Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg o.a. over de Jaarverslagen Ministerie van Economische Zaken en Groeifonds 2025, de rapporten van de Algemene Rekenkamer en de brief ‘Inventarisatie Maatwerksubsidies EZK’ (Kamerstuk 36945-XIII-1)
2026D32416 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen aan
de Minister van Economische Zaken en Klimaat voorgelegd over de Jaarverslagen Ministerie
van Economische Zaken en Groeifonds 2025, de rapporten van de Algemene Rekenkamer
en de brief «Inventarisatie Maatwerksubsidies EZK» (Kamerstukken 36 945 XIII, nrs. 1 en 2, 36 946-L, nrs. 1 en 2 en 26 643, nr. 1515).
De voorzitter van de commissie,
Van Eijk
Adjunct-griffier van de commissie,
Krijger
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en vanuit de rapporteurs
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de rapporteurs Kisteman (VVD) en Bühler (CDA) bij de verantwoordingsstukken
Economische Zaken 2025, namens de vaste commissie voor Economische Zaken.
II
Antwoord/Reactie van de Minister
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en vanuit de rapporteurs
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Stilstand
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggende stukken. Deze
leden onderschrijven de in het rapport-Wennink benoemde noodzaak om randvoorwaardelijke
barrières zoals stikstofproblematiek en netcongestie te doorbreken. Zij vragen de
Minister wat de economische impact is geweest van de jarenlange vertraging in de aanpak
van deze uitdagingen, en hoe deze stilstand het ondernemingsklimaat heeft beïnvloed.
Naast deze randvoorwaardelijke barrières wordt in het rapport Wennink ook gewezen
op een structurele oorzaak van onderinvestering, namelijk de wijze waarop in de Nederlandse
begrotingssystematiek de langetermijnbaten van publieke investeringen onvoldoende
worden gewaardeerd, waardoor deze in ramingen stelselmatig worden onderschat. De leden
van de D66-fractie vragen of de Minister deze analyse onderschrijft en in hoeverre
zij hierin een verklaring ziet voor de geschetste stilstand. Is de Minister bereid
zich ervoor in te spannen, mede met het oog op de aankomende besluitvorming, dat de
economische baten van investeringen beter worden meegewogen in de budgettaire afweging?
R&D
De leden van de D66-fractie zijn van mening dat een grote onderzoek en ontwikkeling
(R&D)-intensiteit noodzakelijk is om innovatie van Nederlandse bodem te stimuleren.
Zij onderschrijven dan ook de doelstelling om 3% van het bruto binnenlands product
(bbp) te investeren in R&D. Op welke wijze heeft de uitfasering van het Nationaal
Groeifonds onder het Kabinet Schoof de haalbaarheid van de R&D-doelstellingen beïnvloed?
De leden van de D66-fractie lezen voorts dat de afgelopen jaren het aandeel van R&D-uitgaven
rond de 2,3% van het Nederlandse bbp lag. Zij vragen in hoeverre de Minister verwacht
dat de maatregelen die zij neemt bijdragen aan de groei van de R&D-intensiteit. Welke
aanvullende maatregelen is zij bereid te nemen indien er geen zichtbare groei plaatsvindt?
De leden van de D66-fractie merken op dat het grootste deel van de toename richting
de 3%-doelstelling van het bedrijfsleven zal moeten komen, en dat het beter omzetten
van wetenschappelijke kennis in economische waarde, valorisatie, daarbij een sleutelrol
speelt. Zij vragen welke concrete resultaten in 2025 zijn geboekt op het vlak van
valorisatie, bijvoorbeeld ten aanzien van het bundelen van Technology Transfer Offices
(Kennis Transfer Offices (KTO’s)) en het verbeteren van de voorwaarden voor startups vanuit kennisinstellingen.
Productiviteit & groei economie
De leden van de D66-fractie merken op dat de stagnatie van onze economische groei
een fundamenteel probleem is. Het grootste deel van de economische groei in Nederland
komt door een toename van het arbeidsaanbod, terwijl de productiviteitsgroei achterblijft.
Mede daarom zijn deze leden positief over de voorgestelde stappen in de Productiviteitsagenda.
Zij vragen de Minister wat tot dusverre de concrete resultaten zijn geweest van de
uitvoering van deze agenda.
De leden van de D66-fractie wijzen er voorts op dat de arbeidsproductiviteit de afgelopen
tien jaar nog slechts met gemiddeld 0,2% per jaar is gegroeid, tegenover 1,5% in de
decennia daarvoor, en dat het versnellen van digitalisering en adoptie van kunstmatige
intelligentie (AI) binnen de Productiviteitsagenda als belangrijke hefboom wordt aangemerkt.
Deze leden vragen hoe de Minister de daadwerkelijke adoptie van AI en arbeidsbesparende
technologie door bedrijven, en in het bijzonder door het midden- en kleinbedrijf (mkb),
meetbaar maakt en monitort.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de jaarverslagen van het Ministerie
van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en hebben daarover nog enkele vragen.
Regeldruk
De leden van de VVD-fractie lezen in het jaarverslag dat er al goede stappen zijn
gezet richting de doelstelling om 500 regels te schrappen of te vereenvoudigen. Zij
vragen hoe de Minister ervoor gaat zorgen dat de andere departementen beter worden
meegenomen in deze doelstelling. Zij vragen tevens hoe de Minister ervoor gaat zorgen
dat de doelstelling jaarlijks behaalt kan worden, conform het coalitieakkoord.
Kamer van Koophandel
De leden van de VVD-fractie lezen in het jaarverslag dat er in de loop van het jaar
extra budgetten zijn toegevoegd zodat de Kamer van Koophandel (KvK) diverse opdrachten
kan uitvoeren. De leden van de VVD-fractie vragen hoe de groei van de KvK gerijmd
kan worden met de doelstelling van het kabinet om te werken aan een kleinere en slagvaardige
overheid. Deelt de Minister ook de opvatting van deze leden dat de KvK primair moet
doen waarvoor hij bedoeld is: betrouwbare registers bijhouden, en niet steeds verder
uitgroeien tot brede publieke ondernemersadviseur? Waarom houdt de KvK bijvoorbeeld
nog fysieke ondernemerspleinen in stand, terwijl ondernemers hun zaken steeds vaker
digitaal regelen en deze pleinen geen eigen opbrengsten hebben?
Vindt de Minister dat innovatie- en regiostimulering nog wel bij de KvK horen, nu
juist deze taken volgens een recente evaluatie beperkt worden herkend door ondernemers
en betrokken partijen? Is de Minister bereid deze taken te schrappen? Klopt het dat
dit minimaal 25 miljoen euro per jaar op kan leveren? Waarom moet de KvK algemene
ondernemersvoorlichting blijven doen als accountants, banken, brancheorganisaties,
regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) en marktpartijen dit ook kunnen? Kan
de Minister aangeven hoeveel fte en budget gemoeid zijn met taken van de KvK buiten
de registerfunctie?
R&D actieplan
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Minister voornemens is om een Nationale Investeringsinstelling
(NII) op te zetten. De leden van de VVD-fractie vragen wanneer het kabinet een besluit
neemt over de verdere uitwerking van een volwaardige NII en wanneer de Kamer hierover
wordt geïnformeerd.
De leden van de VVD-fractie wijzen op de Europese doelstelling om 32% van de studenten
in een STEM-richting (Science, Technology, Engineering, Mathematics) te laten studeren.
Zij zien dit als een belangrijke randvoorwaarde voor het behalen van de 3%-R&D-doelstelling.
De leden van de VVD-fractie vragen welke concrete maatregelen de Minister neemt om
bij te dragen aan het realiseren van de 32%-STEM-doelstelling. Zij vragen daarbij
op welke wijze de Minister hierbij coördineert met de Minister van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschappen (OCW).
Fiscale maatregelen
De leden van de VVD-fractie lezen dat in de evaluatie van de Wet Bevordering Speur-
en Ontwikkelingswerk (WBSO) wordt geconcludeerd dat de effectiviteit van de regeling
is afgenomen ten opzichte van de eerdere evaluatieperiode. Zij lezen dat de Minister
een aantal aanbevelingen uit de evaluatie wil onderzoeken. De leden van de VVD-fractie
vragen wanneer de Minister uitvoering gaat geven aan de aangenomen motie Inge van
Dijk en Van Eijk met concrete vereenvoudigingsvoorstellen voor onder andere de WBSO.1 Tevens vragen deze leden of, en zo ja, hoe en op welke termijn, de Minister zich
hard zal maken voor het verbreden van de WBSO naar AI en andere technologie, conform
het coalitieakkoord.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de fractie van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de antwoorden
van de Minister op de vragen over het Industrieel Participatiebeleid (IP-beleid).
De antwoorden geven inzicht in de omvang van overeenkomsten, monitoring en voorbeelden
van succesvolle projecten, die zijn te prijzen. Dat is in de ogen van deze leden echter
iets anders dan inzicht in de daadwerkelijke effectiviteit van het beleid, een omissie
zoals geconstateerd door de Algemene Rekenkamer. Kan de Minister toelichten hoe zij
vaststelt dat het IP-beleid effectief en doelmatig is en concreet leidt tot versterking
van de Nederlandse defensie-industrie en de strategische autonomie van Nederland?
Voorts vragen de leden van de PRO-fractie waarom het IP-beleid sinds het vervallen
van de economische doelstellingen in 2012 niet integraal is geëvalueerd. De Minister
schrijft dat zij nut, noodzaak en timing van een evaluatie nog beziet. Waarom wordt
niet alsnog op korte termijn een onafhankelijke beleidsevaluatie uitgevoerd, juist
gezien de sterk oplopende defensie-uitgaven, de toenemende omvang van de IP-verplichtingen
en de noodzaak om ook bij defensie meer grip te krijgen op de doelmatigheid van de
uitgaven?
De leden van de PRO-fractie lezen dat de Minister aangeeft dat output en impact op nationale veiligheid moeilijk meetbaar zijn. Welke concrete aanvullende indicatoren
acht de Minister wel mogelijk om de effectiviteit van het beleid beter inzichtelijk
te maken? Op welke termijn kan de Kamer hiervoor voorstellen verwachten? Is de Minister
van plan om KPI’s toe te voegen die iets zeggen over de bijdrage aan breder industriebeleid
– zoals hoe PI-beleid kan bijdragen aan de doelen van de Nationale Technologiestrategie
of het Industriebeleid met Focus?
De leden van de PRO-fractie constateren dat de Minister erkent dat voor meerdere fiscale
regelingen de effectiviteit beperkt of onzeker is en dat eerdere kabinetten er niet
in zijn geslaagd tot hervormingen te komen. Tegelijkertijd geeft de Minister aan op
zoek te zijn naar middelen om belangrijke prioriteiten op het gebied van innovatie
en industriebeleid vorm te geven, waaronder de NNI, het Nationaal Agentschap voor
Disruptieve Innovatie (NADI) en andere maatregelen die bijdragen aan het behalen van
de 3%-R&D-doelstelling.
De leden van de PRO-fractie vragen hoe de Minister deze twee constateringen met elkaar
verenigt. Is de Minister bereid om fiscale regelingen waarvan evaluaties aantonen
dat zij beperkt doelmatig of doeltreffend zijn, actief tegen het licht te houden en
de vrijvallende middelen in te zetten voor instrumenten die direct bijdragen aan de
prioriteiten van het innovatie- en industriebeleid?
De leden van de PRO-fractie vragen of de Minister kan aangeven welke fiscale regelingen
binnen het EZK-domein volgens haar het minst bijdragen aan de beleidsdoelen op het
gebied van innovatie, productiviteitsgroei en verdienvermogen. Welke mogelijkheden
ziet zij om middelen binnen het EZK-instrumentarium te herschikken richting de prioritaire
technologieën uit de Nationale Technologiestrategie en andere strategische innovatieprioriteiten,
zoals de sectoren uit Industriebeleid met Focus? Kan de Minister toelichten welke
concrete budgettaire zij al voor ogen heeft in deze richting?
De leden van de PRO-fractie hebben tevens enkele vragen over de geïnventariseerde
maatwerksubsidies. De leden vinden het zeer onzorgvuldig en slecht voor het maatschappelijk
draagvlak wanneer beide Kamers niet goed worden geïnformeerd. De Kamer moet zijn controlerende
taak kunnen uitvoeren en is daarbij afhankelijk van volledige, juiste en tijdige informatie
van het kabinet.
De leden van de PRO-fractie constateren dat de Minister aangeeft dat de subsidieprocessen
worden verbeterd en aangescherpt. Zij ontvangen graag een nadere toelichting op deze
verbeteringen. Welke concrete maatregelen zijn genomen om te waarborgen dat voortaan
bij alle maatwerksubsidies tijdig wordt beoordeeld of een mededeling aan beide Kamers
vereist is? Welke aanvullende controles, verantwoordings- of escalatiemechanismen
zijn daarbij ingericht? Voorts vragen deze leden hoe de Minister de naleving van deze
procedures in de toekomst zal monitoren. Wordt periodiek gecontroleerd of aan de informatieverplichtingen
uit de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen wordt voldaan? Zo ja, op welke wijze
wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Daarnaast vragen de leden van de PRO-fractie hoe de Minister reflecteert op het onvolledig
informeren van de Kamer en daarmee de onzorgvuldige besluitvorming over 200 miljoen
euro subsidie. Welke lessen trekt zij hieruit voor het gebruik van dit subsidie instrument?
Tot slot vernemen deze leden graag of de Minister kan garanderen dat de inventarisatie
volledig is geweest en dat er geen andere maatwerksubsidies zijn waarvoor de Kamer
ten onrechte niet vooraf is geïnformeerd. Indien die garantie niet kan worden gegeven,
welke vervolgstappen zet zij om hierover alsnog volledige duidelijkheid te verkrijgen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van onder andere het verantwoordingsonderzoek
van de Algemene Rekenkamer en de verantwoordingsstukken van het Ministerie van Economische
Zaken. Deze leden danken de Algemene Rekenkamer voor haar onderzoek en hebben naar
aanleiding van de stukken nog enkele vragen.
Maatwerksubsidies en transparantie van subsidierelaties
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de berichtgeving over de subsidierelatie
met het digitaliseringsplatform ECP (Platform voor de InformatieSamenleving) en van
de informatie die de Minister hierover aan de Kamer heeft verstrekt. Daarnaast constateren
deze leden dat eind mei 2026 is gebleken dat er nog zeventien lopende maatwerksubsidies
(ter waarde van 200 miljoen euro) zijn waarbij de Kamer niet conform de geldende afspraken
is geïnformeerd.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister uiteen te zetten welke lessen uit deze
casus zijn getrokken en welke maatregelen worden genomen om herhaling te voorkomen.
Kan de Minister toelichten welke verbeteringen zijn aangebracht in de interne processen
rondom subsidieverlening en informatievoorziening aan de Kamer?
Voorts vragen de leden van de CDA-fractie, naar aanleiding van het door de Minister
verstrekte overzicht, in hoeverre bij alle subsidies voldoende inzichtelijk is welk
concreet beleidsdoel met de verstrekking wordt nagestreefd. Op welke wijze monitort
en evalueert het ministerie of verstrekte subsidiegelden daadwerkelijk bijdragen aan
deze beoogde doelen? Welke mogelijkheden ziet de Minister om de relatie tussen subsidieverstrekking,
beleidsdoelstellingen en verantwoording verder te versterken, zodat beter kan worden
gestuurd op het behalen van doelen en meer inzicht ontstaat in de effectiviteit van
subsidies, waaronder ook de incidentele subsidies?
De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister bereid is de Kamer periodiek inzage
te geven in de verder geconcretiseerde beleidsdoelen en de daarvoor ingezette subsidies
en de manier waarop die hebben bijgedragen aan het bereiken van deze doelen? Zo ja,
welke vorm acht zij hiervoor werkbaar? Zo nee, waarom niet?
De leden van de CDA-fractie wijzen er voorts op dat de periodieke rapportage over
het ondernemerschaps- en innovatiebeleid aandacht vraagt voor mogelijke overlap tussen
regelingen en uitvoerende organisaties. Deze leden vragen op welke wijze bij nieuwe
maatwerk- en instellingssubsidies wordt getoetst op overlap met bestaande activiteiten,
subsidiestromen en beleidsinstrumenten. Daarnaast vragen deze leden in hoeverre bij
individuele subsidies een expliciete toets plaatsvindt op doelmatigheid en doeltreffendheid.
Geldt een dergelijke toets ook voor situaties waarin gedurende meerdere jaren aan
dezelfde organisatie subsidie wordt verstrekt via opeenvolgende jaarlijkse subsidiebeschikkingen?
Op welke wijze wordt in dergelijke gevallen beoordeeld of voortzetting van de subsidie
nog steeds noodzakelijk, doelmatig en doeltreffend is?
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast of de Minister bereid is deze toetsing
en afwegingskaders verder te formaliseren en de Kamer hierover te informeren.
Apparaatsuitgaven en personele inzet
De leden van de CDA-fractie constateren dat de beleidsgelden van de Ministeries van
Economische Zaken en van Klimaat en Groene Groei (K&GG) in 2025 zijn gesplitst en
dat het Groningendossier is overgeheveld naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties. Deze wijzigingen hebben geleid tot een aanzienlijke afname
van de begrotingsomvang, terwijl het aantal fte niet in vergelijkbare mate is afgenomen.
De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister kan toelichten hoe deze ontwikkeling
moet worden geïnterpreteerd. Is sprake van een tijdelijke situatie en zullen bepaalde
fte's in 2026 opnieuw formeel onder het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat
worden gebracht, nu bekend is dat het losstaande Ministerie van KGG opgeven is? Graag
ontvangen deze leden een nadere toelichting en een vooruitblik op de ontwikkeling
van de personele omvang in relatie tot de gewijzigde taakverdeling.
Invulling van de subsidie- en efficiëntietaakstelling
De leden van de CDA-fractie hebben ook kennisgenomen van de voorgenomen invulling
van de subsidie- en efficiëntietaakstelling. Kan de Minister toelichten welke uitgangspunten
worden gehanteerd bij de invulling van deze taakstelling? In hoeverre wordt daarbij
gekozen voor gerichte prioritering en inhoudelijke afwegingen, in plaats van generieke
kortingen?
De leden van de CDA-fractie vragen voorts in hoeverre periodieke rapportages, evaluaties
en beleidsdoorlichtingen worden benut bij de invulling van de subsidie- en efficiëntietaakstelling.
Op welke wijze worden inzichten over effectiviteit, overlap en uitvoeringslasten betrokken
bij de afweging welke regelingen worden aangepast, versoberd of beëindigd?
Tevens wijzen de leden van de CDA-fractie op de mede door leden van deze fractie ondertekende
motie-Van der Maas2 over de uitwerking van de taakstelling op het ambtelijk apparaat. Kan de Minister
aangeven op welke wijze zij uitvoering geeft aan deze motie? Wanneer kan de Kamer
de gevraagde informatie ontvangen over de beoogde personele reductie, de daarvoor
te nemen maatregelen en het daarbij behorende tijdpad?
Tarieven van DICTU en SSC-ICT
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de constatering van de Algemene
Rekenkamer dat de tarieven van DICTU (Dienst ICT Uitvoering) aanzienlijk hoger liggen
dan die van SSC-ICT. Kan de Minister toelichten waardoor dit verschil wordt veroorzaakt?
In hoeverre zijn de dienstverlening, kostenstructuur en takenpakketten van beide organisaties
vergelijkbaar? Is de Minister bereid nader onderzoek te laten uitvoeren naar de oorzaken
van de tariefverschillen en de mogelijkheden om doelmatigheidswinst te realiseren?
Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd? Kan de Minister
tevens aangeven welke besparingsmogelijkheden zij ziet indien de kostenverschillen
tussen beide organisaties worden verkleind?
Onderuitputting en slagkracht uitvoering
De leden van de CDA-fractie constateren dat ook in 2025 sprake was van aanzienlijke
onderuitputting en kasschuiven. Deze leden zijn van mening dat het inzicht van de
Kamer in de achterliggende oorzaken kan worden verbeterd. Kan de Minister toelichten
in hoeverre middelen niet tot besteding zijn gekomen als gevolg van uitvoeringsknelpunten,
zoals personeelstekorten, complexe uitvoeringsprocessen of andere belemmeringen in
de uitvoering? Op welke wijze worden dergelijke signalen binnen het departement gemonitord
en opgevolgd? Daarnaast vragen deze leden in hoeverre de Minister voldoende inzicht
heeft in de beschikbare personele capaciteit en de wijze waarop deze zo effectief
mogelijk wordt ingezet. Hoe wordt bij de ontwikkeling van nieuw beleid, subsidieregelingen
en programma's rekening gehouden met de beschikbare uitvoeringscapaciteit?
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast op welke wijze binnen het ministerie
prioritering plaatsvindt wanneer de beschikbare uitvoeringscapaciteit onvoldoende
is om alle beleidsvoornemens, regelingen en taken gelijktijdig uit te voeren. Mocht
er sprake zijn van uitvoeringsprioritering, bijvoorbeeld via jaarplannen of andere
interne sturingsinstrumenten, waardoor bepaalde werkzaamheden, regelingen of beleidsdoelen
worden vertraagd of niet kunnen worden uitgevoerd, op welk moment wordt dit dan inzichtelijk
gemaakt? Op welke wijze wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Voorts vragen de leden van de CDA-fractie of de benodigde personele inzet een structureel
onderdeel vormt van het ontwerp van regelingen, uitvoeringstoetsen en evaluaties.
Op welke wijze worden verwachte uitvoeringskosten en capaciteitsbeslag vooraf in beeld
gebracht en gedurende de uitvoering gemonitord?
Deze leden wijzen in dit verband op de evaluatie van het spoor Algemeen Bedrijfsleven
van de Brexit Adjustment Reserve (BAR), waaruit blijkt dat een aanzienlijk deel (57%)
van de beschikbare middelen is besteed aan de uitvoering van de regeling. In hoeverre
zijn dergelijke verhoudingen tussen beleidsuitgaven en uitvoeringskosten vooraf inzichtelijk?
Welke normen of streefwaarden hanteert de Minister hierbij en op welke wijze worden
afwijkingen tijdig gesignaleerd en waar nodig bijgestuurd?
Apparaatskosten ZBO's
De leden van de CDA-fractie constateren dat het Ministerie van Economische Zaken jaarlijks
ongeveer 1 miljard euro uitgeeft aan organisaties die uitvoering geven aan het beleid,
waaronder de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), TNO, de KvK en het Centraal
Bureau voor de Statistiek (CBS). Deze uitgaven zijn de afgelopen jaren aanzienlijk
gestegen. Tegelijkertijd is het voor de Kamer niet altijd inzichtelijk welke bijdrage
deze extra middelen leveren aan het realiseren van beleidsdoelen.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister op welke wijze wordt gestuurd op de
doelmatigheid en effectiviteit van deze organisaties. Welke prestatie-indicatoren,
sturingsinstrumenten en evaluaties worden gebruikt om vast te stellen of de inzet
van middelen daadwerkelijk leidt tot betere dienstverlening, hogere productiviteit
en een grotere bijdrage aan de beleidsdoelstellingen? Op welke wijze wordt opvolging
gegeven aan de uitkomsten van deze evaluaties? Kan de Minister hiervan recente voorbeelden
geven?
De leden van de CDA-fractie vragen op welke wijze binnen het uitvoeringslandschap
wordt ingezet op efficiënter werken, bijvoorbeeld door scherpere sturing op tijdsbesteding,
digitalisering en automatisering. Uit onderzoek van EY3 blijkt dat aanzienlijke productiviteitswinsten mogelijk zijn bij uitvoeringsorganisaties.
In hoeverre herkent de Minister dit beeld? Welke productiviteits- en efficiëntiedoelstellingen
hanteert de Minister voor organisaties die uitvoering geven aan het EZ-beleid? Welke
mogelijkheden ziet de Minister om langs deze weg de productiviteit te verhogen en
de druk op de uitvoeringscapaciteit te verlagen?
Evaluatie Kamer van Koophandel (KvK)
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de evaluatie van de Kamer van
Koophandel over de periode 2018–2024. Deze leden spreken hun waardering uit voor de
belangrijke rol die de Kamer van Koophandel vervult bij het registreren, informeren
en ondersteunen van ondernemers. Zij constateren dat de evaluatie over het algemeen
positief oordeelt over de dienstverlening van de KvK en concludeert dat met name de
registertaak, de voorlichtingstaak en het beheer van het digitaal ondernemersplein
goed aansluiten bij de kernrol van de organisatie. Uit de evaluatie blijkt dat de
taken op het gebied van innovatie- en regiostimulering weliswaar relevant worden geacht,
maar dat deze minder goed aansluiten bij de kerntaken van de KvK. Daarnaast geven
stakeholders aan deze activiteiten eerder bij andere organisaties te verwachten, tenzij
sprake is van een duidelijke koppeling met de register- en voorlichtingstaken van
de KvK. De evaluatie adviseert daarom om binnen één jaar te komen tot een herijking
van deze taken en, indien onvoldoende meerwaarde kan worden aangetoond, te bezien
of deze wettelijke taken kunnen vervallen.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of zij de conclusie deelt dat, mede
in het licht van de toekomstige gevolgen van Europese regelgeving voor de financiering
van de registers, een fundamentele herbezinning op de wettelijke taken van de KvK
wenselijk is. Zo ja, op welke wijze wil zij hier invulling aan geven? Zo nee, waarom
niet?
De leden van de CDA-fractie vragen voorts of de Minister van mening is dat de huidige
zes wettelijke taken van de KvK nog steeds in samenhang noodzakelijk zijn, of dat
het moment is aangebroken om nadrukkelijker keuzes te maken over welke taken wel en
niet tot het publieke takenpakket van de KvK behoren. Kan de Minister hierbij per
wettelijke taak aangeven hoe deze bijdraagt aan de kerndoelstelling van het economisch
beleid?
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast of de Minister bereid is om, vooruitlopend
op een eventuele herijking, de mogelijkheid te onderzoeken om de wettelijke taken
op het gebied van innovatie- en regiostimulering te beëindigen. Welke financiële,
organisatorische en maatschappelijke gevolgen zouden hieraan verbonden zijn?
De leden van de CDA-fractie constateren ten aanzien van de fysieke ondernemerspleinen
constateren dat de evaluatie beperkt inzicht geeft in de effectiviteit van deze voorziening.
Is de Minister bereid te onderzoeken of deze wettelijke taak kan vervallen, waarbij
fysieke ondersteuning voor ondernemers waar nodig beschikbaar blijft via alternatieve
kanalen, bijvoorbeeld in samenwerking met gemeenten en regionale partners?
Tot slot verzoeken de leden van de CDA-fractie de Minister om inzicht te geven in
de financiële gevolgen van het beëindigen van de innovatie- en regiostimuleringstaak
en/of de fysieke ondernemerspleinen. Kan hierbij een meerjarige doorrekening worden
verstrekt, met een doorkijk van ten minste twaalf jaar?
Vragen en opmerkingen van de rapporteurs
De rapporteurs hebben kennisgenomen van de stukken en hebben hier de volgende opmerkingen
bij. De Algemene Rekenkamer noemde 2025 een jaar van stilstand. Er zijn weliswaar
hoge ambities, maar er is te weinig vooruitgang. Dat geldt volgens de Algemene Rekenkamer
ook als het gaat om het concurrentievermogen. Het doel om de R&D uitgaven op te schroeven
wordt bijvoorbeeld niet gehaald en Nederland is de afgelopen jaren teruggezakt op
de lijst met meest concurrerende economieën.4 Deze rapporteurs hebben naar de Jaarverslagen van 2025 gekeken, vooral om ervan te
leren voor de toekomst. Zij hebben zich de vraag gesteld: wat is het verhaal achter
de stilstand en wat is er vervolgens in 2026 en verder nodig om in beweging te komen.
Daarbij leggen de rapporteurs de focus op zichtbare en merkbare resultaten in de economie,
boven voortgang die vooral binnen het ministerie en op papier bestaat. Daarbij sluiten
zij zo veel mogelijk aan bij de observaties van de Algemene Rekenkamer.
In beweging komen vergt volgens de rapporteurs in de eerste plaats dat niet alleen
doelen gesteld worden met betrekking tot waar je naar toe wilt, maar dat ook wordt
geïnvesteerd in een concrete routekaart die vertelt hoe men er komt. Een routekaart
met duidelijke mijlpalen en tussenstations. Daarmee wordt een routekaart ook een dashboard
dat helpt om vast te stellen of we voldoende in beweging zijn. Dat is in de ogen van
de rapporteurs ook onmisbaar als gestuurd moet worden op 1,5% structurele groei. De
rapporteurs vragen de Minister om te komen met een dergelijke routekaart en dashboard,
met daarbij concrete mijlpalen. Daarbij adviseren de rapporteurs de Minister om advies
in te winnen bij partijen die hier al eerder over hebben nagedacht zoals de heer Wennink,
TNO en de Kenniscoalitie. Deze rapporteurs vragen of de Minister bereid is om te investeren
in een concrete routekaart en dashboard op basis waarvan de voortgang van het economisch
beleid kan worden gemonitord en hierover advies in te winnen bij externe adviseurs
zoals de heer Wennink.
De tweede conclusie van de rapporteurs is dat Nederland niet alleen in beweging moet
komen, maar ook dat voorkomen moet worden dat men stilvalt. Dat vraagt in de ogen
van de rapporteurs twee belangrijke dingen. In de eerste plaats dient de Minister
vooraf zekerheid te verschaffen of ze kan leveren op beloftes. Dat kan bijvoorbeeld
via uitvoeringstoetsen die in de ogen van de rapporteurs van doorslaggevende betekenis
zouden moeten zijn in het beleidsproces. Deze rapporteurs achten dat cruciaal voor
een betrouwbare overheid. Een overheid die duidelijkheid verschaft over wat het kan
leveren, wanneer en dat vervolgens ook doet. Laten we leren van de lessen van het
Nationaal Groeifonds, waar dat niet altijd goed ging.
Het tweede punt dat van belang is om stilstand te voorkomen is effectief signaleren.
De rapporteurs zijn van mening dat de Minister alerter kan worden op signalen dat
het ergens knelt. Als middelen niet tot besteding komen en/of worden doorgeschoven
via kasschuiven, kan dat een teken zijn. In het bijzonder wanneer dat in meerdere
jaren voorkomt of om substantiële delen van het budget gaat. Een betere classificatie
en duiding van onbenutte middelen (onderuitputting + kasschuiven) is daarmee ook een
belangrijk signaleringssysteem. De rapporteurs vragen daarom aan de Minister om met
betere inzichten en duiding van onbenutte middelen te komen. Is de Minister bereid
om aan uitvoeringstoetsen een doorslaggevende rol te geven in het beleidsproces en
de Kamer van betere informatie en duiding te voorzien met betrekking tot middelen
die gedurende het jaar niet tot besteding komen?
Als derde punt constateren deze rapporteurs dat voortgang op doelen de verenigde slagkracht
van de Rijksoverheid vraagt en daarmee ook van de organisaties die het financiert.
Hier ervaren deze rapporteurs een blinde vlek. Zij zien dat de financiering toeneemt
van bijvoorbeeld TNO en de KvK, en dat ook de RVO sterk is gegroeid. Zij zien geld
naar Europese fondsen gaan of kapitaalstortingen in InvestNL Om daar echter een beter
beeld van te krijgen, moet de Kamer allemaal externe bronnen bij elkaar puzzelen.
Dat is ondoenlijk. Daarom zijn deze rapporteurs van mening dat het jaarverslag hier
meer aandacht aan mag besteden. Kerninzichten vanuit de organisaties die de Minister
financiert of waar zij beleidsverantwoordelijk voor is, achten deze rapporteurs van
groot belang. Omdat dit ook zijn beperkingen en/of grenzen heeft, pleiten deze rapporteurs
daarnaast voor één centraal platform waar het jaarverslag naar kan verwijzen voor
verdiepende informatie. Jaarverslag en platform zouden in de ogen van de rapporteurs
naadloos op elkaar moeten aansluiten zodat gemakkelijk geschakeld kan worden tussen
de twee. In de ogen van de rapporteurs zou in dit platform de «routekaart» centraal
moeten staan en de mogelijkheden moeten bieden om verdiepende inzichten te krijgen
over alle relevante bouwblokken van het beleid. De website «bedrijvenbeleid in beeld»
biedt een goede basis om op voort te bouwen. Is de Minister bereid om in volgende
Jaarverslagen meer kerninzichten te delen over organisaties die uitvoering geven aan
haar beleid (en/of dat zij financiert) en alle relevante verdiepende informatie bij
elkaar te brengen in één centraal platform?
Tot slot constateren deze rapporteurs dat het van belang is om meer inzicht te verschaffen
in de capaciteitsinzet van het ministerie en de (uitvoerings)organisaties die zij
financiert. Dat begint met het overzichtelijk bij elkaar zetten van informatie die
reeds beschikbaar is uit bronnen als de Jaarrapportage bedrijfsvoering Rijk. Vervolgens
achten deze rapporteurs het van belang om een beeld te hebben van waar zich grote
maatschappelijke of economische risico’s kunnen voortdoen in het geval er niet (tijdig)
wordt geleverd. Zij zijn van mening dat er tussen beleidsdossiers grote verschillen
in potentiële risico’s bestaan. Zo’n analyse is dan de basis om beter met risico’s
om te gaan. Meer structureel denken deze rapporteurs dat het goed is om explicieter
aandacht te besteden aan capaciteitsvraagstukken, in het bijzonder bij evaluaties
en de opvolging (reactie) daarop. Dit sluit ook aan bij de oproep in de periodieke
rapportage om – naast financiële middelen – ook de capaciteit inzichtelijk te maken.
Deze rapporteurs vragen de Minister of zij in reacties op evaluaties explicieter in
kan gaan op mogelijkheden om capaciteit te besparen of deze effectiever in te zetten.
Welke mogelijkheden ziet de Minister om de Kamer meer inzicht te geven in capaciteitsvraagstukken
en is de Minister bereid om in reacties op evaluaties hier explicieter in te gaan
op mogelijkheden om capaciteit beter te richten of te besparen?
II Antwoord/Reactie van de Minister
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
W.P.J. van Eijk, voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken -
Mede ondertekenaar
H.W. Krijger, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.