Brief regering : Appreciatie van de de gewijzigde motie-Boomsma over er zorg voor dragen dat het Nederlands de leer- en instructietaal blijft in het reguliere funderend onderwijs (T.v.v. die gedrukt onder Kamerstuk 36800-VIII-167)
31 293 Primair Onderwijs
31 289
Voortgezet Onderwijs
Nr. 877
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 23 juni 2026
Volgend op het tweeminutendebat onderwijskansen heeft op 22 juni jl. het lid Boomsma
(JA21) een gewijzigde motie ingediend over talige diversiteit waarin de regering wordt
verzocht er zorg voor te dragen dat het Nederlands de leer- en instructietaal blijft
in het reguliere funderend onderwijs en voor het vak Nederlands, en voorlopig geen
nieuwe stappen te zetten richting het stimuleren van talige diversiteit op school
(Kamerstuk 36 800 VIII, nr. 174). Via deze Kamerbrief geef ik mijn appreciatie op deze motie.
Ik ontraad deze motie. Het staat voorop dat alle leerlingen, ongeacht de taal die
zij thuis spreken, goed onderwijs in de Nederlandse taal moeten krijgen, zodat zij
leren lezen, schrijven en rekenen in het Nederlands. Dit legt de basis voor de kennis,
vaardigheden en persoonlijke en sociale groei die nodig zijn voor school- en studiesucces
en om deel te kunnen nemen aan de samenleving. Talige diversiteit kan hieraan bijdragen
omdat het zorgt voor een verhoogd taalbewustzijn.1 Onderzoek laat daarnaast zien dat het gebruik van andere talen op relevante momenten
in de lessen geen nadelige invloed heeft op het leren van het Nederlands.2 Het heeft zelfs bijkomende voordelen: thuistalen van leerlingen een plek geven op
school kan positieve gevolgen hebben voor het welbevinden van leerlingen en hun betrokkenheid,
en, afhankelijk van het schoolbeleid, ook voor prestaties.3 Doelgroepen als het jonge kind en leerlingen met een anderstalige achtergrond kunnen
daarnaast veel baat hebben bij een meertalige aanpak, omdat zij op deze manier de
Nederlandse taal sneller leren.4 Ik wil dan ook voorkomen dat docenten en scholen bij wie talige diversiteit positieve
resultaten oplevert, daarbij worden gehinderd.
Ik vind het belangrijk dat scholen ruimte krijgen om meertaligheid een plek te geven
in het onderwijs. Zo mogen basisscholen vanaf 2026–2027 maximaal 50 procent van de
lestijd in het Engels, Duits of Frans geven. Dit is een verruiming ten opzichte van
de oude limiet van 15% die is opgenomen in het instellingsbesluit WPO. Dit wordt gedaan,
omdat dit geen negatief effect heeft op de beheersing van het Nederlands en wel een
positief effect op de beheersing van het Engels, Duits of Frans.5
Aandacht voor talige diversiteit is bovendien onderdeel van de geactualiseerde conceptkerndoelen
en -examenprogramma’s.6 Dat betekent dat elke school hiermee aan de slag moet gaan. Het gaat hier o.a. om
dat scholen ruimte bieden aan verschillende talen en taalvariëteiten van leerlingen,
het verkennen van taalvariatie en -verandering in het Nederlandse taalgebied, en het
verkennen van veranderingen in taalgebruik onder invloed van tijd, media en maatschappelijke
ontwikkelingen. In de concept-examenprogramma's Nederlands is opgenomen dat leerlingen
«reflecteren op het eigen meertalig repertoire en op oordelen over meertaligheid in
het Nederlandse taalgebied». Ik wil scholen de noodzakelijke ondersteuning kunnen
bieden om het nieuwe curriculum te implementeren.
Het is aan scholen en instellingen om een weloverwogen aanpak te kiezen in de omgang
met talige diversiteit die past bij hun populatie en onderwijsvisie. Het uitgangspunt
van het kabinet hierbij is dat deze aanpak evidence-informed is. Daarbij is er niet
één juiste methode voor alle scholen, maar gaat het juist om schooleigen keuzes in
didactiek en aanpak. Scholen worden hierbij ondersteund vanuit het Masterplan basisvaardigheden
en het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs.
Tot slot werpt de motie voor de Caribische delen van het Koninkrijk nog een extra
moeilijkheid op. De eilanden kennen een hoge talige diversiteit: de instructietalen
verschillen per eiland en talige diversiteit is onmisbaar om de taalbeheersing van
onze leerlingen op Bonaire, Saba en Sint-Eustatius te versterken. Om die reden maken
leerlingen op Bonaire een doorstroomtoets die rekening houdt met de meertalige context
van het eiland. Ook de kerndoelen voor de talen Nederlands, Engels en Papiaments worden
hierop aangepast.
Het kabinet heeft de afgelopen jaren ruimte geboden voor talige diversiteit vanwege
de kansen die het kan bieden voor de versterking van de taalbeheersing van leerlingen.
De oproep van deze motie om dat te stoppen is daarmee in tegenstrijd.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
J.Z.C.M. Tielen
Indieners
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap