Brief regering : Beleidsreactie op het WODC-rapport ‘Een verkennend onderzoek naar preventieve mogelijkheden in binnen- en buitenland voor een veilige terugkeer in de samenleving van hoogrisicogedetineerden’.
24 587 Justitiële Inrichtingen
Nr. 1135
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 29 juni 2026
Hierbij bied ik uw Kamer aan het rapport «Precair preventief pionieren. Een verkennend
onderzoek naar preventieve mogelijkheden in binnen- en buitenland voor een veilige
terugkeer in de samenleving van hoogrisicogedetineerden». Het onderzoek is uitgevoerd
door de Rijksuniversiteit Groningen en de Erasmus Universiteit Rotterdam, in opdracht
van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC).
Aanleiding
De intensieve aanpak van georganiseerde criminaliteit heeft geleid tot een toename
van het aantal hoogrisicogedetineerden. Deze gedetineerden worden geplaatst in de
Extra Beveiligde Inrichting (EBI) of op een Afdeling voor Intensief Toezicht (AIT).
Door zicht te houden op de veiligheidsrisico’s die uitgaan van deze specifieke groep
en door aanvullende veiligheidsmaatregelen te treffen wordt voortgezet crimineel handelen
vanuit detentie (VCHD) zoveel mogelijk voorkomen en de samenleving zo goed mogelijk
beschermd tegen deze gedetineerden.
Het WODC-rapport «Vergelijkend onderzoek Italiaans 41-bis detentieregime» (Struijk
e.a.) leidde tot de vraag of een voor de samenleving veilige terugkeer voor deze doelgroep
überhaupt haalbaar is en of het huidig instrumentarium aan taxatie-instrumenten tijdens
detentie en toezicht-mogelijkheden na detentie toereikend is voor deze specifieke
doelgroep. Het WODC is daarom verzocht om hier nader onderzoek naar te doen. Bijgevoegd
treft u de resultaten van het onderzoek aan.
In deze brief schets ik kort de belangrijkste uitkomsten van het WODC-onderzoek, de
aanbevelingen en geef ik mijn inhoudelijke reactie. Tot slot ga ik in op enkele andere
relevante ontwikkelingen: de aanpak van drones en een eerder incident inzake laptops.
Uitkomsten van het onderzoek
Het onderzoek is specifiek gericht op de groep hoogrisicogedetineerden die worden
geplaatst in de EBI of op een AIT. Het betreft een literatuur- en documentstudie aangevuld
met interviews, waarbij tien landen verkennend zijn onderzocht (Canada, Denemarken,
Duitsland, Engeland & Wales, Italië, Noorwegen, Oostenrijk, Verenigde Staten (VS),
Zweden en Zwitserland).
Instrumentarium tijdens detentie
Uit de rechtsvergelijkende verkenning blijkt dat slechts de VS (Supermax prison-concept),
Italië (41bis regime)en Zweden (Fenix-afdeling) penitentiaire regimes kennen die tijdens
detentie direct zijn toegesneden op hoogrisicogedetineerden met (potentiële) banden
met de georganiseerde criminaliteit. De drie landen laten volgens de onderzoekers
zien dat deze hoog beveiligde regimes onmiskenbaar draaien om risicobeheersing, isolatie
en het voorkomen van criminele voortzetting vanuit detentie. Tegelijkertijd verschillen
ze in de mate van rechtspositionele inbedding, duur en mogelijkheden tot herbeoordeling
of afschaling. Waar de VS en Italië vooral worden gekenmerkt door langdurige of structurele
isolatie gericht op het beperken van de risico’s tijdens detentie, zonder duidelijke
uitstroommechanismen biedt Zweden meer periodieke herbeoordeling en een meer mensgericht
regime aangevuld met een inzet op risicobeperking na detentie middels preventieve
detentie.
Op basis van de bevindingen van het verkennend rechtsvergelijkend onderzoek concluderen
de onderzoekers dat buitenlandse voorbeelden op dit moment geen nieuwe, bruikbare
oplossingen bieden om VCHD verder tegen te gaan vanuit detentie. Nederland heeft al
veel maatregelen overgenomen, en loopt zo concluderen de onderzoekers internationaal
voorop, De onderzoekers geven aan dat Nederland nu vooral voor de opgave staat om
de effectiviteit te evalueren en een juiste balans te vinden tussen veiligheid en
re-integratie.
Risicotaxatie en re-integratie
Internationaal is er vrijwel geen risicotaxatie-instrument beschikbaar dat adequaat
en valide risico’s inschat bij hoogrisicogedetineerden. De onderzoekers geven aan
dat landen (waaronder Nederland) hun beslissingen in de praktijk baseren op operationele
informatie zoals inlichtingen, observaties en veiligheidsgegevens, zonder dat deze
informatie systematisch wordt gewogen in een gestandaardiseerde risicoanalyse. Het
enige meer gestructureerde en mogelijk relevante instrument dat internationaal is
aangetroffen, is de Canadese Multi Level Guidelines for Group Based Violence (MLG).
Dit instrument is ontwikkeld in reactie op een behoefte aan specifieke instrumenten
voor een gestructureerd professioneel oordeel voor extremistisch geweld. Als één van
de specifieke contexten voor het geweld wordt de georganiseerde misdaad genoemd. Het
model bestrijkt zestien factoren op vier domeinen, van individu tot groep en samenleving.
Het gaat om geweld door een individu, wiens beslissingen en gedragingen worden beïnvloed
door een groep waartoe ze behoren of waarmee ze zich associëren of identificeren.
De empirische onderbouwing komt grotendeels vanuit de forensische psychologie en criminologie.
De onderzoekers constateren dat specifieke re-integratieprogramma’s (in en na detentie)
voor hoogrisicogedetineerden vrijwel in alle onderzochte landen ontbreken. Er wordt
aangegeven dat het moeilijk is om effectieve interventies te ontwikkelen voor personen
met diepgewortelde criminele attitudes en/of sterke banden met criminele organisaties.
Canada en de Verenigde Staten bieden daarentegen wel interessante aanknopingspunten
door het gebruik van groepsgerichte risicoclassificatie (Security Threat Group, STG).1
De uitvoering van het STG-beleid betreft in Canada een multidisciplinair systeem,
waarbij er periodiek inlichtingen en advisering plaatsvindt vanuit gevangenismanagement
maar ook «case management» inclusief psychologen en reclasseringswerkers om een dynamische,
individuele en actuele benadering te borgen. Daarbij kent Canada één specifiek re-integratieprogramma
dat via cognitieve gedragstherapie gericht is op het verminderen van criminogene factoren
voor de onderzoeksdoelgroep. Het Counter-Point programma houdt een cognitieve gedragstherapie
in van ongeveer 10 weken, dat start tijdens detentie en gericht is op de voor deze
daders vaak zo kenmerkende criminogene factoren van een pro criminele attitudeen een antisociale context.2 De onderzoekers verwijzen naar een onderzoek waar een follow-up periode van ruim
6 jaar liet zien dat er een reductie in recidive optrad als de betrokkene het programma
volledig afrondde. Waar 36% van de deelnemers een nieuw strafbaar feit bleek te hebben
gepleegd, was dat 52% bij de deelnemers die voortijdig waren uitgevallen en 64% bij
een controlegroep.
In Canada wordt ten aanzien van de frequentie van taxatie meer dan in andere landen,
gemonitord of, en bevorderd dat, gedetineerden met een STG-status (meer) afstand nemen
van hun groep (disaffiliation) Dit past volgens de onderzoekers bij Canada, dat van oudsher investeert in de ontwikkeling
van en het onderzoek naar gestructureerde risicotaxatie waarin re-integratie tijdens
de detentieperiode start en wordt uitgebouwd in de re-integratiefase. De onderzoekers
noemen Canada dan ook een gidsland en zien deze aanpak als een relevant voorbeeld
voor verdere ontwikkeling van interventies voor de onderzoeksdoelgroep van hoogrisicogedetineerden.
Toezicht na detentie
Voor de fase na detentie komt uit het onderzoek naar voren dat die interventies en
toezichtmaatregelen, onder meer gericht op hoogrisicogedetineerden, (nog) niet ten
volle (kunnen) worden benut.
Nederland beschikt over verschillende interventies en toezichtmaatregelen om na detentie
recidiverisico’s van gedetineerden te beheersen. Hierbij worden de gedragsbeïnvloedende
en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) en de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI)
genoemd. Met de VI kan een veroordeelde het laatste deel van de straf in vrijheid
doorbrengen, zolang de veroordeelde zich aan de gestelde voorwaarde(n) houdt.3 In de praktijk wordt door geïnterviewden gesteld dat het VI-kader sinds de wetswijziging
Wet Straffen en Beschermen als te kort en te weinig inhoudsvol wordt ervaren om effectief
te kunnen benutten voor recidiverisicobeheersing en re-integratiebegeleiding. Bovendien
kunnen langgestrafte gedetineerden, volgens deskundigen, ervoor kiezen om hun volledige
straf uit te zitten zonder toezichtfase. Dit wordt als zorgelijk gezien.
De GVM is in 2018 via de Wet langdurig toezicht ingevoerd om bestaande toezichtleemten
op te vullen na afloop van een gevangenisstraf en/of tbs-maatregel, voor daders van
ernstige gewelds- en zedendelicten die dan nog als recidivegevaarlijk worden beschouwd.
Via de GVM kunnen voorwaarden worden gesteld, waarvan bij niet-naleving de consequentie
vervangende hechtenis kan zijn tot maximaal zes maanden (art. 6:6:23b lid 6 Sv onder
verwijzing naar art. 38w Sr). De onderzoekers geven aan dat die stok achter de deur
van zes maanden in de praktijk als ontoereikend wordt beschouwd. Zodra de maximale
termijn van zes maanden is verstreken, zouden er namelijk geen consequenties meer
mogelijk zijn voor eventuele overtredingen van de voorwaarden.
Preventieve detentie in het buitenland
Preventieve detentie is een vorm van vrijheidsbeneming van onbepaalde duur na afloop
van de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf waarmee de samenleving wordt
beschermd tegen langdurig gevaarlijke daders.
In het onderzoek wordt aangegeven dat preventieve detentie een strikt begrensd juridisch
instrument betreft, dat vrijwel uitsluitend wordt toegepast op (recidiverende) gewelds-
en zedendelinquenten met een hoog ingeschat individueel risico. Op grond van onder
meer het EVRM gelden er strikte mensenrechtelijke grenzen: preventieve detentie moet
vanaf de veroordeling voorzienbaar zijn, mag niet arbitrair worden, vereist reële
behandel- en rehabilitatiemogelijkheden en moet proportioneel en subsidiair zijn ten
opzichte van bestaande lichtere sancties.
In acht verschillende landen (Canada, Denemarken, Duitsland, Engeland & Wales, Noorwegen,
Oostenrijk, Zweden en Zwitserland) zijn kaders van preventieve detentie onderzocht.
Vanwege het verkennende karakter van het onderzoek kan niet aangegeven worden of deze
vormen van preventieve detentie overgenomen kunnen worden in Nederland. De onderzoekers
merken daarbij op dat een kader van preventieve detentie in Nederland voor deze doelgroep
als prematuur wordt beschouwd. Er is nader onderzoek nodig, waarbij voor de onderzoeksdoelgroep
wordt verwezen naar Zweden. In Zweden is preventieve detentie voor deze doelgroep
in werking getreden. Gelet daarop volgt hieronder een toelichting op deze vorm van
preventieve detentie. Voor een toelichting op de andere landen verwijs ik naar de
bijlage onder deze brief.
In Zweden is recent – 15 april 2026 – het wetsvoorstel dat ziet op de invoering van
een kader voor preventieve detentie (säkerhetsförvaring) in werking getreden. Het ziet op individuele zeden- en (zware) geweldsdelinquenten
alsook daders vanuit de georganiseerde criminaliteit. Voor dit wetsvoorstel was brede
politieke steun, ongeacht de politieke kleur. De invoering van deze sanctie wordt
mede gemotiveerd doordat een systeem waarin iemand die ernstige gewelds- en zedendelicten
heeft gepleegd na het uitzitten van zijn straf weer op vrije voeten wordt gesteld,
ondanks een hoog recidiverisico, niet geloofwaardig wordt geacht.
De tenuitvoerlegging van säkerhetsförvaringis voorzien in het gevangeniswezen en geldt naast de optie waarbij de strafrechter
iemand kan doorverwijzen naar forensische psychiatrische zorg. Säkerhetsförvaringkan worden opgelegd als iemand eerder is veroordeeld voor misdrijven tegen leven,
gezondheid, vrijheid of rust, en daarvoor een gevangenisstraf van vier jaar of meer
kon worden opgelegd. Op het delict waarvoor iemand terechtstaat moet ook vier jaar
of meer staan. De straf kan ook opgelegd worden aan iemand die verdacht wordt van
verschillende delicten en daarvoor terechtstaat, waarbij onder meer is vereist dat
er een aanzienlijk risico bestaat op herhaling van ernstige misdrijven tegen het leven,
de gezondheid, de vrijheid of de rust van anderen en dat een gevangenisstraf van bepaalde
duur of andere maatregelen niet voldoende zijn om te voldoen aan de behoefte aan bescherming
van de samenleving.
De rechtbank moet de kortste duur van de vrijheidsbeneming (minimumduur) vaststellen,
welke overeenkomt met de duur van de gevangenisstraf die zou zijn opgelegd indien
gevangenisstraf als straf was gekozen. Dit mag maximaal achttien jaar bedragen. Tevens
moet de rechter de totale duur van de uitvoering (kaderduur) vaststellen maar het
kader kan oneindig verlengd worden. Elk jaar kan een review worden aangevraagd. De
rechtbank kan vervolgens besluiten tot voorwaardelijke vrijlating, waarbij de rechtbank
onder meer rekening houdt met het risico dat de veroordeelde opnieuw ernstige misdrijven
pleegt tegen het leven, de gezondheid, de vrijheid of rust van anderen en of de veroordeelde
heeft meegewerkt aan maatregelen die gericht zijn op zijn of haar aanpassing in de
samenleving.4
Aanbevelingen
Aanbevelingen
Hieronder worden de aanbevelingen uit het onderzoek kort weergegeven, geclusterd per
onderwerp.
Instrumentarium tijdens detentie
– De aanpak van georganiseerde criminaliteit binnen detentie is sterk geïntensiveerd
en aangescherpt. Voor de toekomst wordt het volgens de onderzoekers van belang geacht
om de effecten van alle nieuwe of aangescherpte maatregelen om VCHD tegen te gaan
te evalueren.
Risico-taxatie en re-integratie
– Kijk naar de mogelijke risicotaxatie instrumenten en re-integratieprogramma’s uit
Canada zoals de MLG en de groepsgerichte risicoclassificatie STG.
– Kijk naar de besluitvorming en bijbehorende risicoanalyse rondom EBI-/AIT-plaatsing
en afschaling om deze meer geïntegreerd en gestructureerd vorm te geven, waarbij een
hoogrisicogedetineerde daadwerkelijk in aanmerking kan komen voor een minder hoog
beveiligd regime.
– Laat zowel ten aanzien van de inrichting van het besluitvormingsproces, als
– ten aanzien van de integratie van een gestructureerd risicotaxatie-instrument in een
bredere risico-analyse, het beleid en de praktijk ten aanzien van de Terroristenafdeling
(TA) tot voorbeeld strekken. Het instrument van de VERA-2R is in dat proces op passende
wijze ingevoerd en ingebed in onderzoek (en training) om de kwaliteit ervan doorlopend
te verhogen.
Toezicht na detentie
– Laat in de lopende wetsevaluaties van de VI-regeling en de GVM aandacht besteden aan
de toepasbaarheid van beide kaders voor hoogrisicogedetineerden, en laat daarbij bezien
of een hogere strafdreiging (groter stok achter de deur) helpend kan zijn.
Preventieve detentie
– Ga op termijn de uitwerking van preventieve detentie zoals recent, mede voor de onderzoeksdoelgroep,
ingevoerd in Zweden nader onderzoeken. Houd ten aanzien van de toepassing van preventieve
detentie op de onderzoeksdoelgroep, de wijze van tenuitvoerlegging en de juridische
toetsing/houdbaarheid daarvan de ontwikkeling in Zweden zorgvuldig in de gaten, bijvoorbeeld
door het laten uitvoeren van een specifiek follow-uponderzoek naar de Zweedse praktijk.
Beleidsreactie
Instrumentarium tijdens detentie
De aanpak van georganiseerde criminaliteit binnen detentie is sinds 2021 flink versterkt
om de samenleving, medewerkers van DJI en advocaten te beschermen tegen de risico’s
die uitgaan van hoogrisicogedetineerden. Met de onderzoekers deel ik het belang van
evaluatie van deze maatregelen. Mijn ambtsvoorganger heeft daarom het WODC verzocht
om een beleidskader op te stellen voor monitoring en evaluatie van de van de maatregelen
die sinds 2021 zijn getroffen om voortgezet crimineel handelen vanuit detentie (VCHD)
tegen te gaan. De verwachting is dat dit onderzoek eind 2026 wordt opgeleverd. Ik
zal dit met uw Kamer delen.
Risico-taxatie en re-integratie
Bij de detentie van hoogrisicogedetineerden staat veiligheid voorop waarbij elke twaalf
maanden getoetst wordt of plaatsing op een AIT of in een EBI nog noodzakelijk is.
Actuele informatie, bijvoorbeeld over (risico’s op) voortgezet crimineel handelen,
kan reden zijn om die plaatsing te verlengen.
Het onderzoek heeft mogelijk waardevolle inzichten opgeleverd uit de Canadese vormgeving
van het re-integratiebeleid ten aanzien van de zogeheten Security Threat Groups(STG) waarbij Canada één specifiek re-integratieprogramma kent dat via cognitieve
gedragstherapie gericht is op het verminderen van criminogene factoren voor de onderzoeksdoelgroep.
Ik ga verkennen of, en op welke wijze, deze inzichten een bijdrage kunnen leveren
aan een zo veilig mogelijke terugkeer van hoogrisicogedetineerden in de samenleving.
Daarbij ga ik ten aanzien van de risicotaxatie – om een meer gestructureerd risicotaxatie-instrument
in te kunnen richten- verkennen of de Canadese Multi Level Guidelines for Group Based
Violence (MLG) hiervoor bruikbaar is. Bij relevante ontwikkelingen zal ik uw Kamer
hierover informeren.
Verder ga ik de aanbevelingen ten aanzien van de plaatsing in de EBI/AIT bezien in
het licht van het onderzoek naar het beoordelingskader over plaatsing naar aanleiding
van de motie van het Kamerlid Ellian.5
Toezicht na detentie
Het WODC zal worden verzocht om in de lopende wetsevaluaties van de VI-regeling (Wet
Straffen en Beschermen) en de GVM (Wet langdurig toezicht) ook aandacht te besteden
aan de hoogrisicogedetineerden. Met het WODC wordt overlegd hoe dit een plaats krijgt
in het onderzoek. De wetsevaluatie van de Wet langdurig toezicht wordt medio 2027
verwacht. De Wetsevaluatie van de Wet Straffen en Beschermen wordt de eerste helft
van 2028 verwacht.
Preventieve detentie
Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat Zweden, als enige van de onderzochte landen,
zich inzet om de risico’s van hoogrisicogedetineerden ook na detentie te beperken
door middel van preventieve detentie dat door de rechter is opgelegd. De rechter legt
daarbij een minimumduur en een maximumduur op, maar het kader kan oneindig worden
verlengd waarbij elk jaar een reviewkan worden aangevraagd. Zweden heeft deze invoering gemotiveerd doordat een systeem
waarin iemand die ernstige gewelds- en zedendelicten heeft gepleegd na het uitzitten
van zijn straf weer op vrije voeten wordt gesteld, ondanks een hoog recidiverisico,
niet als geloofwaardig wordt geacht.
Anders dan Zweden, kent een deel van de onderzochte landen geen levenslange gevangenisstraf
of het beschikt over een vorm van preventieve detentie dat ziet op een equivalent
van de TBS maatregel. Dit laatste betreft echter een andere doelgroep dan de hoogrisicogedetineerden.
Dit maakt Zweden interessant.
Omdat preventieve detentie zeer recent (15 april jl.) is ingevoerd, is het nu nog
te prematuur om conclusies te trekken of dit van toegevoegde waarde is voor hoogrisicogedetineerden
in Nederland. Ik zal deze ontwikkeling zorgvuldig in de gaten houden, waarbij ik een
follow up studie zal laten verrichten na vijf jaar. Daarbij zal er in de tussenliggende
periode ambtelijk contact zijn met Zweden om ook tussentijds ervaringen op te halen.
Afrondend
Ik ben de onderzoekers erkentelijk voor het onderzoek. Hieruit blijkt onder meer dat
het beleid omtrent de aanpak van «ondermijnende criminaliteit» vanuit detentie de
afgelopen jaren flink is versterkt. Nederland loopt, zoals de onderzoekers concluderen,
internationaal voorop.
De uitkomsten van dit onderzoek neem ik mee bij huidige en toekomstige beleidsontwikkeling
voor deze doelgroep. Zo blijf ik kijken of noodzakelijke veiligheidsmaatregelen nodig
zijn om de samenleving blijvend te beschermen. Ik houd daarbij nadrukkelijk oog voor
de balans tussen veiligheid van de maatschappij en de rechten van gedetineerden.
Overige punten
Tot slot wil ik uw Kamer in deze brief nader informeren over een aantal relevante
ontwikkelingen rondom drones en laptops.
Drones
Drones rondom penitentiaire inrichtingen (PI’s) brengen een groot veiligheidsrisico
met zich mee. Ik vind het, net als mijn ambtsvoorganger, belangrijk dat de DJI ook
zelf drones uit de lucht kan weren. Daarbij is toegezegd dat de (juridische) mogelijkheden
om de DJI zelf te laten beschikken over deze bevoegdheden worden verkend.6 Kamerlid Ellian (VVD) heeft daarnaast op 26 november 2025 een motie ingediend waarin
de regering wordt verzocht om drones die een dreiging vormen voor militaire installaties
en justitiële locaties op een veilige wijze te bestrijden.7
Uit deze juridische analyse is naar voren gekomen dat het mogelijk is om DJI medewerkers,
via een aanpassing van de Geweldsinstructie penitentiaire inrichtingen, de bevoegdheid
te geven om drones boven en op terrein van PI’s met een extra of uitgebreid beveiligingsniveau
te weren. Ik ga deze aanpassing op een zo kort mogelijke termijn doorvoeren. De aanpassing
treedt met ingang van 1 juli 2026 in werking. Hierdoor kan de aanbesteding voor de
aanschaf van deze apparatuur worden gestart. Parallel wordt gewerkt aan het opleidingsprogramma
voor de DJI medewerkers. De verwachting is dat vanaf het eerste kwartaal van 2027
daadwerkelijk gebruik kan worden gemaakt van eigen of gehuurde apparatuur. Deze aanpassing
is daarmee een belangrijke stap in het verder beveiligen van PI’s met (hoog)risicogedetineerden
Laptops
Op 26 januari 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over een geconstateerde kwetsbaarheid
in de beveiliging van laptops van de DJI die sommige gedetineerden op cel hebben.8 Het gaat om laptops die justitiabelen uit opdracht van het OM krijgen ter voorbereiding
op hun strafzaak. Dit betreft stand alone laptops die niet-geactiveerde wifi hebben en niet over andere functionaliteiten beschikken.
In bovengenoemde brief aan uw Kamer heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd dit nader
te onderzoeken en u te informeren over de uitkomsten van dit onderzoek en de verbeteracties.
Dit wordt hieronder toegelicht.
In oktober 2025 is een deel van de laptops vervangen. Bij de laatste aanpassingen
van de beveiligingssysteeminstellingen was de software niet op de juiste manier dichtgezet.
Op vrijdag 23 januari 2026 is deze kwetsbaarheid geconstateerd. Door de betreffende
fout in de instelling van de software bestond er een kans dat de toegang tot het internet
niet volledig was afgesloten. De DJI heeft de laptops direct ingenomen en hiernaar
onderzoek verricht. Uit het onderzoek is gebleken dat er geen aanwijzingen zijn die
duiden op misbruik van de laptops door gedetineerden.9 Om dit in de toekomst te voorkomen zijn er aanvullende veiligheidsmaatregelen getroffen
op het gebied van het testen en controleren van de apparatuur.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
K.T. van Bruggen
BIJLAGE OVERZICHT PREVENTIEVE DETENTIEKADERS IN HET BUITENLAND
Zweden
Het kader voor preventieve detentie säkerhatsförvaring is 15 april jl. in werking
getreden voor deze doelgroep. De rechter legt een minimumduur en maximumduur tot de
mogelijkheid van review op, maar het kader kan oneindig worden verlengd, hetgeen ook
kan met de proeftijd van VI. Elk jaar kan een review worden aangevraagd. Het ziet
op individuele zeden- en (zware) geweldsdelinquenten alsook daders vanuit de georganiseerde
criminaliteit.
Canada
Het kader voor preventieve detentie is de Dangerous Offender (DO) designation. Het
is een straf van onbepaalde duur (met een minimale termijn van zeven jaar) die daarna
elke twee jaar kan worden verlengd door een Parole Board. Het kader wordt weinig opgelegd
vanwege een hoog gevaarscriterium dat eerdere recidive van een «serious personal injury
offence» vereist. Waarbij in het algemeen een uitgebreid aanbod aan behandelprogramma’s
beschikbaar is voor DO-gedetineerden.
Duitsland
Het kader voor preventieve detentie is de Sicherungsverwahrung: een maatregel die ten uitvoer wordt gelegd na afloop van de straf en minimaal elk
jaar door de rechter wordt getoetst. Het bestaat naast een maatregel voor verminderd
toerekeningsvatbaren. Het wordt ten uitvoer gelegd in een gevangenisomgeving, waar
werk moet worden gemaakt van inspanningen om risico’s terug te dringen.
Zwitserland
Het kader voor preventieve detentie is de Verwahrung, vergelijkbaar met Duitsland. Het is subsidiair aan de maatregel voor daders met
een psychische stoornis of kan na afloop daarvan bij onbehandelbaarheid volgen. Het
wordt ten uitvoer gelegd in de gevangenis.
Oostenrijk
Het kader voor preventieve detentie is vergelijkbaar met het Zwitserse kader, met
betrekking tot karakter, combinatiemogelijkheid, subsidiariteitsvereiste – ook de
(levenslange) gevangenisstraf moet niet in staat zijn om het risico terug te dringen
– en verlengingsmogelijkheid. Anders is dat sowieso na tien jaar VI volgt, zij het
met een oneindig verlengbare proeftijd.
Denemarken
Het kader voor preventieve detentie heet forvaring. Het wordt in plaats van een gevangenisstraf opgelegd. Het heeft een minimumduur
van twee jaar (en geen maximum), waarna vrijlating elke zes maanden door gedetineerde
kan worden aangevraagd. Ook hier geldt dat de gevangenisstraf het risico niet voldoende
moet kunnen terugdringen.
Engeland & Wales
Tussen 2005 en 2012, als kader voor preventieve detentie, is de Imprisonment for Public Protection in werking geweest. Het werd gezien als een vorm van life sentence, maar dan voor relatief lichtere delicten (met name zedenfeiten). Het is afgeschaft
omwille van de proportionaliteit en omdat het EHRM heeft bepaald dat na het vergeldende
deel van de straf, arbitrair wordt op het moment als er in de gevangenis geen mogelijkheden
zijn voor rehabilitatie.
Noorwegen
Wanneer een gevangenisstraf onvoldoende wordt geacht om het leven, de gezondheid of
de vrijheid van anderen te beschermen, kan forvaring in een daarvoor ingerichte penitentiaire
inrichting worden opgelegd, indien de dader schuldig wordt bevonden aan het plegen
of poging tot plegen van een geweldsdelict, een seksueel misdrijf, vrijheidsberoving,
brandstichting of een ander misdrijf dat het leven, de gezondheid of de vrijheid van
anderen heeft geschonden of deze rechten in gevaar heeft gebracht.
Indieners
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid