het onderzoek van KJP geeft aan voor welke vormen van
behandeling wetenschappelijke aanwijzingen zijn voor effectiviteit en in welke mate.
Het is aan de behandelaar rekening te houden met de volgorde van behandeling, rekening
houdend met de urgentie van klachten, veiligheid, belastbaarheid en voorkeuren van
de hulpvrager. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport beschouwt de motie
hiermee als afgedaan.
De meerwaarde van periodieke check-ups na seksueel misbruik
Bijgevoegd onderzoek door het KJP geeft aan dat op dit moment niet wetenschappelijk
kan worden aangetoond dat periodieke check-ups bij minderjarige slachtoffers van seksueel
misbruik van meerwaarde zijn. In de gesprekken die KJP heeft gehouden in het kader
van dit onderzoek is door professionals en ervaringsdeskundigen wel aangegeven dat
zij verwachten dat periodieke check-ups een meerwaarde kunnen hebben in preventie,
tijdswinst, erkenning, continuïteit en houvast. Het KJP zal de verzamelde kennis uit
het onderzoek in het kader van de twee moties op hun website vrij toegankelijk beschikbaar
stellen voor hulpverleners, beleidsmakers en andere belanghebbenden in de jeugd-ggz
en brede jeugdhulp. De opgedane kennis zal worden geïntegreerd in de reeds bestaande
praktijkstandaarden en kennisdossiers van het KJP. Publicatie op hun website wordt
verwacht per eind juni 2026. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport beschouwt
de motie hiermee als afgedaan.
Motie van het lid Ceder (CU) over met stakeholders in de gezinshuiszorg en gemeenten
in gesprek gaan over aanvullende kwaliteitseisen6
Met de gezinshuissector spant de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport zich
in voor veilige en kwalitatief goede zorg. Daartoe worden kwaliteitscriteria voor
de gezinshuizen momenteel herzien, vanuit het netwerk Kwaliteit en Blijvend Leren
(KBL). In deze herziening is het doel mede om de criteria in de praktijk beter toepasbaar,
concreet en normerend te maken. Het verzoek vanuit motie Ceder om met stakeholders
in de gezinshuiszorg en gemeenten in gesprek te gaan over aanvullende kwaliteitseisen
die gemeenten kunnen stellen bij contractering, wordt in dit traject meegenomen. Eerste
gesprekken hierover hebben reeds plaatsgevonden. Daarmee wordt voldaan aan de genoemde
motie. Ook wordt goed de verbinding gelegd met de inzet vanuit de Hervormingsagenda
Jeugd.
In de Hervormingsagenda Jeugd is afgesproken dat de (hoog)specialistische jeugdzorg
wordt gestandaardiseerd, van contract tot en met verantwoording. Het doel is op deze
manier administratieve lasten te verminderen en tegelijkertijd het zicht op het zorglandschap
te verbeteren doordat ook data beter landelijk kunnen worden vergeleken. Binnen dit
programma loopt een versnelling op de gezinshuiszorg. Met een kernteam bestaande uit
gezinshuiszorgaanbieders en gemeenten en de werkorganisatie Kwaliteit en Blijvend
Leren, wordt uitgewerkt hoe de regionaal in te kopen gezinshuiszorg kan worden gestandaardiseerd.
Gewijzigde motie van de leden Bruyning (NSC) en Tielen (VVD) over onderzoek naar fraude
met valse ervaringscertificaten binnen het SKJ-register (t.v.v. 28828-151)7
In deze motie wordt de regering verzocht om grondig onderzoek te (laten) doen naar
de oorzaken, aard en omvang van de fraude met valse ervaringscertificaten binnen het
SKJ-register, om in samenwerking met relevante instanties maatregelen te treffen die
de integriteit van het SKJ-register versterken en de Kamer te informeren over de bevindingen
van het onderzoek en de getroffen maatregelen.
In januari van dit jaar is de EVC-standaard voor hbo vakbekwame jeugd- en gezinsprofessional
ingetrokken door standaardeigenaren (branchepartijen). Daardoor mogen er geen nieuwe
EVC-trajecten worden gestart.
Daarnaast is de taskforce EVC bezig met onderzoek naar een aangepaste of alternatieve
registratieroute. Hierbij is ook VWS betrokken.
De SKJ geeft momenteel nog uitvoering aan haar onderzoek naar registraties op basis
van EVC. In 2025 zijn door de toenmalige Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport
en Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid hiervoor middelen aan SKJ verstrekt.
Voor 2026 zijn de middelen voor het onderzoek binnen het Kwaliteitsregister, naast
de € 200.000 via het amendement van Synhaeve en Wendel, door de Minister van Langdurige
zorg, Jeugd en Sport en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid opgehoogd tot
€ 2 miljoen. Daarmee kan SKJ fraude met valse ervaringscertificaten binnen het register
nader onderzoeken.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport beschouwt de motie hiermee als afgedaan.
Motie van het lid Moinat (Groep Markuszower) c.s. over in beginsel jeugdigen voor
jeugdhulp in Nederland plaatsen8
Om uitvoering te geven aan de motie van het lid Moinat is de Minister van Langdurige
Zorg, Jeugd en Sport in overleg met de VNG, IGJ, Jeugdzorg Nederland, NJI en KBL om
afspraken te maken om jeugdigen in beginsel in Nederland te plaatsen, tenzij plaatsing
in het buitenland in het belang is van het kind, er geen passend alternatief in Nederland
beschikbaar is en de plaatsingsprocedure verloopt via de regels van de Centrale Autoriteit
Internationale Kinderaangelegenheden en het Afsprakenkader Buitenlands Zorgaanbod
Jeugd. Daarbij wordt verkend of hiertoe regelgeving noodzakelijk is.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport zal u aan het einde van dit jaar nader
over de voortgang informeren.
Motie van het lid Van der Plas (BBB) over de fysieke en mentale gezondheid van kinderen
meewegen bij noodmaatregelen9
De gevolgen van de pandemie op het gebied van mentale gezondheid zijn nog steeds zichtbaar.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport onderschrijft dat het belangrijk is
om oog te hebben voor de mentale gezondheid van jongeren tijdens de inzet van noodmaatregelen.
Het belang hiervan laten ook de geleerde lessen uit de Integrale Gezondheidsmonitor
COVID-1910 van het Netwerk Gezondheidsonderzoek bij Rampen (GOR) zien.
Werken aan een mentaal gezondere samenleving begint met oog hebben voor je eigen mentale
gezondheid én die van anderen. Daarbij is het goed om te weten wat je kunt doen om
mentaal gezond te zijn en te blijven, bijvoorbeeld tijdens belangrijke levensgebeurtenissen
of overgangen in het leven. Het is belangrijk dat jongeren de mogelijkheden kunnen
vinden om veerkrachtig te kunnen zijn. Daar wordt op ingezet via de acties binnen
thema 1 van de Versterkingsagenda mentale gezondheid: versterken mentale veerkracht.11
Met het oog op mogelijke toekomstige crisissen mogen we jongeren niet vergeten. Tijdens
pandemieën adviseert het Maatschappelijk Impact Team (MIT), gehuisvest bij het SCP,
over de sociaal-maatschappelijke en economische gevolgen van de pandemie en de bijbehorende
maatregelen, waaronder de impact op mentale gezondheid. Het MIT bestaat uit wetenschappers
en praktijkdeskundigen zoals economen, sociologen en gedragsdeskundigen. Het SCP is
gestart met het opbouwen van een kennisbasis voor maatschappelijke weerbaarheid, onder
meer om het MIT te kunnen voeden met actuele kennis en inzichten. In deze kennisbasis
wordt ook de mentale gezondheid meegenomen. Mede hiermee wordt geborgd dat lessen
uit de coronapandemie niet verloren gaan.
Binnen de Rijksbrede weerbaarheidsaanpak is oog voor verschillende doelgroepen, inclusief
jongeren. Als onderdeel daarvan brengt VWS in 2026 in kaart of aanvullend op lopende
initiatieven additionele inzet nodig is in het kader van zelf- en samenredzaamheid,
waaronder die van jongeren.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport beschouwt de motie hiermee als afgedaan.
Motie Van den Hil (VVD) c.s. over het samen met gemeente en Valente verkennen welke
knelpunten en oplossingen te formuleren zijn voor kinderen die met hun ouder in een
opvanghuis verblijven en waar zich knelpunten voordoen in de financiering van jeugdzorg12
Deze motie verzoekt de regering om samen met de gemeenten en Valente te verkennen
welke knelpunten en oplossingen te formuleren zijn voor kinderen die met hun ouder
in een opvanghuis verblijven en waar zich knelpunten voordoen in de financiering van
jeugdzorg. Eerder bent u geïnformeerd dat er met betrokken partijen (waaronder VNG,
Valente en Jeugdzorg Nederland) een verkenning werd gedaan om de knelpunten en oorzaken
scherper in beeld te krijgen.13 Het beeld dat hieruit naar voren komt is dat de knelpunten zich voordoen op de intergemeentelijke
samenwerking. Met de VNG is gekeken op welke manier goede werkafspraken tussen gemeenten
gefaciliteerd kunnen worden om knelpunten in de samenwerking te voorkomen. Hieruit
is naar voren gekomen dat goede mandaatafspraken tussen gemeenten een oplossing kunnen
bieden. Met de VNG wordt bekeken hoe dit gefaciliteerd kan worden. Daarnaast wordt
gekeken naar een escalatieroute als zich toch problemen voordoen.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport informeert de kamer hierover voor
het einde van het jaar.
Motie van het lid Lahlah (PRO) c.s. over indien een kosteloze betalingsherinnering
niet doorgaat de middelen daarvoor wel inzetten voor mensen in financiële kwetsbaarheid.14
De motie van de leden Lahlah, Flach, Ceder en Van Kent verzoekt de regering om de
middelen voor een kosteloze betalingsherinnering door het CJIB naar de envelop Groepen
in de knel terug te laten vloeien, indien deze maatregel wegens het ontbreken van
structurele financiering niet doorgaat, zodat deze middelen doelgericht kunnen worden
ingezet voor mensen in financiële kwetsbaarheid. Inmiddels is besloten dat de resterende
middelen die op de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid stonden
vanuit deze envelop terugvloeien naar de begroting van het Ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, om te worden ingezet voor financieel kwetsbare huishoudens.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid beschouwt hiermee de motie als afgedaan.
Toezegging verkenning vergunningplicht voor jeugdhulpaanbieders.
In de Hervormingsagenda Jeugd en Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) is afgesproken
dat verkend zou worden of een vergunningplicht voor jeugdhulpaanbieders ingevoerd
zou worden. Gegeven de gesprekken hierover met het veld en een eerste verkenning heeft
de Minister van Langdurige Zorg, Welzijn en Sport besloten een wetvoorstel voor te
bereiden om een vergunningplicht voor jeugdhulpaanbieders in te voeren.15 Het doel van deze vergunningplicht is om meer zicht en grip op aanbieders te krijgen,
kwaliteit en integriteit van (her)startende jeugdhulpaanbieders te bevorderen en fraude
in de jeugdzorg tegen te gaan. Er is breed draagvlak bij zowel aanbieders, gemeenten
en toezichthouders om tot de invoering van dit instrument over te gaan.
Waar mogelijk en passend wordt aangesloten bij de vergunningplicht die op grond van
de Wet toetreding zorgaanbieders geldt voor instellingen die Wlz- of Zvw-zorg of medisch
specialistische zorg verlenen (Wtza-vergunning). Als uitwerking van het AZWA wordt
een verdieping en verbreding van de bestaande Wtza-vergunningplicht verkend. Vanwege
de samenhang wordt hierin gezamenlijk opgetrokken. In dat kader wordt ook bezien in
hoeverre de mogelijkheden voor verdieping en verbreding ook voor de vergunningplicht
voor jeugdhulpaanbieders kan gelden. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport
streeft ernaar dit wetsvoorstel in 2028 aan te bieden aan de Tweede Kamer.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport beschouwt de toezegging hiermee als
afgedaan.
Toezegging over een kwalitatieve duiding Hervormingsagenda Jeugd met als doel gemeenten
van elkaar te laten leren.
Het lid Coenradie (JA21) heeft mij gevraagd om een kwalitatieve duiding te geven aan
waar het, gegeven de doelstellingen in de Hervormingsagenda, goed gaat bij gemeenten
en waar niet. Het is lastig om gemeenten aan te wijzen die als algemeen voorbeeld
kunnen dienen voor andere gemeenten. Er zijn gemeenten die op onderdelen van de Hervormingsagenda
Jeugd goed bezig zijn en als voorbeeld kunnen dienen, maar die op andere onderdelen
nog aandachtspunten hebben. Ook verschilt de lokale context van gemeenten, en daarmee
de invulling en focus van de hervormingen per gemeente. Wat goede voorbeelden zijn,
kan dus per gemeente verschillen.
Dat laat onverlet dat het wel belangrijk is om beter inzicht te krijgen in het stelsel
als geheel en dat gemeenten ook het goede gesprek met elkaar voeren en van elkaar
kunnen leren.
Om beter inzicht te krijgen in het stelsel als geheel, hebben we in de Hervormingsagenda
afgesproken een centrale monitor van het jeugdstelsel in te richten. Deze monitor
brengt structureel en integraal informatie over het functioneren van het jeugdstelsel
op de doelen kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid over de jaren heen in beeld.
We willen immers dat kinderen die dat nodig hebben tijdig passende en kwalitatief
goede zorg ontvangen en dat de uitgaven aan jeugdzorg houdbaar zijn. In het najaar
van dit jaar wordt de eerste monitor door het CBS gepubliceerd.
Waar het gaat over hoe gemeenten het doen op verschillende indicatoren en het leren
van elkaar geldt dat er al veel gegevens beschikbaar zijn die de verschillen tussen
gemeenten inzichtelijk maken. Op 30 april zijn de voorlopige cijfers jeugdhulpgebruik,
jeugdbescherming en jeugdreclassering van 2025 gepubliceerd.16 Ook heeft het CBS een Dashboard Jeugdzorg met cijfers per jeugdregio en gemeente.
Hierbij kan gedacht worden aan cijfers over herhaald beroep op jeugdhulp, trajectduur
en de in- en uitstroom.17 Tot slot heeft het CBS in 2025 modelschattingen jeugdzorggebruik per gemeente op
basis van kenmerken van de inwoners gemaakt. De modelschattingen maken de samenhang
tussen achtergrondkenmerken en inzet van jeugdzorg inzichtelijk, en niet oorzaak en
gevolg.18 Onderdeel van de modelschattingen is een benchmark met als doel om gemeenten en jeugdzorgregio's
van elkaar te laten leren en het goede gesprek te voeren.
Al deze publicaties van het CBS geven gemeenten en regio’s handvaten om het gesprek
met elkaar te voeren en van elkaar te leren. Dit gesprek is ook van belang om het
verhaal achter de cijfers scherp te krijgen.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport beschouwt de toezegging hiermee als
afgedaan.
Tot slot
Er ligt een grote opgave om de jeugdzorg te verbeteren en voor de lange termijn houdbaar
te maken. We werken aan het voorkomen van instroom in de jeugdzorg zodat de aandacht
en tijd besteed kan worden aan het bieden van passende zorg aan kinderen. Er wordt
onder meer via de Hervormingsagenda met en door de betrokken partijen hard gewerkt
aan verschillende maatregelen om hier stappen op te zetten. In het recente debat over
de jeugdzorg is hier uitgebreid bij stil gestaan. Dit kabinet zal hier volop mee doorgaan
en kijken waar de maatregelen verder versterkt en versneld kunnen worden. Zodat kinderen
uiteindelijk minder jeugdzorg nodig hebben, de kwaliteit van de jeugdzorg beter is
en de jeugdzorg passend en tijdig beschikbaar is voor de kinderen en gezinnen in de
meest kwetsbare situaties.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
K.T. van Bruggen
BIJLAGE AANBIEDING RAPPORTEN
Rapportage Jeugdhulp 2025 & Rapportage Jeugdbescherming en Jeugdreclassering 2025
(CBS)
Bijgevoegd bij deze brief ontvangt u de voorlopige CBS-cijfers jeugdzorggebruik 2025.
– Na een jarenlange toename in het aantal jongeren met jeugdhulp in de leeftijd van
0 tot 23 jaar lijkt er nu voor het eerst sprake te zijn van een afname. Volgens de
voorlopige cijfers van het CBS ontving 11% van de jongeren tot 23 jaar jeugdhulp in natura in 202519. Dat zijn 465.265 jongeren (voorlopige cijfers) t.o.v. 478.655 jongeren (definitieve
cijfers) in 2024. In de definitieve cijfers van 2025 wordt door CBS een daling verwacht
van 0,8 procent (ongeveer 3.665 jongeren minder) t.o.v. 2024. Ook het verwachte definitieve
aantal jeugdhulptrajecten komt voor 2025 bijna 2 procent lager uit dan het definitieve
cijfer over 2024.
– Net als in voorgaande jaren was jeugdhulp zonder verblijf de meest gebruikte vorm van jeugdzorg; hier maakte 96% van de jongeren met
jeugdhulp gebruik van. Verder maakte 3,5% van de jongeren met jeugdhulp gebruik van
alléén jeugdhulp met verblijf (ten opzichte van 3,6% in 2024), 4,9% van beide vormen (jeugdhulp met én zonder verblijf) ten opzichte van 5,2% in 2024, en 91,6% van alléén jeugdhulp zonder verblijf (ten opzichte van 91,2% in 2024).
– De daling van het aantal jongeren in de jeugdbescherming (OTS en voogdij) zet door,
van 26.160 op peildatum 31 dec 2024 naar 25.415 jongeren op peildatum 31 dec 2025
(voorlopige cijfers)20; een daling van 2,8%.
– Na een daling van het aantal jongeren met een jeugdreclasseringsmaatregel in de periode
tot eind 2022, neemt het aantal jongeren sinds 2023 weer licht toe. Op de peildatum
31 dec 2025 hadden 5.870 jongeren (voorlopige cijfers) een jeugdreclasseringsmaatregel.
Op 31 dec 2024 waren dat 5.740 jongeren (definitieve cijfers)21. Een stijging van 2,3%. De stijging is wel afgenomen t.o.v. 2024 (10,4%).
– Gebruik van jeugdzorg (zowel jeugdhulp als jeugdbescherming en jeugdreclassering)
hangt samen met kenmerken van ouders en huishouden. In vergelijking met alle kinderen
in Nederland woont onder jongeren met jeugdhulp een lager percentage van de ouders
op hetzelfde adres, is het aandeel Wmo en/of GGZ in huishoudens hoger en is het aandeel
huishoudens met iemand die als verdachte van een misdrijf is aangemerkt hoger. Onder
alle jongeren in de leeftijd van 0 t/m 22 jaar zijn de hoogste percentages jongeren
met jeugdhulp gemeten binnen de 20% laagste huishoudinkomens.
Meer cijfers over andere ontwikkelingen binnen de jeugdzorg vindt u in de bijgevoegde
rapporten.
Naar een visie op ondersteuning van kwetsbare gezinnen (Bureau EMMA)
Het kabinet wil dat alle kinderen in Nederland gezond, veilig en veerkrachtig opgroeien.
Het gezin is hiervoor een belangrijke basis. Ruim 92.000 kinderen groeien echter op
in armoede22. Vaak spelen in de gezinnen van deze kinderen ook andere problemen, zoals werkloosheid,
slechte huisvesting, opvoedproblemen of gezondheidsproblemen. Deze problemen hangen
met elkaar samen en versterken elkaar. Om te komen tot daadwerkelijke oplossingen
werken de Ministeries van VWS, SZW, OCW, BZK en JenV aan een brede aanpak voor het
versterken van de integrale en preventieve ondersteuning aan deze gezinnen. De aanpak
is onderdeel van de Sociale Agenda Nederland. Om tot de aanpak te komen heeft Bureau
EMMA gesprekken gefaciliteerd met gemeenten, experts, maatschappelijk middenveld en
ervaringsdeskundigen. In deze gesprekken is gewerkt aan een breed gedragen visie op
de ondersteuning van gezinnen in een kwetsbare positie. Ook zijn knelpunten geïdentificeerd
en oplossingsrichtingen geformuleerd die kunnen bijdragen aan het realiseren van een
samenhangend ondersteuningsaanbod voor gezinnen (zie bijlage). Hieruit blijkt dat
er veel kennis is en diverse goedwerkende initiatieven bestaan, maar dat leren van
elkaar en daadwerkelijk domeinoverstijgend denken en werken in de praktijk nog moeizaam
van de grond komt.
De betrokken partijen signaleren op allerlei niveaus knelpunten, die van variëren
van landelijke wetgeving tot deskundigheid van professionals. Een belangrijke factor
is dat de nodige samenwerking op lokaal niveau niet voldoende tot stand komt om daadwerkelijk
preventief en integraal te werken vanuit het perspectief van het gezin. Er zijn patronen
in organisaties in de aansturing, cultuur en samenwerking die professionals belemmeren
om te doen wat nodig is voor deze gezinnen en de interventies die in theorie werken
ook daadwerkelijk effectief te laten zijn. De komende jaren willen de Ministeries
van VWS, SZW, OCW, BZK en JenV specifiek hierop inzetten. Dit wordt gedaan door te
starten met een praktijklab, waarin zes tot acht gemeenten gezamenlijk leren en lokaal
aan de slag gaan om belemmerende patronen in de samenwerking en cultuur te doorbreken.
Gemeenten worden ondersteund om deze verandering te realiseren. De intentie is dat
de lessen uit het praktijklab gebruikt kunnen worden voor toepassing in een groter
aantal gemeenten. Hierbij is nadrukkelijk aandacht voor de aansluiting met andere
lopende initiatieven, zoals het de implementatie van het convenant Stevige Lokale
Teams, het Toekomstcenario Kind- en Gezinsbescherming en Kansrijke Start. Hiermee
geven wij invulling aan de motie Stoffer c.s. over een voorstel voor een samenhangende
jeugd- en gezinsaanpak.23
Eindrapport Behoeften Logeer- en Respijtzorg (Sociaal ontwerpbureau Snijboon)
Het afgelopen half jaar heeft het sociaal ontwerpbureau Snijboon in het kader van
de werkagenda VN-verdrag Handicap onderzoek gedaan naar de behoeften naar en knelpunten
in het aanbod logeer- en respijtzorg en mogelijke oplossingsrichtingen. Dit traject
heeft, in samenwerking met mantelzorgers, aanbieders van logeerzorg en veldpartijen,
een prototype opgeleverd (zie bijlage), dat de basis kan vormen voor een digitale
gids voor het opzetten van kleinschalige logeer- of respijtvoorzieningen. De gids
leidt potentiële nieuwe aanbieders van logeer- en respijtzorg als een routeplanner
door alle zaken die moeten worden afgewogen, afgestemd en georganiseerd om een dergelijke
voorziening te realiseren. Het prototype biedt kansen om nieuw aanbod te stimuleren,
maar is in zijn huidige vorm nog niet geschikt voor brede toepassing. De komende tijd
zal de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport dan ook de mogelijkheden verkennen
om dit prototype door te ontwikkelen en in gesprek gaan met partijen die dit prototype
bij mogelijke gebruikers onder de aandacht kunnen brengen.
Indieners
-
Indiener
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport -
Medeindiener
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid