Brief regering : Uitvoering van de gewijzigde motie van de leden Ceder en Diederik van Dijk over onderzoeken op welke wijze vrijwillige terugkeer ten aanzien van alle vormen van verschillende verblijfstitels verder gestimuleerd kan worden (t.v.v. 36871-53) (Kamerstuk 36871-67)
36 871 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026)
Nr. 69
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ASIEL EN MIGRATIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 22 juni 2026
Op 31 maart jl. heeft uw Kamer een motie aangenomen van de leden Ceder (CU) en van
Dijk (SGP)1. In deze motie wordt de regering gevraagd om, in het kader van de uitwerking en implementatie
van het Europees Migratiepact, te onderzoeken op welke wijze vrijwillige terugkeer
ten aanzien van alle vormen van verschillende verblijfstitels verder gestimuleerd
kan worden en daarbij expliciet in te gaan op de voorwaarden waaronder financiële
prikkels een effectieve en verantwoorde bijdrage kunnen leveren.
Het kabinet onderschrijft het belang van terugkeer in het algemeen en de ondersteuning
van vrijwillige2 terugkeer in het bijzonder. De inzet is om personen zoveel mogelijk te stimuleren
om Nederland vrijwillig te laten verlaten. Vrijwillige terugkeer is relatief eenvoudig
te organiseren en inzet van bijvoorbeeld politie en KMar of van vreemdelingenbewaring
zijn in de meeste gevallen niet nodig. Voor personen die nog in afwachting zijn van
een besluit op hun asielaanvraag voorkomt vrijwillige terugkeer ook dure procedures
bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en de rechtbanken. Vrijwillige terugkeer
is hierdoor vele malen goedkoper dan gedwongen terugkeer.
Het Nederlandse beleid ten aanzien van (het stimuleren van) vrijwillige terugkeer
heeft over de afgelopen decennia verschillende ontwikkelingen doorgemaakt. Sinds 1991
kent Nederland het zogeheten «Return and Emmigration Assistance from the Netherlands»
(REAN) -programma. Binnen dit programma, dat wordt uitgevoerd door de Internationale
Organisatie voor Migratie (IOM), kan in beginsel iedereen die wil terugkeren ondersteuning
krijgen in het wegnemen van praktische belemmeringen. Het kan hierbij gaan om personen
met een lopende of afgewezen asielaanvraag, met een (asiel)vergunning, personen van
wie de reguliere verblijfsvergunning is verlopen of beëindigd of personen die nooit
verblijfsrecht hebben aangevraagd. Daarnaast zijn er diverse programma’s om te helpen
bij herintegratie in het land van herkomst. Daarbij waren de zogeheten herintegratie-regeling
project terugkeer en de vorming van de Dienst Terugkeer en Vertrek in 2007 belangrijke
mijlpalen. Nederland heeft samen België ook het initiatief genomen tot het versterken
van de Europese samenwerking op het terrein van terugkeer en herintegratie. Dit initiatief
heeft geleid tot het huidige European Reintegration Programme (EURP) dat wordt uitgevoerd
door Frontex.
De herintegratieondersteuning varieerde van een financiële bijdrage tot ondersteuning
in natura of een combinatie daarvan. Ook is er gevarieerd met de hoogte van de bedragen
voor terugkeer- en herintegratieondersteuning, zoals het begunstigende beleid voor
derdelanders met een tijdelijk verblijfsrecht voor Oekraïne3. Voor beide doelgroepen heeft dit geleid tot een (beperkte) verhoging van de terugkeer
naar de landen van herkomst.
Omdat vrijwillige terugkeer de geprefereerde terugkeeroptie is, is hier regelmatig
onderzoek naar verricht. De Universiteit van Leiden heeft in 2016 onderzoek gedaan
naar de rol van financiële ondersteuning bij de terugkeerbeslissing.4 Daarin wordt geconcludeerd dat het merendeel van de respondenten, namelijk 81%, zonder
terugkeerondersteuning financieel niet in staat is om vrijwillig terug te keren. Dit
betekent dat financiële ondersteuning een belangrijk en ook een noodzakelijk instrument
is om mensen terug te laten keren. In een onderzoek van het Europees Migratie Netwerk
(EMN)5 is geconcludeerd dat de in natura ondersteuning meer invloed blijkt te hebben op
de beslissing om terug te keren. Het gaat dan om terugkeerondersteuning in de vorm
van counseling, medische assistentie, logistieke en juridische ondersteuning en het
bieden van verblijf, gezondheidszorg en voedsel.
IOM heeft recentelijk onderzoek verricht naar de terugkeermotieven van Syriërs in
Nederland6. Uit dat onderzoek komt naar voren dat voor personen die vrijwillig willen terugkeren
vooral de (veiligheids)situatie en de sociale-economische omstandigheden in het land
van herkomst belangrijk zijn. Ook het Migration Policy Institute (MPI) heeft in opdracht
van het Wetenschappelijke Onderzoeks- en Documentatie Centrum (WODC) onlangs onderzoek7 gedaan naar de inzet van «counselling» en herintegratieondersteuning. Het via «counselling»
goed informeren van de vreemdeling en het bieden van terugkeer- en herintegratieondersteuning
hebben ook een positief effect op de terugkeerbeslissing maar wel in meer beperkte
mate dan bijvoorbeeld de situatie in het land van herkomst.
Het stimuleren van vrijwillige terugkeer is en blijft een belangrijke prioriteit van
het kabinet. Om, naast het reeds bestaande onderzoek, beter en meer inzicht te krijgen
in de dynamiek van vrijwillige terugkeer, is het EMN reeds gevraagd om onderzoek te
doen naar de terugkeer- en herintegratieondersteuning binnen andere Europese lidstaten.
In dit onderzoek wordt andere lidstaten gevraagd welke ondersteuning zij bieden, waarom
en aan wie, met als doel om hieruit lessen te kunnen trekken voor Nederland. Dit onderzoek
sluit daarmee goed aan bij het verzoek van uw Kamer.
De resultaten van dit onderzoek worden naar verwachting in de loop van 2027 verwacht.
Ik zal uw Kamer te zijner tijd hierover informeren. Ik ga er vanuit dat met dit onderzoek
aan de in de motie gevraagde tegemoet is gekomen.
De Minister van Asiel en Migratie,
G. van den Brink
Indieners
G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie