Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden : Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
36 945 XIV Jaarverslag en slotwet Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en het Diergezondheidsfonds 2025
Nr. 7
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 30 juni 2026
De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, belast met
het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te
brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.
De vragen zijn op 27 mei 2026 voorgelegd aan de Minister en Staatssecretaris van Landbouw,
Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Bij brief van 29 juni 2026 zijn ze door de Minister
en Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur beantwoord.
Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De voorzitter van de commissie, Steen
De griffier van de commissie, Jansma
Vragen en antwoorden
1.
Wat zijn de praktische vereisten, wat betreft hoeveelheid en soort materiaal, waaraan
het strooisel in koloniekooien moet voldoen conform artikel 2.71, lid 2, onder c van
het Besluit houders van dieren?
Antwoord:
De definitie van strooisel als bedoeld in dit artikel is gedefinieerd in artikel 2.66
Besluit houders van dieren en luidt: «houtkrullen, stro, gehakseld stro, turf, zand of ander materiaal met een losse structuur
dat legkippen in staat stelt aan hun ethologische behoeften te voldoen». Met deze definitie wordt invulling gegeven een wat wordt verwacht in de praktijk.
2.
Hoeveel meldingen van mogelijke wetsovertredingen op het gebied van dierenwelzijn
bij individuele bedrijven heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)
sinds 2020 per jaar ontvangen van de geaccepteerde private controle-instantie Integrale
Ketenbeheersing (IKB) Ei, de geaccepteerde private controle-instantie IKB Kip, de
geaccepteerde private controle-instantie IKB Nederland Varken, de geaccepteerde private
controle-instantie IKB Nederland exportwaardige laad- en losplaatsen (ELL) en overige
private controle-instanties, uitgesplitst per diersoort?
Antwoord:
De afspraak met de geaccepteerde kwaliteitssystemen is dat ze de vastgestelde potentiële
wetsovertredingen binnen hun eigen systematiek opheffen. Ze melden alleen ernstige
misstanden die ze niet binnen hun eigen reglement kunnen opheffen. De NVWA heeft geen
meldingen/signalen ontvangen over dierenwelzijnsproblemen van private controlesystemen
sinds 2020.
3.
Is bij de meest recente naleefmeting vleeskalveren uit 2021 geïnspecteerd op artikel
2.41 lid 3 uit het Besluit houders van dieren, te weten een afdoende hoog hemoglobinegehalte
(hb) om bloedarmoede te voorkomen? Zo ja, hoe is hierop gecontroleerd, hoe vaak is
hierop gecontroleerd, hoe hoog bleek dat gehalte gemiddeld, hoe vaak was sprake van
een hb van minder dan 4,5 micromol per liter op individueel niveau van een kalf en
hoe vaak bleek artikel 2.41 lid 3 overtreden? Indien hierop niet is geïnspecteerd,
waarom is dat niet gebeurd?
Antwoord:
Bij de naleefmeting vleeskalveren uit 2021 is niet geïnspecteerd op artikel 2.41 lid
3 uit het Besluit houders van dieren. Het is tijdens inspecties lastig vast te stellen
of aan dit artikel wordt voldaan, dit artikel wordt derhalve als niet voldoende handhaafbaar,
noch uitvoerbaar beschouwd. Dit heeft er onder andere mee dat maken dat inspecteurs
niet bevoegd zijn om bloedmonsters te nemen. Daarnaast is beoordeling van de kwaliteit
van de verstrekte voeding, ten behoeve van de borging van een voldoende hemoglobinegehalte
ter plaatse niet mogelijk. In aanloop naar de AMvB dierwaardige veehouderij zijn het
Ministerie van LVVN en de NVWA in gesprek over de handhaafbaarheid van dit artikel.
4.
Voor welke diergroepen zijn in 2025 naleefmetingen dierenwelzijn gedaan, lopen momenteel
naleefmetingen of zijn naleefmetingen gepland?
Antwoord:
Voor de diergroep vleesvee is in 2025 een naleefmeting gedaan. Voor de diergroep paard
is in 2025 een naleefmeting gestart en deze loopt door in dit jaar. Voor de diergroep
kalkoen is in 2025 een naleefmeting gedaan. Voor de diergroep opfok legkippen en opfok
(groot)ouderdieren legkippen is in 2025 een naleefmeting gestart en deze loopt door
in dit jaar. Voor de diergroepen eend en melkgeit wordt in 2026 een naleefmeting gedaan.
Voor de komende jaren zijn voor andere diergroepen naleefmetingen voorzien.
5.
Klopt het dat, doordat inspecties dierenwelzijn bij grazers veelal plaatsvinden naar
aanleiding van meldingen van burgers die hulpbehoevende dieren in de wei zien, inspecties
bij melkveebedrijven die jaarrond opstallen minder dan gemiddeld plaatsvinden ten
opzichte van melkveebedrijven die beweiden?
Antwoord:
Het klopt dat er bij de NVWA meer meldingen over dierenwelzijn binnenkomen over dieren
die zichtbaar zijn voor voorbijgangers dan over dieren die minder zichtbaar zijn.
Dit zorgt er waarschijnlijk voor dat er naar aanleiding van meldingen minder melkveebedrijven
worden bezocht die jaarrond opstallen. Naast de opvolging van meldingen worden er
ook met andere aanleidingen melkveehouderijen bezocht. Zo is er in 2022–2023 een naleefmeting
uitgevoerd en zijn er in 2025 op basis van een risicomodel bedrijven bezocht. Bij
deze projecten is de zichtbaarheid van melkvee niet van invloed geweest op de geselecteerde
bedrijven.
6.
Is er beleid om specifiek bij melkvee dat jaarrond wordt opgesteld (vaker) te inspecteren,
bijvoorbeeld om voor het in de vorige vraag genoemde effect te compenseren?
Antwoord:
Er is geen specifiek beleid om vaker te inspecteren bij melkvee dat jaarrond in de
stal staat. Er wordt wel door de combinatie van naleefmetingen en risicogerichte projecten
beoogd dat er een goed beeld is van de gehele sector en dat de bedrijven waar meer
risico’s spelen vaker worden bezocht.
7.
Welke dierenwelzijnsindicatoren, gemeten in de slachterij, past de NVWA momenteel
toe bij haar toezicht op dierenwelzijn op het primaire bedrijf?
Antwoord:
In roodvlees- en pluimveeslachthuizen worden alle dieren voor de slachting onderworpen
aan een ante-mortemkeuring door de NVWA-dierenarts. In pluimveeslachthuizen wordt
hierbij volstaan met keuring van een representatief deel van elk koppel. Tijdens de
ante-mortemkeuring wordt onder andere gecontroleerd of er ten aanzien van het gekeurde
dier tekenen zijn die wijzen op schade aan het welzijn van het dier. Ook bij de post-mortemkeuring
wordt gecontroleerd of er indicatoren zijn die wijzen op mogelijke welzijnsproblemen
op het primaire bedrijf. In pluimveeslachthuizen wordt daarbij structureel gekeken
naar aanwijzingen voor een verhoogd aantal dieren met contactdermatitis (voetzoollaesies,
hakdermatitis en borstblaren), die zijn ontstaan op het primaire bedrijf. In roodvleesslachthuizen
wordt gecontroleerd of er indicaties zijn die wijzen op mogelijke welzijnsproblemen
op het primaire bedrijf. Dat kan gaan om bijvoorbeeld vermoedelijk hoogdrachtige dieren
(waarvan de draagtijd reeds voor 90% of meer gevorderd is), een slechte verzorgingstoestand
(vervuilde dieren), een zichtbare verboden ingreep of het onthouden van nodige zorg.
Bij tekenen die wijzen op mogelijke welzijnsproblemen op het primaire bedrijf maakt
de NVWA-toezichthouder een rapport van bevindingen op. Wanneer een overtreding kan
worden bewezen, wordt een bestuurlijke maatregel opgelegd zoals een officiële waarschuwing
of een boete. Daarnaast wordt een interne melding gedaan. Interne meldingen worden
risicogericht opgevolgd door teams binnen de NVWA die toezicht houden op primaire
bedrijven.
8.
Welke dierenwelzijnsindicatoren, gemeten in de slachterij, worden momenteel ontwikkeld
door, in overleg met of in samenwerking met de NVWA en het Ministerie van Landbouw,
Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), met het oog op de inzet daarvan bij het
toezicht door de NVWA op dierenwelzijn op het primaire bedrijf?
Antwoord:
Het risicogericht toezicht op het vangen van pluimvee wordt door de NVWA verder doorontwikkeld.
Als de toezichthouder tijdens de slachtfase bepaalde letsels vaststelt, is dit een
mogelijke indicator voor onzorgvuldig vangen. Deze letsels worden als risico-indicator
gebruikt voor het bepalen welke vangploegen er aanvullende inspecties tijdens het
vangen van pluimvee op primaire bedrijven krijgen. In roodvleesslachthuizen zijn er
momenteel nog geen dierenwelzijnsindicatoren in ontwikkeling die meetbaar zijn in
de slachthuizen met het oog op de inzet daarvan bij het toezicht door de NVWA op dierenwelzijn
op het primaire bedrijf.
9.
Hoe vaak heeft de NVWA in 2024 en 2025 een melding gedaan bij de klachtambtenaar over
een dierenarts die op een veebedrijf mogelijk in strijd met het veterinair tuchtrecht
heeft gehandeld en in hoeveel van die gevallen betrof de verdenking een overtreding
op het gebied van dierenwelzijn?
Antwoord:
De NVWA heeft in 2024 vijf zaken en in 2025 negen zaken bij de klachtambtenaar aangedragen
over dierenartsen werkzaam op veebedrijven. In zo’n 60% van de gevallen van deze zaak
speelt dierenwelzijn een rol.
10.
Hoeveel van de meldingen die de NVWA in 2024 en 2025 bij de klachtambtenaar heeft
gedaan over dierenartsen werkzaam op veebedrijven, hebben geleid tot een klacht bij
het Veterinair Tuchtcollege en in hoeveel gevallen is afgezien van het indienen van
een klacht en om welke reden?
Antwoord:
De NVWA heeft in 2024 vijf zaken en in 2025 negen zaken bij de klachtambtenaar aangedragen
over dierenartsen werkzaam op veebedrijven. In 1 zaak is geen tuchtklacht ingediend,
wegens persoonlijke omstandigheden van de beklaagde. In alle overige zaken is er een
tuchtklacht ingediend.
11.
Hoeveel meldingen van tekortkomingen in de verzorging van dieren en/of schendingen
van wet- en regelgeving rond dierenwelzijn en diergezondheid, zoals genoemd in de
Code voor de Dierenarts artikel 2.4, heeft de NVWA van 2023 tot en met 2025 ontvangen
van dierenartsen, gespecificeerd per jaar en per diersoort?
Antwoord:
Vanwege een technisch probleem is het niet mogelijk gebleken de aantallen meldingen
van dierenartsen uit het meldingssysteem van de NVWA te halen.
Uit eerder uitgevoerde analyses zijn er wel cijfers voor de diersoorten honden en
katten. Daaruit is gebleken dat in 2024 de NVWA 451 meldingen over dierenwelzijn en
diergezondheid heeft ontvangen, waarbij de melder heeft aangegeven dierenarts of paraveterinair
te zijn. In 2025 waren dit 745 meldingen. Eventuele anonieme meldingen van dierenartsen
zijn in deze aantallen uiteraard niet meegenomen.
12
Op welke wijze, door wie en in welke systemen wordt de export van levend pluimvee
geregistreerd?
Antwoord:
In het I&R KIP-systeem van de aangewezen databank AVINED kan bij de afvoermelding
aangegeven worden dat het om export gaat. Ook kan aangegeven worden om welke pluimveesoort
het gaat.
13.
Is er exportcertificering of een exportvergunning nodig voor de export van levend
pluimvee? Zo ja, door wie en wanneer wordt deze uitgevoerd dan wel afgegeven?
Antwoord:
Voor de verplaatsingen van levend pluimvee binnen de Europese Unie is altijd een diergezondheidscertificaat
nodig. Verplaatsingen van levend pluimvee (niet voor de slacht) mag uitsluitend plaatsvinden
vanaf een erkende pluimveehouderij of erkende broederij. Deze erkenningen worden eenmaal
per jaar door de NVWA gecontroleerd. Bij elke certificering van een zending levend
pluimvee wordt het koppel door een NVWA-dierenarts gecontroleerd.
Voor export buiten de EU zijn de eisen van het derde land leidend. De hierboven beschreven
erkenning is altijd nodig.
14.
Op welke wijze, door wie en op welk moment wordt beoordeeld of kippen geschikt zijn
voor een voorgenomen transport en op welke wijze wordt hier toezicht op gehouden?
Antwoord:
De NVWA voert steekproefsgewijs controles uit bij het laden van kippen. Daarbij wordt
onder ander beoordeeld of de kippen geschikt zijn voor het voorgenomen transport.
Om de geschiktheid te bepalen, worden de eisen uit de Transportverordening als uitgangspunt
gehanteerd. Dat betekent o.a. dat de dieren niet ziek mogen zijn, ze zich eigenstandig
en zonder pijn moeten kunnen voortbewegen en ze geen wonden mogen vertonen.
Voor elke zending pluimvee waar een certificaat voor nodig is voert de NVWA-dierenarts:
– Een documentencontrole van de bij de inrichting bewaarde gezondheids- en productiegegevens
uit.
– Een overeenstemmingscontrole van de dieren die deel uitmaken van de zending.
– Een klinische inspectie van het koppel van oorsprong met het oog op de opsporing van
klinische tekenen of vermoedens van in de lijst opgenomen ziekten die relevant zijn
voor de soort.
Deze controle wordt, conform de Europese regelgeving (voor fokpluimvee en gebruikspluimvee),
in de laatste 48 uur voor het vertrek uit de inrichting van oorsprong uitgevoerd.
De controle van slachtpluimvee,1 wordt in de laatste vijf dagen voor het vertrek uit de inrichting van oorsprong uitgevoerd.
Bovenstaande geldt ook voor export buiten de EU. Bij aanvullende eisen voor derde
landen wordt hier op het moment van export rekening mee gehouden en op gecontroleerd.
15.
Op welke wijze, door wie en in welke systemen wordt de sterfte van vleeskuikens geregistreerd?
Antwoord:
Voor vleeskuikens die gehouden worden in hogere veebezetting (categorie 2 en categorie
3) moet de sterfte bijgehouden worden. Het sterftepercentage wordt vermeld op het
afvoerformulier wat wordt geregistreerd in I&R KIP-systeem.
Bij de categorieën gaat het om de bezettingsdichtheid in kg per m2 wanneer de dieren volgroeid zijn en afgeleverd worden.
• categorie 2: meer dan 33 tot en met en 39 kg/m²
• categorie 3: meer dan 39 tot en met 42 kg/m
16.
Op welke wijze, door wie en in welke systemen wordt de sterfte van ouderdieren en
grootouderdieren in de pluimveesector geregistreerd?
Antwoord:
De pluimveehouder houdt zelf de sterfte bij en moet bij hogere dan normale uitval
de NVWA informeren, dit in verband met mogelijke ziektes.
Verder moet er bij het vervoer naar het slachthuis een VKI (voedselketeninformatie)
opgemaakt worden waarin ook het uitvalpercentage is opgenomen. Deze gegevens zijn
voor het slachthuis en de toezichthoudende instantie (NVWA) en komen niet in de I&R
database.
17.
Is het mogelijk om afvoer van dieren te melden in het Identificatie en Registratie
(I&R)-systeem zonder daarbij een bestemming in te voeren? Zo ja, wat is daarvoor de
reden?
Antwoord:
Voor diersoorten schaap, geit, varken en pluimvee is in het I&R- systeem verplicht
om de nieuwe bestemming (UBN) (pluimvee= kipnummer) binnen Nederland op te geven in
de melding.
Voor de diersoort rund is het mogelijk maar niet verplicht om de nieuwe bestemming
(UBN) op te geven in de melding. Runderen gaan soms mee met een handelaar, de laatste
houder weet dan niet altijd waar de runderen naar toegaan.
18.
Welke officiële benaming hanteren het Ministerie van LVVN en de NVWA voor bedrijven
in Nederland die melkkoeien «vetweiden» of «afmesten» nadat zij zijn afgevoerd bij
het melkveebedrijf en voordat zij geslacht worden?
Antwoord:
De NVWA gebruikt hier ook de termen «vetweiden» of «afmesten» voor. In sommige gevallen
worden algemenere benamingen gebruikt en dan behoort deze groep tot vleesvee.
19.
Hoeveel bedrijven waren er in Nederland tussen 2020 en 2025, uitgesplitst per jaar,
die melkkoeien «vetweiden» of «afmesten» nadat zij zijn afgevoerd bij het melkveebedrijf
en voordat zij geslacht worden?
Antwoord:
Bij de registratie van locaties waar runderen worden gehouden, wordt niet vastgelegd
met welk doel runderen worden gehouden.
20.
Hoeveel koeien waren er tussen 2020 en 2025, uitgesplitst per jaar, aanwezig op bedrijven
die melkkoeien «vetweiden» of «afmesten» nadat zij zijn afgevoerd bij het melkveebedrijf
en voordat zij geslacht worden?
Antwoord:
Bij de registratie van de runderen wordt niet het doel vastgelegd waarvoor de runderen
worden gehouden.
21.
Hoeveel inspecties heeft de NVWA uitgevoerd tussen 2020 en 2025, uitgesplitst per
jaar, op bedrijven die melkkoeien «vetweiden» of «afmesten» nadat zij zijn afgevoerd
bij het melkveebedrijf en voordat zij geslacht worden?
Antwoord:
Of runderen die op bedrijven gehouden worden t.b.v. vetweiden of afmesten afkomstig
zijn van melkveebedrijven wordt niet bijgehouden.
22.
Hoeveel boetes heeft de NVWA opgelegd tussen 2020 en 2025, uitgesplitst per jaar,
aan bedrijven die melkkoeien «vetweiden» of «afmesten» nadat zij zijn afgevoerd bij
het melkveebedrijf en voordat zij geslacht worden?
Antwoord:
Of runderen die op bedrijven gehouden worden t.b.v. vetweiden of afmesten afkomstig
zijn van melkveebedrijven wordt niet bijgehouden.
23.
Hoeveel inspecties heeft de NVWA vanaf 2023 tot op heden uitgevoerd bij houders van
dieren met betrekking tot de naleving van artikel 1.20 lid 1 onder l van het Besluit
houders van dieren (scheiden big van zeug)?
Antwoord:
Het scheiden van het ouderdier is onderdeel van een reguliere welzijnsinspectie van
een varkensbedrijf. Daarbij wordt tevens gecontroleerd op de aanvullende voorschriften
uit artikel 1.20, derde en zesde lid, van het Besluit houders van dieren. Deze voorschriften
zijn van toepassing op vermeerderingsbedrijven waar zeugen met biggen worden gehouden
en op gesloten varkensbedrijven. Op vleesvarkensbedrijven zijn deze voorschriften
niet van toepassing.
Uit de inspectieregistratie van de NVWA kan niet sluitend worden vastgesteld hoeveel
inspecties vanaf 2023 tot op heden zijn uitgevoerd waarbij is gecontroleerd op de
naleving van artikel 1.20, eerste lid, onder l, van het Besluit houders van dieren.
De registratie van inspecties maakt niet eenduidig inzichtelijk bij welke inspecties
dit specifieke voorschrift is gecontroleerd. Wel kan worden bepaald of overtredingen
op het betreffende artikel zijn vastgesteld. Zie hiervoor het antwoord op vraag 24
en 25.
24.
Hoeveel overtredingen van artikel 1.20 lid 1 onder l van het Besluit houders van dieren
(scheiden big van zeug) heeft de NVWA geconstateerd tijdens deze inspecties vanaf
2023 tot op heden, uitgesplitst per jaar?
Antwoord:
De NVWA heeft vanaf 2023 geen overtredingen van artikel 1.20 eerste lid onder l geconstateerd.
25.
Met welke interventies (mededeling, waarschuwing, boete of corrigerende maatregel)
heeft de NVWA de geconstateerde overtredingen van artikel 1.20 lid 1 onder l van het
Besluit houders van dieren (scheiden big van zeug) vanaf 2023 tot op heden opgevolgd,
uitgesplitst per jaar?
Antwoord:
De NVWA heeft vanaf 2023 geen overtredingen van artikel 1.20 eerste lid onder l geconstateerd.
26.
Hoeveel inspecties heeft de NVWA vanaf 2025 tot op heden uitgevoerd met betrekking
tot de naleving van artikel 3 lid 2 onder f van de Slachtverordening (het mengen van
varkens)?
Antwoord:
Artikel 3, lid 2 onder f van Verordening (EG) nr. 1099/2009 (Verordening doden van
dieren) betreft het niet in vermijdbaar contact komen met andere dieren die hun welzijn
zouden kunnen schaden. De controle op de naleving hiervan maakt onderdeel uit van
het reguliere toezicht op het doden van dieren en daarmee samenhangende activiteiten
tijdens de ante-mortemkeuring en andere inspecties op het welzijn van dieren bij de
aanvoer op slachthuizen. Er worden geen specifieke inspecties gehouden op het mengen
van varkens. De controles hierop zijn daarom niet te kwantificeren.
27.
Hoeveel inspecties heeft de NVWA vanaf 2025 tot op heden uitgevoerd met betrekking
tot de naleving van artikel 1.12 onder f van de Transportverordening (het mengen van
varkens)?
Antwoord:
Punt 1.12 onder f) van hoofdstuk III van bijlage I van Verordening (EG) nr. 1/2005
(Transportverordening) betreft de verplichting om dieren die elkaar vijandig gezind
zijn gescheiden te behandelen en te vervoeren. Volgens artikel 6, 8 en 9 van de Transportverordening
moet dit punt specifiek nageleefd worden door vervoerders, houders en verzamelcentra.
De NVWA houdt toezicht op de naleving van alle voorschriften in Verordening (EG) nr.
1/2005 (Transportverordening) bij de aanvoer van dieren in slachthuizen, tijdens de
diergezondheidscertificering op primaire bedrijven en verzamelcentra en tijdens vervoerscontroles
onderweg en op verschillende locaties. Bij de uitvoering van dit toezicht kan dit
punt gecontroleerd worden, maar dit is afhankelijk van de focus van de controle. Er
worden geen specifieke inspecties gehouden op het mengen van varkens. De controles
hierop zijn daarom niet te kwantificeren.
28.
Hoeveel inspecties heeft de NVWA vanaf 2025 tot op heden uitgevoerd met betrekking
tot de naleving van artikel 2.13 lid 4 van het Bhd (het mengen van varkens)?
Antwoord:
De wetgeving schrijft in artikel 2.13 van het Besluit houders van dieren voor dat
varkens in afzonderlijke groepen dienen te worden gehouden. Als een groep eenmaal
is gevormd mogen daaraan geen dieren meer worden toegevoegd. Het huisvesten van varkens
in afzonderlijke groepen is onderdeel van een reguliere welzijnsinspectie van een
varkensbedrijf. Uit de inspectieregistratie van de NVWA kan echter niet sluitend worden
vastgesteld hoeveel inspecties vanaf 2025 tot op heden zijn uitgevoerd waarbij is
gecontroleerd op de naleving van artikel 2.13, vierde lid van het Besluit houders
van dieren. De registratie van inspecties maakt niet eenduidig inzichtelijk bij welke
inspecties dit specifieke voorschrift is gecontroleerd. Daarnaast is tijdens een bedrijfsbezoek
niet vast te stellen of individuele dieren aan een eenmaal gevormde groep zijn toegevoegd.
Bij inspecties kan daarom alleen aandacht worden besteed aan de bedrijfsvoering rondom
groepsvorming van varkens.
29.
Wat is de huidige stand van zaken met betrekking tot de invoering van Pekino-cups
in de eendenhouderij, gezien de verplichting dat eendenhouderijen hier in 2030 over
moeten beschikken en op hoeveel eendenhouderijen zijn Pekino-cups inmiddels in gebruik?
Antwoord:
De sector is geïnformeerd dat alle eendenbedrijven per 2030 poetswater middels Pekino-cup
moeten aanbieden aan eenden. Het is aan de bedrijven zelf wanneer ze daar tot 2030
invulling aan geven. Ik beschik op dit moment niet over de informatie hoeveel bedrijven
dat er momenteel al zijn. Ik ga er vanuit dat eendenbedrijven dit komende jaren voortvarend
oppakken.
30.
Hoeveel eendagskuikens zijn er in 2025 vanuit Nederland geëxporteerd onder GN-code
01051111, uitgesplitst naar land van bestemming?
Antwoord:
Hieronder een overzicht van het aantal geëxporteerde eendagskuikens per land.
Vervoermiddel
Vervoermiddel
Plaats van bestemming Land
Vliegtuig
Wegvoertuig
Eindtotaal
België
2.143.411
2.143.411
Cyprus
51.000
51.000
Denemarken
45.125
45.125
Duitsland
6.721.582
6.721.582
Finland
10.504
10.504
Frankrijk
38.002
38.002
Hongarije
61.200
61.200
Italië
1.750.314
1.750.314
Letland
51.500
51.500
Malta
13.770
13.770
Noorwegen
947
947
Oostenrijk
3.000
3.000
Polen
3.437.496
3.437.496
Portugal
55.000
55.000
Roemenië
645.000
645.000
Tsjechië
88.068
88.068
Zweden
60.384
60.384
Eindtotaal
64.770
15.111.533
15.176.303
31.
Hoeveel eendagskuikens zijn er in 2025 vanuit Nederland geëxporteerd onder GN-code
01051119, uitgesplitst naar land van bestemming?
Antwoord:
Hieronder een overzicht van het aantal geëxporteerde eendagskuikens per land.
Plaats van bestemming: Land
Wegvoertuig
Eindtotaal
België
1.091.910
1.091.910
Duitsland
2.213.518
2.213.518
Frankrijk
128.508
128.508
Griekenland
3.120
3.120
Italië
810.528
810.528
Kroatië
88.550
88.550
Oostenrijk
239.410
239.410
Polen
3.136.175
3.136.175
Portugal
93.816
93.816
Roemenië
37.024
37.024
Spanje
163.928
163.928
Tsjechië
73.981
73.981
Zwitserland
175.616
175.616
Eindtotaal
8.256.084
8.256.084
32.
Hoeveel eendagskuikens zijn er in 2025 vanuit Nederland geëxporteerd onder GN-code
01051191, uitgesplitst naar land van bestemming?
Antwoord:
Hieronder een overzicht van het aantal geëxporteerde eendagskuikens per land.
Plaats van bestemming
Land
Wegvoertuig
Eindtotaal
België
468.256
468.256
Bulgarije
37.600
37.600
Denemarken
4.060
4.060
Duitsland
2.023.939
2.023.939
Finland
957
957
Frankrijk
3.138
3.138
Hongarije
161.800
161.800
Italië
42.500
42.500
Kroatië
50.000
50.000
Letland
1.757.860
1.757.860
Litouwen
695.560
695.560
Noorwegen
109
109
Oostenrijk
277.053
277.053
Polen
1.805.135
1.805.135
Roemenië
611.860
611.860
Servië
1.480
1.480
Spanje
968.131
968.131
Tsjechië
657.572
657.572
Zweden
4.826
4.826
Eindtotaal
9.571.836
9.571.836
33.
Hoeveel eendagskuikens zijn er in 2025 vanuit Nederland geëxporteerd onder GN-code
01051199, uitgesplitst naar land van bestemming?
Antwoord:
Hieronder een overzicht van het aantal geëxporteerde eendagskuikens per land.
Plaats van bestemming Land
Wegvoertuig
Eindtotaal
België
8.550.140
8.550.140
Denemarken
3.686.127
3.686.127
Duitsland
94.668.577
94.668.577
Frankrijk
88.550
88.550
Griekenland
155.507
155.507
Hongarije
3.600
3.600
Italië
150.542
150.542
Kroatië
20.610
20.610
Oostenrijk
105.070
105.070
Polen
8.634.328
8.634.328
Portugal
6.000
6.000
Roemenië
139.840
139.840
Slowakije
2.996.430
2.996.430
Spanje
366.776
366.776
Tsjechië
25.826
25.826
Zwitserland
19.860
19.860
Eindtotaal
119.617.783
119.617.783
34.
Op welke wijze zijn bovengenoemde kuikens vervoerd (per vrachtwagen of per vliegtuig)
en kan dit per code en land van bestemming worden uitgesplitst?
Antwoord:
Zie voor de wijze van vervoer de antwoorden bij de bovengenoemde vragen 30 t/m 33.
35.
Welke rassen eendagskuikens zijn in 2025 vanuit Nederland geëxporteerd, uitgesplitst
naar land van bestemming en GN-code, op basis van de Trade Control and Expert System
(TRACES) exportcertificaten die de NVWA heeft afgegeven?
Antwoord:
In TRACES wordt geen informatie bijgehouden van de rassen eendagskuikens waar exportcertificaten
voor worden afgegeven.
36.
Hoeveel kinderen, zwangere vrouwen en mensen in algemene zin lopen momenteel (zo nodig
naar schatting) mogelijk een extra risico op neurodegeneratieve ziektes die op latere
leeftijd optreden, zoals de ziekte van Parkinson en risico’s op ontwikkelingsstoornissen
voor jonge en ongeboren kinderen, vanwege het uitblijven van spuitvrije zones, verwijzend
naar uitspraak van de Rechtbank Limburg (ECLI:NL:RBLIM:2024:2330)?
Antwoord:
In 2020 concludeerde de Gezondheidsraad dat blootstelling aan chemische gewasbeschermingsmiddelen
een risico voor de gezondheid vormt voor omwonenden van landbouwpercelen, vooral voor
telers en hun gezinnen. Op basis van buitenlands onderzoek constateerde de raad dat
er aanwijzingen waren voor een verband tussen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
en de kans op gezondheidsschade, zoals de ziekte van Parkinson en ontwikkelingsstoornissen
bij kinderen. Hoe groot het risico op deze ziektes precies is, wordt nu bekeken in
vervolgonderzoek. Daarvoor lopen onderzoeken zoals OBO-2 en SPARK om meer inzicht
te krijgen in mogelijke gezondheidseffecten van blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen.
Daarnaast verkennen Wageningen University & Research en het RIVM de mogelijkheden
voor een wetenschappelijk onderbouwd model voor de inrichting van spuitzones; een
rapport over de haalbaarheid hiervan verschijnt in juli 2026. Tegelijkertijd zet het
kabinet zich in voor het verminderen van de afhankelijkheid van chemische gewasbeschermingsmiddelen
en het stimuleren van veilige en effectieve alternatieven.
37.
Is de schade die biologische boeren oplopen doordat hun producten besmet raken met
pesticiden die op omliggende akkers van gangbare boeren worden gebruikt, juridisch
verhaalbaar bij de overheid die hierover onvoldoende beperkende regels stelt aan de
toelatingseisen en/of in de gebruiksvoorschriften en/of verhaalbaar op de gangbare
boer die de besmetting veroorzaakt?
Antwoord:
Om schade die iemand lijdt succesvol te kunnen verhalen op een ander moet die schade
ook daadwerkelijk zijn veroorzaakt door het handelen van die ander. Daarbij geldt
als hoofdregel dat degene die stelt schade te lijden of te hebben geleden moet bewijzen
dat dat komt door het handelen van die ander. Het gaat daarbij om de concrete omstandigheden
in een bepaalde situatie.
Voor de genoemde situatie betekent dit dat biologische boeren hun schade alleen op
de overheid of gangbare boeren kunnen verhalen als die schade is ontstaan als gevolg
van onrechtmatig handelen van de overheid of die gangbare boeren en de biologische
boeren zelf geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van die schade.
Ten aanzien van de overheid zou dat onrechtmatig handelen dan moeten bestaan uit het
nalaten om voldoende beperkende maatregelen te treffen ten aanzien van de toelating
en/of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij zowel de toelating als het gebruik
houdt de overheid evenwel rekening met de situatie waarin een bepaald middel wordt
toegepast. Daarbij worden bij de gebruiksvoorschriften specifieke eisen gesteld ten
aanzien van het gebruik, waarbij onder andere met drift (verwaaiing) rekening wordt
gehouden. Gelet hierop en op het feit dat het gaat om de concrete omstandigheden in
een bepaalde situatie kan daarmee niet op voorhand worden geconcludeerd dat de schade
is ontstaan door onrechtmatig handelen van de overheid wegens het treffen van onvoldoende
maatregelen.
Ten aanzien van de gangbare boeren zou van onrechtmatig handelen sprake kunnen zijn
als deze zich niet aan de toepasselijke gebruiksvoorschriften hebben gehouden of anderszins
onvoldoende zorgvuldigheid hebben betracht bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
Of de schade van de biologische boeren hierdoor dan ook is veroorzaakt zal, nu het
gaat om de concrete omstandigheden in een bepaalde situatie, dan van geval tot geval
moeten worden vastgesteld.
38.
Wordt er in de huidige beoordeling van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
en biociden (Ctgb) bij toelatingsprocedures van pesticiden rekening gehouden met het
risico van besmetting van producten en daardoor schade die gangbare boeren veroorzaken
bij omliggende biologische bedrijven? Zo ja, hoe?
Antwoord:
De huidige risicobeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen wordt uitgevoerd volgens
een wettelijk vastgesteld Europees kader. De toelatingssystematiek is ontworpen om
de risico’s voor mens, dier en milieu te beoordelen, waarbij ook verwaaiing naar omliggende
percelen en milieu wordt beoordeeld. De toelatingssystematiek is echter niet gericht
op eventuele economische impact op omliggende biologische bedrijven. Goede afspraken
tussen naburige telers en beleidsopties zoals ketenafspraken, regulering van het gebruik
of maatregelen in de ruimtelijke ordening, zouden hierbij kunnen helpen. Binnen de
lopende gesprekken over het convenant gewasbescherming zullen deze thema’s verder
worden uitgewerkt waarna uw Kamer hierover zal worden geïnformeerd.
39.
Hoe kan worden verklaard dat ondanks het actieplan «Groei van biologische productie
en consumptie», waarin supermarkten een belangrijke rol is toegedicht voor wat betreft
het stimuleren van biologische producten, juist minder verse biologische groente en
fruit zijn geteld in de jaarlijkse Ekotelling van Pesticide Action Network Netherlands?
Antwoord:
Pesticide Action Network Netherlands heeft in week 4 van 2026 bij een 69 filialen
van 6 supermarktketens geteld hoe vaak bepaalde groente en fruit producten werd aangeboden.
PAN geeft zelf aan dat het gaat om een beperkte steekproef en dat de uitkomsten een
momentopname zijn. Omdat de momentopname afwijkt van vorige jaren is vergelijking
lastig. Veel supermarktketens hebben ambities vastgesteld op hun omzet in aardappelen,
groente en fruit. Ik ben daar blij mee en doe een beroep op hen om dit op te schalen.
40.
Hoe kan worden verklaard dat ondanks een aan het Centraal Bureau voor de Statistiek
(CBS) opgegeven afname in gebruik van pesticiden in de landbouw in het algemeen tussen
2020 en 2024, in de groente- en fruitsector juist een toename wordt gezien in gebruik
van pesticiden?
Antwoord:
Ik ben blij om te zien dat het totale gebruik van gewasbeschermingsmiddelen afgenomen
is. Het weer is van grote invloed op de ontwikkeling van ziekten en plagen. Het voorjaar
van 2024 was extreem nat, nat weer, gecombineerd met hoge temperaturen zorgt voor
snelle verspreiding van schimmelziektes. Dit is voornamelijk te zien in de teelt van
groentegewassen en appel en peer. In die laatste twee gewassen is het gebruik van
fungiciden goed voor ruim driekwart van het totale gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
in die teelten, en daarmee is de invloed van het weer op het middelen gebruik groot.
41.
Welke specifiek of aanvullend beleid is gevoerd met betrekking tot de drie insecticiden
deltamethrin, lambda-cyhalothrin en esfenvaleraat sinds het Compendium voor de leefomgeving
in 2020 aangaf dat deze drie insecticiden «goed [zijn] voor 90 procent van het berekende
risico van gewasbeschermingsmiddelen voor waterorganismen. Dit betekent dat de waterkwaliteit
effectief kan worden verbeterd door de meest toxische stoffen aan te pakken (PBL 2012;
2019)» mede met het oog op het feit dat van deze drie stoffen er volgens het CBS twee
zijn toegenomen in gebruik tussen 2020 en 2024 en het gebruik van deze drie stoffen
bij elkaar opgeteld in kilogram ook is toegenomen?
Antwoord:
In samenwerking tussen LVVN en IenW wordt voor de KRW-stoffen die de waterkwaliteitsnormen
structureel overschrijden een methodiek ontwikkeld om deze te kunnen herbeoordelen.
De drie genoemde stoffen behoren tot de KRW genormeerde stoffen die hierbij worden
meegenomen. De nieuwe methodiek zal volgens planning begin 2027 door het Ctgb in gebruik
worden genomen.
Sinds 2016 worden voor de stoffen die het meest normoverschrijdend in water werden
aangetroffen, door toelatinghouders in samenwerking met het Ministerie van Infrastructuur
en Waterstaat emissiereductieplannen (ERP’s) opgesteld. Deze (vrijwillige) plannen
bevatten specifieke aanbevelingen en voorschriften die bij strikte opvolging moeten
leiden tot een vermindering van de concentraties van de betreffende stoffen in het
water. Voor Deltamethrin en Esfenvaleraat zijn deze emissiereductieplannen beschikbaar
(https://www.toolboxwater.nl/emissiereductieplan/).
42.
Voor welke gewasbeschermingsmiddelen is subsidie aangevraagd bij het Fonds Kleine
Toepassingen, wat is de werkzame stof van deze middelen en voor welke aanvraag is
subsidie toegekend, afgewezen of nog in procedure?
Antwoord:
In 2025 zijn 11 aanvragen voor subsidie toegekend, welke in onderstaande tabel zijn
weergegeven. Eén aanvraag bleek uiteindelijk onvolledig te zijn en is zodoende afgewezen.
De beoordelingsprocedure voor 2026 is nog niet afgerond en zal nog worden beoordeeld.
Gewas
Plaag
Middel
Werkzame stof/ biologische bestrijders
Bomen, vaste planten en zomerbloemen
Schimmels (echte meeldauw)
Maxentis
Azoxystrobin, prothioconazole
Vollegrondsgroente, bomen, vaste planten en zilveruitjes
Schimmels (Schimmelbestrijder)
Kenbyo FL
Kresoxim-methyl
Vollegrondsgroente, spruitkool
Insecten (rupsen)
Coragen
Chlorantraniliprole
Vollegrondsgroente
Herbiciden (Breedbladige onkruiden)
Lontrel 100
Clopyralid-olamine
Vollegrondsgroente en zilveruitjes
Fungicide
Kenbyo FL
Kresoxim-methyl
Vollegrondsgroente, sla
Insecten (bladluis)
Mavrik
Tau-fluvalinaat
Bloembollen bedekt, bloembollen onbedekt muv tulp en lelie
Bladluizen, trips
NEU 1153I EC (16 707 N) (en afgeleide Spruzit HP (16 831 N)
Pyrethrinen
Graszaadteelt, vlas, graszodenteelt
eenjarige breedbladige onkruiden en windhalm
Hussar OD
Iodosulfuron-methyl-sodium
Peer, steenvruchten en kleinfruit
peer: perenbladvlo, druif: suzuki-fruitvlieg en meerdere fruitgewassen bladluizen
Surround WP Crop Protectant
Koalin
Chinese Kool incl. amsoi, choisum, paksoi, komatsuna, tat soi, mibuna, mizuna, overige
oosterse bladkolen
Koolvlieg, rups en nevenwerking op luis
Benevia
Cyantraniliprole
Kers en houtig kleinfruit
suzuki-fruitvlieg in houtig kleinfruit en kersenbladroller in kers
Exirel
Cyantraniliprole
43.
Zijn in de subsidievoorwaarden voor de pilot van Lidl over de reductie chemische bestrijdingsmiddelen
in de aardappel-, aardbeien- en appelteelt afspraken gemaakt over het vervolg dat
gegeven dient te worden aan de uitkomsten van het onderzoek om tot daadwerkelijke
reductie in pesticidengebruik te komen, of is de subsidie enkel bedoeld voor kennisontwikkeling?
Antwoord:
De insteek van de subsidie is kennisontwikkeling en ook kennisdeling, dit in het kader
van het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie Gewasbescherming 2030 (UP). Binnen haar
ketens ontwikkelt LIDL kennis voor verschillende knelpunten en draagt deze vervolgens
actief uit als afronding van het project.
44.
Welke door de Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD) als poly-
en perfluoralkylstoffen (PFAS) aangewezen stoffen in toegelaten bestrijdingsmiddelen
in Nederland worden niet opnieuw beoordeeld door het Ctgb, wat is hiervan de reden
en is er specifiek beleid om het gebruik van deze groep stoffen te verminderen?
Antwoord:
De herbeoordeling van het Ctgb betreft 46 middelen die de metaboliet trifluorazijnzuur
(TFA) op basis van de werkzame stoffen fluopyram, fluazinam, diflufenican, mefentrifluconazol,
taufluvalinaat en fluazifop-P-butyl. Het Ctgb handelt op basis van nieuwe wetenschappelijke
informatie uit Denemarken specifiek over deze stoffen. Uw Kamer is hier op 19 januari
2026 over geïnformeerd (Kamerstuk 27 858, nr. 739). Voor ieder gewasbeschermingsmiddel of werkzame stof geldt dat deze pas wordt toegelaten
of goedgekeurd wanneer is aangetoond dat deze veilig voor mens, dier en milieu kunnen
worden toegepast. Op basis van nieuwe wetenschappelijke informatie over mogelijke
risico’s, kunnen gewasbeschermingsmiddelen of stoffen tussentijds worden herbeoordeeld.
45.
Welke en in welke hoeveelheden zijn in Europa verboden pesticiden sinds 2015 geëxporteerd
vanuit Nederland naar landen buiten Europa, al dan niet indirect via andere landen?
Antwoord:
De export van pesticiden wordt geregeld gereguleerd door een Europese verordening
inzake prior informed consent (PIC). Deze procedure is gebaseerd op een mondiale overeenkomst,
het Verdrag van Rotterdam ofwel PIC-verdrag. Dit onderwerp valt beleidsmatig onder
het Ministerie van IenW. Binnen de gestelde beantwoordingstermijn is het niet mogelijk
gebleken de gevraagde gegevens te verzamelen.
46.
Voor welke producten of landen van herkomst heeft de NVWA afgelopen tien jaar risicogericht
toezicht gevoerd bij haar residumetingen van bestrijdingsmiddelen in levensmiddelen
en wat was het resultaat van deze verscherpte aandacht?
Antwoord:
In het kader van de verordening (EU) 2019/1793 zijn specifieke product:land van herkomst
combinaties onderworpen aan verscherpt toezicht. Deze producten, landen, en de frequentie
van de verplichte officiële controle zijn opgenomen in deze verordening, die ten minste
eens in de zes maanden wordt herzien op basis van «nieuwe informatie over risico’s
en niet-naleving» (art 12). Resultaat van deze verscherpte aandacht is lastig samen
te vatten over 10 jaar. Dit vanwege het feit dat deze verordening elke 6 maanden herzien
wordt. Over het algemeen kan er gezegd worden dat, door het verscherpte toezicht,
het percentage niet-conforme monsters voor een specifiek product:land van herkomst
combinatie, afneemt zodra het in deze verordening wordt opgenomen. Waar we in de reguliere
monitoring een verhoogd risico zien, verhogen we de aantallen monsters voor deze producten.
47.
In hoeveel producten heeft de NVWA de afgelopen drie jaar bij Nederlandse levensmiddelenbedrijven
een overschrijding van de Maximale Residu Limiet (MRL) boven de meetonzekerheid gevonden
en in hoeveel van deze gevallen heeft het levensmiddelenbedrijf het product uit de
handel genomen?
Antwoord:
De NVWA publiceert deze informatie jaarlijks op haar website: https://www.nvwa.nl/onderwerpen/voedselveiligheid/residuen-van-bestrijd…
Jaar
Aantal overschrijdingen MRL boven meetonzekerheid
Percentage van alle monsters
2023
70
3,1%
2024
67
3,0%
2025
60
2,7%
Deze producten mochten niet verhandeld worden. De betreffende levensmiddelenbedrijven
kregen een schriftelijke waarschuwing (bij overschrijding van de MRL) of een bestuurlijke
boete (bij overschrijding van de MRL én een gezondheidsrisico). In al deze gevallen
moesten de betrokken levensmiddelenbedrijven het betreffende product uit de handel
nemen.
48.
Welke verplichting legt de NVWA aan levensmiddelenbedrijven op bij een product dat
al in de verkoop is waarbij de NVWA een product test met een overschrijding van de
MRL waarde boven de meetonzekerheid?
Antwoord:
In deze gevallen betreft het een product dat niet-conform is aan de wetgeving EU 396/2005
en dit mag daarom niet verder verhandeld en/of verwerkt worden door het betrokken
bedrijf of eventuele afnemers. Een recall is noodzakelijk en indien van toepassing
wordt er ook een rapid alert gemaakt. Het bedrijf moet verdere verhandeling stoppen;
het bedrijf moet zijn leverancier(s) informeren indien zij het schadelijke of niet
conforme levensmiddel hebben geleverd; het bedrijf moet zijn afnemer(s) informeren;
het bedrijf wordt verzocht de oorzaak van de overschrijding te onderzoeken en te rapporteren.
Vervolgens preventieve maatregelen te treffen (bv analyse als onderdeel van ingangscontrole)
om herhaling te voorkomen; het bedrijf moet een stille recall uitvoeren (in het geval
er sprake is van een gezondheidsrisico).
Zoals bij vraag 47 aangegeven kregen betreffende levensmiddelenbedrijven bovendien
een schriftelijke waarschuwing (bij overschrijding van de MRL) of een bestuurlijke
boete (bij overschrijding van de MRL én een gezondheidsrisico).
49.
Kan de regering toelichten wat de specifieke redenen waren voor het grote aantal ondernemers
om zich vlak voor de deadline van november/december 2025 terug te trekken uit de landelijke
beëindigingsregeling veehouderijlocaties (LBV-plus), waardoor 500 miljoen euro aan
subsidie-uitgaven niet tot besteding kwam?
Antwoord:
De ervaring leert dat er bij beëindigingsregelingen een substantieel deel van de initiële
aanvragers uiteindelijk niet kiest voor het sluiten van de veehouderijlocatie. Dit
is inherent aan het vrijwillige karakter van de regelingen en de impact van een besluit
om te stoppen. Zoals toegelicht in de slotwet lag de deadline voor het voldoen aan
de vereisten voor de tweede deelbetaling voor veel deelnemers van de Lbv-plus in november
of december 2025. Bij de aanvraag voor de tweede deelbetaling moet de veehouder aantonen
dat de dieren en dierlijke mest zijn afgevoerd en moet hij het bijbehorende productierecht
laten doorhalen. Dat maakt dit moment cruciaal bij de keuze om al dan niet te stoppen.
Een aantal deelnemers heeft, ondanks het ontvangen van een subsidiebeschikking en
ondertekenen van de overeenkomst, besloten om af te zien van deelname aan de regeling.
Aangezien deelname vrijwillig is kunnen deelnemers zonder opgaaf van reden hun subsidieaanvraag
intrekken. De redenen voor het afzien van deelname kunnen zeer uiteenlopend zijn:
van geen afscheid kunnen nemen van het huidige (boeren)bestaan, gunstige marktomstandigheden
en -vooruitzichten tot de (on)mogelijkheden voor het starten van een nieuwe activiteit
op de te beëindigen veehouderijlocatie. Veelal zal sprake zijn van een combinatie
van overwegingen, waarbij iedere ondernemer een individuele afweging maakt.
50.
Kan de regering toelichten om welke specifieke niet Europese Unie (EU)-conforme uitvoeringen
van subsidieregelingen het gaat waarbij correcties van de Europese Commissie (EC)
hebben geleid tot een storting van 20 miljoen euro in de reserve?
Antwoord:
De uitgaven hebben betrekking op de terugbetaling aan de Europese Commissie van een
oninbare vordering bij de Gemeenschappelijke Marktordening Groenten en Fruit.
51.
Hoe beoordeelt het kabinet de doelmatigheid van de LBV/LBV-plus-regelingen, gelet
op het grote aantal ondernemers dat zich na toekenning alsnog heeft teruggetrokken?
Antwoord:
De deelname aan de Lbv-regelingen is vrijwillig. Een ondernemer kan, na het ontvangen
van een subsidiebeschikking, besluiten om af te zien van deelname aan de regeling.
Terugtrekkingen zorgen weliswaar voor minder doelbereik, maar het verslechtert niet
de mate van doelmatigheid van de regeling. Immers, iedere veehouderijlocatie die deelneemt
aan één van de Lbv-regelingen draagt bij aan het doel van de regeling: het realiseren
van een structurele en blijvende reductie van stikstofdepositie op stikstofgevoelige
Natura 2000-gebieden in Nederland die geheel of gedeeltelijk overbelast zijn.
52.
Welke maatregelen neemt het kabinet om te voorkomen dat aanzienlijke budgetten pas
laat in het begrotingsjaar vrijvallen en daardoor niet meer doelmatig kunnen worden
ingezet?
Antwoord:
Er is veelvuldig aandacht voor het voorkomen van onderuitputting. In het Financieel
Jaarverslag Rijk wordt de Rijksbrede onderuitputting geanalyseerd. Daarin is zichtbaar
dat de onderuitputting in 2025 lager is uitgevallen dan in 2024. Bij LVVN is de onderuitputting
toegenomen. Dit is grotendeels veroorzaakt door onderuitputting bij de Landelijke
beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv). Deze onderuitputting is ontstaan doordat
boeren hun deelname hebben ingetrokken of betalingen later hebben aangevraagd dan
verwacht. Het was vooraf bekend dat deze regeling moeilijk te ramen is, maar met de
ervaring van de Lbv worden de toekomstige beëindigingsregelingen beter te ramen. Ook
zijn in 2025 door de Expertgroep Realistisch Ramen aanbevelingen gedaan over het voorkomen
van onderuitputting. Het kabinet voert deze aanbevelingen waar mogelijk uit.
53.
Kan de regering toelichten wat de oorzaak is van de verlate parlementaire autorisatie
waardoor middelen ter waarde van 1,9 miljoen euro voor de visserijsector niet tot
besteding zijn gekomen?
Antwoord:
Met de Ontwerpbegroting 2025 werd € 4,5 mln. beschikbaar gesteld voor projecten voor
visserij in 2025. Die begroting werd in maart 2025 geautoriseerd, waardoor vertraging
is ontstaan. Met de Voorjaarsnota 2025 is vervolgens additioneel € 50 mln. beschikbaar
gekomen voor meerjarige projecten. Er is de keuze gemaakt om een deel van de projecten
die initieel volledig uit de € 4,5 mln. gedekt zouden worden meerjarig en in een ander
uitgavenritme uit te voeren, waardoor er onderuitputting is ontstaan op de eerder
beschikbare € 4,5 mln. in 2025.
54.
Kan de regering toelichten waarom de betaling van 5,2 miljoen euro aan het Nationaal
Groenfonds, die aanvankelijk als opdracht was geraamd, uiteindelijk als subsidie is
verstrekt?
Antwoord:
De € 5,2 miljoen die het Nationaal Groenfonds over 2025 heeft ontvangen is een subsidie
die is verleend voor het uitvoeren van diensten van algemeen economisch belang. Naast
verscheidene opdrachten die het Nationaal Groenfonds uitvoert voor LVVN, zoals het
Investeringsfonds Duurzame Landbouw, beheert het Nationaal Groenfonds ook een fonds
waarmee zij innovatieve investeringen binnen het LVVN domein mogelijk maken die niet
via andere financiële instellingen verstrekt kunnen worden. Dit fonds is gevuld met
een eenmalige storting van Rijksmiddelen in 1994. Deze investeringen zijn aangemerkt
als van algemeen economisch belang. In eerdere jaren werden de kosten voor de uitvoering
van het fonds opgevangen met de renteopbrengsten uit de verstrekte leningen, echter
vanwege externe marktomstandigheden bleek eind 2025 dat dat in 2025 niet mogelijk
was. Om de kosten van deze dienst te dekken en daarmee deze dienst van algemeen economisch
belang voort te kunnen zetten is daarom in 2025 een subsidie verleend.
55.
In hoeverre acht de regering het begrotingsbeheer voldoende voorspelbaar, gezien meerdere
posten die volgens de toelichting niet eerder geraamd konden worden?
Antwoord:
Er zijn meerdere posten die lastig te ramen zijn, maar desalniettemin is de voorspelbaarheid
van het begrotingsbeheer over het algemeen goed. De posten met de grootste afwijkingen
zijn met name nieuwe subsidieregelingen die meerdere onzekerheden kennen, zoals het
aantal aanmeldingen, het deel van de aanmeldingen dat deelname doorzet, en het jaar
van uitbetaling. Er is dan vooraf al de verwachting dat er afwijkingen zullen zitten
tussen de ramingen en de uiteindelijke realisatie. Het doel is om die afwijkingen
zoveel mogelijk te beperken. Door te leren van de realisatie van lopende regelingen
worden afwijkingen in de toekomst naar verwachting beperkt. Op veel andere posten
zijn de ramingen goed in lijn met de realisatie.
56.
Kan de regering toelichten hoe het heeft kunnen gebeuren dat er ten onrechte ontvangsten
aan het Ministerie van LVVN zijn toebedeeld die feitelijk bestemd waren voor de Ministeries
van Economische Zaken (EZ) en Klimaat en Groene Groei (KGG)?
Antwoord:
Dit betreft middelen die bestemd zijn voor zogeheten shares; dienstonderdelen die
werk verrichten voor meerdere ministeries. Gezien de complexe aard van de allocatie
kunnen hier kleine fouten in optreden, dat is hier het geval.
57.
Hoe verklaart de regering dat het verplichtingenbudget voor Wageningen University
and Research ontoereikend was opgehoogd en welke lessen worden hieruit getrokken voor
toekomstig begrotingsbeheer?
Antwoord:
De subsidie aan Wageningen Research (WR) wordt verstrekt op grond van de Subsidieregeling
instituten voor toegepast onderzoek (TO2-regeling). Deze regeling schrijft voor dat
de subsidie uiterlijk op 31 december verstrekt moet worden voor het volgende jaar.
In de loop van het jaar waren er additionele projecten, die via de TO2 regeling aanvullend
waren beschikt. Dit was ten tijde van de najaarsnota en veegbrief echter nog onvoldoende
in beeld. Door beter te prognosticeren en (deel) subsidies meerjarig te verstrekken
kan het begrotingsbeheer worden verbeterd.
58.
Welke verklaring geeft het kabinet voor de foutieve toedeling van ontvangsten tussen
LVVN en de ministeries van EZ en KGG en welke maatregelen zijn genomen om herhaling
te voorkomen?
Antwoord:
Voor de verklaring verwijs ik u graag naar het antwoord op vraag 56. De processen
zijn intern nagelopen om dit in de toekomst te voorkomen.
59.
Op welke wijze zijn de NVWA-inspecties dierenwelzijn in de pluimveesector vanaf 2023
tot heden aangepast vanwege vogelgriep (zowel in aantallen als in wijze van uitvoering)
en hoe verhoudt zich dit tot de werkwijze van andere controle-instanties in de pluimveesector,
zoals IKB en het Controle Orgaan voor Kwaliteits Zaken (COKZ), waarbij het COKZ bijvoorbeeld
haar inspecties tijdens vogelgriepuitbraken wel doorgang liet vinden door bijvoorbeeld
de stal niet te betreden maar de houder te vragen de situatie te filmen?
Antwoord:
In perioden waarin sprake is van vogelgriep past de NVWA, afhankelijk van de omvang
en epidemiologische situatie, haar inspectiewerkzaamheden waar nodig aan. Daarbij
wordt steeds gezocht naar een balans tussen het beperken van risico’s op verspreiding
van dierziekten en het uitvoeren van toezicht op het dierenwelzijn.
De NVWA heeft in dat kader ook gekeken naar alternatieve vormen van inspecteren. Zo
is eind 2025 een pilot gestart met inspecties via videobellen. Deze inspecties werden
zodanig uitgevoerd dat een fysiek bedrijfsbezoek niet nodig was. Op deze wijze kon
het toezicht onder bepaalde omstandigheden worden voortgezet zonder het risico op
insleep of verspreiding van vogelgriep door bedrijfsbezoeken te vergroten. In totaal
zijn 27 inspecties uitgevoerd met behulp van videobellen.
De NVWA behoudt altijd de vrijheid om fysieke inspecties uit te voeren in geval van
een groot risico op het gebied van voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn.
Ook ten tijde van een uitbraak van een besmettelijke dierziekte.
60.
Is het aantal gehouden dieren een selectiecriterium voor wat betreft welke bedrijven
geïnspecteerd worden in het risicogebaseerde inspectiebeleid dierenwelzijn van de
NVWA?
Antwoord:
Het risicogerichte inspectiebeleid van de NVWA is gebaseerd op kennis van risico’s
en doelgroepen. Gefocust wordt op die diersoorten en locaties waar het risico het
grootst wordt geacht en het meeste effect met toezicht kan worden bereikt. Het aantal
gehouden dieren is één van de selectiecriteria binnen het risicogericht inspectiebeleid,
maar is niet op zichzelf bepalend.
61.
Wat is de toezichtintensiteit in de jaren 2023, 2024 en 2025 op dierenwelzijn in de
verschillende veehouderijsectoren zoals door de regering gerapporteerd aan de EC in
het kader van het Meerjarig Nationaal Controle Plan (MNCP), gepresenteerd overeenkomstig
antwoord 209 op de feitelijke vragen bij de Begroting 2024 van het Ministerie van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en het Diergezondheidsfonds (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 19)?
Antwoord:
Nog niet alle gegevens over 2025 zijn bekend, daarom kan de toezichtintensiteit voor
dit jaar voor een aantal sectoren nog niet berekend worden.
Aantal productielocaties
Aantal gecontroleerde productielocaties
Toezicht intensiteit
2023
2024
2025
2023
2024
2025
2023
2024
2025
Varkens
5162
4944
98
272
1,90%
5,50%
Leghennen
739
698
11
138
1,49%
19,77%
Kippen
782
778
39
41
4,99%
5,27%
Kalveren
30106
29625
28481
333
305
249
1,11%
1,03%
0,87%
Rundvee
30106
29625
28481
364
533
547
1,21%
1,80%
1,92%
Schapen
30178
29727
28938
218
321
282
0,72%
1,08%
0,97%
Geiten
15561
15697
15851
90
77
50
0,58%
0,49%
0,32%
Eenden
37
30
6
2
16,22%
6,67%
62.
Hoeveel dierenwelzijnsinspecties heeft de NVWA vanaf 2023 tot heden uitgevoerd op
bedrijven met opfokhennen (leg), legouderdieren, legouderdieren in opfok, leggrootouderdieren,
vleeskuikenouderdieren, vleeskuikenouderdieren in opfok, vleeskuikengrootouderdieren
en broederijen (uitgesplitst naar vleeskuikens en legkuikens), uitgaande van enkel
inspecties van bedrijfsmatig gehouden dieren en per diersoort uitgesplitst in fysieke
en administratieve inspecties en onderverdeeld naar inspectiereden te weten regulier
toezicht, naleefmetingen, herinspecties, inspecties van risico/toezichtbedrijven,
eigen initiatief, naar aanleiding van meldingen en overig?
Antwoord:
In 2023 hebben vier inspecties bij twee broederijen van vleeskuikens plaatsgevonden.
De aanleiding voor deze inspecties betrof een handhavingsverzoek. In 2024 heeft één
fysieke inspectie plaatsgevonden bij een opfokleghen (leg) bedrijf, naar aanleiding
van een melding. Daarnaast heeft in dat jaar één fysieke inspectie plaatsgevonden
bij een bedrijf met legouderdieren, naar aanleiding van een interne melding. Analyse
van inspectieresultaten over 2025 vindt momenteel plaats en zijn derhalve nog niet
beschikbaar. Deze zullen in de komende maanden gepubliceerd worden.
63.
Hoeveel dierenwelzijnsinspecties van de NVWA hebben van 2023 tot heden plaatsgevonden
op bedrijven met legkippen, uitgesplitst in kooikippen, scharrelkippen, vrije uitloopkippen
en biologische kippen en uitgesplitst per jaar?
Antwoord:
De NVWA maakt bij legkippen geen onderscheid in kooikippen, scharrelkippen, vrije
uitloopkippen en biologische kippen. In 2023 hebben 10 inspecties plaatsgevonden op
bedrijven met legkippen. In 2024 betrof dit 135 inspecties. Analyse van inspectieresultaten
over 2025 vindt momenteel plaats en zijn derhalve nog niet beschikbaar. Deze zullen
in de komende maanden gepubliceerd worden.
64.
Wanneer zijn voor opfokhennen (leg), legouderdieren, legouderdieren in opfok, leggrootouderdieren,
vleeskuikenouderdieren, vleeskuikenouderdieren in opfok, vleeskuikengrootouderdieren
en broederijen uitgesplitst naar broederijen vleeskuikens en legkuikens voor het laatst
naleefmetingen uitgevoerd, hoeveel bedrijven zijn daarbij geïnspecteerd en wat was
het vastgestelde naleefniveau?
Antwoord:
Voor de opfokhennen (leg) is er in 2025 en begin 2026 een naleefmeting uitgevoerd.
Analyse van deze inspectieresultaten vindt momenteel plaats en zijn derhalve nog niet
beschikbaar. Deze zullen in de komende maanden gepubliceerd worden.
De naleefmeting bij de leg (groot)ouderdieren wordt in 2026 uitgevoerd en hiervoor
zijn 22 inspecties gepland.
65.
Wat is verder bij de regering of de NVWA bekend over het naleefniveau van dierenwelzijnswetgeving
in de sectoren opfokhennen (leg), legouderdieren, legouderdieren in opfok, leggrootouderdieren,
vleeskuikenouderdieren, vleeskuikenouderdieren in opfok, vleeskuikengrootouderdieren
en broederijen uitgesplitst naar broederijen voor vleeskuikens en legkuikens?
Antwoord:
Het ministerie en de NVWA beschikken niet over representatieve naleefcijfers voor
alle genoemde sectoren. Om een betrouwbaar beeld te krijgen van het naleefniveau binnen
een sector voert de NVWA naleefmetingen uit gericht op diverse diergroepen. Dergelijke
naleefmetingen worden uitgevoerd op basis van een representatieve steekproef en zijn
erop gericht een uitspraak te kunnen doen over de mate waarin regelgeving wordt nageleefd
binnen een gehele sector.
66.
Voor de bovengenoemde pluimveesectoren waar geen naleefmeting of naleefniveau bekend
is, wordt daar op een andere wijze risicogericht toezicht gehouden en zo ja, op basis
van welke risicofactoren?
Antwoord:
De NVWA vertrouwt erop dat erfbetreders zoals dierenartsen, voerleveranciers en transporteurs
signalen van verminderd dierenwelzijn middels een melding met de NVWA delen. Bij de
erkende broederijen vindt er, minimaal jaarlijks, toezicht plaats vanuit de directie
Handelstoezicht binnen de NVWA. Deze inspecties vinden fysiek plaats waarbij ook de
dieren gezien worden. Bij eventuele afwijkingen met betrekking dierenwelzijn wordt
er een melding gedaan.
67.
Hoeveel inspecties dierenwelzijn hebben in 2025 plaatsgevonden op varkensbedrijven,
uitgaande van (indien mogelijk) enkel inspecties van bedrijfsmatig gehouden dieren
en onderverdeeld in inspecties op basis van regulier toezicht, naleefmetingen, herinspecties,
inspecties van risico/toezichtbedrijven, eigen initiatief, naar aanleiding van meldingen
en anders?
Antwoord:
Analyse van inspectieresultaten over 2025 vindt momenteel plaats en zijn derhalve
nog niet beschikbaar. Deze zullen in de komende maanden gepubliceerd worden.
68.
Hoe wordt momenteel in het toezicht de kennis gebruikt van het project Risicomodel
2022–2023 waarbij varkensbedrijven zijn geïnspecteerd op basis van een model waarmee
een verhoogd risico op overtreding kan worden gevonden, hoe verhoudt dit zich tot
de naleefmeting 2023–2024 op basis waarvan ook risicogericht toezicht ontwikkeld kan
worden en hoeveel inspecties zijn gedaan op basis van dit risicomodel?
Antwoord:
Uit de resultaten van zowel het risicomodel als de naleefmeting is gebleken dat varkenshouders
bepaalde welzijnsregels onvoldoende naleven. Het gaat hierbij om de voorschriften
rondom hokverrijking, het alarmplan en de regels voor het alarmsysteem en het testen
van het alarmsysteem. De NVWA heeft deze resultaten gedeeld met de sector en gepubliceerd
op de website. Op basis van het risicomodel varkens zijn 50 inspecties uitgevoerd
in 2022 en 2023. Voor de naleefmeting heeft de NVWA in 2023 en 2024 bij 170 locaties
waar bedrijfsmatig varkens werden gehouden inspecties uitgevoerd.
Momenteel is hokverrijking in het toezicht een belangrijk speerpunt, net als de aanwezigheid
van een alarmplan en alarmsysteem. In januari 2026 is de geactualiseerde brochure
Hokverrijking en nestbouwmateriaal voor varkens gepubliceerd en is de hokverrijkingskaart
die is gebaseerd op deze brochure aan alle varkenshouders per post verzonden. In navolging
van de publicatie van de brochure heeft de NVWA tot 1 juni een aangepast beleid gevoerd
in het toezicht met nadruk op naleefhulp door de inspecteurs tijdens inspecties en
door diverse vormen van informatieverstrekking over hokverrijking. Na een periode
van waarschuwen is het reguliere interventiebeleid sinds 1 juni van toepassing.
69.
Wat heeft de NVWA vooralsnog gedaan met de in 2022, 2023 en 2024 in haar Inspectieresultaten
grazers ongewijzigd uitgesproken intentie «Veel inspecties naar aanleiding van meldingen
zijn nu akkoord of er zijn geen dieren aanwezig. We willen risicogerichter meldingen
opvolgen. Dan kunnen we meer tijd aan andere projecten besteden.»?
Antwoord:
Het beoordelen van meldingen is mensenwerk, dus de afgelopen jaren is ingezet op casuïstiekbesprekingen
en kortere lijntjes tussen verschillende bij meldingen betrokken afdelingen om het
risicogerichter opvolgen van meldingen mogelijk te maken. Daarnaast wordt op dit moment
door middel van een data-analyse inzicht verder verkregen in de meldingendata, met
als doel ook hiermee de risicogerichte beoordeling aan te kunnen scherpen Tot slot
wordt het meldformulier voor dierenwelzijn onder de loep genomen. Als het formulier
beter in elkaar zit, zal de melder zijn informatie beter kunnen overbrengen en kan
de NVWA deze meldingen beter en risicogerichter beoordelen.
70.
Wat waren de bevindingen bij de dierenwelzijnsinspecties bij bedrijven met opfokhennen
(leg), legouderdieren, legouderdieren in opfok, leggrootouderdieren, vleeskuikenouderdieren,
vleeskuikenouderdieren in opfok, vleeskuikengrootouderdieren en broederijen (uitgesplitst
naar vleeskuikens en legkuikens) en hoe vaak hebben deze bevindingen geleid tot het
opleggen van een maatregel?
Antwoord:
Analyse van inspectieresultaten over 2025 vindt momenteel plaats en zijn derhalve
nog niet beschikbaar. Deze zullen in de komende maanden gepubliceerd worden. Zie ook
het antwoord op vraag 64.
71.
Hoeveel (administratieve) inspecties heeft de NVWA vanaf 2025 tot op heden uitgevoerd
bij broederijen met betrekking tot de bepaling dat vleeskuikens binnen zes uur na
het openen van de broedkast toegang moeten hebben tot voedsel en water?
Antwoord:
De NVWA heeft vanaf 2025 tot op heden geen specifieke dierenwelzijnsinspecties uitgevoerd
bij vleeskuikenbroederijen gericht op de bepaling dat kuikens binnen zes uur na het
openen van de broedkast toegang moeten hebben tot voer en water.
Bij de erkende broederijen vindt er, minimaal jaarlijks, toezicht plaats vanuit de
directie Handelstoezicht binnen de NVWA. Deze inspecties vinden fysiek plaats waarbij
ook de dieren gezien worden. Bij eventuele afwijkingen met betrekking dierenwelzijn
wordt er een melding gedaan.
72.
Hoeveel overtredingen van de bepaling dat vleeskuikens binnen zes uur na het openen
van de broedkast toegang moeten hebben tot voedsel en water zijn er door de NVWA geconstateerd
tijdens deze inspecties bij broederijen vanaf 2025 tot op heden?
Antwoord:
De NVWA heeft vanaf 2025 tot op heden geen specifieke dierenwelzijnsinspecties uitgevoerd
bij vleeskuikenbroederijen gericht op de bepaling dat kuikens binnen zes uur na het
openen van de broedkast toegang moeten hebben tot voer en water.
73.
Met welke interventies (zoals een mededeling, waarschuwing, boete of corrigerende
maatregel) heeft de NVWA de geconstateerde overtredingen van de zesuursnorm voor toegang
tot voedsel en water bij vleeskuikens in broederijen vanaf 2025 tot op heden opgevolgd?
Antwoord:
De NVWA heeft vanaf 2025 tot op heden geen specifieke dierenwelzijnsinspecties uitgevoerd
bij vleeskuikenbroederijen gericht op de bepaling dat kuikens binnen zes uur na het
openen van de broedkast toegang moeten hebben tot voer en water.
74.
Hoeveel fysieke inspecties heeft de NVWA vanaf mei 2025 tot op heden uitgevoerd op
de vangmethode van kippen?
Antwoord:
De NVWA heeft 3 inspecties uitgevoerd op de vangmethode van kippen van mei 2025 tot
op heden.
75.
Hoeveel overschrijdingen (in totale aantallen) van de vangletselgrens van één en twee
procent heeft de NVWA vanaf 2025 tot en met heden geconstateerd, uitgesplitst per
jaar, type pluimvee en herkomstland?
Antwoord:
Het CBb heeft in 2025 uitspraak gedaan waardoor de NVWA niet meer handhavend kan optreden
bij het constateren van (vang)letsel, daardoor zijn er ook geen maatregelen opgelegd.
Letsel bij pluimvee wordt wel gemonitord bij toezicht op slachthuizen en gebruikt
voor risicogericht toezicht bij het vangen.
In de gevraagde periode is in totaal 334 keer vastgesteld dat er meer dan 1% letsel
in een koppel pluimvee aanwezig was, waarvan in 165 gevallen dit boven de 2% was.
Onderstaande tabel geeft een uitsplitsing per jaar, type pluimvee en herkomstland
voor de koppels met percentages van meer dan 1% (dit is inclusief de koppels met >2%)
Eenden
Legkippen
Moederdieren
Slachtkuikens
Totaal
2025
1
1
21
238
261
België
4
24
27
Denemarken
1
1
Duitsland
11
165
175
Frankrijk
4
4
Nederland
1
1
1
49
51
2026
4
69
73
België
1
16
17
Denemarken
2
2
Duitsland
1
31
32
Nederland
22
22
Eindtotaal
1
1
25
307
334
76.
Hoeveel meldingen en/of signaleringen heeft de NVWA sinds 2020 per jaar ontvangen
van geaccepteerde private controle-instanties en van overige niet- geaccepteerde controle-instanties
over dierenwelzijnsproblemen die in het algemeen in een diersector gesignaleerd worden,
uitgesplitst per diersoort?
Antwoord:
De afspraak met de geaccepteerde kwaliteitssystemen is dat ze de vastgestelde potentiële
wetsovertredingen binnen hun eigen systematiek opheffen. Ze melden alleen ernstige
misstanden die ze niet binnen hun eigen reglement kunnen opheffen. De NVWA heeft geen
meldingen/signalen ontvangen over dierenwelzijnsproblemen van private controlesystemen
sinds 2020.
77.
Op welke wijze, in welke systemen en door wie wordt geregistreerd welke ziekten en
aandoeningen zich voordoen in de varkenshouderij, melkveehouderij en kalverhouderij
en in welke mate?
Antwoord:
De houder van een dier is primair verantwoordelijk voor de gezondheid van zijn of
haar dieren. Daar hoort ook zorg bij ziekte bij. Primair is informatie dus op bedrijfsniveau
beschikbaar. Het is geen rol van de overheid om dit centraal te registreren. Dit is
anders wanneer het gaat om EU-gereguleerde dierziekten, waar lidstaten een rapportageplicht
hebben richting de EU en de wereldorganisatie voor diergezondheid (WOAH). De NVWA
verzorgt deze rapportage op basis van gemelde dierziekten en laboratorium-resultaten
uit private labs. Zie ook www.nvwa.nl/onderwerpen/dier/dierziekten/nederland-en-europa.
Daarnaast heeft de overheid een wettelijke plicht om op bekende en onbekende aandoeningen
te monitoren. Dit is ingevuld met de basismonitoring diergezondheid, uitgevoerd door
Royal GD. De rapportages van de monitoring zijn openbaar en vindbaar op de website
van Royal GD www.gddiergezondheid.nl/nl/Diergezondheid/Monitoring.
78.
Lopen er op dit moment onderzoeken naar ziekten en aandoeningen die zich voordoen
in de varkenshouderij, melkveehouderij of kalverhouderij die door het Ministerie van
LVVN (mede) worden gefinancierd en zo ja, welke?
Antwoord:
Onderzoek is een belangrijk instrument om te komen tot een hogere diergezondheid.
LVVN financiert (mede) onderzoek op verschillende manieren. Zo is een wettelijke onderzoekstaak
besmettelijke dierziekten (WOT-BD) belegd bij Wageningen Bioveterinary Research (WBVR).
Hier wordt onderzoek gedaan naar de preventie en bestrijding van m.n. aangifteplichtige
dierziekten. Daarnaast lopen beleidsondersteunende onderzoeken, bijvoorbeeld ter monitoring
op antimicrobiële resistentie, evaluatie van bestrijdingsstrategieën tegen mond-en-klauwzeer,
preventie van Afrikaanse varkenspest in wilde zwijnen en naar beleidsvragen rond vaccinatie
tegen vogelgriep. Ten slotte financiert LVVN samen met private partijen onderzoek
in zogenaamde publiek-private samenwerkingen (PPS). Dit betreft vaak meer praktijkgericht
onderzoek binnen de Kennis en Innovatieagenda Landbouw, Water en Voedsel (KIA-LWV).
Een overzicht van lopende en oude projecten is te vinden op de website www.kia-landbouwwatervoedsel.nl.
79.
Hoeveel varkens hadden in de periode 2020 tot en met 2025 een longontsteking, borstvliesontsteking,
hersenvliesontsteking, maagzweer of navelbreuk, uitgesplitst per aandoening en jaar?
Antwoord:
Het Ministerie van LVVN, de NVWA en de RVO beschikken niet over deze informatie.
80.
Hoeveel runderen hadden in de periode 2020 tot en met 2025 een longontsteking, borstvliesontsteking
of maagzweer, uitgesplitst per aandoening en jaar?
Antwoord:
Het Ministerie van LVVN, de NVWA en de RVO beschikken niet over deze informatie.
81.
Hoeveel kalveren hadden in de periode 2020 tot en met 2025 een longontsteking, borstvliesontsteking
of maagzweer, uitgesplitst per aandoening en jaar?
Antwoord:
Het Ministerie van LVVN, de NVWA en de RVO beschikken niet over deze informatie.
82.
Welke grens hanteert de NVWA in 2026 voor hittestress, uitgesplitst per diersoort,
en wat is de onderbouwing daarvoor?
Antwoord:
Voor het inschatten van het risico op het ontstaan van hittestress in de wei hanteert
de NWVA dezelfde criteria als afgelopen jaren a.d.h.v. temperatuur (vanaf 27oC bij
paarden) of de THI (koeien bij THI 68 of hoger, schapen bij THI 71 of hoger). Deze
grens is opgesteld op basis van beschikbare wetenschappelijke literatuur en veterinaire
raadpleging bij praktiserend dierenartsen en dierenartsen werkzaam bij de NVWA. Er
worden geen specifieke grenswaarden bij dieren gehanteerd om hittestress vast te stellen.
NVWA inspecteurs en dierenartsen beoordelen de situatie ter plaatse per geval en stellen
op grond van uiterlijke kenmerken zoals ademhalingssnelheid vast of er, naar hun professionele
oordeel, sprake is van hittestress bij dieren.
83.
Hoeveel hittemeldingen, inspecties (zowel fysiek als telefonisch), waarschuwingen
en boetes zijn er bij de NVWA tussen 2020 en 2025 geweest of uitgedeeld voor hitte
bij landbouwdieren, uitgesplitst per jaar en per categorie (melding, inspectie, waarschuwing,
boete)?
Antwoord:
Een overzicht van hittemeldingen, aantal inspecties naar aanleiding van deze meldingen
en het type interventies is opgenomen in onderstaande tabel.
Jaar
Aantal hitte meldingen
Aantal inspecties
Aantal waarschuwingen
Aantal boetes
2020
401
119
10
2
2021
22
11
3
2022
472
97
9
2023
432
93
7
1
2024
228
45
6
2025
628
98
12
2
84
Hoeveel fulltime-equivalent (fte) en hoeveel uren heeft de NVWA voor 2026 beschikbaar
gesteld voor het behandelen van meldingen over hittestress en het uitvoeren van hitte-inspecties
binnen haar dierenwelzijnsteams, uitgesplitst per fte en uren, en uitgesplitst per
team (dierenwelzijn 1 t/m 5, dierenwelzijn vervoer, diergeneesmiddelen 1 en 2)?
Antwoord:
Voor de teams dierenwelzijn 1 t/m 5 zijn 13.860 uren beschikbaar gesteld voor het
behandelen van meldingen betreft dierenwelzijn. Voor team vervoer betreft dit 3.000
uren. De hoeveelheid fulltime-equivalent (fte) en uren worden niet op het gevraagde
detailniveau beschikbaar gesteld.
85.
Hoeveel meldingen zijn er in totaal gedaan over landbouwdieren bij de NVWA tussen
2020 en 2025, exclusief hittemeldingen, uitgesplitst per jaar, uitgesplitst per team
(dierenwelzijn 1 t/m 5, dierenwelzijn vervoer, diergeneesmiddelen 1 en 2)?
Antwoord:
In de eerste tabel staan het aantal binnengekomen dierenwelzijnsmeldingen per jaar,
exclusief de hitte meldingen, voor teams dierwelzijn 1 t/m 5 en diergeneesmiddelen
1 en 2. De meldingen komen niet binnen per team, maar centraal. Daardoor is er geen
afsplitsing per team te maken. Voor vervoer zijn de meldingen apart gerapporteerd
in de tweede tabel.
Dierwelzijnsmeldingen, excl. hitte meldingen, binnengekomen voor de teams dierwelzijn
1 t/m 5 en diergeneesmiddelen 1 en 2:
Dierwelzijnsmeldingen, exclusief hitte meldingen, binnengekomen voor de team vervoer:
Jaar
2020
2021
2022
2023
2024
2025
Aantal meldingen
2.515
2.942
2.165
2.443
2.417
2.704
Jaar
2020
2021
2022
2023
2024
2025
Aantal meldingen
36
114
316
112
218
513
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
H.S. Steen, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
R.P. Jansma, griffier