Brief regering : Ontwikkeling van de durfkapitaalmarkt en versterking van bedrijfsfinanciering
32 637 Bedrijfslevenbeleid
Nr. 763
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 23 juni 2026
Met deze brief informeer ik uw Kamer over de ontwikkelingen op de Nederlandse durfkapitaalmarkt
en de inzet van het kabinet om de toegang tot financiering voor startups, scale-ups
en het mkb te versterken.
In onderdelen 1 en 2 schets ik de huidige staat van de Nederlandse durfkapitaalmarkt
en de belangrijkste knelpunten. Vervolgens ga ik in onderdeel 3 in op de beleidsinzet
om deze markt te versterken en rapporteer ik over de opvolging van de aanbevelingen
uit de evaluaties van het durfkapitaalinstrumentarium, zoals toegezegd door mijn voorganger
in de beleidsreactie van eind 2024.1
In onderdeel 4 informeer ik, mede namens de Staatssecretaris van Financiën, uw Kamer
over de voortgang rond een mogelijke fiscale stimuleringsmaatregel voor investeringen
in startups en mkb-bedrijven. Aanvullend ga ik in onderdeel 5 in op enkele toezeggingen
rond mkb-financiering: de aanpassingen van de BMKB, het onderzoek naar zekerheden
en de subsidie aan Code-V. Tot slot reageer ik in bijlage 3 op de motie-Postma2 over het langjarig verlengen van financieringsregelingen.
Met deze brief doe ik daarmee de moties van de leden Dassen & Martens-America3, Vermeer4, Flach5, Oualhadj6 en Postma af. Daarnaast geef ik in bijlage 4, mede namens de Staatssecretaris van
Financiën, de kabinetsreactie op het Dialogic rapport «Onderzoek stimulering risicodragend
kapitaal voor het mkb en startups,» naar aanleiding van moties De Jong c.s.7 en Van der Graaf & Stoffer8.
1. De huidige staat van de Nederlandse durfkapitaalmarkt
Nederland heeft de afgelopen jaren een steeds volwassener durfkapitaalmarkt opgebouwd.
Dat is een belangrijke prestatie van ondernemers, investeerders, publieke financiers
en regionale partijen. Het jaar 2025 was met € 2,4 mld. aan investeringsvolume het
op twee na beste investeringsjaar ooit. Ook op langere termijn is duidelijke vooruitgang
zichtbaar: het aantal bedrijven dat durfkapitaal aantrekt is in de afgelopen tien
jaar bijna verdubbeld. Daarmee staat er een financieringslandschap dat startups en
scale-ups beter ondersteunt dan tien jaar geleden. Dat is van groot belang, want toegang
tot durfkapitaal is cruciaal voor innovatieve bedrijven om te kunnen ontstaan, groeien
en internationaal concurreren.
Tegelijkertijd is verdere versterking nodig. In de Kamerbrief van 26 mei 2023 benadrukte
mijn voorganger dat toegang tot durfkapitaal een cruciale factor is voor het succes
van startups en scale-ups, maar dat deze toegang nog onvoldoende was ontwikkeld.9 Bijna drie jaar later is een goed functionerende Nederlandse en Europese durfkapitaalmarkt,
mede door de geopolitieke context, belangrijker dan ooit. Innovatieve bedrijven zijn
van belang voor ons toekomstig verdienvermogen, onze strategische autonomie en de
ontwikkeling van sleuteltechnologieën. Daarom blijft het noodzakelijk om nationaal
door te bouwen aan een sterke durfkapitaalmarkt en Europees de samenwerking te zoeken,
onder meer via de verdere versterking van de Kapitaalmarktunie.10
Hoewel de markt zich positief heeft ontwikkeld, laten de cijfers ook zien dat Nederland
nog stappen moet zetten. Dit is het sterkst in de vroege risicovolle fase, de scale-up
fase met grote financieringsbehoeften en in het bijzonder voor sectoren zoals deeptech.
Gemiddeld werd in deze periode ongeveer 0,20% van het bruto binnenlands product geïnvesteerd
in durfkapitaal. Daarmee bevindt Nederland zich boven het EU-gemiddelde, maar onder
het niveau van het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Ook groeien sommige
andere Europese durfkapitaalmarkten sneller.11 Het vinden van financiering blijft in de praktijk moeilijk voor veel innovatieve
bedrijven.12 Dit geldt vooral voor de vroege risicovolle fase, de scale-upfase met grote financieringsbehoeften
en kapitaalintensieve sectoren zoals deeptech.
Wat daarnaast opvalt is dat investeringen in de vroege fase niet zijn meegegroeid
met de totale investeringen in 2024 en 2025, en zelfs teruglopen.13,
14 Tegelijk lijken fondsen zich steeds meer toe te leggen op de latere fase, terwijl
het totale investeringsvolume ongeveer stabiel blijft en het aantal investeringen
stagneert. Dat de markt niet in omvang is toegenomen, is ook terug te zien in de zogenoemde
scale-up ratio: het lukt in 2025 iets meer dan 21% van de startups om door te groeien naar scale-up.
Sinds 2023 zijn er volgens Techleap maar 62 scale-ups bijgekomen in Nederland. Sinds
2020 is bovendien een toenemend aandeel van het geïnvesteerde kapitaal afkomstig van
buitenlandse investeerders.
Ook de afhankelijkheid van buitenlands kapitaal blijft een aandachtspunt. Sinds 2020
is bovendien een toenemend aandeel van het geïnvesteerde kapitaal afkomstig van buitenlandse
investeerders. Buitenlandse investeringen dragen bij aan de groei, schaal en internationalisering
van Nederlandse bedrijven. Tegelijkertijd kan een grotere afhankelijkheid van buitenlands
kapitaal ertoe leiden dat eigendom, zeggenschap en economische opbrengsten bij succesvolle
scale-ups vaker buiten Nederland of Europa terechtkomen. Dit onderstreept het belang
van een sterkere Nederlandse en Europese investeringsbasis.
Tot slot blijft het aandeel publieke financiering in Nederland groot, met ongeveer
20% van de Nederlandse durfkapitaalmarkt. Dat laat zien dat publieke instrumenten
een belangrijke rol vervullen in fases en sectoren waar private financiers terughoudend
zijn, zoals de vroege fase, deeptech en kapitaalintensieve opschaling. Onder het durfkapitaalinstrumentarium
van mijn ministerie vallen onder meer SEED Capital, Vroegefasefinanciering (VFF),
het Innovatiekrediet, Invest-NL en de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s).
Deze instrumenten dragen elk vanuit hun eigen rol bij aan de financieringsketen voor
startups en scale-ups. Juist vanwege dit relatief grote aandeel blijft het van belang
dat publieke middelen additioneel aan de markt opereren, marktverstoring voorkomen
en gericht worden ingezet waar sprake is van duidelijke knelpunten of marktfalen.
Het beeld is daarmee tweeledig: Nederland heeft een stevigere durfkapitaalmarkt dan
enkele jaren geleden, maar de markt is nog niet in alle fases sterk genoeg om innovatieve
bedrijven vanzelfsprekend van voldoende financiering te voorzien. De basis is gelegd;
de opgave is nu om door te bouwen, de vroege fase te blijven voeden, meer slagkracht
in de scale-upfase te organiseren en meer privaat en institutioneel kapitaal te mobiliseren.
2. De belangrijkste uitdagingen in de durfkapitaalmarkt
De hierboven geschetste ontwikkeling laat zien dat Nederland vooruitgang heeft geboekt,
maar dat de durfkapitaalmarkt nog niet in alle fases voldoende sterk is. In 2024 zijn
verschillende onderzoeken uitgevoerd naar de staat van de durfkapitaalmarkt, de knelpunten
en de rol van het financieringsinstrumentarium. Uit het IBO Bedrijfsfinanciering en
de meta-evaluatie volgt dat het publieke instrumentarium op hoofdlijnen effectief
ingrijpt op marktfalen, maar dat gerichte versterking nodig blijft.
15,
16 Juist in fases waar het risico groot is en private financiers terughoudend zijn,
heeft de overheid een belangrijke aanvullende rol.
De grootste opgave ligt bij scale-ups en first-of-a-kind plants(eerste fabriekstoepassingen), waarvoor grotere financieringsrondes van € 10–50 mln.
of meer nodig zijn. Ook een recent rapport van KPMG onderstreept dat de financieringskloof
voor startups en scale-ups vooral in de opschalingsfase om meer slagkracht vraagt.17 In deze fase is het van belang dat Nederlandse en Europese durfkapitaalfondsen over
voldoende slagkracht beschikken om mee te investeren, vervolgrondes te ondersteunen
en waar mogelijk een leidende rol te spelen. In dat kader is ook in het rapport-Wennink
gewezen op het belang van grotere fondsen, meer concentratie in de markt en de oprichting
van een nationale investeringsinstelling.
Tegen deze achtergrond vragen drie marktdynamieken bijzondere aandacht: de zwakke
exitmarkt, de hoge mate van buitenlands aandeelhouderschap en de beperkte aanwas van
nieuwe innovatieve bedrijven. Deze factoren beïnvloeden mede of startups kunnen doorgroeien
tot scale-ups.
2.1. Zwakke exitmarkt belemmert mobiliseren van privaat kapitaal
Een belangrijke uitdaging is de zwakke exitmarkt. Door het beperkte aantal bedrijfsovernames
en beursgangen is het voor durfkapitaalfondsen moeilijker om aantrekkelijke rendementen
te realiseren en nieuw kapitaal aan te trekken. Dit remt de gehele investeringscyclus
en kan leiden tot onderinvestering in innovatieve bedrijven. De stagnerende exitmarkt
is wereldwijd een knelpunt, en doet zich niet alleen voor in Nederland, specifieke
regio’s, sectoren of businessmodellen. Hoewel experts voorzichtig herstel signaleren
blijft het beleggersvertrouwen kwetsbaar, zeker in de context van de huidige geopolitieke
spanningen. De overheid kan de exitmarkt niet direct sturen, maar wel bijdragen aan
gunstige randvoorwaarden voor groei, investeringen, overnames en beursgangen.
2.2. Hoge mate van buitenlands aandeelhouderschap
In de huidige geopolitieke context wordt strategische autonomie steeds belangrijker.18 Een sterke Nederlandse en Europese durfkapitaalmarkt is daarvoor een belangrijke
randvoorwaarde. Buitenlandse investeerders spelen een waardevolle rol bij de financiering
van Nederlandse startups en scale-ups en waren betrokken bij meer dan 70% van de investeringsrondes
boven € 50 mln. Zij brengen kapitaal, kennis en internationale netwerken mee. Tegelijkertijd
kan een grote afhankelijkheid van buitenlands kapitaal ertoe leiden dat eigendom,
zeggenschap en economische opbrengsten bij succesvolle scale-ups vaker buiten Nederland
of Europa terechtkomen. De opgave is daarom om Nederlandse en Europese investeerders
beter in staat te stellen mee te investeren, door te investeren en waar mogelijk een
leidende rol te spelen in grotere financieringsrondes.
2.3. Risico op onvoldoende doorstroom van kennis naar nieuwe bedrijven
Tot slot staat de aanwas van nieuwe innovatieve bedrijven onder druk. Met name het
aantal nieuwe deeptech-startups blijft achter door onvoldoende valorisatie van publieke
kennis. Hoewel Nederland beschikt over een sterke kennisbasis, lukt het nog onvoldoende
om deze kennis om te zetten in snelgroeiende bedrijven. Een blijvende inzet op valorisatie
is noodzakelijk om voldoende nieuwe bedrijven, investeringsmogelijkheden en toekomstige
scale-ups voort te brengen.
3. Beleidsinzet: financiering in elke groeifase
Op basis van deze analyse zet het kabinet in op een doorlopende financieringsketen
voor startups en scale-ups: van vroege validatie en eerste groei tot kapitaalintensieve
opschaling. Daarbij ligt de nadruk op drie sporen: het behouden van bewezen vroegefase-instrumenten,
het versterken van scale-upfinanciering en het mobiliseren van meer privaat en institutioneel
kapitaal.
3.1. Vroege fase: blijven investeren in de scale-ups van morgen
De vroege fase vormt de kweekvijver voor toekomstige scale-ups. Juist in deze fase
zijn de risico’s groot en zijn private financiers vaak terughoudend. Daarom blijven
regelingen uit het Toekomstfonds, zoals Vroegefasefinanciering (VFF), SEED Capital,
het Innovatiekrediet en de Thematische Technology Transfer-regeling (TTT), van belang.
Deze regelingen grijpen aan op structurele knelpunten in de markt en zijn tot 2030
verlengd.
Uit het IBO Bedrijfsfinanciering en de meta-evaluatie van het durfkapitaalinstrumentarium
blijkt dat het instrumentarium op hoofdlijnen goed aansluit op het marktfalen. Tegelijk
zijn verdere verbeteringen mogelijk, met name in de samenhang tussen instrumenten,
het mobiliseren van privaat kapitaal en het beter inzichtelijk maken van de effectiviteit
van het instrumentarium als geheel. In bijlage 2 ga ik in op de opvolging van de aanbevelingen
per instrument. In box 1 van bijlage 1 ga ik nader in op de overkoepelende doelen
en monitoring van het instrumentarium.
Ook de ROM’s blijven essentieel voor de financiering van innovatieve bedrijven in
de vroege fase. Als landelijk dekkend netwerk begeleiden zij ondernemers regionaal
en maken zij financiering toegankelijk, zowel met eigen middelen als via samenwerkingsfondsen
zoals de VFF. De recente Defensiemiddelen, zoals SecFund en defensie-innovatiehubs,
sluiten hierop aan.
3.2 Scale-upfase: meer slagkracht voor grotere financieringsrondes
Naast inzet in de vroege fase is versterking van de scale-upfinanciering noodzakelijk.
Juist in deze fase hebben bedrijven grotere financieringsrondes nodig om door te groeien,
productie op te schalen en internationaal concurrerend te blijven. Het kabinet versterkt
daarom bestaande instrumenten en ontwikkelt nieuwe initiatieven om meer kapitaal beschikbaar
te maken voor kapitaalintensieve bedrijven.
Allereerst is het kabinet voornemens € 130 mln. beschikbaar te stellen voor uitbreiding
van het Deep Tech Fonds (DTF) onder Invest-NL. Met een aanvullende bijdrage vanuit
het kernkapitaal van Invest-NL groeit de totale fondsomvang met € 360 mln. naar € 610
mln. Hiermee kan het fonds zijn belangrijke rol voorlopig voortzetten en bedrijven
ondersteunen die werken aan sleuteltechnologieën, zoals fotonica, halfgeleiders, kwantumtechnologie
en kunstmatige intelligentie.
Daarnaast werkt het kabinet aan een Blended Finance-instrument van € 250 mln., gericht op de financieringskloof in de opschalingsfase.
Door publieke en private middelen te combineren moet dit instrument grotere financieringsrondes
mogelijk maken voor kapitaalintensieve bedrijven. Ook ontwikkelt Invest-NL een fonds-in-fondsconstructie
om meer institutioneel kapitaal, waaronder van pensioenfondsen, naar de durfkapitaalmarkt
te mobiliseren.
Ook Europees blijft samenwerking noodzakelijk. Voor scale-ups zijn financieringsrondes
vaak zo groot dat nationale markten alleen onvoldoende schaal bieden. Daarom investeert
het kabinet € 200 mln. in het European Tech Champions Initiative (ETCI) 2.0. Daarmee
komt, samen met andere lidstaten en private investeerders, meer kapitaal beschikbaar
voor private investeringsfondsen, met een fondsomvang van minimaal € 600 mln. en bij
voorkeur meer dan € 1 mld. Daarnaast verwelkomt het kabinet nieuwe Europese initiatieven,
zoals het aangekondigde Scale-up Europe Fund en de verdere versterking van InvestEU
en de European Innovation Council, om de beschikbaarheid van opschalingsfinanciering
binnen Europa te vergroten.
Tot slot wordt, conform het coalitieakkoord, gewerkt aan de oprichting van een Nationale
Investeringsinstelling. Uw Kamer wordt hierover separaat geïnformeerd.
4. Onderzoek naar het fiscaal stimuleren van privaat risicodragend kapitaal voor startups
en mkb
Het vorige kabinet heeft uw Kamer in september 2025 over de lopende initiatieven ten
aanzien van mkb-financiering geïnformeerd19 en de actieagenda startup- en scale-upbeleid gepresenteerd.20 Dit kabinet zet deze inzet voort. Naar aanleiding van moties De Jong c.s. en Van
der Graaf & Stoffer heeft Dialogic vorig jaar onderzoek gedaan naar wat er nodig is
om een nieuwe versie van een fiscale durfkapitaalregeling op te zetten en de noodzaak
voor een fonds voor achtergestelde leningen voor het mkb. Daarnaast is in de moties-Dassen/Martens-America
en motie-Vermeer gevraagd om varianten uit te werken van fiscale stimuleringsregelingen
voor de financiering van startups en het mkb.
In het coalitieakkoord is onder andere afgesproken dat het kabinet wil stimuleren
dat mensen hun spaargeld meer beleggen in de Nederlandse economie en daartoe o.a.
onderzoek zal doen naar een win-win-lening.21
Op 11 juni jl. is de Staatssecretaris van Financiën in de strategische fiscale agenda
nader ingegaan op de verschillende fiscale initiatieven van het kabinet op het vlak
van het ondernemings- en vestigingsklimaat, waaronder het onderzoek van een Nederlandse
variant op de win-win-lening. Dat onderzoek zal de komende tijd worden uitgevoerd.
Bij de uitwerking en weging van een nieuwe fiscale regeling geldt dat getoetst zal
worden aan het Toetsingskader fiscale regelingen.22 Daarbij is onder meer relevant wat het verwachte effect is op bedrijfsfinanciering
ten opzichte van het bestaande beleidsinstrumentarium en alternatieve beleidsopties
(additionaliteit), de doelmatigheid en de uitvoeringsgevolgen, zoals ook het Beleidskompas
voorschrijft. In dit onderzoek moet ook rekening worden gehouden met de omstandigheid
dat er in het IV-portfolio van de Belastingdienst van de keten Inkomensheffingen pas
vanaf 2029 weer beperkte ruimte vrijkomt voor ander beleid, en bij eventuele structuuraanpassingen
van het voorgestelde nieuwe box 3-stelsel (zoals het toevoegen van een mogelijkheid
tot carry-back) pas vanaf 2030. Het kabinet werkt toe naar besluitvorming over de
win-win regeling in het voorjaar van 2027. Als het kabinet naar aanleiding van het
onderzoek te zijner tijd besluit om aanvullende maatregelen te nemen, dan zal het
kabinet zorgdragen voor een passende budgettaire dekking binnen de begrotingsregels.
Vooruitlopend op dit onderzoek informeer ik uw Kamer hieronder mede namens de Staatssecretaris
van Financiën over de ontwerpkeuzes van verschillende denkbare varianten van fiscale
stimuleringsregelingen voor de financiering van startups en het ter uitvoering van
de moties-Dassen/Martens-America respectievelijk de motie-Vermeer. Daarnaast wijs
ik uw Kamer graag op de kabinetsreacties die als bijlagen zijn toegevoegd. Dit zijn
1) de reactie op de bevindingen van het onderzoek van Dialogic over het stimuleren
van risicodragend kapitaal voor het mkb en startups en, 2) de reactie op het rapport
van Golden Egg Check over startups en business angels.
4.1. Fiscale varianten voor investeringen in startups en het mkb
In dit deel worden aan de hand van ontwerpcriteria afbakening, type belastingvoordeel
en maximering een aantal varianten benoemd voor het ontwerpen van een eventuele fiscale
stimuleringsregeling. In beginsel heeft een fiscale stimuleringsregeling voor bedrijfsfinanciering
als doel de risico-rendementsverhouding van de investering te verbeteren door het
verwachte positieve rendement na belastingen te verhogen of het potentiële verlies
op een investering na belastingen te verzachten. Het gewenste effect hiervan zou zijn
dat de financiering beter op gang komt. Ontwerpkeuzes binnen een fiscale regeling
grijpen in op deze risico-rendementsverhouding en kunnen worden toegespitst op de
specifieke doelgroepen van de regelingen. In lijn met internationale voorbeelden en
de bevindingen van het onderzoek door Dialogic, zijn de hieronder beschreven ontwerpkeuzes
gericht op een regeling ten behoeve van natuurlijke personen, via de inkomstenbelasting.
Dit sluit aan op de inzet van het kabinet om privaat kapitaal te mobiliseren van individuen
met relatief veel inactief spaargeld. Dit betekent dat een Nederlandse fiscale regeling
naar zijn aard ingepast zou moeten worden in de inkomstenbelasting.23
Afbakening
De doelgroep van de maatregel bepaalt voor een belangrijk deel de vormgeving. Het
brede mkb maakt meestal gebruik van leningen (vreemd vermogen) om de onderneming en
groei daarvan te financieren, terwijl startups veelal gebruikmaken van de uitgifte
van aandelenkapitaal (eigen vermogen). Een fiscale prikkel gericht op het brede mkb
zou het verstrekken van een achtergestelde lening van een particulier aan een ondernemer
moeten stimuleren. Door deze achterstelling kan de toegang tot andere externe financiering
vergroot worden. Een prikkel voor startups zou primair gericht zijn op het investeringen
in eigen vermogen van startups door natuurlijke personen. Afbakening is daarnaast
mogelijk langs de lijnen van leeftijd of bedrijfsgrootte. Samenvattend is het dus
mogelijk de variant af te bakenen langs de volgende lijnen:
i. Doelgroep
a. Mkb
b. Startups
c. beide
ii. Leeftijd of bedrijfsgrootte
Type belastingvoordeel
Hieronder wordt het type belastingvoordeel nader uitgewerkt. Op basis van het onderzoek
van Dialogic en internationale vergelijkingen is een viertal componenten te onderscheiden
waarlangs het belastingvoordeel kan plaatsvinden:
i. Verlaging van de belasting over de ontvangen voordelen
ii. Fiscaal verlichten van het risico op investeringen
iii. Verlenen van fiscaal voordeel vanaf het jaar van investeren
iv. Uitstel van belasting bij herinvesteringen (startups)
In de eerste plaats kan er sprake zijn van een verlaging van de belasting over de
ontvangen voordelen. Het op deze manier verhogen van het verwachte rendement is gericht
op het vergroten van de aantrekkelijkheid van investeringen in zowel het mkb als startups.
Internationaal is het voor startups bijvoorbeeld gangbaar dat er een korting plaatsvindt
op te betalen belasting over vermogenswinsten, waarbij een minimale aanhoudperiode
tussen drie en vijf jaar gebruikelijk is. Voor het mkb zou de ontvangen rente op de
(achtergestelde) leningen lager belast kunnen worden.
Een tweede component is het verlichten van het risico op investeringen door een verlaging
van de belastingdruk in het geval van een eventueel verlies op de investering. In
een box 3-stelsel dat gebaseerd is op werkelijk rendement is voorwaartse onbeperkte
verliesverrekening opgenomen. Het kabinet heeft daarnaast mogelijkheden onderzocht
om het wetsvoorstel wet werkelijk rendement box 3 aan te passen. Een daarvan is de
introductie van één jaar achterwaartse verliesverrekening. Het kabinet weegt de opties
zoals geschetst in de brief van 19 juni jl. en komt op Prinsjesdag met een voorstel
voor eventuele aanpassingen in een novelle. Daarom zou bekeken moeten worden of het
wenselijk en mogelijk is om daarbovenop een eventueel aanvullend fiscaal voordeel
te verlenen.
Een derde component is het verlenen van fiscaal voordeel vanaf het jaar van investeren,
bijvoorbeeld door een heffingskorting op basis van een percentage van de investering.
Dit verlaagt het netto-investeringsbedrag van de particuliere investeerder en daarmee
het risico. Ook verhoogt dit het verwachte nettorendement op de investering. Hoewel
deze prikkel openstaat voor iedere particulier, nodigt de lagere instapdrempel vooral
startende particulieren uit financiering te verstrekken. Het nadeel van deze prikkel
is wel dat die pas een jaar later zijn vruchten afwerpt: bij het opleggen van de aanslag
over het belastingjaar waarvoor de heffingskorting wordt gegeven, kan de investeerder
dit fiscale voordeel verzilveren.
Tot slot kan voor investeringen in startups een component zich richten op uitstel
van belasting bij herinvesteringen. Bij de vervreemding van aandelen in een startup,
wordt de belastingheffing op (een deel van) de opbrengsten uitgesteld naar een later
moment, mits binnen een vastgestelde periode opnieuw in een startup wordt geïnvesteerd.
Een dergelijke component wordt genoemd in het rapport Wennink. Deze aanvullende prikkel
heeft als doel om kapitaal in het startup ecosysteem te houden, in plaats dat dit
kapitaal wordt geïnvesteerd in bijvoorbeeld vastgoed of in het buitenland. Zo kan
een vliegwieleffect ontstaan, dat ook zichtbaar is in andere succesvolle startup ecosystemen24. Verschillende varianten van fiscale stimuleringsregelingen bestaan uit een of meerdere
van bovenstaande componenten. Een regeling voor het mkb kan hierbij aansluiten. Voor
een op startups gerichte regeling is het internationaal gangbaar een combinatie van
drie fiscale prikkels die de risicorendementsverhouding van dergelijke investeringen
gunstiger maken, namelijk een heffingskorting, een aanvullende belastingkorting en
uitstel van heffing. Een combinatie van verschillende prikkels is gebruikelijk en
komt o.a. voor in de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Spanje.25
In Nederland hadden we eerder een stimuleringsregeling voor mkb-financiering, namelijk
de durfkapitaalregeling. Deze kende twee varianten: een directe, waarbij particulieren
rechtstreeks geld lenen aan startende ondernemers, en een indirecte, waarbij particulieren
beleggen in een durfkapitaalfonds. De durfkapitaalregeling voorzag onder andere in
een gemaximeerde vrijstelling in box 3 op basis van de toen geldende systematiek,
een persoonsgebonden aftrekpost voor geleden verliezen en een heffingskorting in box
1. Hiermee werd door de heffingskorting een jaarlijkse korting gegeven op het uitstaande
bedrag en werd het risico beperkt door een fiscale korting als de lening niet werd
terugbetaald en was tot een bepaald bedrag geen box 3 belasting van toepassing. Een
fiscale prikkel voor geldverstrekkers aan het mkb die langs bovenstaande componenten
zou worden opgebouwd, zou daarom op hoofdlijnen lijken op de directe variant van de
oude durfkapitaalregeling. Per lening kunnen eisen worden gesteld aan de maximale
duur. Dit is ook het geval in de Vlaamse win-win-lening.
Maximering
Voor de doeltreffendheid en doelmatigheid van de regeling is het van belang dat een
regeling aansluit bij de doelgroep waar het verkrijgen van financiering het meeste
knelt. Dit geldt voor het mkb vooral voor kleine kredieten (< € 250.000) zoals blijkt
uit het IBO Bedrijfsfinanciering en het advies van de Gezant MKB-Financiering.26 Het ligt daarom voor de hand een maximum te stellen aan enerzijds het bedrag waar
een individu fiscaal voordeel over kan verkrijgen en anderzijds het totaalbedrag dat
een onderneming fiscaal gefaciliteerd kan ontvangen. Ook voor startups is het internationaal
gebruikelijk om een maximum investeringsbedrag te hanteren. De maximum investeringsbedragen
bij vergelijkbare varianten in het buitenland lopen uiteen van € 50.000 (Frankrijk)
tot ongeveer € 1.000.000 (Verenigd Koninkrijk). Dit past goed bij de gebruikelijke
initiële investering van Nederlandse business angels. Uit het onderzoek van Golden
Egg Check blijkt dat ruim driekwart van Nederlandse business angels een bedrag tussen
€ 10.000 en € 100.000 investeert per startup.
Zoals genoemd is de Staatssecretaris van Financiën in de strategische fiscale agenda
nader ingegaan op de verschillende fiscale initiatieven van het kabinet op het vlak
van het ondernemings- en vestigingsklimaat, waaronder het onderzoeken van een win-win-lening.
Besluitvorming rondom dit onderwerp zal plaatsvinden in het voorjaar van 2027. Voor
de eventuele dekking zal ook de motie Bontenbal c.s.27 meegenomen worden.
5. MKB-financiering: BMKB, Zekerheden en Code-V
5.1. Aanpassingen aan de BMKB
Het kabinet zet onverminderd in op kredietverstrekking aan het mkb via de Borgstelling
MKB-kredieten (BMKB), die wordt gemoderniseerd en vereenvoudigd om administratieve
lasten te verminderen en beter aan te sluiten bij digitale kredietverlening. Momenteel
loopt de evaluatie van de BMKB van de periode 2021–2025. De rapporten worden na de
zomer verwacht. De implementatie van de wijzigingen aan de BMKB volgen in het eerste
kwartaal van 2027 met in acht name van de uitkomsten van de evaluatie.
Daarnaast wordt de regeling nu al toegankelijker gemaakt voor geaccrediteerde crowdfundingplatforms
per 1 juli 2026, in lijn met mijn doelstelling om de non-bancaire financieringsmarkt
te ondersteunen en verder te professionaliseren. Ook wordt de BMKB uitgebreid met
een BMKB-Energie-luik in lijn met wat is aangekondigd in het maatregelenpakket «Acties
Weerbaarheid Energieschok».28 Over de verdere invulling hiervan informeer ik uw Kamer binnenkort.
Een verdere toelichting op de aanpassingen in de BMKB is opgenomen in bijlage 5.
5.2. Zekerheden
Tevens informeer ik u over de motie van het lid Flach over het in kaart brengen van
belemmeringen voor niet-bancaire financiers en verbeteringen in het zekerhedenrecht.
Er is, in overleg met de Stichting MKB Financiering, gekozen voor verbreding van de
onderzoeksscope. Naast het identificeren van de knelpunten wordt nu ook onderzocht
in hoeverre oplossingen haalbaar zijn en welke neveneffecten deze kunnen hebben. Dit
vergt meer onderzoekstijd, waardoor de opleverdatum van het onderzoek verschuift naar
het derde kwartaal van 2026 en ik uw Kamer dan zal informeren.
5.3. Code-V
Tijdens de Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische
Zaken (XIII) voor het jaar 2026 is de motie van het lid Oualhadj aangenomen. Hierin
werd verzocht om voor de komende twee jaar voldoende budget beschikbaar te stellen
ten behoeve van een subsidie aan Code-V. Naar aanleiding hiervan informeer ik u dat
een totaalbedrag van € 200.000 (2x € 100.000 voor 2026 en 2027) beschikbaar is gesteld
aan Code-V, waarmee de motie als afgedaan wordt beschouwd.
6. Tot slot
De Nederlandse financieringsmarkt voor startups, scale-ups en het mkb heeft zich de
afgelopen jaren verder ontwikkeld, maar verdere versterking blijft nodig. In de huidige
geopolitieke context zijn economische weerbaarheid, strategische autonomie en het
vermogen om innovatieve bedrijven in Nederland en Europa te laten doorgroeien belangrijker
dan ooit.
Daarom blijf ik mij inzetten voor een sterke Nederlandse en Europese durfkapitaalmarkt,
met publieke inzet waar die aanvullend is op de markt. Daarbij blijft aandacht nodig
voor de vroege fase, waar de basis wordt gelegd voor toekomstige scale-ups, en voor
de opschalingsfase, waar meer slagkracht nodig is via onder meer het Deep Tech Fonds,
blended finance, ETCI 2.0 en de Nationale Investeringsinstelling. Ook voor het bredere
mkb blijft toegang tot financiering van belang, onder meer via de fiscale verkenning,
de BMKB, het onderzoek naar zekerheden en de ondersteuning van Code-V.
Zo bouwt het kabinet voort op wat is bereikt en werkt het aan een financieringsmarkt
waarin innovatieve bedrijven en ondernemers in iedere fase beter toegang hebben tot
passend kapitaal.
De Minister van Economische Zaken en Klimaat,
H.G. Herbert
BIJLAGE 1 SYSTEEMDOELEN DURFKAPITAALINSTRUMENTARIUM
Box 1. Systeemdoelen Durfkapitaalinstrumentarium
Ons instrumentarium kent één systeemdoel: het creëren van een sterkte, onafhankelijke
durfkapitaalmarkt met gelijke en goede toegang tot kapitaal in elke fase van een startup
of scale-up. Hierbij staat het adresseren van marktfalen uit het IBO Bedrijfsfinanciering
centraal, namelijk informatie-asymmetrie, hoge onzekerheid en positieve externe effecten,
die ertoe leiden dat private investeerders structureel onderinvesteren in (vroege-fase)
startups en scale-ups. Dit valt uiteen in twee kerntaken van het financieringsinstrumentarium:
1. Het instrumentarium dient een sterke, onafhankelijke durfkapitaalmarkt te helpen
creëren.
Het instrumentarium stimuleert private investeringen in innovatieve startups door
risico’s te delen of te verlagen, inleg met publieke middelen te matchen en investeringen
aantrekkelijker te maken, met name in de vroege fase van ondernemingen. Hiermee worden
middelen gemobiliseerd uit de private markt, en wordt de hoeveelheid private investeerders
vergroot waar dat zonder het instrumentarium niet zou gebeuren. Het onderliggende
doel is het creëren van een professioneel en duurzaam durfkapitaalfondsenlandschap.
Dit versterkt de zelfstandigheid van de private markt, vermindert op termijn de afhankelijkheid
van publieke middelen en draagt bij aan een robuust investeringsklimaat voor private
durfkapitaalverschaffers. Hoewel hier in de afgelopen 10 jaar al sterke vooruitgang
is geboekt is gelijktijdig de kapitaalbehoefte sneller toegenomen dan de zelfstandigheid,
waardoor de vraag naar publieke middelen sterk blijft.
– Kerninstrumenten die hierop gericht zijn, zijn de SEED Capital en de TTT-regeling.
– De ROM’s en Invest-NL ondersteunen dit door in te stappen op fondsniveau.
– Nederland zet tevens in op Europese initiatieven die zich richten op het vormen en
opschalen van fondsen, zoals ETCI en de European Innovation Council.
2. Het instrumentarium zorgt dat startups en scale-ups met een gedegen businessplan
in alle fasen van hun ontwikkeling, inclusief de valorisatiefase, toegang hebben tot
passende financiering wanneer de markt hier niet in kan voorzien.
Door het ontstaan van een doorlopende financieringsketen helpt het instrumentarium
ondernemingen om de ‘valley of death’ te overbruggen, waardoor veelbelovende innovaties
daarna gemakkelijker private financiering kunnen vinden en succesvol naar de markt
kunnen worden gebracht. Dit versterkt het ecosysteem voor innovatieve bedrijven en
bevordert een evenwichtige verdeling van durfkapitaal over alle sectoren en levensfasen.
– Kerninsinstrumenten die hier rechtstreeks aan bijdragen zijn de VFF, het Innovatiekrediet,
de ROM’s en Invest-NL die zich richten op bedrijfsfinanciering.
– De SEED Capital regeling draagt hier indirect aan bij.
BIJLAGE 2 VOORTGANG OPVOLGEN AANBEVELINGEN INDIVIDUELE DURFKAPITAALREGELINGEN
Onderstaande bouwt voort op de brief die mijn voorganger in december 2024 naar uw
Kamer verstuurde.29
Innovatiekrediet (IK)
Het IK is een regeling waarmee bedrijven een deel van de ontwikkelingskosten van een
technisch of klinisch ontwikkelproject kunnen financieren. De regeling heeft als doel
om duurzame economische groei te bevorderen en wordt vrijwel uitsluitend aangevraagd
door het innovatieve mkb. Het instrument is als doelmatig en doeltreffend geëvalueerd
en additioneel aan het overige instrumentarium. De belangrijkste aanbevelingen hebben
betrekking op het behouden van het instrument en dit niet verder te verruimen, het
behouden van de kwaliteit van de uitvoering, het vergroten van de aandacht voor communicatie
aan de doelgroep over de mogelijkheden van het instrument en het verduidelijken van
de criteria voor marktrijpheid, technische nieuwheid en eigen financiering.
Conform de aanbevelingen zet ik erop in het innovatiekrediet te behouden als generiek
instrument voor R&D-intensieve ontwikkelingsprojecten. In de praktijk sluit een ruime
meerderheid van de ingediende en toegekende aanvragen aan bij prioriteiten uit de
Nationale Technologie Strategie, ondanks dat het instrument hier niet specifiek op
is gericht.
Het instrument is verder verbeterd aan de hand van de aanbevelingen in de evaluatie.
Er zijn verduidelijkingen gemaakt van de criteria voor marktrijpheid en technische
nieuwheid. Verwacht wordt dat dit zal helpen om meer duidelijkheid te bieden over
een mogelijke Innovatiekrediet-bijdrage, onder andere aan deeptech-projecten. Ook zijn op de website van RVO aanvullende toelichtingen vindbaar rondom
bijv. de voorwaarden die de regeling stelt aan projecten in de preklinische medicatieontwikkeling.
Om beter aan te sluiten bij de werkwijze van innovatieve ondernemingen en investeerders
is op de website benoemd welke documenten kunnen dienen als bewijs van de eigen financiering.
Daarnaast is er een schrijfhulp-gids beschikbaar om aanvragers te helpen en sneller
tot een goede aanvraag te komen. Deze gids bevat ook een beschrijving van de mogelijkheden
van het verlenen onder voorwaarde. Vertegenwoordigers van de doelgroep worden betrokken
om de mogelijkheden van het instrument nauwer onder de aandacht te brengen.
Vroegefasefinanciering (VFF)
De VFF (opgericht in 2014) ondersteunt bedrijven in de proof-of-conceptfase, waarin
private financiering vaak ontbreekt door hoge risico’s. De regeling helpt de technische
en commerciële haalbaarheid van innovaties te toetsen en richt zich op mkb-ondernemingen,
innovatieve starters en academische/hbo-starters. Uitvoering gebeurt door RVO, NWO
en sinds 2021 ook via regionale ROM’s, met RVO als achtervang voor landelijke dekking.
De belangrijkste aanbevelingen van de evaluatie zijn de versterking van de regionale
uitvoering, verduidelijking van de rol van RVO als achtervang en verbetering van zichtbaarheid
en samenwerking tussen RVO, regio’s en NWO.
Om de samenwerking te verbeteren en de uitvoering van de regeling zo uniform mogelijk
te maken, is RVO in 2025 begonnen met het organiseren van gezamenlijke sessies met
alle regionale uitvoerders van de VFF en met NWO, die het academische luik uitvoert.
Onderwerpen die in dit gremium worden besproken betreffen onder andere bijzonder beheer,
het «merk» VFF, informatie-uitwisseling en de rol van RVO als achtervang voor het
regionale luik. Het doel is om de samenwerking te versterken en afspraken te maken
over uitvoeringsthema’s en daarmee onderlinge verschillen te verkleinen. Deze sessies
zullen tweemaal per jaar plaatsvinden. Met betrekking tot de rol van RVO als achtervang
is afgesproken dat medewerkers van RVO periodiek in gesprek treden met de regionale
VFF-fondsen. In deze overleggen zal naar het financiële verloop van de portefeuille
van het fonds meer nadruk worden gelegd op het doorverwijzen van aanvragen naar het
landelijke luik. Daarnaast kunnen regionale fondsen ad-hoc contact opnemen over bedrijfscasussen
via de RVO mkb-financieringsdesk. Ten aanzien van de beheervergoeding bij de regionale
VFF, zijn de gesprekken nog niet afgerond. Door de verhoging van de lening van 350.000
naar 450.000 euro is de vergoeding per investering indirect gestegen, waardoor dit
knelpunt mogelijk deels of in zijn geheel is verlicht. Ten aanzien van overige voorwaarden
heb ik besloten de berekening van de rente op de VFF-lening niet te herzien, gezien
de dalende rentestanden en ter voorkoming van negatieve rente. Wel zal ik jaarlijks
opnieuw beoordelen of het rentetarief passend is binnen de context van de Europese
rentestanden.
In de meta-evaluatie werd ook de aanbeveling gedaan om de samenhang tussen de VFF
en de Thematische Technology Transfer (TTT)-regeling te bezien. Dit is belangrijk,
omdat deze twee regelingen toezien op de (zeer) vroege fase van startup ontwikkeling.
Daartoe heb ik de samenhang tussen deze regelingen tegen het licht gehouden. De TTT
ondersteunt consortia van kennisinstellingen en investeerders met subsidie en fondsfinanciering
om onderzoek via valorisatie en validatie om te zetten in nieuwe startups. Daarnaast
maakt de TTT vroege financiering voor startups mogelijk. De TTT combineert subsidies,
investeringen in ruil voor aandelen en converteerbare leningen. Het doel is om wetenschappelijke
kennis binnen een specifiek thema om te zetten naar ondernemerschap. De VFF biedt
starters, zowel academisch als niet-academisch, en gevestigde mkb laagdrempelige leningen
voor proof-of-concept ontwikkeling, zonder verplichte private cofinanciering.
Daarmee zijn er belangrijke verschillen op het gebied van doelgroep en thematische
inzet. Daarbij richt TTT zich op ecosysteemvorming rond een specifiek thema, terwijl
de VFF ondernemers actief in alle sectoren ondersteund die in de vroege fase geen
investeerder kunnen vinden. De regelingen zijn daarmee beleidsmatig niet uitwisselbaar.
Juist het gelijktijdig inzetten van de TTT en VFF zorgt voor een sluitende financieringsketen
waarin zowel ecosysteemontwikkeling op specifieke thema's als directe ondersteuning
voor ondernemers (ook buiten specifieke thema’s) zijn geborgd.
In de praktijk blijkt daarnaast dat beide instrumenten elkaar kunnen versterken: innovatieve
bedrijven zetten de VFF vaak in voor de eerste stap van onderzoek richting commerciële
toepassing. De praktijk laat zien dat startups die succesvol de VFF hebben doorlopen,
een grotere kans hebben om een investering van een TTT-fonds te ontvangen. Andersom
kan de TTT al in een eerder stadium betrokken zijn, waarbij een TTT-subsidie fungeert
als opstap naar de oprichting van een startup en vervolgens als voorbereiding op een
VFF-lening. Zo ontstaat een logisch stapelingspad waarin beide regelingen samen een
sluitende financieringsketen vormen – van vroege validatie naar marktintroductie.
Hoewel de beschikbaarheid van kwantitatieve data over deze doorstroming nog beperkt
is, tonen eerste casussen dat beide regelingen elkaar in de praktijk versterken en
sommige startups deze stapeling nodig hebben om hun potentieel te kunnen benutten.
Om dit beter inzichtelijk te maken is betere monitoring van gecombineerd gebruik vanuit
NWO en RVO, en meer afstemming tussen deze uitvoerders een belangrijke volgende stap
die ik wil zetten.
SEED Capital
De SEED Capital-regeling is een instrument waarbij de overheid al 20 jaar de markt
aan het werk zet en versterkt. De regeling omvat een renteloze lening aan durfkapitaalfondsen,
en is één van de belangrijkste instrumenten binnen het durfkapitaalbeleid. Een interne
RVO-rapportage ter gelegenheid van het 20-jarig bestaan van de regeling benadrukt
dit en gaat in op de impact ervan in de praktijk.30 De belangrijkste aanbeveling in de evaluatie was het voortzetten van de regeling
in huidige vorm, en aandacht te besteden aan de SEED Business Angel regeling (SBA).
Zoals ook aanbevolen in de positieve evaluatie is de regeling tot 2030 verlengd, en
per 2025 zijn de kaders verruimd om de regeling beter te laten aansluiten bij de huidige
marktcondities en kapitaalbehoeften van (deeptech)startups. In 2025 heb ik naast de
reguliere SEED een speciale deeptech tender uitgeschreven, en zal ik samen met de
Minister van Defensie datzelfde in 2026 hetzelfde doen voor dual-use technologie om
durfkapitaalfondsen te stimuleren om in defensie-gerelateerde technologie of technologie
met deze potentie, te investeren.
Om de administratieve lasten binnen de regeling te verlichten heb ik per eind 2025
het pandrecht in de SBA-module geschrapt. Verder heb ik de toezegging gedaan om de
SBA-regeling beter te laten aansluiten bij de doelgroep en de bekendheid te verbeteren.
Omdat ik momenteel tevens een fiscale durfkapitaalregeling verken (zie onderdeel van
deze Kamerbrief) samen met het Ministerie van Financiën, en deze regeling dezelfde
doelgroep bedient, wil ik dit onderzoek eerst afronden voordat ik me buig over de
SBA-regeling en haar voorwaarden. Om de regeling in de tussentijd al beter onder de
aandacht te brengen organiseert RVO sinds 2024 meermaals per jaar informatiesessies
voor potentiële aanvragers en geïnteresseerden, en onderhoudt zij actief contact met
de durfkapitaalsector. De informatiesessies worden aangekondigd op de SBA-pagina van
de RVO-website.31 Mede door deze activiteiten zag RVO in 2024 en 2025 een toename in het aantal aanvragen
van de SBA-regeling wat heeft geleid tot de meeste nieuwe fondsen sinds 2020. Deze
ontwikkeling heeft zich voortgezet in 2026 en naar verwachting zal het volledige beschikbare
SBA-budget in de eerste helft van het jaar kunnen worden toegekend aan nieuwe SBA-fondsen.
BIJLAGE 3 REACTIE MOTIE POSTMA OVER HET LANGJARIG VERLENGEN VAN FINANCIERINGSREGELINGEN
Naar aanleiding van het commissiedebat «Staat van de Nederlandse Economie» van 2 juli
2025 is op 9 september door uw Kamer de motie Postma aangenomen die de regering ten
behoeve investeringszekerheid voor bedrijven oproept om te werken aan meerjarige stabiliteit
in economische investeringsregelingen, waarbij een minimale zekerheidstermijn van
tien jaar wordt gegarandeerd.32 In het genoemde commissiedebat heeft mijn voorganger reeds vermeld hoeveel waarde
hij en het bedrijfsleven hechten aan stabiel en voorspelbaar beleid. Ik sluit mij
daar volledig bij aan. Bedrijven investeren op basis van een langetermijnhorizon en
zullen dus minder snel tot investeringen over gaan als ze risico’s zien dat het beleid
binnen die tijdshorizon (ingrijpend) verandert. Als voorbeeld van hoe ik hier al invulling
aan geef heb ik een aantal voorbeelden genoemd van succesvolle durfkapitaalregelingen
die op dat moment net met vijf jaar waren verlengd. Hoewel de motie het oog op een
veel breder spectrum aan regelingen lijkt te hebben – ook niet EZK-regelingen – vind
ik het daarom logisch om deze motie met deze brief af te doen.
Het al decennia staande beleid is dat regelingen steeds verlengd worden als aan twee
voorwaarden wordt voldaan: 1. De regelingen zijn (overwegend) doeltreffend en 2. Het
knelpunt waartoe de regeling in het leven is geroepen, bestaat nog steeds. Om versnippering
tegen te gaan kunnen regelingen soms worden samengevoegd als dat effectief of efficiënter
is, maar ook dan wordt het wezen van de regeling in feite voortgezet. Oftewel het
regeringsbeleid biedt die langjarige zekerheid al.
Maar behalve stabiel beleid is er nog een ander belang dat het kabinet heeft te dienen,
namelijk zorgen dat belastinggeld doeltreffend en doelmatig wordt besteed. Om dat
te borgen is het goed om via evaluaties periodiek stil te staan bij doeltreffendheid
en doelmatigheid van regelingen. In de Algemene Wet Bestuursrecht is daarom als hoofdregel
vastgelegd dat ten minste eens in de vijf jaar een evaluatie over de doeltreffendheid
en effecten van de regeling moet worden gepubliceerd.33 Gezien deze verplichting en het beleid om doeltreffende regelingen te verlengen voegt
het qua zekerheid bieden aan het bedrijfsleven denk ik weinig toe om regelingen voortaan
10 jaar in plaats van 5 jaar te verlengen. Bovendien kan de regering de bevoegdheid
van uw Kamer als wetgevende macht niet inperken als die van mening is dat een regeling
tussentijds wel moet worden beëindigd of (ingrijpend) moet worden aangepast. Het met
een langere termijn verlengen van regelingen biedt dus ook geen garantie voor bedrijven
dat een regeling ook op de lange termijn (ongewijzigd) zal blijven bestaan. Het stemt
mij echter positief dat de Kamer met het aannemen van de motie Postma ook het belang
van stabiele investeringsregelingen benadrukt.
BIJLAGE 4 ONDERZOEKEN: REACTIE OP ONDERZOEKEN DIALOGIC EN GOLDEN EGG CHECK
Deze bijlage is als volgt opgebouwd. Allereerst wordt er ingegaan (1.1.) en Golden
Egg Check (specifiek startups) (1.2). Vervolgens worden aan de hand van verschillende
ontwerpcriteria denkbare varianten van fiscale stimuleringsregelingen uiteengezet.
Reactie «Onderzoek stimulering risicodragend kapitaal voor het mkb en startups»
Vorig jaar deelde mijn voorganger het onderzoek van Dialogic «Stimulering risicodragend
kapitaal voor het mkb en startups»» met uw Kamer.34 In dit rapport wordt de vraag naar achtergestelde leningen en aandelenkapitaal onderzocht.
Vervolgens onderzoekt het rapport de mogelijke oplossingen om het aanbod hiervan te
vergroten middels een fiscale regeling en een fonds specifiek voor achtergestelde
leningen. In deze reactie zullen de aanbevelingen uitgelicht worden. Verder heeft
Dialogic verschillende fiscale opties in beeld gebracht en de bijbehorende afwegingen
en kosten beschreven.
Aanbeveling 1: Bezie of knelpunten in de financiering voor het mkb en startups met
een eventuele aanpassing of uitbreiding van bestaande instrumenten verholpen kunnen
worden.
Ten aanzien van de mogelijk aanvullende beleidsopties die zijn onderzocht door Dialogic,35 wordt opgemerkt dat de mate waarin het extra investeringen stimuleert onzeker is.
Er bestaat een risico van zowel verdringing van andere investeringen door dergelijke
regelingen als op concurrentie tussen beleidsinstrumenten. Door aansluiting bij bestaande
instrumenten kan bijvoorbeeld schaalgrootte (bijvoorbeeld door het delen van de back office, platformen, capaciteit) gerealiseerd worden.
Aanbeveling 2: Het type financiering waar behoefte aan is, zou gestimuleerd moeten
worden.
In het geval van startups wordt aanbevolen dat de prikkel het beste gericht kan worden
op beginnende smart money-investeerders: financiers die ook advies en netwerken met zich meebrengen. De onderzoekers
benoemen dat een fiscale regeling gericht op investeringen in startups door individuen
complementair lijkt te zijn aan het bestaande instrumentarium. Dit komt met name doordat
de Seed Business Angel-regeling zich richt op fondsvorming via business angels die
samen investeren.
Voor wat betreft het mkb biedt een fonds voor achtergestelde leningen volgens het
Dialogic-onderzoek meer zekerheid dat risicodragend kapitaal terechtkomt bij kwalitatief
goede ondernemingen. Met een fonds kunnen echter minder ondernemingen worden bereikt
dan bij een fiscale regeling, omdat een fiscale regeling aansluit bij bestaande informele
financieringsrelaties van de ondernemer. Daarnaast is een fonds bewerkelijker en zou
alleen mogelijk zijn met substantiële subsidiebedragen (gezien het beperkte rendement
door de kleine bedragen en het hoge risico van achtergestelde leningen).
Aanbeveling 3: bij de introductie van een fiscale regeling dient verder rekening gehouden
te worden met uitvoeringsaspecten bij de Belastingdienst.
Onderdeel hiervan zijn de complexiteit en termijn waarop een dergelijke regeling geïmplementeerd
kan worden. In het kader van box 3 wordt nu gewerkt aan de overstap naar een nieuw
stelsel. In het ICT-portfolio van de Belastingdienst van de keten Inkomensheffingen
komt pas vanaf 2029 weer beperkte ruimte vrij voor nieuw beleid, en bij eventuele
structuuraanpassingen van het voorgestelde nieuwe box 3 (zoals het toevoegen van een
mogelijkheid tot carry-back) pas vanaf 2030. In algemene zin stelt Dialogic dat adequate
kaders en controle daarop van belang zijn om risico op misbruik en oneigenlijk gebruik
te voorkomen.
Aanbeveling 4: sluit waar mogelijk zoveel mogelijk aan bij internationale good practices
bij het ontwerpen van een eventuele fiscale regeling.
Dit kan bijvoorbeeld door in te zetten op initieel belastingvoordeel of belastingvoordeel
op kapitaalwinst, rekening houdend met leeftijd en grootte van bedrijven, een minimale
investeringsduur/looptijd financiering en een limiet voor de investeringsgrootte/ticket
size.
Het kabinet zal de overwegingen, conclusies en aanbevelingen uit het Dialogic onderzoek
meenemen in het onderzoek van de win-win-lening en de besluitvorming hierover.
Onderzoek knelpunten in de vroege fase en gedragsinzichten business angels
Om de door startups ervaren financieringsknelpunten in de vroege fase en het investeringsgedrag
van business angels nog beter te begrijpen, is Golden Egg Check36 gevraagd dit nader te onderzoeken. Doordat explicieter wordt gekeken naar de uitdagingen
die spelen bij business angel investeringen is dit uitgevoerde onderzoek complementair
aan het onderzoek van Dialogic. Hierbij is door Golden Egg Check voor het onderzoek
samengewerkt met het Behavioural Insights Team van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Er is gebruik gemaakt van enquêtes
onder business angels en startups die zijn uitgezet via verschillende startup- en
angelnetwerken. Hoewel gebruikelijk bij een onderzoek, betreft dit een kleinere groep
van ondervraagden, die mogelijk niet volledig representatief zijn voor de gehele populatie
van startups.
Volgens het rapport wordt de Nederlandse markt voor financiering van de vroege fase
gekenmerkt door een combinatie van relatief lage risicobereidheid, beperkte schaal,
en netwerkafhankelijkheid. Dit resulteert in relatief trage, weinig en kleine financieringsronden.
Nederlandse business angels geven aan hun investeringsvolume in startups momenteel
te begrenzen vanwege het hoge risicoprofiel, de lange illiquiditeit en onzekerheid
over rendement. De belangrijkste maatregelen om meer te investeren in Nederlandse
startups zijn volgens de business angels: een beter fiscaal klimaat en een betere
exit omgeving. Tevens zijn een gebrek aan dealflow en de kwaliteit van startup teams
twee andere barrières voor meer investeringen.
Aanvullend is op basis van een gedragsexperiment onderzocht wat het effect is van
een fiscale regeling op het investeringsgedrag van business angels.37 De groep business angels met de fiscale regeling alloceerde in het fictieve investeringsscenario
significant meer kapitaal richting Nederlandse startups dan de groep zonder fiscale
regeling. Hoewel dit is getoetst onder een selectieve steekproef38 business angels met een fictief investeringsscenario, geven de resultaten de indicatie
dat een fiscale regeling voor business angels potentieel additioneel kapitaal voor
Nederlandse startups kan mobiliseren. De exacte omvang hiervan is – net als geconcludeerd
door Dialogic – vooraf lastig in te schatten.
BIJLAGE 5 AANPASSINGEN AAN DE BMKB
Het kabinet heeft in het Coalitieakkoord «Aan de slag» aangegeven onverminderd in
te zetten op kredieten voor het mkb zoals via de BMKB. De BMKB is een garantieregeling
voor financiering aan het mkb, waarbij de Staat – bij bedragen tot € 1,5 mln. – in
geval van een zekerhedentekort een garantie afgeeft aan de financier over ten minste
50% van de financiering aan de mkb’er.39
In een eerdere Kamerbrief40 heeft mijn voorganger uw Kamer geïnformeerd over mijn voornemen om de Borgstelling
MKB-kredieten (BMKB) te moderniseren en vereenvoudigen, in nauwe samenwerking met
bancaire en non-bancaire financiers en Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).
Daarin is beloofd uw Kamer voor de zomer van 2026 te informeren over de voortgang.
Inmiddels is aanzienlijke voortgang geboekt bij de uitwerking van deze plannen.
Zoals in eerder genoemde brief aangekondigd, wordt de regeling vereenvoudigd door
het verminderen van administratieve lasten, waaronder een reductie van de rapportageverplichtingen
en een efficiëntere omgang met zekerheden. Daarnaast streef ik ernaar de BMKB verder
te stroomlijnen door het aantal varianten (luiken) te reduceren of samen te voegen.
Bij de toepassing van de regeling wordt zoveel mogelijk maatwerk geboden, bijvoorbeeld
voor de maximale looptijd of de minimale eigen inbreng van de ondernemer, zodat de
regeling aansluit bij het bestaande kredietbeleid van de financier.
Naast de vereenvoudiging van de Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) wordt de regeling
tevens gemoderniseerd, zodat deze beter aansluit bij de huidige, vaak (volledig) digitale
kredietverleningsprocessen. Waar traditioneel bij kredietverlening voornamelijk werd
gekeken naar de jaarrekening van een onderneming, maken financiers in toenemende mate
gebruik van actuele betaalgegevens, zoals transacties en kasstromen. Deze gegevens
bieden vaak een actueler en nauwkeuriger inzicht in de terugbetaalcapaciteit van ondernemers.
RVO werkt eraan om deze moderne aanpak ook binnen de BMKB mogelijk te maken. Hiermee
wordt beoogd de gebruiksvriendelijkheid van de regeling voor financiers te vergroten,
wat op zijn beurt de toegankelijkheid van financiering voor ondernemers ten goede
komt.
Naast de bovengenoemde wijzigingen zijn er ook aanpassingen die invloed hebben op
het risicoprofiel van de regeling. Dergelijke aanpassingen hebben mogelijk budgettaire
consequenties. Dit vereist een zorgvuldige en integrale afweging. Hiertoe wacht ik
de resultaten van de lopende evaluatie van de regeling af. Deze worden na de zomer
verwacht. Daarna zal ik uw Kamer informeren over de uitkomsten en de opvolging van
de evaluatie. De implementatie van de wijzigingen aan de BMKB volgen in het eerste
kwartaal van 2027.
Crowdfunders
Ook non-bancaire financiers maken reeds geruime tijd gebruik van de Borgstelling MKB-kredieten
(BMKB). Tot op heden was het voor crowdfundingplatformen echter niet mogelijk om van
deze regeling gebruik te maken, vanwege de andere werkwijze ten opzichte van traditionele
financiers.41 De afgelopen jaren heeft crowdfunding echter een significante groei doorgemaakt en
is de markt sterk geprofessionaliseerd, onder meer door de invoering van de Europese
vergunning voor crowdfundingplatformen.
Gezien deze ontwikkelingen acht ik het nu het juiste moment om per 1 juli 2026 ook
geaccrediteerde crowdfundingplatforms toe te laten tot de BMKB. Deze stap sluit aan
bij mijn doelstelling om de non-bancaire financieringsmarkt verder te ondersteunen
en te professionaliseren, en draagt bij aan een diverser en toegankelijker financieringslandschap
voor het mkb.
BMKB-Energie
Het BMKB-Energie-luik kent gunstigere voorwaarden dan de reguliere BMKB. Zo bedraagt
het garantiepercentage 75% ten opzichte van 50% in de reguliere regeling. Deze uitbreiding
is bedoeld om eraan bij te dragen dat levensvatbare bedrijven ondanks de crisis in
het Midden-Oosten over voldoende financiering kunnen beschikken.
Indieners
H.G. Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat