Brief regering : Appreciatie moties ingediend tijdens het tweeminutendebat Energieraad, over diepzeemijnbouw (Kamerstukken 21501-33-1216, 21501-33-122 en 21501-33-122)
21 501-33 Raad voor Vervoer, Telecommunicatie en Energie
32 849
Mijnbouw
Nr. 1231
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 23 juni 2026
Hierbij ontvangt u mijn appreciatie op een drietal moties die op 18 juni jl. zijn
ingediend tijdens het tweeminutendebat naar aanleiding van het commissiedebat Energieraad.
De motie van de leden Van Oosterhout en Teunissen over inzetten op een internationale
voorzorgspauze op diepzeemijnbouw (Kamerstuk 21 501-33, nr. 1216)
Deze eerste motie van de leden Van Oosterhout en Teunissen verzoekt de regering zich,
conform de resolutie van het Europees Parlement, in te zetten voor een internationale
voorzorgspauze op diepzeemijnbouw en daarmee stelling te nemen tegen pogingen om de
Internationale Zeebodemautoriteit te omzeilen.
Het kabinet vindt de ontwikkelingen omtrent het mogelijk toestaan van diepzeemijnbouwactiviteiten
in internationale wateren buiten het VN-Zeerechtverdrag om ook zorgelijk en volgt
deze nauwgezet. Alle activiteiten op de zeeën en de oceaan, met inbegrip van de zeebodem
en de ondergrond daarvan, dienen volgens Nederland plaats te vinden binnen het alomvattend
juridisch kader van het VN-Zeerechtverdrag. Dat houdt volgens Nederland ook in dat
de Internationale Zeebodemautoriteit exclusief bevoegd is om diepzeemijnbouwactiviteiten
te reguleren op en in de internationale zeebodem, en om daar toezicht op uit te oefenen.
Het kabinet zet zich hier ook actief voor in.
Verder past Nederland, gebaseerd op het kabinetsstandpunt,1 strikt het voorzorgsbeginsel toe, zoals ook aangegeven in de motie. Dit betekent
voor het kabinet dat diepzeemijnbouw alleen plaats zou mogen vinden indien aantoonbaar
strikt binnen de draagkracht van het mariene ecosysteem. Diepzeemijnbouw zou ook alleen
plaats mogen vinden met een sterke internationale regeling die strikte milieuvoorwaarden
bevat en voorziet in effectief toezicht op naleving daarvan. Eventuele exploitatie
kan pas van start gaan wanneer aan al deze inhoudelijke voorwaarden is voldaan.
Het kabinet is ermee bekend dat sommige landen pleiten voor een moratorium op diepzeemijnbouw
of een voorzorgspauze. Het kabinet constateert echter dat in discussies over diepzeemijnbouw,
waaronder in internationale onderhandelingen, deze termen verschillend worden uitgelegd
en anders worden begrepen. Voor zover landen een moratorium of voorzorgspauze voorstaan,
kan deze positie worden opgevat als een tijdelijke stop op diepzeemijnbouw, maar zou
na een verloop van een gestelde periode van tijd diepzeemijnbouw kunnen plaatsvinden.
Voor het kabinet staan de hierboven benoemde inhoudelijke voorwaarden voorop en kan
eventuele exploitatie pas van start gaan als aan al deze voorwaarden is voldaan.
Het kabinet heeft ook kennisgenomen van de oproep dat Nederland formeel dient aan
te sluiten bij de groep landen die de termen «moratorium» of «voorzorgspauze» bezigt
om hun standpunt te omschrijven. Nederland ontvangt, wegens het kabinetsstandpunt,
uitnodigingen voor (besloten) vergaderingen van deze groep en neemt daaraan ook deel.
Nederland handelt dan ook al in samenwerking met gelijkgezinde landen, waaronder de
landen die de labels «moratorium» of «voorzorgspauze» wel gebruiken.
Daarnaast kan het kabinet bevestigen dat er geen stemming over de internationale exploitatieregeling
op de agenda staat tijdens de vergaderingen van de Internationale Zeebodemautoriteit
van 13 juli t/m 31 juli a.s. Nederland heeft dit jaar geen zetel in de Raad van de
Internationale Zeebodemautoriteit, en kan dus niet stemmen op agendapunten. Verder
verwacht het kabinet dat de internationale regeling mogelijk ook in 2027 niet af is.
Ook als een internationale regeling wordt aangenomen, kan niet direct tot diepzeemijnbouw
worden overgegaan, omdat daarna nog lagere regelgeving tot stand moet komen. De regeling
moet bovendien de voorwaarden bevatten waaronder exploitatie wel of niet kan worden
toegestaan.
Ik vertrouw erop dat deze toelichting de aanwezige zorgen adresseert. Gezien het feit
dat de onderhandelingen over de internationale regeling nog zullen voortduren, apprecieer
ik deze motie als ontijdig en verzoek ik deze aan te houden totdat de Kamer is geïnformeerd
over de uitkomsten van de vergaderingen van de Internationale Zeebodemautoriteit in
juli 2026.
De motie van het lid Van den Berg over diepzeemijnbouw meenemen in de Nederlandse
inzet voor strategische autonomie en maritieme innovatie (Kamerstuk 21501–33, nr. 1220)
De motie van het lid Van den Berg verzoekt de regering om (i) zich binnen de ISA en
in Europees verband actief uit te spreken voor een regelgevend kader dat verantwoorde
diepzeemijnbouw mogelijk maakt; (ii) diepzeemijnbouw expliciet mee te nemen in de
Nederlandse inzet voor strategische autonomie en maritieme innovatie, en daarbij in
kaart te brengen welke belemmeringen Nederlandse bedrijven en instellingen ervaren;
en (iii) om een positieve grondhouding te hanteren ten aanzien van Nederlandse initiatieven
voor innovatieve en verantwoorde diepzeemijnbouw.
Deze motie apprecieer ik daarom ook als ontijdig en ik verzoek deze motie aan te houden
totdat de Kamer is geïnformeerd over de uitkomsten van de vergaderingen van de Internationale
Zeebodemautoriteit in juli 2026. Ten aanzien van het tweede en derde punt van deze
motie wordt opgemerkt dat diepzeemijnbouw is meegenomen in de Nationale Grondstoffenstrategie
en de Sectoragenda Maritieme Maakindustrie.2
De gewijzigde motie van de leden Teunissen en Van Oosterhout over het aanspreken van
Allseas op plannen die in strijd zijn met het VN-Zeerechtverdrag (Kamerstuk 21501–33, nr. 1225)
Deze gewijzigde motie van de leden Teunissen en Van Oosterhout verzoekt de regering
om Allseas publiekelijk aan te spreken en te benadrukken dat naleving van het internationaal
recht vereist is. De motie verzoekt tevens alle beschikbare juridische instrumenten,
waaronder een civielrechtelijke procedure, in kaart te brengen.
De Juridische en Technische Raad van de Internationale Zeebodemautoriteit (JTC) doet
onderzoek naar contractanten die mogelijk hun contractuele verplichtingen hebben geschonden
of het risico lopen hun contractuele verplichtingen te schenden.3 Dat onderzoek richt zich onder andere op de vraag of deze contractanten handelen
in overeenstemming met het multilaterale juridische raamwerk dat is opgetuigd door
het VN-Zeerechtverdrag en de daarbij horende Overeenkomst betreffende de uitvoering
van Deel XI van het VN-Zeerechtverdrag.4 De JTC moet dat onderzoek nog afronden en vervolgens daarover rapporteren. Een bespreking
van dat rapport staat geagendeerd voor 14 juli 2026 in de Raad, waar Nederland als
waarnemer bij aanwezig zal zijn. Indachtig het gegeven dat het JTC-onderzoek nog voortduurt
en dat de JTC toegang heeft tot informatie waar anderen dat niet hebben, kan het kabinet
niet op zaken vooruitlopen.
Het kabinet heeft in de beantwoording van de vragen van het lid Teunissen van 13 oktober
2025 al gesteld dat het met Allseas in gesprek is gegaan en heeft toegelicht dat diepzeemijnbouw
in internationale wateren plaats dient te vinden in overeenstemming met het VN-Zeerechtverdrag.5 Voor het overige valt deze motie wat het kabinet betreft in de reikwijdte van de
aangenomen motie Postma.6 Deze motie apprecieer ik daarom als «Overbodig».
Tot slot heb ik, via de Minister van Klimaat en Groene Groei, kennisgenomen van een
verzoek om een Kamerbrief. Ik vertrouw erop dat deze Kamerbrief voldoet aan het verzoek
om verduidelijking van de diepzeemijnbouw-gerelateerde onderwerpen die tijdens het
commissiedebat Energieraad van 18 juni jl. aan bod kwamen.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
T.B.W. Berendsen
Indieners
T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken