Brief regering : Stand van zaken Dierwaardige veehouderij en relatie tot Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof
28 286 Dierenwelzijn
28 973
Toekomst veehouderij
Nr. 1478
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 26 juni 2026
Met de Kamerbrief van 27 maart jl. (Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 80) is uw Kamer geïnformeerd over de grote prioriteit die het kabinet geeft aan het
oplossen van de stikstofproblematiek. Het kabinet maakt duidelijke keuzes voor een
sterke en toekomstbestendige agrarische sector en het structureel verbeteren van de
natuur. Zodat vergunningverlening voor verschillende doelen weer mogelijk wordt, waaronder
voor verduurzaming van de landbouw. Deze opdracht wordt, zoals geschetst in bovengenoemde
Kamerbrief, uitgewerkt via een aanpak op basis van zeven pijlers waarbij het van belang
is om de samenhang en synergie tussen de afzonderlijke pijlers te borgen vanwege de
grote afhankelijkheden. Zo wordt met de inzet als geheel invulling gegeven aan de
verschillende opgaven en doelen.
De inzet gericht op stikstofreductie en natuurverbetering hangt nauw samen met de
andere opgaven in het landelijk gebied, namelijk klimaat, water, gewasbeschermingsmiddelen
en dierwaardigheid. Voor dierwaardigheid werkt het kabinet aan een algemene maatregel
van bestuur (AMvB) dierwaardige veehouderij en het instellen van een landelijke autoriteit
dierwaardige veehouderij. De stappen naar een dierwaardige veehouderij hebben een
sterke relatie met alle andere opgaven, zoals vanuit milieu en klimaat, die op het
boerenerf afkomen. In de verdere uitwerking van stappen zal daarom ook steeds naar
de integraliteit van de opgaven worden gekeken, zodat boeren weten waar ze aan toe
zijn en verantwoorde investeringsbeslissingen kunnen nemen voor integraal duurzame
stallen. Een concreet voorbeeld hiervan is dat de tijdpaden voor inwerkingtreding
van de bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof in de melkveehouderij en de
maatregelen in de concept-AMvB voor runderen samengebracht worden, door de maatregelen
die stalaanpassingen vragen voor nieuwbouw zo snel mogelijk in werking te laten treden.
Dat betekent dat wanneer een melkveehouder de komende jaren stalaanpassingen zou moeten
doen om aan de bedrijfsspecifieke emissienormen per 2035 te voldoen, deze ook meteen
de stalaanpassingen voor dierwaardig dient mee te nemen en zo direct een integrale,
toekomstbestendige stal gebouwd wordt.
Uitganspunt van het kabinet, zoals geschetst in bovengenoemde Kamerbrief, is dat maatregelen
gericht op stikstof integraal worden ingericht, zodanig dat rekening wordt gehouden
met deze andere opgaven en maatregelen hier, waar mogelijk, aan bijdragen. Zo wordt
het risico op lock-in effecten zoveel als mogelijk beperkt en wordt voorkomen dat
maatregelen die worden getroffen in het kader van de ene opgave, worden afgewenteld
op een andere opgave. Dit is effectiever en doelmatiger en heeft ook als doel te voorkomen
dat (agrarische) ondernemers steeds nieuwe investeringen moeten doen voor verschillende
deelopgaven. Hiermee wordt tevens invulling gegeven aan de motie van de leden Bromet
en Ouwehand die de regering verzoekt dierwaardigheid nadrukkelijk te betrekken bij
de stikstofaanpak van het kabinet1 en die hierbij wordt afgedaan.
In het coalitieakkoord is afgesproken dat rond de zomer van dit jaar de ontwerp-AMvB
dierwaardige veehouderij aan het parlement zal worden aangeboden voor de voorhang.
Met deze brief informeer ik u over de stand van zaken en de planning die ik daarbij
voor ogen heb.
Opbrengst internetconsultatie
In de zomer van 2025 vond de internetconsultatie voor de concept-AMvB dierwaardige
veehouderij plaats. Het doel van deze consultatie was om iedereen die werkt met productiedieren
in de veehouderij, waaronder veehouders en erfbetreders zoals dierenartsen en stallenbouwers
(met name van melkvee, kalveren, pluimvee en varkens), en/of zich bezighoudt met of
inzet voor het welzijn van productiedieren te laten reageren op de concept-AMvB. Deze
internetconsultatie heeft 7.236 reacties opgeleverd. Omdat het gaat om omvangrijke
regelgeving, die verschillende maatregelen voor verschillende sectoren kent, was er
een mogelijkheid om aan te geven of de reactie specifiek zag op een specifieke diersoort.
Een groot deel van deze reacties komt van burgers die gehoor hebben gegeven aan de
oproep van een aantal ngo’s om, door middel van voorbeeldreacties, te reageren op
de internetconsultatie. In figuur 1 is de verdeling van de inhoudelijke reacties op
de verschillende onderdelen van de concept-AMvB zichtbaar gemaakt. Het overgrote deel
(ongeveer 90%) van de reacties is afkomstig van burgers. Daarnaast hebben verschillende
veehouderijsectorpartijen, ketenpartijen uit de veehouderij, dierenwelzijnsorganisaties
en individuele veehouders op de internetconsultatie gereageerd. Van 3% van de reacties
is de afkomst niet bekend.
Figuur 1: verdeling inhoudelijke reacties op de verschillende onderdelen van de AMvB
In het bij de voorhang uit te brengen verslag op de internetconsultatie zal uitgebreid
in worden gegaan op de inhoud van de reacties en zal worden aangegeven of en zo ja,
hoe dit tot aanpassingen in de concept-AMvB of nota van toelichting heeft geleid.
Vleesvee
De internetconsultatie heeft ertoe geleid dat er een aanvulling op de AMvB dierwaardige
veehouderij is gestart voor de vleesveesector. Uit diverse reacties, zowel vanuit
NGO’s als sectoren, kwam namelijk naar voren dat er verwarring kan ontstaan over de
reikwijdte van de maatregelen en gedragsbehoeften die zijn aangewezen voor melkvee
en kalveren. Dit omdat de nu al bestaande regels voor kalveren tot 6 maanden gelden
voor alle kalveren ongeacht doel waarvoor deze gehouden worden. Door vleesvee niet
mee te nemen ontstond onduidelijkheid over de toepassing van de aangescherpte regels
voor kalveren in de vleesveesector. Ook kwam uit een aantal reacties het signaal naar
voren dat door enkel regels te stellen voor kalveren er een gat in de regelgeving
kon ontstaan voor runderen die worden gehouden voor het vlees met een leeftijd van
meer dan 1 jaar. Dat is onwenselijk en daarom is voor vleesvee alsnog eenzelfde traject
doorlopen als voor de andere veehouderijsectoren. Dat betekent dat voor deze sector
eveneens een agrarische praktijktoets heeft plaatsgevonden evenals een internetconsultatie.
De internetconsultatie heeft in totaal 81 reacties opgeleverd. De inbreng wordt momenteel
verwerkt. Ik ben blij dat de vleesveesector zich direct constructief heeft opgesteld
en in een versneld tempo de verschillende stappen samen met de Dierenbescherming en
mijn ministerie heeft kunnen doorlopen. De regels voor het houden van vleesvee worden
opgenomen in de versie van de AMvB dierwaardige veehouderij zoals die zal worden voorgehangen.
Reikwijdte andere sectoren en ketens
In de internetconsultatie is door meerdere ngo's en burgers gesteld dat zonder het
opnemen van maatregelen op het gebied van transport, slacht en fokkerij een dierwaardige
veehouderij niet mogelijk is. Ook is meermaals geopperd om de AMvB uit te breiden
naar andere veehouderijsectoren. In de toelichting op het amendement De Groot/Van
Campen2 zijn de vier grote veehouderijsectoren aangewezen om als eerste regelgeving voor
te ontwikkelen, gevolgd door een viertal andere sectoren (geiten, konijnen, eenden
en kalkoenen). Mijn focus is gericht op het zo snel mogelijk afronden van de voorhangversie
voor de ontwerp-AMvB voor de pluimvee-, varkens- en rundveehouderij. Daar waar fokkerij
relevant is en het de houderij raakt, zoals bij robuuste rassen bij pluimvee, nemen
we dit mee. Ten opzichte van de genoemde diersoorten is de vleesveesector nieuw ten
opzichte van de eerste consultatieversie. Nadat deze ontwerp-AMvB is afgerond en behandeld
in het parlement, is het voornemen te starten met de AMvB voor de andere, in eerste
instantie in het amendement genoemde diersectoren. In het najaar zal ik nader ingaan
op mijn plannen hieromtrent en over de planning die ik voor mij zie.
Ik realiseer mij goed dat andere onderdelen in de keten, zoals de slachthuizen en
het transport van dieren een belangrijke rol spelen bij een dierwaardige veehouderij.
Voor deze schakels in de keten is veel geregeld op Europees niveau, zoals de Transportverordening
en de Verordening ter bescherming van het doden van dieren. Mijn inzet is om op Europees
niveau deze schakels op een dierwaardige veehouderij aan te laten sluiten, en bijvoorbeeld
bij de onderhandelingen voor de herziening van de Transportverordening ook hiervoor
in te blijven zetten. Daarnaast zal ik waar dat mogelijk en nuttig is, de ruimte in
de Verordeningen benutten om op nationaal niveau het dierenwelzijn te verbeteren,
zoals ik met de beleidsregel maximumtemperatuur voor diertransport en de wettelijke
verplichting voor cameratoezicht in slachthuizen doe.3
Wetenschappelijke onderbouwing
In de internetconsultatie is meermaals gesteld dat de AMvB niet of niet voldoende
wetenschappelijk is onderbouwd. In de AMvB vormt de wetenschap het beginpunt om de
gedragsbehoeftes van dieren vast te leggen en om te bepalen welke houdvoorschriften
moeten worden gesteld. De intrinsieke waarde van het dier is daardoor het centrale
element in de afweging. Het uitgangspunt van dierwaardige veehouderij is dat dieren
niet worden aangepast aan het houderijsysteem, maar juist andersom: het houderijsysteem
wordt aangepast aan de dieren. Om de uitvoerbaarheid van de maatregelen te borgen,
is bij het opnemen van voorschriften en bij het bepalen van de inwerkingtredingsdata
ook met andere relevante aspecten rekening gehouden, zoals de economische impact,
de relatie met emissies en de mogelijkheid tot het kunnen verkrijgen van de benodigde
omgevingsvergunningen. Dit is ook in lijn met de artikel 2.3a, tweede lid, van de
Wet dieren dat bepaalt waarin een dierwaardige veehouderij voorziet, voor zover dat
redelijkerwijs van de veehouder verlangd kan worden (zie hierbij ook de toelichting
bij het gewijzigde amendement De Groot/Van Campen). Het is mijn inzet om regels waar
redelijk zo snel mogelijk in werking te laten treden. Maar het voldoen aan regels
dient voor veehouders ook realistisch en (financieel) haalbaar te zijn, zoals ook
artikel 2.3a, vierde lid, van de Wet dieren de ruimte biedt om een langere termijn
dan 2040 te stellen gericht op het kunnen terugverdienen van investeringen die noodzakelijk
zijn om aan die regels te voldoen. Tussen de verschillende randvoorwaarden is een
afweging gemaakt. Dit heeft bij bepaalde maatregelen tot gevolg gehad dat de norm
minder ambitieus is dan voor het dier wenselijk zou zijn enkel op basis van wetenschap,
dat een gedragsbehoefte (nog) niet opgenomen, dat de inwerkingtredingsdatum op een
later moment in de tijd is gezet of dat deze nog niet is opgenomen. Het uitgangspunt
van een dierwaardige veehouderij is immers een veehouderij waarbij dieren worden gehouden
met als doel de productie van dierlijke producten, maar die ook toekomstbestendig
is en bestaansrecht heeft. Ik wil daarmee ook voorkomen dat bedrijvigheid naar het
buitenland verdwijnt of dat dierlijke producten hoofdzakelijk uit het buitenland geïmporteerd
worden, waar de dierenwelzijnsstandaarden lager zijn.
Doelvoorschriften en open normen
Uitgangspunt van deze AMvB is om zoveel mogelijk maatregelen te formuleren als doelvoorschrift.
Met de NVWA ben ik in gesprek gegaan over het ontwikkelen van een aanpak die maakt
dat er enerzijds ruimte is voor de individuele ondernemer om te komen met een eigen
invulling van het doelvoorschrift en die anderzijds een niet-handhaafbare norm voor
de toezichthouder voorkomt. De NVWA heeft op de consultatieversie van de AMvB een
uitvoerings- en handhavingstoets (UHT) uitgevoerd, waarin zij onder andere aangeven
dat het van belang is dat nieuwe wetgeving voldoende duidelijkheid biedt aan de ondernemer
waar hij aan moet voldoen, de toezichthouder in staat stelt objectief vast te stellen
wanneer de ondernemer voldoet aan de voorschriften en het voor de samenleving duidelijk
maakt wat op het gebied van dierenwelzijn van de primaire sector verwacht mag worden.
De NVWA constateert in de UHT dat meerdere houdvoorschriften of maatregelen in de
consultatieversie nog onvoldoende concreet zijn geformuleerd en/of een gedeeld referentiekader
ontbreekt waarlangs de implementatie van de houdvoorschriften kan worden getoetst.
Om deze reden zijn de maatregelen waar mogelijk, ook in overleg met de NVWA, geconcretiseerd
en verduidelijkt.
Toetsen
Naast de hierboven genoemde UHT door de NVWA zijn er gelijktijdig aan de internetconsultatie
ook andere toetsen afgerond.
1) Wetenschappelijke toets
Conform de motie van Kamerlid van Campen c.s.4 die onder andere de regering verzoekt de AMvB’s wetenschappelijk te laten toetsen,
heeft een wetenschappelijke toets op de consultatieversie van deze AMvB plaatsgevonden
door een onderzoekersgroep van de WUR en Universiteit Utrecht. De onderzoekers hebben
een reflectie opgesteld waarbij de AMvB met de eerdere dierinhoudelijke toets is vergeleken
en waarin de overeenkomsten en verschillen zijn besproken. De wetenschappelijke toets
richt zich op het dierenwelzijn binnen de veehouderij voor kalveren, melkvee, pluimvee
en varkens. Bedrijfs- en macro-economische, arbeid technische en milieukundige overwegingen
zijn geen onderdeel van de wetenschappelijke toets.
Op basis van de consultatieversie van de AMvB concludeerde de onderzoekersgroep op
basis van de wetenschappelijke toets dat de veehouderij ook na 2040 niet geheel dierwaardig
zal zijn. Zij wijzen hierbij op vijf karakteristieken van deze AMvB: nog niet aan
alle gedragsbehoeften wordt invulling gegeven, er zijn tal van uitzonderingen en mogelijkheden
opgenomen, waardoor het mogelijk blijft om niet aan de eisen te hoeven voldoen, meerdere
eisen zijn weinig concreet, het zesde principe van de RDA ontbreekt in de uitwerking
en andere belangrijke aspecten van dierwaardigheid, zoals diergezondheid (voor zover
niet gerelateerd aan huisvesting), transport, slacht en de invloed van genetica, blijven
onderbelicht. Daar waar opmerkingen vallen binnen de reikwijdte van de AMvB, zijn
deze voor zover mogelijk verwerkt. Naast deze opmerkingen hebben zij in hun reflectie
ook andere opmerkingen over de AMvB zelf en over de individuele maatregelen. Hierbij
doen de onderzoekers aanbevelingen en suggesties om de AMvB dierwaardiger te maken
(bijv. door aan te geven op welke wijze maatregelen geconcretiseerd kunnen worden
of welke gedragsbehoeftes nog missen). Waar mogelijk zijn deze punten aangepast in
de AMvB.
2) Regeldruktoets
Parallel aan de internetconsultatie heeft de toetsing van de regeldruk door het Adviescollege
toetsing regeldruk (ATR) plaatsgevonden. De ATR heeft op basis van de consultatieversie
van de AMvB verschillende adviezen gedaan om de regeldruk van de regelgeving te verbeteren
of beter inzichtelijk te maken. ATR concludeert in het advies dat de nut en noodzaak
van de regelgeving voldoende duidelijk is en dat het geen adviespunten heeft ten aanzien
van de onderbouwing. Ook deelt ATR het standpunt dat er geen minder belastende alternatieven
denkbaar zijn en heeft het hier geen adviespunt over. Wel ziet ATR een minder belastend
alternatief ten aanzien van de aankondiging in de toelichting van een nog op te richten
onafhankelijke Autoriteit dierwaardige veehouderij. De oprichting en inrichting van
deze autoriteit is echter een afspraak (artikel 7) uit het Convenant Stappen naar
een dierwaardige veehouderij en wordt niet in de AMvB geregeld. In de nota van toelichting
wordt meerdere keren verwezen naar het Convenant omdat er een belangrijke beleidsmatige
relatie is tussen het convenant en deze AMvB. Echter, de oprichting en inrichting
van de autoriteit maakt geen onderdeel uit van deze AMvB. Het is aan de convenantpartijen
om de afspraken uit het Convenant uit te voeren; zo ook de afspraak over de oprichting
van de autoriteit. Verder heeft ATR geadviseerd een aantal open geformuleerde normen
te verduidelijken, en de financiële werkbaarheid van de voorgestelde bepalingen voor
veehouders nader uit te werken. Daar waar mogelijk zijn aanpassingen aan de AMvB gedaan
om het advies op te volgen.
3) Milieu- en bedrijfseffectentoets
De bedrijfseffecten zijn in kaart gebracht met de economische impactanalyse «AMvB
dierwaardigheid in de veehouderij ten behoeve van de internetconsultatie» van WSER/CAF.5 De gevolgen van de regels in de AMvB voor emissies zijn in de vorm van expert-schattingen
door Wageningen Livestock Research in kaart gebracht.
De UHT, wetenschappelijke toets en regeldruktoets zullen bij de voorhang van de ontwerp-AMvB
worden meegezonden. De milieu- en bedrijfseffectentoets zijn beschreven in de nota
van toelichting.
Invoeringsstrategie
Zoals eerder in deze brief aangegeven is het van belang de verschillende opgaves die
op het boerenerf samenkomen in samenhang met elkaar te bezien. Dit doe ik door de
invoeringsstrategie op een aantal onderdelen aan te passen. Zo wordt er een expliciet
onderscheid gemaakt tussen nieuw- en te verbouwen stallen en bestaande stallen voor
het inwerkingtredingsmoment. Dit om te voorkomen dat komende jaren nieuwe stallen
worden gebouwd die niet aan toekomstige dierenwelzijnseisen voldoen en zodoende desinvesteringen
blijken te zijn. De evaluatiebepaling die mede voorziet in een evaluatie voorafgaande
aan de inwerkingtreding van maatregelen blijft voor de meest impactvolle maatregelen
bestaan en geeft inzicht in de stand van zaken rond de randvoorwaarden (verdienmodel,
vergunningverlening, emissies). Ik wil zorgen dat veehouders niet aan het onmogelijke
worden gehouden. Voor verschillende maatregelen vervalt de evaluatiebepaling voorafgaande
aan de inwerkingtreding, wanneer de afweging van de randvoorwaarden bij het opstellen
van de AMvB al heeft plaatsgevonden. Daarnaast zal het moment van evaluatie, waar
deze van toepassing blijft, waar mogelijk eerder plaatsvinden dan het in de consultatieversie
van de AMvB benoemde uiterlijk twee jaar voorafgaand aan de voorgenomen inwerkingtreding.
Europees speelveld
Eind dit jaar worden de voorstellen verwacht van de Europese Commissie voor de herziening
van de Europese dierenwelzijnsregelgeving over de houderij van productiedieren. Na
afronding van de voorhang van de AMvB zal de AMvB bij de Europese Commissie worden
genotificeerd (notificatie van technische eisen). Omdat de voorstellen van de Europese
Commissie nu nog niet bekend zijn, kan daar bij het opstellen van de AMvB dierwaardige
veehouderij geen rekening mee worden gehouden. Wanneer de voorstellen van de Europese
Commissie er zijn, zullen die ook worden vergeleken met de maatregelen in de AMvB
en zal daarmee rekening worden gehouden bij het opstellen van het BNC-fiche.
Zoals toegezegd tijdens het debat Dieren in de veehouderij en de NVWA van 23 april
jl. heb ik een uitvraag gedaan bij een aantal lidstaten naar hun beleidsontwikkelingen
omtrent dierwaardigheid. Hierover zal ik uw Kamer dit najaar informeren.
Reactie rapport Dierwaardig nu
Op 23 april jl. is mij het rapport Dierwaardig NU van Caring Farmers, Caring Vets,
de Dierenbescherming en de Dierencoalitie door het lid Graus aangeboden. Ik heb toegezegd
een reactie op het rapport te geven,6 waarvan ik inmiddels kennis heb genomen. Het rapport Dierwaardig NU geeft per diersoort
een overzicht van de reeds bekende gedragsbehoeften van de verschillende diersoorten.
Het rapport bouwt voort op de zes leidende principes voor een dierwaardige veehouderij
(RDA) en verwijst onder andere naar de Quickscan7 opgesteld door Universiteit Utrecht en de EFSA-rapporten over de diersoorten. In
de concept-AMvB dierwaardige veehouderij is, net zoals in het voorliggende rapport,
uitgegaan van deze zes leidende principes. In de concept-AMvB zijn op basis van de
wetenschap gedragsbehoeften aangewezen en de daarbij behorende maatregelen bepaald.
Het rapport zie ik als een extra beschrijving van de gedragsbehoeften, waar we veel
waarde aan hechten. Gedragsbehoeftes zijn het uitgangspunt van de regels in de AMvB
en worden om die reden ook in de AMvB en toelichting uitgebreid beschreven. Het rapport
bevat daarnaast een korte peiling die is gehouden naar opinie van Nederlanders over
dierenwelzijn in de veehouderij.
Markt en keten dierwaardige veehouderij
De invoering van dierwaardige veehouderij vraagt ook actie in de markt en keten. Het
is daarom dat in het convenant dierwaardige veehouderij niet alleen afspraken zijn
gemaakt met de veehouderijsectoren en NGO’s maar juist ook met enkele markt en ketenpartijen.
Om hiermee daadwerkelijk aan de slag te gaan hebben deze partijen een plan van aanpak
opgesteld en zijn zij gestart met de uitvoering daarvan. De nieuwe regeling Ketendeals
onder het GLB-EIP is de eerste regeling in een reeks die aan een goede samenwerking
voor vermarkting bijdraagt. De bij het convenant aangesloten markt er – en ketenpartijen
(CBL, FNLI en VleesNL) hebben terecht geconstateerd dat het aanhaken van meer markt-
en ketenpartijen noodzakelijk is om echt impact te kunnen maken met dierwaardige producten.
Ik wil me hier voor inzetten en zal hiervoor actief partijen benaderen in de foodservice
sector, samen met het Marktprogramma Duurzame Dierlijke Producten en de convenantpartijen.
Ook wil ik mij inzetten voor de herkenbaarheid van dierwaardige producten. Ik wil
deze activiteiten goed laten aansluiten bij de al langer lopende trajecten passend
in de gehele ketenaanpak.
Stand van zaken en vervolg
De input uit de internetconsultatie en de toetsen is grotendeels verwerkt in de AMvB.
Het ontwerp is echter nog niet helemaal klaar voor de voorhang. Vanwege het grote
aantal ingebrachte punten op een op zichzelf al vrij omvangrijke AMvB is het van belang
dat alle punten op de i worden gezet voordat deze kan worden voorgehangen. Daarnaast
wordt de input uit de separate internetconsultatie voor vleesvee nog geanalyseerd
en verwerkt. Zodra dat gereed is, zullen de maatregelen voor vleesvee worden toegevoegd
aan de AMvB dierwaardige veehouderij zodat er straks één ontwerp-AMvB dierwaardige
veehouderij voor deze vijf veehouderijsectoren in de voorhang zal gaan. Voor de laatste
afronding gebruik ik deze zomer. Dat betekent dat ik na de zomer de AMvB bij het parlement
zal voorhangen. Ik informeer u dan gelijktijdig over een subsidieregeling voor dierwaardige
investeringen die ik eind dit jaar wil openstellen. Deze subsidieregeling stimuleert
en faciliteert dierhouders om, vooruitlopend op de wettelijke verplichting, dierwaardige
investeringen te doen. Dit in het kader van de afspraak in het convenant om binnen
de budgettaire kaders nieuwe kansrijke subsidieregelingen te benutten voor de uitrol
van bewezen en praktijkrijpe dierwaardige systemen. Met deze uitgebreide brief heb
ik u alvast een inkijk gegeven in wat u vlak na de zomer tegemoet zult zien. Hiermee
kom ik ook tegemoet aan de toezegging8 die ik heb gedaan tijdens het debat van 23 april jl.
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens
Ondertekenaars
S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur