Brief regering : Handelingskader slachtoffers grote datalekken
32 761 Verwerking en bescherming persoonsgegevens
33 552
Slachtofferbeleid
Nr. 343
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 23 juni 2026
Uw Kamer heeft in de motie-Rajkowski c.s. de regering verzocht om te komen tot een
duidelijk handelingskader voor slachtoffers van datalekken.1 Daarnaast heeft uw Kamer in de motie-Kathmann/Dassen de regering verzocht om een
wettelijke nazorgplicht te onderzoeken voor incidenten waarin op grote schaal persoonsgegevens
worden gelekt, met als doel om de rechten van individuele slachtoffers en de plichten
voor de getroffen instantie(s) in de wet vast te leggen, en dit onderzoek te betrekken
bij de uitvoering van de eerdergenoemde motie-Rajkowski c.s.2 Met deze brief informeer ik u, mede namens de Staatssecretaris van Digitale Economie
en Soevereiniteit, over de uitvoering van deze moties.
Inleiding
Bescherming van persoonsgegevens vereist een adequaat beveiligingsniveau. Daarmee
kunnen inbreuken in verband met persoonsgegevens (kortweg: datalekken) worden voorkomen,
en ook de gevolgen daarvan.3 Wat die gevolgen zijn, verschilt van geval tot geval. Voor iedereen geldt dat de
vertrouwelijkheid van aan een organisatie toevertrouwde persoonsgegevens is geschonden.
Sommige mensen merken na een datalek geen, of niet meteen, gevolgen. Voor anderen
zijn de gevolgen wel merkbaar, en soms heel ernstig. Hoewel elk datalek er één te
veel is, brengen niet alle meldingen de hoogste risico’s voor de door het datalek
getroffen personen met zich mee. Zo valt het per ongeluk verwijderen van klantgegevens
ook onder het begrip datalek. Tegelijkertijd kan één datalek ook betrekking hebben
op een groot aantal mensen. Bij meer dan 5.000 door een datalek getroffen personen
dat waarschijnlijk een hoog risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van personen
wordt gesproken van een groot datalek. Deze brief heeft op die categorie betrekking.
Het uitgangspunt van dit kabinet is dat datalekken waar mogelijk voorkomen dienen
te worden. In deze brief zal ik daarom in de eerste plaats ingaan op de noodzaak van
een adequaat beveiligingsniveau.
Helaas zijn er in de praktijk geregeld datalekken, en dus ook mensen die door een
datalek worden getroffen. Zij zijn van het datalek slachtoffer. Daarbij neemt het
aantal datadiefstallen toe.4 Bij elk datalek, ook bij grote datalekken, is het van belang dat de gevolgen voor
hen zo beperkt mogelijk zijn. Organisaties hebben op grond van de Algemene verordening
gegevensbescherming (AVG) verplichtingen, die in dat kader een preventieve werking
hebben. Ook in reactie op een groot datalek zijn organisaties tot acties verplicht.
De organisatie dient slachtoffers in duidelijke en eenvoudige taal over een groot
datalek te informeren. Deze informatievoorziening aan slachtoffers is een belangrijk
onderdeel van de opvolging die organisaties moeten geven aan een groot datalek. Hieraan
besteed ik in deze brief in de tweede plaats aandacht.
Na een groot datalek kunnen slachtoffers vragen of zorgen hebben. Die vragen en zorgen
zijn begrijpelijk en terecht. Duidelijke informatie voor slachtoffers is van wezenlijk
belang om de risico’s te beheersen. Om uitvoering te geven aan de motie-Rajkowski
c.s. en de motie-Kathmann/Dassen, en om een beter beeld over de behoeften van slachtoffers
te krijgen, is onderzoek uitgezet via de online research community «Nederland denkt
mee». Daarnaast is een brede kennistafel met experts georganiseerd. Aan deze kennistafel
namen verschillende instanties deel, waaronder toezichthouders. Op basis van het onderzoek
en de informatie die is gewisseld tijdens de kennistafel constateer ik dat er aanleiding
bestaat om in de eerste plaats organisaties ertoe aan te zetten slachtoffers beter
te informeren over hoe zij risico’s kunnen beheersen, en in de tweede plaats om als
overheid duidelijke informatie hieromtrent ter beschikking te stellen. Deze twee acties
vat ik samen onder de term «duidelijk handelingskader slachtoffers grote datalekken».
Hierbij zal in deze brief daarom in de derde plaats worden stilgestaan.
Noodzaak van een adequaat beveiligingsniveau
Persoonsgegevens die aan een organisatie zijn toevertrouwd, dienen adequaat te worden
beveiligd. Zo blijven persoonsgegevens beschermd, tegen interne fouten, zoals ongeautoriseerde
wijziging van gegevens, maar ook tegen externe acties, zoals datadiefstallen. De impact
op degenen van wie persoonsgegevens zijn buitgemaakt kan heel groot zijn. Bij online
oplichting bijvoorbeeld, raken zij niet alleen hun geld kwijt, maar soms ook het vertrouwen
om digitaal hun zaken te regelen. Daarnaast bestaat er bij veel slachtoffers van online
oplichting een schuld- en schaamtegevoel. De aangiftecijfers liggen laag. Uit de recente
Veiligheidsmonitor van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat 17%
van de Nederlandse bevolking van 15 jaar en ouder in 2025 slachtoffer is geworden
van een of meer online delicten of incidenten.5 Dit betreft vormen van digitale criminaliteit, variërend van phishing en hacken tot
online oplichting en fraude. Ten opzichte van 2023 is ook het slachtofferschap van
online criminaliteit licht gestegen, wat duidt op een toename en gestegen impact ervan
op de samenleving. Deze cijfers ondersteunen de noodzaak van een adequaat beveiligingsniveau,
om slachtoffers te voorkomen.
Dat is niet vanzelfsprekend een gemakkelijke opgave. Zoals het Cybersecuritybeeld
Nederland 2025 laat zien wordt het digitale dreigingslandschap steeds meer divers
en onvoorspelbaarder.6 Criminele, statelijke én staatsgesteunde actoren begeven zich op het digitale strijdtoneel,
ontwikkelen cybercapaciteiten en zetten deze in. Verder kunnen kwaadwillenden generatieve
AI inzetten, waardoor zij aanvallen eenvoudiger en op grotere schaal kunnen uitvoeren.
Al deze ontwikkelingen vinden gelijktijdig en in samenhang met elkaar plaats, waardoor
het dreigingslandschap in toenemende mate complex wordt.7 Voor allerlei typen actoren kunnen persoonsgegevens interessant zijn. De gegevens
kunnen worden gestolen en doorverkocht, of ze kunnen worden gebruikt (als opstap)
voor een toekomstige aanval.
De AVG vereist dat organisaties passende technische en organisatorische maatregelen
nemen, om persoonsgegevens te beveiligen. Organisaties kunnen voor het identificeren
van de risico’s ook gebruik maken van bijvoorbeeld de informatie van het Nationaal
Cyber Security Centrum (NCSC). Met de Nederlandse Cybersecurity Strategie 2022–2028
zet het kabinet in op het verkleinen van de scheefgroei tussen de digitale dreiging
en de weerbaarheid. Een belangrijk onderdeel daarvan is de implementatie van de Cyberbeveiligingswet
(Cbw). Vanaf het moment van inwerkingtreding van de Cbw, waarin de Europese NIS2-richtlijn
wordt geïmplementeerd, gelden op grond van die wet verplichtingen voor de in die wet
genoemde organisaties met betrekking tot de beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen.
Onderdeel van deze wet zal een zorgplicht zijn die inhoudt dat organisaties die onder
de wet vallen verplicht zijn tot het nemen van passende en evenredige, technische,
operationele en organisatorische maatregelen, om de risico’s met betrekking tot de
beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen te beheersen. Ook moeten zij die
maatregelen nemen om incidenten, waarbij bijvoorbeeld de beschikbaarheid of vertrouwelijkheid
van systemen of van de daarin verwerkte gegevens in gevaar komt, te voorkomen en om
de gevolgen daarvan te beperken. Ook geldt voor hen de verplichting om significante
incidenten, indien die zich toch voordoen, te melden bij hun bevoegde autoriteit en
hun Computer security incident response team (CSIRT), zodat op basis daarvan onder meer door het CSIRT bijstand kan worden verleend
bij het treffen van maatregelen om de continuïteit van hun dienstverlening te herstellen.
Bij dergelijke incidenten kan het ook gaan om incidenten waarbij persoonsgegevens
in het geding zijn, maar daarvan hoeft niet noodzakelijkerwijs sprake te zijn. De
Cbw regelt ook dat op de naleving van deze verplichtingen toezicht wordt gehouden.
Zoals eerder al benoemd is een adequaat beveiligingsniveau ook op grond van de AVG
vereist om bescherming van persoonsgegevens te waarborgen en datalekken te voorkomen.
De bevoegd toezichthouder, de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), constateert dat het
beveiligingsniveau van bedrijven en organisaties over het algemeen zowel technisch
als organisatorisch te laag ligt.8 De AP acht het onder meer van groot belang dat organisaties goed inzicht krijgen
in risico’s en te nemen maatregelen, en kritisch nadenken over het verwerken en bewaren
van gegevens. In dat kader werd recent aangekondigd dat de AP preventief ICT-leveranciers
gaat controleren op hun digitale beveiliging. Daarnaast houdt de Rijksinspectie Digitale
Infrastructuur (RDI) ook toezicht op de digitale weerbaarheid van de sector digitale
infrastructuur. Dit draagt bij aan de veiligheid van de producten en diensten die
organisaties van deze ICT-leveranciers afnemen.
Noodzaak van beperking van de gevolgen en informatievoorziening
Mensen hebben veel belang bij het voorkomen van datalekken. Op die manier blijven
hun in vertrouwen overhandigde persoonsgegevens beschermd. Daarnaast dienen er zo
min mogelijk gegevens buit te kunnen worden gemaakt om de gevolgen van een datalek
zo beperkt mogelijk te houden. In de inleiding werd al beschreven dat organisaties
op grond van de AVG verplichtingen hebben, die daaraan bijdragen. Zoals het bij verwerking
van persoonsgegevens naleven van de beginselen van artikel 5 AVG, waaronder dataminimalisatie
en bewaartermijnen. Dit houdt in dat organisaties zo min mogelijk gegevens van betrokkenen
verwerken, en deze gegevens niet langer bewaren dan noodzakelijk. Voor een digitaal
toegangskaartje voor een eenmalig event is bijvoorbeeld niet nodig om het huisadres
van de koper op te slaan, en ook niet om de personalia van de koper nog jaren te bewaren.
Dataminimalisatie en de naleving van bewaartermijnen dragen eraan bij om de gevolgen
van grote datalekken voor slachtoffers zo beperkt mogelijk te houden. De AVG bevat
ook verplichtingen voor organisaties over het informeren van de Autoriteit Persoonsgegevens
en over het informeren van de slachtoffers bij een groot datalek. Op grond van artikel
33 van de AVG meldt een organisatie een datalek, dat waarschijnlijk een risico inhoudt
voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen, zonder onredelijke vertraging
bij de AP. Op grond van artikel 34 van de AVG dient de organisatie onverwijld de slachtoffers
te informeren dat er een datalek heeft plaatsgevonden, indien dit datalek waarschijnlijk
een hoog risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van personen. Daarbij moet in
duidelijke en eenvoudige taal het datalek worden omschreven, de waarschijnlijke gevolgen,
en de maatregelen die door de organisatie worden genomen om het datalek aan te pakken
en de nadelige gevolgen ervan te beperken. De verplichte melding bij de AP en de verplichting
om slachtoffers te informeren, opdat zij de risico’s die uit het datalek volgen kunnen
beheersen, is een belangrijk onderdeel van de opvolging die organisaties moeten geven
aan een groot datalek. Hieruit volgt dat plichten voor organisaties op het gebied
van een datalek, en daarmee samenhangende rechten van degenen wiens persoonsgegevens
bij het datalek betrokken zijn, al in de AVG zijn opgenomen. Organisaties dienen deze
wettelijke verplichtingen na te leven. De AP houdt hierop toezicht. Daarmee ziet het
kabinet geen noodzaak voor een additionele wettelijke nazorgplicht.
Handelingskader slachtoffers van grote datalekken
Om uitvoering te geven aan de motie-Rajkowski c.s. en de motie-Kathmann/Dassen zijn
een aantal acties ondernomen. In de eerste plaats is onderzoek uitgezet via de online
research community «Nederland denkt mee». In de tweede plaats is een brede kennistafel
met experts van verschillende instanties georganiseerd.
Onderzoek via online research community «Nederland denkt mee»
Om een beter beeld te krijgen van ervaringen, behoeften, vragen, zorgen en verwachtingen
van (potentiële) slachtoffers van een groot datalek, is kwalitatief onderzoek uitgevoerd
in de online research community «Nederland denkt mee».9 Het onderzoek onderschrijft dat veel mensen ervaring hebben met grote datalekken.
Vooral naam- en contactgegevens zijn daarbij gelekt, voor zover bij hen bekend. Een
groot datalek heeft behoorlijke impact op slachtoffers, zo geven zij aan. Door het
grote datalek voelen zij zich onzeker, onveilig, en ervaren zij verlies van controle.
Deze impact wordt versterkt doordat slachtoffers in de periode na het grote datalek
regelmatig worden lastiggevallen met spam, phishingmails, en verdachte telefoontjes.
Slachtoffers hebben behoefte aan duidelijkheid, zekerheid en concrete handelingsperspectieven.
Zij verwachten dat de organisatie waar het grote datalek heeft plaatsgevonden, de
verantwoordelijkheid neemt en hen direct en op de persoon toegesneden wijze informeert
en ondersteunt bij het nemen van actie. Ook verwachten zij dat, indien relevant, zij
op de hoogte worden gehouden van ontwikkelingen. Het onderzoek stelt dat organisaties
momenteel tekortschieten in het verstrekken van duidelijke informatie. Dat maakt ook
dat slachtoffers zelf op zoek gaan naar aanvullende informatie. Daarbij raadplegen
zij onder meer informatie van overheidsinstanties, maar ook bronnen op social media.
Kort samengevat willen slachtoffers na een groot datalek begrijpen wat er is gebeurd,
welke gegevens zijn gelekt, wat de mogelijke gevolgen zijn, en wat zij zelf kunnen
doen aan maatregelen om risico’s te beperken. Waar nodig verwachten zij geïnformeerd
te blijven worden.
Brede kennistafel met experts van verschillende organisaties
Door ambtenaren van onze ministeries is een kennistafel georganiseerd om maatregelen
te bespreken die voor slachtoffers van grote datalekken zijn en kunnen worden genomen.
Aan deze kennistafel namen experts van verschillende instanties deel, zoals de AP,
de RDI, het ECP – Platform voor de Informatiesamenleving, de Consumentenbond, de politie,
de Fraudehelpdesk, het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid, de Rijksdienst
voor Identiteitsgegevens, het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude, en een onderzoeker.
Veel van de aanwezigen meldden dat hun instantie na recente grote datalekken veel
(extra) telefoontjes heeft ontvangen van slachtoffers. Voor slachtoffers wordt op
de websites van deze instanties informatie en advies geboden. Denk aan het stappenplan
dat de AP biedt,10 maar bijvoorbeeld ook aan «Check je hack» van de politie.11 Op basis van het besprokene maak ik op dat ook de experts van mening zijn dat het
van groot belang is dat organisaties de aan hen toevertrouwde persoonsgegevens adequaat
beschermen. Daarnaast achten experts het belangrijk dat deze organisaties na een eventueel
groot datalek voldoende en goede informatie aan slachtoffers verstrekken. Zij signaleren
daarbij dat goede informatievoorziening voorkomt dat slachtoffers zelf op zoek gaan
naar (aanvullend) advies, en daarmee mogelijk ook door desinformatie op social media
worden beïnvloed. Daarbij is het ook relevant dat organisaties meer transparantie
bieden over de persoonsgegevens die zij verwerken, bijvoorbeeld met een duidelijke
pagina op de website. Tot slot moet duidelijke, betrouwbare informatie ook goed vindbaar
zijn.
Naar een duidelijk handelingskader voor slachtoffers van grote datalekken
Op basis van het onderzoek via de online research community en de kennistafel met
experts kom ik tot de volgende contouren voor een duidelijk handelingskader voor slachtoffers
van grote datalekken.
Een organisatie moet na een groot datalek de slachtoffers zo snel mogelijk voorzien
van duidelijke en betrouwbare informatie, waar mogelijk op de persoon toegesneden.
Zij hebben het recht te weten wat er is gebeurd, welke gegevens zijn gelekt, wat de
mogelijke gevolgen zijn, en wat zij zelf kunnen doen aan maatregelen om risico’s te
beperken. Die informatie dient zo spoedig mogelijk na het ontdekken van een groot
datalek aan slachtoffers te worden verstrekt, maar ook in de periode daarna, voor
zolang en zover dat relevant is. Indien aangewezen kan ook het informeren over compensatie
daarvan onderdeel uitmaken.
Het kabinet vindt het van belang dat door een groot datalek getroffen organisaties
deze informatie actief aan slachtoffers verstrekken. Hierbij wordt opgenomen welke
informatie slachtoffers in ieder geval moeten ontvangen, welke voorbeeldteksten daarvoor
kunnen worden gebruikt, en wat het handelingsperspectief is bij uiteenlopende risicoprofielen.
Dat betreft bijvoorbeeld categorieën slachtoffers voor wie het bekend worden van persoonsgegevens
bijzondere risico’s met zich meebrengt. Hierin kan ook aandacht worden besteed aan
meer informatie op maat voor kwetsbare groepen, bijvoorbeeld via seniorencafés of
contact via professionals en zorgverleners. Ook dient informatie te worden verstrekt
over de acties die door een groot datalek getroffen organisaties zelf hebben ondernomen,
en welke verbeteringsmaatregelen zij zullen doorvoeren. Van belang is daarnaast duidelijkheid
te bieden over welke maatregelen slachtoffers na een groot datalek kunnen nemen, en
welke stappen zij daartoe kunnen zetten. Dit bevat in ieder geval informatie over
welke beveiligingsmaatregelen iemand kan nemen. Denk aan het controleren of persoonsgegevens
gelekt zijn, het wijzigen van wachtwoorden, de meerwaarde van het vervangen van eventuele
identiteitsdocumenten, en het installeren van twee factor authenticatie. Tot slot
dient aandacht te bestaan voor de consequenties als risico’s niet tijdig beheerst
kunnen worden. Denk aan financieel herstel (zoals hulp bij bankfraude), identiteitsherstel,
en psychosociale ondersteuning. Verschillende slachtoffers hebben immers mogelijk
verschillende behoeftes.
Conclusie
Het streven is erop gericht dat dat het handelingskader op korte termijn wordt afgerond,
in overleg met relevante instanties, betrokken toezichthouders en vertegenwoordigers
van het bedrijfsleven. Deze informatie kan vervolgens door de AP, als onderdeel of
naar aanleiding van de meldingsprocedure voor datalekken, aan organisaties worden
aangeboden, en op de websites van de betrokken instanties ter beschikking worden gesteld.
Uw Kamer zal nog dit jaar nader worden geïnformeerd.
Met hetgeen hiervoor is geschetst wordt uitvoering gegeven aan de motie-Rajkowski
c.s. om te komen tot een handelingskader voor slachtoffers van datalekken. Daarnaast
is uitvoering gegeven aan de motie-Kathmann/Dassen. Ik constateer dat het recht van
slachtoffers om goed te worden geïnformeerd, en de plicht van organisaties om slachtoffers
na een datalek goed te informeren, reeds in de AVG zijn vastgelegd. De noodzaak van
een adequaat beveiligingsniveau volgt daarnaast uit zowel de AVG als, voor zover relevant,
de Cyberbeveiligingswet. Daarmee ziet het kabinet geen noodzaak voor een additionele
wettelijke nazorgplicht voor incidenten waarin op grote schaal persoonsgegevens worden
gelekt, zoals in de motie-Kathmann/Dassen is voorgesteld.
Dit neemt niet weg dat er verbeteringen mogelijk zijn. Met deze inzet beoogt het kabinet
de bescherming van slachtoffers bij grote datalekken verder te versterken, de informatievoorziening
te verbeteren en de naleving door organisaties te verbeteren. Wij houden uw Kamer
van de voortgang op de hoogte.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
K.T. van Bruggen
Indieners
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid