Brief regering : Stand van zaken Integraal Zorgakkoord (IZA) en Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA)
31 765 Kwaliteit van zorg
Nr. 985
BRIEF VAN DE MINISTERS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT EN VAN LANGDURIGE ZORG,
JEUGD EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 22 juni 2026
De beweging van zorg naar gezondheid en naar méér passende zorg staat centraal in
de zorg- en welzijnsakkoorden: het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het Aanvullend Zorg-
en Welzijnsakkoord (AZWA), in deze brief verkort tot «zorgakkoorden». Het kabinet
heeft er waardering voor dat alle akkoordpartijen1 in goede samenwerking met elkaar werken aan het toegankelijk en betaalbaar houden
van zorg en ondersteuning, nu en in de toekomst. Dit is van belang om de uitdagingen
van de vergrijzing, stijgende zorgkosten en groeiende personeelstekorten het hoofd
te bieden. Zonder deze beweging zou de kwaliteit en beschikbaarheid van zorg voor
mensen in het gedrang komen. De zorgakkoorden zijn dan ook nadrukkelijk een brede
beweging die wordt gedragen door zorg- en welzijnspartijen zelf, iets dat ook internationaal
gezien uniek is. Ook in het hoofdlijnenakkoord ouderzorg (HLO) staat deze beweging
centraal.
In de praktijk zijn er de afgelopen jaren veel mooie stappen gezet in betere samenwerking
tussen verschillende sectoren in welzijn en zorg, zoals bijvoorbeeld tussen het sociaal
domein en de eerstelijnszorg. Door het hele land wordt hard gewerkt aan het opschalen
van goede voorbeelden, zoals het verkennend gesprek, waarbij mensen met psychische
klachten die ook andere problemen hebben als schulden of eenzaamheid, samen met hulpverleners
uit het sociaal domein en de geestelijke gezondheidszorg (ggz) bepalen wat hen het
beste helpt. Of denk aan een ingreep als de tweezijdige staaroperatie, waardoor patiënten
minder vaak naar het ziekenhuis hoeven en sneller herstellen. Een ander voorbeeld
is de structurele borging van Thuisarts, het platform waar mensen laagdrempelig advies
krijgen over hun klachten. Daarnaast is substantieel geïnvesteerd in transformatieplannen
rond belangrijke thema’s als digitalisering en gegevensuitwisseling, betere regionale
samenwerking en de opschaling van mentale gezondheidsnetwerken door het hele land.
Het kabinet ziet ook dat professionals energie krijgen van deze nieuwe manieren van
werken. Het recente Congres «Samen voor Gezondheid, Zorg en Welzijn», dat in het teken
stond van de zorgakkoorden, is daar een goede illustratie van: ruim 2.300 professionals
bezochten het programma, waar talloze mooie praktijkvoorbeelden voor het voetlicht
werden gebracht. Ook zijn sinds het afsluiten van het IZA tientallen buurtgesprekken
en lokale talkshows georganiseerd, waar zorgverleners en inwoners met elkaar in gesprek
gaan over de veranderende zorg.
De voorbeelden in de praktijk tonen de waarde van de zorgakkoorden. Tegelijkertijd
constateert het kabinet dat meer nodig is, als we willen dat deze voorbeelden overal
de standaard worden. In de beleidsbrief VWS2 van 24 april jl. kondigt het kabinet aan om in aanvulling op de uitvoering van de
zorgakkoorden met overheidspartijen de stap te zetten naar de volgende fase. Het kabinet
wil de voorlopers en volgers in de beweging naar passende zorg en ondersteuning bevestigen
en steunen in hun handelen en bijsturen waar dat nog niet zover is. Het kabinet gaat
daarvoor de ruimte verkleinen die er op dit moment is om niet mee te doen in de beweging;
er komt een samenhangend pakket aan wet- en regelgeving dat passende zorg altijd en
overal de norm maakt, zodat mensen ook op deze zorg kunnen rekenen en de ongewenste
praktijkvariatie vermindert. Ook investeert het kabinet in zorgzame buurten en wijken
en gemeenschapsvorming. Niet alle vragen van patiënten zijn immers medisch van aard.
Soms biedt maatschappelijke ondersteuning juist een beter antwoord.
Met deze nu voorliggende brief geeft het kabinet een eerlijke reflectie op de gezette
stappen bij de zorgakkoorden: waar gaat het goed, en waar gaat het nog niet snel genoeg?
Deze brief is daarmee een aanvulling op de op 9 april jl. door de Kamer ontvangen
voortgangsbrief IZA/AZWA. Met die brief heeft de Kamer de laatste IZA-voortgangsrapportage
over het vierde kwartaal 2025 ontvangen, waarin onder andere de voortgang van de tien
«thematafels» van het IZA was opgenomen (zie ook onderstaande figuur).3 Daarbij is aangegeven dat de komende periode wordt benut om tot een geïntegreerde
IZA/AZWA-monitor te komen en dat de Kamer in de tweede helft van 2026 wordt geïnformeerd
over de opzet van de geïntegreerde monitor. Voor de zomer worden ook de monitors van
de 2-meting van de «beweging van het IZA» door de kennisinstituten (RIVM, Nivel en
het Zorginstituut) online gepubliceerd. Na de zomer ontvangt de Kamer de kabinetsreactie
op deze rapportage.
De beweging van het IZA en het AZWA kan grofweg worden geschetst langs vijf lijnen:
1) passende zorg, 2) zorglandschap, 3) toegankelijkheid, 4) beweging naar de voorkant
en 5) arbeidsmarkt. In deze brief treft de Kamer de belangrijkste resultaten en ontwikkelingen
bij de zorgakkoorden langs deze vijf lijnen, aangevuld met voorbeelden uit de praktijk.
1 Passende zorg
De beweging naar passende zorg staat centraal in de zorgakkoorden. Het principe van
passende zorg draait erom dat niet de kwaal maar de mens centraal staat en dat mensen
zorg krijgen die daadwerkelijk bijdraagt aan de kwaliteit van hun leven. Niet elk
probleem in het leven van mensen kan opgelost worden met zorg of medicalisering. Passende
zorg betekent ook dat zorgprofessionals samen met de patiënt kijken wat nodig en wenselijk
is in zijn situatie, in het proces van samen beslissen. Zo blijkt uit onderzoek van
de Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenorganisaties (NFK)4 dat patiënten in de palliatieve fase andere afwegingen maken dan de medisch specialist,
en laat onderzoek van de Patiëntenfederatie5 zien dat veel patiënten onnodige zorg ervaren.
Opschaling en contractering van goede voorbeelden
In de praktijk zijn er talloze mooie voorbeelden van de beweging naar passende zorg
en het is nu zaak initiatieven op te schalen, zoals is afgesproken in de zorgakkoorden.
Dit heeft bovendien een groot effect op de houdbaarheid van de zorg: als we passende
zorg gaan belonen in plaats van de hoeveelheid geleverde zorg, neemt de druk op personeel
en middelen vanzelf af. Alle initiatieven van voorlopers in de beweging naar passende
zorg laten dit zien. Conform het AZWA moet de opschaling en contractering van impactvolle
passende zorg-initiatieven aanzienlijk bijdragen aan het gezamenlijke AZWA- en HLO-transitiedoel
om het arbeidsmarkttekort met 100.000 personen lager uit te laten komen in 2028.
Praktijkvoorbeeld: Passend behandelplan is een initiatief van chirurg Barbara van
Leeuwen van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Samen met verpleegkundige
Hanneke van der Wal vroeg zij zich af of opereren bij ouderen met kanker wel altijd
de beste keuze is. Zij veranderden de intake in een kennismakingsgesprek over wat
gezondheid in deze levensfase betekent voor de betrokkene en wat zorg daar wel of
niet aan kan bijdragen. Het resultaat: patiënten voelden zich gehoord, meer werkplezier
én minder onnodige operaties. Passend behandelplan is in 2023 door het Zorginstituut
betiteld als passende zorgpraktijk.
Praktijkvoorbeeld: Troponinetest op de ambulance, een initiatief van cardioloog Cyril
Camara van het Radboud UMC. In plaats van patiënten met pijn op de borst direct met
de ambulance naar de Eerste Hart Hulp te verwijzen, worden pre-hospitaal de laag risico-patiënten
geïdentificeerd met een triage-algoritme en point of care troponinetest. Als de pijn
op de borst niet veroorzaakt wordt door een hartinfarct kan de patiënt direct gerustgesteld
worden. Een voor de patiënt vaak ingrijpend ziekenhuisbezoek wordt dan voorkomen.
Daarnaast is er minder ziekteverzuim. Dit initiatief is winnaar van de wetenschaps-
en innovatieprijs 2025 van de Federatie Medisch Specialisten.
Helaas moet worden geconstateerd dat opschaling en contractering van goede voorbeelden
langzamer gaat dan gewenst. Waar we in de praktijk veel goede voorbeelden zien, blijkt
het proces van partijen om tot een gedragen werkwijze te komen voor het selecteren
van de opschaalbare initiatieven moeizaam te verlopen. In de afgelopen periode zijn
partijen tot consensus gekomen en zijn afspraken gemaakt en vastgelegd over hoe zij
samen impactvolle initiatieven kunnen identificeren, beoordelen en opschalen. De sectoren
zijn gestart met de beoordeling van de eerste initiatieven. In het najaar wordt de
lijst met beoordeelde impactvolle passende zorginitiatieven verwacht. Wanneer initiatieven
al eerder positief worden beoordeeld, wordt ook eerder gestart met opschaling, om
zo geen tijd te verliezen. Het kabinet spreekt waardering uit voor de inzet van alle
betrokken partijen. Het kabinet roept partijen op zich onverminderd te blijven inzetten
voor het opschalen van passende zorg, zodat patiënten kunnen rekenen op de goede en
passende zorg, in alle domeinen en bij alle zorgaanbieders.
Transparantie over kwaliteit en uitkomsten van zorg
De beweging naar meer passende zorg is gebaat bij inzicht in de kwaliteit en de uitkomsten
van zorg. Dit helpt zorgprofessionals om van elkaar te kunnen leren en zo verschillen
tussen zorgaanbieders te verkleinen en bevordert dat patiënten hun weg kunnen vinden
naar de best passende zorg. Helaas is er nog te weinig gedeelde en vergelijkbare informatie
over kwaliteit van zorg beschikbaar. Het kabinet heeft de Kamer onlangs geïnformeerd
over de «nulmeting transparantie msz»6 van de Patiëntenfederatie en het Zorginstituut, waaruit bleek dat in de msz voor
slechts 11,5% van de ziektelast ten minste één uitkomstindicator transparant is voor
patiënten.7 Ook in de ggz is er op landelijk niveau niet voldoende kwaliteitsinformatie transparant
om het gesprek over passende zorg te ondersteunen, zo constateren ggz-partijen zelf
in hun rapport over het «Programma versterking kwaliteitstransparantie ggz»8.
Alle partijen onderschrijven het belang van transparante kwaliteitsinformatie. Partijen
in de msz hebben bijvoorbeeld de bestuurlijke afspraak gemaakt om transparantie verder
te brengen door al geregistreerde data bij bestaande kwaliteitsregistraties openbaar
te maken via het Openbare Databestand van het Zorginstituut. Daarnaast is per 1 januari
2026 de wet Kwaliteitsregistraties zorg in werking getreden. Deze verplicht zorgaanbieders
om informatie aan te leveren voor registraties opgenomen in het register van het Zorginstituut.
Ook is de verkenning naar een systeem voor kwaliteitsregistraties in de ggz afgerond
(zie bijlage). Deze verkenning is een uitwerking van de IZA-afspraak over het toewerken
naar een beheersbaar en efficiënt kwaliteitsregistratielandschap in de ggz. Komende
periode wordt toegewerkt naar de vertaling hiervan in wet- en regelgeving. Toch ziet
het kabinet dat het realiseren van meer inzicht in kwaliteit en uitkomsten van zorg
in de praktijk een taai proces is. Daarom bekijkt het kabinet hoe het Zorginstituut
haar kwaliteitstaken nog beter in kan zetten om onder andere het doel van transparantie
te bereiken. Dat wordt gedaan binnen het project Herijken kwaliteitstaken. Mocht uit
advies van het Zorginstituut blijken dat het bevoegdheden mist, dan is het kabinet
bereid de wet kwaliteit, klachten en geschillen (Wkkgz) te herzien. Het kabinet informeert
de Kamer dit najaar over het advies van het Zorginstituut en haar reactie erop.
Passende zorg in richtlijnen
Ten slotte werken partijen aan het beter aansluiten van professionele richtlijnen
op het ondersteunen van de beweging naar passende zorg en de bredere transitie in
de zorg. De nadruk ligt op preventie, leefstijl en samen beslissen. Daarbij wordt
het patiëntperspectief structureel meegenomen en wordt explicieter gemaakt wanneer
zorg niet, minder of anders passend is. Er zijn al veel lopende initiatieven met betrekking
tot professionele richtlijnen. Deze worden voortgezet en aangevuld met gerichte acties
om tot versnelling te komen. Zoals het versterken van gezamenlijke besluitvorming
en het beter verankeren van passende zorg in alle fasen van richtlijnontwikkeling.
Het definitieve plan om richtlijnen beter op passende zorg te laten aansluiten wordt
voor de zomer van 2026 verwacht. Het kabinet roept partijen op om onverminderd aan
de slag te gaan met de uitwerking en implementatie van dit plan. Parallel wordt wetgeving
ontwikkeld om passende zorg de norm te maken en de ruimte voor niet-passende zorg
te verkleinen. Het kabinet wil met wet- en regelgeving strengere eisen stellen aan
de voorwaarden, kwaliteit en totstandkoming van beroepsrichtlijnen. Het Zorginstituut
krijgt hierbij een stevigere rol. Eind dit jaar zal naar verwachting meer duidelijk
worden over de concrete uitwerking, planning en wijze waarop deze wet- en regelgeving
richtlijnen passende zorg ondersteunen.
2 Zorglandschap
Om tot passende zorg voor mensen te kunnen komen, is het noodzakelijk dat zorg- en
welzijnspartijen over de domeinen heen met elkaar samenwerken. Concreet is met de
zorgakkoorden een sterkere regionale samenwerking ontstaan. Er zijn inmiddels landelijk
dekkende regionale samenwerkingsverbanden, de zogeheten 38 IZA-regio’s, opgezet waarin
patiënten, inwoners, zorgaanbieders, zorgverzekeraars, gemeenten, GGD’en en het sociaal
domein intensiever samenwerken. Over de voortgang met betrekking tot de regiobeelden
en -plannen en de ROAZ-beelden en -plannen heeft het kabinet de Kamer reeds in april
geïnformeerd.9
Praktijkvoorbeeld: De regionale netwerkzorg voor alvleesklierkanker (pancreaskanker).
Hierbij worden complexe operaties geconcentreerd in gespecialiseerde centra om de
overlevingskansen te vergroten. Regionale ziekenhuizen werken samen met deze expertisecentra
in een zogeheten shared-care model. Alvleesklierkanker is een zeldzame en zeer complexe
aandoening. Door de operaties te centraliseren voeren chirurgen en oncologische teams
veel meer dezelfde complexe ingrepen uit per jaar. Uit onderzoek blijkt dat dit leidt
tot minder complicaties en een hogere overlevingskans. Patiënten hoeven niet voor
elke controle of polikliniekbezoek naar het expertisecentrum te reizen. Via regionale
oncologienetwerken worden taken slim verdeeld.
Praktijkvoorbeeld: Sinds ruim een jaar komt voor kwetsbare ouderen van ZorgSpectrum,
een zorgorganisatie in onder meer Nieuwegein, bij een mogelijke heupbreuk een anesthesioloog
vanuit het nabijgelegen St. Antonius Ziekenhuis snel langs. Die kan de diagnose bevestigen
en neemt dan de pijn grotendeels weg met een speciale langdurige verdoving die maandenlang
effectief is. Daarmee is de pijnlijke rit in de ambulance niet nodig en blijft het
overhevelen van brancard naar bed de patiënt bespaard. Vaak leven kwetsbare ouderen
na een heupbreuk nog enkele weken tot maanden. Doordat ze nauwelijks pijn hebben en
helder zijn, ervaren zij een veel betere kwaliteit van leven.
Versterking eerstelijnszorg
Om in de wijk goede samenhangende zorg te geven aan de patiënt versterken we de eerstelijnszorg.
Daarbij werken onder andere huisartsen, wijkverpleegkundigen, apothekers, paramedici
en het sociaal domein steeds beter samen, met en voor de patiënt. Om dit te faciliteren
komen er regionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden (RESV’s). Een belangrijke mijlpaal
is dat per 1 april jl. alle zorgverzekeraars hun inkoopbeleid RESV’s hebben gepubliceerd.
De komende tijd worden inkoopgesprekken gevoerd tussen RESV’s en de zorgverzekeraars.
Vanuit de landelijke tafels proberen we de regio’s en wijken met o.a. formats en plannen
hierin zo goed mogelijk te ondersteunen.
Praktijkvoorbeeld: Een voorbeeld van een regionaal eerstelijnssamenwerkingsverband
(RESV) is het samenwerkingsverband in Noord-Kennemerland. Hierin werken huisartsen
(HONK), apothekers (APCON), wijkverpleging (Evean, De Zorgcirkel) en paramedici (BNW)
samen om elke inwoner tijdig, laagdrempelig en passend te ondersteunen. Het RESV richt
zich daarom op regionale vertegenwoordiging (zodat gemakkelijk multidisciplinaire
afspraken gemaakt kunnen worden met zorgverleners, zorgverzekeraars en gemeenten),
hechte wijkverbanden (om mensen met meervoudige problemen beter te kunnen helpen)
en een gezamenlijke werkagenda (om samen knelpunten in de zorgverlening te signaleren).
Stevige basis voor regionale en landelijke zorgcoördinatie
Met de zorgakkoorden is een stevige basis gelegd voor regionale en landelijke zorgcoördinatie.
Het belangrijkste doel is om patiënten met een acute zorgvraag direct op de juiste
plek te krijgen, verspilling van schaars personeel tegen te gaan, en de huisartsenposten
en spoedeisende hulpen (SEH) te ontlasten. Partijen zijn hard bezig om dit in alle
regio’s te implementeren.
Praktijkvoorbeeld: Wanneer een oudere patiënt in de avond plotseling door zijn benen
zakt en niet meer aanspreekbaar is, belt de mantelzorger de huisartsenpost.
– Zonder zorgcoördinatie: De huisartsenpost moet een ambulance sturen of de patiënt
naar de SEH laten gaan. Dit leidt vaak tot lange wachttijden of onnodige spoedritten.
– Met zorgcoördinatie: Via het regionale Zorgcoördinatiecentrum (ZCC) bundelen huisartsenpost,
ambulance, acute GGZ en wijkverpleging hun krachten. Een triagist beoordeelt de situatie
en kan direct een wijkverpleegkundige of een eerstelijnsverblijf (ELV) inschakelen
om de patiënt tijdelijk op te vangen. Dit ontlast de SEH en garandeert dat de patiënt
de juiste zorg krijgt van de juiste zorgverlener.
Kwaliteitskader Spoedzorgketen 2.0
Voor patiënten is het van belang dat zij bij een acute zorgvraag snel op de juiste
plek terechtkomen, met passende, veilige en goed toegeruste zorg. Daarom wordt door
de betrokken veldpartijen de laatste hand gelegd aan het Kwaliteitskader Spoedzorgketen
2.0. Hierdoor wordt duidelijker welke patiënten op de SEH behandeld moeten worden
en wanneer zorg ook op een poliklinische spoedzorglocatie kan plaatsvinden. Voor laatstgenoemde
categorie waren voorheen nog geen expliciete kwaliteitseisen. Het is de bedoeling
dat er heldere afspraken komen over tijdige opschaling van een poliklinische spoedzorglocatie
naar SEH-niveau wanneer de situatie van een patiënt daarom vraagt. Het nieuwe kwaliteitskader
moet patiënten en zorgverleners meer inzicht bieden in wat zij van de kwaliteit van
spoedzorg mogen verwachten. Tegelijk bieden de nieuwe afspraken ook meer ruimte om
spoedzorg in de regio toekomstbestendiger te organiseren. Het Kwaliteitskader Spoedzorgketen
2.0 zal naar verwachting na de zomer gereed komen en door het Zorginstituut in het
register worden opgenomen. Het kabinet vindt de nieuwe normen een goede stap vooruit,
maar wil nog wel bezien hoe nog meer richting kan worden gegeven aan de toekomstbestendige
inrichting van het regionale aanbod van acute zorg, en welke doorontwikkeling hiervoor
nodig is. Het kabinet zal zich inzetten om hierover, indien noodzakelijk, bestuurlijke
afspraken te maken met betrokken partijen.
Spreiding en concentratie
In het IZA hebben partijen afgesproken om via regionale samenwerking te komen tot
een toekomstbestendig zorglandschap. Met deze afspraken wordt ingezet op een beweging
naar meer samenwerking in netwerken via spreiding en concentratie. Uitgangspunt daarbij
is dat we de zorg zo dichtbij mogelijk om de patiënt heen organiseren en dat als het
moet, we de complexe zorg op bepaalde locaties organiseren. Concentratie van complexe
zorg heeft als doel de kwaliteit van de zorg te verhogen en de toegang voor patiënten
tot de zorg te garanderen door optimale inzet van schaars personeel en dure infrastructuur.
Het Zorginstituut heeft voor de uitwerking van deze beweging Ronde Tafels ingericht.
In 2025 is een eerste tranche (volume)normen vastgesteld voor geselecteerde oncologische
en vaatchirurgische aandoeningen. Vervolgens zijn in de regio’s afspraken gemaakt
over de herverdeling van zorg en wordt gewerkt aan afspraken over spreiding van zorg.
Deze afspraken zijn opgenomen in de transformatieplannen van de regio’s. Vanaf 1 januari
2026 dan wel 1 januari 2027 krijgen de nieuwe normen een plek in de contracten met
zorgverzekeraars. Met enige vertraging zijn inmiddels ook de gesprekken gestart over
een tweede tranche. Na de zomer volgt besluitvorming over de invulling van de tweede
tranche.
Verbetering continuïteit acute ggz
Er wordt hard gewerkt aan het aantrekkelijker maken en beter organiseren van avond-,
nacht- en weekenddiensten (ANW) en crisisdiensten in de ggz, met als doel de continuïteit
van acute ggz voor patiënten verbeteren. Om dit te bereiken is een probleemanalyse
en vervolgaanpak voor de 24/7-bezetting van ANW- en crisisdiensten ggz opgesteld.
Betrokken partijen10 werken hierin landelijk én regionaal aan oplossingen. Er zijn namelijk regio’s waar
de bezetting van deze diensten op orde is waarvan geleerd kan worden in de aanpak.
Goede voorbeelden uit regio’s zijn compensatie van rusturen, herindeling van dienststructuren
en betere onboarding van psychiaters. Ook wordt telepsychiatrie verkend om capaciteit
slimmer in te zetten.
Inzet kabinet
Om echte doorbraken te realiseren gaat het kabinet actiever sturen op de organisatie
van zorg in de regio. Dit gaat bijvoorbeeld om het verscherpen en verduidelijken van
de landelijke kaders en minimale eisen voor zorgaanbieders. Ook gaat het om het wettelijk
vastleggen dat zorgaanbieders in samenspraak met zorginkopers verplicht zijn om constructief
en gedegen deel te nemen aan het opstellen en uitvoeren van regionale plannen voor
een passend zorglandschap.
3 Toegankelijkheid
Met de zorgakkoorden willen partijen van wachtlijsten naar een laagdrempelige toegang.
Met name mensen met een cruciale of hoog complexe zorgvraag moeten nu vaak nog te
lang wachten op een behandeling. Dit speelt vooral in de ggz en de msz en is onwenselijk.
Proactieve zorgbemiddeling
In het AZWA is afgesproken dat zorgverzekeraars patiënten die lang op een wachtlijst
staan, proactief gaan bemiddelen naar zorgaanbieders waar de wachttijd korter is.
Tot voor kort konden verzekeraars alleen bemiddelen als een patiënt zelf contact opnam
met de verzekeraar. Bij proactieve zorgbemiddeling kunnen verzekeraars zelf patiënten
benaderen die langer dan de Treeknorm wachten op passende zorg, indien de patiënt
toestemming heeft gegeven voor het delen van gegevens voor deze bemiddeling. Patiënten
die een verwijzing krijgen voor een eerste consult of afspraak, ontvangen de vraag
of zij toestemming geven voor eventuele bemiddeling door de zorgverzekeraar. Dit wordt
sinds 20 april jl. gefaseerd uitgerold. Tussen 20 april en 10 juni hebben al 4817
patiënten toestemming gegeven voor proactieve zorgbemiddeling in de verwijsdienst.
Dit gaat om patiënten die verwezen zijn voor een poliklinisch consult binnen de ggz
of msz. Vanaf de zomer is deze optie voor alle patiënten die verwezen worden voor
een poliklinische afspraak beschikbaar.
Praktijkvoorbeeld: Hoe werkt proactieve bemiddeling?
Een patiënt kan toestemming geven voor «proactieve zorgbemiddeling». Dat betekent
dat de zorgverzekeraar de patiënt actief helpt om sneller een afspraak te krijgen.
Dit werkt in vijf stappen:
1. De verwijzing. De huisarts stuurt de patiënt naar het ziekenhuis of een kliniek. De
verwijsdienst stuurt deze informatie door naar de zorgverlener.
2. Toestemming geven. De patiënt kan op de website van de verwijsdienst aangeven dat
de verzekeraar mag helpen. De patiënt geeft dan toestemming om gegevens te delen met
de zorgverzekeraar.
3. Contact met de verzekeraar. De verzekeraar mag de patiënt alleen bellen als de wachttijd
te lang is. Er zijn landelijke afspraken over hoe lang een wachttijd mag duren. Is
de wachttijd langer dan deze afspraak? Dan mag de verzekeraar contact opnemen met
de patiënt.
4. De hulp van de verzekeraar. De verzekeraar zoekt of de patiënt ergens anders sneller
terecht kan. Bijvoorbeeld in een ander ziekenhuis of een andere kliniek. Als de patiënt
dit wilt, stuurt de verzekeraar de verwijzing door naar deze zorgverlener.
5. De afspraak. De patiënt kan daarna bij deze nieuw gekozen zorgverlener terecht voor
de afspraak.
Actualisatie aanvaardbare wachttijden
In het AZWA is afgesproken om de Treeknormen voor de msz en de ggz te actualiseren.
De Treeknormen geven aan wat een aanvaardbare wachttijd in de zorg is, maar deze set
aan normen dateert van begin jaren 2000. Het actualiseren van deze normen is belangrijk,
omdat patiënten nog te vaak te lang moeten wachten en de huidige normen niet altijd
meer goed aansluiten bij de praktijk van vandaag. Voor verzekerden en patiënten moet
dit zorgen voor meer duidelijkheid over wachttijden en betere toegang tot tijdige
en passende zorg. Het kabinet vindt het belangrijk dat er breed draagvlak is voor
de nieuwe normen en dat er duidelijke afspraken komen over de handhaving ervan. Daarom
worden de normen opgesteld in samenwerking met zorgaanbieders, zorgverzekeraars, patiëntvertegenwoordigers,
toezichthouders en VWS.
De eerste analyses van de knelpunten rond de huidige Treeknormen worden binnenkort
opgeleverd en besproken met de AZWA-partijen. Ook vinden expertsessies plaats om de
actualisatie van de normen verder vorm te geven. De verwachting is dat eind 2026 een
nieuwe set normen kan worden opgeleverd.
Toegankelijkheid ggz
In het AZWA is een aantal afspraken gemaakt die moeten leiden tot meer behandelcapaciteit
voor mensen met een complexe hulpvraag. Hierop is de volgende voortgang te melden.
– Herijken behandelduur, -vorm en -doelstelling: het Zorginstituut onderzoekt in hoeverre
het herijken van de behandelduur bijdraagt aan passende zorg en het verbeteren van
de toegankelijkheid van de ggz. De gevonden resultaten dragen bij aan het bepalen
van een passende behandelduur in richtlijnen en zorgstandaarden.
– Hybride en groepsaanbod is voorliggend (tenzij): zorgverzekeraars en zorgaanbieders
maken in de zorginkoop en bijbehorende contracten over 2027 duidelijke afspraken over
meer inzet op groepsbehandelingen en hybride zorg.
– Laagdrempelig contact tussen huisartsen, ggz en sociaal domein: om de samenwerking
tussen huisartsen, de ggz en het sociaal domein te versterken, zijn consultatiefuncties
ingericht. Via deze consultatiefuncties kunnen professionals laagdrempelig specialistisch
advies inwinnen bij andere zorgdomeinen. Dit moet bevorderen dat mensen met psychische
problematiek sneller de juiste zorg en ondersteuning ontvangen en minder vaak tussen
wal en schip vallen. De Nederlandse ggz is een onderzoek gestart naar de inzet van
deze consultatiefuncties. Dit onderzoek moet inzicht geven in knelpunten en mogelijkheden
voor opschaling hiervan. De oplevering wordt verwacht vóór het einde van het derde
kwartaal van 2026.
– Passend vervolg: mensen met chronische psychische aandoeningen, en in het bijzonder
mensen met ernstige psychiatrische aandoeningen, moeten na stabilisatie en afronding
van hun ggz-behandeling tijdig kunnen doorstromen naar passende ondersteuning. Betrokken
partijen hebben een probleemanalyse uitgevoerd en goed lopende regionale voorbeelden
verzameld. De werkbare elementen van deze goede voorbeelden worden verwerkt tot landelijke
afspraken. De resultaten worden naar verwachting in de zomer van 2026 gepubliceerd.
– Aanspraken en pakketbeheer: het Zorginstituut inventariseert samen met de sector wat
er mogelijk is qua verscherping van de aanspraak van de ggz om de ggz toekomstbestendig
te houden. Op dit moment wordt de impact en haalbaarheid van verschillende maatregelen
in beeld gebracht en wordt conform de AZWA-afspraken toegewerkt naar besluitvorming
eind 2026. Dit moet zorgen voor meer duidelijkheid, het voorkomen van willekeur en
helpen tegen zorgfraude.
– Exclusiecriteria bij ggz-aanbieders schrappen: het afschaffen van exclusiecriteria
moet bijdragen aan een betere doorstroom en toegang tot ggz. Zorgverzekeraars hebben
het afschaffen van exclusiecriteria opgenomen in hun aankomende inkoopbeleid, zodat
zij daarop kunnen sturen binnen de contractering van zorgaanbieders.
Praktijkvoorbeeld: Een groepsbehandeling in de ggz bestaat doorgaans uit 6 tot 10
deelnemers en 1 of 2 behandelaars. Het is een volwaardige en vaak even effectieve
vorm van therapie als individuele behandeling. Een veelvoorkomend voorbeeld in de
ggz is een kortdurende schematherapiegroep. Dit is erg geschikt voor mensen met persoonlijkheidsproblematiek
of complexe, terugkerende klachten. Deelnemers leren hun eigen (destructieve) gedragspatronen
(schema's en modi) herkennen, begrijpen en veranderen. Lotgenotencontact vermindert
gevoelens van schaamte en eenzaamheid. Mensen leren bij een groepsbehandeling in een
veilige omgeving sociale vaardigheden toe te passen en direct feedback te ontvangen.
Inzichten komen niet alleen van de behandelaar, maar ook van groepsgenoten.
Continue verbetering contracteerproces
Voor de toegankelijkheid van zorg is het van belang dat er goede contractafspraken
zijn tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders. In het IZA is afgesproken dat zorgverzekeraars
en zorgaanbieders zich inzetten voor een continue verbetering van het contracteerproces.
Op 29 mei jl. is de Kamer geïnformeerd over het contracteerseizoen 2025/2026, dat
in het algemeen goed is verlopen.11 De contractering is voor zorgverzekeraars een belangrijk sturingsinstrument. Zij
kunnen bijvoorbeeld inkoopeisen stellen gericht op kwaliteit, toegankelijkheid en
betaalbaarheid van de zorg. Er zijn echter zorgaanbieders die bewust geen contract
willen afsluiten. Zorgaanbieders richten zich bijvoorbeeld in onevenredige mate op
patiënten met een lichte zorgvraag, onttrekken zich aan ANW-diensten, werken onvoldoende
mee aan regionale samenwerkingsafspraken of leveren relatief veel niet-passende of
ondoelmatige zorg. Terwijl het voor de beweging naar passende zorg van belang is dat
alle zorgaanbieders een eerlijke bijdrage leveren. Als ze dat niet doen, is het uiteindelijk
de patiënt of cliënt die hier de negatieve gevolgen van ondervindt vanwege het effect
op de toegankelijkheid en kwaliteit van zorg. In het AZWA is daarom afgesproken dat
VWS in overleg met partijen een samenhangend pakket van maatregelen neemt om te zorgen
dat iedereen daadwerkelijk een eerlijke bijdrage levert en dat patiënten kunnen rekenen
op passende en tijdige zorg die op dat moment nodig is. De Kamer is op 1 juni jl.
geïnformeerd over het voorgenomen beleid dat samenhangt met de beleidsinzet van het
kabinet zoals beschreven in de beleidsbrief VWS.12 In de beleidsbrief is ook aangegeven dat het kabinet van zorgverzekeraars verwacht
dat zij zorgaanbieders contracteren – ook aanbieders van passende zorg die nu niet
gecontracteerd zijn of die met nieuwe, passendere vormen van zorg bijdragen aan de
opgave – als de toegankelijkheid van passende zorg voor hun verzekerden daarom vraagt.
Ook is in het AZWA afgesproken dat palliatieve zorg en stervensbegeleiding ongehinderd
kunnen worden geleverd. Deze afspraak is gemaakt omdat het van groot belang is dat
mensen in de stervensfase de palliatieve terminale zorg en ondersteuning kunnen ontvangen
die zij nodig hebben. Er zijn tot op heden geen knelpunten gemeld in de contractering
voor 2026. Alle betrokkenen zijn het eens dat de huidige werkafspraken voldoende zijn.
Er is specifiek ook geen behoefte (op dit moment) aan de in het AZWA genoemde leidraad.
Betrokken partijen zullen met enige regelmaat in overleg blijven of er toch behoefte
gaat ontstaan aan vervolgacties. Ook wordt er gewerkt aan de Toekomstagenda palliatieve
zorg en ondersteuning 2027–2031. Het kabinet zal deze agenda voor het zomerreces naar
de Kamer sturen.
Inzet kabinet
In de beleidsbrief VWS geeft het kabinet aan dat het kabinet van zorgverzekeraars
verwacht dat ze sterker gaan sturen op de beschikbaarheid van passende zorg. Daarvoor
gaat het kabinet de zorgplicht van de zorgverzekeraars (inclusief hun rol bij transformaties
in de regio) verduidelijken, zodat duidelijk is dat die niet alleen ziet op vandaag
maar ook gaat over de toekomst. Ook gaat het kabinet regelen dat zorgverzekeraars
de juiste instrumenten hebben om niet-passende zorg niet meer te hoeven vergoeden
en dat zorgverzekeraars een betere informatiepositie krijgen om scherper onderscheid
te maken tussen aanbieders van passende zorg en aanbieders die dat niet of minder
leveren.
4 Beweging naar de voorkant
Met de zorgakkoorden, het HLO en het eerdere Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA),
hebben partijen de «beweging naar de voorkant» en de samenwerking over de domeinen
heen ingezet. Het doel daarvan is dat mensen langer de regie kunnen houden over hun
eigen leven, gezondheid en zelfredzaamheid. De akkoorden gaan hierbij uit van de vraag
van persoon zelf, wat kan hij zelf, waarin kan hij digitaal worden geholpen en waar
is het zorgaanbod relevant. Een goede samenwerking tussen partijen in de zorg, het
sociaal domein en de publieke gezondheidszorg voorkomt druk op dure, specialistische
zorg. Dit is de transformatie waar we als Nederland voor staan. Het belang van investeren
in een goede samenwerking en preventie wordt onder meer benadrukt door recent onderzoek
van het RIVM (zie bijlage). Uit dit onderzoek blijkt dat kinderen die geboren worden
en opgroeien in een meervoudig kwetsbare situatie in de eerste zes levensjaren meer
zorg gebruiken en hogere zorguitgaven hebben.
Praktijkvoorbeeld: Als onderdeel van de zorgakkoorden is nu in iedere IZA-regio een
mentaal gezondheidsnetwerk ingericht. Eén van de functies van zo’n netwerk is het
verkennend gesprek, dat sinds 2025 in het basispakket zit. In een verkennend gesprek
bepalen mensen met psychische klachten die ook andere problemen hebben als schulden
of eenzaamheid samen met hulpverleners uit het sociaal domein en de ggz wat hen het
beste helpt. Binnen het netwerk Mentaal Gezond Zuid-Limburg vonden in 2025 573 verkennende
gesprekken plaats, met als positief resultaat dat meer dan de helft van de deelnemers
hun leven weer op de rit heeft gekregen zonder dat behandeling in de ggz noodzakelijk
was.
Het kabinet onderstreept het belang dat inwoners, ongeacht de gemeente waar zij wonen,
als gevolg van de zorgakkoorden kunnen rekenen op bepaalde «basisfunctionaliteiten».
Onder regie van gemeenten en zorgverzekeraars werken partijen toe naar een landelijk
dekkend aanbod van deze functionaliteiten voor alle inwoners in 2030. Het gaat om
laagdrempelige steunpunten (zie onderstaand kader), sociaal verwijzen, valpreventie,
ketenaanpak overgewicht en obesitas volwassenen en kansrijke start: de brede ketenaanpak
en de onderdelen integrale gezinspoli en nu niet zwanger. Ook het onderwerp mantelzorgondersteuning,
dat in het HLO extra aandacht krijgt, maakt hier onderdeel van uit. Hiermee is zorg
en ondersteuning laagdrempelig beschikbaar. Dit geeft mensen meer regie over hun eigen
leven.
Praktijkvoorbeeld: De laagdrempelige steunpunten (LSP’s) bieden een toegankelijke,
stigmavrije omgeving waar mensen zonder verwijzing of indicatie terecht kunnen voor
directe steun, ontmoeting en herstelaanbod. Ze bevorderen zelfregie en voorkomen dat
psychische of sociale problemen verergeren. Het aantal LSP’s stijgt en deze zijn steeds
zichtbaarder in de regio. Met 318 in kaart gebrachte steunpunten in 2025 is het aantal
gestegen ten opzichte van het verkennende onderzoek in 2024, toen er 278 steunpunten
in beeld waren. De ambitie is om in elke gemeente minimaal één LSP te realiseren,
waarbij de keuze voor het type en aantal LSP’s wordt bepaald door de lokale context.
Om een landelijk dekkend aanbod mogelijk te maken, zijn de afgelopen periode handreikingen13 en een regioscan opgeleverd. De regioscan bracht in kaart hoe ver regio’s al zijn
met de uitvoering van de basisfunctionaliteiten. Met elke regio is gesproken over
deze stand van zaken, welke regionale opgaven er nog zijn, en over aandachtspunten
en succesfactoren in de uitvoering. Op basis hiervan is door Berenschot een rodedradenanalyse
opgesteld, om inzicht te krijgen in de aandachtspunten die in meerdere regio’s spelen
(zie bijlage). Deze worden vervolgens besproken met de regio en in de bestuurlijke
overleggen van de zorgakkoorden om de verdere implementatie te ondersteunen.
Naast de hiervoor genoemde basisfunctionaliteiten, is er een ontwikkelagenda afgesproken
met aanpakken die kansrijk zijn om doorontwikkeld te worden tot een basisfunctionaliteit.
Ook zijn voor deze aanpakken afspraken gemaakt over het onderbouwen van de besparing
van zorgkosten. Voor de ontwikkelagenda zijn de komende jaren tijdelijke middelen
beschikbaar. Met regio’s en landelijke partijen worden afspraken gemaakt over het
doorontwikkelen van de aanpakken tot basisfunctionaliteit en het verzamelen van bewijs.
Dat gaat om de al langer lopende aanpakken kinderen met overgewicht en obesitas en
de mentale gezondheidsnetwerken. En de nieuwe aanpakken dementie, nicotinevrij, rookvrije
start en multiproblematiek (in de NPLV gebieden14). Dit past bij de inzet van het kabinet om te werken aan de gezondste generatie in
2040. Zo maken we Nederland gezonder en houden we de zorg toegankelijk voor iedereen
die het nodig heeft.
Praktijkvoorbeeld: De regio Waardenland richt de kinder-GLI (Gecombineerde Leefstijl
Interventie, onderdeel van de aanpak overgewicht kinderen) niet in als geïsoleerd
zorgproduct, maar biedt dit in een bredere ketenaanpak met een regionale coalitie
waarin gemeenten, Jeugdgezondheidszorg, zorgverzekeraar en een coördinator samenwerken,
met gezamenlijke verantwoordelijkheid. Voor de aanpak overgewicht volwassenen verloopt
toeleiding via medisch-sociale netwerken in de wijk en niet uitsluitend via de huisarts.
Het combineren van de GLI met laagdrempelige leefstijlinterventies en wijkgerichte
beweegnetwerken leidt tot bereik van een grotere doelgroep én een lager uitvalpercentage.
Mensen komen zo eerder en makkelijk in aanraking met de interventies en aanpakken
en voelen zich veel meer gemotiveerd om door te zetten.
De komende periode stellen gemeenten en zorgverzekeraars met andere partijen in de
regio een werkagenda samenwerking zorg en sociaal domein op.15 Daarin beschrijven zij hoe zij de basisfunctionaliteiten de komende jaren uitvoeren
en de samenwerking tussen zorg- en sociaal domein bestendigen.
Ondersteunen medische preventie daar waar het zorgvraag voorkomt
In het AZWA zijn ook afspraken gemaakt over een aantal specifieke maatregelen dat
geïmplementeerd zal worden op het terrein van medische preventie. Hiermee wordt de
kwaliteit van leven verbeterd én de instroom in de zorg beperkt. De vaccinatie tegen
het RS-virus voor kinderen in hun eerste levensjaar is inmiddels opgenomen in het
Rijksvaccinatieprogramma. Over de implementatie van de vaccinatie tegen gordelroos16 (met ingang van volgend jaar) en de MRI-screening voor vrouwen met zeer dicht borstweefsel
in het bevolkingsonderzoek borstkanker17 (per 2030) is de Kamer onlangs geïnformeerd.
5 Arbeidsmarkt
In de zorgakkoorden en het HLO hebben partijen concrete afspraken gemaakt om ervoor
te zorgen dat professionals minder werkdruk en meer ruimte ervaren. Dit is van cruciaal
belang om de kwaliteit en veiligheid van de patiëntenzorg te waarborgen en het aantrekkelijker
te maken om in de zorg te werken. Over het brede arbeidsmarktbeleid in zorg en welzijn
heeft de Kamer op 2 juni jl. een brief ontvangen.18 Daarin is ook de voortgang op de AZWA-afspraak over opleiden en ontwikkelen van professionals
opgenomen.
In het AZWA zijn afspraken gemaakt over de financiering en bekostiging van impactvolle
transformaties, die worden ondersteund vanuit de zogenoemde doorbraakmiddelen. Deze
middelen zijn bedoeld om transformaties te financieren die de zorg en ondersteuning
anders en slimmer organiseren, zodat met hetzelfde aantal medewerkers meer mensen
kunnen worden geholpen en de patiënt de zorg krijgt die passend is. Deze doorbraakmiddelen
worden ingezet om een select aantal impactvolle toepassingsgebieden gericht en landelijk
op te schalen. Voor 2027, 2028 en 2029 is in totaal € 800 miljoen beschikbaar, waarvan
€ 600 miljoen via zorgverzekeraars wordt ingezet (macrokader voor de zorginkoop) en
€ 200 miljoen (€ 100 mln in 2027 en in 2028) via gemeenten worden ingezet om de basisfunctionaliteiten
versneld op te schalen. De Kamer is op 28 mei jl. geïnformeerd over de geselecteerde
toepassingen en het verdere proces.19
Naar maximaal 20 procent administratietijd in 2030
Met de zorgakkoorden en het HLO is een duidelijke stip op de horizon gezet ter vermindering
van de administratieve tijd die zorgverleners kwijt zijn: naar maximaal 20 procent
administratietijd in 2030. Begin 2026 zijn de relevante HLO partijen aangesloten bij
de Regiegroep Aanpak Regeldruk. Met deze uitbreiding wordt er op één tafel gewerkt
aan het uitvoeren van de afspraken die over regeldrukvermindering gaan vanuit zowel
IZA/AZWA als HLO. Het eerste project uit de AZWA- afspraak is in april 2026 goedgekeurd
en van start gegaan. Hiermee moet het landelijk opschalen van de werkende principes
van het project Zinvolle Registratie (ZIRE) eind 2027 gerealiseerd zijn. Met ZIRE
wordt alleen nog een kernset van kwaliteitsindicatoren geregistreerd op de intensive
care afdelingen (IC) van ziekenhuizen. In het RadboudUMC, de grondlegger van ZIRE,
is door dit project de administratietijd op de IC gehalveerd met gelijkblijvende kwaliteit
van zorg. Dat biedt veel potentie voor andere ziekenhuizen en de start van dit project
is dus goed nieuws voor zorgprofessionals die werkzaam zijn op de IC’s. Ook is de
tweede ronde van de veldbevraging van start gegaan. Met de veldbevraging wordt zorgprofessionals
gevraagd welke administratie zij zinnig en noodzakelijk vinden om te blijven registreren
voor zinvolle verantwoording over de geleverde zorg en de kwaliteit ervan, passend
binnen de doelstelling uit het AZWA van maximaal 20 procent administratietijd. De
Kamer wordt voor het einde van het jaar geïnformeerd over de resultaten van de veldbevraging.
Het kabinet ziet helaas ook dat de subsidieaanvragen voor een aantal projecten achterblijven
ten opzichte van de gemaakte afspraken. Sommige projecten vinden al doorgang zonder
subsidie, maar er zijn ook projecten die momenteel niet worden uitgevoerd. Tijdens
het bestuurlijk overleg IZA/AZWA van september zal er specifieke aandacht worden besteed
aan zowel de successen in de opschaling binnen verschillende sectoren als het gebrek
aan voortgang op andere onderdelen. Opschalen van projecten moet namelijk een belangrijke
bijdrage leveren aan het behalen van maximaal 20% administratietijd in 2030.
Ten aanzien van de overige AZWA-afspraken over regeldruk zijn de eerste successen
te melden vanuit de wijkverpleging. Zo is afgesproken dat zowel voor de wijkverpleging
als voor de kortdurende zorg de «natte handtekening» onder het eerste zorgplan voor
gecontracteerde aanbieders met ingang van 1-1-2027 niet meer nodig is. Dit scheelt
administratieve lasten doordat zorgprofessionals niet langer de zorgovereenkomst hoeven
te printen, een handtekening van de cliënt hoeven te verzamelen en de getekende overeenkomst
moeten inscannen. Ook hebben zorgverzekeraars afgesproken dat per 2026 de termijn
waarbij verplicht een multidisciplinair overleg noodzakelijk is in de ouderenzorg
wordt teruggeschroefd van eens per 3 maanden naar eens per 6 maanden, mits dat passend
is voor de cliënt. Verder wordt er een machtiging afgeschaft voor de patiëntengroep
GZSP20, waarmee er geen machtiging meer nodig is voor zorg in een groep.
Verder zijn er ook vanuit de werkagenda’s van de leden van de Regiegroep Aanpak Regeldruk
successen geboekt, waarvan hierna een aantal voorbeelden wordt uitgelicht. Zo maakt
de medisch specialistische zorg met het project «Grip op richtlijnen en modules» werk
van het opschonen van richtlijnen en het verlichten van de registratielast die hiermee
gepaard gaat. Momenteel zijn er 600 richtlijnen en 10 tot 15 duizend modules, die
dus worden opgeschoond. Ook worden er in overleg tussen branche- en beroepsorganisaties
en overheidspartijen zoals VWS en toezichthouders oplossingen gevonden voor knelpunten
in de praktijk. Zo hebben VWS en de Nederlandse Zorgautoriteit het kader voor de administratie
en declaratie van huisartsenzorg rond het overlijden van een patiënt verduidelijkt.
Tot slot heeft de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) een ontregelcampagne
gelanceerd gericht op bestuurders. De NVZ organiseert verschillende activiteiten gericht
op activeren en motiveren van bestuurders, omdat de bestuurder onmisbaar is bij het
lokaal ontregelen.
Verbeteren van databeschikbaarheid
Om gegevens in de zorg beter beschikbaar en uitwisselbaar te maken, neemt het kabinet
de regie. Samen met zorgorganisaties en ICT-partijen wordt gewerkt aan een toekomstbestendig
gezondheidsinformatiestelsel dat zorg, welzijn en preventie ondersteunt. Dit stelsel
moet zorgverleners en burgers voorzien van betrouwbare, veilige en bruikbare informatie,
zodat passende zorg kan worden geleverd. Om dit mogelijk te maken en ervoor te zorgen
dat de zorg ook in de toekomst van goede kwaliteit, toegankelijk en betaalbaar blijft,
zijn in het IZA afspraken gemaakt over het veilig delen van gegevens tussen zorgprofessionals
en patiënten of cliënten. Op 20 januari jl. is de Kamer hierover geïnformeerd via
de Kamerbrief Voortgang op Databeschikbaarheid in de Zorg.21 In deze brief worden verschillende belangrijke bouwstenen beschreven die nodig zijn
om volledige databeschikbaarheid in de zorg te realiseren. Het kabinet neemt verantwoordelijkheid
voor de verdere samenhang tussen deze bouwstenen en legt met gerichte sturing, duidelijke
prioriteiten en intensieve samenwerking een stevige basis voor een goed werkend stelsel
van databeschikbaarheid. Ook de afspraken uit het HLO over databeschikbaarheid dragen
daaraan bij.
Om de doelstellingen uit het IZA sneller en breder te realiseren, zijn aanvullende
afspraken gemaakt binnen het AZWA. Voor het thema databeschikbaarheid ligt de nadruk
daarbij op twee onderwerpen: de implementatie van digitale gegevensuitwisseling en
de toepassing van kunstmatige intelligentie (AI).
Elektronische gegevensuitwisseling zorgt ervoor dat zorgverleners direct toegang hebben
tot complete en actuele medische dossiers. Dit verbetert de kwaliteit van de zorg,
versnelt het behandelproces, verkleint de kans op medische fouten (zoals verkeerde
medicatie) en geeft patiënten meer regie over hun eigen gezondheid. Om elektronische
gegevensuitwisseling in de zorg sneller in de praktijk te brengen, is een implementatiestrategie
ontwikkeld en vastgesteld. Deze strategie beschrijft hoe digitale oplossingen kunnen
worden ingevoerd en opgeschaald, met speciale aandacht voor netwerkzorg en regionale
samenwerking tussen zorgaanbieders. Daarnaast is een communicatiestrategie opgesteld
om het belang en de urgentie van digitalisering, gegevensuitwisseling en databeschikbaarheid
beter onder de aandacht te brengen.
Praktijkvoorbeeld: Het programma Medicatieoverdracht heeft onlangs zijn eerste livegang
gerealiseerd. Binnen de regio Rijnmond heeft trombosedienst inzage in de medicatiegegevens
die apotheken, met toestemming van hun patiënten, hebben opgeslagen. De medicatiegegevens
worden op een gestandaardiseerde manier uitgewisseld. Meer gestandaardiseerde medicatiegegevens
dragen bij aan een verdere verbetering van medicatieveiligheid. Naast de uitwisseling
van medicatiegegevens wordt ook gewerkt aan verbeteringen in de beschikbaarheid van
andere medische informatie, zoals beeldbeschikbaarheid.
Praktijkvoorbeeld: In samenspraak met het zorgveld is in 2025 ervoor gekozen om een
tijdelijke oplossing voor beeldbeschikbaarheid voor radiologische beelden te ontwikkelen
en gebruiken. De landelijke uitrol van deze oplossing start medio 2026. Op deze manier
kunnen radiologische beelden al op korte termijn worden opgevraagd en uitgewisseld.
Deze tijdelijke oplossing zal in samenspraak met de betrokken partijen worden afgebouwd
zodra de oplossing onder de Wegiz en EHDS beschikbaar komt.
Op 18 mei jl. heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd over de voortgang van het Landelijk
Dekkend Netwerk22 en over de stand van zaken rond de implementatie van de European Health Data Space
(EHDS)-verordening23. Daarnaast is de Kamer op 6 oktober jl. geïnformeerd over de inzet op de toepassing
van AI in de zorg.24 Daarbij is aangegeven dat het kabinet is gestart met het Programma Realisatie AI
in de Zorg, waarmee de inzet en opschaling van AI-toepassingen in de zorg wordt ondersteund.
Structurele inbedding Thuisarts
Het kabinet is verheugd dat de bekostiging van Thuisarts per 1 januari 2027 structureel
is geborgd, door nauwe samenwerking tussen beroepsgroepen, zorgverzekeraars, Patiëntenfederatie
en overheid. Door de structurele inbedding wordt betrouwbare gezondheidsinformatie
beter gedeeld. Hierdoor wordt de samenwerking met apotheken en andere zorgverleners
versterkt, wat zorgt voor betere zelfzorgondersteuning en een lagere werkdruk in de
praktijk.
Werkagenda Betere Beschikbaarheid Geneesmiddelen
Een andere belangrijke mijlpaal is de Werkagenda Betere Beschikbaarheid Geneesmiddelen
die het kabinet nog voor het zomerreces naar de Kamer wil sturen. De werkagenda is
gericht op het beschikbaar maken en houden van bestaande medicijnen, zodat patiënten
sneller en makkelijker de juiste behandeling krijgen. Dat helpt ook bij het vrijspelen
van zorgpersoneel voor zorgtaken en het voorkomen van vervangende, vaak zwaardere,
zorg. Op dit moment leggen de partijen van het BO Farmacie25 de laatste hand aan het werkplan.
Actieplannen ggz
Tot slot is het goed te melden dat in het kader van de afspraken die in het IZA zijn
gemaakt over het gelijkmatig verdelen van werkdruk en optimaal inzetten van personeel
in de ggz, onder regie van de Nederlandse ggz worden per knelpuntregio actieplannen
opgesteld met betrokken ggz aanbieders, ziekenhuizen, vrijgevestigden en verzekeraars.
Ook wordt landelijk gewerkt aan een toolkit met bewezen oplossingen, ondersteuning
bij werkplezier en behoud van ggz-medewerkers en afspraken over passende bekostiging.
Verzoeken, toezeggingen, motie en rectificatie
Verzoek reactie op artikel Zorgvisie over transitie in zorg en welzijn26
De Kamer heeft verzocht om een reactie op het artikel van Martin van Rijn en Edwin
Velzel in Zorgvisie van 16 maart jl. over de transitie in zorg en welzijn. Het kabinet
deelt de ambitie om de beweging naar passende zorg, preventie en een sterke sociale
basis verder te versnellen en concreter te maken. Tegelijkertijd herkent het kabinet
zich niet in het beeld dat met de zorgakkoorden geen sprake zou zijn van echte zorgtransities,
maar dat deze slechts het huidige systeem zouden blijven optimaliseren. Juist met
deze akkoorden zetten zorgpartijen, gemeenten en welzijnsorganisaties gezamenlijk
belangrijke stappen om de zorg en ondersteuning toegankelijk, houdbaar en mensgericht
te organiseren. Wel is duidelijk dat verdere versnelling en meer zichtbare impact
nodig zijn. Dat geeft het kabinet ook aan in de beleidsbrief VWS27, waarin wordt beschreven hoe via wet- en regelgeving passende zorg steeds meer de
norm wordt, waaronder ook de beweging naar het sociaal domein, het versterken van
de sociale basis en het voorkomen van onnodige medicalisering.
Verzoek reactie op brandbrief NVZ en brieven Zelfstandige Klinieken Nederland (ZKN)
en Zorgverzekeraars Nederland (ZN)28
Op 1 juni jl. is de Kamer geïnformeerd over de stand van zaken van het traject eerlijk
speelveld. In deze brief is een reactie opgenomen van het kabinet op de brandbrief
van de NVZ: «Noodplan nodig tegen uitholling ziekenhuizen». Zowel ZKN als ZN heeft
in december 2025 per brief gereageerd op de brandbrief van de NVZ. De inhoud van de
Kamerbrief van 1 juni is tevens een reactie op de brieven van ZKN en ZN.
Toezegging voortgang AZWA-afspraken ggz29
Tijdens het commissiedebat Suïcidepreventie/ggz van 26 maart jl. is toegezegd de Kamer
te informeren over de voortgang op de ggz AZWA-afspraken voorafgaand aan het IZA/AZWA-debat
van 1 juli. Met deze brief voldoet het kabinet aan deze toezegging.
Toezegging vindbaarheid laagdrempelige steunpunten30
Tijdens het commissiedebat ggz en suïcidepreventie van 26 maart jl. heeft de Minister
van VWS toegezegd in te gaan op hoe LSP’s in het sociaal domein daadwerkelijk gevonden
worden. In de handreiking laagdrempelige steunpunten is dit meegenomen. In de werkagenda
moeten partijen duidelijk maken hoe de laagdrempeligheid en nabijheid geborgd wordt.
Aspecten die daarbij moeten terugkomen zijn: hoe en waar zijn de LSP’s online vindbaar,
hoe wordt ervoor gezorgd dat LSP’s bij huisartsen, ggz-aanbieders, welzijn, en het
MGN (in ieder geval bij de gespreksvoerders verkennend gesprek) bekend zijn, en de
fysieke nabijheid (hoe ver moet men reizen om een LSP te bereiken). Op deze manier
wordt de vindbaarheid van LSP’s voor inwoners geborgd. Daarnaast zijn er monitoringsrapportages
beschikbaar, waarin een landelijk en regionaal beeld van LSP’s is opgenomen. Hiermee
beschouwt het kabinet de toezegging als afgedaan.
Motie vroegsignalering mentale problemen31
Voor inloopvoorzieningen sociaal en gezond (inclusief de daaraan verbonden inzet van
professionals, ondersteuning van burgerinitiatieven en netwerksamenwerking) wordt
een handreiking opgesteld. De handreiking geeft gemeenten en maatschappelijke partners
richting bij het versterken van bestaande- of inrichten van nieuwe inloopvoorzieningen
die de basisfunctionaliteiten borgen. Naar verwachting wordt de handreiking begin
Q3 2026 opgeleverd.
In de handreiking voor de inloopvoorzieningen ligt de focus op de waarde van (collectieve)
plekken, voorzieningen en de publieke ruimte in buurten; op de «infrastructuur» die
inwoners in staat stelt elkaar te ontmoeten. Ontmoeting die niet alleen bijdraagt
aan sociale cohesie en welzijn, maar ook in het vroegtijdig signaleren van behoeften,
het versterken van netwerken en lokale kracht en voorkomen van zwaardere zorg. Er
wordt daarnaast o.a. ingezet op deskundigheidsbevordering in- en rondom inloopvoorzieningen
op de leefgebieden mentale gezondheid, vitaal ouder worden, gezonde leefstijl, kansrijk
opgroeien en gezondheidsachterstanden. Meer kennis en expertise draagt bij aan gerichte
inzet van preventie en (vroeg)signalering in de directe omgeving van hen die dat nodig
hebben. Daarmee geeft het kabinet uitvoering aan de motie van het lid Rikkers-Oosterkamp,
waarin de Minister is opgeroepen om een vaste plek in het sociaal domein te creëren
voor vroegsignalering van mentale problemen. Hiermee beschouwt het kabinet de motie
als afgedaan.
Toezegging mondzorg32
In het commissiedebat eerstelijnszorg van 1 april jl. heeft de Minister van VWS toegezegd
om in de voortgangsbrief AZWA in te gaan op instrumenten zoals het noodfonds om, voor
mensen die om financiële redenen afzien van mondzorg, financiële drempels voor mondzorg
te verlagen en specifiek de mogelijkheden vanuit de middelen op de ontwikkelagenda
AZWA. Voor de jaren 2027 en 2028 is 2 maal € 45 mln. beschikbaar voor deze gehele
ontwikkelagenda. In de 1e suppletoire VWS-begroting 2026 is aangegeven dat het kabinet van plan is om van deze
middelen zowel in 2027 als in 2028 € 5,5 mln. in te zetten voor een pilot mondzorg
voor minima. Op dit moment wordt uitwerking gegeven aan hoe deze pilot kan worden
vormgegeven daarom is het nu nog te vroeg om de Kamer te informeren over de exacte
invulling daarvan. Gezien het tijdelijke karakter en de beperkte omvang van de pilot
zou het een optie kunnen zijn om in te zetten op noodbehandelingen bij de meest kwetsbare
doelgroep. Dit idealiter in combinatie met voorlichting over bijvoorbeeld het belang
van een goede mondgezondheid en mogelijkheden voor reguliere mondzorg. Uitgangspunt
van de AZWA ontwikkelagenda is namelijk het voorkomen van verdere zorgvraag. Hierover
zal nog gesprek worden gevoerd met betrokken partijen. Hiermee beschouwt het kabinet
de toezegging als afgedaan.
Toezegging eerste concrete resultaten regeldruk33
In het notaoverleg Arbeidsmarktbeleid in de zorg van 8 juni jl. heeft de Minister
van LJS toegezegd de Kamer in juni te informeren over de (eerste) concrete resultaten
voor het verminderen van de administratieve lasten. Met deze brief voldoet het kabinet
aan deze toezegging.
Rectificatie NIVEL-rapport IZA-monitor Beweging naar een sterkere eerste lijn 2024–2026
Op 9 september jl. heeft de Kamer het NIVEL-rapport «Beweging naar een sterkere eerste
lijn 2024–2026 ontvangen», als bijlage bij de Kamerbrief «Voortgang Integraal Zorgakkoord:
monitor van de beweging»34. Inmiddels heeft NIVEL dit rapport herzien. De eerste publicatie van het rapport
bevatte een berekening van de omvang van het aandeel patiënten dat contact heeft gehad
met de spoedeisende hulp (SEH) en de huisartsenspoedpost (HAP) (Hoofdstuk 4.3.1) die
afweek van de beoogde methode zoals beschreven in Hoofdstuk 4.2. De herziening (d.d.
19 mei 2026) betreft de cijfers over het aandeel patiënten dat minimaal één contact
heeft gehad bij de SEH of de HAP, in Hoofdstuk 4.3.1. Deze bleken voor de SEH hoger
te liggen dan gerapporteerd. De cijfers voor de HAP bleken voor het jaar 2019 hoger
te liggen dan gerapporteerd. Op basis van deze herziening is ook de conclusie over
deze cijfers in dit rapport aangepast. Voor de volledigheid ontvangt de Kamer de herziene
versie van het rapport (zie bijlage).
Ten slotte
Het kabinet ziet dat partijen hard werken aan de afspraken in de zorgakkoorden en
dat er veel successen zijn te benoemen. Daarbij heeft het kabinet er waardering voor
dat partijen elkaar door de zorgakkoorden goed weten te vinden. Niettemin is de urgentie
hoog om de zorg en ondersteuning toegankelijk en betaalbaar te houden voor mensen
nu en in de toekomst. Daarbij ziet het kabinet dat de voortgang op sommige afspraken
achterblijft en dat de afgesproken deadlines niet altijd worden gehaald. Het is van
belang dat partijen over hun eigen schaduw heen stappen: individuele belangen mogen
de benodigde transitie niet in de weg staan. Het is mooi dat partijen samenwerken
om de beweging voort te zetten en zoeken naar oplossingen. Tegelijkertijd gaat het
nog niet overal goed of snel genoeg. Daarom heeft het kabinet in de beleidsbrief VWS
maatregelen aangekondigd om meters te maken op de opgaven die ons verbinden: we werken
aan de gezondste generatie ooit, we brengen de beweging van zorg naar gezondheid in
de praktijk en we organiseren het zo dat zorgverleners zich kunnen richten op de zorg
die past bij wat mensen echt nodig hebben.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
S.T.M. Hermans
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport