Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over het ontwerpbesluit Besluit collectieve warmte (Kamerstuk 36576, nr. 120)
2026D33100 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
De vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei heeft een aantal vragen en opmerkingen
aan de Minister voor Klimaat en Groene Groei voorgelegd over het Ontwerpbesluit Besluit
collectieve warmte (Kamerstuk 36 576, nr. 120).
De voorzitter van de commissie,
Zwinkels
De griffier van de commissie,
Nava
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
II
Antwoord/Reactie van de Minister
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het ontwerpbesluit
collectieve warmte. Deze leden onderschrijven het belang van snelle duidelijkheid
over de lagere regelgeving onder de Wet collectieve warmte. Collectieve warmte is
cruciaal voor de verduurzaming van de gebouwde omgeving en voor het verminderen van
onze afhankelijkheid van de import van fossiele energie. Tegelijkertijd zien deze
leden dat de warmtetransitie in de praktijk nog vaak wordt belemmerd door onzekerheid.
De leden van de D66-fractie hebben hierover nog enkele vragen.
De leden van de D66-fractie vragen of de Minister kan uiteenzetten welke mogelijkheden
de Tweede Kamer en Eerste Kamer hebben om zich te buigen over de koste gebaseerde
tariefregulering, en op welk moment deze nadere uitwerking aan beide Kamers wordt
voorgelegd.
De leden van de D66-fractie vragen of de Minister daarnaast kan toelichten wat de
gevolgen zijn als de inwerkingtreding van de Wet collectieve warmte vertraging oploopt.
Wat betekent dit concreet voor gemeenten, warmtebedrijven, woningcorporaties, vereniging
van eigenaren (VvE’s) en bewoners die wachten op duidelijkheid over collectieve warmteprojecten?
Welke gevolgen heeft vertraging voor het behalen van de klimaatdoelen in de gebouwde
omgeving?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de nota van toelichting
en hebben hierover nog enkele vragen en aandachtspunten.
De leden van de VVD-fractie hechten veel waarde aan de betaalbaar houden van warmtenetten
voor huishoudens. Op welke manier verhouden de strenge duurzaamheidseisen zich tot
de betaalbaarheid van de warmtenetten op de langere termijn? Ziet de Minister mogelijke
problemen in de toekomst voor het betaalbaar houden van (deels) publieke warmtenetten?
Daarnaast is het voor de leden van de VVD-fractie van belang dat de leveringszekerheid
van warmtenetten kunnen worden gewaarborgd. Welke rechten hebben inwoners bij uitval?
Op welke manier wordt de Kamer betrokken bij het uitwerken van compensatieregelingen?
De leden van de VVD-fractie merken op dat de uitwerking van fase 2 voor de overgang
van de huidige «Niet Meer Dan Anders»-warmtetarieven naar kostengebaseerde tarieven
pas later komt. Wanneer wordt de uitwerking nu verwacht en wanneer zullen de nieuwe
tarieven naar verwachting in werking treden? Kan er met de uitwerking ook worden gedeeld
wat dit voor de energierekening van een gemiddeld huishouden betekent?
De leden van de VVD-fractie hebben tijdens de behandeling van de Wet collectieve warmte
hun zorgen geuit over het vereiste publieke eigendom. Hoe verloopt de samenwerking
met marktpartijen op dit moment? Zijn marktpartijen nog bereid om investeringen te
doen?
De leden van de VVD-fractie hebben ook tijdens de behandeling van de Wet collectieve
warmte benadrukt dat het van belang is om zo snel mogelijk een overgangsregeling uit
te werken voor het overnamebedrag dat uiteindelijk aan warmtebedrijven zal worden
betaald. Deze leden lezen de vorderingen die hierop zijn gemaakt. Heeft de Minister
gesproken met het bedrijfsleven over de gestandaardiseerde activawaarde? Zo ja, welke
reacties heeft de Minister ontvangen uit de sector? Kan de Minister daarnaast nader
toelichting geven over hoe de rekenmethode tot stand is gekomen?
Daarnaast zijn de leden van de VVD-fractie benieuwd naar de regeling om kleine collectieve
systemen tot 1.500 aansluitingen uit te zonderen. Op basis van welke afwegingen is
de Minister gekomen tot het besluit om dit te maximeren tot 1.500 aansluitingen? Tot
slot maken deze leden zich zorgen over de gevolgen voor kleine VvE’s die een warmtenet
beheren. Kan de Minister nader toelichting geven wat voor effect dit besluit heeft
op de regeldruk en administratieve lasten voor VvE’s? Hoe worden zij zo goed als mogelijk
ontzien in dit voorstel? Zijn er voor hen uitzonderingen en wordt er bijvoorbeeld
ingezet op standaardisatie?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie zien warmtenetten als een belangrijke schakel in de energietransitie.
Deze leden betreuren de vele jaren vertraging die de invoering van de wet al heeft
opgelopen maar hechten ook aan een zorgvuldige uitwerking van de wet die de energietransitie
ook langjarig ten goede komt.
De leden van de PRO-fractie hebben zorgen over de dreigende verkokering in de energietransitie.
Deze leden hechten aan een integrale aanpak, zeker bij de ontwikkeling van lokale
energiesystemen. Daarin moeten elektriciteit, warmte/koeling, moleculen en netinfra
in samenhang worden ontwikkeld, met onderlinge afstemming, bijvoorbeeld op het gebied
van opslag/buffering. De leden van PRO-fractie vragen, in navolging van de leden van
de PRO-fractie in de Eerste Kamer, hoe het Besluit collectieve warmte deze integrale
lokale aanpak ondersteunt. Hoe wordt bijvoorbeeld congestiemitigatie meegewogen in
warmteprojecten? En hoe dragen vooraf vastgestelde tarieven door de Autoriteit Consument
& Markt (ACM) voor een specifieke energiebron bij aan een integrale afweging tussen
energiebronnen?
De leden van de PRO-fractie zijn van mening dat bestaande en nieuwe netten deels voor
verschillende uitdagingen staan. Bij bestaande netten ligt de nadruk op een eerlijke
en soepele overgang naar de nieuwe tariefregulering. Bij nieuwe netten ligt de nadruk
op inpassing, het borgen van transparantie en betaalbaarheid van de kosten en warmtetarieven.
Deze leden zijn benieuwd of voor nieuwe en bestaande netten een verschillende aanpak
komt. Kan de Minister reflecteren op het risico dat de terecht zorgvuldig vorm te
geven overgang van bestaande afnemers op een nieuwe tariefstructuur niet het belang
van snelle duidelijkheid voor nieuwe warmte-afnemers in de weg zal staan?
De leden van de PRO-fractie vragen zich af hoe gemeenten nu warmteprogramma’s en omgevingsplannen
kunnen vaststellen waarin wordt bepaald welke buurten van het aardgas worden afgesloten
op basis van een kostenonderbouwing voor de komende 8–10 jaar, terwijl de kostensystematiek
voor die periode nog niet bekend is. Hoe kan de Minister van gemeenten verlangen dat
zij nu warmteprogramma’s en omgevingsplannen vaststellen waarin de betaalbaarheid
van een warmtenet voor de komende 8 tot 10 jaar wordt onderbouwd, terwijl de tariefregulering
die in die periode zal gelden (fase 2) nog niet bekend is?
De leden van de PRO-fractie lezen dat de regels voor fase 2 van de tariefregulering
pas later hoeven worden vastgesteld. Hoe kunnen gemeenten en inwoners dan voldoende
zekerheid krijgen over de toekomstige betaalbaarheid van collectieve warmte, terwijl
betaalbaarheid een wettelijke voorwaarde is voor het beëindigen van de aardgaslevering?
De leden van de PRO-fractie zijn benieuwd of er ruimte is voor nieuwe netten in publieke
of gemeenschappelijke handen om (op vrijwillige basis) zo snel mogelijk te gaan werken
volgens de kosten-gebaseerde tariefregulering (fase 3). Op die manier kan de ACM ervaring
opdoen over hoe deze methode zou kunnen werken en de uiteindelijke methode van regulering
eerder kan worden vastgesteld, oog houdend voor consumentenbescherming. Zo ja, onder
welke voorwaarden is dit mogelijk? Kan de Minister reflecteren op de gevolgen van
een versnelde invoering van fase 3 voor de garanties die geboden kunnen worden met
betrekking tot betaalbaarheid ten opzichte van de garanties die een afnemer heeft
in de huidige planning?
De leden van de PRO-fractie horen graag hoe zo snel mogelijk na inwerkingtreding van
de Wet collectieve warmte, duidelijkheid komt over de (kaders van) de tariefregulering
fase 2 en 3, zodat gemeenten en warmtebedrijven weten waar ze in de toekomst rekening
mee moeten houden, en tevens ook een soepele overgang naar de nieuwe tariefregulering
kan worden geborgd voor afnemers van bestaande netten tijdens fase 2.
De leden van de PRO-fractie vernemen ook graag hoe gemeenten en inwoners zo snel mogelijk
na inwerkingtreding van de Wet collectieve warmte voldoende zekerheid krijgen over
de toekomstige betaalbaarheid van collectieve warmte. Dit terwijl betaalbaarheid een
wettelijke voorwaarde in de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie is voor
het beëindigen van de aardgaslevering. Is de Minister bijvoorbeeld bereid om de uitwerking
van fase 2 van de tariefregulering eerder beschikbaar te maken of anders een aanvullende
waarborg op te nemen, zodat gemeenten hun besluiten over aardgasvrije wijken kunnen
baseren op een voldoende voorspelbaar en juridisch houdbaar tariefkader? En is de
Minister bereid om de uitwerking van fase 3 van de methode voor de tariefregulering
eerder beschikbaar te maken of anders een aanvullende waarborg op te nemen, zodat
gemeenten hun besluiten over aardgasvrije wijken kunnen baseren op een voldoende voorspelbaar
en juridisch houdbare tariefregulering?
De leden van de PRO-fractie hechten zwaar aan de bescherming voor consumenten. Deze
leden vinden transparantie essentieel voor zowel grote als kleine netten. Voor kleine
collectieve systemen (ontheffingen en vrijstellingen) is een lichter regime gekozen,
met een referentietarief, zonder boekhoudregels (regulatory accountancy rules, RAR).
Daarover hebben deze leden de volgende vragen.
Hoe zorgt de Minister ervoor dat gemeenten aangevraagde ontheffingen goed kunnen beoordelen
ten opzichte van het aangewezen warmtebedrijf en dat de verschillen in transparantie
in de kosten zo klein mogelijk zijn om betaalbaarheid, de bescherming van consumenten
en leveringszekerheid van kleine collectieve systemen ook voldoende te borgen?
Hoe zorgt de Minister ervoor dat gemeenten aangevraagde ontheffingen goed kunnen beoordelen
ten opzichte van het aangewezen warmtebedrijf en dat de verschillen in transparantie
in de kosten zo klein mogelijk zijn om betaalbaarheid, de bescherming van consumenten
en leveringszekerheid van kleine collectieve systemen ook voldoende te borgen?
Hoe zorgt de Minister ervoor dat de ACM een warmtebedrijf met kleine collectieve systemen
op efficiënte en effectieve wijze kan beoordelen op bekwaamheid, met name de financiële
positie, om de leveringszekerheid en betaalbaarheid voor consumenten op lange termijn
te kunnen borgen, zowel voor bedrijven met een kleine en grote portefeuille?
Hoe zorgt de Minister ervoor dat gemeenten in staat zijn op tijd te anticiperen als
de leveringszekerheid in het geding dreigt te komen bij kleine collectieve systemen
zodat zij vroegtijdig het gesprek met het warmtebedrijf kunnen voeren over het borgen
van de leveringszekerheid?
Hoe zorgt de Minister dat gemeente in staat worden gesteld om, als leveringszekerheid
onverhoopt niet meer geboden kan worden, binnen de gestelde termijn van drie jaar
een acceptabel en betaalbaar alternatief te vinden?
Kan juist niet voor kleinere systemen standaardisatie, bijvoorbeeld met boekhoudregels,
de efficiëntie verhogen en het toezicht of maatregelen als er bij een warmtebedrijf
problemen ontstaan, waardoor consumentenbescherming of leveringszekerheid in het geding
komt.
De leden van de PRO-fractie zijn blij met de tariefsplitsing die lasten en lusten
voor huurders en verhuurders in balans brengt. Wel zien deze leden dat dit potentieel
grote financiële gevolgen kan hebben voor gebouweigenaren – en woningbouwcorporaties
in het bijzonder – met panden die al op warmtenetten zijn aangesloten. Hoe schat de
Minister het risico in dat hierdoor minder warmtenetten worden aangelegd? Is de Minister
bereid om daarom met een financiële tegemoetkoming het vastrecht te verlagen voor
bestaande aansluitingen, voorafgaand aan de splitsing? Of is de Minister bereid met
woningbouwcorporaties in te verkennen of er andersoortige financiële compensatie of
ondersteuning nodig is?
De leden van de PRO-fractie lezen dat een warmtebedrijf ontheffing kan krijgen van
de broeikasgassennorm, en dat deze regeling in het voorliggende besluit zo is aangepast
dat een ontheffing weliswaar voor vijf jaar wordt verleend, maar vervolgens verlengd
kan worden zonder dat daarvoor een maximale termijn is opgenomen. Kan worden toegelicht
waarom is gekozen voor een verlengbare ontheffing zonder maximale looptijd? Hoe wordt
voorkomen dat tijdelijke uitzonderingen in de praktijk leiden tot langdurig of zelfs
structureel uitstel van verduurzaming? Welke objectieve criteria gelden voor het beoordelen
van «substantieel hogere kosten» en hoe wordt voorkomen dat dit een generieke uitzonderingsgrond
wordt? Acht de Minister het wenselijk om een uiterste einddatum of maximumaantal verlengingen
vast te leggen, zodat uiteindelijk altijd aan de broeikasgassennorm moet worden voldaan?
Welke prikkel blijft er bestaan om daadwerkelijk te investeren in duurzame bronnen
wanneer een beroep op netcongestie of kostenverschillen herhaaldelijk kan worden verlengd?
Hoe wordt de Kamer geïnformeerd over het aantal verleende ontheffingen, de duur ervan
en de onderliggende redenen?
De leden van de PRO-fractie lezen ook dat voor afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s)
nog specifieke rekenregels worden uitgewerkt voor de berekening van de broeikasgasuitstoot.
De emissies die worden toegerekend aan warmte uit AVI’s bepalen mede hoe aantrekkelijk
deze warmtebron wordt binnen warmtenetten. De leden van de PRO-fractie vrezen dat
als rekenregels te gunstig uitvallen voor AVIs, het risico ontstaat dat afvalverbranding
relatief aantrekkelijker wordt dan circulaire alternatieven, terwijl het beleid juist
gericht is op afvalpreventie, hergebruik en recycling. Welke uitgangspunten hanteert
het ministerie bij de ontwikkeling van de rekenregels voor AVI’s? Hoe wordt voorkomen
dat de emissieberekening voor AVI’s gunstiger uitpakt dan vanuit het perspectief van
de circulaire economie wenselijk is? Worden de rekenregels expliciet getoetst op hun
effect op afvalpreventie, hergebruik en recycling? Hoe wordt voorkomen dat warmtenetten
langdurig afhankelijk blijven van afvalverbranding als warmtebron? Welke waarborgen
zijn er dat AVI’s geen voordeel krijgen ten opzichte van duurzame warmtebronnen zoals
geothermie en restwarmte met lage emissies?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben de volgende vragen.
De leden van de PVV-fractie vragen naar aanleiding van paragraaf 2.2. van de nota
van toelichting (Warmtekavel en aanwijzing van een warmtebedrijf) waarop het aantal
van 1.500 aangeslotenen is gebaseerd, oftewel wat onder «efficiënte warmtetransitie»
wordt verstaan bij warmtekavels met minder en meer dan 1.500 aangeslotenen. Ook vragen
zij of onder «efficiënte warmtetransitie» louter de uitrol van warmtenetten of ook
de bij de schaal van de kavel horende kosten worden verstaan, en hoe zeer er bij oplopende
kosten van «efficiëntie» kan worden gesproken.
De leden van de PVV-fractie vragen naar aanleiding van paragraaf 7.2.6. van de nota
van toelichting (Het aansluittarief) hoe de «representatieve steekproef» in de praktijk
wordt vormgegeven, gezien het feit dat verschillende warmtebedrijven totaal verschillend
kunnen opereren en totaal verschillende kosten kunnen maken. Ook vragen zij hoe wordt
voorkomen dat exorbitant hoge kosten, gemaakt door bij de steekproef toevallig geselecteerde
warmtebedrijven, de gemiddelde werkelijke kosten én daarmee de tarieven onevenredig
doen stijgen.
De leden van de PVV-fractie lezen in paragraaf 7.2.7. (Overige goederen en diensten:
afsluittarief) dat artikel 2.30 van de wet aangeeft dat, indien mogelijk, de afsluiting
zich beperkt tot het verwijderen van de afleverset voor warmte en het afsluiten of
anderszins buiten bedrijf stellen van de leidingen, en dat in dit geval de werkzaamheden
voor het warmtebedrijf beperkt van aard zijn, en de kosten voor afsluiten voor het
warmtebedrijf lager zullen zijn. Deze leden vragen wat onder «indien mogelijk» wordt
verstaan, oftewel in welke situaties de afsluiting zich beperkt tot het verwijderen
van de afleverset voor warmte en het afsluiten of anderszins buiten bedrijf stellen
van de leidingen, en in welke situaties dat niet afdoende is. Zij vragen om voorbeelden.
De leden van de PVV-fractie lezen in paragraaf 7.2.7. (Overige goederen en diensten:
afsluittarief) dat het vanuit beheeroogpunt van het warmtebedrijf of vanuit gemeentelijk
beleid voor ondergrondse infrastructuur echter alsnog nodig of gewenst kan zijn om
alle infrastructuur van de aansluiting te verwijderen in het geval van een afsluiting.
In dit geval zijn de kosten voor afsluiten voor het warmtebedrijf hoger. Deze leden
vragen wat zoal onder «beheeroogpunt» en «gemeentelijk beleid» kunnen worden verstaan,
oftewel in welke situaties het in het belang van het warmtebedrijf en/of de gemeente
zou zijn om alle infrastructuur te verwijderen. Zij vragen om voorbeelden. Tevens
vragen zij of dit niet heel subjectief is en daarmee willekeur én hoge kosten in de
hand kan werken.
Ook vragen zij aan welke tarieven voor beperkte en volledige verwijdering moet worden
gedacht en, als gevolg hiervan, welke invloed deze hebben op de toegankelijkheid voor
de consument om over te gaan tot afsluiting.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het Ontwerpbesluit Besluit collectieve
warmte en hebben daarover enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie constateren dat er ook met dit besluit nog steeds onzekerheid
blijft bestaan rond de tariefsystematiek voor collectieve warmte. Omdat de uitwerking
van fase 2 ontbreekt, is nog steeds niet duidelijk wanneer kostengebaseerde tarieven
worden ingevoerd en hoe lang het huidige tariefsysteem van kracht blijft. Deze onduidelijkheid
remt de investeringen in warmtenetten en de verduurzaming van de gebouwde omgeving.
Deze leden vragen de Minister aan te geven hoe zij de investeringsbereidheid in de
warmtesector wil behouden zolang er nog geen duidelijkheid is over fase 2? Welke flankerende
maatregelen overweegt zij om te voorkomen dat de huidige tariefsystematiek investeringen
verder onder druk zet? En welke stappen zet de Minister om zo snel mogelijk te komen
tot kostengebaseerde tarieven voor collectieve warmte?
De leden van de CDA-fractie merken daarnaast op dat in het huidige Besluit collectieve
warmte een duidelijke juridische basis ontbreekt voor de Regulatory Accounting Rules
(RAR), terwijl deze regels essentieel zijn voor de invoering van fase 2 van de tariefsystematiek.
Hierdoor dreigt het risico dat regels die nu worden ontwikkeld op korte termijn opnieuw
moeten worden aangepast, wat leidt tot extra kosten en onzekerheid voor zowel de ACM
als warmtebedrijven. Deze leden vragen de Minister daarom om toe te lichten hoe het
proces richting een definitieve RAR eruitziet en welke waarborgen zij ziet om te voorkomen
dat deze regels binnen korte tijd meerdere malen moeten worden herzien.
De leden van de CDA-fractie constateren dat uit rapportage van de ACM blijkt dat de
aanschaf- en installatiekosten van afleversets sinds 2016 veel sterker zijn gestegen
dan die van cv-ketels. Volgens de beschikbare gegevens gaat het om een stijging van
72% voor afleversets tegenover 21% voor cv-ketels. Het is echter niet duidelijk waardoor
dit grote verschil wordt veroorzaakt. Deze leden vragen de Minister of zij dit verschil
kan toelichten. Is de Minister bereid de ACM te verzoeken om nader inzicht te geven
in de factoren die ten grondslag liggen aan deze opvallende kostenstijging van afleversets?
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het Ontwerpbesluit Besluit collectieve
warmte. Deze leden hebben hierover nog verschillende vragen en opmerkingen. Zij richten
zich daarbij in het bijzonder op de wijze waarop warmtetarieven worden bepaald, de
risico’s van lokale warmtemonopolies, de betaalbaarheid voor huishoudens en de financiële
gevolgen van het in publieke handen brengen van warmtebedrijven. Ook hebben zij vragen
over de voorgestelde verschuiving van kosten van huurders naar verhuurders en de mogelijke
gevolgen daarvan.
De leden van de JA21-fractie constateren dat collectieve warmte door de Minister wordt
gepresenteerd als een belangrijk onderdeel van de warmtetransitie in de gebouwde omgeving.
Deze leden benadrukken dat een collectieve warmtevoorziening voor huishoudens een
zeer ingrijpende voorziening is. Een huishouden dat eenmaal is aangesloten op een
warmtenet, heeft in de praktijk doorgaans geen reële mogelijkheid om over te stappen
naar een andere warmteleverancier. Daarmee ontstaat een lokaal monopolie. Hoe beoordeelt
de Minister deze afhankelijkheid? Ook resulteert een aansluiting aan het warmtenet
in beperkte mogelijkheden tot het beperken van de energiekosten omdat het grootste
deel van de energiekosten hierbij vaste kosten betreft. Kan de Minister hierop reflecteren?
Kan de Minister uiteenzetten welke waarborgen worden genomen om te voorkomen dat collectieve
warmte leidt tot hogere lasten voor huishoudens?
De leden van de JA21-fractie constateren dat het nieuwe warmtestelsel uitgaat van
een grotere publieke rol en uiteindelijk van warmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelang.
Deze leden vragen de Minister om concreet te onderbouwen waarom publiek eigendom tot
lagere kosten voor huishoudens zou leiden. Kan de Minister aangeven of het in publieke
handen brengen van warmtebedrijven daadwerkelijk kosten verlaagt, of dat kosten slechts
worden verplaatst?
De leden van de JA21-fractie vragen of publieke warmtebedrijven voldoende financiële
slagkracht hebben om de benodigde investeringen te doen. De gemeente Amsterdam heeft
het reeds over een bedrag tot 9 miljard euro gehad. Indien gemeenten hiervoor extra
kapitaal moeten aantrekken, hoe voorkomt de Minister dat dit ten koste gaat van andere
gemeentelijke taken? Verwacht de Minister dat de hiervoor reeds gereserveerde middelen
afdoende zijn? Heeft de Minister al gesproken met beheerders van warmtenetten over
de kosten van het overnemen en beheren van deze warmtenetten?
De leden van de JA21-fractie lezen dat warmtebedrijven een kostendekkingsbijdrage
van gebouweigenaren kunnen vragen voor aansluiting op een collectieve warmtevoorziening.
Deze leden vragen hoe wordt voorkomen dat deze bijdrage een open einde krijgt en gebouweigenaren
worden geconfronteerd met hoge, slecht voorspelbare kosten. Kan de Minister toelichten
welke maximale grenzen gelden voor kostendekkingsbijdragen? Deze leden vragen in hoeverre
kostendekkingsbijdragen kunnen doorwerken in huurprijzen, woningprijzen of servicekosten.
Is dit onderzocht. Zo ja, wat zijn de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?
De leden van de JA21-fractie constateren dat warmtelevering een essentiële voorziening
is. Wanneer een warmteleverancier financieel of technisch faalt of vanwege politieke
eisen moet sluiten of verplaatsen, kunnen huishoudens niet eenvoudig overstappen op
een alternatief. Deze leden vragen wie uiteindelijk (financieel) verantwoordelijk
is wanneer een warmtebedrijf failliet gaat, een warmtenet onvoldoende aansluitingen
krijgt of een warmtebron wegvalt.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat publieke warmtebedrijven
of gemeenten worden gedwongen verlieslatende warmtenetten overeind te houden omdat
afsluiting maatschappelijk onaanvaardbaar is. Is dit risico meegenomen in de financiële
doorrekening van het stelsel? Wat gebeurt er wanneer een warmtenet achteraf simpelweg
te duur blijkt?
De leden van de JA21-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat de waardering van warmtenetten
bij overdracht leidt tot te hoge kosten voor publieke partijen of eindgebruikers.
Indien publieke partijen bestaande warmtenetten moeten overnemen of daarin een meerderheidsbelang
moeten verwerven, hoe wordt dan voorkomen dat zij te veel betalen voor infrastructuur
waarvan de businesscase onzeker is?
De leden van de JA21-fractie constateren dat het besluit regelt dat bepaalde vaste
kosten niet langer volledig bij de huurder terechtkomen, maar deels bij de gebouweigenaar
of verhuurder. Ook de kosten van de afleverset worden in bepaalde gevallen bij de
gebouweigenaar gelegd. Deze leden begrijpen de redenering dat huurders bij een reguliere
gassituatie doorgaans niet afzonderlijk betalen voor de aanschaf en het onderhoud
van een cv-ketel, omdat deze kosten veelal bij de verhuurder liggen. Tegelijkertijd
roept deze verschuiving belangrijke vragen op over de uiteindelijke betaalbaarheid.
De leden van de JA21-fractie vragen of de Minister kan toelichten wat de verwachte
gevolgen zijn van het verschuiven van deze kosten naar de verhuurder.
Deze leden vragen welke gevolgen deze kostenverschuiving heeft voor woningcorporaties.
Hebben corporaties voldoende investeringsruimte om deze extra lasten te dragen zonder
dat dit ten koste gaat van bijvoorbeeld nieuwbouw of onderhoud?
Zij vragen ook naar de gevolgen voor particuliere verhuurders. Kan de Minister toelichten
of de extra lasten ertoe kunnen leiden dat particuliere verhuurders minder investeren
in onderhoud of verduurzaming van huurwoningen? Kan de Minister ook aangeven welke
gevolgen dit mogelijk met zich meebrengt voor de particuliere huurmarkt als geheel?
De leden van de JA21-fractie vragen of de Minister heeft onderzocht wat de gevolgen
van deze maatregel zijn voor de bouw van nieuwe huurwoningen.
Deze leden vragen hoe wordt voorkomen dat een maatregel die bedoeld is om huurders
te beschermen, uiteindelijk leidt tot hogere huren of een kleiner aanbod van huurwoningen.
Kan de Minister dit onderbouwen met berekeningen?
De leden van de JA21-fractie vragen welke financiële risico’s samenhangen met de aanleg
en exploitatie van warmtetransportnetten. Deze netten vergen forse investeringen en
zijn afhankelijk van voldoende vraag, voldoende aanbod en betrouwbare warmtebronnen.
Kan de Minister toelichten wie het risico draagt wanneer een warmtetransportnet minder
aansluitingen krijgt dan voorzien, wanneer een warmtebron wegvalt of wanneer de kosten
hoger uitvallen dan geraamd? En kan de Minister toelichten hoe deze kosten worden
doorberekend?
De leden van de JA21-fractie vragen hoe bronzekerheid wordt meegenomen in de beoordeling
van warmtenetten. Wat gebeurt er wanneer een warmtebron duurder wordt, minder beschikbaar
blijkt of eerder dan voorzien moet worden vervangen? Hoe kijkt de Minister naar de
gevolgen voor warmtebronnen van duurzaamheidseisen en daarmee mogelijk stijgende kosten
van warmte?
De leden van de JA21-fractie vragen wanneer de regels voor fase 2 naar de Kamer komen
en welke harde waarborgen worden opgenomen om te voorkomen dat warmtetarieven in de
toekomst hoger uitvallen dan voorzien. Kan de Minister garanderen dat huishoudens
niet worden aangesloten op een warmtenet voordat voldoende duidelijk is hoe de structurele
tariefregulering uitwerkt?
De leden van de JA21-fractie vragen hoe het gecorrigeerde gasreferentietarief in fase
1 zich verhoudt tot de werkelijke kosten van warmtenetten. Kan de Minister toelichten
wat er gebeurt wanneer de gasreferentie onvoldoende is om de kosten van een warmtenet
te dekken? Wie draagt dan het tekort: het warmtebedrijf, de gemeente of uiteindelijk
alsnog de verbruiker?
De leden van de JA21-fractie constateren dat bij doorlevering niet het warmtebedrijf,
maar de verhuurder of VvE de contractuele schakel vormt richting bewoners. Deze leden
vragen hoe wordt geborgd dat huurders en VvE-leden in de praktijk dezelfde bescherming
krijgen als individuele kleinverbruikers.
De leden van de JA21-fractie hebben zorgen over de kostenontwikkeling van onderdelen
van warmtenetten, waaronder afleversets. Deze leden vragen of de Minister kan toelichten
waarom de kosten van afleversets in de afgelopen jaren aanzienlijk sterker zijn gestegen
dan de kosten van cv-ketels. Welke verklaring heeft de Minister hiervoor?
Kan de Minister aangeven hoe de ACM voorkomt dat snel stijgende kosten van afleversets
automatisch worden verwerkt in hogere tarieven of hogere lasten voor gebouweigenaren?
De leden van de JA21-fractie vragen of de Minister bereid is om de kostenontwikkeling
van afleversets, aansluitingen en vaste componenten jaarlijks afzonderlijk inzichtelijk
te maken, zodat de Kamer kan beoordelen of warmtenetten betaalbaar blijven.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat aanbiedingen die afwijken
van het maximale tarief leiden tot onoverzichtelijke contracten of tot risico’s voor
consumenten die de gevolgen van dergelijke aanbiedingen onvoldoende kunnen overzien.
Kan de Minister toelichten welke eisen gelden voor dergelijke aanbiedingen? Hoe wordt
voorkomen dat consumenten in een lokaal monopolie formeel instemmen met een afwijkend
aanbod, terwijl zij feitelijk geen reële keuze hebben?
De leden van de JA21-fractie vragen waarom het noodzakelijk is om het ontwerpbesluit
al verder te brengen terwijl de structurele tariefregulering van fase 2 nog niet is
uitgewerkt. Deze leden vragen of het niet verstandiger is om de Kamer eerst duidelijkheid
te geven over fase 2, voordat het nieuwe stelsel volledig in werking treedt.
Kan de Minister aangeven welke onderdelen per 1 januari 2027 in werking moeten treden
en welke onderdelen later volgen? Hoe wordt voorkomen dat partijen al onomkeerbare
investerings- of aansluitbesluiten nemen terwijl belangrijke tariefregels nog ontbreken?
De leden van de JA21-fractie vragen welke effecten het besluit heeft op de energielasten
van huishoudens. Kan de Minister inzichtelijk maken wat de verwachte lastenontwikkeling
is voor verschillende groepen?
De leden van de JA21-fractie vragen nadrukkelijk of de verschuiving van kosten van
huurders naar verhuurders gevolgen heeft voor huurprijzen en woningbouw. Kan de Minister
onderbouwen dat deze kostenverschuiving niet leidt tot hogere huren, lagere onderhoudsbudgetten,
minder verduurzaming of minder nieuwbouw?
Kan de Minister aangeven of woningcorporaties, particuliere verhuurders en institutionele
beleggers hierover zijn geraadpleegd? Zo ja, welke zorgen hebben zij geuit en hoe
zijn deze verwerkt? Zo nee, waarom niet?
De leden van de JA21-fractie benadrukken dat betaalbaarheid, keuzevrijheid en leveringszekerheid
voorop moeten staan. Zij vragen de Minister daarom om vóór verdere besluitvorming
helder uiteen te zetten hoe tarieven zich ontwikkelen, waar financiële risico’s terechtkomen
en hoe wordt voorkomen dat kosten slechts worden verschoven tussen huurders, verhuurders,
gemeenten en (publieke) warmtebedrijven.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit Besluit collectieve
warmte. Deze staan voor een nuchtere, realistische en uitvoerbare energietransitie.
Collectieve warmte kan voor sommige wijken en dorpen een oplossing zijn, maar alleen
wanneer bewoners, huurders, woningeigenaren, gemeenten en warmtebedrijven zekerheid
hebben over betaalbaarheid, leveringszekerheid, contractuele rechten en uitvoerbaarheid.
Zij vinden het van groot belang dat de warmtetransitie niet verzandt in onduidelijke
tarieven, juridische onzekerheid, extra regeldruk of hogere lasten voor huishoudens
en het midden- en kleinbedrijf (mkb).
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de opmerkingen over de splitsing
van vaste kosten in een eigenaars- en gebruikersdeel. Deze leden vindt het belangrijk
dat kosten terechtkomen bij de partij die daarvoor verantwoordelijk is en daar ook
voordeel van heeft. Tegelijkertijd moeten de gevolgen voor huurders, verhuurders en
woningeigenaren helder en uitvoerbaar zijn. De Woonbond wijst erop dat het ontwerpbesluit
met artikelen 7.4 en 7.9 invulling geeft aan de splitsing van vaste kosten en dat
huurders daardoor werkelijk «Niet-Meer-Dan-Anders» zouden moeten betalen; tegelijk
wordt aangegeven dat inwerkingtreding nu wordt voorzien op 1 januari 2028 in plaats
van 2027. Kan de Minister aangeven hoe wordt geborgd dat de splitsing van vaste kosten
niet leidt tot nieuwe onduidelijkheid of hogere lasten voor huurders, woningeigenaren
of verhuurders? Kan de Minister toelichten waarom inwerkingtreding pas per 1 januari
2028 wordt voorzien en welke mogelijkheden er zijn om huurders en woningeigenaren
eerder duidelijkheid te geven? Kan de Minister aangeven hoe wordt voorkomen dat verhuurders
eventuele nieuwe kosten alsnog indirect doorberekenen aan huurders?
De leden van de BBB-fractie vragen nadrukkelijk aandacht voor de positie van bewoners
die worden aangesloten op een warmtenet. Uit de aangeleverde praktijkvragen blijkt
dat bewoners zekerheid willen over de basis van het gigajouletarief en het vaste kostentarief,
de toekomstige tariefontwikkeling, de wijze waarop afspraken contractueel worden vastgelegd
en welke verhaalsmogelijkheden zij hebben wanneer een warmteleverancier of rechtsopvolger
afspraken niet nakomt. Ook wordt gevraagd wanneer een eventuele bijdrage voor de cv-installatie
uit de huurprijs wordt gehaald en wat de positie is van recente en toekomstige huurders.
Kan de Minister aangeven welke minimale contractuele waarborgen bewoners moeten krijgen
bij aansluiting op een warmtenet? Kan de Minister toelichten waar bewoners terechtkunnen
wanneer gemaakte afspraken over tarieven, vaste kosten of servicekosten niet worden
nagekomen? Kan de Minister aangeven hoe wordt voorkomen dat bewoners dubbel betalen,
bijvoorbeeld via zowel warmtetarieven als een huurcomponent voor installaties die
niet langer worden gebruikt?
De leden van de BBB-fractie vragen aandacht voor de afsluitkosten bij warmtenetten.
In het aangenomen amendement over afsluitkosten is aangegeven dat, indien mogelijk,
de werkzaamheden bij afsluiting beperkt zouden moeten blijven tot verwijdering van
de afleverset. Vereniging Eigen Huis wijst erop dat hierover in het Besluit collectieve
warmte nog geen duidelijke uitwerking is opgenomen en vraagt om duidelijkheid over
welke werkzaamheden noodzakelijk zijn bij afsluiting van een warmtenet. Kan de Minister
alsnog duidelijkheid geven over welke werkzaamheden noodzakelijk zijn bij afsluiting
van een warmtenet? Kan de Minister toezeggen dat onnodig hoge afsluitkosten worden
voorkomen en dat verwijdering van alleen de afleverset uitgangspunt is wanneer dat
technisch en veilig mogelijk is? Hoe wordt geborgd dat huishoudens niet worden geconfronteerd
met disproportionele kosten wanneer zij niet langer aangesloten willen zijn op een
warmtenet?
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de zorgen over het ontbreken
van de uitwerking van fase 2 van de tariefsystematiek in het Besluit collectieve warmte.
Energie-Nederland wijst erop dat fase 2 pas in 2031 van kracht zou worden en dat warmteklanten
daardoor langer niet weten wanneer zij een kostengebaseerd warmtetarief krijgen. Ook
wordt erop gewezen dat warmtebedrijven door die onzekerheid terughoudender kunnen
worden met investeringen in uitbreiding en verduurzaming van collectieve warmtesystemen.
Kan de Minister aangeven waarom fase 2 niet nu al in het Besluit collectieve warmte
is uitgewerkt? Kan de Minister aangeven wat nodig is om fase 2 eerder, bijvoorbeeld
in 2029, in werking te laten treden? Hoe voorkomt de Minister dat langdurige onzekerheid
over de tariefsystematiek leidt tot vertraging van investeringen in collectieve warmtesystemen?
De leden van de BBB-fractie constateren dat fase 1 van de tariefsystematiek de maximumtarieven
verlaagt zonder dat er tegelijk flankerend beleid is om kosten te verlagen. Energie-Nederland
wijst op door de ACM gepresenteerde rendementen van 2,7% in 2022, 1,03% in 2023 en
– 0,3% in 2024, en op een gemiddeld rendement van 3,8% over 2014–2024. Daarbij wordt
gesteld dat deze rendementen onder het niveau van de rente op leningen liggen en dat
dit investeringen onder druk kan zetten. Welk flankerend beleid ontwikkelt de Minister
om te voorkomen dat fase 1 investeringen in warmteprojecten juist afremt? Welk rendement
acht de Minister noodzakelijk om investeringen in collectieve warmte mogelijk te maken?
Kan de Minister aangeven hoe hij het verschil beoordeelt tussen de lage daadwerkelijke
rendementen van bestaande warmtebedrijven en het rendement dat nodig wordt geacht
voor nieuwe publieke warmtebedrijven?
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de zorgen over de juridische
grondslag voor de RAR. Energie-Nederland geeft aan dat de ACM werkt aan deze regels,
maar dat fase 2 in de huidige versie van het Besluit collectieve warmte niet is opgenomen.
Daardoor zou onduidelijkheid ontstaan over de juridische basis en het risico dat regels
in korte tijd opnieuw moeten worden aangepast. Kan de Minister helder uiteenzetten
wat het proces is richting definitieve RAR? Kan de Minister garanderen dat warmtebedrijven
niet binnen korte tijd meerdere keren hun financiële administratie moeten aanpassen?
Hoe wordt voorkomen dat onzekerheid over de RAR leidt tot extra administratieve lasten
en vertraging?
De leden van de BBB-fractie vragen aandacht voor de uitvoerbaarheid van regels rond
kleine collectieve warmtesystemen. Energie-Nederland wijst erop dat het Besluit collectieve
warmte informatie vraagt over duurzaamheid en leveringszekerheid bij een aanvraag
voor ontheffing, terwijl deze informatie volgens hen niet onder de limitatieve weigeringsgronden
van artikel 3.2 Wet collectieve warmte valt. Daarbij wordt gewezen op artikel 4.4,
tweede lid, Algemene wet bestuursrecht, waarin staat dat in een formulier geen gegevens
worden gevraagd die voor de beschikking niet noodzakelijk zijn, tenzij wordt vermeld
dat verstrekking niet verplicht is. Kan de Minister verduidelijken of gegevens over
duurzaamheid en leveringszekerheid verplicht moeten worden verstrekt bij een ontheffingsaanvraag
voor een klein collectief warmtesysteem? Kan de Minister het Besluit collectieve warmte
op dit punt verduidelijken, zodat gemeenten en initiatiefnemers weten welke informatie
verplicht is en welke niet? Hoe wordt voorkomen dat kleine warmte-initiatieven onnodig
worden belast met extra formulieren en informatieverplichtingen?
De leden van de BBB-fractie vragen aandacht voor artikel 2.34, tweede lid, Besluit
collectieve warmte. Energie-Nederland stelt dat warmtebedrijven mogelijk een registratiesysteem
moeten opzetten waarin gedetailleerde meetgegevens van alle klanten worden vastgelegd,
zoals aanvoer- en retourtemperatuur en debiet. Daarbij wordt gevraagd of dit op afstand
moet worden gecollecteerd en opgeslagen, of dit in overeenstemming is met de Algemene
verordening gegevensbescherming, en welke financiële lasten hiermee gemoeid zijn.
Kan de Minister toelichten welke gegevens warmtebedrijven precies moeten registreren
op grond van artikel 2.34, tweede lid, Besluit collectieve warmte? Wordt met «inzage»
bedoeld dat meetdata op afstand moet worden uitgelezen, verzameld en opgeslagen? Hoe
wordt geborgd dat dit niet leidt tot strijdigheid met de AVG of tot onnodige inbreuk
op de privacy van bewoners? Heeft de Minister een inschatting gemaakt van de financiële
en administratieve lasten van deze registratiesystemen voor warmtebedrijven?
De leden van de BBB-fractie vinden het van belang dat de Wet collectieve warmte en
het Besluit collectieve warmte uitvoerbaar blijven voor gemeenten, ACM, warmtebedrijven
en warmtegemeenschappen. Energie-Nederland wijst erop dat de Wet collectieve warmte
en het Besluit collectieve warmte aanzienlijk meer verplichtingen meebrengen dan de
bestaande Warmtewet en dat standaardisatie van werkwijzen en formulieren kan helpen
om de werklast te beperken. Hoe voorkomt de Minister dat de Wet collectieve warmte
en het Besluit collectieve warmte leiden tot een stapeling van rapportageverplichtingen
en bureaucratie? Kan de Minister toezeggen dat standaardformulieren in nauw overleg
met gemeenten, warmtebedrijven, bewonersorganisaties en andere betrokken partijen
worden uitgewerkt? Hoe wordt geborgd dat regels proportioneel blijven voor kleine
warmte-initiatieven en lokale projecten?
De leden van de BBB-fractie lezen dat het Besluit collectieve warmte nadere invulling
geeft aan de duurzaamheid van warmtenetten, maar dat de uitstoot van broeikasgassen
die samenhangt met de aanleg van een warmtenet geen rol speelt. De Woonbond geeft
aan dat het wenselijk is om een scherper beeld te krijgen van verschillen in levenscyclusanalyses
van aardgasvrije oplossingen. Kan de Minister aangeven of en hoe levenscyclusanalyses
worden betrokken bij de beoordeling van verschillende aardgasvrije warmteoplossingen?
Hoe voorkomt de Minister dat oplossingen op papier duurzaam lijken, maar in de praktijk
door aanleg, materiaalgebruik of warmteverlies minder gunstig uitpakken? Kan de Minister
aangeven hoe gemeenten toegang krijgen tot objectieve vergelijkingen tussen warmteopties,
zodat zij realistische keuzes kunnen maken?
De leden van de BBB-fractie vragen aandacht voor de technische uitvoerbaarheid achter
de voordeur. In de aangeleverde praktijkvragen wordt onder meer gewezen op de vraag
of een fase 1-aansluiting voldoende is, het wegvallen van isolatiemaatregelen voor
bewoners die nog niet deelnemen, mogelijke aanvullende voorzieningen tegen warmteverlies
en brandveiligheid, en bijdragen voor bijvoorbeeld kookvoorzieningen. Kan de Minister
aangeven hoe wordt geborgd dat bewoners vooraf volledig inzicht krijgen in alle technische
aanpassingen die nodig zijn bij aansluiting op een warmtenet? Wie is verantwoordelijk
voor aanvullende kosten, zoals aanpassing van de elektrische aansluiting, isolatiemaatregelen
of aanpassingen in de woning? Hoe wordt voorkomen dat bewoners pas na instemming worden
geconfronteerd met extra kosten of praktische beperkingen?
De leden van de BBB-fractie benadrukken dat collectieve warmte alleen draagvlak krijgt
wanneer bewoners zekerheid hebben over kosten, contracten, keuzevrijheid, privacy
en technische uitvoerbaarheid en dat leveranciers/warmtebedrijven een rendabele exploitatie
kunnen uitvoeren met voldoende investeringszekerheid en loskomen van de vergunningverlening.
De warmtetransitie moet betaalbaar, betrouwbaar en praktisch uitvoerbaar zijn. Deze
leden willen voorkomen dat huishoudens, gemeenten en warmtebedrijven worden geconfronteerd
met regels die op papier goed bedoeld zijn, maar in de praktijk leiden tot onzekerheid,
hogere lasten en minder draagvlak.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.M. Zwinkels, voorzitter van de vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei -
Mede ondertekenaar
D.S. Nava, griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.