Brief regering : Vervolgstappen aanpak diplomafraude mbo en beleidsreactie themaonderzoeken Inspectie van het Onderwijs
28 828 Fraudebestrijding in de zorg
Nr. 165
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 29 juni 2026
Diplomafraude ondermijnt het vertrouwen in het mbo-diploma en leidt tot grote risico’s
op de werkvloer. In de zorg- en welzijnssector, maar mogelijk ook in andere sectoren,
proberen medewerkers met frauduleus verkregen certificaten van Erkenning van Verworven
Competenties (EVC-certificaten) vrijstellingen te krijgen voor (onderdelen van) mbo-zorgopleidingen.
En ook via fraude met stages wordt geprobeerd een diploma te verkrijgen.
Elke vorm van fraude is onacceptabel, want het leidt tot persoonlijke en maatschappelijke
schade. Daarom zet ik me er, samen met andere verantwoordelijke partijen, onverminderd
voor in om fraude te bestrijden. Dit kabinet zet bovendien in op een hardere aanpak
van criminele inmenging, onder meer in de zorgbranche.1 Diverse ministeries, inspecties, koepelorganisaties, onderwijsinstellingen, Openbaar
Ministerie, politie en andere betrokken partijen wisselen ervaring uit, werpen drempels
op en versterken toezicht en handhaving.2
In deze brief geef ik een beleidsreactie op twee themaonderzoeken van de Inspectie
van het Onderwijs, respectievelijk over EVC-fraude en over stagefraude, en ik beschrijf
de vervolgstappen in onze aanpak van diplomafraude in het mbo.3
Samenvatting themaonderzoek EVC-fraude
EVC-trajecten zijn ingezet vanwege een grote behoefte aan bij- en omscholing van zij-instromers,
met name in kraptesectoren. Helaas is op grote schaal gefraudeerd met EVC-certificaten.
Op 21 april 2026 publiceerde de Inspectie van het Onderwijs hierover het verdiepende
themaonderzoek Van EVC naar diploma: een verborgen route achter diplomafraude. De inspectie gaat hiermee in op de grondoorzaken van de fraude en waarom het privaat
georganiseerde systeem van erkenning van EVC-aanbieders in de afgelopen jaren niet
heeft gewerkt. Zo wijst de inspectie op systeemzwaktes in het EVC-toezicht, omdat
dat toezicht niet onafhankelijk is, mede vanwege een financieel belangenconflict.
Dat het toezicht ondermaats is gebleken, wordt duidelijk gemaakt aan de hand van cijfers
over het misbruik en de schaal waarop het heeft plaatsgevonden. Het systeem van erkenning
van EVC-aanbieders bleek onvoldoende waarborg voor de betrouwbaarheid en kwaliteit
van een EVC-certificaat. Naar aanleiding hiervan doet de inspectie de aanbeveling
om (meer) de regie te nemen over het EVC-stelsel en het toezicht daarop.
Achtergrondinformatie fraude met EVC-certificaten
Een traject voor Erkenning van Verworven Competenties (EVC-traject) is een gestandaardiseerde
methodiek waarbij in beeld wordt gebracht wat een persoon heeft geleerd buiten het
formele onderwijs om. Bijvoorbeeld op de werkvloer, via vrijwilligerswerk, of door
andere levenservaringen. Dit wordt door een EVC-bureau beschreven in een zogenoemd
«EVC-certificaat». Dit EVC-certificaat kan de persoon vervolgens gebruiken bij het
solliciteren naar (ander) werk of bij het aanvragen van een vrijstelling bij een (examencommissie
van) een onderwijsinstelling. In 2024 bleek, uit signalen van het Openbaar Ministerie,
de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, dat criminelen
misbruik maakten van dit EVC-stelsel en via frauduleus verworven EVC-certificaten
een legaal mbo-diploma hebben verworven.
Beleidsreactie op onderzoek EVC-fraude en genomen maatregelen
Aanbeveling inspectie in lijn met aanpak kabinet EVC-fraude
Dit themaonderzoek geeft een goed beeld van problemen die zich hebben voorgedaan in
het EVC-stelsel en welke gevolgen dit heeft gehad. Dit themaonderzoek benadrukt bovendien
de noodzaak om hierop in te grijpen. Al in 2025 heeft mijn voorganger alle onderwijsinstellingen
in het mbo verzocht om permanent zeer terughoudend te zijn met het verlenen van vrijstellingen
op basis van EVC-certificaten en alleen een vrijstelling te verlenen als boven alle
twijfel verheven is dat iemand voldoet aan de kwalificatie-eisen. De MBO Raad heeft
aangegeven dat onderwijsinstellingen hieraan massaal gehoor hebben gegeven. Ondertussen
worden onderwijsinstellingen en examencommissies actief ondersteund door de MBO Raad,
de Nederlandse Raad voor Training en Opleiding (NRTO) en de Inspectie van het Onderwijs
om alertheid op fraude te vergroten.
Daarbovenop heeft het kabinet vanuit vier ministeries in februari van dit jaar alle
gebruikers in het onderwijs en werkveld opgeroepen te stoppen met het verzilveren
van EVC-certificaten.4 Dat was een vergaande maar ook noodzakelijke stap. Onze stakeholders in onderwijs
en werkveld vertrouwden op het systeem van erkende EVC-aanbieders en de EVC-certificaten.
Onderwijsinstellingen en werkgevers blijven echter zelf verantwoordelijk om te controleren
dat personen beschikken over de vereiste kennis en vaardigheden. Deze controle kan
niet uitsluitend bestaan uit bewijsstukken van bekwaamheid van private partijen, zoals
EVC-certificaten. Dit vereist een actieve, zorgvuldige eigen beoordeling, niet enkel
een «papieren exercitie». Investeren in overheidstoezicht bij een EVC-stelsel dat
is geïnfiltreerd door criminelen, biedt daarom onvoldoende een oplossing om de huidige
misstanden aan te pakken en te voorkomen. De inzet van het kabinet is er nu op gericht
dat alle betrokkenen hun verantwoordelijkheid nemen. Voor het onderwijs ligt er een
essentiële rol bij examencommissies. Zij hebben de expertise en verantwoordelijkheid
om hierin op te treden.
Ik beschouw de examencommissies van onderwijsinstellingen als poortwachters in de
route om, via vrijstellingen, een mbo-diploma te verwerven. Van examencommissies wordt
gevraagd om voortdurend alert te zijn op frauderisico’s bij het verlenen van vrijstellingen
op basis van extern verkregen bewijsstukken. Dat geldt niet alleen voor EVC-certificaten
maar ook bij skillspaspoorten en andere LLO-instrumenten waarbij bewijsstukken van
vakbekwaamheid worden ingezet. Examencommissies blijven krachtens de wet altijd zelf
verantwoordelijk voor de beoordeling of iemand daadwerkelijk over voldoende kennis
en kunde beschikt om in aanmerking te komen voor een vrijstelling van een (deel van
een) examen en zij kunnen niet leunen op extern verkregen bewijsstukken.5 De inspectie ziet daarom toe op het goed functioneren van examencommissies binnen
onderwijsinstellingen.
Bij het aanspreken van examencommissies op hun expertise en verantwoordelijkheid stopt
mijn aanpak niet. Met de volgende stappen is mijn inzet om fraude tegen te gaan én
tegelijkertijd mensen de mogelijkheid te blijven geven om zich laagdrempelig om- en
bij te scholen.
Vervolgstappen in 2026
Betrouwbare methodes voor (h)erkennen leer- en werkervaring
Efficiënte vormen van bij- en omscholing van zij-instromers zijn, zeker in maatschappelijk
cruciale kraptesectoren, onverkort van groot belang. Zij-instromers die al over relevante
kennis en kunde beschikken, zouden dit in de mbo-opleiding niet opnieuw moeten hoeven
te leren. Voor hen zijn maatwerktrajecten wenselijk. Ik acht het daarom van essentieel
belang dat opleidingsteams en examencommissies blijven investeren in maatwerktrajecten
voor zij-instromers en betrouwbare methodes hanteren om de eerdere leer- en werkervaring
van zij-instromers te (h)erkennen. Ik zet daarom vanaf 2026 twee acties in:
1. Ondersteuning aan onderwijsinstellingen
Onderwijsinstellingen ontvangen een handreiking voor:
• het door examencommissies nemen van fraudebestendige besluiten over het verlenen van
vrijstellingen voor de beroepsgerichte examens;
• het bieden van maatwerk aan zij-instromers met relevante leer- en werkervaring.
Deze handreiking wordt opgesteld op basis van gesprekken en in samenspraak met onderwijsinstellingen,
examencommissies en koepelorganisaties als MBO Raad en NRTO en zal in het najaar van
2026 breed onder bekostigde en niet-bekostigde instellingen worden verspreid.
2. Versteviging toezicht op vrijstellingen beroepsgerichte examens
Het is van belang dat de inspectie het toezicht op het verlenen van vrijstellingen
voor beroepsgerichte examinering verstevigt. Op dit moment heeft de inspectie hier
onvoldoende zicht op. Daarbij wordt verkend of de inspectie gebruik kan maken van
data uit het Register Onderwijs Deelnemers (ROD) ten behoeve van gericht inspectie-onderzoek
naar vrijstellingen voor beroepsgerichte examens. Hiertoe is nodig dat onderwijsinstellingen
aan het ROD doorgeven of de student een vrijstelling heeft gekregen voor beroepsgerichte
examinering. De inspectie kan dan, aan de hand van analyse van de data uit het ROD,
gericht specifieke onderwijsinstellingen of opleidingen benaderen voor nader onderzoek.
Samenvatting themaonderzoek stagefraude
In het themaonderzoek Zwaktes in het systeem van stage en examinering: een verborgen route achter diplomafraude,
gaat de inspectie in op verschillende manieren waardoor fraude met stages en examinering
kan plaatsvinden in de beroepspraktijkvorming (bpv). Ook voor het beoordelen van stages
geldt dat van een cultuur van vertrouwen helaas misbruik gemaakt kan worden. Daarom
beveelt de inspectie aan dat onderwijsinstellingen zelf voldoende zicht houden op
de bpv en het afnemen en beoordelen van examens in de praktijk. Bij onderwijsinstellingen
ziet de inspectie dat er over het algemeen nog geen (toereikend) beleid is om fraude
te signaleren en hierop te handelen. Daarom stelt de inspectie dat onderwijsinstellingen
de kwaliteitsborging van stages en de aanpak van fraude beter moeten inrichten en
onderwijsmedewerkers een beter handelingsperspectief moeten bieden als zij fraude
vermoeden.
Daarnaast pleit de inspectie ervoor om de bevoegdheden van de Samenwerkingsorganisatie
Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) – die bedrijven erkent als leerbedrijf – uit
te breiden. Het doel hierbij is om de kwaliteit van leerbedrijven beter te borgen,
malafide bedrijven te weren en erkenningen in te trekken bij onvoldoende kwaliteit
of (vermoedens van) malafide intenties.
Achtergrondinformatie fraude met stages en praktijkbeoordelingen
Stagefraude kent vele vormen en is soms moeilijk zichtbaar. Papieren documenten zoals
ingevulde praktijkopdrachten en praktijkbeoordelingen kunnen worden vervalst en ook
met stage-uren kan worden gesjoemeld. Het komt voor dat stages in het geheel niet
hebben plaatsgevonden, maar dat studenten aan de onderwijsinstelling toch documenten
aanleveren waarin een stage is afgetekend door een «malafide» erkend leerbedrijf of
een «malafide» praktijkopleider. Ook zijn er «spook»-praktijkopleiders, die zich tegenover
een stagebegeleider van de onderwijsinstelling voordoen als medewerker van het betreffende
bedrijf.
Beleidsreactie op onderzoek stagefraude en genomen maatregelen
Minimaal drie contactmomenten per stage verkleint risico fraude
Ik ben het eens met de aanbeveling van de inspectie dat onderwijsinstellingen zelf
voldoende zicht dienen te hebben op de bpv en op de afname en het beoordelen van examens
in de praktijk. Ik zie daarin allereerst bevestigd dat het noodzakelijk is dat onderwijsinstellingen
investeren in de kwaliteit van hun eigen stagebegeleiding. Het is belangrijk dat zij
daarbij minimaal drie contactmomenten per stage in acht nemen, zoals is vastgelegd in het stagepact
mbo 2023–2027.6 Dit is een basisvereiste en verkleint de gelegenheid om succesvol fraude te plegen. In de midterm review van
het stagepact werd duidelijk dat scholen dit onvoldoende op orde hebben.7
De MBO Raad is actief aan de slag om de (besturen van de) onderwijsinstellingen te
ondersteunen bij het verbeteren van de stagebegeleiding. Het Kennispunt MBO Beroepspraktijkvorming
van de MBO Raad ontwikkelt hiertoe een routekaart voor goede stagebegeleiding binnen
mbo-instellingen. Deze routekaart beschrijft alle fasen die in het proces van stagebegeleiding
doorlopen dienen te worden, van voorbereiding en matching tot begeleiding tijdens
de stage en evaluatie achteraf. De inhoud is gebaseerd op werkzame principes en effectieve
interventies die bij mbo-instellingen succesvol zijn gebleken. Jaarlijks monitoren
we of de activiteiten van het stagepact leiden tot de gewenste verbetering.
Vervolgstappen in 2026
De SBB is gestart met het anders inrichten van haar processen, zodat sneller kwaliteitsbezoeken
en controles kunnen worden uitgevoerd als er signalen zijn dat de veiligheid of kwaliteit
van de stageplek in het geding is of indien er indicatoren zijn waardoor het risico
op fraude sterker aanwezig is. Op basis van deze risico-gerichte aanpak zijn afgelopen
jaar 18 erkenningen ingetrokken. Voor het verder aanpakken van stagefraude richt ik
mij in samenspraak met de SBB en onderwijsinstellingen in 2026 op twee vervolgstappen:
1. Uitbreiding van bevoegdheden SBB
Deze zomer wordt de Erkenningsregeling aangepast, op basis waarvan de SBB de erkenning
van een leerbedrijf afgeeft en intrekt. Het doel is om de bevoegdheden van de SBB
uit te breiden, zodat de SBB beter in staat is om bij (signalen van) fraude door (of
via) het leerbedrijf een onderzoek in te stellen. Bij vaststelling van misstanden,
waardoor niet wordt voldaan aan de criteria voor erkenning, wordt de erkenning ingetrokken.
2. Intensivering samenwerking onderwijsinstellingen en SBB
Daarnaast vraag ik onderwijsinstellingen en SBB om, in het perspectief van hun wettelijke
taken, te blijven investeren in de onderlinge samenwerking en met inspecties, op het
gebied van:
• Het versterken van fraudebewustzijn rond de bpv;
• Het vergroten van de meldbereidheid van onderwijsinstellingen en daarmee het versterken
van de informatiepositie van SBB;
• Het adequaat oppakken van (niet-pluis) signalen, al dan niet risicogericht.
Goede samenwerking en het delen van kennis en gegevens is essentieel om fraude in
de bpv aan te pakken. Daarom ondersteun ik initiatieven op het gebied van gegevensdeling
die tot doel hebben om rechtmatig en succesvol fraude op te sporen en aan te pakken.
Tot slot
Ook na de themaonderzoeken van de inspectie en de nieuwe acties in deze Kamerbrief
blijft de inspectie in haar toezicht aandacht houden voor dit onderwerp, waar nodig
en mogelijk samen met andere betrokkenen. De inspectie blijft in gesprek met mijn
beleidsdepartement over de ontwikkelingen die zij ziet op het gebied van fraude en
welke maatregelen nodig zijn. Ook het onderwijsveld wordt hierin betrokken.
Fraude is onacceptabel en ik zal me daarom met onverminderde energie inzetten voor
het voorkomen en aanpakken van fraude. Dit doe ik samen met mijn collega-ministers,
opsporingsdiensten en politiek, als onderdeel van de brede opgave om ondermijning
tegen te gaan. Het is van belang dat alle partijen hierin hun verantwoordelijkheid
pakken. Binnen het onderwijs vraagt dit om continue alertheid en betrokkenheid van
alle medewerkers.
De onderzoeken van de inspectie leveren hieraan een belangrijke bijdrage.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert
Indieners
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap